CD-recensies maart 2017

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

CORMAC O CAOIMH “Shiny Silvery Things” - SHARON SHANNON “Sacred Earth” - TIM O’BRIEN “Where The River Meets The Road” - ERIC BIBB “Migration Blues” - TIM GRIMM AND THE FAMILY BAND “A Stranger In This Time” - BIG TIME BOSSMEN “Working On A Plan” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Souvenir” - CARRIE ELKIN “The Penny Collector” - NATHAN BELL “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” - HEIGH CHIEF “Heigh Chief” - OH SUSANNA “A Girl In Teen City” - LYNN MILES WITH KEITH GLASS “Road” - LEVI PARHAM “An Okie Opera” - CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “A Song I Can Live With” - BILL KIRCHEN AND AUSTIN DE LONE “Transatlanticana” - DE KAT “DE KAT II” - REBECCA LOEBE “Blink” - LEE PALMER “Bridge” - CHUCK PROPHET “Bobby Fuller Died For Your Sins” - GUY VERLINDE AND THE HOUSEROCKERS “How How How” - CHILLI WILLI AND THE RED HOT PEPPERS “Real Sharp” - JIM LAUDERDALE “London Southern” - NED ROBERTS “Outside My Mind” - MATT HAECK “Late Bloomer” - LOWLANDS AND FRIENDS “Play Townes Van Zandt’s Last Set” - MERCY JOHN “This Ain’t New York” - RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “My Way Or The Highway” - AD VANDERVEEN “Worlds Within” - TOM PAXTON “Boat In The Water” - THE SADIES “Northern Passages” - NIKKI LANE “Highway Queen” - SEAN WEBSTER BAND “Leave Your Heart At The Door” - TINEZ ROOTS CLUB “Have You Heard?!” - TORGEIR WALDEMAR “No Offending Borders” - JUDE JOHNSTONE “A Woman’s Work” - MATT WATTS “How Different It Was When You Were There” - TRICCA MCNIFF “Southern Star” - RIANTO DELRUE “Riding For A Fall” - MATT HANNAH “Dreamland” - MANITOBA HAL “Live In Ghent” - LEVI CUSS “Night Thief” - BRIGITTE DEMEYER & WILL KIMBROUGH “Mockingbird Soul” - MARTIN HARLEY AND DANIEL KIMBRO “Static In The Wires” - MARY’S LITTLE LAMB “Elixir For The Drifter” - CHRISTIAN KJELLVANDER “Solo Live” - PAAL FLAATA “Come Tomorrow: Songs Of Townes Van Zandt” - FRED EAGLESMITH “Standard” - DAYNA KURTZ WITH ROBERT MACHE “Here Vol. 1” - THE BLACK SORROWS “Faithful Satellite” - TIFT MERRITT “Stitch Of The World” - HAT CHECK GIRL “Two Sides To Every Story” - RETO BURRELL “Side A&B” - THE BAND OF HEATHENS “Duende” - MISS TESS “Baby We All Know” - BOB CHEEVERS “Fifty Years, The Bob Cheevers Collection” - CHATHAM COUNTY LINE “Autumn” - SURRENDER HILL “Right Here Right Now” - MANDOLIN ORANGE “Blindfaller” - JOHN CALVIN ABNEY “Far Cries And Close Calls” - STEPHEN FEARING “Every Soul’s A Sailor” - SHANNON LYON “My Throat Is Soar” - RORY BLOCK “Keepin’ Outta Trouble, A Tribute To Bukka White” - OSBORNE JONES “Only Now” - CARTER SAMPSON “Queen Of Oklahoma And Other Songs By Carter Sampson” - AJ HOBBS “Too Much Is Never Enough” - HIDDEN AGENDA DELUXE AND CARTER SAMPSON “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” - CHRIS MURPHY “The Tinker’s Dream” - STEVE HUSSEY & JAKE EDDY “The Miller Girl” - SUSAN KANE “Mostly Fine” - TRAILERPARK IDLERS “Alligator Days” - RIVERS “Both Of Your Wings” - JAMES MCARTHUR AND THE HEAD GARDENERS “Burnt Moth” - COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” - VOODOO SWING “To You, My Friend” - DOWN HARRISON “Down Harrison” - JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” - RICHARD LINDGREN “Malmostoso” - THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” - JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” - GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg”

 

CORMAC O CAOIMH “Shiny Silvery Things” (Cormac O Caoimh)

(4****)

Wat vonden wij het midden van de jaren tachtig een geweldige tijd om muzikaal te beleven! Met volle teugen laafden we ons indertijd aan nieuwe platen van onder meer Morrissey en z’n Smiths, Lloyd Cole & The Commotions en Elvis Costello, om zomaar voor de vuist weg enkele van onze muzikale helden uit die periode te noemen. En dan waren er natuurlijk ook nog de opkomende talenten Roddy Frame, Paddy McAloon en Martin Stephenson. Met respectievelijk Aztec Camera, Prefab Sprout en de Daintees bezorgden zij ons zo menig een fijn moment. “High Land, Hard Rain”, “Swoon”, “Steve McQueen” en “Boat To Bolivia”, het zijn vier albums die voor eeuwig en altijd in ons geheugen gegrift staan.

En precies in die traditie past ook “Shiny Silvery Things” van de vanuit Cork actieve Cormac O Caoimh. Als hij met “Second Hand Clothes” dat vierde album van ‘m op gang trapt, dan lijkt het wel alsof we met de teletijdmachine van professor Barabas uit de stripserie “Suske en Wiske” worden teruggecatapulteerd naar 1984 en het debuut van Paddy McAloon en de zijnen. Er is om te beginnen al een zekere stemgelijkenis tussen de twee, maar er is vooral ook hun gedeelde passie voor tot in de puntjes verzorgde popdeuntjes.

Sommige traag, andere wat vlotter, sommige persoonlijk, andere net niet, sommige fictioneel, andere gebaseerd op de realiteit. Charmant van het eerste tot het laatste. Totaal niet opdringerig en zich paradoxaal genoeg toch ogenblikkelijk tussen de oren nestelend. Hartverwarmend mooi, niet zelden op het delicate af. Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als het al genoemde “Second Hand Clothes”, “Have You Built Yourself Well”, “Hey You”, “Tea In My Teacup”, “Silence And Sound” en andere en tracht daarbij onbewogen te blijven. Het zal je niet meevallen! Bepaald niet.

Mocht O Caoimh deze plaat zo’n dertig jaar eerder afgeleverd hebben, dan zouden we zijn naam nu allicht eerbiedig uitspreken in het hoger opgesomde lijstje met top-songwriters. Maar goed, dat is nu eenmaal niet het geval en dus zal hij genoegen moeten nemen met een plaatsje op de plank ergens heel dicht in de buurt van het prille materiaal van de heren McAloon, Frame, Stephenson en co. Een plaatsje waar het bijzonder goed toeven is.

Gaan we alleszins nog heel veel plezier aan beleven, aan dit “Shiny Silvery Things”. Zoveel is nu al wel zeker.

Cormac O Caoimh

 

SHARON SHANNON “Sacred Earth” (Celtic Collections / Mass Market Recordings / Music & Words)

(3,5****)

Als Sharon Shannon en haar begeleiders “Rusheen Bay”, het openingsnummer van haar nieuwe album “Sacred Earth”, inzetten, dan ga je als luisteraar vrijwel onmiddellijk spontaan aan Paul Simons succesplaat “Graceland” denken. En dat blijkt geen toeval te zijn ook. De accordeoniste heeft zich naar eigen zeggen immers tot doel gesteld een soort van Ierse variant op dat geheel af te leveren. Een sterk staaltje aan wereldmuziek hoe dan ook. Shannon beperkt zich op haar jongste worp immers niet tot één enkel continent. Ze maakt er een soort van muzikale wereldreis van.

Dat zoiets bijna smeekt om een uitgebreide gastenlijst, dat spreekt voor zich. En dus trommelde Shannon nogal wat schoon volk op om haar tijdens de opnamen van de elf liedjes van “Sacred Earth” bij te staan. Haar meest in het oog springende gasten waren wat ons betreft de Australische blues & roots man Hat Fitz, haar legendarische landgenoot Finbar Furey, Nathan Carter, Greg Guy, zoon van bluesgod Buddy en ook zelf een meester op de elektrische, de Afrikaanse coratovenaar Seckou Keita en de Amerikaanse zangeres Alyro Rose.

Met z’n allen tekenen zij voor een grotendeels instrumentaal gehouden collectie liedjes, waarin traditionele Ierse klanken op meesterlijke wijze versmelten met invloeden van over zowat de gehele wereld. De joie de vivre die daarbij vrijkomt is nauwelijks nog onder woorden te brengen. Uit zo ongeveer elke ten gehore gebrachte noot hoor je, dat alle bij het project betrokkenen zich voortdurend ongelooflijk geamuseerd moeten hebben.

Enkele luistertips: de al genoemde, bijna bedeesd Afrikaans getinte opener “Rusheen Bay”, een erg mooie versie van het onder meer al in uitvoeringen van Jim Reeves en Ry Cooder bekende “He’ll Have To Go”, één van de weinige gezongen nummers hier, het buitengewoon levenslustige “Frenchie’s Reel”, de ook al erg zwierige zydeco van “Let’s Go” en de mooie, met een zekere Franse flair gebrachte trage “The Merry Widow”.

Sharon Shannon

 

TIM O’BRIEN “Where The River Meets The Road” (Howdy Skies Records / Bertus)

(4****)

Tim O’Brien doet het op zijn nieuwe plaat – Zijn ondertussen zestiende soloworp! – uitsluitend met liedjes die op de één of andere manier verbonden zijn met West Virginia. Daar groeide hij zelf op, daar en nergens anders liggen zijn roots. En uiteraard levert dat dan ook de nodige fijne verhalen op. Al dient daar wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat ’s mans eigen originelen hier nadrukkelijk in de minderheid zijn. Slechts twee van de twaalf liedjes schreef hij bij nader inzicht zelf.

“Guardian Angel” en titelnummer “Where The River Meets The Road” zijn de twee kleinoden waar het dan om gaat. En daarin graaft O’Brien diep in zijn eigen verleden. In het eerste blikt hij terug op de dood van zijn oudere zus, in het tweede laat hij zijn eigen grootvader zelf het verhaal van zijn verhuis naar West Virginia in 1850 doen.

Voor het overige enkel vreemde eenden in de bijt dus. Bij Billy Edd Wheeler haalde O’Brien het ooit nog door Jefferson Airplane gecoverde “High Flying Bird”, bij Bill Withers het aan opgroeien tijdens de hoogdagen van de kolenindustrie in West Virginia gewijde “Grandma’s Hands”, bij John Lilly “Friday, Sunday’s Coming”, bij Larry Groce “When The Mist Clears Away”, bij de Bailes Brothers het met Kathy Mattea en Chris Stapleton gebrachte “Drunkard’s Grave”, bij Curly Ray Cline het sprankelende “Windy Mountain”, bij Hazel Dickens de prachtige ballad “Few Old Memories” en bij A.P. Carter en The Carter Family “Little Annie (When The Springtime Comes Again)”. En dan zijn er ook nog zijn lezingen van de traditionals “Queen Of The Earth And Child Of The Skies” en “My Old Coat And Me”. Die laatste in een lentefris arrangement van Doc Williams.

Al bij al een bijzonder leuke voorbode op O’Briens eerste doortocht doorheen onze kontreien sinds lang. Die brengt hem eind april begin mei achtereenvolgens naar Bergen Op Zoom (di. 25-04, Theater Zwijnshoofd), Rotterdam (do. 27-04, LantarenVenster), Amsterdam (vr. 28-04, Paradiso), Utrecht (zo. 30-04, TivoliVredenburg) en Eindhoven (ma. 01-05, Meneer Frits). Je zal er dus wel even de grens voor over moeten…

Tim O’Brien

 

ERIC BIBB “Migration Blues” (DixieFrog / Bertus)

(4,5*****)

“Migration Blues”, het nieuwe album van songsmid Eric Bibb, moeten we vooral met z’n allen zien als een serieus statement. Bibb, die zichzelf graag mag profileren als een echte wereldburger, drukt ons met de vijftien songs erop immers nog eens met de neus op de feiten. Migratie is een verschijnsel van alle tijden. Mensen in nood ontvluchtten altijd al hun lot. En dat zullen ze ook in de toekomst blijven doen. Hoe die toekomst er ook zal uitzien. Hij maakt een vergelijking tussen de vele Afro-Americans die ooit het (racistische) rurale Zuiden van de States achter zich lieten voor een wat vriendelijkere toekomst in het Noorden en de hele horden bootvluchtelingen die dezer dagen uit onder meer Syrië in onze kontreien neerstrijken. Uiteindelijk zoeken zij immers hetzelfde. Een menswaardiger bestaan.

Voor het overbrengen van die visie ging Bibb een samenwerkingsverband aan met Michael Jerome Browne en JJ Milteau. Laatstgenoemde haalde hij naar goede gewoonte aan boord voor zijn gesmaakte mondharmonicabijdragen, Browne van zijn kant deed een duit mee in het zakje op onder meer diverse gitaren, fiddle en banjo. Met z’n drieën doen ze zo ongeveer alles. Al willen we zeker niet nalaten om de gezongen bijdrage van Big Daddy Wilson aan het alleen al titelgewijs al maar weinig meer aan de verbeelding overlatende “Prayin’ For Shore” ook even te vermelden. Evenals die van partner Ulrika aan “Mornin’ Train” of het drum- en percussiewerk van Olle Linder her en der.

Het merendeel van de songs op “Migration Blues” zijn uiteraard Bibb-originelen. Gepend in z’n eentje of met (één van z’n) beide partners. En die Browne en Milteau dragen trouwens ook gewoon zelf enkele liedjes bij. En dan zijn er ook nog de covers, meer bepaald lezingen van Bob Dylans “Masters Of War”, Woody Guthrie’s “This Land Is Your Land” en de traditional “Mornin’ Train”.

Samen goed voor ruim achtenveertig minuten rootsvermaak met het hart op de juiste plaats. Zeg dat wij het gezegd hebben…

Eric Bibb

 

TIM GRIMM AND THE FAMILY BAND “A Stranger In This Time” (Cavalier Recordings / Heartselling)

(4****)

“A Stranger In This Time”, het nieuwe album van zingende songsmid Tim Grimm, verschilt in zo menig een opzicht van z’n voorgangers. Niet enkel het inhoudelijke wijkt bij momenten aardig af van wat we door de jaren heen van de beste man gewoon raakten, ook zijn benadering van het geheel is zo ongeveer compleet nieuw. “A Stranger In This Time” is immers een heus gezinsalbum geworden. Met naast zijn vrouw Jan Lucas nu ook zoons Jackson en Connor aan boord. En met name de eerste van die twee doet daarbij al flink van zich spreken. Onder liefst vijf van de elf gebrachte nummers troffen we ook zijn naam aan.

Uiteraard prijken er ook op “A Stranger In This Time” weer enkele vintage Grimm songs over zijn vertrouwde omgeving. Over het land waaraan hij zijn hart verloor. Over het land, dat hij absoluut niet kwijt wil aan een gewetenloze zakenman turned into politician. En dus spuwt hij zo nu en dan ook zijn gal. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het tegelijk aan Dylan en Cohen herinnerende “Gonne Be Great” en je zal meteen zien wat we daarmee bedoelen. Als Grimm daarin onomwonden vaststelt “the votes were all counted – it was worse than we feared”, dan laten die woorden maar weinig meer aan de verbeelding over. “We woke up this mornin’ on the wrong side of fate…”

Grimm als de folkie die we kenden, maar ook als protestzanger dus. En als pater familias die z’n gevolg met vaste hand doorheen een gevarieerde set aan liedjes gidst. Van ballads tot wat feller spul.

Onze luistertips: het verhalend sterke trio “Thirteen Years”, “Hard Road” en “The Hungry Grass” en het eerder al genoemde “Gonna Be Great”.

(Tijdens de maanden april, mei en juni doen Grimm en z’n gezin Nederland aan voor een hele reeks optredens.)

Tim Grimm

 

BIG TIME BOSSMEN “Working On A Plan” (Rootz Rumble / Donor Productions / Sonic Rendezvous)

(4****)

Eén van de allerleukste rootsrockplaten van het jaar so far is wat ons betreft ontegensprekelijk “Working On A Plan” van onze landgenoten van de Big Time Bossmen. David Bauwens (zang, ritmegitaar en blues harp), Piet Vercauteren (leadgitaar), Bruno Dierick (staande en elektrische bas) en Rien Gees (drums) bevestigen met de dertien nummers op dat album waarom ze hier te lande al een poosje worden gezien als één van dé genrebeloftes voor de toekomst. Met een bruisende cocktail van rock & roll, swamp rock, blues, country en in iets mindere mate funk is het op “Working On A Plan” net geen veertig minuten lang doorlopend party time.

Voornaamste uitschieters vonden wij daarbij het volop tot aardig obscene heupbewegingen aanzettende “Make My Way”, het ook al lekker gedreven uit de hoek komende “The Last Fuck”, het sfeervolle achterbuurtenbluesje “Wolfman”, een ronduit heerlijke cover van de Ruth Brown-hit “5-10-15 Hours”, het met wat countrygevoel gekruide duo “Wouldn’t That Be Great” en “The Effect I Have On Women”, het funky knallende “Bartender” en catchy lijflied “Big Time Bossman”.

Een concertagenda met daarop voor de komende maanden nu al gigs in onder meer Nederland, Duitsland, Engeland en Zweden bewijst dat ons land absoluut niet het eindpunt hoeft te zijn voor dit buitengewoon swingende viermanschap. Wij zouden in verband met het materiaal op “Working On A Plan” zelfs al voorzichtig durven te gewagen van internationale klasse.

(Op 20 april aanstaande wordt het album in de Gentse Missy Sippy Blues & Roots Club live boven de doopvont gehouden. Een week later kan u de heren ook in de Bacchus in Antwerpen gaan bewonderen.)

Big Time Bossmen

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Souvenir” (Magnolia Music)

(4****)

Voor hun nieuwe worp streken Drew Holcomb en zijn buren na flink wat omzwervingen opnieuw neer in hun thuishaven East Nashville. Daar namen ze onder de productionele auspiciën van het ook al voor dat vorige album verantwoordelijke duo Joe Piasapia en Ian Fitchuk nu ook de opvolger voor “Medicine” op. En dat was gezien het succes van die plaat eigenlijk best wel een te verwachten zet. Veel minder voorspelbaar waren de verschuivingen daar waar het de bijdragen met betrekking tot het materiaal op die nieuwe betreft. Holcomb heeft er ditmaal immers voor geopteerd om voor een echte bandplaat te gaan.

De elf liedjes op “Souvenir” blijken derhalve niet enkel van zijn hand te zijn, maar ook van die van z’n maats Rich Brinsfield en Nathan Dugger. Die laatste tekende voor de echt wel verbluffend mooie verhalende countrydeun “The Yellow Rose Of Santa Fe”, naar onze bescheiden mening meteen één van de allermooiste liedjes op “Souvenir”. Brinsfield van zijn kant droeg de poppy, ons bij nader inzicht best wel een beetje aan het materiaal van Ron Sexsmith herinnerende pianoballade “Sometimes” aan. En dan zijn er ook nog eens een vijftal nummers waarvoor of Dugger, of Brinsfield, of beiden samen met Holcomb achter de schrijftafel plaatsnamen. Als daar zijn het op eerder ingetogen, maar catchy wijze het geheel aftrappende “The Morning Song”, het pittig rockende, meteen na de presidentsverkiezingen in hun land geschreven “Fight For Love”, de oorwurm “Mama’s Sunshine, Daddy’s Rain”, het heel erg emotionele, door Holcomb in duet met z’n vrouw Ellie gebrachte “Black And Blue” en de ergens heel dicht in de buurt van acts als Mumford & Sons en de Avett Brothers strandende bedaarde beauty “Postcard Memories”.

In z’n eentje was Holcomb verantwoordelijk voor het dan nog resterende viertal. We hebben het dan over het als zwierige West Coast country rocker verpakte eerbetoon aan de Golden Coast “California”, over de geweldige, echt volop van het gruis op Holcombs stembanden profiterende trage “Rowdy Heart, Broken Wing”, over het met de nodige commerciële potentie door het leven stappende “New Year” en over afsluiter “Wild World”.

Al bij al een heerlijk gevarieerd geheel, dit “Souvenir”. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal het Holcomb en de zijnen zeker ook geen windeieren gaan leggen.

Drew Holcomb And The Neighbors

 

CARRIE ELKIN “The Penny Collector” (Carrie Elkin)

(4****)

De voorbije paar jaren was Carrie Elkin vooral actief als lid van het Sam Baker Trio en aan de zijde van haar eveneens als singer-songwriter door het leven stappende wederhelft Danny Schmidt. Met “The Penny Collector” focust ze nu echter weer volop op haar eigen solocarrière. Dat album, haar ondertussen zesde toch ook alweer, draagt ze op aan haar onlangs overleden vader Richard. En naar hem werd het ook vernoemd. De man bleek bij leven en welzijn immers een rabiate verzamelaar van de kleine muntstukjes uit de titel ervan.

In een productie van de hier eveneens enorm gerespecteerde Neilson Hubbard strandt Elkin met haar nieuwe materiaal ergens tussen pakweg een Patty Griffin en een Brandi Carlile. Ergens tussen Americana en roots enerzijds en indie rock anderzijds. Ze presenteert ons elf nummers lang het beste van twee werelden. Tien daarvan zijn eigen creaties, het elfde is een heel fraaie ingetogen cover van Paul Simons “American Tune”.

In haar eigen materiaal blikt Elkin voornamelijk terug op twee haar leven in 2015 ingrijpend veranderende gebeurtenissen. Aan de ene kant de geboorte van haar dochterje Maizy Rae, aan de andere het afscheid van haar vader. Toen ze ergens halverwege het jaar vernam, dat haar papa aan een terminale vorm van pancreaskanker leed, besloot Elkin om de muziek even te laten voor wat ze was en hem tot aan zijn einde voltijds bij te staan. We hoeven u allicht niet te vertellen, dat dit tot zeer heftige gevoelens en als een gevolg daarvan ook compleet andere levensinzichten heeft geleid. Momenten als deze tekenen een mens voor de rest van zijn leven. Ze vormen je als het ware definitief.

Bij het inblikken van “The Penny Collector” kreeg Elkin niet enkel de nodige bijstand van haar echtgenoot en haar producer, maar mocht ze verder onder meer ook nog een beroep doen op Will Kimbrough, Kris Donegan, Telisha Williams, David Henry, Eamon McLoughlin, Robby Hecht en Ryan Culwell. Heel schoon volk dus, uiteindelijk goed voor een heel schone plaat ook. Een aanrader alleszins!

Carrie Elkin

 

NATHAN BELL “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” (Stone Barn Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Veel van de beste singer-songwriterplaten worden geboren uit loutere noodzaak. Uit het gegeven dat hun makers dringend iets kwijt moeten. Dat er hun wat van het hart moet. Zo ook het werkelijk bloedmooie “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” van de Amerikaan Nathan Bell. Een plaat van het kaliber van Springsteens “Nebraska”. Een zo goed als spiernaakt gehouden beauty. Een man, zijn gitaar en sporadisch ook een mondharmonica. Maar vooral ook een visie. “It can’t go on like this, so raise your fist!” Bells letterlijke woorden in het tot vreedzame actie oproepende tweede nummer van het album. Actie tegen het Amerika van nu, maar door de verkiezing van Trump vooral ook dat van morgen. Bell onderbrak er de werkzaamheden aan een andere plaat voor om deze oproep te kunnen lanceren. Om maar te zeggen, dat het hem ook echt menens is.

In openingsnummer “The Big Old American Dream” heeft hij het al meteen over de moed die dezer dagen nodig is om een “normaal” leven (proberen) te leiden. De korte ei in dat werkwoord blijkt immers al lang niet zo vanzelfsprekend meer. Elders komt hij onder meer op voor de minderbedeelden in onze maatschappij, breekt hij een lans voor zonder pardon aan de kant geschovenen, gaat hij in op de schaamteloze verkrachting van onze natuur door de industrie, heeft hij het over vrouwen(rechten), over outsourcing en over PTSS bij een Vietnamveteraan. Een protestplaat pur sang dus. Gevoed door een werkelijkheid die alsmaar grimmiger vormen blijft aannemen. Grotendeels gebaseerd op waargebeurde verhalen.

Bell wil ons aansporen tot actie, zoveel is na de elf liedjes hier wel duidelijk. In het bij nader inzicht zo’n beetje als titelnummer fungerende “Traitorland (Rules For Living In Traitorland)” reikt hij ons zelfs een heuse survival kit aan. Naar eigen zeggen betreft het daarbij immers “a basic set of guidelines for doing what it takes to ensure that love is greater than fear”.

“Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” is niet enkel een steengoede plaat, het is ook een belangrijke. Een uitgesproken muzikale wake-up call. Zoiets.

(Nathan Bell is vanaf 31 maart live te zien in de Lage Landen.)

Nathan Bell

 

HEIGH CHIEF “Heigh Chief” (Blue Mood Records PIAS)

(3,5****)

Het voorheen nog gewoon als de Marcus Lovdal Band door het leven stappende Noorse collectiefje Heigh Chief bewijst op z’n nieuwe, naar zichzelf vernoemde album dat het ook anno 2017 nog altijd perfect mogelijk is om op creatieve wijze met het gegeven blues om te springen. Het viertal valt vrijwel meteen op door een eigen smoelwerk. Iets wat binnen het door de heren gefrequenteerde genre absoluut geen vanzelfsprekendheid is. Puristen zullen zo nu en dan bij wat Marcus Lovdal en maats doen wellicht geneigd zijn om eerder de term bluesy dan blues in de mond te nemen om te omschrijven wat ze horen. Er gebeurt nu eenmaal ontzettend veel in de nummers van het kwartet.

Bij momenten hoorden we zelfs een poppy randje. In één van dé absolute prijsnummers hier, het zomerse “Sweet Up My Soul” bijvoorbeeld al. Da’s het soort van liedje dat zich al na één enkele beluistering met geen stokken meer van tussen je oren laat verdrijven. Zo catchy, niet normaal! We meenden er hier zelfs de invloed van Paul Simon in te mogen herkennen.

Andere, wat ons betreft eveneens het predicaat supersongs verdienende kleinoden: het bedaarde “Weed, Whites & Wine”, het op zonderlinge wijze soulvol werkende “Little Things” en het zich ingehouden funky aandienende “Missing Out”. (Zelfs de ongemeen sfeervolle instrumentale versie die de traditional “Amazing Grace” hier meekrijgt, is absoluut de moeite waard!)

Bijzonder knap, hoe het samenvoegen van ingrediënten als rock, Americana, blues, soul, funk en jazz hier shaken not stirred een bijzonder smaakvolle eigentijdse cocktail oplevert. New name, new game indeed.

Heigh Chief

 

OH SUSANNA “A Girl In Teen City” (Continental Song City / CRS)

(4****)

“Here’s my story of a girl in Teen City,” valt Suzie Ungerleider op de binnenkant van het hoesje van haar nieuwe cd meteen met de deur in huis. En in grote lijnen blijkt het daarbij te gaan om haar eigen verhaal. Dat van haar jonge jaren in de naar haar normen veel te rustige havenstad Vancouver in British Columbia. Dat van een zoektocht. Van er achter proberen te komen wie je nu eigenlijk bent door iets trachten te zijn wat je net niet bent. En dat tegen een achtergrond van punk en new wave. Veel van Ungerleiders verhalen komen daardoor nogal bekend voor. Ook al waren we zelf al wel enkele jaartjes ouder bij het begin van de eighties.

Onder de productionele hoede van haar landgenoot Jim Bryson gidst Suzie Ungerleider ons doorheen twaalf Canadiana-liedjes die als het ware de perfecte soundtrack vormen voor onder de film van haar leven in de prille jaren tachtig. We worden samen met haar verliefd, drinken er wel eens eentje teveel, weten ons hart ook weer gebroken en slijten zo menig een moment in het gezelschap van vrienden. En dat op de meest uiteenlopende plekken.

Een pril intiem momentje wordt gedeeld in het kwetsbare “The Darkroom At The School”, een stapje in de wereld voorbereid in het zacht rockende “Getting Ready”, een concert van de Canadese hardcore punkers van D.O.A. met de nodige weemoed herdacht in “Tickets On The Weekend”. “Walked All The Way Home” doet op verstilde wijze het relaas van een eenzame nachtelijke wandeling naar huis, “Waiting For The Blossoms” bruist in al z’n eenvoud van de jeugdige sehnsucht en “Thunderbird” – het misschien wel allermooiste liedje van allemaal hier – laat ons getuige zijn van de door een jong stel gedeelde passie voor een wagen. “I didn’t wanna be your girl, just drive me round the world or down the block’ll do just fine,” aldus Ungerleider daarin onomwonden. Ook heel erg mooi: “My Old Vancouver”. Daarin geeft onze protagoniste zoveel jaren later toe, dat haar thuishaven “wasn’t so grey” after all. De tijd heeft z’n job dus duidelijk gedaan.

Al bij al een uitzonderlijk mooie terugblik op een jong leven zoals we dat op de één of andere manier allemaal wel hebben gekend. En dat schept natuurlijk een zekere band…

Oh Susanna, Bandcamp

 

LYNN MILES WITH KEITH GLASS “Road” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Ruim zeventig minuten top-Canadiana, da’s wat we geserveerd krijgen op “Road”, het nieuwe album van nachtegaaltje Lynn Miles. Het blijkt daarbij te gaan om al wat oudere en nieuwe live-opnamen, gemaakt met haar vaste rechterhand Keith Glass. Vijftien in totaal. Ingeblikt in een bij voorkeur zo intiem mogelijk gehouden setting. En zo horen we haar hier eigenlijk nog het liefst van al. Zoals ook al op de inmiddels vier volumes van de haar eigen materiaal nieuw leven inblazende “Black Flowers”-reeks.

Miles en Glass doen het met uitsluitend eigen materiaal van de zangeres. Van heel vroeg in haar carrière tot nu. Met “Nobody’s Angel” van haar debuut “Chalk This One Up To The Moon” en “You Don’t Love Me Anymore” en “I Loved A Cowboy” van “Slightly Haunted”, haar “doorbraakplaat” hier uit ’96, tot “My Road” en “Love Is Red” van haar recentste worp “Downpour” en nog heel wat ander fraais tussen die beide polen in. We vernoemen hier bijvoorbeeld graag ook nog het werkelijk hemelse “The Middle Of The Night”, het zo mogelijk nog mooiere “Casino El Camino”, “Black Flowers” en het afsluitende “Rust”.

Je zou het kunnen zien als een soort van alternatieve carrière-retrospectieve. Met naast de engelenstem van Miles zelf enkel nog een stel akoestische en elektrische gitaren, een mandoline en een mondharmonica in de buurt. En met Glass die zo nu en dan mooi harmonieert. Veel meer aan uitnodiging is er niet nodig om binnenkort op de eerste rij te zitten als Miles en Glass weer eens naar Europa afzakken voor een reeks optredens.

Lynn Miles, Bandcamp

 

LEVI PARHAM “An Okie Opera” (Horton Records / CRS)

(3,5****)

Zijn vorig jaar verschenen album “These American Blues” werd door de samenstellers van de prestigieuze Euro Americana Chart verkozen tot plaat van het jaar. En dus is Levi Parham momenteel aardig hot in deze kontreien. Iets wat onder meer tot gevolg heeft, dat hij vanaf midden deze maand voor een korte tournee naar Europa afzakt. Ons land doet hij daarbij helaas niet aan. In Nederland staan er wel een handvol optredens geprogrammeerd. Onder andere op woensdag 22 maart in café De Rozenknop in Eindhoven.

Parallel met die reeks gigs verschijnt ook een heruitgave van ’s mans debuutplaat “An Okie Opera” van medio 2013. Een geheel nog niet van het kaliber van “These American Blues”, maar al wel heel erg goed. (Luister bijvoorbeeld maar eens naar het omineuze “Devil’s Got A Sweet Tooth”!) Een prima introductie alleszins tot de jonge Okie met de gruizig-soulvolle stem. Een tien songeenheden rijk visitekaartje gevuld met Americana, folk en blues Oklahoma style. Volledig door Parham zelf ingespeeld en ook door hemzelf geproduceerd.

“An Okie Opera” wordt vanaf nu prettig geprijsd aangeboden en wat meer is, de aanschaf ervan geeft je ook nog eens recht op een gratis download code voor de EP “Avalon Drive”.

Levi Parham

 

CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “A Song I Can Live With” (Train Wreck Records / CRS)

(3,5****)

De naam Chip Taylor op een plaat aantreffen is zoveel als een garantie voor kwaliteit. Al sinds jaar en dag grossiert de Amerikaan immers in geweldige songs. En dat is ook op “A Song I Can Live With” weer niet anders. Twaalf stuks in totaal staan er op dat opnieuw samen met Goran Grini geproduceerde album. Bij momenten erg persoonlijk spul, meer gefluisterd dan gezongen gebracht en als dusdanig erg geschikt voor laatavondgebruik. Americana van het genre waarvoor je graag even de koptelefoon opzet, de ogen sluit en met een goed glas ergens binnen handbereik aan het genieten gaat.

Puntgaaf spul, mede dankzij onder meer ook de bijzonder gesmaakte bijdragen van multi-instrumentalist Grimi, gitarist John Platania en een enkele keer ook pedal steel-virtuoos Greg Leisz. Samen met nog een handvol anderen verzorgen zij een muzikaal decorum dat het Taylor toelaat te allen tijde zichzelf te zijn. De beste man kan zich zo zorgeloos toeleggen op het vertellen van zijn verhalen en het maken van contact met zijn publiek. Het resultaat is een overwegend erg rustig uitgevallen geheel, dat volop uitnodigt tot meemijmeren met zijn maker. Het soort van plaat waarvoor je al de nodige levens- en carrièrekilometers op de teller moet hebben.

Onze luistertips: “Crazy Girl”, “New York In Between”, “Little Angel Wings”, “Señorita Falling Down”, het titelnummer en “Los Alamitos Story”.

Chip Taylor

 

BILL KIRCHEN AND AUSTIN DE LONE “Transatlanticana” (The Last Music Company / Proper Records)

(4****)

“Transatlanticana” is de toepasselijke titel van een plaat waarop twee genrepioniers na vele jaren de handen eindelijk weer eens in elkaar slaan: Bill Kirchen met Commander Cody & The Lost Planet Airmen ooit één van de grondleggers van wat we dezer dagen als Americana omschrijven, Austin De Lone van zijn kant met het door hem in het leven geroepen Eggs Over Easy van vitaal belang voor het ontstaan van het Britse pubrockgenre.

Afgetrapt wordt er met het als een soort van eerbetoon aan wijlen Merle Haggard en Bakersfield country meer algemeen geconcipieerde “Hounds Of The Bakersfield”. Vervolgens is er de met Bobby Black gebrachte en naar diens dagen samen met Kirchen bij Commander Cody verwijzende honky-tonk ballad “Wine Wine Wine”. Heerlijk groovy is in het zog daarvan Delone’s op lijzige wijze tot actie oproepende “Let’s Rock”. Om nog maar te zwijgen van de meteen daarna samen met Butch Hancock, de schrijver ervan, ingezette Texas boogie “Oxblood”. In al z’n zwierigheid wat ons betreft één van dé absolute topmomenten van “Transatlanticana”, dat liedje.

Andere blijvertjes vonden wij ook nog de door Kirchen gezongen R&B-sleper “Think It Over” en De Lone’s fijne lezing van de soul classic “Warm And Tender Love”, het bluesy “Losing Hand” en het zwierige, pianogestuurd swingende “All Tore Up”. En als we het hier ook al even zouden moeten hebben over bijzonder in het oog springende songbijdragen, dan zouden we echt niet om de volgende twee heen kunnen. Vooreerst een opvallend vlotte, met Gurf Morlix op gitaar, David Carroll op bas en Rick Richards achter het drumstel opgenomen versie van Bob Dylans “The Times They Are A-Changin’”. En natuurlijk ook het als één van twee bonus tracks de Europese versie van “Transatlanticana” afsluitende “Smoke! Smoke! Smoke That Cigarette”.

Een plaat die ook bij andere ouwe zakken als ons ongetwijfeld goed zal gaan blijken voor zo menig een brede grijns…

Bill Kirchen

 

DE KAT “DE KAT II” (DE KAT)

(4****)

Nauwelijks een jaar na hun vrijwel unaniem lovend onthaalde debuut zijn de vier van DE KAT daar weer met een nieuwe lading avontuurlijke kleinoden. Daarmee vanuit het Nederlandse Groningen ongegeneerd een veel te wijde tackle inzettend op muzikale avonturiers wereldwijd. In het voetbal krijg je hiervoor zonder verpinken rood, in de muziek is het resultaat meestal een roep als niet te missen act. En die verdienen gitaristen Erik de Vries en David Lamain, bassist Jasper Visser en drummer Sjors de Ruiter ons inziens ook. Wat de vier op hun tweede brengen tart immers zo ongeveer elke verbeelding.

Mocht je nog niets van hen gehoord hebben, probeer je dan voor te stellen, hoe het er op het kruispunt tussen surf, blues en psychedelische rock aan toe gaat. Gitaren die janken, beurtelings bedaard en ongebreideld. Bas en drums in een niet weg te denken dienende rol. Om sfeer draait hier hoegenaamd alles. Behoedzaam wordt vaak gezocht naar een climax. Omzichtig besluipt DE KAT haar prooi alvorens genadeloos toe te slaan. En dat vrijwel volledig instrumentaal.

Acht nummers telt “de moeilijke tweede” van DE KAT en die zijn zonder uitzondering top te noemen. Zeven daarvan droegen de vier bandleden zelf aan, het achtste is een even briljante als eigenzinnige cover van Peter Greens “Fool No More”, bij nader inzicht het meest bluesy moment van “DE KAT II”.

DE KAT

 

REBECCA LOEBE “Blink” (Black Wolf Records)

(4****)

Met haar vierde volwaardige studioplaat lijkt mooie Rebecca Loebe klaar voor een gigantische stap voorwaarts in haar carrière. Ons zou het alvast helemaal niet verbazen mocht ze met “Blink” ook het nodige commerciële succes gaan boeken. De elf nieuwe liedjes erop zouden wel eens een heel erg breed publiek kunnen gaan aanspreken. En het mooie eraan is, dat Loebe daartoe haar ziel niet heeft moeten verkopen. Waar haar roots liggen, blijft wat ons betreft over de volle lengte van het door Will Robertson geproduceerde album duidelijk. Ook al sluipen er dan steeds meer popelementen in haar liedjes binnen.

Geopend wordt er met de pakkende pianoballade “Lie”. “If all I have to do is promise not to love you, all I have to do is lie,” klinkt het veelzeggend in die fraaie indie folk beauty. Vervolgens is er het poppy, zich volop in nostalgie wentelende “Forever Young Forever”, Loebe ingegeven door een potje mijmeren over haar eigen jonge jaren daartoe aangezet door de muziekjes op een mix tape van weleer onderweg naar huis van een gig. Echt een ongelooflijk radiogeniek nummer, dat liedje.

Via het moody “Cannonball” en de droevige countryballade “Weeping Willow” belanden we aansluitend daarop bij wat ons inziens één van de allerstrafste nummers van “Blink” is, met name het ongemeen sfeervolle “Smoke Signals”. “Bad Things” neemt ons vervolgens in onvervalste nineties rock style mee naar het gevolg van een bizarre droom van Loebe zelf, “Say So” is een pracht van een trage op het kruispunt tussen soul en country, “Easy Money” gaat op ingetogen wijze in op het alledaagse lot van de hardwerkende medemens en “Down To The Wire” is retro rock ergens redelijk dicht in het zog van good old Fleetwood Mac.

Resten ons dan nog: de wederom ongemeen soulvolle ballade “Neverman” en het daar werkelijk perfect bij aansluitende titelnummer, een slow om duimen en vingers bij af te likken.

Na een geweldige plaat als deze ga je je onwillekeurig afvragen, waarom deze Loebe nog niet veel en veel bekender is. Ze zou het wat ons betreft alleszins ruimschoots verdienen.

Rebecca Loebe

 

LEE PALMER “Bridge” (On The Fly Music)

(3,5****)

De nummers op “Bridge”, het nieuwe album van de Canadese songsmid Lee Palmer, hadden bij nader inzicht eigenlijk al een jaar eerder het daglicht moeten gezien hebben, maar daar stak het leven zelve in allerlaatste instantie een stokje voor. En met name dan ’s mans wankele gezondheidstoestand. Die drong hem immers onverwacht een snelle heelkundige ingreep op. En dus mochten de plannen voor de release van z’n vierde plaat in evenveel jaren tijd voor even de koelkast in.

Nu, een viervoudige overbrugging later, dropt hij het geheel echter wel. En daar mogen we met z’n allen best wel blij om zijn ook, want het is een hele mooie plaat geworden. Een geslaagde spagaat tussen americana, country, folk en blues, waarbij terloops ook wel eens even wordt gelonkt richting jazz, soul en rock. Een lekker gevarieerd geheel met andere woorden. Met als voornaamste bindende element de zang van Palmer zelf. Zijn enigszins lijzige, nasale voordracht deed ons bij momenten weer wat denken aan die van collega Bob Cheevers.

En ook op tekstueel vlak gaat Palmer hier nogal breed. Zo onthielden wij bijvoorbeeld eerbetonen aan zowel zijn thuishaven (het zomers opgewekte “My Town”) als zijn eigen ouweheer (het nostalgische “My Old Man”), een diepe buiging voor eigen held JJ Cale (het groovy “Tulsa Sound”), woorden van medeleven aan het adres van de al een poosje aan Alzheimer lijdende countrygrootheid Glen Campbell (de valse trage That’s No Way To Go”) en wat nostalgisch gemijmer over die eerste keer (het nostalgische “Did It Feel Like This”, een ingetogen duetje met Mary McKay).

Bijgestaan werd Palmer bij het inblikken van “Bridge” verder vooral door gitarist Kevin Breit, bassist Alec Fraser, toetsenman Mark Lalama en drummer Al Cross, zeg maar The One Take Players. Gastbijdragen waren er voorts ook nog van Elmer en Kiki Ferrer, Aaron Solomon, Turner King, Dave Dunlop, Lori-An Smith en Patricia Shirley. En voor de productie tekenden Lee Palmer zelf en Elmer Ferrer.

Lee Palmer

 

CHUCK PROPHET “Bobby Fuller Died For Your Sins” (Yep Roc / V2)

(5*****)

Welk een fantastische plaat! Rock & roll, baby! All the way! Zonder twijfel Chuck Prophets allerbeste tot op heden. Tot de nok toe gevuld met wat hij zelf graag als California noir omschrijven mag. Roots(y) rock met niet zelden een donker kantje. Om te beginnen dat aan catchy rinkelende gitaren opgehangen titelnummer met z’n verwijzing naar de maker van één van onze eigenste all-time favorites, het onsterfelijke “I Fought The Law”. Beter worden ze ons inziens amper nog gemaakt! Al doet Prophet hier zelf voortdurend z’n stinkende best daartoe. Met het hypernerveuze “Your Skin” bijvoorbeeld, met het ons op de één of andere manier een beetje aan de Kinks in de late seventies herinnerende “Killing Machine” en vooral ook met het magistrale “Bad Year For Rock And Roll”, een even aanstekelijke als  originele hommage aan het adres van tal van rockgroten die ons het voorbije jaar ontvielen, met voorop natuurlijk Bowie.

Als tegengewicht voor zoveel muzikaal geweld voorziet de oud-Green On Red-voorman gelukkig ook enkele rustpuntjes. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de helemaal op de knieën gaande trage “Open Up Your Heart”, het à la Lou Reed meer vertelde dan gezongen “Jesus Was A Social Drinker” en het afsluitende protestlied “Alex Nieto”, “een aan twee akkoorden genoeg hebbend eerbetoon aan het adres van een (door een regen aan politiekogels gevelde) goede man die eigenlijk gewoon nog zou moeten leven,” aldus Prophet zelve.

En alweer viel daarna zonder al teveel nadenken vroeg op het jaar de term eindejaarslijstjesmateriaal

Chuck Prophet

 

GUY VERLINDE AND THE HOUSEROCKERS “How How How” (Blue Sting / Parsifal)

(5*****)

Het een jaar of zes geleden verschenen “Guy Verlinde Plays Hound Dog Taylor” moet zowat de meest gedraaide plaat uit het Belgische bluesgedeelte van mijn collectie zijn. En geloof me vrij, dat wil wat zeggen! Er lopen hier immers nogal wat acts rond, die de voorbije jaren met uitstekende platen hebben uitgepakt. Maar goed, Lightnin’ Guy liet en laat ze dus allemaal een eindje achter zich. Wat mij betreft drong een vervolgstuk op die plaat zich eigenlijk al een poosje op. En da’s exact ook wat we nu krijgen met “How How How”.

Met z’n uit gitarist Richard van Bergen en drummer King Berik bestaande eigen Houserockers knalt de dezer dagen vanuit Gent actieve Verlinde daarop opnieuw elf nummers lang in onvervalste Hound Dog Taylor style. In tegenstelling tot eerder doet hij dat ditmaal echter met uitsluitend nieuwe nummers. Negen daarvan van eigen hand, eentje uitgewerkt met van Bergen (de heerlijk exotisch uit de hoek komende instrumental “Jungle Fever”) en eentje van die van Bergen in z’n eentje (de onweerstaanbare instrumentale blitzkrieg met als titel “Snap!”).

“How How How” is bij nader inzicht een echte partyplaat van formaat. Gelijk van bij het catchy de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer gingen wij schokschouderend voor de bijl. Nooit geweten, dat Chicago en Gent zo dicht bij elkaar lagen! En het torenhoge niveau van die opener wordt gelukkig de volledige rit aangehouden ook. Via het ritmische “Long Distance Lovin’” – Nog zo’n oorwurm van een song! – en het wild rockende, enkel zijn titel met iets van Marvin Gaye gemeen hebbende “Let’s Get It On” over de sfeervolle sleper “Show Me Some Mercy”, het al genoemde “Snap!” en het bepaald juicy “I’ve Been Waitin’” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, als een soort van strijdkreet opgevoerde “You Gotta Shake” en het afsluitende viertal bestaande uit het hier ook al eerder vermelde “Jungle Fever”, het vrijwel ogenblikkelijk tot behoorlijk obsceen ogende bewegingen met het bekken aanzettende “That Baby Don’t Love Ya”, het vanuit het Chicago aan de Leie ook even schalks naar New Orleans lonkende “Down The Line” en wilde afsluiter “Say What?”. Een elftal dat als nieuw eerbetoon aan het adres van Hound Dog Taylor tellen kan. Genuine houserocking music indeed! En als dusdanig verplichte kost ook!

Guy Verlinde

 

CHILLI WILLI AND THE RED HOT PEPPERS “Real Sharp” (The Last Music Company / Proper Records)

(4****)

Dit is een waar godsgeschenk! Zo ervaren wij het tenminste als rabiate liefhebbers van most things pub rock. Deze dubbelaar maakt ons inziens zijn ondertitel voor de volle honderd procent waar. Hij bevat naast hun volledige debuut “Kings Of The Robot Rhythm” van Chilli Willi And The Red Hot Peppers immers ook nog de integrale albums “Bongos Over Balham” en “I’ll Be Home” en tal van obscure bonus tracks.

Chilli Willi And The Red Hot Peppers waren een in de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw behoorlijk populair Brits collectiefje rond de tandem Philip “Snake Fingers” Lithman en Martin Stone. Aanvankelijk aangevuld met gelegenheidskrachten als Nick Lowe, Bob Andrews, Billy Rankin, English John Fox, Barry Everitt, Dave Vorhaus en Jo Ann Kelly, later uitgegroeid tot iets vasters met vanaf dan mee aan boord Elvis Costello’s latere Attractions-drummer Pete Thomas, Paul Riley en P.C. Bailey.

Het recept voor hun samenwerking was eigenlijk redelijk simpel. Van in den beginne legde men zich er voltijds op toe om de meest uiteenlopende Amerikaanse muziekjes aan een eigentijdse Britse pendant te helpen. Roots music, that is. Country, de rockvariant daarvan, blues, enz. Zo’n beetje alles waardoor je dezer dagen spontaan onder de noemer americana terecht kan komen. Toendertijd leverde het hen nog bijna even vanzelfsprekend het label pub rock op.

Met deze verzamelaar krijgen de heren Lithman en Stone een mooi postuum eerbetoon.

Chilli Willi And The Red Hot Peppers

 

JIM LAUDERDALE “London Southern” (Proper Records)

(4,5*****)

Toen ik met het mooie “Sweet Time” zachtjes schuifelend “London Southern” binnengleed, dacht ik onwillekeurig, dit heb ik al eens eerder gehoord. En al vrij snel begon het me vervolgens ook te dagen. Bij Nick Lowe natuurlijk. Daar was het. Dit was country soul à la Lowe. En niet geheel en al toevallig ook zou al snel blijken. Terwijl Lauderdale zich doorheen de sfeervolle piano ballad “I Love You More” croonde, kwamen we er immers achter, dat hij het album opnam in Londen met Lowe’s vaste begeleiders en één van diens producers ook, Neil Brockbank met name, hier voor de gelegenheid bijgestaan door Robert Trehern.

Bij het pennen van nogal wat van de nummers op “London Southern” liet Lauderdale zich bijstaan door gerenommeerde partners. Voor de werkelijk sublieme sleper “We’ve Only Got So Much Time Here” was dat Odie Blackmon, voor het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mede daardoor een onmiskenbare Southern soul flair etalerende “What Have I Got To Lose” en het wat meer countryesk ingevulde “Don’t Shut Me Down” legende Dan Penn, voor het ingetogen sensuele, met wat gebrabbel in het Spaans behangen “If I Can’t Resist” en het van de passie druipende “Different Kind Of Groove Some Time” John Oates, één helft van het ook hier met name in de eighties razend populaire duo Hall & Oates, voor het op een heerlijk lijzige groove en al even zalige blazers terugvallende “I Can’t Do Without You” Kendell Marvell.

De overige zes songs droeg onze man zelf aan. En ook die zijn zonder uitzondering fameus te noemen. Van het al genoemde duo “Sweet Time” en “I Love You More” tot andere bepaald soulvolle kleinoden als “You Came To Get Me” en “Don’t Let Yourself Get In The Way”, het ons een klein beetje aan iets van Manfred Mann in de sixties herinnerende “No Right To Be Wrong” en het afsluitende swingertje “This Is A Door”.

Een zoveelste beauty op het palmares van de hyperactieve Jim Lauderdale!

Jim Lauderdale

 

NED ROBERTS “Outside My Mind” (Aveline Records)

(4,5*****)

Ned Roberts is de naam van een nog relatief jonge songsmid actief vanuit Londen. De beste man debuteerde al in 2014 met een naar zichzelf vernoemd album. Een plaat, die we van hieruit – Zij het dan ook met wat vertraging! – alleen maar van harte kunnen aanbevelen. Volkomen terecht bedolven onder de lovende kritieken. Roberts presenteerde zich daarop immers als iemand met ontzettend veel potentieel. Als iemand, wiens naam je mocht vernoemen ergens heel dicht in de buurt van die van grootheden als een Tim Hardin, een Nick Drake en een Leonard Cohen ook wel. Als iemand van wiens werk een zeker aura van tijdloosheid afstraalde. Geen wonder dat in verband met zijn liedjes regelmatig werd verwezen naar de vermaarde Laurel Canyon music scene.

En wij waren hier dan ook razend benieuwd naar ’s mans tweede, het naar eigen zeggen over een periode van een jaar of drie langzaam gerijpte “Outside My Mind”. Voor de opnames van dat geheel toog Roberts naar LA. Daar liet hij zich productioneel bijstaan door de onder meer ook van zijn werk met Richmond Fontaine en Noah & The Whale bekende Luther Russell. En die zag vooral dat het weer zeer goed was. Dat de tien zich voornamelijk met het thema liefde inlatende liedjes opnieuw dat tijdloze randje hadden. Welke kant van dat gegeven ze ook aandeden. Van de zalige tot de donkere, tot alles daar tussenin.

Roberts’ voornaamste troeven zijn ontegensprekelijk zijn niets minder dan bloedmooie fluwelen stem en de aangeboren gave tot het pennen van piekfijne verhalende liedjes. Die twee, gekoppeld aan de instrumentale hand-en-spandiensten van onder meer producer-multi-instrumentalist Russell, bassist Jason Hiller, pedal steeler Eli Pearl, Luanne Homzy’s L.A. Pop Quartet en backing vocaliste Sarabeth Tucek en een reeks fijne melodieën, leiden tot tien steeds opnieuw om je aandacht bedelende liedjes. Grofweg te situeren ergens tussen folk en luisterpop. Dingen die je als luisteraar al je leven lang lijkt te kennen. Maar dat is dus wel degelijk niet het geval, want het betreft hier uitsluitend nieuwe originelen van de hand van Roberts.

Onze luistertips: openingstrio “Drifting Down”, “Through The Arches” en “Hazy Days” en het herfstige, met wat fijn mondharmonicawerk opgewaardeerde “Letter Home”. Het zijn maar enkele van de vele liedjes hier, die duidelijk laten horen waarom Roberts in z’n thuisland door nogal wat connoisseurs als een grote belofte voor de toekomst wordt gezien. Wij schuiven vanaf nu graag mee aan in dat rijtje.

Ned Roberts

 

MATT HAECK “Late Bloomer” (Dollartone Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De volle vijf sterren voor een debuut? Yep! Zeker weten! We hebben er lang over nagedacht, maar bij elke nieuwe beluistering weer drongen ze zich onwillekeurig op, die vijf sterren. Ongelooflijk eigenlijk, dat een dergelijke sterke eersteling uit de koker stamt van iemand die tot voor kort nog voor een bestaan als geestelijke voorbestemd leek. Dat is tot op het moment dat hij tijdens zijn studies een danige afkeer voor theologie ging ontwikkelen, dat een toekomst als muzikant plots een stuk aannemelijker werd. Danig getekend door het leven kon hij als songsmid alvast terugvallen op de zo ongeveer ideale voedingsbodem. En dat hoor je aan “Late Bloomer” ook. Al heel snel wordt duidelijk, dat deze knaap weet, waar hij het in z’n teksten over heeft.

Onder de productionele hoede van David Mayfield en in de studio bijgestaan door onder anderen Elizabeth Cook, Caitlin Rose, Aaron Lee Tasjan en Critter Fuqua van Old Crow Medicine Show harkt de ruiggevooisde Haeck ruim zesenveertig minuten lang complexloos rond in de weids uitgestrekte tuin die americana heet. Lekker rockend zoals in openingsnummer “Tennessee”, het feestelijke, onder meer door het zomerse kopergeschetter erin ergens dicht in de buurt van de Mavericks strandende “28 Years” en het zalig twangende “Whiskey & Fast Women”, wat meer on the country side of things zoals in het bekoorlijke “Minnie Pearl”, het grappige “Pissing Contest” en de halve Hank Williams-deun “Worst Enemy/Ramblin’ Man” en regelmatig ook in verhalende ballademodus zoals in het pakkende “Belt”, “Cotton Dress”, “Lovin’ Off My Mind”, “Couldn’t Say Yes (‘Till I Learned To Say No)” – Hadden we Johnny Cash zaliger best wel eens willen horen brengen, dat liedje! – en “Wonderful Wild Tennessee Child”.

Nu al zo goed als een zekerheidje voor ons eindejaarlijstje van 2017! Wil je naar onze bescheiden mening echt niet missen.

Matt Haeck

 

LOWLANDS AND FRIENDS “Play Townes Van Zandt’s Last Set” (Route 61 Music)

(4****)

Edward Abbiati, kopstuk van het Italiaanse americanacollectiefje Lowlands, was één van de laatsten om wijlen Townes Van Zandt ooit live aan het werk te zien. Hij was immers één van de uitverkorenen die getuige mochten zijn van het allerlaatste optreden van de ondertussen tot een ware legende uitgegroeide songsmid. Op dinsdag 3 december 1996 meer bepaald, in The Borderline in Londen. Nauwelijks enkele dagen voor zijn dood op nieuwjaarsdag 2017 was dat. Een gig die een zeer diepe indruk op Abbiati heeft nagelaten. Zo diep, dat hij nu, ruim twintig jaar later, uitpakt met een naar die bewuste avond teruggrijpend initiatiefje. Met een reeks vrienden vertolkt hij Van Zandts allerlaatste set in haar totaliteit.

Het betreft daarbij een album dat op eerder speciale wijze tot stand kwam. Een budget was er immers absoluut niet voor. Wat de erbij betrokkenen deden, dat deden ze zonder uitzondering gratis. En… wanneer het hen uitkwam. In studio’s, maar ook op slaapkamers, in livings en keukens, in oefenruimtes, tot zelfs telefonisch. Lijkt zo op het eerste gezicht quasi een garantie voor een weinig samenhangend geheel, maar dat is dit album zeker niet. Integendeel zelfs! Abbiati was immers zo verstandig om de gerenommeerde Barry Marshall-Everitt te vragen om het geheel aaneen te praten. Er als het ware een radiosessie van te maken. En dat werkt wonderwel. Zijn commentaren vormen als het ware het cement tussen de door Abbiati en co aangedragen stenen.

Uiteraard is lang niet alles op deze verzamelaar even sterk. Dat is nu eenmaal eigen aan dit soort van projecten. Je hebt altijd wel dingen die geweldig zijn en andere die veel minder blijken. Gelukkig viel het wat die laatste categorie betreft hier nogal mee. Zelf waren wij heel erg gecharmeerd door de met Rod Picott gedeelde en met een stukje “Dead Flowers” van de Stones verrijkte versie van “Tecumseh Valley”, door de met Stiv Cantarelli gebrachte lezing van “Loretta”, door het samen met huisfavorietje Richard Lindgren gebrachte “Katie Belle Blue” en door een mooie uitvoering van de hit “Pancho And Lefty” met The Lucky Strikes, Sid Griffin en Michele Gazich.

Verder gingen die van Lowlands ook nog samenwerkingsverbanden aan met de Gnola Blues Band en Kevin Russell van The Gourds voor “My Starter Won’t Start”, een die bewuste avond in Londen door Van Zandt gebrachte Lightning Hopkins-cover, met Cheap Wine voor “Dollar Bill Blues”, met Antonio Gramentieri van Sacri Cuori, Winston Watson en opnieuw Stiv Cantarelli voor – Wat niet meteen één van onze lievelingsmomenten hier zou worden! – “Buckskin Stallion”, met Will T. Massey voor “Marie”, met Chris Cacavas van Green On Red, Winston Watson en Michele Gazich voor een werkelijk heerlijk desperaat uit de hoek komend “Waiting Around To Die”, met Aussie Tim Rogers van You Am I voor “A Song For”, met Ragsy voor een tweede Lightning Hopkins-cover, met name “Short Haired Woman Blues”, met No Good Sister en Maurizio Gnola Glielmo voor het bij Elvis Presley geleende “Ballad Of The Three Shrimps”, met Will T. Massey, Tim Rogers en Rod Picott voor het bezwerende, in navolging van hun held zelf meer gesproken dan gezongen ten gehore gebrachte “Sanitarium Blues” en met de Zweedse Plastic Pals, andermaal Chris Cacavas en Jonathan Segel van Camper Van Beethoven ten slotte voor “Colorado Girl”.

Is wat je noemt een echt labour of love.

Lowlands, Route 61 Music

 

MERCY JOHN “This Ain’t New York” (Butler Records / Music On CD)

(4****)

Welgeteld één enkel nummer was er nodig om ons te overtuigen van de kwaliteiten van de ons voorheen volslagen onbekende Mercy John. De ongemeen soulvolle single “This Ain’t New York” meer bepaald. Da’s echt een staaltje van topamericana. Een heerlijk, onmiddellijk aanslaand nummer, gedragen door een stem om zowat voor te smelten en ook muzikaal gezien zeer gracieus ingevuld. Moet je wel van houden!

’s Mans eerste album “Five More Days & A Matter Of Somewhere”, indertijd nog uitgebracht onder de naam John Henry, ontsnapte nog volledig aan onze aandacht. Ten onrechte, zo blijkt nu. Wat de overduidelijk door artiesten als Ryan Adams, Bruce Springsteen, Tom Petty en aanverwanten beïnvloede jonge Nederlander hier uit de mouw schudt getuigt immers van grote, grote klasse. Klinkt heel internationaal ook. Kan je probleemloos waar dan ook mee uitpakken, zo lijkt ons.

“Don’t Leave Me Now”, “Better To Be Safe” en “Shock” zijn zonder uitzondering catchy strepen roots rock van formaat, “Break Apart With Me” en “God Made An Awful Mistake” – Een heel erg doorleefd afscheidsliedje voor z’n recentelijk overleden moeder! – op hun beurt soulvolle tragen, “The Rain”, “Lost” en “Endless Summer” echte wolken van ballads en in “Alcohol And Rage” regeren enkele minuten lang de begrippen twang en country, zij het dan ook op ingetogen wijze.

Gaan we beslist nog veel van horen, van deze Mercy John!

Mercy John

 

RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “My Way Or The Highway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Echt veel nieuwe dingen hoeft u van Rich Hopkins en de zijnen ook op “My Way Or The Highway” weer niet te verwachten. Ze doen nu eenmaal wat ze doen en dat doen ze verdomd goed ook.

Op “My Way Or The Highway” betekent dat aftrappen met een milde verhalende roots rock ballad over een gezamenlijk uitstapje van de man zelf en z’n Lisa naar Chiapas, Mexico en de watervallen aldaar. Een soortement van reisverslagje dus eigenlijk. Vervolgens zijn er achtereenvolgens de snedige gitaarrock van “Gaslighter”, de door Lisa Novak gezongen folk rock beauty “Want You Around” en de al even knappe Southern countryrocker “If You Want To”. Om dan via de akoestische gitaarinstrumental “Lost Highway” te belanden bij in die volgorde het bitsige, door Tucson hip-hop maestro Cesar Aguirre van een gastoptreden voorziene “Meant For Mo”, het van flink wat popgevoel getuigende “Hell Or High Water (Married Go ‘Round)”, het als bezeten aan z’n kettingen snokkende “I Don’t Want To Love You Anymore” en de volgende instrumental “Journey To Palenque”.

Afgesloten wordt er met het werkelijk magistrale drietal “Chan Kah”, “Gnashing Of Teeth” en “Walkaway Again”. Met plenty vintage Hopkins. De desert stuff, you know. Ergens dicht in de buurt van Neil Young op z’n best. Met vooral ook weer veel gitaarwerk om vingers en duimen bij af te likken.

Rich Hopkins And The Luminarios

 

AD VANDERVEEN “Worlds Within” (Songsense Music / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Een nieuw album van de Nederlandse singer-songwriter Ad Vanderveen, da’s altijd opnieuw genieten geblazen. Vanderveen is één van de weinige Nederlandse rootsartiesten die tot ver buiten de eigen landsgrenzen bijval oogst en da’s wat ons betreft niet meer dan terecht ook. Op z’n zestigste kan de beste man inmiddels immers terugblikken op een onwaarschijnlijke hoeveelheid prachtliedjes. En hij doet er daar hier en nu met plezier nog eens een tiental bij.

Tien poëtische hoogstandjes, ten tonele gevoerd tegen een volledig akoestisch gehouden achtergrond van zachte folk en americana, met zo nu en dan ook wel eens een poppy, jazzy of klassiek elementje. Met opvallende dienende bijrollen vooral voor z’n muze Kersten de Ligny en toetsenist Rene Kaaij. En opgenomen onder de productionele hoede van Pete Fisher.

Hoogtepunten zoeken doe je op een geheel als dit niet. Da’s onbegonnen werk. Je neemt er keer op keer opnieuw de tijd voor om ervan te genieten in z’n totaliteit. Om mee af te dwalen naar de gedachtenwereld van Vanderveen. Om je over te geven aan het zeldzame momentum van een zichzelf zo goed als volledig blootgevende artiest. Iets waarover het ook lijkt te gaan in de fraaie albumopener “Worlds Within”. Over het afdalen naar het eigen innerlijk als vlucht uit de realiteit.

In het werkelijk bloedmooie ingetogen kleinood “The Garden Of Gone Glory” is het vervolgens aangenaam toeven tussen herinneringen aan weleer. “No place else on earth that I would rather be than right here, right now in the garden of gone glory,” luidt het daarin. Elke al wat oudere jongere knikt dan wellicht voorzichtig instemmend even mee. Vervolgens wentelen we ons enkele minuten lang in twijfel in het ook al erg fraaie “Sinking In Doubt”. Heerlijk, hoe de Ligny haar stem daarin tegen die van Vanderveen aanschurkt. En ook dat streepje koperblaaswerk van Frans Cornelissen konden we hier best wel appreciëren.

Andere erg fijne momenten op “Worlds Within” zijn bijvoorbeeld ook nog het wel heel bedaard rockende “Mystery”, de ronduit heerlijke ballad “Impossible Love” en vooral ook het in een vlaag van uitzonderlijk positivisme vereeuwigde streepje americana “Affirmation Blues”. Als Vanderveen en de Ligny daarin op harmonieuze wijze verkondigen “Everything is always working out for me!”, dan ben je als luisteraar al snel geneigd om hen daarin te volgen.

Heerlijke plaat!

Ad Vanderveen

 

TOM PAXTON “Boat In The Water” (Pax Records / V2)

(3,5****)

Al vroeg in de jaren zestig kroonde Tom Paxton zich tot één van dé stemmen van z’n generatie. Met z’n nochtans redelijk traditioneel vormgegeven folkliedjes maakte hij werkelijk fans bij bosjes. Onder meer ook de later zelf tot een icoon uitgegroeide Guy Clark, die hem tot aan zijn dood graag als één van z’n grote voorbeelden mocht opvoeren.

En als dusdanig is het eigenlijk best wel een beetje raar, om Paxton hier op z’n negenenzeventigste bij momenten te horen klinken als precies die Clark. ’n Beetje folk, een beetje americana. In een door de tandem Cathy Fink en Marcy Marxer gestuurde productie. Marxer zorgt ook voor bij momenten erg fraaie harmony vocals en voor bijdragen op respectievelijk resonatorgitaar, mandoline, ukelele, gitaar en wat percussie-instrumenten, Fink van haar kant zingt eveneens een alleraardigst mondje mee en bracht ook een gitaar en een banjo mee naar de studio. Als bassist fungeerde Ralph Gordon.

De nieuwe kleine liedjes op “Boat In The Water” schreef Paxton voor de gelegenheid in samenwerking met een stel in Nashville actieve songwriters. Meer bepaald Jon Vezner, Pat Alger en Don Henry viel die eer te beurt. Hij valt op z’n inmiddels drieënzestigste plaat echter ook geregeld terug op z’n eigen verleden. Onder meer voor deunen als “The Last Hobo”, “Ev’ry Time” en “Home To Me”.

Zeker niet ’s mans beste plaat, maar wel weer een hele mooie. Zo eentje waarmee je graag een avondje languit genieten inzet…

Tom Paxton

 

THE SADIES “Northern Passages” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Hun nieuwe cd namen de Sadies in de winter van 2015 op in de kelder van het ouderlijke huis van broers-kopstukken Dallas en Travis Good ergens ten noorden van Toronto. Daar, in een hun vertrouwde omgeving en ver weg van elke verleidelijke vorm van afleiding, slaagden de Canadezen erin één van hun allerbeste platen tot op heden te vereeuwigen. Heerlijk gevarieerd als steeds. Heerlijk heftig bij momenten ook. Eén wilde acid-folk-country-punk trip om hier even klakkeloos de woorden uit het gebruikelijke promopraatje te herhalen. Voor één keer blijken die immers spijkers met koppen te slaan.

De relaxte psych-folk van “Riverview Fog”, de punky uitbarsting “Another Season Again”, het ook al bepaald vinnig gebrachte “There Are No Words”, het onder meer door het gitaargebruik erin best wel wat met de Byrds gemeen hebbende “It’s Easy (Like Walking)”, met z’n gastoptreden van Kurt Vile, het ook al in een wolk van psychedelica badende “The Elements Song”, de aanstekelijk rammelende countryrocker “Through Strange Eyes”, het al helemaal country vormgegeven “God Bless The Infidels”, de atmosferische folk rock van “The Good Years”, het als iets uit de late sixties klinkende “As Above, So Below”, de Youngiaanse rocker “Questions I’ve Never Asked” en de daar perfect bij aansluitende, knallende afsluiter “The Noise Museum”, elf tracks en ruim vijfendertig minuten lang herinneren de Sadies er ons hier nog eens aan, waarom we hen eigenlijk altijd al een warm hart hebben toegedragen.

Eclectisch ingestelde liefhebbers van roots rock en Americana zullen hier een bepaald vette kluif aan hebben.

The Sadies

 

NIKKI LANE “Highway Queen” (New West Records / PIAS)

(4****)

Een vlugge blik op de bovenste regionen van de meest recente AMA Chart leert genoeg: De bekoorlijke Nikki Lane is dezer dagen hot in Amerikaanse americanakringen. De muziek van de vanuit Nashville actieve jonge hipster geldt zowat als het nieuwe prototype van outlaw country. En wat ons betreft volkomen terecht ook. Waren haar debuut “Walk Of Shame” en het zo’n twee jaar geleden onder de productionele auspiciën van Dan Auerbach opgenomen “All Or Nothin’” al niet te versmaden, dan is “Highway Queen” zelfs nog beter. Nog een stuk zelfverzekerder alleszins. Iets wat onder meer ook al blijkt de cover ervan. Daarop heeft Lane the bull letterlijk by the horns. Imposant!

En imposant is ook het op het album zelf gebodene. Gelijk van bij het openingsnummer, het met iets van een ondertoon van swamp rock opgewaardeerde “700,000 Rednecks” is het alweer volop prijs. Het eerste van een reeks heerlijke oorwurmen, zo zal al snel blijken. Van het bedaard rockende, haar als het ware op het lijf geschreven titelnummer, de haar door een Facebook-berichtje van Levon Helms vrouw ten tijde van diens gevecht met kanker ingegeven valse trage “Lay You Down” en het wervelende, met de blik richting Vegas ingeblikte “Jackpot” – Een geheide hit in wording! – over het dromerige, best wel wat aan de Everly Brothers herinnerende “Companion”, het ons lekker wild van achter de piano in de één of andere bar toegeworpen “Big Mouth” en het als Kirsty MacColl gone country klinkende “Foolish Heart” tot de onder zacht rinkelende gitaarklanken bedolven milde rootsrocker “Send The Sun”, het behoorlijk persoonlijke “Muddy Waters” en het aan haar eigen stukgelopen huwelijk gewijde “Forever Lasts Forever”, zelden zoveel americana met commerciële potentie op één enkele plaat gehoord! En van een dergelijke hoge kwaliteit dan nog…

Geen twijfel mogelijk: met dit derde album zal Lane het nog heel ver gaan schoppen. Mainstreamsucces lijkt eigenlijk alleen nog maar een kwestie van tijd.

Nikki Lane

 

SEAN WEBSTER BAND “Leave Your Heart At The Door” (Cadiz Music / Bertus)

(3,5****)

Ik ben normalerwijze niet echt wat je noemt een liefhebber van blues rock, maar voor de in Nederland woonachtige Brit Sean Webster maak ik graag een uitzondering op die regel. Ik vind de beste man immers een fantastische stem hebben en wat hem voor mij zo mogelijk nog aantrekkelijker maakt, is dat hij niet in de valkuilen van het genre trapt. Schijnbaar oeverloze gitaarsoli worden door de nochtans alleraardigst op de snaren uit de voeten kunnende Webster tot een absoluut minimum beperkt en stilistisch gezien schuwt hij de nodige risico’s absoluut niet.

“Leave Your Heart At The Door”, ’s mans eerdaags te verschijnen nieuwe worp, is mede daardoor een behoorlijk toegankelijk album geworden. Er staan zelfs een aantal liedjes op die zó op de radio kunnen. We denken dan bijvoorbeeld aan de in duet met PennyLeen Krebbers gebrachte power ballad “I Don’t Wanna Talk About It” (Niet de door onder meer Rod Stewart de eeuwigheid ingezongen Danny Whitten-compositie!), het ook al in slowmodus gebrachte tweetal “Wait Another Day” en “’Til Summer Comes Around” of het Joe Cocker in z’n hoogdagen op het lijf geschreven titelnummer. Niet geheel en al toevallig net de wat rustigere nummers.

Maar rocken doet Webster als vanouds natuurlijk ook. Onder meer in het zwaar op groovy toetsenwerk van Bob Fridzema leunende “Give Me The Truth” en het jachtig-soulvolle “You Got To Know”.

En dan is er hier ook nog plaats voor een speciale vermelding voor het op een soort van stuiterritme naar aandacht hengelende “Hands Of Time”. Mede door Websters lekkere hese stem opnieuw een deun met een hoog Cocker-gehalte. Maar ditmaal wel de commerciëlere uitvoering van in z’n nadagen.

Sean Webster Band

 

TINEZ ROOTS CLUB “Have You Heard?!” (Rootz Rumble / Donor / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over lekkere platen gesproken, dit is er weer eens één, zie! Een kruidig dampende gumbo van bruisende R&B, swing en rock & roll. Een dertien tracks lange adrenalineopstoot, swingend als de spreekwoordelijke tiet. Met in de hoofdrol vooral twee saxen. De tenor van kopstuk Martijn “Tinez” van Toor en de bariton van Evert Hoedt. Al valt zeker ook de rol van Rob Geboers en Andreas Robbie Carree zeker niet te onderschatten. De eerste tekent Hammond-gewijs voor een heerlijke groove, de tweede houdt er van achter z’n drumstel het ritme lekker in.

Van het vrijwel meteen ongegeneerd op dansgrage benen mikkende openingsnummer “JL Boogie” en het soulvolle “Please Tell Me” in het kielzog daarvan over het rockende titelnummer “Have You Heard” en de vinnige retro van “Cast Away Your Spell”, één van de weinige gezongen nummers hier, tot het net niet uit de bocht swingende “This Cat” en het opnieuw met tonnen soul overladen, een weinig jazzy aandoende “Ant Eater” (Dat orgeltje!), van het ongemeen sfeervolle “Goin’ To The Church” over het z’n titel werkelijk allesbehalve gestolen hebbende “Rock Baby Rock” en het onder lekker rollende drums van een heuse jungle groove bediende “What You Do To Me” tot de knappe slow “So Hard To Love You”, van het echt rete-aanstekelijke “Chimpanzee” over het titelgewijs opnieuw maar weinig meer aan de verbeelding overlatende “We’re Gonna Rock” tot de in sensuele modus het licht uitdoende afsluiter “Indeed I Do”, dit is zo ongeveer van begin tot einde een echt feest van een plaat.

Wat ons betreft dan ook een aanrader van formaat, deze grotendeels instrumentaal gehouden derde van Tinez van Toor en de zijnen. Zien we binnenkort gegarandeerd ook terug op zo menig een zomerfestival! Wedje?

Tinez Roots Club

 

TORGEIR WALDEMAR “No Offending Borders” (Ja. Jansen Plateproduksjon / PIAS)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met de Noor Torgeir Waldemar moeten we ondertussen al iets meer dan een jaar of twee terug in de tijd. Met zijn titelloze debuutplaat blies de beste man ons in 2014 zo ongeveer compleet van onze sokken. Een echt akoestisch meesterwerkje was dat. Een werkelijk tijdloos geheel, zoals die in de late sixties en prille seventies door wel meer folktroubadours werden afgeleverd.

Op ’s mans nieuwe worp “No Offending Borders” maken we ook kennis met een andere kant van ‘m. Waldemar heeft een verleden als gitaarbeul in tal van rock bands en dat laat hij hier bij momenten horen ook. Naast liedjes die bij nader inzicht perfect ook op z’n eersteling hadden kunnen staan als “Falling Rain (Link Wray)”, “Island Bliss” en “Souls On A String” presenteert de Noor ons ditmaal her en der ook flink wat steviger materiaal. Het op oerdegelijke gitaarfundamenten opgetrokken “Summer In Toulouse” en het überhaupt wat zweverig aandoende “Sylvia (Southern People)” bijvoorbeeld herinneren volop aan Neil Young, zowel met als zonder Crazy Horse, en “Among The Low” koppelt old-time stringband music aan ogenschijnlijk compulsief rockersgedrag.

Waldemars yin en yang als het ware verenigd op één enkele plaat. En het resultaat daarvan is andermaal niks minder dan verbluffend goed.

Torgeir Waldemar

 

JUDE JOHNSTONE “A Woman’s Work” (BoJak Records)

(3,5****)

Als Jude Johnstone hier al enige naambekendheid geniet, dan toch vooral als songleverancier voor anderen. Onder meer Emmylou Harris, Bonnie Raitt, Jennifer Warnes, Stevie Nicks en Trisha Yearwood bedienden zich in het verleden reeds van haar liedjes. Maar voor hét moment de gloire van Johnstone zorgde toch vooral Johnny Cash. Toen The Man in Black in 1996 haar “Unchained” als titelnummer voor z’n nieuwe cd koos, maakten plots wel heel erg velen tegelijk kennis met de liedjesschrijfster Johnstone. En financieel gezien zal ze er ook wel niet slechter van geworden zijn, zeker?

Van die Johnstone is er nu het nieuwe album “A Woman’s Work”. Haar zevende al. En daarvoor schreef ze als het ware haar eigen recente scheiding van zich af. Hartzeer is alleszins het centrale thema. Ze gaat niet enkel in op het mislukken van haar huwelijk, maar vraagt zich ook openlijk af, hoe het nu met haar verder moet. Behoorlijk persoonlijk spul dus. En dat maakt van “A Woman’s Work” best wel een intrigerend geheel. Doorgaans eerder somber, eerder moody van aard natuurlijk, maar dat mag gezien de achtergrond niet echt verwonderen.

Stilistisch gezien houdt Johnstone het op materiaal waarvoor bij voorkeur de omschrijvingen luisterpop en folk uit de kast mogen. Niet zelden in ballademodus. Ontstaan achter de piano.

Onze luistertips: de werkelijk zonder gêne de diepste gevoelens en vragen van een gebroken vrouw benaderende pianoballade “A Woman’s Work” en het zachtjes swingende “People Holding Hands”. Hoe ze zich in dat laatste liedje ergert aan voorbij wandelende mensen die middels bescheiden tekenen van affectie als het vasthouden van elkaars handen hun liefde voor elkaar tonen, moet een voor eenieder die ooit met een gebroken hart worstelde bekend gevoel zijn.

Jude Johnstone

 

MATT WATTS “How Different It Was When You Were There” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4,5*****)

Met z’n nieuwe worp “How Different It Was When You Were There” zet de al een poosje in ons land verblijvende Amerikaanse songsmid Matt Watts nadrukkelijk enkele stappen vooruit. Was de voorganger ervan, het ook al erg mooie “Songs From A Window”, in essentie nog een echte soloplaat, dan laat de jonge storyteller zich this time around nogal wat hand-en-spandiensten van bekende vrienden welgevallen. En precies dat gegeven zou er wel eens voor kunnen gaan zorgen, dat zijn muziek eindelijk de wat ruimere aandacht krijgt, die ze al zo lang verdiende.

De heerlijke schuifelaar “Joanne” en het ons van mood op de één of andere manier een weinig aan Leonard Cohen herinnerende “How Many Years” werden zo bijvoorbeeld vereeuwigd met wat gezongen hulp van Nathalie Delcroix, datzelfde duo en het ook al ronduit magistrale “Time Turns As An Engine” – Een vaderlandse folk pop classic in wording? – mogen daarnaast ook rekenen op de aanwezigheid van Bjorn Eriksson en lijzige radiohit in spe “Many A Friend Too Kind” blijkt een duet met Stef Kamil Carlens van de Zita Swoon Group.

Verder onder meer ook nog aan boord: snarenvirtuoos Geert Hellings (Stanton, Guido Belcanto), drummer Maarten Moesen (Admiral Freebee, Guido Belcanto) en bassist en tevens producer van het album Nicolas Rombouts (Dez Mona, Stef Kamil Carlens, The Colorist, Guido Belcanto). Zij zorgden samen als het ware voor de muzikale fundamenten van “How Different It Was When You Were There”.

Wat ondanks al dat muzikale vakmanschap vooral in de kijker springt, zijn en blijven echter de teksten van Matt Watts. Die blijven nach wie vor bijzonder intrigerend. Heel erg veeleisend ook. Ze doen je als luisteraar niet echt iets cadeau. Laagje per laagje maar geven ze hun vele geheimen prijs. Maar net zo mogen wij het toevallig graag hebben.

Als we hier even heel eerlijk mogen zijn: voor een plaat als “How Different It Was When You Were There” is België eigenlijk gewoon al te klein geworden. Songmateriaal van dit kaliber verdient immers een veel en veel ruimer publiek!

(“How Different It Was When You Were There” wordt op 2 maart aanstaande live boven de doopvont gehouden in de Arenbergschouwburg te Antwerpen.)

Matt Watts

 

TRICCA MCNIFF “Southern Star” (Dell’ Orso)

(3,5****)

De Britse songsmid Jason McNiff kenden we hier al van goede tot zelfs ronduit uitstekende platen als “Off The Rails”, “Nobody’s Son”, “Another Man”, “In My Time” en “April Cruel”. De in Italië geboren, maar dezer dagen in Londen woonachtige Emma Tricca was voor ons tot voor kort een nobele onbekende. Nochtans is ze al lang niet meer aan haar proefstuk toe. Met “Gypsies And Red Chairs”, “Minor White” en “Relic” heeft ze immers al drie volwaardige langspelers op haar actief staan. ’t Lag deze keer dus echt wel aan ons…

Op de EP “Southern Star” gaan de gelijkgestemde geesten Tricca en McNiff een vooralsnog eenmalig samenwerkingsproject aan. Van beiden staan er drie liedjes op het schijfje. Van Tricca zijn dat het als duet gebrachte titelnummer, het door McNiff vertolkte “Middletown” en het afsluitende “Paris Rain”, van McNiff op zijn beurt de door Tricca ingepalmde ballad “New York”, het net wat lichtvoetigere, maar daar toch daar perfect bij aansluitende “Hills Of Rome” en het weer samen uitgevoerde “Southbound Train”.

Een fraai setje kleine liedjes is het, waarin het verlangen om te reizen en daarmee gepaard gaande emoties bijna voortdurend centraal staan. Met twee stemmen die elkaar wonderwel weten te vinden. Die complementair zijn, heet dat dan. Die van hem lekker gruizig, die van haar aangenaam breekbaar. En dat alles tegen een akoestische gitaarachtergrond die een duidelijke voorliefde voor schoon volk als een Bert Jansch en een John Renbourn verraadt.

Van beide artiesten verschijnt overigens binnenkort nog ander nieuw materiaal ook. Van McNiff is dat alvast de dubbele verzamelaar “Rain Dries Your Eyes”, die op 28 april boven de doopvont zal worden gehouden. Aan dat van Tricca wordt momenteel naar verluidt nog volop gesleuteld in de Big Apple.

Jason McNiff, Emma Tricca

 

RIANTO DELRUE “Riding For A Fall” (Rianto Delrue)

(4****)

De ons stemgewijs beurtelings een weinig aan James McMurtry en Bruce Cockburn herinnerende jonge Gentenaar Rianto Delrue pakte onlangs uit met zijn eerste volwaardige langspeler. “Riding for a Fall” is de opvolger van zijn al in maart 2013 verschenen debuut, de EP “An Awful Lot of Hearts”. En we gaan hier niet al te lang rond de pot draaien: het is een verdomd sterke plaat geworden. Een album dat her en der duidelijk de invloed van groten der aarde als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Bob Dylan en een Leonard Cohen laat doorschemeren, maar dat is natuurlijk allesbehalve een bezwaar. Temeer daar Delrue ergens tussen americana, country en folk toch quasi voortdurend vooral zijn eigen ding doet.

Daarbij productioneel begeleid door Teun De Voeght en in de studio bijgestaan door onder meer Bruno Deneckere (gitaar, banjo en mandoline), diezelfde De Voeght (bas, gitaar, piano, percussie en backing vocals), Steven Sarrazyn (harmonica en backing vocals), Ries De Vuyst (gitaar en dobro), Tom De Wulf (drums) en Antje Cochuyt en Iris Thissen (backing vocals) presenteert Delrue (zang en gitaar) ons in net iets meer dan veertig minuten elf eigen liedjes die ongelooflijk af klinken. Verhalend sterk spul, even simpel als doeltreffend.

Het door de banjo van Bruno Deneckere mee de goede kant uit geduwde openingsnummer hadden we zo bijvoorbeeld graag eens door wijlen Johnny Cash horen brengen op één van diens laatste platen. En ook het meteen in het zog daarvan schijnbaar achteloos voorbij schuifelende titelnummer “Riding for a Fall” maakte vrijwel onmiddellijk een verpletterende indruk op ons. Met liedjes van dat kaliber hijst Delrue zich wat ons betreft vlotjes naast andere groten van het Vlaamse americana- en folkwereldje als de al genoemde Bruno Deneckere, HT Roberts en Lieven Tavernier.

En het goede nieuws is, dat hij dat niveau schijnbaar moeiteloos lijkt vol te kunnen houden. Van het folky “Lady Walking in the Snow” over het over voorzichtig speels gitaargetokkel neergelegde “Let Me Be Your Pride and Joy” of het door Steven Sarrazyn met een fijn streepje mondharmonica opgewaardeerde “Taking My Responsibility” tot het zachtjes rockende “The Night Mare”, het in onvervalste fingerpickin’ style opgediste “Don’t Cry Me No Canada Dry”, de hypernerveuze, wellicht flink door zijn eigen levensverhaal geïnspireerde story song “Solitary Baby” en andere, Delrue wist ons echt wel moeiteloos bij de les te houden. De hele rit lang zaten we nu al meermaals met plezier uit. En er zullen er nog flink wat gaan volgen ook, geloof ons vrij!

Tot slot ook nog even een pluim voor het fijne artwork van Maarten Dings. Door te werken met foto’s uit de oude doos weet die immers perfect het op de één of andere manier wat aparte sfeertje dat van “Riding for a Fall” afstraalt te vatten. En da’s een kunstje op zich!

Rianto Delrue

 

MATT HANNAH “Dreamland” (Gamine Records)

(4,5*****)

Matt Hannah is een in Michigan geboren en getogen, maar dezer dagen in Minneapolis residerende Americana singer-songwriter, die al in 2014 solo debuteerde met het knappe, grotendeels akoestisch gehouden album “Let The Lonely Fade”. Een plaat waarvoor als referentie regelmatig de grote Townes Van Zandt werd opgevoerd. Vol met melodieuze folk en Americana. Heerlijk down to earth. En dus keken we hier ook al reikhalzend uit naar wat volgen zou. En dat blijkt nu “Dreamland”.

Dat onder de productionele auspiciën van Matt Patrick ingeblikte geheel krijgt mede door de inbreng Erik Koskinen een net wat elektrischer randje mee. Diens gitaarspel kleurt immers zo menig een nummer een weinig rauwer. Maar ook de oude vertrouwde Hannah blijft aan de beurt komen, hoor. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het verstilde “Banks Of The Mississippi” zonder daarbij in gedachten naar Townes Van Zandt af te dwalen. Lijkt ons bijna onmogelijk. Diezelfde directheid. Diezelfde eerlijkheid ook. Nu al een blijvertje in de ons dagdagelijks begeleidende oortjes.

Met “Dreamland” belandt Hannah voor het overige regelmatig ook in het vaarwater van Jay Farrar. Ook liefhebbers van diens werk zullen hier een vette kluif aan hebben, zo lijkt ons. Iets als “Set Free” zou wat dat betreft een serieuze indicatie kunnen vormen.

Op inhoudelijk vlak doet “Dreamland” zo op het eerste gehoor eerder zwaarmoedig aan, ondermeer door de constante wrijving erop tussen wat we ons herinneren en wat we ons inbeelden. Tussen waar we waren en zijn en waar we diep in ons binnenste naar verlangen. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar titelnummer “Dreamland” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen.

Dit is een blijvertje. Zeker weten!

Matt Hannah

 

MANITOBA HAL “Live In Ghent” (Hal’s Kitchen)

(3,5****)

De Missy Sippy Blues & Roots Club in de buurt van de Korenmarkt in Gent geniet al lang niet alleen meer in ons land een uitstekende reputatie. En dus tref je er met enige regelmaat ook buitenlandse kleppers op de planken aan. Op 28 april van vorig jaar deed zo bijvoorbeeld de Canadese ukelelevirtuoos Manitoba Hal Brolund Klein Turkije aan. En een verslag daarvan krijgen we nu middels de over twee cd’s uitgesmeerde concertregistratie “Live In Ghent”.

Een enthousiaste menigte was die avond getuige van een ronduit uniek te noemen blues event. Ze ging ons inziens volledig terecht echt helemaal mee in Brolunds verhaal. En dat omvatte onder meer covers van klassieke blues songs van onder anderen Mississippi John Hurt, Bukka White en Robert Johnson, tal van eigen originelen en zelfs een interpretatie van iets van Tom Waits.

In z’n dooie eentje zorgt Brolund voor het ene akoestische hoogstandje na het andere. Daarbij slechts gewapend met z’n ukelele en de eigen warme tenorstem strooit hij kwistig in het rond met pareltjes. Van “Come On In My Kitchen”, “Automobile”, “Baby Please Don’t Go”, “Evangeline Blues”, “Sweet Home Chicago” en “St James Infirmary” over “My Babe”, “Ain’t No Grave”, het grappige “Tastes Like Chicken” en “They’re Red Hot” tot “Dig Me A Grave”, “My Creole Belle”, “Who Do You Love” en “The Thrill Is Gone” en vele, vele anderen. Blues entertainment van het betere soort zonder meer.

Een geslaagd aandenken aan een ogenschijnlijk meer dan geslaagde avond daar in Gent. Zeg, dat wij het gezegd hebben…

Manitoba Hal

 

LEVI CUSS “Night Thief” (Levi Cuss)

(3,5****)

Hoogst interessant schijfje, deze tweede van de ons tot voor kort nog volslagen onbekende Canadees Levi Cuss. Die wist op basis van de kwaliteit van zijn vier jaar geleden verschenen debuut “It’s War” voorwaar de gerenommeerde Steve Dawson te strikken als producer voor zijn nieuwe plaat “Night Thief”. En het resultaat van hun samenwerking – Dat moet gezegd! – mag absoluut gehoord worden. Een heerlijk gevarieerd Canamericana-geheel is het geworden, waarover Cuss zelf graag mag spreken in termen van “an honest look at struggle”. Iets waarin hij zelf zowat een ervaringsdeskundige is. Zijn vader stierf immers toen hij vijf was. En z’n moeder, een hard werkende, maar ook hard feestende single, kon alleen duidelijk niet de moeite opbrengen vereist voor het opvoeden van een knaap als Levi. Overdadig drankgebruik op jonge leeftijd, drugs en criminele feiten waren het resultaat. En van dat laatste, doing crime, kwam uiteindelijk ook doing time.

Ondertussen heeft Cuss ondanks een scheiding echter alles weer keurig op een rijtje. En in de muziek vond hij tot zijn eigen grote opluchting een immer attente bondgenoot. Een uitlaatklep voor alles wat zijn ooit zo getroebleerde geest maar kwijt zou kunnen willen. En dat resulteert hier in ruim driekwartier intrigerend luistervoer. Ons soms gevoelsmatig best wel wat herinnerend aan acts als de Jayhawks (de knappe trage “Tecumseh”) of Green On Red (story song “Pills”). En da’s goed gezelschap natuurlijk.

Al kan het ook compleet anders. “Bringing It Back” is zo bijvoorbeeld een vette opstoot van boogie-itis, “Saturday Night” strandt ergens dicht in de buurt van het doorgaans groovy spul van Tony Joe White en “Murder Of Crows” doet iets moois met wat rock input.

Gaan we ongetwijfeld nog veel van horen, van deze Levi Cuss. En da’s maar goed ook.

Levi Cuss

 

BRIGITTE DEMEYER & WILL KIMBROUGH “Mockingbird Soul” (BDM Music)

(5*****)

Als twee klasbakken als Brigitte DeMeyer en Will Kimbrough elkaar de hand reiken voor een project als “Mockingbird Soul” dan weet je eigenlijk a priori al dat je goed zit voor een prima geheel. En in dat opzicht worden we hier dan ook niet echt meer verrast. Twaalf nummers lang staan de twee hier garant voor ongemeen warmbloedige balsem voor de ziel. Pure southern country soul van het allerbeste soort. Gebracht met her en der wat bijstand van de onvolprezen Wood Brothers en Blue Mother Tupelo’s Micol Davis. Zelf betokkelde DeMeyer de ukelele, deed Kimbrough zijn duitje in het zakje op tal van gitaren en harmonica en mocht Chris Donohue de onderbouw verzorgen op de upright bass.

Aan hoogtepunten absoluut geen gebrek op “Mockingbird Soul”. Van het buitengewoon soulvolle titelnummer en het volop op een swampy vibe terende “Rainy Day” over de door een rondleiding doorheen Kimbroughs thuishaven van weleer geïnspireerde ballad “Little Easy” en het aanstekelijke back porch bluesje “The Juke” tot iets pakkends als “I Can Hear Your Voice”, waarin Kimbrough op bloedmooie wijze ingaat op het pijnlijke proces van het verliezen van een ouder die weliswaar fysiek nog present is maar geestelijk al lang niet meer. Een echt kippenvelmomentje, dat laatste nummer!

“Mockingbird Soul” wordt afgesloten met de enige cover erop. Het betreft daarbij een prima uitvoering van “October Song” van de Incredible String Band.

Beter worden ze ons inziens nog maar zelden gemaakt!

Brigitte DeMeyer, Will Kimbrough

 

MARTIN HARLEY AND DANIEL KIMBRO “Static In The Wires” (Del Mundo Records)

(3,5****)

“Static In The Wires” is het gloednieuwe album van het hier al wel eens eerder bejubelde duo Martin Harley en Daniel Kimbro. De één een dijk van een songwriter in de schemerzone tussen blues en Americana, de ander een bassist met een ondertussen serieuze staat van dienst bij schoon volk als Jerry Douglas en Larkin Poe, om er maar enkelen te noemen.

En die Douglas is overigens ook één van de gasten van Harley en Kimbro op “Static In The Wires”. We horen hem met een uitermate gesmaakte dobrobijdrage aan het groovy rootsniemendalletje “Feet Don’t Fail Me Now”. Verder stoten we in de gastenlijst ook nog op de namen van drummer-percussionist Derek Mixon en toetsenist Micah Hulscher. Voor het overige tekenen Harley en Kimbro zelf. Harley neemt naast de zang ook nog de akoestische en elektrische gitaren, de Weissenborn en de lap steel voor zijn rekening, Kimbro zingt ondersteunend mee en laat zich gaan op z’n double bass, akoestische gitaren en piano. Voor de productie tekenden de twee samen.

In totaal elf songs serveren ze ons op “Static In The Wires”. Zonder uitzondering eigen materiaal. En op de keper beschouwd aangenaam gevarieerd ook. Het zwaar atmosferische “Gold” zouden we zo bijvoorbeeld zonder al teveel nadenken van het label roots pop durven te voorzien, “Sweet & Low” neigt een heel klein beetje richting blues maar is toch vooral mooie bedaarde Americana singer-songwriter stuff, de ballad “My Lover’s Arms” heeft iets bepaald soulvols over zich en “Dancing On The Rocks” herbergt flink wat pittig folky fingerpickgeweld. “Trouble” op zijn beurt heeft met name ritmegewijs iets van een New Orleans feel, “This Little Bird” out zich ongegeneerd als een blues slow en “I Need A Friend” doet vingervlug het folkhart weer wat sneller slaan. Afgesloten wordt er met de blues stunner “Mean Old City – Part 2”.

Leuk geheel! Onopvallend goed eigenlijk. Doet u er vooral uw voordeel mee, zouden we zo zeggen.

Onze luistertips: het hoger al even vermelde “Feet Don’t Fail Me Now”, bluesy opener “One Horse Town” en de trage roots beauty “Postcard From Hamburg”.

Martin Harley

 

MARY’S LITTLE LAMB “Elixir For The Drifter” (Rootz Rumble / Donor / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een twangy gitaartje, wat sfeervol getrompetter en een ritme ver verwant aan iets van Johnny Cash in zijn jonge dagen en off we are voor de nieuwe van Mary’s Little Lamb, “Elixir For The Drifter”. “Are you ready to ride,” luidt het uitnodigend in het meteen daaropvolgende, ondanks een uitgesproken countryritme best wel wat aan de vermaarde spaghetti western soundtracks van Ennio Morricone herinnerende “Hold Your Horses”. En of we dat zijn! De tweede van het vijftal uit Keerbergen is er namelijk eentje waar we hier, benieuwd als we waren om te zien of de groep haar knappe debuut van twee jaar geleden “Fortune & Chance” zou kunnen bevestigen, al een poosje naar aan het uitkijken waren.

Liefst twaalf nummers lang grossiert het kwintet rond de met een echt wel zalige diepe stem gezegende Bart Hendrickx weer in heerlijk eigenzinnige alternatieve country en Americana. Muziek, die er hoegenaamd geen twijfel over laat bestaan wie de invloeden van de heren geweest zijn. Van Hank en Johnny over de al genoemde Ennio Morricone tot Calexico. Wat Hendrickx en co siert, is dat ze daaruit iets geheel eigens distilleren. Zoals het hypernerveuze, over een sympathiek banjolijntje voortstuiterende “Hay” bijvoorbeeld al. Of het mijmerende, in een ondergrond van zachte twang wel bijzonder goed gedijende “Blending In” ook.

“Incantation” is op zijn beurt het soort van flirt met latin-ritmes zoals je die bijvoorbeeld ook van een groep als Los Lobos verwachten zou. Lekker broeierig en vooral ook super catchy! Vervolgens is er de met Kathleen Vandenhoudt gedeelde en op fundamenten van puur verlangen opgetrokken schuifelaar “Saguaro”. Weer met dat typische filmische sfeertje dat ook al zoveel nummers op het debuut van Mary’s Little Lamb kenmerkte. En met werkelijk subliem blaaswerk ook van de tandem Kevin Van Hoof - Stijn Cumps.

Volgen dan nog: de sensuele murder song “El Fuego”, het eens te meer nadrukkelijk de eigen voorliefde voor wijlen The Man In Black etalerende “Grind”, de doorleefde Hank Williams-cover “Alone & Forsaken”, het desolate, ritmegewijs redelijk duidelijk naar de monotone inslag van de houwelen van in velden hun straf uitzwetende gevangenen zoals we die kennen uit films verwijzende “Stray Arrow”, de banjogestuurde old-time wanhoopskreet “Tell Me Now” en afsluiter “Forever Gone”, een op ongemeen fraaie wijze de spijtgevoelens van een eeuwige twijfelaar verwoordende trage.

Van Belgische makelij weliswaar, maar met internationale allure, dit album! Echt een aanrader van formaat!

Mary’s Little Lamb

 

CHRISTIAN KJELLVANDER “Solo Live” (Stockfisch Records)

(4****)

Hoe hoog we hier wel oplopen met de muziek van Christian Kjellvander bleek nog maar eens aan het eind van de vorige jaargang, toen we ‘s mans “A Village: Natural Light” hier vrijwel zonder nadenken bombardeerden tot plaat van het jaar. We hebben iets met de man, zoveel is ondertussen wel duidelijk. En we vonden het dan ook helemaal niet erg, om met het toepasselijk getitelde “Solo Live” al vrij snel weer een nieuwe release van ‘m te mogen begroeten.

Het betreft daarbij een op 16 mei 2015 in de Bürgersaal in het Duitse Northeim ingeblikte solo gig. En als we er u bij vertellen, dat het uitgerekend Günter Pauler van het al vaak om z’n geweldige geluid geroemde label Stockfisch Records was, die present tekende voor het opnemen van dat setje, dan weet u gelijk ook waar u aan toe bent. Ruim achtenveertig minuten haast onaards schone, kristalhelder gebrachte en vereeuwigde Americana en folk met een Nordic-randje. Spiernaakte songschoonheden vallend onder de ons ooit op een onbewaakt moment nog door landgenoot Tom Dice ingefluisterde hoofding “just me and my guitar”. Dingen als “The Truth”, “The Valley”, “Poppies & Peonies”, “The Mariner”, “The Crow”, “The Trip”, “The Zenith Sunset”, “Oregon Coast”, “Two Souls” en “Gardener River”, hier en nu te beluisteren alsof Kjellvander op nauwelijks een meter van je verwijderd zijn ding zit te doen.

Haast even tijdloos als mooi! En een zoveelste bewijs voor de stelling dat minder vaak juist veel meer is.

Christian Kjellvander, Stockfisch Records

 

PAAL FLAATA “Come Tomorrow: Songs Of Townes Van Zandt” (Blue Mood Records / PIAS)

(5*****)

Ondertussen goed en wel een jaar of vier geleden al wijdden we hier een stukje aan “Wait By The Fire: Songs Of Chip Taylor” (5*****), de eerste van – Wat we toen nog niet wisten! – drie door de Noor Paal Flaata geplande hommages aan het adres van eigen helden. Echt een dijk van een plaat was dat, die ons louter gevoelsmatig in gedachten al eens deed afdwalen richting het werk van groten der aarde als een Leonard Cohen, een Nick Cave en een Mickey Newbury. En die laatste zou een jaar of twee later met “Bless Us All: Songs Of Mickey Newbury” (5*****) wat ons betreft dan ook niet geheel en al onverwacht ook zelf een beurt van Flaata krijgen. En met zo ongeveer hetzelfde resultaat ook. Werkelijk fantastische, heel erg doorleefde vertolkingen van liedjes als “Write A Song A Song”, “Remember The Good”, “Bless Us All”, “I Came To Hear The Music”, “Newbury’s Voice” en het legendarische “An American Trilogy”. Met opnieuw dezelfde sleutelwoorden: pathos, grandeur en niet zelden enige tristesse ook. Americana met iets van een duister randje. Uitermate geschikt ons inziens ook voor gebruik in wel eens voor wat anders openstaande rockkringen.

En nu is er dus nummer drie in Flaata’s trilogie. Daarop buigt het voormalige kopstuk van Midnight Choir zich over de liedjes van misschien wel zijn allergrootste held: Townes Van Zandt. Een voorbeeld voor velen, maar bij leven en welzijn lang niet zo populair als dat ondertussen wel het geval is. Wat ons betreft zonder meer de allerbeste singer-songwriter ooit. Geen twijfel over mogelijk! En we zouden er hier bijna een eed op durven te zweren, dat Paal Flaata er precies zo over denkt. Hij heeft er door de jaren heen immers nooit echt een geheim van gemaakt, dat Van Zandt een speciaal plaatsje in zijn hart had.

Flaata kent Van Zandt alleszins door en door. Hij voelt ’s mans werk aan als nagenoeg geen ander. En in tegenstelling tot heel wat voorgangers in het verleden al brengt hij Van Zandts materiaal op “Come Tomorrow” wel heel erg geloofwaardig. Daarbij overigens en passant aan enkele volgens hem net iets te voor de hand liggende songs verzakend. Denk bijvoorbeeld maar al aan iets als het hier ondertussen dankzij de versie van de Broken Circle Breakdown Bluegrass Band tot gemeengoed verworden “If I Needed You”.

Wel van de partij zijn een net niet overgeorkestreerde versie van “Flyin’ Shoes”, de ons opnieuw wel wat aan Nick Cave herinnerende story song “Our Mother The Mountain”, het gevoelige “Tower Song”, een best wel wat onheilspellend aandoende vertolking van “Rake”, een echte moorduitvoering – Denk bij wijze van referentie maar even aan de “American Recordings” van Johnny Cash zaliger! – van “Kathleen”, een met zijn dochter Maia gedeelde, bij nader inzicht very sixties uit de hoek komende interpretatie van “Come Tomorrow”, het walsje “Quicksilver Daydreams Of Maria”, een berookte, bluesy lezing van “Where I Lead Me”, het lieflijke “Velvet Voices” en het als groots orgelpunt dienstdoende “Snow Don’t Fall”, één van onze persoonlijk Van Zandt-favorieten, hier gebracht als een bloedmooie pianoballade.

“Zo mooi, dat het haast pijnlijk wordt,” schreven we indertijd al over “Wait By The Fire: Songs Of Chip Taylor” en dat herhalen we naar aanleiding van het verschijnen van “Come Tomorrow: Songs Of Townes Van Zandt” en de heruitgave van de beide andere delen van de trilogie hier graag nog eens even opnieuw. Het kan haast niet anders, of Van Zandt zit ergens daarboven met een grijns veel breder dan we van hem gewoon waren toen hij nog leefde mee te genieten…

Paal Flaata

 

FRED EAGLESMITH “Standard” (A Major Label / Lucky Dice Music)

(3,5****)

“Standard” is wat je noemt vintage Fred Eaglesmith. Standard Fred Eaglesmith. Alternatief countrystemgruis van het betere soort. Story songs over de hard werkende medemens en diens diepste gevoelens. Simpel maar effectief. In die mate zelfs, dat heel wat collega’s zich wellicht zullen afvragen, waarom ze deze verhalen niet zelf achter schijnbaar alledaagse taferelen zien.

Iets als “Jenny Smith” bijvoorbeeld. Over een in afzondering levende, compleet van de wereld vervreemde oorlogsweduwe, voor wie een nieuwe vliegendeur naar haar terras nog zowat het enige is, waar ze durft naar uit te kijken, naar te verlangen. Of “Miss Mary Jane”. Die haar ventje badend in de vragen achterlaat, “on a southbound train”. Je proeft daarin de wanhoop in zowat elk woord van de protagonist. Net als in “Tom Turkey” trouwens ook. Waarin het harde bestaan op de boerderij er het leven in eenzaamheid ook al niet eenvoudiger op maakt. Gelukkig is er met dingen als het afsluitende “Mr. Rainbow” zo nu en dan ook plaats voor wat positivisme.

Vintage Eaglesmith dus, zoals gezegd, met daarbij voor de gelegenheid een opvallend prominente rol voor ’s mans muzikale echtgenote Tif Ginn. Als co-producer, maar ook met gezongen hand-en-spandiensten en met wat bijdragen op mandoline, ukelele, harp, trompet, tamboerijn, melodica, drums en tal van percussie-instrumenten. Ginn zal binnenkort ook van de partij zijn, als Eaglesmith weer eens naar onze kontreien afzakt. Noteer nu alvast optredens in GC De Melkerij in Zemst (28-04) en de N9 in Eeklo (05-05) in je agenda.

Fred Eaglesmith, Lucky Dice Music

 

DAYNA KURTZ WITH ROBERT MACHE “Here Vol. 1” (Kismet Records / Lucky Dice Music)

(4****)

De Amerikaanse Dayna Kurtz heeft al zo menig een prachtplaat op haar repertoire staan, maar sta ons toe hier te stellen, dat ze live toch nog altijd op haar allerbest is. En dus juichen wij het ook alleen maar toe, dat het bij de opvolger van het knappe “Rise & Fall” van zo’n twee jaar geleden over een tijdens haar laatste tour doorheen Nederland ingeblikte concertregistratie blijkt te gaan. Goed voor ruim drie kwartier luisterplezier van een ongekende intimistische intensiteit, echt druipend van de passie. Met in de hoofdrollen de snaren van de je vast ook wel van z’n bijdragen aan de Continental Drifters bekende gitarist Robert Mache en uiteraard ook de stem van La Kurtz zelve. Die brok puur natuurgeweld!

Samen blikken ze terug op zo ongeveer de hele carrière van Kurtz. Zo serveren ze ons bijvoorbeeld haar sublieme “drinking song for the apocalyps” “Raise The Last Glass”, het volledig van de blues doordrongen “I Look Good In Bad”, haar ode  aan New Orleans “NOLA” en uiteraard ook haar enige hit, het passionele “Love Gets In The Way”. Voorts zijn er ook nog “Fred Astaire”, de ook al werkelijk bloedmooie soulvolle ballad “I’ll Be A Liar”, het enigszins omineuze “Billboards For Jesus” en “If I Go First”, wat ons betreft nog altijd één van haar allermooiste liedjes überhaupt.

Als open invitatie voor haar er begin maart aankomende volgende tournee kan dit absoluut tellen! Met stops in onder meer Gent en over de grens in Maastricht, Den Haag, Utrecht, Amsterdam en Nijmegen vindt u vast wel een gig naar uw gading!

Dayna Kurtz, Lucky Dice Music

 

THE BLACK SORROWS “Faithful Satellite” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wist u, dat “Faithful Satellite” al het twintigste album van The Black Sorrows is? Wij dus niet, he. Dat het er al heel wat waren, dat wel. Maar twintig, neen dus… Nochtans zijn zanger-songsmid Joe Camilleri en de zijnen hier sinds jaar en dag graag geziene gasten. Sinds 1988 om precies te zijn, toen ze ons quasi omverbliezen met het radiohitje “Hold On To Me” en het gelijktijdig daarmee verschenen gelijknamige album. Die plaat en het twee jaar later op de wereld losgelaten “Harley And Rose” behoren nog altijd tot het selecte kransje van onze favoriete platen aller tijden.

Maar goed, nu is er dus “Faithful Satellite”. En het is dan ook die plaat, die hier even onze aandacht verdient en niet dat glorierijke verleden. Strijkersgewijs worden we naar binnen gezogen in opener “Cold Grey Moon”, een nummer dat ons überhaupt een beetje herinnerde aan die andere held des huizes, Elvis Costello, ten tijde van pakweg “Imperial Bedroom”. Een prima appetizer dus! Vervolgens gaat het via het knappe, zich na een gospeleske intro tot een brassy rocker ontwikkelende “Raise Your Hands” en de met flink wat Tex-Mex-gevoel besprenkelde ballad “You Were Never Mine” over de jachtige verhalende country van “Fix My Bail” en het nogal noirish neergelegde “It Ain’t Ever Gonna Happen” richting het alleraardigst swingende walsje “Winter Rose” en het opnieuw met fraai koperwerk opgewaardeerde, tegelijk wat old school jazzy en R&B aandoende “I Love You Anyhow”.

Volgen dan nog: de prima folkrocker “Into Twilight”, de stomende, daar perfect op aansluitende rootsy meezinger “Carolina”, het zonder schroom even in de grote pot met reggae ondergedompelde “Love Is On Its Way”, het werkelijk messcherpe “Land Of The Dead” en de dub-escapade “Beat Nightmare”.

Variatie troef met andere woorden weer. We hadden het van Camilleri en co eigenlijk niet anders verwacht!

The Black Sorrows

 

TIFT MERRITT “Stitch Of The World” (Yep Roc Records / V2)

(4,5*****)

De ingehouden country rock van “Dusty Old Man”, het van een echt door merg en been gaande pianoballade gaandeweg tot iets vlotters, heel erg soulvols evoluerende “Heartache Is An Uphill Climb”, het op een gedicht van Raymond Carver geënte “My Boat”, de fijne, voorzichtig hitgevoelige country soul van “Love Soldiers On”, folky titelnummer “Stitch Of The World”, de haar door het gadeslaan van enkele prille levenslessen van vogels op haar inrit ingegeven ballad “Icarus”, de pittige roots rocker “Proclamation Bones” en het samen met onder meer Sam Beam van het onvolprezen Iron & Wine ingeblikte drietal “Something Came Over Me”, “Eastern Light” en “Wait For Me”, het zijn zo maar eventjes tien dwingende redenen om ook de nieuwe van Tift Merritt weer zonder dralen stevig tegen de borst te drukken.

Dat niet doen zou overigens een stommiteit van formaat zijn. Je zou er zomaar één van de allerbeste platen van 2017 mee laten schieten. En dan bedoelen we heus niet enkel de eerste maand van 2017! Neen, neen, neen, één van die dingen die straks ongetwijfeld op heel wat eindejaarslijstjes gaan belanden! Naast de Lucinda’s, de Emmylou’s en zo… Horen is kopen!

Tift Merritt

 

HAT CHECK GIRL “Two Sides To Every Story” (Gallway Bay Music)

(4****)

Hat Check Girl is het hier al sinds jaar en dag op de nodige bijval kunnen rekenende samenwerkingsverband tussen klasbakken Peter Gallway en Annie Gallup. En met “Two Sides To Every Story” zijn die twee ondertussen ook al aan hun zesde album samen toe. Een zesde, waarvoor ze op drums en percussie-instrumenten de hulp kregen van de grote Jerry Marotta.

“Two Sides To Every Story” zou je als geheel een soort van conceptplaat kunnen noemen. Bij nader inzicht blijkt het immers te gaan om tien in paar geschreven liedjes, ondergebracht in vijf aparte hoofdstukken, van elkaar gescheiden door korte instrumentale interludia en gevolgd door een epiloog. Klinkt misschien een beetje gekunsteld allemaal, maar zo doet het naar onze bescheiden mening absoluut niet aan. Integendeel zelfs.

Zelf vonden wij “Two Sides To Every Story” meteen één van de beste platen van het duo Gallway en Gallup. Weer tot de nok toe gevuld met van die heerlijk atmosferisch aandoende, zich gelukkig niet al teveel van genregrenzen aantrekkende new folk beauties. Zonder echte uitschieters, van een permanent uitzonderlijk hoge kwaliteit. Gedragen door twee zalige stemmen ook: de berookte rasp van Gallway, de wat fijnbesnaardere, in de voetsporen van Joni Mitchell tredende van Gallup.

Hat Check Girl

 

RETO BURRELL “Side A&B” (TOURBOmusic)

(4****)

Reto Burrell is wat wij hier graag een onopvallende vaste waarde zouden willen noemen. De al sinds jaar en dag vanuit zijn Zwitserse thuishaven aan de weg timmerende songsmid met de lekkere gruizige stem leverde al zoveel fraais af. “Echopark”, “Shaking Off Monkeys”, “Roses Fade Blue”, “Burrell”, “Sunshine & Snow”, “Lucky Charm” en andere, het waren stuk voor stuk prima platen. Zonder uitzondering heel erg Amerikaans van opzet. Gemaakt als het ware voor de liefhebbers van het materiaal van knapen als een Tom Petty, een Ryan Adams, een Bob Seger en een Bruce Springsteen. Bulkend van de liedjes met een groot hart. Heerlijk warmbloedig!

Met “Side A&B” viert de beste man op z’n vierenveertigste de twintigste verjaardag van z’n besluit om solo aan de slag te gaan. Vroege dingen als “Eleven Songs” uit 1997 en “Foolpark Session” uit 1999 en de verzamelaar “Song Compilation 200-2009” uit 2010 meegerekend is het al z’n twaalfde plaat so far. En het is ‘n beetje een speciale geworden. Een schijfje in vinyl replica look, keurig opgedeeld in een “Side A” en een “Side B” en dan ook nog eens opgeborgen in een toepasselijk geconcipieerd klaphoesje, het doet zo op het eerste gezicht allemaal best wel wat retro aan.

De keuze voor twee plaatkanten blijkt bij nader inzicht echter louter functioneel. De eerste zeven liedjes van het geheel nam Burrell immers op met een full band, de volgende zeven hield hij bewust klein en akoestisch. Op die manier de twee kanten van z’n eigen ik in gelijke mate aan het woord latend. Z’n Dr. Jekyll en z’n Mr. Hyde als het ware. En dat levert ook nu weer zo menig een hoogstandje op. Van extreem catchy en derhalve ook zeer radiogeniek krachtvoer als “Shake It”, “Chasing The Wild” en “Ticket To Fly” tot knappe tragen als “How Many Doubts”, “Swimming In Stars” en “Red, Red Wine Pt. 2” of ingehouden akoestische schoonheden van songs als “Seize The Morning Light”, “When It Comes To Town Tonight” – Eén van ’s mans allermooiste liedjes tot op heden überhaupt! – en “You’re Still Alive”, Burrells kleinoden blijken niet zelden een ware lust voor het oor. Pareltjes waarvoor de beste man ogenschijnlijk ruimschoots voldoende inspiratie vond in zijn eigen turbulente bestaan van de voorbije paar jaren. Moeilijke tijden, die hij naar eigen zeggen gelukkig weer helemaal achter zich heeft.

Reto Burrell, Bandcamp

 

THE BAND OF HEATHENS “Duende” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Precies op tijd om er hun tienjarige bestaan wat bijkomende luister mee te verlenen pakken die van The Band Of Heathens uit met hun vijfde studioplaat, hun achtste in totaal. En dat is naar ondertussen goede gewoonte weer een verre van kwade. Tien nummers lang werpen ze zich in een met Jim Vollentine gedeelde productie weer op als terecht vaak als erfgenamen van legendarische acts als The Band of Little Feat genoemde praktikanten van het Americanavak. En dat op een pak minder introspectieve wijze dan nog op voorganger “Sunday Morning Record”.

Op “Duende” kan het bijna voortdurend echt alle kanten uit. Het openingsnummer, de zich thematisch gezien over de ontberingen van een leven on the road buigende rocker “All I’m Asking” krijgt zo en passant een lekker soulvol poppy randje mee. Een radiohitje in wording, zou je bijna denken. In het hypernerveuze “Sugar Queen” krijgen we vervolgens te maken met een soort van swampy uitvoering van de Stones, “Last Minute Man” doet het daarna lekker bedaard met een lap beklijvende roots rock pur, in “Deep Love” hoor je tot op zekere hoogte de invloed van de Beatles terug en “Keys To The Kingdom” is een slow boogie waaraan ons inziens met name liefhebbers van het werk van de betreurde J.J. Cale een aardige kluif zullen hebben.

“Trouble Came Early” dan. Opnieuw een stevige streep roots rock waarvoor de Stones en in het bijzonder dan Keith Richards duidelijk een voorbeeldfunctie hebben gehad. Eén van dé momenten van “Duende” voor ons meteen ook, dat nummer! (Die lekkere barrelhouse piano! Mmmm…) Vervolgens zijn er achtereenvolgens ook nog de psychedelische Sly-funk light van “Daddy Longlegs”, de zich terecht kritisch met betrekking tot het overdadige gebruik van social media dezer dagen uitende bedaarde folk rock ballad “Cracking The Code”, het in tijden van Trump meer dan ooit actuele immigratielied “Road Dust Wheels” en het afsluitende “Green Grass Of California”, een lijzige, nadrukkelijk naar seventies countryrockmodel geconcipieerde ode aan de cannabisplant en haar legalisering.

The Band Of Heathens

 

MISS TESS “Baby We All Know” (Rights Records)

(4****)

Al na één enkel nummer, het machtig swingende “Ride That Train”, weet je dat je met “Baby, We All Know”, de nieuwe worp van Miss Tess, weer gebeiteld zit voor ruim eenenveertig minuten rootsvertier van het betere soort. En op die opvolger van “Sweet Talk” uit 2012 en “The Love I Have For You” van zowat een jaar later blijkt de Amerikaanse vervolgens bovendien lekker breed te gaan. Met als motto genregrenzen zijn er om overschreden te worden hopt ze voortdurend lustig rond.

Van de sensuele moody roots rock van “Little Lola” of het aardig nadrukkelijk in 50’s R&B-wateren rondhangende “It’s So Easy To Tell” over de recht-toe-recht-aan rockende bluesvariant van “I Can’t Help Myself” of het zomers jazzy aandoende “Do You Want My Love” tot het catchy voorbijrockende “Shotgun Wedding”, van een maar moeilijk te categoriseren kuitenbijter als “Take You, Break You, Shake You” of een soulvol tranentrekkertje als “Don’t Blame Me” over country pur genre “Moonshiner” en het daar Americanagewijs zo ongeveer perfect bij aansluitende “Going Downtown” tot het afsluitende lieflijke rootswalsje “Lie To Me”, hier gingen ze er alvast zonder uitzondering in als zoete koek.

En een dikke pluim gaat daarbij wat ons betreft ook richting The Talkbacks. Zonder de buitengewoon vakbekwame begeleiding van haar ondertussen goed gerodeerde orkestje zou Miss Tess dit klusje ongetwijfeld niet op dezelfde geweldige manier hebben kunnen klaren. Eigenlijk hoorde de naam ervan gewoon mee op het artwork van deze kingsize dosis krachtvoer voor rootsomnivoren.

Miss Tess

 

BOB CHEEVERS “Fifty Years, The Bob Cheevers Collection” (Howlin’ Dog Records)

(4,5*****)

Vijftig jaar in het vak, dan mag het al eens iets meer zijn… Dat moet zo ongeveer de gedachtegang achter de nieuwe van de Texaanse songsmid Bob Cheevers geweest zijn. De man met het af en toe best wel wat aan Willie Nelson herinnerende nasale stemgeluid trakteert ons naar aanleiding van een halve eeuw liedjes schrijven immers op een liefst vijf discs in beslag nemende box set met daarop zomaar eventjes 83 van z’n songs. Zo menig een classic geplukt van z’n eigen repertoire, maar vooral ook tal van liedjes die nooit eerder op plaat belandden. En dat maakt van “Fifty Years” ook voor ’s mans al alles in hun collecties hebbende fans een echt hebbeding. Een waardevolle aanvulling op een ook zo al indrukwekkende songcatalogus.

Rootsy spul troef op “Fifty Years”, al durft Cheevers z’n voelsprieten along the way best ook wel eens op genres als jazz, pop en rock te richten. Doorgaans hoort z’n materiaal echter thuis onder de hoofdingen country, Americana of folk. Met zo nu en dan een toefje R&B of blues als afwerking. En met als voornaamste verkoopsargument nadrukkelijk ’s mans heerlijke verhalen. Als storyteller is hij wat ons betreft altijd op z’n best.

Mocht je Cheevers nog niet kennen, laat je dan op een onbewaakt moment eens even verwennen met dingen als “My Guitar, The Man In The Moon, And My Heart”, “Me And Dan And The Spoonman”, “Texas Is An Only Child”, “North Of Baton Rouge”, “Is It Ever Gonna Rain”, “You Sound Just Like Willie”, “Texas To Tennessee”, “The Stories I Write” en andere en je zal zeer snel begrijpen, waarom wij hier zo hoog met de beste man oplopen.

Mocht je Cheevers al wel kennen en er al (flink) wat materiaal van in huis hebben, dan vind je hier alle mogelijke redenen om toch onverwijld tot een aanschaf van “Fifty Years” over te gaan. (Voor amper $25 is het overigens sowieso een koopje.)

Bob Cheevers

 

CHATHAM COUNTY LINE “Autumn” (Yep Roc / V2)

(4****)

De Casino in Sint-Niklaas (01-02), Cultuurcentrum Zwaneberg in Heist-op-den-Berg (02-02), De Warande in Turnhout (03-02), CC Muze in Heusden-Zolder (04-02) en De Grote Post in Oostende (05-02) mogen zich zo stilaan beginnen op te maken voor een doortocht van de absolute bluegrasstrots van Raleigh, North Carolina, het onvolprezen viermanschap van Chatham County Line. Met onder de arm een nog nagelnieuw album, hun onlangs verschenen zevende studioplaat “Autumn” zullen singer-songwriter-gitarist Dave Wilson en de zijnen er ongetwijfeld weer garant staan voor het nodige live rootsplezier. Afgaande op de werkelijk torenhoge kwaliteit van het songelftal op “Autumn” is er hoegenaamd geen reden om daaraan, ook al was het maar heel even, te twijfelen.

Alle elf blijken originelen. En toch hebben ze gelijk al vanaf je eerste beluistering ervan iets vertrouwds. De manier waarop Wilson en co met bluegrass en Americana omspringen is nu eenmaal redelijk uniek te noemen. Hun ongemeen spontane aanpak, de eigen achtergrond in tal van rockbandjes en een open oor voor invloeden uit onder meer Cosmic American Music, seventies country rock, folk en andere maken dat de resultaten van een rondje in de opnamestudio met Chatham County Line altijd weer zeer de moeite blijken. Hun eigentijdse benadering van met name het bluegrassgenre maakt dat velen er zich door aangetrokken gaan voelen. En dat zonder al doende traditionalisten voor het hoofd te stoten. Je moet het maar doen!

Beginnen zoeken naar hoogtepunten op “Autumn” is naar ons gevoel onbegonnen werk. Maar als u lang genoeg zou aandringen, dan zouden we er ons misschien toch toe laten verleiden en dan is de kans redelijk groot dat we dingen als “Jackie Boy” – “A tribute to my old college friends and their dogs that have passed,” aldus Wilson zelf! – en het ook al zwaar melancholische “Moving Pictures Of My Mind” zouden gaan noemen. Of het lome, door het enerverende gehamer van een specht op een slechte morgen geïnspireerde katerliedje “Bon Ton Roulet”.

Chatham County Line

 

SURRENDER HILL “Right Here Right Now” (Blue Betty Records)

(3,5****)

Vanuit Sedona, Arizona bereikte ons onlangs de cd “Right Here Right Now” van het uit de Zuid-Afrikaan Robert Dean Salmon en de bevallige Afton Eekins bestaande duo Surrender Hill. En die twee blijken daarmee niet aan hun proefstuk toe. In 2015 verscheen immers ook al hun titelloze debuutplaat.

Net zoals op die maiden release staan er ook op “Right Here Right Now” weer uitsluitend eigen originals. Veertien stuks daarvan om precies te zijn. En die situeren zich echt zonder uitzondering ergens in de schemerzone tussen Americana, country en (in iets mindere mate) roots rock. Met de nadruk vrijwel doorlopend op twee elkaar wonderwel aanvullende stemmen. Nergens echt wereldschokkend, dat niet, maar wel doorlopend zeer oorvriendelijk. Catchy, om het met het daarvoor gangbare woord te omschrijven.

Salmon horen we en passant ook in de weer op akoestische en elektrische gitaren en dobro, Seekins levert op haar beurt percussie- en mandolinebijdragen. En dan zijn er ook nog co-producer Eric Fritsch (bas, orgel, piano, mandoline, accordeon en Wurlitzer), Paul Griffith (drums en percussie), Mike Daly (pedal en lap steel) en Jonathan Callicutt (gitaar), die voor een al bij al erg verzorgd totaalplaatje helpen zorgen.

Zouden we bijvoorbeeld durven aan te bevelen aan fans van een act als de Common Linnets. En daarmee weet een beetje liefhebber van Americana allicht genoeg. We hebben het hier inderdaad over de schijnbaar voor een wat groter publiek bestemde variant daarvan.

Onze luistertips: de doorleefde ballad “God Don’t Let The Road Disappear” en het door buddy Eric Fritsch accordeongewijs van nog net dat beetje meer gevoel bediende “Empty Bottle Of Dreams”.

Sympa!

Surrender Hill

 

MANDOLIN ORANGE “Blindfaller” (Yep Roc / V2)

(4****)

Wat een mooie plaat alweer, deze opvolger van het ondertussen goed en wel anderhalf jaar geleden verschenen “Such Jubilee”! Met “Blindfaller” nemen Emily Frantz en Andrew Marlin wat ons betreft weer enkele treden tegelijk bij het realiseren van hun ambitie om het tot de absolute top van het Americanagenre te schoppen. Ergens tussen country, bluegrass en folk vonden ze op weg naar “Blindfaller” al snuffelend zo menig een nieuwe rootstruffel. De tien liedjes erop zijn van een werkelijk superieure kwaliteit.

De zang is quasi voortdurend van een niets minder dan verbluffende schoonheid. Van beiden trouwens! En als ze dan ook nog eens aan het harmoniëren slaan… Wow! Wordt je als luisteraar ogenblikkelijk heel stil van! Daar ga je even voor zitten om er echt ten volle van te kunnen genieten. Neem nu zoiets als het een duidelijke hang naar traditionele country vertonende “Picking Up Pieces” bijvoorbeeld. Da’s met als kers op de taart de zachtjes huilende pedal steel van Allyn Love een heus staaltje van Americanaperfectie. Kippenvel gegarandeerd!

En daarvan vind je er op “Blindfaller” nog wel meer. Van het op bedaarde wijze naar de Appalachen lonkende “Lonesome Whistle” en de heerlijke, door Frantz naar eenzame hoogten getilde ballad “Cold Lover’s Waltz” tot “Hard Travelin’”, de zwierig rockende vreemde eend in de bijt hier, of het afsluitende “Take This Heart Of Gold” en dan vergeten we er nog wel enkele…

Zeker aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van acts als Gillian Welch en David Rawlings.

(Op 10 februari aanstaande kan je Mandolin Orange ook live aan het werk zien in GC De Melkerij in Zemst.)

Mandolin Orange

 

JOHN CALVIN ABNEY “Far Cries And Close Calls” (Continental Song City / CRS)

(4****)

John Calvin Abney is al de zoveelste ons door het Nederlandse CRS aangereikte songsmid uit Oklahoma die veel meer dan een bestaan ergens diep in de marge verdient. Dat hadden we eigenlijk al moeten weten naar aanleiding van ’s mans in 2014 en 2015 verschenen platen “Empty Candles”, “Better Luck” en “Vice Versa Suite”, maar die ontgingen ons jammerlijk. En dan is het maar goed, dat je op andere betrouwbare bronnen terug kan vallen natuurlijk. Waarvoor bij dezen de nodige dank!

De vanuit Tulsa actieve Abney maakte in eerste instantie vooral naam als helpende hand voor anderen. Met bijdragen op respectievelijk gitaar, pedal steel, keyboards en drums hielp hij door de jaren heen zo menig een collega een flink eind verder. Maar dan gingen plots ook zijn eigen vingers aan het jeuken. En met een pen ertussen leverde dat al snel heel fijne resultaten op. Sla er de hoger vernoemde albums maar eens even op na, je zal ons ongetwijfeld niet gaan tegenspreken. Of beter nog: geef je over aan “Far Cries And Close Calls”, de nieuwe van Abney. Is net als “Wilder Side” van Carter Sampson een echt snoepje.

Alternatieve country van het betere soort sowieso. Niet zelden eerder bedachtzaam van aard. Maar zeker niet uitsluitend zo. Daarvoor verandert Abney zelf het muzikale geweer te graag van schouder. Dompelt hij je het ene moment nog onder in een weldadig warm bad van weemoedige klanken (“Way Out”), dan gaat hij het andere net zo makkelijk even aan het rocken (“I’ll Be Here, Mairead”, “Jailbreak”). En da’s maar goed zo ook, want het garandeert je als luisteraar een lekker gevarieerd geheel dat hoegenaamd nergens aan spankracht dreigt te verliezen.

Onze luistertips: het op de keper beschouwd een weinig Dylanesk aandoende “Goodbye Temporarily”, de zonet ook al even vermelde trage “Way Out” en het daar louter sfeergewijs best wel wat bij aansluitende duo “Imposter” en “In Such A Strange Town”. Al zeggen we ook tegen de lekkere rockers “Jailbreak” en “Weekly Rate Palace” zeker niet neen.

John Calvin Abney, Bandcamp (CRS)

 

STEPHEN FEARING “Every Soul’s A Sailor” (Lowden Proud Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Na “My Throat Is Soar” van Shannon Lyon gisteren ook vandaag weer een Canadese singer-songwriterschijf in de aanbieding. “Every Soul’s A Sailor” meer bepaald, de nieuwe worp van de door de jaren heen steeds actiever geworden Stephen Fearing. Als je hem al niet kennen zou van zijn eigen soloplaten en zijn werk met collega Andy White als Fearing & White dan is de kans vrij groot dat hij als lid van Blackie And The Rodeo Kings en door samenwerkingen met onder anderen Nick Lowe, Shawn Colvin, Bruce Cockburn en Richard Thompson onverwachterwijze toch al op je radar terechtkwam.

Eind deze maand strijkt Fearing weer eens even in de Lage Landen neer. Onder meer een optreden in de Breughel in Bree (26-01) staat daarbij op het programma. En zij die er hun weg heen zullen vinden zullen door Fearing ongetwijfeld mee worden getroond op een vergelijkbare reis doorheen het leven zelve als deze die ons op “Every Soul’s A Sailor” wordt aanbevolen. Een tien songeenheden tellende wandeling langsheen de vele kronkelende paden die ons dagdagelijkse bestaan voor ons in petto houdt. De paden die ervoor zorgen dat we gepokt en gemazeld altijd maar verder van huis belanden.

En haast even rijk aan variatie blijkt “Every Soul’s A Sailor” ook stilistisch gezien. Van pop songs over een bluesje en folky spul tot recht-toe-recht-aan rockend rootsy materiaal, Fearing bewijst hier uitgebreid het allemaal in de vaardige vingers te hebben. En dat met aan echte lekkernijen absoluut geen gebrek! Of wat dacht u van hemelse dingen als het bedaarde countrybluesje “The Things We Did”, de knappe, in onvervalste rootsrockmodus ingeblikte protestsong “Blowhard Nation”, de met collega Rose Cousins gedeelde trage “Gone But Not Forgotten” of het atmosferische titelnummer “Every Soul’s A Sailor”?

Noem dit maar een eerste echt toppertje voor 2017! Als dit het niveau voor het nieuwe jaar wordt, dan staan er ons verdorie nog heel wat fraaie dingen te wachten…

Stephen Fearing, Lucky Dice Music

 

SHANNON LYON “My Throat Is Soar” (Cockadoodle Doo Records / Continental Song City / CRS)

(3***)

Voor het debuut van de Canadese songsmid Shannon Lyon moeten we ondertussen al zo’n drieëntwintig jaar terug in de tijd. Naar 1994 en het toen verschenen “Buffalo White” meer bepaald. Het eerste in een reeks van inmiddels veertien albums. Met als recentste toevoeging het zopas verschenen “My Throat Is Soar”.

Die plaat blikte de voormalige wereldburger gewoon thuis in. In zijn eigen woonst annex studio in de buurt van het befaamde Lake Huron. Weg van welke vorm van haast dan ook. En dat hoor je aan het erop gebodene ook. De twintig tracks op “My Throat Is Soar” zijn wat je noemt vintage singer-songwriter stuff. Aan een Tascam 414 Mkll cassette 4 track recorder toevertrouwde overpeinzingen van een troubadour die door de jaren heen duidelijk geleerd heeft de tering naar de nering te zetten. Doorgaans minimaal bewapend met slechts een akoestische gitaar en een mondharmonica neuzelt Lyon er net geen drieënvijftig minuten flink op los. Stripped down is duidelijk de meest geschikte term om zijn niet zelden behoorlijk persoonlijk uitvallende mijmeringen hier mee te vatten. Spiernaakte schoonheid is daarbij met enige regelmaat het resultaat.

Onze luistertips: het drietal “Lake Huron”, “Lonelier Than You And Me” en “The Sandwich Man”.

Shannon Lyon, Bandcamp (CRS)

 

RORY BLOCK “Keepin’ Outta Trouble, A Tribute To Bukka White” (Stony Plain / CRS)

(4****)

“Keepin’ Outta Trouble” is ondertussen al het zesde deel in de reeks door Rory Block op de wereld losgelaten eerbetonen aan haar eigen grote voorbeelden. Eerder passeerden in de “Mentor Series” al Son House, Mississippi Fred McDowell, Reverend Gary Davis, Mississippi John Hurt en Skip James de revue, ditmaal is het de beurt aan Bukka “Booker T. Washington” White. En ook die krijgt van Block weer een hier fel gesmaakte beurt mee.

Met “Keepin’ Outta Trouble”, “Bukka’s Day”, “Spooky Rhythm”, “Gonna Be Some Walkin’ Done” en “Back To Memphis” draagt La Block zelf vijf nieuwe songs in Bukka White country blues style aan. Die laten horen in welke mate ze wel door haar in 1977 overleden held beïnvloed werd. “Aberdeen Mississippi Blues”, “Fixin’ To Die Blues”, “Panama Limited”, “Parchman Farm Blues” en “New Frisco Train” plukte ze op hun beurt dan weer van ‘s mans omvangrijke repertoire. En ook die brengt ze volledig solo als betroffen het eigen originelen. Met eerbied en passie daarbij quasi voortdurend als haar voornaamste bondgenoten.

Volstrekt tijdloos spul is het resultaat. Country blues van het allerbeste soort, gebracht door één van de fijnste akoestische blues acts van de laatste drie decennia überhaupt. Moet ik nog zeggen, dat ik dit een heuse aanrader van formaat vind?

Rory Block, CRS Bandcamp

 

OSBORNE JONES “Only Now” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Met “Only Now” bereikt de hier al wel vaker geroemde samenwerking tussen David-Gwyn Jones en David Osborne wat ons betreft een fameus hoogtepunt. Na “Long Night Moon” van eind 2009, “Out Of Blue Yonder” van zo’n jaar of drie later en “In The Moment” uit het najaar van 2014 is het al de vierde van het duo. En wat voor één! In een productie van Rick Shea en geflankeerd door nogal wat schoon volk schudden beide heren een tiental knappe nieuwe songs uit de mouw, waarin ze naar ondertussen goede gewoonte op vaardige wijze een spagaat maken tussen traditionele country en het hier en nu.

Mee van de partij zijn naast Rick Shea onder meer ook nog bassist David Jackson, drummers Shawn Nourse en Don Heffington, gitaristen Pete Anderson en Jerry Donahue, fiddler Jim Shirey, percussionist John Palmer en zingende collega’s Cindy Wasserman en Gia Ciambotti. Een uitermate getalenteerd zootje dat de heren Osborne en Jones met plezier weer van een authentieke sound hielp voorzien.

Ruim achtendertig minuten lang is het hier zo genieten geblazen: van de laid-back old school country rock van openingsnummer “Down To Austin” over de best wel wat aan wijlen Elvis Presley refererende pathos van het titelnummer en het met name accordeongewijs met een zekere border music vibe opgewaardeerde “You Used To” tot het de blik ongegeneerd richting Bakersfield wendende “Heartstrings And Six Strings” of het met wat popgevoel besprenkelde “Any Given Day”, van de mooie ballad “The Bond” en het daaropvolgende en volop aan legendes als Merle Haggard en George Jones herinnerende duo “Bricks And Mortar” en “I Think She Still Cares” over de catchy singalong song “Never Crossed My Mind” tot de afsluitende tranentrekker “With A Heavy Heart”.

Prima plaat!

Osborne Jones (CRS Bandcamp)

 

CARTER SAMPSON “Queen Of Oklahoma And Other Songs By Carter Sampson” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Door het overweldigende succes van haar jongste album “Wilder Side” is Carter Sampson ineens aardig hot in flinke delen van Europa. En dat heeft uiteraard zo zijn gevolgen. Aan belangstelling voor optredens is er hoegenaamd geen gebrek momenteel en ook de vraag naar haar ondertussen al lang niet allemaal even gemakkelijk meer verkrijgbare oudere werk zwengelt nog alle dagen aan. Dat deed bij de artieste en haar platenlabel alvast het idee rijzen om uit te pakken met een compilatie met het beste van wat aan “Wilder Side” voorafging. Die kreeg als titel Sampsons koosnaampje “Queen Of Oklahoma” mee en is vooralsnog enkel verkrijgbaar als download en tijdens optredens van de artieste. Als je echt een fysiek exemplaartje wil, zal je er dus even de deur voor uit moeten. Al kan je dat in dit geval bezwaarlijk een straf noemen…

Van Sampsons debuutplaat “Fly Over The Moon” uit 2004 krijgen we op “Queen Of Oklahoma” maar één nummer te horen en da’s “Annie”. Van “Good For The Meantime” uit 2009 prijken er op de compilatie in totaal vijf liedjes. Met name het bedwelmend mooie, wat klaaglijk aandoende “Payne County Line”, de ronduit heerlijke ballad “Let’s Get Back”, de mijmercountry van “Meantime”, “afstootliedje” “I Don’t Want Him” en de ingetogen rootsrocker “Honeybee” werden goed genoeg bevonden. Veel groter nog is de oogst van het ook al geweldige “Mockingbird Sing” uit 2011. Daarvan worden er liefst zes songeenheden geserveerd. Respectievelijk de bedaarde red dirt rocker “Be My Wildwood Flower”, het aan de collectie haar naam verlenende “Queen Of Oklahoma” uiteraard ook, het aardig venijnig uit de hoek komende “Jesse James”, de mooie countrysoultrage “Don’t Leave Me Stranded”, het catchy niemendalletje “Sanctuary” en afsluiter “Better Ways”. “Wild Bird” en “I Am Yours” ten slotte zijn twee songs van het van twee jaar geleden daterende akoestische tussendoortje “Thirty Three”.

Wie Sampson enkel kende van “Wilder Side” zal haar hierna enkel nog maar wat steviger aan de borst willen drukken. Iets zegt ons zelfs, dat met name het album “Mockingbird Sing” hierdoor hoog op zo menig een verlanglijstje zal komen te staan. Wie houdt van krachtige stemmen, catchy, op een Oakie-leest geschoeide Americana en interessante teksten heeft daar daadwerkelijk een vette kluif aan. Net als aan deze compilatie trouwens! Warm aanbevolen!

Carter Sampson, Bandcamp

 

AJ HOBBS “Too Much Is Never Enough” (Booker Records)

(5*****)

Dit zou zomaar eens dé countrysensatie van het volgende voorjaar kunnen gaan worden, menen we hier oprecht. Wat de vanuit Californië nog volop aan de weg timmerende AJ Hobbs op z’n eerste volwaardige langspeler presteert deed ons immers met plezier terugdenken aan de hoogdagen van de outlaw (country) movement ergens halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw. Aan de hoogdagen van schoon volk als Waylon Jennings, Willie Nelson, Tompall Glaser, Kris Kristofferson Merle Haggard en anderen.

Ik mag dan wel een volbloed-Californian zijn, aldus Hobbs zelf, er zit ook “a whole lot of Texas in my heart”. En dat hoor je ook! Gelijk vanaf de opener, het aan zijn eigen, ondertussen definitief tot het verleden behorende drankprobleem refererende titelnummer straalt over de verschijning Hobbs een ster zo groot als de Lone Star State. In die wervelende beauty wordt meteen ook duidelijk, waarom Hobbs het in verband met zijn muziek zelf graag over “outlaw soul” mag hebben. Schrijf het maar op: “Too Much Is Never Enough” is een kanjer van een hit in wording. Beter kon Hobbs z’n eerste echte langspeler wat ons betreft amper aftrappen.

Al waren we daar nog eens elf nummers later al lang niet meer zo zeker van… “Too Much Is Never Enough” barst immers maar net niet uit z’n voegen van de klasseliedjes. Van het met een bijzonder hoog Waylon-gehalte neergelegde “Life Without You” en de ook al aan z’n eigen levensverhaal so far opgehangen outlaw stomp “The Loser” over een erg soulvolle interpretatie van wijlen Merle Haggards “The Bottle Let Me Down” en de binnenkort als eerste single te verschijnen country gospel groover “over Jezus, de duivel en z’n vader” “Daddy Loved The Lord” tot het met wat (country)rockgevoel afgekruide “Eastside”, van het catchy “Shit Just Got Real”, een nieuwe, best wel wat aan Jerry Reed herinnerende versie van dat eerder ook al op z’n (nog onder de naam Cal King uitgebrachte) eerste EP prijkende nummer, en het met een gezonde dosis Western swing geïnjecteerde “Are You Going To Tennessee?” over de met co-producer Ted Russell Kamp gepende valse trage “A Whole Lot Of You And Me” en het bedaarde, met Dominique Pruitt gebrachte countryduetje “Take It Slow” tot het ter ere van enkele van z’n eigen grote helden geconcipieerde “Waylon & Merle” en het afsluitende “Tomorrow I’ll Be Hurtin’”, een werkelijk bloedmooie trage op z’n Haggards, echt niet één enkel moment van zwakte te bekennen hier.

In een ietwat rechtvaardige wereld wordt 2017 dan ook zo goed als zeker het jaar van deze AJ Hobbs. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

AJ Hobbs

 

HIDDEN AGENDA DELUXE AND CARTER SAMPSON “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Nooit gedacht, dat ik het effectief nog eens uit mijn strot zou krijgen, maar zie hier: “Dit is een verdomd mooie kerstplaat!” Ik durf zelfs nog verder te gaan: een aantal van de nummers hierop zullen hier ook in de komende maanden nog uitstekende diensten gaan bewijzen. Voilá, het is er uit!

En wie zijn het, die er na al die jaren uiteindelijk in geslaagd zijn om mij toch tot een dergelijke uitspraak te verleiden? Awel, dat zijn Oakie songstress Carter Sampson en de Nederlandse rootshelden van Hidden Agenda Deluxe. Die doen met “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” zo ongeveer alles goed. Zó krijgt Kerstmis eindelijk de soundtrack die het al lang verdiende! Wat er concreet op neerkomt, dat enkel de mooiste kerstliedjes van anderen werden weerhouden en aangevuld met een stel eigen, voor de gelegenheid uitgebroede originelen.

Tot die laatste categorie behoren onder meer BJ Baartmans’ onwaarschijnlijk mooie sleper “For Saviour’s Sake” en het afsluitende, door Eric Devries ook al met veel verve gebrachte “Xmas Eve In Amsterdam”. Voor de liedjes uit de eerste passeerde men langs het oeuvre van Elvis Presley, Steve Earle, Bob Dylan, Jesse Winchester, Dolly Parton en Chris Rea. Met onder meer knappe versies van dingen als “I’ll Be Home For Christmas”, “Driving Home For Christmas”, “Hard Candy Christmas”, “Snow” en “I Shall Be Released” tot gevolg.

Chapeau!

Hidden Agenda Deluxe & Carter Sampson (CRS Bandcamp)

 

CHRIS MURPHY “The Tinker’s Dream” (Teahouse Records)

(3,5****)

“The Tinker’s Dream” is bij nader inzicht exact het soort van plaat geworden dat je vroeg of laat van een in de buurt van New York geboren Ier als Chris Murphy verwachtte. Een album tot de nok toe gevuld met “Original Irish Fiddle Music”, zoals de ondertitel het hebben wil. Origineel in die zin, dat het hier stuk voor stuk nummers van de hand van Murphy zelve betreft.

Murphy is überhaupt één van de fijnste fiddlers die wij kennen en wat hij zoal allemaal in zijn mars heeft blijkt hier meer dan ooit. In het gezelschap van schoon volk als Ted Russell Kamp, DJ Bonebrake, Tom Moose, Zac Leger, Trevor Hutchinson van The Waterboys, Andy Reilly van Celtic Woman en vele, vele anderen laat hij twaalf nummers lang zijn licht schijnen op het muzikale erfgoed van het land van herkomst van z’n voorvaderen. Jigs, reels en airs vormen daarbij bijna als vanzelfsprekend de muzikale hoofdmoot. Enkele gezongen liedjes (“Wicklow”, “Small Wonder” en “Cape Horn”), een walsje (“The Hayloft Waltz”) en een horlepiep (“The Artful Dodger”) kunnen terloops ook.

Een geheel echt wel barstend van de joie de vivre. Een beetje lente in het hartje van de winter…

Chris Murphy

 

STEVE HUSSEY & JAKE EDDY “The Miller Girl” (Merf Records)

(3,5****)

“Toeval is logisch,” aldus ooit het vermaarde Nederlandse voetbalorakel Johan Cruijff. En zoals wel vaker met zijn uitspraken sloeg het legendarische nummer veertien ook daarmee spijkers met koppen. Dat blijkt ook nu maar weer eens. Dat Steve Hussey en Jake Eddy elkaar vonden was immers puur toeval. Maar ergens toch ook helemaal logisch. Voortvloeiend uit wat bedoeld was als een eenmalig opnameproject in de aanloop naar Hussey’s huwelijk. Het wederzijdse respect bleek daarna echter zo groot, dat meer gewoonweg niet kon uitblijven. En dat meer werd hun gemeenschappelijke debuut samen, het nu voorliggende “The Miller Girl”.

Voor de songs daarop zorgde veteraan Hussey. Wat hij aandroeg resulteerde in een soort van Americana-conceptalbum. Vertrekkend vanuit het verhaal van een verworpene die beetje bij beetje zijn weg in het leven weet te hervinden. Hussey neemt ook de zang voor zijn rekening. Eddy van zijn kant excelleert op tal van instrumenten. Met name op de akoestische gitaar, de banjo en de mandoline toont hij zich een echte kei. Maar ook de ukelele, de guitarlele, de akoestische bas en de dobro hebben op z’n zeventiende (!) maar weinig geheimen meer voor ‘m. Hussey vult aan met wat getokkel op de akoestische, de ukelele en de guitarlele.

Zo ongeveer voor elk wat wils overigens op “The Miller Girl”. Van akoestische rootspopliedjes van het genre waarmee ook James Taylor en aanverwanten wel eens durven uit te pakken tot luistercountry, -bluegrass en –Americana het kan hier in een bijna voortdurend heerlijk relaxed aandoende context zo’n beetje allemaal. Het maakt van “The Miller Girl” een bijna onopvallend goed geheel. En da’s dan weer geen toeval…

Steve Hussey & Jake Eddy

 

SUSAN KANE “Mostly Fine” (Susan Kane)

(4****)

Met maar liefst vier albums van Susan Kane op de plank mag ik me zo stilaan wel een fan beginnen noemen, denk ik. Met die vier heb ik immers het volledige oeuvre van de vanuit New York actieve Americana-artieste constant te mijner beschikking. Ik maakte kennis met de muziek van Kane in 2004. Toen verscheen haar debuut “So Long”. In 2008 leverde ze vervolgens het ook al knappe “Highway Bouquet” af. En in 2012 maakte ze me eens te meer blij met nummer drie, het hier ook nu nog erg regelmatig gedraaide “A Word Child”.

Nu, wederom vier jaar later, is er uiteindelijk haar nieuwe, het zopas verschenen “Mostly Fine”. En die plaat breekt toch wel wat met haar voorgangers. In die zin, dat het ditmaal een grotendeels akoestisch gehouden geheel is geworden. Met veel akoestische gitaar, dobro, fiddle, mandoline, lap steel, banjo en accordeon en met een feel die meer dan ooit uitnodigt tot het gebruik van de term Americana. Met dank daarvoor onder meer aan het adres van producer Jeff Eyrich en gasten als Abbie Gardner (Red Molly), Lisa Gutkin (Klezmatics), Ira Levin, David Bernz en studio-eigenaar Fred Gillen, Jr.

Zeven Kane-originelen staan er op “Mostly Fine” en die zijn, wel… mostly fine. Zoals het leven zelf, aldus Kane. En dan mag je eigenlijk best tevreden zijn, want perfectie bestaat nu eenmaal niet. Van die zeven liedjes blijken er overigens twee co-writes. Het even mooie als bedaarde “Love Can Die” over een recent verlaten vrouw die in de ogen van haar kind haar ex herkent schreef Kane samen met de ons volslagen onbekende Pat Schneider en voor het bitterzoete countryduetje “Worn Out Lines” ging ze samen zitten met de hoger al even genoemde Fred Gillen, Jr.

Voorts stoten we op “Mostly Fine” ook nog op enkele welgemikte covers. Het lekker folky swingend gebrachte “Brown Eyed Women” en de mooie afsluitende trage “Comes A Time” leende Kane bij Robert Hunter en Jerry Garcia, zeg maar Grateful Dead, terwijl voor de werkelijk sublieme ballad “A Man Of Much Merit”, bij nader inzicht opgehangen aan de laatste woorden van een stervende, de songcatalogus van de weliswaar een stuk minder bekende, maar wel onder meer onze protagoniste zelve en Willie Nile tot z’n fanschare rekenende Rob Morsberger aangedaan werd. Een stel liedjes die door hun thematiek perfect aansluiten bij Kane’s eigen creaties, waarin het emotionele als vanouds weer een erg belangrijke rol speelt.

“Mostly Fine” is wat ons betreft niks minder dan een uitgesproken aanrader voor eenieder die houdt van intelligente rootsy luisterliedjes.

Susan Kane

 

TRAILERPARK IDLERS “Alligator Days” (Something Wicked)

(4****)

De Trailerpark Idlers zijn een bepaald interessant alternatief countrygezelschap uit het Zweedse Norrköping. Miss LisaLee (zang en akoestische gitaar), Morgan Hellman (zang, akoestische gitaar en percussie), Pentti Salmenranta (elektrische gitaar) en JK Anderson (doghouse bass) grossieren samen al ruim tien jaar lang in wat je noemt het betere spul. En het goede nieuws daarbij is, dat ze nog met elk album beter lijken te worden ook. Zo is “Alligator Days”, hun zonet verschenen dertiende tot op heden, wat ons betreft een echt blijvertje. Een typische groeiplaat ook. Een interessante verkenning van the weird side of country.

In het frenetische “Everytime I Hear The Sound Of A Train” lijkt het zo bijvoorbeeld alsof Zijne Bezetenheid Zelve Nick Cave zich enkele tellen lang aan trad country en rockabilly bezondigt, het bezwerende “A Whisper From All Woods” klinkt op zijn beurt als Walkabouts-frontvrouwe Carla Torgerson voor de gelegenheid aan het hoofd van de Tennessee Three, terwijl het daaropvolgende “Black Rock Special 238” dan weer eerder iets heeft van madman Jerry Lee Lewis in z’n countryhoogdagen. Het omineuze, zo ongeveer volledig onthaaste “Kate” is vervolgens een gitzwarte leaving song, “200 Miles & 20 Years From Home” koppelt op hoogst aanstekelijke wijze wat van de waanzin van de Cramps aan wat Cash-boom-chicka-boom en afsluiter “Gospel Train To Heaven” is gewoon topcountry tout court.

Het zijn slechts zes voorbeelden van wat er in het wereldje van de Trailerpark Idlers zoal allemaal kan. Tien van de twaalf songs op “Alligator Days” blijken overigens originelen. Het merendeel van de hand van Morgan Hellman, de overige drie van Miss LisaLee. Afgewerkt wordt het geheel met covers van de classics “Tombstone Every Mile” van Dick Curless en “Born To Cry” van Dion DiMucci.

Kort samengevat: het soort van country waarmee je ook in wat alternatiever ingestelde kringen gemakkelijk zou moeten kunnen scoren.

Trailerpark Idlers

 

RIVERS “Both Of Your Wings” (Rivers)

(3,5****)

Rivers is een nog relatief jong Amsterdams collectiefje onder aanvoering van de ravissante Annika Ijdo. Die studeerde een poosje in de States en dat is duidelijk te horen aan de liedjes op de EP “Both Of Your Wings”. Met het materiaal daarop solliciteren zij (zang en mandoline) en haar kompanen Ralf Pouw (bas), Benjamin Rheinländer (drums, percussie en backing vocals), Jasper Zuidervaart (dobro, gitaren en backing vocals), Bram van Langen (gitaar, mandoline en backing vocals), Korné ter Steege (banjo, mandoline, gitaren, lap steel en backing vocals), Danny La Haye (double bass) en Tim Langendijk (pedal steel) nadrukkelijk naar een stekje op de plank bij de liefhebbers van het materiaal van onder meer Ilse DeLange en de Common Linnets. Wat ze brengen valt inderdaad ook onder de noemer country pop.

Maar dan wel van het eerder smaakvolle type. Doorgaans erg sterk van melodie en daardoor ook hoogst catchy. Fraai ingezongen bovendien en met instrumentalerwijs nogal wat banden met zowel Americana, folk als bluegrass. Heel radiovriendelijk op de keper beschouwd ook. Met name dingen als het licht melancholische “Sober”, het aanstekelijke uptempo-niemendalletje “Me & Marie”, stampertje “Rebel” en de fraaie trage “Both Of Your Wings” laten zich al na één enkele beluistering quasi niet meer van tussen je oren wegslaan.

Ook wel leuk: de niet op deze EP verkrijgbare, maar ondertussen als separate download beschikbaar gestelde single “Real Christmas”, waarin Ijdo en co het opnemen voor alles waar het eigenlijk om draait tijdens de eindejaarsdagen. Noem het maar een pleidooi voor echte, nog niet aan commercie ten prooi gevallen Kerst.

Rivers

 

JAMES MCARTHUR AND THE HEAD GARDENERS “Burnt Moth” (Moorland Records)

(3,5****)

“Burnt Moth” is na het ook al zeer mooie en heel erg lovend onthaalde “Strange Readings From The Weather Station” van zo’n twee jaar geleden al het tweede album van Welshmen James McArthur. En bekoren doet de beste man daarop als vanouds met enigszins omfloerst overkomende folky deuntjes met hoog herfstgehalte. Weldadig aandoend als je lichaam achter glas strelende zonnestralen tijdens de eerste koude dagen van het najaar, zoiets. Heerlijk vertrouwd aandoend eigenlijk. Net als z’n gitaarspel trouwens. Dat roept bij momenten in al z’n verfijning immers herinneringen op aan icoon Bert Jansch.

En daarmee hebben we meteen al twee van McArthurs vier voornaamste troeven benoemd. Nummers drie en vier zijn gereserveerd voor respectievelijk ’s mans fluwelen stem en z’n begeleiders van The Head Gardeners. Met de eerste verdient hij zich wat ons betreft zomaar een plekje in de buurt van iemand als Nick Drake zaliger. En wat Jim Willis, John O’Sullivan en gasttuiniers Samantha Whates, Joel Magill en Colin Somervell betreft, die werken de zo al over “Burnt Moth” hangende flou artistique nog wat meer in de hand met gesmaakte bijdragen op onder meer viool, mandoline, pedal steel en bas of met wat backing vocals. McArthur zelf draagt daartoe op zijn beurt bij met inspanningen op zowel akoestische gitaren als piano, harmonica, drums en wat percussie-instrumenten.

“Burnt Moth” hoort naar ons gevoel thuis onder de hoofding “delicate eigentijdse folk met een manifest retro randje”.

James McArthur And The Head Gardeners

 

COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” (Country Lips)

(3,5****)

Eindelijk nog eens een plaat die de dezer dagen steeds vaker ten onrechte ten tonele gevoerde omschrijving alternative country ook daadwerkelijk verdient. Gesigneerd Country Lips. Een uit de heren Austin “Sheriff” Jacobsen (bas), Trevor Pendras (elektrische gitaar en zang), Miles Burnett (drums en zang), Hamilton Boyce (elektrische gitaar en zang), Alex Leake (akoestische gitaar en zang), Jonah Byrne (fiddle), Kenny Aramaki (keys) en Gus Clark (accordeon en mandoline) bestaand achtmanschap uit Seattle, dat met “Till The Daylight Comes” op ongemeen aanstekelijke wijze Johnny Cashke, George Joneske, Johnny Paycheckske en Merle Haggardje speelt. Dat alles wat goed was in het verleden ongegeneerd eigenzinnig vertaalt naar het hier en nu. Met vaak onwaarschijnlijke resultaten. Zo waaien doorheen “Reason I’m Drinking”, om maar iets te zeggen, bijvoorbeeld totaal onverwacht zelfs wat heuse skatonen voorbij.

Dertien heerlijk rammelende songkleinoden staan er in totaal op “Till The Daylight Comes”. Gaande van klassiek gestijlde slepers tot wat heviger spul waarvoor gelijkgezinde Amerikanen graag termen als raucous of rowdy uit de kast mogen halen. Van typisch barverdriet tot voer voor lekker wilde feestjes dus. Deed ons op de één of andere manier best wel wat denken aan een ander favorietje van weleer, het onvolprezen Accident Clearinghouse met name. Als u van dat fijne bandje hield, dan is de kans ons inziens vrij groot, dat u ook hiervoor gewillig overstag zal gaan.

Try it, you’ll like it!

Country Lips

 

VOODOO SWING “To You, My Friend” (Chromodyne)

(4****)

Shorty Kreutz (gitaren en zang), Tommy Collins (bas en zang) en Walter Spano (drums) pakken op hun ondertussen toch ook alweer achtste album samen uit met een heus songelftal aan goede redenen om hen weer wat steviger aan de borst te drukken. Als het er op aankomt om rock & roll en rockabilly op een ertoe doende manier naar het hier en nu te vertalen dan staan de heren echt wel op de eerste rij. Aan niet zo hoog met vakjesgrenzen oplopende creativiteit alvast absoluut geen gebrek hier! Het maakt van “To You, My Friend” een waar roots-totaalpakketje.

Afgetrapt wordt er met het hypernerveuze “You Ain’t Doin’ Me Right”. Vervolgens gaat het richting het sympathiek hortende en stotende en met flink wat blues en soul gekruide “You’re Gonna Miss Me One Day”. De rootsy stomper “So Fine” valt daarna meteen op door het wat aparte gebruik van keys erin. En “’Murica” is in het zog daarvan redelijk klassieke ‘billy met een buitengewoon lekker basmotiefje als naar ons gevoel voornaamste surplus.

“The Rambler” is dan recht-toe-recht-aan roots rock, “Too Much Drinkin’” doet iets fijns met trad country, titelnummer “To You, My Friend” leunt weer even nadrukkelijk aan bij het muzikale verleden van de drie en “Don’t Tell Me That You Love Me” durft het zelfs aan om van bil te gaan met bluegrass. Resten er ons dan nog: de wervelende instrumental “Chokin’ The Chicken”, het jazzy, met de verrukkelijke Holly Pyle van House Of Stairs in onvervalste jaren ’20 retrostijl neergelegde “If Hell Has A Place For Me” en het afsluitende, duidelijk door Led Zeppelin geïnspireerde “Fadin’ Away”.

Voor de wat ons betreft buitengewoon geslaagde productie van “To You, My Friend” tekende Olivier Zahm.

Voodoo Swing

 

DOWN HARRISON “Down Harrison” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het voorliggende “Down Harrison” blijkt bij nader inzicht niks minder dan een echte singer-songwriterplaat. Maar dan wel eentje gebracht door een groep. Alles draait om de jarenlang op de plank liggen gebleven liedjes van zanger-songsmid Jesper Willaume met wie bassist Tommy Cassemar en drummer Pelle Alsing al eens eerder samenwerkten voor het album “This Year The Summer Will Be Long”. Nadat die eersteling van ‘m door omstandigheden niet werd uitgebracht trok Willaume zich uit het muziekwereldje terug. Zijn toekomst lag vanaf dat moment in het restaurantwezen.

Nu, goed en wel vijftien jaar later, ligt er met het titelloze debuut van de groep Down Harrison plots wel iets van die Willaume in de winkel. Samen met het al genoemde tweetal, gitarist-toetsenist Micke Wedberg en gast Olaf Gustafsson (op gitaar en pedal steel) knalt hij daarop doorheen tien knappe eigen liedjes. Door de band genomen aardig intelligent uit de hoek komend spul met een redelijk hoge aaibaarheidsfactor. Nadrukkelijk bestemd voor veelvuldig radiogebruik. Met het nodige pop- en rockbloed in de aderen. Maar ook met een zekere hang naar meer rootsy oorden. Zoals bijvoorbeeld ook Crowded House en Chris Isaak die ooit hadden, al resulteert dat hier toch in iets totaal anders.

Als mooiste nummers van het lot onthielden wij na enkele draaibeurten het behoorlijk melancholische, op uitermate fijn elektrisch gitaarwerk drijvende “Everyone’s To Blame”, het bedaarde, überhaupt wat retro aandoende “Hell’s Cold” en titelnummer “Down Harrison”.

Down Harrison

 

JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” (Black Hen Music)

(4****)

Voor iemand met een staat van dienst als de hare is Jenny Whiteley eigenlijk altijd relatief onbekend gebleven in Europese rootskringen. En u weet hoe dat gaat, onbekend maakt onbemind. Vandaar van hieruit nog maar eens een poging om de Canadese aan wat meer naambekendheid te helpen, want geloof ons vrij, die verdient ze echt wel ten volle. Overtuig u daarvan vooral zelf door haar vier vorige platen even op te snorren. Van haar inmiddels nog maar moeilijk verkrijgbare titelloze debuut uit 2000 over het drie jaar later verschenen “Hopetown” en het magistrale “Dear” uit 2006 tot “Forgive And Forget” uit 2009, het zijn echt stuk voor stuk ijzersterke gehelen. Albums, waarmee ze in eigen land onder meer al vergelijkingen met groten der aarde als een Emmylou Harris en een Lucinda Williams wist te oogsten. That good? That good indeed!

En dat onderstreept ze ook met haar nieuwe worp “The Original Jenny Whiteley” weer. Da’s bij nader inzicht een soort van eerbetoon aan haar eigen muzikale afkomst geworden. Aan de haar jonge jaren zo ongeveer volledig beheerst hebbende folk, blues, bluegrass, jug band en old-time country. Aan roots music tout court. Op het menu derhalve ook heel wat naar haar jeugd terugharkend spul. Liedjes die ze toen al aanleerde tijdens optredens met familiebandjes als The Original Sloth Band en de Junior Jug Band, maar ook andere pas veel later op haar repertoire opgedoken traditionals en zelfs wat in dezelfde trant geschreven originelen.

Zonder uitzondering smaakvolle covers zijn er zo van Chris Coole’s “100 Dollars”, van de traditionals “In The Pines”, “Groundhog” en “Things Are Coming My Way”, van Bob Dylans versie van “Oxford Town”, van Uncle Dave Macons “Morning Blues”, van Will Shade’s “Stealin’, Stealin’” en van Mike Herrons “Log Cabin Home In The Sky”.

En tot de categorie der originals behoren de sprankelende old-time bluegrass van het door Whiteley samen met haar wederhelft Joey Wright gepende en op de keper beschouwd echt wel van een veelzeggende titel voorziene “Banjo Girl”, het heerlijk moody, de zangeres in onvervalste slow jug band style in het Frans opvoerende “Malade” en ten slotte ook “Higher Learning”, naar eigen zeggen een ode aan haar eigen jazz- en old-time-helden van weleer.

Voor de productie van “The Original Jenny Whiteley” tekende de ook verder zowat alomtegenwoordige Sam Allison. Ook voor hem een dikke pluim!

Jenny Whiteley

 

RICHARD LINDGREN “Malmostoso” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Al op zijn vorige album “Sundown On A Lemon Tree” waren heel duidelijk sporen van tijdens een recente tournee doorheen Italië aangeknoopte vriendschappen te bekennen en het hoeft ons inziens dan ook niet echt te verwonderen, dat Richard Lindgren op z’n nieuwe plaat z’n hart helemaal aan dat land verloren lijkt te hebben. Zo verwijst de titel ervan bijvoorbeeld al niet meer naar z’n Zweedse thuishaven Malmö, maar is het een verklanking van, een vertaling naar het Italiaans van het doorgaans eerder verdrietige, mistroostige sfeertje dat er over de plaat hangt.

Lindgren nam zijn tiende studioplaat op in Pavia. En hij deed daarbij ook uitsluitend een beroep op lokale muzikanten. Onder hen onder meer toetsenist Riccardo Maccabruni, met wie hij ook het nummer “St Vincent’s Blues” schreef. Diezelfde Maccabruni tekende overigens samen met Simone Giorgi en Charley Goodride ook voor de productie van “Malmostoso”.

Op dat album valt er naar goede Lindgren-gewoonte weer aardig wat te genieten. Na gehelen als het hier hoger al genoemde “Sundown On A Lemon Tree”, “Postcards From Elsewhere”, “A Man You Can Hate”, “Grace” en andere hoeven we je allicht al lang niet meer te overtuigen van ’s mans capaciteiten als songsmid. Met zijn uitzonderlijk warme hese stem – Think Steve Forbert! – weet hij hier alvast steeds weer de juiste snaar te betokkelen. En met name als het gaan om het songgewijs vereeuwigen van gevoelens vloert hij ons keer op keer opnieuw. Hoe uiteenlopend van aard dan ook.

Onze ook nu weer compleet onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Dunce’s Cap”, het bluesy “Evil Love” en de intimistische akoestische ballad “Bluesy Moss”.

Richard Lindgren

 

THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Gelijk al vanaf het eerste moment waarop Jack Torrey en Page Burkum in “Stoplight Kisses” samen aan het zingen gaan kan je er hoegenaamd niet omheen: veel dichter kan je het geluid van de legendarische Everly Brothers in hun hoogdagen nauwelijks benaderen. Heerlijk gewoon, hoe de twee hier vervolgens nog ruim een half uur langer ongegeneerd lang vervlogen tijden blijven evoceren. En dat dan ook nog eens uitsluitend met eigen materiaal! Je houdt het amper voor mogelijk!

Van de heerlijk melancholisch uitgevallen ballad “You’re Dreaming” of het uit zo ongeveer hetzelfde materiaal opgetrokken “Queen Of Them All” over het sympathiek een aardig eindje wegrockende “Clown Collector”, het zomers lijzig neergelegde “Mississippi” en de mooie trage “Powder Blue” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, en passant met een royale snuif manouche gekruide “Change Your Ways Or Die”, de typische Everly country van “If I Can’t Win”, de al even nadrukkelijk aan Don en Phil refererende rocker “No More Crying The Blues”, het ingetogen “Adios Maria” en het afsluitende “Traveler’s Paradise”, werkelijk alles is hier even mooi. Dat zoiets anno 2016 nog kan… Incroyable!

Voor de productie van het van hieruit bij deze bijzonder warm aanbevolen “You’re Dreaming” werd een beroep gedaan op huisfavorietje JD McPherson.

The Cactus Blossoms

 

JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Jonah Tolchin toog voor de opnames van z’n nieuwe album “Thousand Mile Night” naar de legendarische FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama. Daar, in het geboorteoord van zo menig een Southern soul classic, blikte hij onder de productionele auspiciën van veelkunner Marvin Etzioni zijn wat ons betreft sterkste plaat tot op heden in. Een tien songs rijke tour de force, die je als liefhebber van rootsy singer-songwriterspul in geen tijd op het puntje van je stoel heeft.

Van ingetogen soulvol spul genre openingsnummer “Beauty In The Ugliest Of Days” over groovy ingehouden Southern roots rock met bluesinslag à la het titelnummer tot een simpele countrydeun als “I Wonder”, van een intimistische folkpoptrage als het door gast Sam Amidon vakkundig met wat fiddle en banjo besprenkelde “Completely”, het daar op z’n minst gevoelsmatig perfect bij aansluitende tweetal “Paint My Love” en “Song About Home”, het ergens op de dunne grens tussen folk en alternatieve country gedijende “Unless You Got Faith” – een ronduit heerlijk pleidooi voor durven af te gaan op je geloof – tot het gitzwarte, ons op de één of andere manier een weinig aan Tom Waits herinnerende “Where The Hell Are My Friends”, de z’n titel quasi terloops volkomen getrouw blijvende bluesy rocker “Working Man Blues #22” of de niets minder dan spraakmakende afsluitende Skip James-cover “Hard Time Killing Floor Blues”, Tolchin dwingt je zo goed als voortdurend mee in zijn verhaal.

Echt wel behoorlijk straffe kost allemaal!

Jonah Tolchin

 

GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” (Acony Records / V2)

(5*****)

Ondertussen precies twintig jaar geleden deed Gillian Welch voor het eerst van zich spreken met het magistrale “Revival”. Voor de zangeres zelf alvast aanleiding genoeg om even achterom te kijken. En dat doet ze met het onder supervisie van haarzelf en partner in crime Dave Rawlings ontstane “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg”. Het betreft daarbij een eenentwintig songeenheden tellende terugblik die volop durft af te wijken van de geijkte paden. We krijgen hier immers voor één keer niet het originele album aangevuld met wat vlug bij elkaar geharkte outtakes, maar een volledig uit niet eerder verschenen materiaal bestaand geheel.

Op “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” prijken zo naast uiteindelijk uit de boot gevallen dingen als “Go On Downtown”, “Red Clay Halo”, “Georgia Road”, “I Don’t Want To Go Downtown”, “455 Rocket”, “Wichita”, “Riverboat Song” en “Old Time Religion” ook nog een hele reeks alternate versions & mixes (“Orphan Girl”, “Annabelle”, “Pass You By”, “By The Mark”, “Only One And Only”, “One More Dollar” en “Paper Wings”) , demo’s (“Paper Wings”, “Tear My Stillhouse Down”, “Orphan Girl”, “Dry Town” en “Acony Bell”) en een enkele live-radio-opname (“Barroom Girls”). Stuk voor stuk opnames die meer inzicht verschaffen in het ongetwijfeld erg boeiende ontstaansproces van wat ons betreft nog steeds één van de allerbelangrijkste Americana-platen überhaupt.

Een waar voorbeeld als dusdanig voor allen die het overwegen om in de toekomst nog eens op één van hun platen terug te kijken! Zó en niet anders doe je dat dus! Dat nummer twee snel volgen moge!

Gillian Welch

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home