CD-recensies augustus 2015

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

JAMES LEG “Below The Belt” - ELVIS PERKINS “I Aubade” - KODIAK DEATHBEDS “Kodiak Deathbeds” - BRENT BEST “Your Dog, Champ” - DANNI NICHOLLS “Mockingbird Lane” - VALLEY MAKER “When I Was A Child” - STICK IN THE WHEEL “From Here” - SHANTELL OGDEN “Ghosts In The Field” - THE GRAHAMS “Glory Bound” - TOKYO ROSENTHAL “Afterlife” - BRAD ABSHER & SWAMP ROYALE “Lucky Dog” - JOHN CEE STANNARD & BLUES HORIZON “Stone Cold Sober” - KEVIN SEKHANI “Day Ain’t Done” - THE SIDESHOW TRAGEDY “Capital” - NANCARROW “Simple Things” - ANTUN OPIĊ “Shovel My Coal” - BIANCA CARUSO “Bravado” - BIG LAZY “Don’t Cross Myrtle” - GILMORE & ROBERTS “Conflict Tourism” - HARPETH RISING “Shifted” - DELTA MOON “Low Down” - BARNA HOWARD “Quite A Feelin’” - CROOKED BROTHERS “Thank You I’m Sorry” - ROD PICOTT “Fortune” - WARREN HAYNES FEATURING RAILROAD EARTH “Ashes & Dust” - BETH MCKEE “Sugarcane Revival” - NILS BONDESSON “Blues Dreams” - TONY FURTADO “The Bell” - ANDREW COMBS “All These Dreams” - THE ORIGINAL FIVE “Across The Deep Sea Blue” - MILLPOND MOON “Time To Turn The Tide” - BOB CHEEVERS, KEITH MILES, BARRY OLLMAN & GREG COPELAND “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home” - JACK TEMPCHIN “Room To Run” en “Learning To Dance” - MARK BILLINGHAM & MY DARLING CLEMENTINE “The Other Half” - RONNIE FAUSS “Built To Break” - THE PALOMINOS “Sweet Misery” - DANIEL ROMANO “If I’ve Only One Time Askin’” - STEVIE AGNEW & HURRICANE ROAD “Bad Blood & Whiskey” - WATKINS FAMILY HOUR “Watkins Family Hour” - TRAILHEAD “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” - THE TEXAS HORNS “Blues Gotta Hold Me” - HOLLIS BROWN “3 Shots” - LEFT LANE CRUISER “Dirty Spliff Blues” - DIVERSE ARTIESTEN “1995-2015 / 20 Years Blue Rose Records” - THE DOMESTIC BUMBLEBEES “Cheater” - THE STATESBORO REVUE “Jukehouse Revival” - BILLY PRICE & OTIS CLAY “This Time For Real” - THE DESLONDES “The Deslondes” - SONNY LANDRETH “Bound By The Blues” - MARJAN DEBAENE “The Sound Of The Beat” - RICKIE LEE JONES “The Other Side Of Desire” - ANNIE GALLUP “Ghost” - LINDSAY FERGUSON “Chameleon” - ADAM CARROLL “Let It Choose You” - JEFF PLANKENHORN “Live At The Saxon Pub” - HOGJAW “Rise To The Mountains” - ANDY SHAUF “The Bearer Of Bad News” - SPUYTEN DUYVIL “The Social Music Hour Vol. 1” - GORDIE TENTREES “Less Is More” - LEE PALMER “Like Elway” - BROCK ZEMAN “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” - JOHN COINMAN “Already Are” - EILEN JEWELL “Sundown Over Ghost Town” - DANNY & THE CHAMPIONS OF THE WORLD “What Kind Of Love” - AD VANDERVEEN “Presents Of The Past / Requests Revisited” - BEN REEL “7th - DONNA ULISSE “The Songwriter In Me, The Demo Recordings” - ALECTRO “School Of Desire” - THE WYNNTOWN MARSHALS “The End Of The Golden Age” - GIANT SAND “Heartbreak Pass” - DAR WILLIAMS “Emerald” - GUY VERLINDE “Better Days Ahead” - THE BLACK SORROWS “Endless Sleep” - SHELBY LYNNE “I Can’t Imagine” - ELLIOTT MURPHY “Aquashow Deconstructed” - DARRELL SCOTT “10 - Songs Of Ben Bullington” - ELISA WAUT “Portraits And Landscapes” - BOB WAYNE “Hits The Hits”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

                                                                                                                                                                                         

JAMES LEG “Below The Belt” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Below The Belt”, de tweede soloplaat van James Leg, je misschien ook wel bekend als John Wesley Meyers van de Black Diamond Heavies, is haar titel getrouw daadwerkelijk een mokerslag onder de gordel. Een blues-rock-soul-hybride van het gevaarlijkere soort. Een echt monster!

Venijnig recht-toe-recht-aan rockend knalt Leg die opvolger van het goed vier jaar geleden verschenen “Solitary Pleasure” met “Dirty South” furieus op gang. Aanstekelijk hoe-hoe-end vlammen we zo aan de Stones in hun beste dagen voorbij richting een volgend intraveneus shot rock & roll pur sang. “Casa De Fuego” met name, waarin het enkele minuten lang lijkt alsof Screaming Jay Hawkins samen met een ver neefje van toetsenist Ray Manzarek van de Doors en een bataljon mariachi-blazers in één en hetzelfde bandje beland is. “Up Above My Head” is vervolgens een geslaagde Sister Rosetta Tharpe-cover, waarin gospel op catchy wijze stoot op mondharmonicablues. “Drink It Away” op zijn beurt een rete-aanstekelijke, eerder traditioneel uitgevallen bluesy drinking song.

Met “October 3rd” schotelt Leg ons vervolgens eens eerste, op de keper beschouwd behoorlijk Waitsiaans aandoend rustpuntje voor. Andermaal komen daarin ’s mans aanzienlijke talenten als toetsenist uitgebreid aan bod. Daarna gaat het achtereenvolgens richting de echt hondsgemeen uit de hoek komende, striemende bluesrocker “Glass Jaw”, een al even stomende benadering van de garagerockbom “Can’t Stop Thinking About It” van de Dirtbombs en een bizarre rockbeet in de hals van cold wave classic “A Forest” van de Cure. Afgesloten wordt er met twee beduidend rustigere momenten. Met name het ergens tussen rock, pop en soul strandende “Disappearing” en de soulvolle ballad “What More”.

Tijdens de maanden oktober en november doet Leg Europa aan voor wat gigs. Specifieke gegevens daaromtrent volgen later.

James Leg via Alive Naturalsound Records

 

ELVIS PERKINS “I Aubade” (MIR Records / Bertus)

(3,5****)

Toen Elvis Perkins in juli van 2007 debuteerde met “Ash Wednesday” regende het letterlijk superlatieven. En vergelijkingen ook. Van Elliott Smith en Syd Barrett tot Bob Dylan, van Johnny Cash tot Leonard Cohen en terug. Echt verfrissend anders was het, wat hij op die plaat deed. En dus werd hij ook gezien als een grote belofte voor de toekomst. Maar, maar, maar,… Perkins mag helaas graag rijkelijk zijn tijd nemen voor de dingen. Op z’n montere tweede, “Elvis Perkins In Dearland”, liet hij ons al twee jaar wachten en op weg naar nummer drie verstreken er maar liefst zes volle jaren. Zes…

Gewoon veel en veel te lang eigenlijk. Want ook die derde van ‘m is weer een zeer speciale plaat geworden. Een uitermate bevreemdend geheel, dat zich bij nader inzicht maar moeilijk laat plaatsen. Strange folk, lazen we ergens, maar zelfs dat is niet echt een adequate omschrijving. Dit heeft immers minstens evenveel met pop van doen. Het enige wat ons inziens zou kunnen helpen is met betrekking tot de dertien songs erop een kloek blik aan de sfeer vattende woorden opentrekken. Intimistisch klinkt het regelmatig. Spaarzaam ingevuld is het soms, maar lang niet altijd. Akoestisch idem dito. Vol van vreemde kronkels. Een beetje weird überhaupt. Soms heel erg speels. Elders juist heel erg behoedzaam. ‘n Beetje bezwerend her en der ook. Met licht psychedelische inslag. Kortom: heel erg speciaal, heel erg Elvis Perkins weer. Wat dat laatste dan ook juist moge inhouden…

Op 1 december doet Elvis Perkins de Brusselse Botanique (Rotonde) aan.

Elvis Perkins

 

KODIAK DEATHBEDS “Kodiak Deathbeds” (Affairs Of The Heart / Sonic Rendezvous)

(3***)

De culminatie van een decennium lang aan reizen doorheen diverse bands noemen Derek Fudesco en Amber Webber zelf hun nieuwe project Kodiak Deathbeds. Hij deed het onder meer met The Murder City Devils, Pretty Girls Make Graves en The Cave Singers, zij met Black Mountain en Lightning Dust. Om maar te zeggen, dat de twee zeker geen rookies, geen groentjes zijn.

Met z’n titelloze debuut levert het vanuit Seattle actieve tweetal zo ongeveer hét ideale antidotum tegen de jachtigheid van het leven anno nu. Tien nummers lang parelen ingetogen, als lome waterdruppels over een bewasemde ruit bedaard naar beneden komende gitaarklanken uit de vingers van Fudesco. En al even ingehouden kweelt Webber daar dan fijntjes haar teksten overheen. Geen noot, geen klank teveel. Het er duidelijk mee eens zijnd, dat stil het nieuwe luid is.

O ja… En dan moesten we vooral nog even meegeven, dat het hier door Fudesco en Webber gebrachte “Against The Wind” géén cover van de gelijknamige Bob Seger-hit is. No siree! De twee doen het wel degelijk uitsluitend met eigen materiaal.

Kodiak Deathbeds Bandcamp

 

BRENT BEST “Your Dog, Champ” (Last Chance Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wat hebben we hier – Mag ik zeggen met z’n allen? – vreselijk lang naar zitten uit te kijken? Maar het heeft dan ook nogal wat voeten in de aarde gehad, alvorens “Your Dog, Champ”, het solodebuut van Slobberbone-oergesteente Brent Best ons wist te bereiken. Vele jaren geleden al werd die eersteling voor eigen rekening een eerste keer aangekondigd. Toen kreeg Best op het laatste moment echter last van cold feet. Hij ging eraan twijfelen, of hij al wel genoeg afstand had kunnen nemen van z’n tijd en z’n werk bij Slobberbone. En dus bleef dat materiaal gewoon op de plank liggen. Een tweede poging ging eveneens compleet de mist in, toen de harde schijf waarop dat album zich bevond onverwacht crashte en er ongelofelijkerwijze geen back-up van het afgewerkte materiaal bleek te bestaan.

Maar goed, derde keer goede keer dus! En dus kunnen we nu – Ook al met z’n allen! – uiteindelijk toch uitgebreid genieten van de andere kant van Brent Best. Op “Your Dog, Champ” treedt die immers nadrukkelijk in de voetsporen van zo menig een vermaarde Texaanse storyteller-voorganger. Meer dan ooit focust hij daarop op z’n singer-songwriter-kant.

“At first, I thought it would be just me and a guitar, but I started thinking of things I wanted to add – and who I wanted to bring in to add them,” aldus Best zelve over het ontstaansproces van “Your Dog, Champ”. En wie dat dan uiteindelijk allemaal wel werden, vroeg u? Wel, we noemen hier onder andere Ralph White van de Bad Livers op fiddle en kalimba, Petra Kelly van Hares On The Mountain op viool en Andy Rodgers van de Boxcar Bandits op banjo. En voorts voor de volledigheid ook nog drummer Grady Don Sandlin, bassist Drew Phelps, toetsenist Scott Danbom, pedal steeler Burton Lee en accordeonist Claude Bernard.

Best liet zich voor z’n materiaal naar eigen zeggen vooral inspireren door wijlen de auteur Larry Brown. Daar en nergens anders werd het zaad voor z’n “narrative about a family with deep dark roots and dark secrets, strong bonds and fraying nerves” dus gezaaid. Stuff van het soort, waarvoor dezer dagen graag de termen “grit lit” of “dirty realism” uit de kast worden gehaald. Een heel straf voorbeeld daarvan is openingsnummer “Daddy Was A Liar”. Hoe de protagoniste (Baby) daarin vele jaren na het verlaten van de ouderlijke woonst nog steeds niet uit de loodzware schaduw van haar uitermate gewelddadige vader weet te raken, laat ook na meerdere luisterbeurten nog een knagend gevoel van onbehagen achter. Net als de ballad “Clotine”. Al is het daarin net de moeder, die een blijvend, alles ontwrichtend stempel op de verteller heeft gedrukt: “I’ve never known a woman as mean as the one who brung me and my sister into this world. And I struggled my whole life with the notion of a wife who would not seem inextricable…”

Kan zo onder de W van Wow, dit pareltje!

Brent Best

 

DANNI NICHOLLS “Mockingbird Lane” (Danni Nicholls Music)

(4****)

Als je, zoals de jonge Britse Danni Nicholls voor haar tweede album “Mockingbird Lane”, een beroep mag doen op klasbakken als producer Chris Donahue, je onder meer bekend van zijn werk voor en met The Civil Wars, Elvis Costello, Robert Plant en Emmylou Harris, gitarist Will Kimbrough, drummer Bryan Owings, toetsenist Ralph T Lofton en collega Brandy Zdan (backing vocals), dan weet je eigenlijk vooraf al, dat je met wat goeds bezig bent. Dat je met vertrouwen aan de slag kan. En dat is aan het songelftal op die nieuwe Nicholls-worp duidelijk te horen ook!

Geen wonder eigenlijk, dat de knappe Britse al door zo menig een gerespecteerde Americana act op sleeptouw werd genomen. De voorbije jaren stond ze zo bijvoorbeeld onder meer al als support act voor Angus & Julia Stone, Todd Snider, Jolie Holland, Kim Richey, Jim Lauderdale, Bobby Bare Jr., Otis Gibbs, Mark Olson, Nell Bryden, Tift Merritt en Diana Jones op de planken. Een bepaald indrukwekkend lijstje!

Zelf vindt Nicholls het materiaal op haar tweede wat ruwer, wat gruiziger überhaupt dan dat op de voorganger ervan. “Far more ‘live’ sounding.” En daar valt op de keper beschouwd best wel wat voor te zeggen. Al is het nu ook weer niet zo, dat “Mockingbird Lane” klinkt alsof er aan de afwerking ervan nauwelijks aandacht zou zijn besteed. Allesbehalve dat zelfs. Het is gewoon een lekker natuurlijk tot stand gekomen Americana-geheel. Gebracht door een onwaarschijnlijk passionele zangeres, gezegend met ronduit geweldige fluwelen stembanden. En met een alleraardigst deuntje in de vingers bovendien ook. Alle songs op “Mockingbird Lane” blijken immers Nicholls-originelen. Al kreeg ze bij het pennen van meer dan de helft ervan wel wat schrijfhulp van bekend en minder bekend volk als een Amy Stroup, een Phil Madeira, een Rebekah Powell, een Billy Livsey, een Steve O’Brien, een Tommy Reilly en een Sam Ashworth.

Een aanrader voor wie houdt van een lekker gevarieerde pot Americana op z’n tijd. Van wat country soul, wat folky pop, wat alternatieve country, een rootsy rockertje en dies meer. Voor ons hoe dan ook één van dé ontdekkingen van de voorbije maanden!

(Releasedatum: 23 oktober.)

Danni Nicholls

 

VALLEY MAKER “When I Was A Child” (Brick Lane Records)

(4****)  

“Het schrijven van liedjes is een manier om niet te beantwoorden vragen te benaderen,” aldus de jonge Austin Crane en dat is dan ook exact wat hij doet op z’n nieuwe worp “When I Was A Child”. Nu ja, zijn nieuwe worp… Het gloednieuwe album van z’n bandje Valley Maker eigenlijk. Hun tweede ondertussen, als wij het goed hebben. En echt een fantastische plaat! Als het ware voorbestemd om met name in indie-middens binnen afzienbare tijd hoge ogen te gaan gooien.

De songs ervoor schreef Crane al rondzwervend. Twaalf originelen en evenveel beschouwingen over leven, liefde, dood, geloof, twijfel, tijd en ruimte. Behoorlijk diepzinnig spul dus. Materiaal, waarvoor Crane zich vanzelfsprekend door het leven zelve liet beïnvloeden. En door collega’s als een Bill Callahan (Smog), een Will Oldham (Bonnie “Prince” Billy), een Chan Marshall (Cat Power) en een Jason Molina (Songs: Ohia) ook. Zeker wat betreft de muzikale invulling ervan dan.

Nogal wat van de op “When I Was A Child” gebrachte nummers moeten het hebben van een eerder spaarzame aankleding. Van een stripped down approach, zoals dat dan veelzeggend in het Engels heet. Zelf nam Crane daarbij naast de meerderheid van de zangpartijen ook tal van akoestische en elektrische gitaren, banjo en piano voor z’n rekening. Amy Godwin van haart kant tekende voor fraai harmonieerwerk en wat pianobijdragen, Nathan Poole deed het op de elektrische gitaar en wat percussie-instrumenten, Caleb Weathersby en Wendelin Wohlgemuth drumden en James Gibson en Drew Fitchette waren de bassisten van dienst.

Indie stuff, zoals hoger reeds gesteld, goed gedijend ergens tussen folk, pop en rock en met nadrukkelijk ook een zweempje Seattle over zich. U weet wel, dat immer bewolkte, vaak regenachtige… Heerlijk moody!

(Releasedatum: 25 september.)

Valley Maker, Bandcamp

 

STICK IN THE WHEEL “From Here” (From Here Records)

(4****)

“From Here”, het binnenkort verschijnende langspeeldebuut van het Londense vijftal Stick In The Wheel, is een bijzonder gedurfde spagaat tussen het rijk gevulde Engelse folkverleden en het hier en nu. Een uitermate geslaagde poging om heel wat van hun slapende landgenoten weer eens met de neus op hun tegenwoordig ogenschijnlijk zo goed als volledig vergeten roots te drukken. Zonder zichzelf daarvoor overigens te moeten degraderen tot een retro act pur sang. Dat zeer zeker niet! Het verleden ligt hier bij wijze van spreken gewoon aan de overkant van de straat. En ja, er wordt al wel eens overgestoken, maar men keert altijd even snel weer terug. Het nu is al bij al toch duidelijk the place to be!

Zodoende werd “From Here” een lekker rauw allegaartje. Een samenraapsel van zowel traditionals als eigen originelen. Van zowel heerlijk atmosferisch als wat ritmischer uit de hoek komend spul. Met bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling de lichtjes fantastische Nicola Kearey. Met een stem als die van haar verdien je vroeg of laat een plaatsje in de galerij der groten! Schrijft u dat nu alvast al maar even op!

Tracks als het exemplarische “Champion”, het op licht hyperkinetische wijze de voortdurende afbouw van ons aller rechten aankaartende “Common Ground” en het atmosferische tweetal “By Of River” en “Who Knows” en andere zijn van een dergelijk adembenemende schoonheid, dat we Stick In The Wheel hier prompt zouden durven te promoveren tot Engelands folkhoop in bange dagen.

Een heerlijke plaat gewoon!

(Releasedatum: 25 september.)

Stick In The Wheel        

 

SHANTELL OGDEN “Ghosts In The Field” (Shantell Ogden)

(3,5****)

Album nummer vier voor de vanuit Nashville gestaag aan de weg timmerende Shantell Ogden. Een mini eigenlijk, want er staan helaas maar zeven liedjes op. En ik zeg bewust helaas, want als ze zo goed zijn als die zeven, dan mogen het er graag wat meer zijn. Een mening, waarmee ik kennelijk niet alleen sta, als je weet, dat Ogdens vorige, het hier eveneens beproken “Better At Goodbye”, vorig jaar door de International Music and Entertainment Association werd uitgeroepen tot Americana Album of the Year.

Met het door John Willis geproduceerde “Ghosts In The Field” bevestigt Ogden eigenlijk gewoon nog eens al het goede wat er eerder reeds over haar verteld en geschreven werd. Ze presenteert zich andermaal zeven liedjes lang als een begenadigde zangeres en een al even getalenteerde liedjesschrijfster. Ik dacht terloops bijvoorbeeld aan dames als een Nanci Griffith, een Suzy Bogguss, een Kim Richey en een Trisha Yearwood. U weet wel, dames die een bescheiden commercieel succesje hier of daar niet schuwen, maar die wel altijd waken over de kwaliteit van het door hen gebrachte. Zó mag ik deze Ogden ook graag omschrijven.

Mooi vond ik op “Ghosts In The Field” vooral het nostalgisch rockend het leven op de eigen familieboerderij verheerlijkende titelnummer, het op zomers speelse wijze een coup de foudre bezingende “Just A Little” en het verhalende duo “Blossom In The Dust” en “God Counts Every Tear”.

Shantell Ogden

 

THE GRAHAMS “Glory Bound” (12 South Records)

(4,5*****)

Dat de Grahams het met hun nieuwe album “Glory Bound” inmiddels reeds tot in de prestigieuze AMA Chart hebben geschopt, verbaast ons absoluut niet. Die door de je misschien wel van z’n recente werk met onder anderen John Fullbright (Hier overigens ook zelf van de partij!) en Parker Millsap bekende Wes Sharon geproduceerde derde van het duo zou immers zelfs de meest kritische Americana-liefhebber ogenblikkelijk overstag moeten kunnen doen gaan.

De twaalf door het duo samen met Bryan McCann gepende songs erop bestrijken alvast nogal wat terrein. En dat hoeft gezien de bijzondere ontstaansgeschiedenis ervan niet eens te verwonderen ook. Lieten de Grahams zich voor de songs op voorganger “Riverman’s Daughter” nog inspireren door de Mississippi’s Great River Road dan waren ditmaal de Amerikaanse spoorwegen voor een “song-crafting expedition” aan de beurt. Met voornamelijk het Zuiden als inspiratiebron voor nieuw songgoed.

Dat blijkt gelijk al in het wervelende openingsnummer. Doorheen dat liedje, het echt wel onwaarschijnlijk catchy countryrockende titelnummer, waren nadrukkelijk de geesten van Gram en Emmylou rond. Beter worden ze dezer dagen als je ’t ons vraagt gewoonweg niet meer gemaakt… En da’s dan alleen nog maar het openingssalvo! Via het lekker smeuïge, op een bepaald niet te versmaden blues groove surfende “Gambling Girl” gaat het vervolgens naar ons gevoel onder meer nog over de beklemmende folky story song “Blow Wind Blow”, de country soul ballad “Lay Me Down”, de rete-aanstekelijke countryswinger “Kansas City”, het nadrukkelijk roots in het gospelgenre verradende “Mama”, de ongemeen passioneel gebrachte alternatieve countrytrage “The Wild One” en de uit zo ongeveer elke porie Tex-Mex ademende border song “Borderland” veel te snel weer richting uitgang. Echt waar, dit setje werkt instant-verslavend! Eén keer beluisteren en je bent gegarandeerd verkocht!

Waar wij wonen noemen ze zoiets een dikke plaat!

(Releasedatum Europa: 2 oktober.)

The Grahams

 

TOKYO ROSENTHAL “Afterlife” (Rock & Socks Records)

(3,5****)

Wij hebben het hier wel voor deze Tokyo Rosenthal. Zes albums lang nu al bewijst de beste man immers z’n plaatsje tussen de beste Americana singer-songwriters anno nu waard te zijn. Z’n liedjes zijn werkelijk puntgaaf, z’n teksten zijn ook al hoogst onderhoudend en dan is er nog die warme hese stem van ‘m. Neen, ons hoor je hierover absoluut niet klagen!

Wij genieten graag met volle teugen van dingen als het folky “The Bunkhouse”, het daar al fluitend aan vast geplakte en er ondanks a touch of pop ook uitstekend op aansluitende “Bury My Ashes”, het ons met z’n intro even aan “Under Pressure” van Queen en David Bowie herinnerende rootsopdondertje “Shreveport”, het onder meer accordeongewijs met wat Tex-Mex-gevoel gekruide “The Cold War”, het ergens in de buurt van Butch Hancock strandende “Back Stage Hotel”, de fraaie trage “The Pearl” en vooral ook titelnummer “Afterlife”.

U heeft het goed begrepen: opnieuw een aanradertje, deze bij wijze van een video van het nummer “Cold War” ook nog met een extraatje gezegende opvolger van “Tokyo’s Fifth”. Net als al z’n voorgangers eigenlijk…

Tokyo Rosenthal, CD Baby

 

BRAD ABSHER & SWAMP ROYALE “Lucky Dog” (Montrose Records)

(4****)

Al van in de begindagen van z’n carrière wordt de Amerikaan Brad Absher door hen die ‘m kennen uitvoerig bewierookt. Met z’n “old school R&B with a twist of new” sloeg hij dan ook vrijwel onmiddellijk spijkers met koppen. Bevoorrechte getuigen daarvan zijn onder meer de albums”Find You Tonight” uit 1998, “Halfway” uit 2002 en “Gulf Coast Soul” uit 2005. De twee laatsten dezer dagen compleet umsonst te downloaden via CD Baby. Later nog gevolgd door “Big Shugga” in 2010.

Dat Absher ondertussen nog niet minstens even bekend is als muzikale geestesverwanten als pakweg een Delbert McClinton of een John Hiatt mag eigenlijk verwondering wekken. Aan de kwaliteit van z’n materiaal zal het alvast zeker niet gelegen hebben. Dat bewijst ook het door hemzelf samen met z’n nieuwe labelbaas Richard Cagle en basvirtuoos Larry Fulcher geproduceerde “Lucky Dog” weer. Een plaat, waar nu eens niks, maar dan ook echt niks op aan te merken valt. Een waar feest voor de oren!

Zes eigen nummers brengt Absher daarop en covers van Bill Withers’ “Same Love”, William Bells “You Don’t Miss Your Water”, Leon Russells “I’d Rather Be Blind”, Allen Toussaints “Lipstick Traces” en de traditional “Jesus On The Mainline”. Het dan nog resterende “Trouble” is van de hand van de al genoemde Fulcher en Tony Braunagel. Het beste uit blues, R&B, soul en gospel in één enkele pot! Het resultaat? Een buitengewoon smaakvolle gumbo, gedragen door met name de her en der aan die van Bill Withers en Lou Rawls herinnerende stem van Absher zelf en z’n ook al buitengewoon warmbloedige gitaarspel. Aangevuld met knappe Hammond- en pianobijdragen van Barry Seelen, bevlogen blaaswerk van Andy Saad, Anthony Terry en Kyle Turner (tenor- en baritonsaxen) en dito bas- en drumpartijen van Larry Fulcher en Mike Patton goed voor ruim achtenveertig minuten Swamp Royale.

Bijrolletjes zijn er daarbij verder ook nog voor Nicoya Prolar en Ed Starkey (zang), Samantha Banks (percussie) en Brian Thomas (pedal steel in de bloedmooie country-soulsleper “Not Tonight”).

Echt een aanrader van formaat, deze plaat!

Brad Absher, CD Baby

 

JOHN CEE STANNARD & BLUES HORIZON “Stone Cold Sober” (CastIron Recordings)

(3,5****)

Nauwelijks een jaar na z’n vorige worp, het ook al fijne “Bus Depot Blues”, slaat de Brit John Cee Stannard ons al opnieuw met een knappe collectie nieuwe songs om de oren. Een collectie, die hij ook nu weer met het duo Blues Horizon inblikte. Met Mike Baker op akoestische en elektrische gitaren en Howard Birchmore op mondharmonica dus. En uiteraard opnieuw aangevuld ook met de tijdens de opnamen van z’n vorige al zeer nuttig gebleken bassist Andy Crowdy en drummer Julian Brown. Simon Mayor (viool en mandoline), Matt Empson (piano), Roger Cotton (Hammond) en Nicole Johnson (backing vocals) vervolledigen het geheel.

Met z’n allen rakkeren zij doorheen elf nieuwe Stannard-originelen en een fijne cover van Blind Blake’s “Lead Hearted Blues”. Een heerlijk diverse pot blues met de nadruk vooral op het akoestische is het resultaat. Variërend van wervelend en extreem catchy tot eerder terughoudend. Van gemaakt vrolijk rondstuiterend zoals in opener “I Don’t Want You Anymore” tot bedaard schuifelend zoals in het door secondant Birchmore van een fraai streepje harmonica voorziene “Don’t You Worry None ‘Bout Me”, van op smaak gebracht met overduidelijke gipsy-jazz-invloeden zoals in “The Story” tot heerlijk swingend zoals in het rete-aanstekelijke “Rum Ol’ Do” of juist heel ingehouden groovend zoals in het jazzy “So Long”.

Hadden we dan nog niet gehad: het uitermate sympathieke stampertje “Stone Cold Sober”, het voornamelijk van het bepaald swampy aandoende sfeertje erin levende “Poverty Blues”, het enigszins grimmig uit de hoek komende terug-naar-af-verhaal “Right Back At The Start”, de slow shuffle “Worse Off Than You”, de ongemeen sfeervolle trage “Dream The Blues” en het mede door een fijne vioolcontributie van Simon Mayor de feestelijkheden op hoogst aangename wijze afsluitende “This Rag Of Mine”.

Voor de productie van “Stone Cold Sober” tekende Stannard zelf.

Foot-tapping good!

John Cee Stannard

 

KEVIN SEKHANI “Day Ain’t Done” (Louisiana Red Hot Records)

(4,5*****)

“Day Ain’t Done” is de titel van het debuut van Kevin Sekhani. “Kevin wie?”, vroeg u? Welnu, Kevin Sekhani. Een veteraan op jaren van het muziekgebeuren in Austin en verre omstreken, maar sinds een jaar of vijf weer gewoon back home in Lafayette, Louisiana, alwaar hij het sindsdien voor het zeggen heeft bij de lichtjes fantastische Mercy Brothers. U weet wel, die van het geweldige “Holy Ghost Power!” van goed en wel een jaar of twee geleden! Díe Kevin Sekhani dus…

Die slaat ons nu om de oren met een geweldig sympathiek album. Echt barstend van de joie de vivre. En heerlijk rootsy ook. Met lekker veel ruimte voor instrumenten als akoestische gitaar, resonator, fiddle, mandoline en accordeon. Songgewijs heen en weer pendelend als het ware tussen z’n voormalige wahlheimat en z’n huidige “echte” thuis. Het ene moment behoorlijk nadrukkelijk herinnerend aan figuren als de jonge Steve Earle en Joe Ely, het andere compleet de vrije loop latend aan de Cajun die er ergens daarbinnen overduidelijk in ‘m schuilgaat.

Titelnummer “Day Ain’t Done” is zo’n wervelwind Louisiana style. Alsof de Sir Douglas Quintet voor een rondje Cajun-vermaak loosging, zoiets. En ook het daaropvolgende, op bedaarde wijze verhalende “Carol Ann” heeft weer die typische bayou vibe. Zij het dan ook wat meer ingehouden. Eerste single “Jimmy” is vervolgens naar eigen zeggen dan weer Sekhani’s gooi naar een tijdelijk stekje op de bühne van de vermaarde Grand Ole Opry. Met het sombere “Wrong Direction” belanden we meteen daarna in de buurt van singer-songwriters als Earle en co. En daar blijven we ook met het als eerbetoon aan alle arbeiders actief in de olie-industrie opgevatte “Oilfield Tan” nog even, alvorens met “Jump Right Back” het dak er al swingend weer enkele tellen lang af mag.

Het mistroostige countrydeuntje “Ballad Of A Lonely Clown” maakt even later z’n titel helemaal waar. En met het sympathiek twangende “The Higher I Get” lijkt John Mellencamp voorwaar even in Louisiana te zijn neergestreken. Verdomd catchy spul, dat nummer! Resten er ons dan nog: de melodieuze love gone wrong song “Walk Away From Me”, het samen met onder meer Bill Carter en Andrew Duplantis gepende roots-stompertje “Burial Ground”, het bij nader inzicht bedrieglijk opgewekte “The Kiss” en de fraaie afsluitende poppy countryrocker “Sumner Street”.

Het moge ondertussen al even meer dan duidelijk zijn: deze Sekhani kan zelfs op z’n debuut al met de allerbesten mee. Een dikke aanrader zonder meer, dat “Day Ain’t Done”!

Kevin Sekhani, Louisiana Red Hot Records

 

THE SIDESHOW TRAGEDY “Capital” (Old Soul Records / CRS)

(3,5****)

The Sideshow Tragedy is een uit Nathan Singleton (zang, versterkte en akoestische National-resonator- en baritongitaren) en Jeremy Harrell (drums, percussie en backing vocals) bestaand indie blues-roots-rock duo uit Austin, Texas, dat er op z’n vijfde album “Capital” verdomd heftig invliegt. Onvoorstelbaar welk een oerkracht er daarbij van de twee uitgaat! The house is on fire, baby!

Primitieve garagerock met uitschieters richting roots rock, R&B en Delta blues vormt daarbij de hoofdmoot. Heftig, rauw, veelal door merg en been gaand. Heerlijk agressief! Al mag het tempo her en der ook wel eens even wat naar beneden. Ruw blijft het echter te allen tijde. Met de krassende zang en de virtuoze snarenescapades van Singleton quasi voortdurend up front and center.

Onze luistertips: het als Lou Reed in een manisch-depressieve bui op de koffie bij de North Mississippi Allstars klinkende titelnummer, het ons best wel wat aan het kalmere werk van Paul Westerberg en The Replacements herinnerende “Animal Song” en vooral ook de machtige, de niet geringe resten moddervette Delta-klei hyperkinetisch van zich afstampende bluesrockknaller “Two Guns”.

Voor de productie van “Capital” tekende Kenny Siegal.

(The Sideshow Tragedy treedt op zondag 1 november op in cultcafé OPCD in Ardooie.)

The Sideshow Tragedy, Continental Record Services

 

NANCARROW “Simple Things” (Randm Records)

(4****)

Nu Dwight Yoakam ons op z’n oude dag altijd maar langer laat wachten op nieuw materiaal moeten we welhaast op zoek naar valabele alternatieven. En eentje hebben we er alvast gevonden. Bij Nancarrow meer bepaald. Een buitengewoon sympathiek collectiefje rond de aan de band z’n naam verlenende zanger-songsmid Graham Nancarrow, dat met “Simple Things” na “Valley Of The Deer” uit 2012 en het hier vorig jaar nog besproken “Heart” ondertussen al aan z’n derde cd toe is.

Groot verschil met die beide voorgangers is de aanwezigheid van de je ongetwijfeld ook wel van z’n rol binnen acts als Hot Rod Lincoln en de Bastard Sons Of Johnny Cash bekende gitarist Buzz Campbell. Die vervangt op “Simple Things” Tommy Andrews. Ook nieuw aan boord is toetsenist Joey Guevara.

Verder echter vooral veel vertrouwde geluiden hier. Met name die van authentieke old school country. Veertig minuten twang à volonté als het ware. Van het zomers nostalgische “Sprinklers” over de zwierig swingende oorwurm “15 Til 40”, het fijntjes wegrockende “Tennessee” en de echt wel op z’n Dwights gecroonde ballad “Room For You” tot het rootsy rockende “Summertime”, van de combinatie van cheating en murder song “25 To Life” over de eigentijds ingevulde honky-tonk van het titelnummer, het al even dartele “Goldie Girl”, de al bij al wat meer naar het alternatieve neigende country van “California Plates”, het als border song met dringend nood aan wat Rilatine gepresenteerde “Maria” en het al bijna even hyperkinetische “Fishin’” tot het afsluitende “Elvis”, een ronduit heerlijk eerbetoon aan het adres van wijlen The King of Rock & Roll, hier word je als liefhebber van “het echte spul” nog uitgebreid op je wenken bediend.

Nancarrow, Randmrecords

 

ANTUN OPIĊ “Shovel My Coal” (Antun Opiċ)

(3,5****)

Als u ooit verlegen komt te zitten om een voorbeeld om de term eclecticisme aan iemand mee uit te leggen, dan zou de EP “Shovel My Coal” van de Duits-Kroatische singer-songwriter Antun Opiċ wel eens prima diensten kunnen bewijzen. De hoeveelheid aan elementen uit verschillende stijlen, die in de vier nummers daarop aan bod komt, grenst immers zowat aan het abnormale. Met als resultaat wereldmuziek van het genialere type. Experimenteel tot en met, maar verrassend genoeg ook behoorlijk catchy.

Django Reinhardt style gitaarkunstjes, quasi gerapte “dramzang”, beurtelings soulvol dan wel jazzy kopergeschetter, même  un petit mot en français in titelnummer “Shovel My Coal”, creepy rock, soundtrack-aspiraties, een permanent gevoel van onbehagen überhaupt in “The Journalist”, flamencogitaarpassie, hypnotische declameerzang à la Brecht & Weil, brass band music, exotisch snarenwerk genre een Marc Ribot en een oriëntaalse passage in “Hide & Seek”, het kan hier echt voortdurend alle kanten uit.

Enkel het soulvol gecroonde “Come With Me” voelt hier een beetje aan als de spreekwoordelijke vreemde eend in de bijt. Al was het alleen al maar omdat Opiċ zich daarin voor één keer wel stijlvast toont.

Bepaald intrigerend spul!

Antun Opiċ

 

BIANCA CARUSO “Bravado” (Randm Records)

(4****)

Eerste soloplaat van één helft van het je misschien ook al wel bekende duo Freddy & Francine uit L.A. en wat voor één! In een productie van Mike Butler verkent Bianca Caruso daarop nogal wat (Americana)terrein. Maar bovenal toont ze zich een verbluffend goede zangeres. Eentje van het type met stembanden zo lenig als een keurturnster op haar top.

Eerste halte op “Bravado” is het titelnummer. Lots of twang, een catchy ritme en de quasi direct tot de verbeelding sprekende pipes van La Caruso doen je als luisteraar voorwaar heel even terugdenken aan de jonge Neko Case. Vervolgens is er “Rodeo”. Prachtige country soul met bij wijze van meerwaarde lekker veel steel erin. Het heerlijk onderkoeld gebrachte “Lonesome At Last” dan. Lee Hazlewood, Ennio Morricone, Calexico, Lana Del Rey. Die kontreien, zoiets… Zalig nummer hoe dan ook.

Het met gitarist Lee Ferris gedeelde “I Wanna Go Home With You” is vervolgens bedaarde schuifel-Americana met een wel zeer groot hart, “Blue On Blue” zoekt het wederom richting fijne country soul, “Baby Got Stopped” vertaalt op even knappe als catchy wijze een sixties R&B-motiefje naar het hier en nu en “Maggie’s Silver Mine” is niets minder dan een wolk van een doorleefde rootsy pop-pianoballade.

“Speechless” blijkt meteen aansluitend daarop nog zo’n kristalhelder vertolkte trage, die je als luisteraar inderdaad enkele tellen lang sprakeloos achterlaat, “Don’t Lose Your Head” stoeit met een cabaretesk ritme een aardig eindje weg woestijnwaarts en met het afsluitende “Replacing You” croont Caruso zich nog één laatste keer tot diep, diep in ons aller harten.

Dit horen is het allicht ook onverwijld kopen! Moest u maar eens proberen…

Soundcloud Bianca Caruso, Randm Records

 

BIG LAZY “Don’t Cross Myrtle” (Tasankee Records)

(4****)

Voor wie wel eens wat anders wil, kwam er onlangs met “Don’t Cross Myrtle” van het vanuit The Big Apple actieve drietal Big Lazy een waar godsgeschenk vanuit de hemel neerdwarrelen. Een bescheiden meesterwerkje eigenlijk. Werkelijk tot de nok toe gevuld met even aparte, als aantrekkelijke instrumentals. Elf mini soundtracks als het ware. Guitar noir, vrij naar een album van Steve Hackett uit 1993.

Wat Stephen Ulrich (gitaren), Yuval Lion (drums), Andrew Hall (akoestische bas) en een handvol gasten (op respectievelijk schuiftrompet, baritonsax, accordeon, orgel en percussie-instrumenten) hier elf songs lang afleveren overstijgt bij nader inzicht zo ongeveer elke vorm van hokjesdenken. Dat gruizige Americana in veel gevallen het uitgangspunt vormt, akkoord, maar hier gebeurt toch nog zoveel meer! Exotische Latin-invloeden, wat blues en R&B, creepy achterbuurten-jazz en ook de meer gesofisticeerde genrevariant, die o zo typische Duane Eddy twang, het surfgeluid van Link Wray, wat Santo & Johnny en Hank Marvin bij tijd en wijle ook, wat functionele reverb, je zegt het maar. Een wonder eigenlijk, dat de heren erin slagen om aan zulk een rijkdom aan aardig uiteenlopende invloeden toch één samenhangend geheel te ontlokken. Iets wat als je het ons vraagt in zeer grote mate te danken is aan het fenomenale gitaarspel van Ulrich.

Leeft de muziek van Big Lazy als geheel voornamelijk van haar filmische, überhaupt extreem evocatieve karakter, dan moeten de snaren van Ulrich het vooral hebben van hun narratieve kwaliteiten. ’s Mans vingers en het door hen met veel gevoel beroerde staal vertellen als het ware verhalen. En ze maken zo als het ware elke vorm van zang compleet overbodig.

Bij hoogdringendheid te ontdekken!

Big Lazy 

 

GILMORE & ROBERTS “Conflict Tourism” (GRI Records / Proper)

(4****)

Het uit Katriona Gilmore en Jamie Roberts bestaande duo Gilmore & Roberts is verreweg één van de interessantste Engelse folk acts van de jongste jaren. De twee zijn beiden uitstekende songwriters, hebben ook beiden knappe stemmen en kunnen bovendien een aardig eindje uit de voeten op respectievelijk fiddle en mandoline en diverse gitaren. Maar als er één iets is waardoor ze zich pas echt van heel wat andere acts uit het genre anno nu onderscheiden, dan is het wel hun bereidheid om folk een serieuze facelift te verlenen.

Conflictsituaties vormen daarbij ditmaal de rode draad doorheen het tekstgoed van de twee. “Conflict is universal – everyone, everywhere, experiences it every day, in its smallest forms,” aldus Gilmore in een persoonlijke kanttekening daarbij. “We liked the idea of being tour guides through a minefield of different decisions and drama.” En van die taak kwijten ze zich hier met brio.

De nerveus stotterende mandoline van Gilmore gidst ons op haar beurt in het hyperkinetische folkpopkleinood “Cecilia” richting ruim vijfenveertig minuten nieuw moois van de tandem. Moois dat verder onder meer ook nog het ronduit adembenemende streepje hypnotische folk “Jack O Lantern”, de in bijna perfect contrast met z’n titel en mede door een knappe dobrobijdrage van Phil Henry erin wat richting Americana overhellende “stille” “She Doesn’t Like Silence”, de door Roberts gedragen ballade “Selfish Man”, het voorwaar zelfs even met wat rockattitude op smaak gebrachte mijnwerkersverhaal “Stumble On The Seam” en het ook al erg jachtige “Peggy Airey” omvat.

Hoogst origineel allemaal en vooral ook verdomd goed!

(Releasedatum: 18 september.)

Gilmore & Roberts

 

HARPETH RISING “Shifted” (Grimm Rising)

(4****)

U bent liefhebber van het betere stemmen- en snarenwerk? Dan zit u bij het uit Jordana Greenberg (zang, viool, koebel, djembe en triangel), Rebecca Reed-Lunn (zang, banjo, tamboerijn, koebel en shaker) en Maria Di Meglio (zang, cello, bass drum en cajon) bestaande trio Harpeth Rising goed. Dat drietal, dat u net als ons waarschijnlijk ooit nog leerde kennen op een plaat van songsmid Tim Grimm, is met het zopas verschenen “Shifted” inmiddels al aan zijn vijfde worp toe. En wat voor één! Eén lang gerokken feest voor liefhebbers van elkaar op uitzonderlijke wijze aanvullende stemmen en dito rootsy snarensnoepgoed.

De dames doen het daarop ditmaal met negen eigen liedjes van kopstuk Jordana Greenberg, eentje van de hand van haar vader David Greenberg (“The Raid”), eentje door schone Greenberg gepend met haar ouweheer (“Seven Thunders”) en een cover van een nummer van Leonard Cohen. En dat laatste liedje is om nogal voor de hand liggende redenen meteen het meest in het oog springende van het geheel. Die aardig naakte versie van Cohens “Dance Me To The End Of  Love” zou zomaar eens kunnen gaan zorgen voor flink wat radioaandacht. En dat zelfs hier te lande.

Maar eigenlijk valt er hier nog zoveel meer te beleven! De speelgrage Harpeth Rising-drieling horen heen en weer laveren tussen folk, newgrass, rock en klassiek in “I Am Eve (I Am The Reason)” bijvoorbeeld, ze vervolgens zonderling soulvol laten surplacen in “Fortune”, jazzy in het rond laten hoppen in “Good Ideas” en net niet a capella laten excelleren in het verstilde “Proof”. We noemen zomaar wat op.

Verdomd schoon plaatje!

Harpeth Rising

 

DELTA MOON “Low Down” (Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)           

Als we het hier goed hebben dan zijn de bluesrockveteranen van Delta Moon – Live-albums meegerekend! – met hun nieuwe “Low Down” inmiddels al aan hun tiende worp toe. Een soortement van jubileum dus. En dat vieren zanger-gitarist Tom Gray en de zijnen gelijk maar met hun allerbeste plaat tot op heden. Weer vol met moerasblues van het allerlekkerste soort!

Twaalf liedjes staan er in totaal op. Liefst zeven daarvan van de hand van kopstuk Gray. En nog eens twee verdere pende hij samen met groepsmaatjes Mark Johnson en Franher Johnson. De resterende drie zijn covers. Om te beginnen al van het door Tom Waits met z’n wederhelft Kathleen Brennan gepende titelnummer. En voorts ook nog van Bob Dylans “Down In The Flood” en Skip James’ “Hard Time Killing Floor Blues”. Nummers die in hun Delta Moon-uitvoeringen naadloos aansluiten bij de eigen originelen.

“We call it a voice, a groove and two slide guitars,” aldus die van platenlabel Landslide Records met betrekking tot het hier gebrachte en daarmee vatten ze het geheel op de keper beschouwd eigenlijk wel aardig adequaat samen. Ergens tussen Tony Joe White, JJ Cale en CCR zijn dat immers inderdaad zowat de voornaamste ingrediënten van het geluid van Delta Moon. Met name dan die twee fameuze slidegitaren, van respectievelijk Tom Gray en Mark Johnson. Ouderwets lekker gewoon!

Onze zoals altijd al en dus ook nu weer onverbintelijke luistertips: het zalig groovende “Jelly Roll”, het sympathiek schokschouderende “Afterglow” en de al genoemde Waits-cover. Vanwege drie staaltjes blues & roots van de bovenste plank!

Delta Moon, Landslide Records

 

BARNA HOWARD “Quite A Feelin’” (Loose Music / Bertus)

(5*****)

Met deze tweede van Barna Howard hebben we er weer eentje bij voor op onze shortlist met de beste albums van 2015! Wat de ondertussen van Eureka, Missouri naar Portland, Oregon verkaste troubadour op dat nieuwe album van ‘m doet, is immers van een werkelijk tijdloze klasse. Tien hoogst charmante Americana songs staan erop, waarin hij bedaard, op z’n Townes Van Zandts, z’n Kris Kristoffersons, z’n Gordon Lightfoots of z’n John Prines bijna, om zich heen kijkt in z’n nieuwe leefomgeving of met weemoed terugdenkt aan z’n vroegere.

Het leven in kleine stadjes als dankbare bron van inspiratie dus. Zeker niks nieuws onder de zon in het countrygenre. Maar de manier waarop Howard het hier allemaal brengt, die spreekt toch ongelooflijk aan. Met name z’n capaciteit om het persoonlijke naar voor iedereen herkenbare situaties te vertalen doet het hem voor ons. Dat is naar onze bescheiden mening alleen de hele groten gegeven!

Laat je daarom net als ons verleiden door Howards sonore geneuzel tegen een achtergrond van vaak niet meer dan wat snaren. Akoestische en soms ook wat zachte elektrische gitaar, banjo, mandoline en pedal steel meer bepaald. Occasioneel ook wat bedeesde toetsen, bas en drums, maar dat is het dan ook echt.

Je waant je verdorie zo terug in de vroege jaren zeventig… Echt wel bloedmooi, hoor!

Barna Howard, Loose Music

 

CROOKED BROTHERS “Thank You I’m Sorry” (The Instrument Village / Rough Trade)

(3,5****)

Deze zagen we een klein jaar geleden via importkanalen voor het eerst al eens opduiken, maar nu wordt er eindelijk ook hier werk gemaakt van een degelijke distributie en promotie. En zo hoort het eigenlijk gewoon ook! Want gelooft u ons vrij, deze oneigenlijke broers zijn uw aandacht meer dan waard. Zo’n vierendertig minuten lang serveren Jesse Matas (harmonica, mandoline, gitaren, piano en zang), Darwin Baker (dobro, harmonica, trombone, gitaar en zang) en Matt Foster (banjo, gitaren en zang) immers ook op hun ondertussen derde weer Americana van de bovenste plank.

De urban folk van het drietal uit het Canadese Winnipeg blijkt andermaal een aantrekkelijk samengaan van elementen uit genres als folk, country, blues en rock. Met opnieuw die fameuze spagaat tussen de grote stad en het platteland ook. Bij momenten ijl en breekbaar, elders beklemmend tot zelfs ruw-rauw. Heerlijk gevarieerd alleszins.

Wat ons vooral aantrok in deze negen nieuwe Crooked Brothers originals: de zalige donkere stem van Matt Foster, de prima samenzang tussen de “3 broers” en hun te allen tijde strikt liedgerichte benadering van hun instrumenten. Hun functionele virtuositeit, zeg maar.

Onze luistertips: de door de pedal steel van gast Eric Lemoine echt ongemeen sfeervol uitgevallen sleper “Blackbird In The Snow”, het “ingehouden uitgelaten” streepje rammelend rootsy liefdesadvies “Pass You By” en het nachtelijk bluesy gekleurde “Organs On Demand”. Al was het alleen al maar, omdat je aan één enkele beluistering van die drie tracks een vrij goed idee van het totaalplaatje van “Thank You I’m Sorry” overhoudt.

(Op 13 september aanstaande zakken de Crooked Brothers af naar de Cowboy-Up in Waardamme.)

Crooked Brothers

 

ROD PICOTT “Fortune” (Welding Rod Records / Lucky Dice Music)

(4****)

“I wanted to make a record where we captured performances, as opposed to imitating performances,” aldus singer-songwriter Rod Picott over z’n gloednieuwe plaat “Fortune”. En in dat opzet is hij wonderwel geslaagd, mag je wel zeggen. Met de twaalf nieuwe liedjes erop benadert hij immers daadwerkelijk zeer dicht z’n door zo velen erg gewaardeerde live-prestaties. Met dank onder meer aan Neilson Hubbard, met wie Picott de productie van het album deelde.

Gelijk van bij het met een fijn streepje mondharmonica en dito gitaargetokkel op smaak gebrachte openingsnummer “Maybe That’s What It Takes” weet je als fan ogenblikkelijk, dat er de komende veertig minuten iets heel moois op je af te komen staat. Prachtig gewoon, hoe Picott in dat nummer op een ontspoorde relatie terugblikt. Met een gevoel van wat komen moest, dat kwam gewoon zingt hij in die veritabele beauty z’n zwaarmoedige gevoelens van zich af. Een eerste ontmoeting met het eigen lot met andere woorden. Zoals de titel het eigenlijk al wel een beetje voorspelde.

En dat lot speelt ook verderop een onmiskenbare rol in de teksten van Picotts liedjes. Het lot van de onfortuinlijke “Jeremiah” bijvoorbeeld, een Amerikaanse soldaat die Irak niet wist te overleven. Of dat van zonderling “Uncle John” en z’n familie. Of dat van hemzelf en “Alicia”. Nog maar eens een terugblik op een met pijn in het hart afgesloten liefdesrelatie.

Sommige van de liedjes op “Fortune” schreef Picott naar goede gewoonte weer niet in z’n eentje. Buddy Slaid Cleaves was uiteraard weer tot enkele nummers bereid. Meer bepaald het enigszins bezwerend, enigermate swampy ook uit de hoek komende “Until I’m Satisfied” en het lichtjes fantastische “Drunken Barber’s Hand”. “I don’t need to read the news or the tea leaves to understand, that this world’s been shaved by a drunken barber’s hand,” luidt het daarin bepaald veelzeggend. Quasi berustend wrijven Picott en Cleaves ons daarin onder de neus, dat er daarbuiten eigenlijk niet zo heel erg veel meer gebeurt wat al niet eerder gebeurd is. En al wist je dat natuurlijk ook zelf wel, toch is het nog even slikken, als het door iemand zo onomwonden gesteld wordt…

Andere schrijfpartners waarop Picott voor de gelegenheid mocht terugvallen waren de extreem getalenteerde Ryan Culwell en Ben Glover. Met de eerste schreef hij het bedaarde “Spare Parts”, het misschien wel allermooiste liedje van allemaal hier. Met Glover tekende hij voor het titelgewijs ook al niet al teveel meer aan de verbeelding overlatende “This World Is A Dangerous Place”.

Verdere betrokkenen bij dit prachtalbum waren naast de al genoemde Neilson Hubbard onder meer ook nog Will Kimbrough, Lex Price en Joshua Britt.

Rod Picott, Lucky Dice Music

 

WARREN HAYNES FEATURING RAILROAD EARTH “Ashes & Dust” (Provogue / Mascot Label Group)

(4,5*****)

Door de jaren heen heeft Warren Haynes al veelvuldig bewezen zich vrijwel probleemloos aan om het even welke hem voorgeschotelde muzikale context te kunnen aanpassen. Zowel bij de Allman Brothers, de Grateful Dead, Gov’t Mule als in tal van andere bands ging daarbij echter zo goed als altijd de aandacht naar zijn elektrische gitaarspel. En dat terwijl de beste man ook op de akoestische een alleraardigst eindje uit de voeten kan. Iets wat hij met name live zo nu en dan graag etaleren mag. En nu eindelijk ook (weer) eens op plaat, vandaar deze inleiding.

De songs die Haynes voor z’n nieuwe worp aandroeg lijken überhaupt meer te willen focussen op z’n singer-songwriterkant. Zelf gordde hij daartoe de akoestische om en voor zo goed als al de rest zorgen die van Railroad Earth. Die zes man sterke newgrass jam band uit Stillwater, New Jersey bestaande uit Todd Sheaffer, Tim Carbone, John Skehan, Andy Goessling, Carey Harmon en Andrew Altman zorgde voor een bijzonder verfijnde akoestische invulling van Haynes’ nieuwe schrijfsels. Met bijdragen op onder meer fiddle, banjo, mandoline, dobro, diverse gitaren, staande bas en drums vullen zij met verve zo ongeveer elk door de man gelaten nisje op. En dat resulteert in een onwaarschijnlijk mooie collectie songs, die meer dan ooit de echte rootsartiest in Haynes voor het voetlicht haalt.

Net geen tachtig (!) minuten lang bestrijken de snarengod en z’n gasten daarbij nogal wat terrein. Americana mag als allesomvattende omschrijving uit de kast, maar zegt op de keper beschouwd eigenlijk veel te weinig over de rijkdom aan stijlen die we op “Ashes & Dust” aantreffen. Van vioolgestuurde roots rock (“Is It Me Or You”) en soulvolle Southern rock (“Coal Tattoo”) over gypsy folk (“Blue Maiden’s Tale”) en lekker melodieuze country rock (“Company Man”) gaat het hier tot singer-songwriter country pur (“New Year’s Eve”), blues met z’n wortels ergens diep in New Orleans (“Stranded In Self-Pity”), Americana (“Glory Road”), een ronduit zalige desert country duet cover van Fleetwood Macs “Gold Dust Woman” met de lichtjes fantastische Grace Potter, jam band-georiënteerd spul als “Beat Down The Dust” en wel meer. Enfin, aan variatie zeer zeker geen gebrek dus!

En misschien is dat wel net hét sterkste punt van “Ashes & Dust”. Dat gegeven, Haynes’ warmbloedige zang en ongemeen virtuoze snarenbenadering en het elkaar ongelooflijk goed aanvoelen van alle betrokkenen maken van ’s mans nieuwe worp alleszins één van de meest opvallende uit z’n nochtans meer dan goed gevulde loopbaan. Als ik eerlijk mag zijn: ik vind het eigenlijk zelfs gewoon z’n allerbeste tot op heden. Warm aanbevolen van hieruit derhalve dan ook!

Warren Haynes, Mascot Label Group

 

BETH MCKEE “Sugarcane Revival” (Swampgirl Music / Sonic Rendezvous)

(4****)                

Wat een lekkere plaat is me dit, zeg! Zalig gewoon… Zonder enige vorm van voorbehoud aan te bevelen aan liefhebbers van het werk van madammen als een Bonnie Raitt, een Brigitte DeMeyer en een Susanne Tedeschi. Als roots rock singer songwriter & piano player presenteert Beth McKee zichzelf op haar eigen webstek, maar dat mag ze wat ons betreft stante pede aanvullen met de omschrijvingen swampy en soulful. Wat een stem! Lijkt wel een kruising tussen de al genoemde Bonnie Raitt en Carole King!

McKee is met het zonet verschenen “Sugarcane Revival” aan haar derde soloplaat toe. Eerder verschenen ook al “I’m That Way” (2008) en “Next To Nowhere” (2012). Het eerste een eerbetoon aan Louisiana songwriting legend Bobby “See You Later Alligator” Charles, nummer twee de plaat waarmee zich al aardig wat meer deuren voor het voormalige Evangeline-lid openden. En deze derde, die mag wat ons betreft de plaat van haar grote doorbraak gaan worden.

Dertien nummers staan erop. En dat blijken uitsluitend McKee-originelen. Al moet je dat laatste wel met een korrel zout nemen. Heel wat van de nummers schreef ze immers samen met multi-instrumentalist Tony Battaglia. En dat moest ze, afgaande op de kwaliteit ervan, in de toekomst maar blijven doen ook!

Geopend wordt er met het bedaard, maar o zo lekker swingende “Long Road Back”, waarin gelijk McKee’s twee voornaamste wapens opvallen, te weten haar fantastisch stel pipes en haar al even knappe pianospel. Vervolgens krijgen we met het swampy “Break Me Down” een eerste McKee-Battaglia-compositie voorgeschoteld. Via de knappe pianoballades “Promised Land” en “Right At The Gate” gaat het daarna over het op ingenieuze wijze met een Latin-ritme stoeiende “Nobody Knows Like Me” en het ongemeen soulvolle “A Place For Me” richting het stuiterende, enkele tellen lang licht funky aandoende “Abraham And Alice”.

De tweede albumhelft wordt daarop ingezet met de nadrukkelijk pianogestuurde R&B-stomper “Unravelled”, andermaal een nummer met McKee in vocale bloedvorm. En dat laat zich bij nader inzicht eigenlijk ook zeggen over zo ongeveer alles wat dan nog volgen moet. Van het terloops van ingehouden jazzy tot aardig frivool en ook weer terug evoluerende “And Everything Changed” tot slow “Dress Of Fire”, van het groovy duo “Trouble The Waters” en “You Better Turn Around” tot het afsluitende “Fire, Wind And Water”, zonder uitzondering etaleren die nummers de echt wel heel straffe zangkunstjes van Beth McKee.

Beth McKee

 

NILS BONDESSON “Blues Dreams” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Eerlijk is eerlijk: de Zweed Nils Bondesson kenden we hier tot op heden eigenlijk enkel van z’n bijdragen aan wat albums van z’n gewaardeerde landgenoot Richard Lindgren. Dat de beste man met “Happy Hour” ook zelf al een plaat op z’n actief had, dat wisten we niet. Wat betekent, dat we na vandaag dringend aan een inhaalmanoeuvre toe zijn. Met z’n tweede, het zopas verschenen “Blues Dreams” wist de beste man ons immers heel erg te charmeren.

Als we niet beter wisten, dan zouden we denken, dat die plaat recht uit New Orleans was komen aanwaaien en niet uit het Zweedse Lund. Bondesson klinkt daarop immers als een gedreven volgeling van Allen Toussaint en aanverwanten. Zanggewijs doet hij bij tijd en wijle een heel klein beetje denken aan Leon Redbone, pianogewijs aan illustere grootheden als een Mose Allison en een Fats Waller. En ook Dr. John kwam ons bij het beluisteren van “Blues Dreams” her en der even voor de geest.

Naast een viertal eigen nummers brengen Bondesson en de zijnen op die tweede van ‘m vooral covers. Van bekende en minder bekende dingen als Taj Mahals “Cakewalk Into Town”, “Hong Kong Blues” en “Lazy River” uit de omvangrijke songcatalogus van de legendarische Hoagie Carmichael, “Some Of These Days”, in ons geheugen gegrift in een uitvoering van Louis Armstrong, “Nobody’s Business”, dat ons vooral doet terugdenken aan wijlen B.B. King natuurlijk, “Let The Four Winds Blow” van good old Fats Domino en “Careless Love” van W.C. Handy.

Kortom fijn jazzy luistervoer, waaraan ook wat R&B- en bluesinbreng zeker niet vreemd is.

Nils Bondesson, Rootsy

 

TONY FURTADO “The Bell” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Maar weinig artiesten belichamen de term Americana zodanig uitgesproken als Tony Furtado. Via bluegrass en later blues belandde hij uiteindelijk in het beloofde land. Ons beloofde land. Het land, waarin stijlgrenzen tussen tal van traditionele Amerikaanse muziekvormen vervaagden. Het land, waarin hij zichzelf nagenoeg geen muzikale beperkingen meer hoefde op te leggen. Het land, waarin hij zijn snarenduivels eindelijk vrijelijk kon ontbinden. Want daarmee zijn we natuurlijk bij ’s mans echte dada beland: alles wat snaren heeft. Of zo ongeveer alles toch. Van banjo tot slidegitaar, van ukelele tot cello-banjo, van akoestische en elektrische tot resonatorgitaar, you name it, he’ll play it!

Snaren regeren dan ook volop op “The Bell” en bonus-cd “Copper And Tin”. Da’s gelijk van bij de folky opener van de feestelijkheden, het slidegestuurde “Broken Bell” al duidelijk. En het behoorlijk nadrukkelijk met wereldmuziekinvloeden stoeiende “Tired Lion” en het verfijnde “Dying Language” bevestigen aansluitend daarop elk op hun eigen manier alleen ook maar ons aanvankelijke vermoeden. Bijzonder mooi liedje trouwens, dat laatste. En dat geldt zeker ook voor het bezwerende “Astoria”, de swampy instrumentale folkescapade, waarmee het verdergaat.

Via de sfeervolle newgrass-deun “Low Road”, het op fraaie wijze op de banjo onderbouwde en mede daardoor wat richting folk overhellende “Tall Grass”, de knappe ingetogen instrumental “Iowa” en het creatieve hoogstandje “Give Me Your Soul” gaat het vervolgens op “The Bell” ook nog richting het beklijvende, nadrukkelijk naar de dood van Furtado’s vader verwijzende “Ashes Of A Man”, het op ongemeen knappe wijze een brug tussen roots pop en bluegrass slaande “The Collier’s Daughter”, de moody instrumentale “Jo Jo”, het countryrockgewijs voorwaar even ongegeneerd richting de Westcoast lonkende “Lie Alone” en het de geboorte van z’n zoontje bejubelende “Star”. Tot zover het eerste bedrijf.

Maar het tweede is minstens even boeiend. De in de States afzonderlijk uitgebrachte, maar door Blue Rose Records speciaal voor de Europese markt aan het geheel toegevoegde bonus-cd “Copper And Tin” mag dan al maar zes liedjes bevatten, die zijn wel zonder uitzondering van uitstekend niveau. Afgetrapt wordt er met de aardig intense “bluesgrass” slide instrumental “Firecracker”. Eén van slechts twee Furtado-originelen, zo blijkt. De andere is de wat verderop aan de man gebrachte experimentele vingeroefening “Machine”. Voorts op “Copper And Tin” enkel nog eigenzinnige Furtado style-vertolkingen van traditionals. Van “8th Of January”, “Peggy O”, “Amazing Grace” en het trio “The Blackhaired Lass/Rakish Paddy/The Ladies’ Pantalettes” met name.

Tony Furtado, Blue Rose Records

 

ANDREW COMBS “All These Dreams” (Loose Music / Bertus)

(4****)

Naast tonnen aan rotzooi worden in Nashville dezer dagen zo nu en dan ook nog wel eens heel erg mooie platen gemaakt. “All These Dreams”, na het ook al knappe “Worried Man” de tweede van youngster Andrew Combs, is er zo eentje. Een plaat, die werkelijk van de eerste tot de laatste noot weet te bekoren. Een plaat, die tegelijk ongelooflijk af klinkt ook. Met dank ongetwijfeld aan producersduo Skylar Wilson en Jordan Lehning, die het opnameproces in goede banen leidden. Zij zagen de eloquente Combs elf nummers lang uitblinken in liedjes, die veelal ergens tussen eigentijdse roots pop en singer-songwriter country stranden. Liedjes, die je als luisteraar onwillekeurig doen terugdenken aan het elegante songgoed van knapen als een Glen Campbell, een Fred Neil en een Nilsson. Al zal Combs zelf graag de namen van met name Roy Orbison en Paul Simon aan dat lijstje toegevoegd zien. Schoon volk, enfin.

En schone liedjes, zoals gezegd, ook. Van de fraaie, mede door een zachtjes jammerende steelgitaar gedragen ballade “Rainy Day Song” tot het ons op de één of andere manier aan de pop classic “Everybody’s Talkin’” herinnerende “Nothing To Lose”, van het op z’n Tom Petty’s ingehouden rootsrockende “Foolin’” tot het dartele folkriedeltje “Strange Bird”, van de prachtige ingetogen moody countrypop van “Pearl” tot het inderdaad een zekere affiniteit met The Big O verradende “Long Gone Lately”, van de knappe pianoballade “In The Name Of You” – Think Elton John in z’n beste jaren, ergens vroeg in de seventies! – tot alles wat er daarna nog volgen moet (het titelnummer en de afsluitende loepzuivere hattrick “Slow Road To Jesus”, “Month Of Bad Habits” en “Suwannee County”), ons hoor je hierover hoegenaamd geen moment klagen.

Combs lost de na zijn debuut “Worried Man” nochtans torenhoge verwachtingen hier schijnbaar moeiteloos in. Dat belooft dus één en ander voor de toekomst!

Andrew Combs, Loose Music

 

THE ORIGINAL FIVE “Across The Deep Sea Blue” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Bluegrass lijkt momenteel meer dan ooit echt te leven in Zweden. Steeds vaker vallen er dezer dagen immers topalbums in dat genre vanuit dat land op onze deurmat. En dat kunnen we bij nader inzicht natuurlijk alleen maar toejuichen. En al zeker als het daarbij blijkt te gaan om prachtmateriaal als dat op “Across The Deep Blue Sea”, de nieuwe van The Original Five.

Dat energieke zesmanschap uit Malmö bestaande uit Johan Bandling Melin (gitaar en zang), Dan Englund (bas en zang), Johan Malmberg (banjo, fiddle en zang), Daniel Olsson (dobro), Ola Persson (mandoline) en Jonas Svahn (gitaar en zang) gooide recentelijk al hoge ogen op het prestigieuze European World of Bluegrass Festival in het Nederlandse Voorthuizen en het al even gerenommeerde International Bluegrass Music Festival in Raleigh, NC en doet dat nu ook op z’n tweede langspeler. Op die opvolger van debuut “Greetings From Möllevången” van zowat een jaar geleden worden twaalf eigen liedjes vertolkt en voorts ook nog twee covers gebracht. Het betreft daarbij het lentefrisse “Carolina In The Fall” van de Kruger Brothers en een niets minder dan wervelende lezing van de Jimmy Webb classic “Highwayman”.

Authentieke bluegrass vormt op “Across The Deep Sea Blue” ontegensprekelijk zo goed als doorlopend het uitgangspunt. Maar de zes heren zullen het ons wellicht niet al te kwalijk nemen, als we hen ervan verdenken om bij tijd en wijle ook wel eens wat honky tonk of Western swing vinyl onder de naald te droppen. Bescheiden invloeden van die beide genres laten zich alvast her en der ook aanwijzen.

De sterke kanten van The Original Five, vroeg u? Welnu, dat zijn in de eerste plaats de geweldige samenzang en de ook al niets te wensen overlatende instrumentbeheersing van de zes. Die beide factoren gekoppeld aan bij momenten echt wel ijzersterke composities en goed doordachte arrangementen vormen de basis voor een bijzonder aangenaam wegluisterend geheel zonder echte uitschieters.

The Original Five, Rootsy

 

MILLPOND MOON “Time To Turn The Tide” (Tikopia Records)

(4****)

Voor “Time To Turn The Tide”, de tweede van het uit Kjersti Misje en Rune Hauge bestaande Noorse duo Millpond Moon, zou ik hier graag de omschrijving “Onopvallend goed!” in de mond willen nemen. Die opvolger van het al in het najaar van 2012 verschenen “Broke In Brooklyn” is er immers eentje van het type, dat in een onbewaakt moment zomaar aan je voorbij zou durven te glippen. Pas bij een wat aandachtigere beluistering ervan valt je op, hoe genuanceerd het duo in z’n liedjes wel tewerk gaat. In die mate zelfs, dat men bijna voortdurend de perfectie weet te benaderen.

In het gezelschap van zowel vaderlandse als Amerikaanse toppers uit zowel het bluegrass- als het jazzgenre – onder meer Rickie en Ronnie Simpkins (Seldom Scene) en Kenny Malone – komt men tot tien bijzonder aangenaam wegluisterende streepjes Americana. Een zevental daarvan zijn Hauge-originelen, de overige drie covers van de traditional “Wayfaring Stranger”, Bob Dylans “Forever Young” en “All La Glory” van The Band.

Wat opvalt in zo ongeveer alle tien de liedjes zijn de ongemeen fraaie zanglijnen. Het fluweel van Misjes stem en het zacht-gruizige van die van Hauge lijken wel voor elkaar gemaakt. Hoe ze elkaar aanvullen is echt hemels! Luister bijvoorbeeld maar eens naar hun wat jazzy aandoende vertolking van het door Robbie Robertson gepende “All La Glory” en het meteen daaropvolgende en uit quasi hetzelfde vaatje tappende “Modi” en je zal allicht meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen.

Ideaal luistervoer voor in de late uurtjes, als de last van een lange, vermoeiende dag langzaam van je schouders valt.

Millpond Moon

 

BOB CHEEVERS, KEITH MILES, BARRY OLLMAN & GREG COPELAND “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home” (Hemifrån)

(5*****)

Met z’n nieuwste release “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home”, grijpt het hyperactieve Zweedse huis Hemifrån terug naar het legendarische “The Singer Songwriter Project”, de plaat waarmee Elektra Records in 1965 een nieuwe, wat algemenere noemer introduceerde voor artiesten die voorheen onder meer als folkies, protestzangers en troubadours door het leven stapten. Dat album bevatte toen bijdragen van vier behoorlijk verschillende Amerikaanse acts, met name Dave “David Blue” Cohen, Dick “Richard” Farina, Bruce Murdoch en Patrick Sky.

Bij wijze van eerbetoon aan dat klassieke geheel trakteert Hemifrån op “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home” op achttien opnames van vier zingende songsmeden, die net als hun illustere voorgangers tot nader order ook nog als geheimtips gelden. Als verborgen schatten, door een legertje connoisseurs en collega’s inmiddels intens gekoesterd, maar door het grote publiek vooralsnog straal genegeerd. Laat ons hopen, dat daarin met dit project snel verandering moge komen!

Aan in het oog springende gasten alvast geen gebrek. De uit Memphis afkomstige, maar dezer dagen vanuit de Lone Star State actieve Bob Cheevers zag zo bijvoorbeeld onder meer Spooner Oldham, Larry Knechtel en Mike Botts opdraven, de vanuit L.A. al een flinke poos aan de weg timmerende Greg Copeland deed zo mogelijk nog straffer en wist met Patrick Sky één van de betrokkenen aan het originele “Singer Songwriter Project” te strikken, naast onder anderen ook Jackson Browne, David Lindley en Greg Leisz, Nashville’s Keith Miles kon terugvallen op Poco’s Jack Sundrud, Bill Halverson, Dennis Crouch, Russ Pahl en Tammy Rogers en Barry Ollman uit Loveland, Colorado deed een beroep op John Fullbright, Tim O’Brien, Gary Tallent van de E Street Band, David Amram en David Crosby’s zoon, James Raymond. Ik hoef u hier vast niet te vertellen, dat met een dergelijke cast aan betrokkenen kwaliteit zowat gegarandeerd was. Zoveel muzikaal vakmanschap gekoppeld aan de werkelijk zonder uitzondering uitstekende composities van het viertal Cheevers-Copeland-Miles-Ollman leidde uiteindelijk tot achttien Americana-, country- en folkpareltjes, die de ook al legendarische Elliott Murphy er in de liner notes toe aanzetten om in verband met hun makers te spreken van “long lost brothers, comrades fighting the same battle, fellow members of the Don Quixote tribe”. Een even veelzeggend als mooi compliment, zo lijkt ons…

Wat ons betreft zonder meer één van dé singer-songwriterplaten van het jaar so far! Vierentwintig karaats goud!

(Releasedatum: 4 september 2015.)

Hier vind je alvast een voorsmaakje: een video van “Pretty Girl Rules The World” van Greg Copeland.

Hemifran

 

JACK TEMPCHIN “Room To Run” en “Learning To Dance” (Blue Elan Records)

(3,5****) en (4****)

Jack Tempchin is een Amerikaanse singer-songwriter hier wellicht vooral bekend voor het schrijven van de Eagles classic “Peaceful Easy Feeling”. Maar da’s eigenlijk alleen maar het topje van de ijsberg, want hij heeft nog zoveel meer op z’n actief. Andere songs van ‘m werden onder meer vertolkt door Emmylou Harris, George Jones, Glen Campbell, Patty Loveless, Tom Rush, Glenn Frey, Sammy Kershaw, Tanya Tucker en The Paladins, om er maar enkelen te noemen. Als songsmid echt wel een grote meneer dus!

Als we het echter hebben over z’n eigen carrière belanden we vrijwel automatisch enkele niveaus lager. Ondanks massa’s optredens als support act voor artiesten als een een Emmylou Harris, een Dolly Parton, een Jackson Browne, een Christopher Cross, een Kenny Loggins en tal van anderen slaagde Tempchin er nooit echt in om op grote schaal door te breken. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik dat toch wel een beetje vreemd vind. Aan de kwaliteit van Tempchins liedjes zal het zeker niet gelegen hebben. En aan z’n stem vast ook niet. Voor een dergelijke warmbloedige tenor zouden heel wat van ’s mans minder begenadigde collega’s ongetwijfeld één en ander over hebben. Een raadsel dus…

Maar goed, op naar het hier en nu. En dat houdt liefst twee nieuwe Tempchin-platen voor ons in petto. De eerste is de mini “Room To Run”. Aangeboden als een soort van teaser voor de snel te volgen full length “Learning To Dance”. Daarop vier nummers, in totaal goed voor net geen veertien minuten muziek. Geopend wordt er met het atmosferische, samen met Carey Ott gepende titelnummer. Een liedje, dat in een wat rechtvaardigere wereld zo ongeveer elk uur op de radio te horen zou zijn. Vervolgens is er het daar perfect bij aansluitende “Jesus And Mohammed”. Nog zo’n puntgave singer-songwriter pop beauty. Met het titelgewijs al maar weinig aan de verbeelding overlatende “The High Cost Of Hate (Let’s Make Some Lawyers Rich)” belanden we vervolgens even op meer countryesk terrein. En afgesloten wordt er met het bluesy, zomers lijzig gebrachte “Summertime Bum”.

Net als “Room To Run” wordt ook “Learning To Dance” afgetrapt met z’n titelnummer. En net als “Room To Run” blijkt ook dat een van de sfeer bulkende (roots)poptrage. Een liedje, waarmee je liefhebbers van de creaties van enigszins verwante geesten als een Marc Cohn, een John Gorka, een Richard Shindell en aanverwanten ongetwijfeld een groot plezier zou kunnen doen. En van dat kaliber staan er op “Learning To Dance” bij nader inzicht nog heel wat. Veelal eerder rustig, eerder bedachtzaam van aard. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het zachtjes voorbij kabbelende “Nothing With You”, de intimistische pianoballade “Living This Love”, het weidse “Love’s First Lesson” en het ritmegewijs voorzichtig even richting Brazilië afdalende “The End Of The Affair”.

En ook voor “I Volunteer”, de ronduit zalige ballads “Ain’t Nobody Like You” en “What If We Should Fall In Love Again”, het ingetogen smachtende “You Can Go Home”, “Big Sky Country”, “Finally Found Me” en het hier bij wijze van bonus track hernomen “Room To Run” geldt eigenlijk gewoon zonder uitzondering hetzelfde. Iets wat an sich niet eens hoeft te verwonderen ook, als je weet, dat de liedjes op “Learning To Dance” voornamelijk werden opgehangen aan de thema’s liefde en romantiek.

Jack Tempchin

 

MARK BILLINGHAM & MY DARLING CLEMENTINE “The Other Half” (Hachette Audio)

(3,5****)

“The Other Half” staat voor een uniek samenwerkingsverband tussen Mark Billingham, Lou Dalgleish en Michael Weston King. De eerste één van de allerbeste thriller-auteurs van Engeland van het moment, de twee anderen samen als My Darling Clementine met “How Do You Plead?” en “The Reconciliation?” in een nog recent verleden goed voor twee van de knapste Britse countryplaten ooit. Het blijkt daarbij te gaan om een verhaal van Billingham, dat door Dalgleish en Weston King van een aanvullende soundtrack werd voorzien. Afwisselend vertelde stukjes en liedjes dus. Een zevental van deze laatste in totaal.

“The Other Half” vertelt op originele wijze het verhaal van Marcia, een in een bar in Memphis haar verleden als showgirl in Las Vegas en een tragisch liefdesleven achter zich latende schoonheid op haar retour. Beetje bij beetje leren we haar kennen, terwijl en passant in gesprekken met haar ook de levenslijnen van barflies als Paul, Ruby, Ray, Donna en anderen worden blootgelegd. Fijn, heel erg realistisch overkomend luistervoer indeed, dat uiteindelijk uitmondt in een soort van “Eind goed, al goed!”, als Marcia’s grote liefde Jimmy vanuit het niets plots terug komt opduiken.

Aan “The Other Half” werkten naast Billingham, Dalgleish en Weston King ook David Morrissey, Graham Parker en Florence King mee. Voor de productie ervan tekenden Michael Weston King en Colin Elliott.

In z’n geheel goed voor één enkele intense beluistering. (De meeste boeken lees je ook maar één keer, he…) Mits wat programmeerwerk echter ook een leuke mini-cd op het niveau van het eerdere werk van My Darling Clementine. Nadrukkelijk iets voor liefhebbers van traditionele country met één voet in het heden dus.

Mark Billingham, My Darling Clementine

 

RONNIE FAUSS “Built To Break” (Normaltown Records / PIAS)

(4****)

Net als z’n in 2012 verschenen vorige, “I Am The Man You Know I’m Not”, is ook Ronnie Fauss’ nieuwe worp “Built To Break” weer een ontzettend lekkere plaat geworden. Zelfverzekerder dan ooit knalt de Texaanse laatbloeier op die nieuwe van ‘m doorheen elf verse songs. Tien van eigen hand, de elfde, het beklijvende, nogal opzichtig naar de Johnny Cash classic “Ring Of Fire” verwijzende anti-liefdesliedje “Song For Zula”, geleend bij Matt “Phosphorescent” Houck.

Op dat “Built To Break” biedt Fauss ons eigenlijk bijna doorlopend het beste van twee werelden. Enerzijds etaleert hij weer ruim achtendertig minuten lang z’n bewonderenswaardige kunstjes als songsmid geschoeid op die o zo typische Lone Star State-leest. Anderzijds kruidt hij z’n twangy song-oogst ditmaal rijkelijk met rock & roll. In die mate zelfs, dat wij hier geregeld even moesten denken aan acts als de Replacements, de Bottle Rockets, Whiskeytown en de Old 97’s. En dat vinden wij tot nader order nog altijd excellent gezelschap.

Trouwens, over de Old 97’s gesproken, het kopstuk van die groep, de onvolprezen Rhett Miller, geeft ‘m hier ook zelf flink mee van jetje in de jachtige trucking song “Eighteen Wheels”, wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Built To Break”. Samen met onder meer het enigszins punky opgevatte “Another Town”, het ook al bijzonder lekker wegrockende “A Natural End”, het door de ons voorheen volslagen onbekende Camille Cortinas van erg fijne backing vocals voorziene rustpuntje “The Big Catch”, het in duet met Jenna Paulette gebrachte Americana-meestampertje “Never Gonna Last” en de wervelende alt.-country sing-along “I’m Sorry Baby (That’s Just The Way It Goes)”.

Nice one, Mr. Fauss! A very nice one indeed…

Ronnie Fauss, Normaltown Records

 

THE PALOMINOS “Sweet Misery” (Randm Records)

(4****)

Hoe dicht kan je het werk van de legendarische Buck Owens en z’n Buckaroos benaderen zonder zelf die naam te dragen? Heel dicht klaarblijkelijk! Dat leert ons althans “Sweet Misery”, het eerste volwaardige album van de vanuit het Californische Chula Vista actieve viertal The Palominos. Net als op de voorganger ervan, de twee jaar geleden verschenen mini “Come On In”, regeert op die nieuwe schijf van zanger Lance Hawkins en de zijnen vintage country. En bij voorkeur vintage country Bakersfield style dan nog. Country van het type, waarmee in grote delen van de States ooit hele jukeboxen gevuld werden. Country rijk aan twang!

Vijftien tracks en ruim drie kwartier lang roepen met name Hawkins en z’n secondant op gitaar Thomas Zurek ongegeneerd de Buckster en Don Rich in herinnering. Vijftien nummers lang onderlijnen ze dat retro absoluut geen vies woord hoeft te zijn. Maar je hoeft ons wat dat betreft niet zomaar op ons woord te geloven, hoor! Probeer zelf bij gelegenheid maar eens dit hele album uit te luisteren zonder daarbij een krimp te geven! Stilzitten is hier hoegenaamd geen optie… Dingen als “Hello”, “I Don’t Care Why You’re Cryin’”, “No One’s Gonna Love You Like I Do”, “Folding Money” en vele andere swingen echt als de spreekwoordelijke tiet!

Samen met de nieuwe schijven van Dale Watson en Daniel Romano ons inziens zo ongeveer van het beste wat het countrygenre dezer dagen te bieden heeft!

The Palominos, Bandcamp, Randm Records

 

DANIEL ROMANO “If I’ve Only One Time Askin’” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Ik denk, dat ik net m’n “plaat van het jaar” gehoord heb… “If I’ve Only One Time Askin’” heet ze en ze is van de jonge Canadees Daniel Romano. Die had me al eens midscheeps weten te raken met voorganger “Come Cry With Me” en flikt dat kunstje nu spelenderwijze opnieuw met z’n nieuwe worp. Dat moet immers zo ongeveer de allerbeste countryplaat zijn, die ik hier sinds de begindagen van Ctrl. Alt. Country al mocht bespreken. Ik weet het nu wel zeker: muzikale perfectie bestaat wel degelijk…

Presenteerde Romano zich op de cover van z’n vorige nog als een in de tijd verloren geraakt ver achterneefje van countryicoon Porter Wagoner, dan valt hij in z’n muziek vandaag de dag toch eerder op andere illustere voorbeelden terug. Met name voorgangers in de late sixties en vroege seventies lijken diepe sporen op ‘m te hebben nagelaten. En in de eerste plaats Gram Parsons dan. En all things countrypolitan ook wel. Vooral die laatste term kwam me met betrekking tot nogal wat liedjes op “If I’ve Only One Time Askin’” spontaan voor de geest. Iets waaraan het veelvuldig voorkomen van bijna steeds weer wollig warm aandoende strijkers en al even prominent aanwezige steelklanken allicht niet geheel en al vreemd zal zijn. Net als de o zo markante bariton croon van de man zelve overigens.

Romano’s vierde is op de keper beschouwd wel geen countryplaat pur sang. Daarvoor dwaalt de Canadese hipster immers wat al te graag ook in andere straatjes rond. Americana, singer-songwriter, pop, folk, het komt hier op de één of andere manier allemaal wel ergens aan bod. Maar de ondertoon is en blijft er als je het mij vraagt toch nadrukkelijk één van country. En van het eerder klassieke type zelfs. Maar dan wel met dat zekere je ne sais quoi, waardoor het ook anno nu allemaal prima te verkopen blijft.

Mijn luistertips: de vanuit een echt tot de rand toe met strijkers gevuld muzikaal bad richting de sterren gecroonde afrekening met een ontrouwe wederhelft “I’m Gonna Teach You”, het licht onderkoeld gebrachte, daar quasi perfect bij aansluitende “Old Fires Die”, het zacht swingende “Strange Faces”, de nu al klassieke streep traag honky-tonkvertier “All The Way Under The Hill”, de ook al waanzinnig mooie trage “The One That Got Away (Came Back Today)”, het even grappige, als tragische en terloops best wel een weinig aan de verhalende stijl van John Prine herinnerende “Two Word Joe” en zeker ook het geweldige titelnummer.

Daniel Romano, New West Records

 

STEVIE AGNEW & HURRICANE ROAD “Bad Blood & Whiskey” (Skimmin’ Stone Records)

(4,5*****)

Songsmid Stevie Agnew pakte voor ons zopas uit met één van dé platen van de zomer van 2015 so far. Die opvolger van z’n twee jaar geleden verschenen debuutalbum “Wreckin’ Yard” nam de Schot tussentijds op met z’n nieuwe begeleidingsgroep Hurricane Road. Een winnende combinatie, zo blijkt!

De dertien songs op “Bad Blood & Whiskey” zijn immers zonder uitzondering van het absoluut niet te versmaden type. Zich comfortabel nestelend ergens tussen Americana, country, folk en Heartland rock zullen ze zo menig een liefhebber van het betere lied probleemloos over de streep weten te trekken. De doorleefde “stories of love, war, passion, personal struggle and moonshine” van Agnew en z’n drummer Chris Smith zijn echte blijvertjes, dat weet je als geïnteresseerde al na één enkele beluistering zeker. Werkelijk alles valt erin op z’n plaats. De gruizig-hese voordracht van de beste man zelf vormt een eerste serieus pluspunt, z’n samenzang met pianiste Elaine Shorthouse, Ali Bell en anderen zeer zeker ook, net als het samenspel met z’n gehele band überhaupt eigenlijk. Werkelijk alles wordt hier ruim zesenveertig minuten lang in het werk gesteld om het liedje te laten floreren. En zo hoort het natuurlijk gewoon ook.

Zwakkere momenten troffen we op “Bad Blood & Whiskey” absoluut niet aan. En hier favorietjes beginnen aanwijzen wordt dan ook een uiterst precaire bedoening. Maar we wagen het er toch maar even op en noemen in één en dezelfde adem onder meer graag de ons voorzichtig aan de Eagles op de top van hun kunnen herinnerende countryrockballade “I Don’t How To Leave Her”, het daar perfect bij aansluitende, wat meer richting Americana overhellende “Take Me Home With You”, de swampy rocker “Moonshine”, de sublieme pianoballade “Drunk On You Again” en het al even sfeervolle “Bad Blood”.

Stevie Agnew & Hurricane Road, CD Baby

 

WATKINS FAMILY HOUR “Watkins Family Hour” (Family Hour Records / Thirty Tigers / Bertus)

(4****)

De naam Watkins Family Hour dook voor het eerst op in 2002. Zo’n dertien jaar geleden is het ondertussen inderdaad reeds, dat het je ongetwijfeld ook wel van Nickel Creek bekende tweetal Sean en Sara Watkins onder die noemer begon met z’n gesmaakte maandelijkse muzikale bijeenkomsten in Los Angeles’ club Largo at the Coronet. En nu is er voor het eerst ook een tastbare weerslag daarvan. Samen met Fiona Apple, Benmont Tench, Don Heffington, Greg Leisz en Sebastian Steinberg vereeuwigde het duo als de Watkins Family Hour immers elf covers van materiaal van anderen. En ik moet zeggen: ik ben een onvoorwaardelijke fan daarvan!

Gelijk van bij de door Sara Watkins gezongen adaptatie van Robert Earl Keens “Feelin’ Good Again” was ik al verkocht eigenlijk. Dat vond ik echt top-Americana! En dat bleek dan nog maar het topje van de ijsberg! Met een door Watkins en Apple gedeelde, lijzige vertolking van Harlan Howards “Where I Ought To Be” en een door haar broer Sean gedragen lezing van Roger Millers “Not In Nottingham” – Je vast ook wel bekend uit de Disney classic “Robin Hood”! – gaat het op hetzelfde elan verder richting een fraaie cover van de Fleetwood Mac-deun “Steal Your Heart Away”, een door Benmont Tench met een ware rokersstem gebracht “Prescription For The Blues” en een opnieuw door Sean Watkins bezield “Going Going Gone” van Bob Dylan. En daarmee zitten we nog maar goed halverwege!

Ook de traditional “Hop High”, het door George Jones grootgemaakte “She Thinks I Still Care”, het echt wel geweldige country-drinklied “The King Of The 12 Oz. Bottles”, Gordon Lightfoots “Early Morning Rain” en “Brokedown Palace” van de Grateful Dead moeten er nog aan geloven. Met zang van in die volgorde Sara Watkins, Sebastian Steinberg, Don Heffington en andermaal tweemaal Sara Watkins.

Zoals hoger al even gesteld: top-Americana dus!

Watkins Family Hour

 

TRAILHEAD “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” (Requa Records)

(3,5****)

Met een titel als “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” laat je bij nader inzicht eigenlijk nog maar weinig aan de verbeelding over. Dat nieuwe album van geboren en getogen Berliner Tobias Panwitz is immers inderdaad niks meer of niks minder dan een volledig akoestische uitvoering van ’s mans vorig jaar verschenen laatste album. En zelf noemt hij het dan ook “a companion to ‘Leave Me To Learn’”. Dezelfde liedjes, maar dan anders belicht. Gebracht, zoals hij ze ook live brengt, akoestisch en solo dus. Met de eigen stem, een piano, een gitaar en een ukelele als z’n enige bondgenoten.

En ook in die context blijven z’n “intelligente, goed in het gehoor liggende luisterdeuntjes met lange houdbaarheidswaarde” ons bekoren. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat wij onze singer-songwriters zo eigenlijk gewoon het liefst mogen hebben. Ontdaan van alle (overbodige) franje nodigen liedjes ons inziens immers pas echt tot aandachtig luisteren uit. En laat dat nu net hun doel zijn!

Moet je wel van houden!

RIYL: Jackson Browne, Joseph Parsons en Ron Sexsmith.

Trailhead

 

THE TEXAS HORNS “Blues Gotta Hold Me” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Blazers Mark ‘Kaz’ Kazanoff, John Mills en Adalberto ‘Al’ Gomez hebben hun sporen al ruimschoots verdiend. Vele jaren lang al duiken ze te pas en te onpas op, veelal in de rugdekking van anderen. Zo waren ze onder meer al in de weer samen met echte top acts als een Bonnie Raitt, een Buddy Guy, een Dr. John, Los Lobos, Los Lonely Boys en de Allman Brothers, om er maar enkele te noemen. Vreemd eigenlijk, dat het zo lang geduurd heeft, alvorens de drie ook eens met een eigen album uitpakten. Maar goed, het wachten daarop is met “Blues Gotta Hold Me” nu dus definitief voorbij. Liefhebbers van een lekker potje horn-driven blues op z’n tijd weten bij dezen meteen wat er hun te doen staat!

Zij worden met “Blues Gotta Hold Me” getrakteerd op een lekker gevarieerd geheel, bestaande uit min of meer gelijke delen aan originelen en covers. Tot de eerste categorie behoren onder meer het jachtige, door gasten Anson Funderburg en Nick Connolly op respectievelijk gitaar en B-3 mee onderbouwde “Soul Stroll”, John Mills’ “Kick Me Again”, het door good old W.C. Clark van tonnen jump soul voorziene “Cold Blooded Lover” en Kazanoffs z’n titel alle eer aandoende instrumental “Rippin’ And Trippin’”. In de laatste categorie vallen vooral het samen met Marcia Ball uit het grote songbook van Dave Bartholomew geplukte “Go On Fool”, een jazzy lezing van Percy Mayfields “Lost Mind”, een knappe uitvoering van diens naamgenoot Curtis’ classic “People Get Ready” en een uitermate swingend “Caldonia” op.

Voor de productie van al dat moois tekenden The Horns zelf. En essentiële bijstand was er naast van alle hoger al genoemden ook nog van ritmetandem Derek O’Brien (gitaar) en Barry ‘Frosty’ Smith (drums) en speciale gasten Roscoe Beck en Johnny Nicholas.

VizzTone Label Group

 

HOLLIS BROWN “3 Shots” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het heeft er op “3 Shots” werkelijk alle aanschijn van, dat die van Hollis Brown volop mikken op promotie naar de hoogste klasse van het Americana-veld. Zo ongeveer alles op die opvolger van “Ride On The Train” en hun tip of the hat aan het adres van de Velvet Underground “Hollis Brown Gets Loaded” ademt ambitie. En ontegensprekelijk ook een veel avontuurlijkere aanpak dan voorheen. Iets wat door de heren overigens ook in het geheel niet ontkend wordt. “We wanted a bigger drum sound, bigger guitars and a bigger record in general,” aldus zanger-gitarist Mike Montali dienaangaande. Iets waar ze onder de productionele auspiciën van Don DiLego wat ons betreft met brio in geslaagd zijn. Met een aangenaam gevarieerd geheel tot gevolg.

Openingsnummer “Cathedral” is zo bijvoorbeeld een over zo goed als z’n gehele duur tussen akoestisch en elektrisch twijfelende streep vlotte indie folk pop, in het geval van titelnummer “3 Shots” zouden we zelfs van pop of rock tout court durven te gewagen, het ruim de kaap van de zeven minuten rondende “John Wayne” lijkt aanvankelijk een aan een spaghetti western ontleend klaagliedje te zullen worden maar ontpopt zich ergens halverwege tot een heuse killer rock song, het daaropvolgende “Rain Dance” werd opgebouwd rond een liggen gebleven rhythm track van wijlen Bo Diddley en met “Sandy” belanden we oerplotseling zelfs even in Muscle Shoals-soulterritorium.

“Sweet Tooth” blijkt vervolgens dan weer toegankelijke rock van het soort dat bij warme temperaturen zoals die van de voorbije dagen uitstekend tot zijn recht komt, “Death Of An Actress” is een redelijk klassiek uitgevallen en derhalve ook behoorlijk radiovriendelijk uit de hoek komende ballad, “Highway 1” een uitermate sympathiek, met Americana-buitenbeentje Nikki Lane gebracht countryrockduet en “Wait For Me Virginia” een ons tegelijk aan de Stones in hun hoogdagen en zo menig een klassieke Southern rock act herinnerende beauty.

Hadden we dan nog niet gehad: het geheel en al akoestisch gebrachte en deels in het Spaans gezongen “Mi Amor” en afsluiter “The Ballad Of Mr. Rose”, een op werkelijk grootse wijze naar The Band op z’n top verwijzende “valse trage”, waarin ergens tussen country en roots rock pure schoonheid zomaar voor het oprapen lijkt te liggen. Saving the best for last noemen ze zoiets in de States

Hollis Brown, Blue Rose Records

 

LEFT LANE CRUISER “Dirty Spliff Blues” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Dirty Spliff Blues” is inmiddels ook alweer het vijfde album van het vanuit Fort Wayne, Indiana actieve collectiefje Left Lane Cruiser, maar wel hun allereerste als trio. Van dienst blijken daarbij ditmaal naast kopstuk Freddy Joe Evans IV (gitaar, orgel, zang) ook Joe Bent (bas, besnaard skateboard, zang) en Pete Dio (drums, trash). Met z’n drieën knallen zij hier door een tiental songs waarvan de grote meerderheid op eerder spontane wijze ontstond tijdens soundchecks voor optredens van hun liefst negen maanden durende jongste tournee doorheen de States en Europa. Freddy J IV vat het zelf als volgt samen: “After a long drive, we would get to the club. Burn one down. Fuckin’ jam at soundcheck. Then we had a new tune. It went on like that for a while. This album was written entirely under the guidance and influence of marijuana. No dirty spliffs (joints with a mix of tobacco and pot) were used in the making of this record.”

Als de bad-ass blues songs van het trio bij momenten een behoorlijk trippy indruk nalaten, dan heeft dat dus wel degelijk zo z’n redenen. Net als de titel van het album trouwens ook en het fraaie artwork ervan. Tussen de hennepbladeren door lezen we titels als “Tres Borrachos”, “Elephant Stomp”, “Whitebread N’ Beans”, “Tangled Up In Bush”, “Heavy Honey”, “Dirty Spliff Blues”, “Cutting Trees”, “All Damn Day”, “Skateboard Blues” en “She Don’t Care”. En dat blijken bij nader inzicht vlaggen voor absoluut niets aan het toeval overlatende ladingen hard driving gitaarzwangere elektrische blues. Met front and center de schreeuwerige oerzang en de machtige gitaaruithalen van Evans. Wat een beest is die man toch!

“Dirty Spliff Blues” is nog stukken beter dan Left Lane Cruiser’s vorige “Slingshot” en ook die vonden we al heel erg goed! Kan je nagaan…

Left Lane Cruiser

 

DIVERSE ARTIESTEN “1995-2015 / 20 Years Blue Rose Records” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het Duitse Blue Rose Records bestaat dezer dagen precies twintig jaar en dat zullen we geweten hebben ook. De ene na de andere interessante actie toverden labelbaas Edgar Heckmann en de zijnen de voorbije maanden reeds uit hun hoge hoeden tevoorschijn. Het was bijna om gek van te worden, zoveel voordeel kon je ermee doen…

En sinds kort is er nu ook een blijvend aandenken aan dat jubileum. Met name een tot de nok toe gevulde dubbelaar met daarop een overzicht over twee decennia gepassioneerd bezig zijn met muziek. Met op één schijfje het verleden en op het andere het hier en nu, “Past” en “Present” dus. Op het eerste betekent dat net geen negenenzeventig minuten lang genieten van materiaal van acts als Steve Wynn, The Brandos, The Band Of Heathens, Cracker, Todd Thibaud, Alejandro Escovedo, de Nitty Gritty Dirt Band, de Continental Drifters, Gov’t Mule, Iain Matthews, The Bottle Rockets, Big In Iowa, Julian Dawson, Jason Isbell & The 400 Unit, Jason & The Scorchers, Elliott Murphy, Joseph Parsons en Tom Gillam. Op het tweede stoten we achtereenvolgens op David Grissom, Paul Thorn, Micky & The Motorcars, Walter Salas-Humara, Blue Rodeo, Poco, Matthew Ryan, Willie Nile, Los Lonely Boys, Kelley Mickwee, Shooter Jennings, NQ Arbuckle, James McMurtry, Rich Hopkins & Luminarios, Reckless Kelly, Cody Canada & The Departed en Hank Shizzoe.

En zoals dat met dergelijke verzamelaars wel eens vaker het geval blijkt, heb je als liefhebber uiteraard hier en daar wel een bedenking bij de materiaalkeuze. Had er bijvoorbeeld niet wat meer exclusief materiaal op gekund? En van die act had je al bij al toch liever dat liedje gezien… En die act, moest die er niet ook op hebben gestaan? (Een Leeroy Stagger bijvoorbeeld…) Maar op de keper beschouwd kan je hier eigenlijk alleen maar gelukkig mee zijn. Waar vind je voor amper een euro of zeven immers nog zoveel goeds op een kluitje? Juist, ja…

Blue Rose Records

 

THE DOMESTIC BUMBLEBEES “Cheater” (Enviken Records)

(4****)

Op zondag 12 juli aanstaande zullen de Domestic Bumblebees het festivalterrein aan de Poeyelheide in Gierle ongetwijfeld flink op z’n kop zetten, als ze er aantreden voor de editie 2015 van Sjock. Met hun energieke brouwsel bestaande uit elementen uit rock & roll, R&B, blues en country houden ze daartoe wat ons betreft alvast alle troeven in handen. De “10 tunes for good and bad times” van hun zopas verschenen vierde worp “Cheater” onderstrepen dat andermaal uitgebreid.

Aan een rotvaart razen de drie Zweden uit de buurt van Stockholm daarin door het leven, daarbij resoluut mikkend op de benen van zo menig een argeloze voorbijganger. Zanger-gitarist Daniel Kordelius, bassist Tobias Einestad en drummer-percussionist Johan Svensson gijzelen hun luisteraars hier net geen half uur lang met wild fifties style entertainment vaardig vertaald naar het hier en nu. Tussen de recht-toe-recht-aan-rock van openingsnummer “Blue Lover” en hun afsluitende adaptatie van de AC-DC classic “Rocker” levert dat zo menig een catchy swingmoment op.

Van de er stevig op los hamerende rootsy rock & roll van titelnummer “Cheater” en “Crying Over You” en het lekker melodieuze “Mathilda” tot het tegen een aanstekelijk gitaartje aanhikkende swingertje “It’s Me Again”, van de wervelende pianogestuurde R&B van “No Matter What” en de radiovriendelijke blik achterom “Summer Nights” tot een net niet de bocht uitgaande vertolking van Goree “Little T-Bone” Carters “Rock Awhile” en de knappe pubrocker “Sweet Sin”, je krijgt hier hoegenaamd niet één reden tot klagen!

The Domestic Bumblebees, Enviken Records

 

THE STATESBORO REVUE “Jukehouse Revival” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Hoe in godsnaam een geweldige plaat als “Ramble On Privilege Creek” opvolgen? Dat was this time around dé uitdaging voor songsmid Stewart Mann en de zijnen. Een opdracht, waarin ze – Om maar gelijk met de deur in huis te vallen! – met brio slagen. Veel meer nog dan die voorganger is hun derde worp immers een bescheiden Texaans meesterwerkje.

Met de blik bijna voortdurend ongegeneerd op de seventies gericht serveren Mann en co een elftal buitengewoon smakelijke roots & roll-kostelijkheden. Klassieke country rock, Texaanse roadhouse-toestanden en soul genre Muscle Shoals regeren nadrukkelijk op “Jukehouse Revival”. En dat in uitsluitend eigen composities. Al is het wel zo, dat Stewart Mann (zang, gitaar en harmonica), z’n broer Garrett (gitaar en backing vocals) en maatje Kris Schoen (drums) geregeld ook anderen bij zich aan de schrijftafel dulden. Voor de ongemeen soulvolle Southern rocker “Undone” was dat bijvoorbeeld de je ongetwijfeld ook wel van Band Of Heathens bekende Gordy Quist, voor de swingende bayou-barfavoriet “Tallahassee” Adam Hood en voor de melodieuze country rock beauty “Satisfied” de hier al sinds tijden erg graag geziene en vooral ook gehoorde Ted Russell Kamp.

Verdere zeker te onthouden juweeltjes op “Jukehouse Revival”: de zich behaaglijk in pedal steel-klanken wentelende klasse-trage “Go Down Slow”, het ook al met Quist gepende en best wel aan The Band in z’n hoogdagen herinnerende “Last Ramble”, het groove-gewijs bij momenten wat richting Tony Joe White overhellende “Bedroom Floor” en vooral ook het bedaard swingende “Roll On Mama”. Met liedjes van dat kaliber mag je hier altijd graag even komen binnenvallen.

Voor mij persoonlijk dan ook één van dé platen van het moment, dit schijfje! Ga ik echt nog heel veel plezier aan beleven…

The Statesboro Revue, Blue Rose Records

 

BILLY PRICE & OTIS CLAY “This Time For Real” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Als ik tussen alle dagdagelijkse Americana-beslommeringen door weer eens toe ben aan wat anders, dan mag ik me bij voorkeur graag aan een potje soul wagen. Southern soul met name. En dus is Otis Clay hier ook een graag geziene gast. Zo iemand, naar wiens platen hier altijd wel een beetje wordt uitgekeken.

En dat was ook ditmaal weer niet anders. En al zeker niet, omdat ik wist, dat Clay voor z’n nieuwe worp in zee was gegaan met z’n maatje Billy Price. Twee geweldige zangers op een kluitje samen, dat moest wel het nodige vuurwerk opleveren! En zo geschiedde ook! Twaalf nummers lang betokkelen de twee in een productie van Duke Robillard gevoelvol de snaren van elke voor soul openstaande ziel. En net geen vijftig minuten lang levert dat echt hoogtepunt na hoogtepunt op.

Ik noem er hier maar enkele. Het zomers warme, door Mark Earley en Doug Woolverton van fraai koperwerk voorziene “Somebody’s Changing My Sweet Baby’s Mind” bijvoorbeeld. De fraaie tegeltrekker “I’m Afraid Of Losing You” zeker ook. De knappe Holland-Dozier-Holland-vertolking “Don’t Leave Me Starving For Your Love”. En vooral ook “Tears Of God”. Dat kennen we natuurlijk allemaal van Los Lobos. Maar geloof me, zo aangrijpend als hier, zo onwaarschijnlijk mooi, hoorde u het nog nooit. Een kippenvelmomentje!

Een dikke, dikke aanrader, deze samenwerking tussen de heren Price en Clay. Hopelijk de eerste in een reeks van vele!

Billy Price, Otis Clay, VizzTone Label Group

 

THE DESLONDES “The Deslondes” (New West / ADA Warner Music)

(5*****)

Ondertussen zowat een jaar of drie geleden debuteerde dit vijftal, toen nog als Sam Doores + Riley Downing & The Tumbleweeds, met het album “Holy Cross Blues”. Op zoek naar een wat hipper aandoende naam kwam men weinig later echter uit bij The Deslondes. Naar een straat in hun thuishaven New Orleans. Heel toepasselijk eigenlijk. Zeker gezien het feit dat hun muziek een onwaarschijnlijke smeltkroes aan stijlen is, bedoelen we dan. Past als dusdanig echt wel uitstekend bij de Crescent City.

Op “debuut” “The Deslondes” kan het voortdurend echt alle kanten uit. Onder de noemer Americana leven Sam Doores (zang en gitaar), Riley Downing (eveneens zang en gitaar), Dan Cutler (zang en bas), John James Tourville (zang, pedal steel en fiddle) en Cameron Snyder (zang en percussie) zich uit als kleine snotters op een onbewaakt moment in een snoepwinkel. Elk met hun eigen geschreven en gezongen bijdragen. En precies dat maakt het allemaal nog net wat specialer.

Eerste single “Fought The Blues And Won” klinkt zo bijvoorbeeld als John Prine meets Fats Domino. Heerlijk lijzige pianogestuurde R&B met hoog meezing-gehalte moet je maar denken. Vervolgens gaat het via een streepje aanstekelijk twangende country (“Those Were (Could’ve Been) The Days”) en een met fijn mondharmonicawerk ingeleide rootstrage (“Heavenly Home”) richting een volgend absoluut hoogtepunt. Want dat is het veelzeggend getitelde “Less Honkin’ More Tonkin’” ontegensprekelijk. Stil blijven zitten blijkt daarbij zo goed als onmogelijk.

“Low Down Soul” is vervolgens een schoolvoorbeeld van hoe country soul eigenlijk gewoon altijd zou moeten klinken, “The Real Deal” heeft nadrukkelijk rock & roll roots ergens diep in de sixties, “Still Someone” slaat schijnbaar moeiteloos een brug tussen roots pop, soul en country, “Time To Believe In” lijkt wel weggelopen uit de één of andere spaghetti western en “Louise” is bedaarde meezing-country. En dan is er nog de afsluitende hattrick bestaande uit “Simple And True”, “Same Blood As Mine” en “Out On The Rise”. Het eerste een dijk van een rootsy soultrage, het tweede een zomers loom staaltje prachtcountry en de afsluiter een al even geweldige pianoballade.

Als er al zoiets bestaat als een kruispunt tussen John Prine, The Band, Woody Guthrie, Hank Williams, Townes Van Zandt en Fats Domino, dan zou dit aardig dicht in de buurt moeten komen. Een echte moordplaat is het alleszins!

(The Deslondes touren tijdens de maanden augustus en september doorheen de Lage Landen. Op 19 september doen ze daarbij de N9 in Eeklo aan, één dag later is het de beurt aan het Leffingeleuren-festival in Oostende.)

The Deslondes, New West Records

 

SONNY LANDRETH “Bound By The Blues” (Provogue / Mascot Label Group)

(4,5*****)

Met de opvolger van z’n goed en wel drie jaar geleden verschenen laatste album, het volledig instrumentale “Elemental Journey”, slaat slide-maestro Sonny Landreth andermaal spijkers met koppen. En de titel, die blijkt daarbij allesbehalve misplaatst. Veel meer dan in ‘s mans recente verleden is het daadwerkelijk weer de blues die hier regeert. Gebracht in een klassieke triobezetting, met naast Landreth zelve verder enkel nog bassist David Ranson en drummer Brian Brignac aan boord.

Met z’n drieën tackelen de heren onder meer klassiek spul van Robert Johnson, Elmore James, Skip James en Willie “Big Bill” Broonzy. De andere vijftig procent van “Bound By The Blues” worden bestreken door Landreth-originelen. Eentje daarvan, te weten de beklijvende instrumental “Fire Blues”, blijkt bij nader inzicht een nadrukkelijke hommage aan het adres van één van ’s mans eigen helden, de ondertussen een klein jaar geleden overleden Johnny Winter. Wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Bound By The Blues”. Om niet te zeggen hét absolute hoogtepunt überhaupt. Al blijft zeker ook het titelnummer wat dat betreft nog wel een poosje in de running. In die de verbindende krachten van het genre lovende, wat kalmere prachtdeun laat Landreth de blues prachtig stranden op de oevers van pop en rock. Het maakt van dat liedje gelijk een uitermate geknipte kandidaat voor veelvuldig radiogebruik. De drie overige eigen composities zijn het swampy “The High Side”, de bedaarde roots rocker “Where They Will” en het afsluitende “Simcoe Street”, een gespierde instrumentale Delta-bluesvariant.

Gecoverd worden respectievelijk Robert Johnsons “Walkin’ Blues” en “Dust My Broom”, de heerlijk soulvolle Elmore James-sleper “It Hurts Me Too”, het moddervette “Cherry Ball Blues” van diens naamgenoot Skip James en Big Bill Broonzy’s “Key To The Highway”.

Tien nummers lang beleven we Landreth op “Bound By The Blues” echt in bloedvorm. Meesterlijk slidend solliciteert hij hier meer dan ooit naar een goed gevulde zomerfestivalkalender. En eigenlijk is dit gewoon ook één van z’n allerbeste albums tot op heden tout court. Een aanrader van formaat!

Sonny Landreth, Mascot Label Group

 

MARJAN DEBAENE “The Sound Of The Beat” (Superjane Music)

(3,5****)

Precies twintig jaar zal het volgend jaar geleden zijn, dat Marjan Debaene op haar zeventiende debuteerde met het knappe “Growing Pains”. De eerste steen meteen van een op de keper beschouwd niet meteen als alledaags te omschrijven carrière. Daarvoor doet de al een poosje vanuit Leuven actieve Vlaamse de dingen nu eenmaal te graag her way. Totaal onafhankelijk dus. Wat er concreet op neerkomt, dat ze zich door niemand haar werktempo laat opleggen. Ze maakt platen, wanneer het háár uitkomt, wanneer het materiaal daartoe in háár ogen voldoende gerijpt is. En dat hoor je eraan ook!

Met “The Sound Of The Beat” is Debaene pas aan haar vierde worp toe. Na het hoger al genoemde “Growing Pains” verschenen in 1999 en 2006 respectievelijk ook nog “Humanoid” en “Wolfish Times”. En daarna was het voor de liefhebbers van haar werk vooral lang, lang wachten geblazen. Negen jaar om precies te zijn. Veel té lang eigenlijk… Maar goed, we gaan hier vooral geen potje beginnen te klagen, want dat verdient Debaene op basis van de kwaliteit van haar nieuwste absoluut niet. Met de twaalf liedjes daarop kunnen we er zelfs weer een poosje tegen…

Het door co-producer Alex Brackx banjogewijs bij momenten een flink eind richting Americana gepushte “Sun’s Glow” markeert wat ons betreft meteen een uitstekende start. Een goed voorteken, zo zal al snel blijken… “The Sound Of The Beat” blijkt immers tot de nok toe gevuld met songdelicatessen. Van het lentefrisse folkpopniemendalletje “voor hem die altijd op haar wacht” “On The Road” tot het lang door een straffe basgitaarbijdrage van Bert Embrechts gedomineerde “I Want It All Back”, van de mooie, aan het verstrijken der seizoenen opgehangen ballade “Oh My God” tot het verhalend sterke “The Sarajevo Tunnel”, van de zich ons inziens nu al als dé geknipte singlekandidaat aandienende, ons terloops best wel wat aan KT Tunstall herinnerende catchy folkrockstamper “It’s About To Go Down” tot het de onophoudelijke zoektocht naar het eigen beloofde land vereeuwigende “The Road To Wonderland”, de “schone liekes” volgen elkaar hier aan ijltempo op.

En pas op, dan hadden we het nog niet eens over een paar van de allerschoonsten! Zoals “The State Of Absurd” bijvoorbeeld. In die heerlijke trage lijkt Debaene bedaard verzet tegen onze maatschappij anno nu tussen de regels door te willen koppelen aan de dwingende oproep om vooral toch maar weer te gaan genieten van de kleine dingen des levens. Of “The Ghost Of Seville” ook. Andermaal een verhalend hoogstandje, waarin Debaene zelf pianogewijs een vergelijkbaar sfeertje weet te evoceren als de Nederlandse popmeesters van The Nits indertijd in hun classic “Sketches Of Spain”.

Afgesloten wordt er met een drietal catchy poprockdeunen. In het ongemeen radiogenieke “The Wild West” blikt de in Ieper geboren Debaene al mijmerend terug op de “velden van haar eigen jeugd”, in het al even aanstekelijke titelnummer roept ze ons op om ons vooral ongedwongen te laten leiden door het leven zelf en het als bonusje meegeleverde “Hoping For A Miracle” kende je misschien ook nog wel als een single uit 2010.

Baby Jef mag dus best trots zijn! De tijdens het ontstaan van “The Sound Of The Beat” nog onderweg zijnde youngster zal ooit hopelijk tot het besef komen, dat hij onbewust een bevoorrechte getuige was bij het tot stand komen van een speciaal geheel. Een prima plaat zonder meer.

Marjan Debaene

 

RICKIE LEE JONES “The Other Side Of Desire” (The Other Side Of Desire Music / Bertus)

(4****)

Voor velen zal de naam Rickie Lee Jones wellicht voor eeuwig en altijd verbonden blijven met haar in 1979 op de wereld losgelaten eerste hit “Chuck E.’s In Love”. En dat zou an sich niet eens zo erg zijn, ware het niet, dat voor té velen hun kennis van het repertoire van die Jones daar meteen ook ophoudt. En da’s ondertussen zestien albums diep in haar carrière niets minder dan doodzonde, want Rickie Lee Jones is wat je noemt een echte rasartieste: een geweldige zangeres en een al even briljante songsmid.

Eentje die graag experimenteren mag bovendien ook. Dat blijkt maar weer eens op haar door John Porter (Roxy Music, The Smiths, Billy Bragg) en Mark Howard geproduceerde nieuwe worp “The Other Side Of Desire”. Op die opvolger van de collectie rockcovers “The Devil You Know” uit 2012 versmelt La Jones als het ware helemaal met haar nieuwe thuishaven New Orleans. Ver weg van de West Coast wordt ze helemaal één met haar nieuwe omgeving. Dat valt nog niet echt op in openingsnummer “Jimmy Choos”. Dat hier al voor een brede glimlach goed bevonden catchy rootspopliedje vormt als het ware de springplank naar the real stuff. En daarmee bedoelen we dan dingen als het z’n titel bepaald niet gestolen hebbende “Valtz de Mon Pere (Lovers’ Waltz)”, een traditioneel countrywalsje op z’n Emmylou’s, “J’ai Connais Pas”, een nadrukkelijk op het muzikale erfgoed van de grote Fats Domino geënte streep R&B New Orleans style, de niets minder dan briljante pianoballade “Christmas In New Orleans”, het op de één of andere vreemde manier bepaald funky aandoende “Haunted” en de late night ballad “Juliette”.

Zo hoorde u Rickie Lee Jones echt nog nooit!

Rickie Lee Jones

 

ANNIE GALLUP “Ghost” (Gallway Bay Music)

(4****)

Goed en wel een jaar of vijf geleden viel Annie Gallup als een blok voor het spel van de je wellicht ook wel van z’n bijdragen aan de Punch Brothers bekende fiddler Gabe Witcher. Voor haar meteen het startsein om een reeks liedjes te gaan schrijven in functie van diens fenomenale spel. Om het met haar eigen woorden te zeggen: “Songs to wrap his soaring, blistering, tender, compelling and exquisite sound around.” En negen stuks daarvan vinden we nu, aangevuld met covers van de ooit ook al door Steve Young richting eeuwigheid gezongen Utah Phillips-compositie “Rock Salt And Nails” en Dougie MacLeans folkpareltje “Caledonia”, op haar nieuwe album “Ghost” terug.

Voor dat door haarzelf en haar Hat Check Girl-partner Peter Gallway ( string bass en backing vocals) geproduceerde geheel nodigde Gallup niet enkel de al genoemde Gabe Witcher (fiddle) uit, maar ook David West (mandoline, dobro en National Steel) en Anna Abbey (backing vocals). Zelf nam ze naast de zangpartijen ook gitaar, six-string banjo, dobro en ukelele voor haar rekening.

En dat mag ze wat ons betreft nog doen. Haar tiende soloplaat is immers ontegensprekelijk haar beste so far. Gelijk van bij het eerder traditioneel opgevatte folkdeuntje “Diamond Ring” is het volop prijs. Heel knap, hoe de stem van Gallup en de fiddle van Witcher elkaar daarin vinden en complementeren. A match made in Heaven! En dat blijkt verderop nog meermaals! Onder meer in het desolate, quasi terloops aan het album z’n titel verlenende “Ghost Town Kite”, de ingetogen Americana beauty “West Memphis, Arkansas”, het epische “The Battle Of Brooklyn”, het ook daadwerkelijk aan haar virtuoze Bad Livers-banjocollega met die naam gewijde “Danny Barnes” en het ons voorwaar even een weinig aan Eliza Gilkyson in haar beste momenten herinnerende “Raised By Wolves”. Echt heel erg mooi allemaal!

Annie Gallup

 

LINDSAY FERGUSON “Chameleon” (Busted Flat Records)

(3,5****)

Voor de productie van haar inmiddels derde album “Chameleon” deed de Canadese Lindsay Ferguson een beroep op de diensten van haar landgenoot Brock Zeman. En daarmee wist ze weliswaar onbedoeld alvast onze aandacht te trekken. Die Zeman is hier immers zowat kind aan huis.

Op de opvolger van haar beide eerste platen “Sound” en “Monkeys Under Stars” grossiert Ferguson negen nummers lang in catchy pop- en rockdeunen, die nu eens wél, dan weer niet de uitbreiding roots voor zich dulden. Eentje daarvan schreef ze samen met de al genoemde Zeman, met name de heerlijke poppy Americana-deun “Ships”. Eén cover verder ook. Meer bepaald de overgeleverde folk beauty “Donal Og”. In die net niet volledig a capella gebrachte afsluiter wordt pas echt duidelijk over welk een ongelooflijk performante Ferguson wel beschikt. Da’s wat ons betreft een echt kippenvelmomentje.

Andere hier zeer gesmaakte Ferguson-kleinoden: de op een wat vreemde manier aanstekelijk werkende, alleszins meteen volop de aandacht trekkende opener “Untangle”, het ook al bepaald vriendelijke popdondertje “Chameleon” en de mooie, al fluitend ingeleide valse trage “Doors & Heartbeats”.

Aan “Chameleon” werkten naast Ferguson zelf (zang) en Brock Zeman (onder meer akoestische gitaar, bas, orgel, piano, tamboerijn, loops en drum & synth programming) verder ook nog Blair Hogan (orgel, elektrische gitaar, loops, synth, bas en mandoline), Steve Foley en Jamie Kronick (beiden drums), Dylan Roberts (tamboerijn en percussie), Marc Rochon (harmonica), Taylor Rankin (viool) en Jofo (rap) mee.

Lindsay Ferguson, Busted Flat Records

 

ADAM CARROLL “Let It Choose You” (Gypsy Shuffler Music)

(5*****)

Er zijn dus toch nog zekerheden in het leven! Dat weten we na het beluisteren van “Let It Choose You”, de nieuwe van Adam Carroll wel zeker. De Texaanse songsmid, van wie her en der beweerd wordt dat hij één van Austins best bewaarde geheimen zou zijn, staat naar goede gewoonte immers garant voor een lading onvervalste top-Americana.

Twaalf songs lang bewijst hij ook ditmaal weer over een uitzonderlijk oog voor songzwangere alledaagse situaties te beschikken. Voeg daar nog zijn al even exceptioneel taalgevoel en dito zin voor melodie aan toe en er kon op de keper beschouwd eigenlijk nog maar weinig fout lopen. En al zeker als je dan ook nog eens leert, dat aan zo menig een nummer voor “Let It Choose You” aardig gereputeerde vrienden van Carroll meeschreven. We noemen in dat verband graag de namen van Michael O’Connor, Owen Temple, Brian Rung, Michael Waters, Jordan Minor en Jeff Plankenhorn.

En ook wat betreft het tijdens de opnamen ervan gebezigde personeel zitten we met “Let It Choose You” goed. Een veel betere crew dan deze bestaande uit Lloyd Maines, Bukka Allen, Riley Osbourn, Pat Manske, Mark “Speedy” Gonzales en Christian Carroll had Carroll zich eigenlijk amper kunnen wensen. De al genoemde Maines tekende trouwens ook nog present voor de productie.

Twaalf songs, twaalf hoogtepunten, da’s ons uiteindelijke verdict. Geen wonder, dat men deze knaap zo graag met schoon volk als een Townes Van Zandt, een John Prine en een Robert Earl Keen vergelijken mag…

Onze zoals steeds volkomen onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Bernadine”, het hartverscheurende “Tears In My Gumbo” en het op een heerlijk authentiek aandoend traditioneel swingend countrypatroontje geënte “Old Child Country Star”. Voor elk van die drie deunen mag wat ons betreft de eretitel primus inter pares nog eens uit de kast.

Adam Carroll

 

JEFF PLANKENHORN “Live At The Saxon Pub” (Lounge Side Records)

(3,5****)

Superproductief zouden we hem nu niet meteen durven te noemen, deze Jeff Plankenhorn, met amper drie soloplaten op z’n actief. Maar dat heeft natuurlijk wel zo z’n redenen. De in Austin gehuisveste zingende songsmid heeft zich de voorbije jaren immers herhaaldelijk in de kijker gespeeld als gewaardeerde sidekick voor anderen. Denk bijvoorbeeld al maar zijn rol aan de zijde van collega Eliza Gilkyson, om er zomaar lukraak eentje uit te pikken. “Plank”, zoals hij door nogal wat collega’s liefdevol wordt genoemd, is nu eenmaal een zeer veelzijdige multi-instrumentalist. Met als specialiteit, zoals allicht genoegzaam bekend, de dobro.

Het zopas van ‘m verschenen “Live At The Saxon Pub” is de opvolger van “The Speed Of Hope” van zo’n jaar of vier geleden. En als er al één ding is, wat die concertregistratie aantoont, dan is het wel, dat Plankenhorn niet gemakkelijk voor één enkel muzikaal gat te vangen valt. In het gezelschap van toetsenist Phil Redmond, bassist Yoggie en drummer Brannen Temple fietst hij hier immers tien nummers lang vaardig heen en weer tussen een veelheid aan genres. Tien nummers, waaronder uiteraard ook enkele covers. Bij funkinstituut Parliament werd zo “Handcuffs” binnengedaan, bij wijlen Stephen Bruton vond Plankenhorst het ongemeen soulvolle “Trip Around The Sun” en onder het moody “Cold Turkey” prijkte tot onze grote verbazing niet de naam van de grote John Lennon, maar wel die van Anthony David Harrington. Weer wat bijgeleerd dus…

Van de uit de eigen koker stammende nummers schreef Plankenhorst er heel wat samen met anderen. Met de ook hier graag geziene Ray Wylie Hubbard bijvoorbeeld al het blues & roots twosome “Loser Blues” en “Forgiven”, met Matt Sever het in min of meer dezelfde wateren ronddobberende “Cockeyed” en met Ryan Krebs het drietal “I Doubt It”, “Someday” en “Headstrong”. Het eerste een onvervalste pot gitaarzwangere bluesrock, de twee andere kortstondige flirts met zomerse reggaeritmes.

Voor de productie van “Live At The Saxon Pub” tekende Plankenhorn gezien zijn status op dat vlak uiteraard zelf.

Jeff Plankenhorn

 

HOGJAW “Rise To The Mountains” (Swamp Jaw Bea Music)

(4****)

Hogjaw is een naar een kleine, vrijwel meteen door z’n hoogst aparte naam opvallende gemeenschap in Arkansas vernoemd Amerikaans rockcollectiefje dat al sinds 2007 flink aan de weg timmert. Het uit J.B. Jones (rockstrot pur sang en gitaar), Jimmy Rose (leadgitaar en backing vocals), Elvis D (bas) en Kwall (drums en backing vocals) bestaande viertal bracht tussen 2008 en 2013 in eigen beheer al vier albums uit: “Devil In The Details” (2008), “Ironwood” (2010), “Sons Of The Western Skies” (2012) en “If It Ain’t Broke” (2013). Met andere woorden, met het zopas op de wereld losgelaten “Rise To The Mountains” is men ondertussen al aan nummer vijf toe. En die vijfde, beste vrienden, vinden wij hier een verdomd lekkere plaat.

Tien nummers lang illustreren Jones en co hier, waarom ze ondertussen in grote delen van de States en Europa een graag geziene live act zijn. In het grensgebied tussen (Southern) rock, blues en country geven ze hem echt wel serieus van jetje. Met “a boogie sound that can tear paint off the wall”, om het met de gevleugelde woorden van het pershulpje van dienst te formuleren, nodigen de vier heren hun luisteraars uitgebreid uit tot het hanteren van de luchtgitaar.

Songs als titelnummer “Rise To The Mountain”, eerste single “Where Have You Gone”, het wervelende “Over Before You Know It” en vele andere hier zouden bezoekers van zo menig een zomerfestival een flinke adrenalineopstoot moeten kunnen bezorgen. Met als main attractions de werkelijk fenomenale, hoger ook al even geroemde pipes van zanger J.B. Jones en de onwaarschijnlijk vaardige vingers van gitarist Jimmy Rose.

Great stuff!

Hogjaw

 

ANDY SHAUF “The Bearer Of Bad News” (Party Damage Records / Tender Loving Empire)

(4****)

Wie houdt van het werk van acts als wijlen Elliott Smith, Ron Sexsmith en Fleet Foxes zal zich beslist ook geen buil vallen aan “The Bearer Of Bad News” van de jonge Canadees Andy Shauf. Diens niet zelden rond de thema’s liefde en berouw cirkelende “soft tales with strong bones” sluiten immers vrijwel naadloos aan bij het werk van genoemde acts. Tedere verleiders zijn het. Liedjes, die je met zachte hand mee naar binnen tronen in het fascinerende universum van Shauf.

De elf deunen op “The Bearer Of Bad News” hebben op de keper beschouwd eigenlijk gewoon iets volstrekt tijdloos over zich. Een prachtstem, dito songteksten en betoverende melodieën vinden er hun delicate voedingsbodem in. En dingen als het voorzichtig luchtige “Hometown Hero”, het ongemeen sfeervolle “I’m Not Falling Asleep”, de op dramatische wijze een overspelsituatie bezegelende murder ballad “Wendell Walker” en de afsluitende pianoballade “My Dear Helen” verdienen wat ons betreft dan ook een zeer ruim publiek.

Wie haalt er deze knaap snel eens naar ons land?

Andy Shauf

 

SPUYTEN DUYVIL “The Social Music Hour Vol. 1” (Spuyten Duyvil)

(3,5****)

Spuyten Duyvil is de naam van een me tot voor kort volslagen onbekend zestal vernoemd naar een buurt in de Bronx in hun eigen thuishaven New York City. In een productie van Joe Iadanza leverde dat collectiefje onlangs nochtans al z’n derde cd af. Naar eigen zeggen op te vatten als a love letter to Harry Smith’s “Anthology Of American Music”, dat werkstuk. En het bestaat dan ook zo goed als uitsluitend uit herinterpretaties van traditionals opgediept uit die vermaarde rootsmuziekbijbel.

En opvallend daarbij is met name de buitengewoon hechte manier waarop er wordt gemusiceerd. Kopstukken Beth Jamie Kaufman (Wat een stem!) en Mark Miller en hun kornuiten voelen en vullen elkaar werkelijk perfect aan. En dat zorgde op zijn beurt bij mij als luisteraar voor een lekker warm gevoel vanbinnen. Het maakte het op de keper beschouwd verdomd gemakkelijk om mee te gaan in Spuyten Duyvils nochtans eigenzinnige vertaling van al dat muzikale erfgoed naar het hier en nu. Vintage, ja. Oubollig, absoluut niet.

Met name dingen als “Keep Your Skillet Good And Greasy”, “Daniel”, “Barbara Allen”, “Reno Factory”, “The Cruel War” en het met gaste Dena Miller gedeelde “Make Me A Pallet” bleven me bij. Om het met onze Waalse medemens te zeggen: “Très sympa!”

Spuyten Duyvil

 

GORDIE TENTREES “Less Is More” (Buckaroo Records / Continental Record Services)

(4****)

Gordie Tentrees is wat je noemt een storyteller pur sang. Het soort van songsmid waarvoor je bij gelegenheid maar wat graag even alles aan de kant zet. Keer op keer weer weet de Canadees met z’n liedjes te beklijven. En dat is met het elftal op z’n door z’n gereputeerde landgenoot Bob Hamilton geproduceerde jongste weer niet anders. Dat van de veelzeggende titel “Less Is More” voorziene zesde album van de beste man is misschien zelfs wel z’n allerbeste so far. De vergelijkingen met knapen als een John Prine, een Fred Eaglesmith en in iets mindere mate ook een Bob Dylan mogen er wat ons betreft zeker weer voor uit de kast.

Het strafste staaltje van Tentrees’ kunnen is ditmaal naar ons gevoel het bepaald Dylan-esk aandoende “Somebody’s Child”. Dat schreef hij in april 2013 kort nadat hij getuige was van de bomaanslagen tijdens de marathon van Boston. De geruime tijd onbeantwoord gebleven vraag of zijn vrouw, één van de vele duizenden deelnemers aan dat evenement, al dan niet de aankomstlijn gehaald had, liet begrijpelijkerwijze diepe sporen na.

Bijna even aangrijpend is vervolgens ‘s mans sprankelende ode aan het adres van z’n onfortuinlijke landgenote Jessica Frotten. Zo’n beetje het Canadese equivalent van onze eigenste Marieke “Wielemie” Vervoort, die buitengewoon moedige rolstoelatlete. Verdere standouts op “Less Is More”: het zich bijna onopvallend een weinig richting bluegrass ontrollende en en passant met het onderwerp liefde dollende “Keno City”, het aan de verhalen van diverse “helden van alledag” opgehangen “Broken Hero” en het op werkelijk hartverwarmende wijze op uit hun rol vallende vaders inzingende “Deadbeat Dad”. En dan vergaten we bijna nog het in Nederland gepende titelnummer. Dat schreef Tentrees nadat hij de nacht had doorgebracht in een bed waarin ook de grote Townes Van Zandt kort voor z’n dood nog geslapen had.

Enige vreemde in de bijt is op “Less Is More” het door collega’s Mary Gauthier en Kerri Powers aangedragen “Camelot Hotel”, je wellicht ook al wel bekend van het album “Filth & Fire” van de eerste van dat tweetal. Dat liedje krijgt van Tentrees een nagenoeg perfect bij de rest hier aansluitende vertolking mee.

Gordie Tentrees, CRS

 

LEE PALMER “Like Elway” (On The Fly Music)

(3,5****)

Voor Lee Palmer gaat het de jongste jaren plots allemaal wel heel erg snel. Na een leven gevuld met muziek debuteerde de beste man in 2013 uiteindelijk met de concertregistratie “One Take: Live At Canterbury”. De vele positieve feedback daarop gaf vervolgens al heel snel aanleiding tot een opvolger. Die verscheen nauwelijks een jaar later met “60 Clicks”. En nu is er met “Like Elway” dus ook al een derde van de Canadese singer-songwriter, die ons stemgewijs soms een heel klein beetje herinnert aan z’n Amerikaanse collega Bob Cheevers.

Met dat nieuwe album onderstreept Palmer andermaal vooral de stelling, dat hij niet gemakkelijk te categoriseren is. Met een eigenzinnige mix van elementen uit genres als country, folk, Americana, blues en jazz bestrijkt hij immers nogal wat rootsterrein. En dus blijkt de ondertitel van “Like Elway” achteraf gezien ook best wel gerechtvaardigd. Daarin heeft Palmer het met betrekking tot z’n nieuwe materiaal immers over “an original collection of roots music”. Van de accordeongewijs met wat bayou spice opgewaardeerde rootsy rocker “Rockin’ This Chair” over de mooie, ergens tussen roots pop en country strandende pianoballade “Life’s A Mess”, het lijzige, überhaupt behoorlijk jazzy uitgevallen “Those Winter Blues” en het zacht swingende “Lonely At The Top” tot de door gaste Mary McKay van wat fraaie vocale ondersteuning voorziene talking country blues van het titelnummer, van het door Roly Platt op de mondharmonica ingeleide en ook verder onderbouwde “This Feels Like One Of Those Days” tot het volop van mooi ingetogen accordeonwerk van Lance Anderson profiterende “Maybe That’s Why”, het zijn heil nadrukkelijk in een rock groove zoekende “Have A Wonderful Life” en catchy afsluiter “Axe To Grind”, negen zeker onder die vlag passende ladingen levert hij er ons mee af. De ene eerder serieus, de andere juist heel lichtvoetig. Variatie op elk vlak troef, moet je maar denken.

Voor de productie van “Like Elway” tekende Palmer zelf samen met z’n maatje Elmer Ferrer. En op de gastenlijst stootten we naast op de namen van de al genoemde Mary McKay en Roly Platt ook op die van Joaquin Nunez, die bijdragen leverde op cajon en wat percussie-instrumenten.

Lee Palmer

 

BROCK ZEMAN “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” (Busted Flat Records)

(4****)

Ik mag mezelf graag zien als een fan van het eerste uur van Brock Zeman. Gelijk al van bij “Cold Winter Comes Back” uit 2003 en het daaropvolgende “Songs From The Mud” uit 2005 zat ik op de eerste rij voor die Canadese songsmid. Steeds weer wist hij me door de jaren heen te charmeren met z’n liedjes en z’n verhalen. Vooral de wat rustigere dan. Daarmee vond hij wat mij betreft z’n eigen stekje ergens heel dicht in het kielzog van groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Steve Earle.

Ondertussen zijn we elf albums diep in ’s mans carrière aanbeland en vallen bij het beluisteren van z’n nieuwe worp eigenlijk vrijwel meteen twee dingen op. Enerzijds kan je er absoluut niet naast luisteren, dat hij tekstueel nog steeds op een bijzonder hoog niveau acteert. Anderzijds valt echter vooral zijn shift naar andere muzikale wateren op. Met de tien liedjes op “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” lijkt Zeman nadrukkelijk een water ruimer publiek te willen aanspreken. Zonder zichzelf daarvoor compleet te verloochenen lonkt hij daarop net geen drieënveertig minuten lang naar wat meer erkenning. En als er al zoiets als rechtvaardigheid bestaat, dan zal hij die met z’n nieuwe songgoed oogsten ook.

Van het meer gesproken dan gezongen op de eigen creatieve werkzaamheden ingaande titelnummer tot het zachtjes rockende “Walking In The Dark”, van het wat grimmig aandoende alternatieve popdeuntje “Sweat” tot de een stuk radiovriendelijkere alternatieven daarop “Don’t Think About You Anymore” en “Little Details”, van de heerlijke rootsy rocker “Some Things Stay” tot de al even aansprekende pianoballade “10 Year Fight”, het voorzichtig funky uit de hoek komende “Drop Your Bucket” en het afsluitende tweetal “Dead Mans Shoes” en “Everybody Loves Elvis”, het blijken immers weer stuk voor stuk bijzonder lekkere liedjes. Minder rootsy dan voorheen, dat zeker, maar wel minstens nog even goed.

Brock Zeman, Busted Flat Records

 

JOHN COINMAN “Already Are” (Cavalier Recordings)

(3,5****)

Wel, wel, wel… Dat was al een poosje geleden! Van maart 2005 meer bepaald. Toen lieten we ons hier nog behoorlijk positief uit over “Songs From The Modern West”, de door Teddy Morgan geproduceerde laatste soloplaat van John Coinman, die – Zo zou weinig later blijken! – titelgewijs al een hint bevatte richting ’s mans eigen toekomst. Na die plaat cijferde Coinman zichzelf immers jarenlang weg voor een rol in de rugdekking van acteur Kevin Costner. Hij was zo’n beetje de drijvende kracht achter diens haar naam aan Coinmans laatste album ontlenende begeleidingsgroep Modern West. Vijf platen nam hij daarmee ondertussen ook reeds op. En niets lijkt erop te wijzen, dat het bij die vijf zal blijven ook. Of het zou Coinmans eigen onlangs verschenen zesde soloplaat moeten zijn dan.

Op die elf nieuwe liedjes van eigen hand bevattende worp laat de Amerikaan horen de voorbije jaren op muzikaal vlak flink geëvolueerd te zijn. In het gezelschap van Blair Forward (bas), Larry Cobb (drums, harmony vocals), Neil Harry (pedal steel), Peter McLaughlin (akoestische gitaren, harmony vocals), Teddy Morgan (productie, elektrische en akoestische gitaren, harmony vocals), Jon Coleman (keyboards) en de je wellicht ook van Twilight Hotel bekende Brandy Zdan (harmony vocals) vaart hij daarop immers vrijwel doorlopend een meer (roots)rockende koers. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik dat nu niet meteen een echte verbetering vind. Ik mis bij nader inzicht het wat meer gevarieerde karakter van eerder genoemde voorganger.

Wat echter niet wegneemt, dat je me met liedjes van het kaliber van “Oklahoma City”, “Five Minutes From America”, “Hey Man What About You” of de behoorlijk persoonlijk uitgevallen trage “Trusted Friend” altijd nog mag komen lastigvallen. Meer nog, die doen me nu alweer reikhalzend uitkijken naar Coinmans volgende doortocht doorheen Europa in oktober van dit jaar.

John Coinman, Cavalier Recordings

 

EILEN JEWELL “Sundown Over Ghost Town” (Signature Sounds)

(4,5*****)

Heeft eigenlijk nog nooit echt ontgoocheld, deze Eilen Jewell, en dat doet ze ook ditmaal weer absoluut niet. “Sundown Over Ghost Town”, haar inmiddels vijfde studioplaat onder eigen vlag, streelt andermaal twaalf nummers lang uitgebreid de zinnen. Die stem alleen al! Zachter dan het zachtste fluweel! Van een ontwapenende sensualiteit ook. Mooier worden ze eigenlijk gewoon niet meer gemaakt…

In het gezelschap van Jason Beek (drums, percussie en zang), Mavis Beek (zang), Steve Fulton (Hammond, Wurlitzer en zang), Jack Gardner (trompet), Jake Hoffman (pedal steel), de onvolprezen Jerry Miller (elektrische gitaar en mandoline) en Johnny Sciascia (staande bas) schildert Jewell hier in de schemerzone tussen country, folk en roots rock ruim zevenendertig minuten lang weer de mooiste miniatuurtjes. Soms heerlijk onderkoeld twangend zoals in het aan haar thuishaven Boise in Idaho gewijde streepje country noir “My Hometown” of het met leuk koperwerk gelardeerde “Rio Grande”, maar veelal toch in eerder rustige modus. Bedaarde singer-songwriter Americana genre openingsnummer “Worried Mind”, “Hallelujah Band” en “Half-Broke Horse” overheerst op “Sundown Over Ghost Town”. De ene keer wat meer overhellend richting traditionele dan wel alternatieve country (“Needle & Thread” en “Down The Road”), de andere richting Americana (de moordballade “Some Things Weren’t Meant To Be”), country rock (“Pages”), ja zelfs jazz en blues (“Here With Me”).

Thematisch worden door Jewell this time around onder meer de geboorte van haar eerste kindje en haar recente terugkeer naar het hoger al even vermelde Boise aangekaart. Twee gebeurtenissen, die haar, afgaande op de eraan ontsproten fraaie muziekjes, duidelijk heel erg veel deugd hebben gedaan.

Eilen Jewell, Signature Sounds

 

DANNY & THE CHAMPIONS OF THE WORLD “What Kind Of Love” (Loose Music / Bertus)

(4,5*****)

Met “What Kind Of Love”, de ondertussen toch ook alweer vijfde studioplaat van Danny & The Champions Of The World, knallen we de deur naar de zomer nu hopelijk eindelijk definitief wagenwijd open. Danny George Wilson en de zijnen zorgen nu alvast tien nummers lang voor de zo ongeveer perfecte soundtrack daarbij. Laat ze dus maar komen, die schier eindeloze zonovergoten dagen…

Met hun catchy mix van elementen uit soul, alternatieve country en rootsy folk rock slaan oud Grand Drive-kopstuk Wilson en z’n kampioenen hier voortdurend spijkers met koppen. Met als centraal thema nogal wat verschillende, niet zelden eerder onverwachte facetten van “l’amour” serveren ze echt de ene veritabele oorwurm na de andere. Ons daarbij her en der herinnerend aan ander schoon volk als een Southside Johnny, een Boz Scaggs, een Nils Lofgren, een Willy DeVille en een Jimmy LaFave.

Onwaarschijnlijk eigenlijk, dat Wilson een Brit is, z’n muziek is immers echt door en door Amerikaans. Mocht je daarvan na ook al geweldige eerdere albums als “Danny And The Champions Of The World”, “Streets Of Our Time”, “Hearts & Arrows”, “Stay True” en de live-dubbelaar “Live Champs” van vorig jaar nog overtuigd moeten worden, dan kan dat bijvoorbeeld met behulp van volgende luistersuggesties.

Wij gingen immers compleet overstag voor het met uitermate fijne blazers opgewaardeerde streepje soulvolle rock “Clear Water”, het tegen een met Motown flirtende beat neergelegde “Precious Cargo”, het hoegenaamd niets met de gelijknamige PIL-deun te maken hebbende countrysoul-kleinood “This Is Not A Love Song”, het onder meer met sprankelend gitaarwerk en dito koortjes echt wel schaamteloos om radioaandacht bedelende “Can I Change My Mind” en het zachtjes even aan de grote Eddie Hinton refererende slepertje “What Kind Of Love”.

Wie nog om een ideetje voor z’n zomerfestival verlegen zou zitten: deze Wilson is uw man!

Danny & The Champions Of The World, Loose Music

 

AD VANDERVEEN “Presents Of The Past / Requests Revisited” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Heel wat van Ad Vanderveens al wat oudere albums zijn al een poosje niet meer verkrijgbaar. Dat gegeven en het feit dat z’n fans tijdens optredens toch steeds weer naar nummers van die platen bleven vragen, deden onze noorderbuur ertoe besluiten om een aantal van die songs opnieuw op te nemen. “Requests Revisited” dus. Meer bepaald de songs “First Feeling”, “Anchor”, “Blues So Bad”, “Emigrant Family”, “The Moment That Matters”, “Well Of Wonder”, “Soul Power”, “Wonders Of The World”, “Driftwood”, “Still Now” en de als lang uitgesponnen hidden bonus track aangeboden Personnel-classic “Water Under The Bridge”. “Het voelt bijna alsof ik mezelf cover,” aldus Vanderveen zelf (zang, gitaren, harmonica, bas, percussie en autoharp) over de oogst van z’n noeste arbeid samen met René Kaaij (drums, bas, piano, Hammond, accordeon, percussie en zang), Kersten DeLigny (zang en percussie), Jim Morrison (viool), Karen Joy McCoy (viool), Maaike Peterse (cello), Timon van Heerdt (mandoline), Rob van Duuren (pedal steel) en Dimitri Vlaanderen (percussie).

Tijdens de looptijd van “Requests Revisited” groeiden echter ook een heleboel nieuwe nummers. En ook die werden door Vanderveen ingeblikt. Zij het dan wel op een iets andere manier. Met een akoestisch combo in een klein theater zonder publiek meer bepaald. En die aanpak resulteerde bijna als vanzelfsprekend in een meer vintage aandoend (akoestisch) rootsgeluid. Met als absolute uitschieter wat ons betreft het door gaste Lynn Miles van wat fraaie harmony vocals voorziene “The Future Has Changed”. Gedachten aan Neil en Nicolette waren hier daarbij even niet al te ver weg…

Eigenlijk gewoon het beste van twee werelden, deze knappe dubbelaar… Enerzijds ideaal als opstapje voor allen die nog niet vertrouwd waren met Vanderveens wat oudere werk, anderzijds gewoon ook een prima nieuwe plaat. Waar wacht u eigenlijk nog op?

Ad Vanderveen, Blue Rose Records

 

BEN REEL “7th” (B. Reel Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De ster van Ben Reel is duidelijk rijzende. “7th”, zijn wel heel erg toepasselijk getitelde nieuwe, zou als u het ons vraagt wel eens ‘s mans definitieve doorbraak kunnen gaan betekenen. En die verdient de Ierse songsmid wat ons betreft ook volop. Met het ook al vrijwel unaniem lovend onthaalde “Darkness & The Light” van een jaar of twee geleden pakte hij ons al eens genadeloos in en dat doet hij met die zevende worp spelenderwijze opnieuw.

Heerlijk gewoon, hoe de beste man daarop uit een veelheid aan stijlen toch een samenhangend geheel met een eigen smoelwerk weet te puren. Rock, soul, blues, Americana, folk, country,… U zegt het maar! Reel staat hier eigenlijk open voor zo ongeveer alles. Net geen vierenvijftig minuten lang fietst hij behendig tussen tal van stijlen heen en weer. En dat levert en passant nogal wat beklijvende momenten op.

We noemen er hier alvast enkele. Openingsnummer “Lucky Streak” bijvoorbeeld meteen al. Dat blijkt immers een werkelijk rete-aanstekelijk rootsrockdeuntje. En het meteen daaropvolgende “One Of These Days” doet bijna op z’n Mellencamps iets heel moois tussen country en rock. Oorwurm “Say” op zijn beurt moet het dan weer hebben van een behoorlijk sixties aandoende vibe, “Reflection Of The Blues” flirt zonder schroom met het genre uit z’n titel en “Back On The Road” is Heartland rock van het betere soort.

Verder ook nog als ronduit uitstekend te bestempelen: het soulvol een aardig eindje wegrockende “Meant To Be”, de sfeervolle alternatieve countrysleper “Many A Time”, het sympathieke stampertje “Gimme Some Room”, de ook al van de soul bulkende trage “Given It All” en de daar perfect bij aansluitende pîanoballade “Coming Around Again”.

Echt een heerlijke plaat! Zo ongeveer de ideale soundtrack voor een hopelijk lange en hete zomer.

Ben Reel

 

DONNA ULISSE “The Songwriter In Me, The Demo Recordings” (Hadley Music Group)

(3,5****)

Sinds haar geslaagde overstap naar het bluegrassgenre nu zo’n jaar of acht geleden is ook de ster van Donna Ulisse als songsmid almaar helderder gaan stralen. Onder meer Claire Lynch, Diana Jones, Doyle Lawson & Quicksilver en de Del McCoury Band bedienden zich de voorbije jaren maar wat graag van haar liedjes. Dat gegeven en het feit, dat ze ook als instructrice van songwriting workshops een erg graag geziene gaste werd, zetten Ulisse er vorig jaar toe aan om met een eerste eigen boek uit te pakken.

Dat laatste is opgevat als een soort van eerbetoon aan de kracht van verbeelding, werd gekruid met nogal wat persoonlijke anekdotes en is ook bepaald genereus bij het verstrekken van inzichten voor het schrijven van liedjes. En als een soort van toetje bevatte het ook de teksten van vierentwintig liedjes van Ulisse, bedoeld naar eigen zeggen vooral om de lezer ervan in te wijden in rijm, metrum en songstructuur. En aan die collectie songs werd nu ook een nieuwe cd besteed. Opgenomen als het ware als demo’s, eerder schaars geïnstrumenteerd dus. Met als doel “to truly showcase the song”. En het moet gezegd, dat leidt hier tot bij momenten echt wel verbluffend mooie resultaten. Veel meer dan de akoestische gitaren van Glen Duncan, Kenny Smith of Tony King is er doorgaans niet nodig om nachtegaaltje Ulisse volop te laten schitteren. Een occasioneel opduikende banjo of fiddle en de vrijwel alomtegenwoordige harmonies van Rick Stanley even buiten beschouwing gelaten dan.

Heel wat van de liedjes op “The Songwriter In Me” belandden eerder al wel op andere releases van Ulisse. Deren doet dat echter niet echt, aangezien het daarbij om instrumentaal gezien wél flink in het pak gestoken versies ging, terwijl hier, zoals eerder al gesteld, juist de naakte schoonheid van de liedjes centraal staat. Een aantal van de overige deuntjes mogen we, aldus Ulisse zelve, al zien als een soort van voorbode op een binnenkort te verschijnen nieuwe cd.

RIYL: Emmylou Harris, Dolly Parton, Claire Lynch, Alison Krauss.

Donna Ulisse

 

ALECTRO “School Of Desire” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Alectro, nooit van gehoord,” zegt u? Troost u, u bent wellicht lang niet de enige. Ook wij bijvoorbeeld al fronsten de wenkbrauwen flink bij het horen van die naam. We verwachtten er om eerlijk te zijn zelfs allesbehalve een rootscollectiefje achter. En toch blijkt dat het geval. Nu ja, een collectiefje, een duo eigenlijk. Een duo bestaande uit veteranen Jeff Eyrich en Steve Kirkman. En vooral de naam van die eerste zou wél een belletje moeten doen rinkelen. Als producer was die Eyrich immers mee verantwoordelijk voor enkele albums, waarvan u er vast wel één of meer op de plank heeft staan. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “The Hard Line” van The Blasters, “Everywhere At Once” van The Plimsouls, “The Las Vegas Story” van de Gun Club, “Long Gone Dead” van Rank & File en “Proof Through The Night” van T-Bone Burnett. Meer dan genoeg, lijkt ons, om uw aandacht serieus mee aangewakkerd te hebben…

Samen met z’n maatje Steve Kirkman, een veelgevraagd gitarist en producer, trekt hij op “School Of Desire” aardig wat registers open. Probeert u het zich maar eens voor te stellen… Je houdt van surfgitaren, de spaghetti western soundtracks van Ennio Morricone, Duane Eddy twang, blues, country, rock & roll en wel meer en dat moet dan allemaal onder één en hetzelfde muzikale dak. Zó en niet anders klinkt “School Of Desire”! Als één lange weirde trip langsheen alle mogelijke muzikale voorkeuren van het duo Eyrich en Kirkman. En als het even kan vaak zelfs liefst meerdere in één en hetzelfde nummer.

Negen eigen nummers van beide betrokkenen worden op “School Of Desire” afgewisseld met covers van “Hard Travelin’” van Woody Guthrie en “Tobacco Road” van John D. Loudermilk, u allicht beter bekend in de uitvoering van The Nashville Teens.

Hoogst apart allemaal, maar allicht juist ook mede daardoor heel aantrekkelijk!

Alectro, Blue Rose Records

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “The End Of The Golden Age” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Album nummer drie ondertussen toch ook alweer voor het vanuit het Schotse Edinburgh de wereld op regelmatige basis een weinig opvrolijkende collectiefje The Wynntown Marshals. En net als z’n beide voorgangers, “Westerner” uit 2009 en “The Long Haul” van zo’n jaar of vier later, is ook die derde worp weer een erg knap geheel geworden. Een geheel, dat in zich het beste van twee werelden tracht te verenigen. Eén lange stoelendans tussen de Schotse roots van kopstuk Keith Benzie en de zijnen en hun nadrukkelijke voorliefde voor all things Americana als het ware. Lekker, lekker, lekker!

Catchy rootsy rock songs als het behoorlijk sixties aandoende “There Was A Time”, het voorwaar zelfs even nadrukkelijk met power pop flirtende “Dead Flowers”, het met Hannah Elton-Wall van The Redlands Palomino Company gebrachte “Red Clay Hill” en het in al zijn vinnigheid de Replacements-fan in ons vrijwel probleemloos in vervoering brengende “Better Than Yesterday” worden op “The End Of The Golden Age” afgewisseld met wat meer ingetogen momenten als het op beeldige wijze op een stukgelopen relatie terugkomende “Being Lazy”, “The Girl On The Hill”, een prachtig requiem voor een veel te jong overleden vriend, en het echt ongemeen sfeervolle “Idaho”.

En daarnaast zijn er natuurlijk ook nog de voor de Marshals ondertussen zo’n beetje typisch geworden verhalende liedjes. Onder die vlag horen this time around onder meer het licht psychedelische “Metagama” en het klaaglijke “Moby Doll” thuis.

Als u het ons vraagt echt wel een uitstekende plaat, deze nieuwe van Benzie en co.

The Wynntwon Marshals, Blue Rose Records

 

GIANT SAND “Heartbreak Pass” (New West Records / ADA Warner Music)

(3,5****)

Op 21 mei aanstaande is Howe Gelb weer eens in het land. Met Giant Sand doet hij dan meer bepaald Het Depot in Leuven aan. En in afwachting daarvan is er nu alvast reeds het de dertigste verjaardag van die band bezegelende “Heartbreak Pass”.

Voor de productie daarvan tekende Gelb zelf. En dat was wellicht geen kwaad idee. Zijn experimenteerdrift kent op “Heartbreak Pass” als vanouds immers weer absoluut geen grenzen. Zelf vindt hij dat de plaat mede daardoor eigenlijk in drie volumes uiteenvalt. Het eerste daarvan noemt hij “a loud and lucky abandon, as if there’s no choice”, het tweede valt eerder onder de noemer Americana, het derde is bedoeld voor “late night musings”.

Inblikken deed Gelb “Heartbreak Pass” met de dezer dagen uit Thøger Lund, Gabriel Sullivan, Brian Lopez, Jon Villa, Peter Dombernowsky, Nikolaj Heyman, Anders Pedersen, Iris Jakobsen en Asger Christian bestaande line-up van Giant Sand. Naast usual suspects op de gastenlijst als Maggie Björklund (pedal steel) en Lonna Beth Kelly (zang) waren vooral zij het, die Gelbs ideeënrijkdom naar iets tastbaars hielpen verklanken. Nu ja, aan gasten anders ook geen gebrek, hoor! Zo merkten we en passant onder meer ook nog bijdragen van Jason Lytle van Grandaddy, Steve Shelley van Sonic Youth, Grant-Lee Phillips, de Italiaanse groep Sacri Cuori, onze noorderburen van The Common Linnets, PJ Harvey-maatje John Parish en oud Sand-drummer Winston Watson op.

Zeker geen gemakkelijke plaat, dit. Al is ze naar Gelb-normen eigenlijk al bij al nog redelijk toegankelijk.

Onze onverbintelijke luistertips: de echt wel héél erg lekkere garagerocker “Hurtin’ Habit”, de fraaie, met Ilse Delange in een opvallende gastrol ingeblikte alternatieve countrysleper “Man On A String” en ingetogen beauty “Eye Opening”.

Giant Sand, New West Records

 

DAR WILLIAMS “Emerald” (Bread & Better Music / Bertus)

(4****)

Ik zou nu, na amper een paar luisterbeurten, al zo ver durven te gaan, om “Emerald”, de ondertussen veertiende volwaardige langspeler van de Amerikaanse Dar Williams, als haar allerbeste tot op heden te bestempelen. Haar meest ambitieuze so far is het hoe dan ook. Een vlugge blik op de werkelijk tot de rand toe gevulde gastenlijst volstaat allicht al om je daarvan te overtuigen. Vrienden als een Richard Thompson, een Courtney Jaye, een Jonny Polonsky, een Jill Sobule, een Jim Lauderdale, de Hooters, de Milk Carton Kids en Lucy Wainwright Roche en haar moeder Suzzy werden door Williams graag bereid gevonden om een handje toe te komen steken tijdens het realiseren van haar nieuwe worp. En dat vertaalde zich uiteindelijk naar net geen drie kwartier folk pop van het betere soort.

Van het met name door de lap steel van Josh Kaler en de harmony vocals van Courtney Jaye flink opgewaardeerde sfeerstukje “Something To Get Through” tot het met onder meer Jonny Polonsky en Jill Sobule op nagenoeg onweerstaanbare wijze recht richting het object uit z’n titel gecatapulteerde “FM Radio”, het ijle “Empty Plane” of het met Richard Thompson gasterend op de elektrische gebrachte titelnummer, van het samen met Jim Lauderdale gepende en ook in duet met deze laatste gebrachte streepje poppy country soul “Slippery Slope” tot het op ongemeen catchy wijze op liefdestwijfels ingaande “Here Tonight”, de heerlijke ballade “Girl Of The World”, het met de wonderlijke Milk Carton Kids gedeelde “Mad River”, het met Suzzy en Lucy Wainwright Roche een aardig eindje richting de sterren gezongen “Weight Of The World”, het zachtjes twangende “Johnny Appleseed”, gebracht met de je ongetwijfeld ook nog wel van hun wereldhit “Satellite” uit 1987 bekende rockband The Hooters, en de afsluitende late night piano ballad “New York Is A Harbor”, je zal je hier als luisteraar echt hoegenaamd geen moment lang vervelen.

Knappe teksten verpakt in puntgave liedjes, gebracht door een zangeres met een fantastisch mooie stem, begeleid door louter topmuzikanten, zeg nu zelf, wat kan een mens zich nog meer wensen? Niet echt veel, toch…?

Dar Williams

 

GUY VERLINDE “Better Days Ahead” (Parsifal / DixieFrog / Bertus)

(4****)

Nu al zo’n zeven jaar lang verbaast Vlaming Guy Verlinde keer op keer opnieuw zowel vriend als vijand met z’n platen. Als Lightnin’ Guy nam hij in diezelfde periode liefst zeven albums op, vertegenwoordigde ons land op de prestigieuze European Blues Challenge en speelde als solo act dan wel met z’n Mighty Gators het dak van zo menig een binnen- en buitenlandse zaal eraf. Het leverde hem in eigen contreien alvast de eretitel van “hardest working blues artist” überhaupt op.

Maar die vlag dekt eigenlijk al lang niet meer de gehele lading van Verlinde. Z’n eerste liefde, het bluesgenre, is al even niet langer z’n enige vlam. En als dusdanig valt z’n recente naamsverandering dan ook perfect te duiden. Vond hij het ooit nog een noodzaak om onder een ogenblikkelijk met de blues vereenzelvigd alias aan de slag te gaan, dan acht hij nu de tijd rijp om met een veel ruimer rootspakketje naar z’n eigen naam terug te keren. En dus prijkt op het hoesje van z’n achtste album so far gewoon Guy Verlinde en niet langer Lightnin’ Guy.

Prima plaat overigens, die achtste. Elf nieuwe Verlinde-liedjes staan erop, goed voor net geen drieënveertig minuten blues- en rootsmuziek van de bovenste plank. In een productie van Gert Jacobs en met als special guests Luc Alexander (elektrische gitaar), Steven Troch (blues harp), Patrick Cuyvers (Hammond), Wladimir Geels (bas), Frederik Van den Berghe (drums en percussie) en Gertjan Van Hellemont en Cleo Janse (Backing vocals) houdt onze man je met sprekend gemak de hele rit lang bij de les. Van bij de met een over een fusée beenharde gitaargestuurde bluesrock gedrapeerde positieve boodschap “Better Days Ahead” over het sympathieke, ons voorzichtig een weinig aan Sonny Landreth herinnerende rootsrockopdondertje “Heaven Inside My Head” en de zwaar op de harp van Troch en de twin guitars van Verlinde zelve en Alexander leunende “doordouwer” “Wild Nights” tot en met de lieflijke afsluitende ballade “Don’t Tell Me That You Love Me”, het kan gewoon niet anders, hier moet je wel van houden!

Laat je net als ons volledig inpakken door dingen als de zeer radiovriendelijk verpakte, bijna speels opgevatte levensles “The One”, het Verlinde echt wel volledig op het lijf geschreven bluesrocksalvo “Feel Alive”, het bezwerende, zich nu al als gegarandeerde toekomstige publiekslieveling profilerende “Release Yourself From Fear” (Die Resonator! Heerlijk gewoon!), de soulvolle trage “Call On Me” of het al schokschouderend flink wat R&B in zich opzuigende “Learnin’ How To Love You”, je zal het je allerminst beklagen! Songs van dat kaliber maken van “Better Days Ahead” voor elke vaderlandse blues- en rootsliefhebber ontegensprekelijk een verplichte aanschaf.

Guy Verlinde

 

THE BLACK SORROWS “Endless Sleep” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De Australische Black Sorrows waren ooit één van mijn absolute lievelingsbands. Met name hun in respectievelijk 1988 en 1990 verschenen albums “Hold On To Me” en “Harley And Rose” heb ik echt grijsgedraaid. In het gezelschap van het (toen nog) achtkoppige collectief rond zanger-songsmid Joe Camilleri voelde ik me indertijd zo ongeveer in de zevende rootshemel. Liedjes als “The Chosen Ones”, “The Crack-Up”, “Chained To The Wheel”, “In The Hands Of The Enemy”, “Hold On To Me”, “Glorybound”, “Harley And Rose”, “Never Let Me Go”, “Hold It Up To The Mirror” en vele andere, ik mag ze tot op de dag van vandaag nog steeds heel erg graag horen. Meer nog, als je me zou verplichten een lijstje met mijn tien “eilandplaten” op te stellen, dan zou er daar van het genoemde tweetal zeker eentje tussen zitten. Om maar te zeggen…

Op een gegeven moment werd het hier echter heel erg stil rond de Black Sorrows. Later leerde ik, dat het de extreme vliegangst van band leader Joe Camilleri was geweest, die hen zowat volledig van de Europese radar had doen verdwijnen. In eigen land bleven de Sorrows al die tijd echter wel actief. En dus mogen we hier en nu ook niet echt van een comeback spreken. Veeleer van een nieuwe poging om Europa in te pakken. Iets wat kan omdat Camilleri ondertussen volledig van “z’n schrik om van de grond te gaan” verlost zou zijn.

Het eerste hernieuwde teken van leven is een uit de songcollecties “Endless Sleep” en “One More Time” bestaande dubbelaar. De eerste een verzameling covers van nummers van artiesten die voor het helpen vormgeven van de muziek van Camilleri en co van cruciaal belang zijn geweest, de tweede een na al die jaren als ideaal ruggensteuntje te bestempelen terugblik op het verleden van de groep. Onder meer de haltes JJ Cale (“Devil In Disguise”), Lou Reed (“Dirty Boulevard”), Blind Willie McTell (“God Don’t Like It”), Big Maybelle (“That’s A Pretty Good Love”), Warren Zevon (“Excitable Boy”), Jody Reynolds (“Endless Sleep”), Hank Williams (“I’m So Lonesome I Could Cry”), Skip James (“Hard Time Killin Floor”), John Coltrane (“Lonnie’s Lament”), Gil Scott-Heron (“Better Days Ahead”), Mississippi Fred McDowell (“61 Highway”), King Floyd (“Baby Let Me Kiss You”), Willy DeVille (“Story Book Love”) en Eddie Hinton (“Just Like The  Fool That I Was”) worden op cd1 aangedaan. Verrassend genoeg niet Van Morrisson, de man met wie Camilleri in het verleden vooral stemgewijs meer dan eens werd vergeleken.

Op het tweede schijfje een soort van best of the Black Sorrows met achtereenvolgens “Lucky Charm”, “Lovers’ Story”, “Hold On To Me”, “Life’s Sad Parade”, “Chosen Ones”, “Snake Skin Shoes”, “Country Girls”, “Ain’t Love The Strangest Thing”, “Harley & Rose”, “Dear Children”, “Little Murders”, “Daughters Of Glory” en “A Fool And The Moon”. Leuk! Als “kennismaking met” dan wel als “geheugenopfrissertje”, dat mag je voor jezelf uitmaken…

Om je een idee te vormen van het geluid van de Sorrows volstaat het indien nodig om je het kruispunt tussen elk van de hoger genoemde invloeden in te beelden. Pop, (roots) rock, blues, funk, R&B, jazz, country, folk, je zegt het maar, Camilleri en co draaien de hand hier echt zo goed als nergens voor om…

The Black Sorrows, Rootsy

 

SHELBY LYNNE “I Can’t Imagine” (Rounder Records / Universal Music)

(5*****)

Er lijkt dezer dagen maar geen einde te willen komen aan de gestage stroom aan lichtjes fantastische platen. Er gaat hoegenaamd geen week voorbij, of er belanden hier wel een paar albums op de schrijftafel, die we zonder verpozen toevoegen aan de check list voor onze “definitieve tien” van 2015, straks aan het einde van het jaar. “I Can’t Imagine”, de zopas verschenen nieuwe van de als immer geweldige Shelby Lynne, is de volgende in het ondertussen al fameus lang geworden rijtje. Geen twijfel over mogelijk! Haar dertiende volwaardige langspeler behoort immers ontegensprekelijk tot het allerbeste op het repertoire van Lynne. Te situeren ergens in de buurt van haar eigen all-time classic “I Am Shelby Lynne” uit 2000!

Tien liedjes telt Lynne’s debuut voor huis van vertrouwen Rounder Records. Twee daarvan schreef ze samen met Ron Sexsmith, twee met Pete Donnelly (Figgs, NRBQ), eentje met haar producersrechterhand Ben Peeler, de rest gewoon in haar eentje. En er zitten verdorie nogal wat klassiekertjes in spe tussen! Van de werkelijk bloedmooie poëtische roots pop van openingsnummer “Paper Van Gogh” tot het al even fantastische streepje Southern soul dat “Back Door Front Porch” is, van het broeierige, in zo ongeveer dezelfde R&B-wateren als collega’s Bonnie Raitt en Susan Tedeschi actieve “Sold The Devil (Sunshine)” tot het op een bedaarde zuiderse rock groove leunende “Down Here”, van de met Ron Sexsmith gepende sensuele soulopstoot “Love Is Strong” tot de bezwerende schuifel-Americana van “Better”, van de door Leni Stern van een enigszins exotisch aandoende intro voorziene sleper “Following You” tot het afsluitende titelnummer en andere, je zal hier echt vergeefs op ook maar één enkel teken van zwakte zitten wachten.

Net geen eenenveertig minuten lang onderstreept La Lynne andermaal een heel “grote madam” te zijn. En ik zou dit album dan ook voor geen geld in de wereld meer willen missen!

Shelby Lynne

 

ELLIOTT MURPHY “Aquashow Deconstructed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ruim tweeënveertig jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat Elliott Murphy debuteerde. In 1973 was dat, met het ook nu nog altijd van harte aan te bevelen “Aquashow”. Een eersteling die wat ons betreft alle indertijd gespuide lovende kritieken volop verdiende.

Nu, op z’n toch ook al zesenzestigste, waagt de meester-songsmid zich aan een complete herinterpretatie van het bewuste album. Een beslissing naar eigen zeggen vooral ingegeven door het feit dat een aantal van de songs erop nog steeds vast deel uitmaken van z’n live-repertoire. Dingen als de klassieker “Last Of The Rock Stars”, het met name gevoelsmatig voorzichtig Bowie-eske “How’s The Family” en het heerlijk rockende “White Middle Class Blues”. Deze en andere songs worden op “Aquashow Deconstructed” op intrigerende wijze naar het hier en nu geloodst. Voorzien van compleet nieuwe arrangementen worden ze klaargestoomd voor een tweede leven. Murphy zelve (zang, diverse gitaren en piano’s en harmonica) en z’n vaste secondant Olivier Durand (gitaar, mandoline en dobro) tekenen naar goede recente gewoonte voor het leeuwendeel van het werk. Maar ook Murphy’s zoon Gaspard is behoorlijk nadrukkelijk van de partij. Hij tekende immers voor de productie en gaf terloops eveneens acte de présence op respectievelijk gitaar, bas, keyboards en wat percussie-instrumenten. Tom Daveau op drums, David Gaugué op cello en Thomas Roussel op viool doen de rest.

Of Murphy hier veel nieuwe fans mee zal winnen, ik durf het luidop te betwijfelen, maar verliezen zal hij er zeker ook geen mee. “Aquashow Deconstructed” is immers gewoon een zoveelste parel aan z’n kroon. Niets minder dan een instant classic voor z’n doorgewinterde volgelingen.

Elliott Murphy, Blue Rose Records

 

DARRELL SCOTT “10 - Songs Of Ben Bullington” (Full Light Records)

(5*****)

Zoals zoveel anderen maakten ook wij pas na de veel te vroeg gekomen dood van Ben Bullington kennis met het werk van die werkelijk fenomenaal goede singer-songwriter. Achtenvijftig mocht hij helaas maar worden, maar met de albums “Two Lane Highway”, “White Sulphur Springs”, “Satisfaction Garage”, “Lazy Moon” en “Ben Bullington” zorgde hij voor een nalatenschap die hem op termijn wellicht een roep zal gaan bezorgen van het kaliber van die van een Townes Van Zandt, een Blaze Foley of een Guy Clark. The kind of stuff that legends are made of, zeg maar. En da’s iets wat nogal wat van ‘s mans collega’s al wel langer leken te beseffen ook. Onder anderen Mary Chapin Carpenter, Rodney Crowell en Darrell Scott droegen hem echt op handen.

En die laatste pakt nu, zo’n anderhalf jaar na de dood van Bullington, uit met wat je zou kunnen omschrijven als het ultieme eerbetoon aan een vriend. Een album, dat eigenlijk al was ingezet nog voor het overlijden van de songsmid uit Colorado. In de laatste drie maanden van diens leven was Scott hem immers iPhone-opnamen van door hemzelf ingezongen interpretaties van zijn liedjes beginnen te sturen. Naar eigen zeggen om Bullington een ander perspectief op z’n songs te gunnen. “To hear songs with 1 degree of separation – like you’re hearing someone else’s songs.” Helaas zou hij er niet veel voordeel meer uit puren.

Eén zo’n opname, een gezien Bullingtons tragische einde toch nog net wat pakkender uitvallende lezing van “I’ve Got To Leave You Now”, sluit “10” af. Het einde van net geen tweeënvijftig minuten van het allermooist denkbare muzikale vertier. Tien liedjes gevangen in hun naakte essentie. Ingeblikt over een tijdsspanne van drie dagen in de studio van Dirk Powell in Breaux Bridge, Louisiana en gewoon bij de beste man thuis. Met Scott enkel en alleen terugvallend op z’n eigen soulvolle stem en een minimum aan instrumentarium. We noemen onder meer wat geleende gitaren van onder anderen Ben Bullington zelve, Guy Clark en Christine Balfa, een banjo van Dirk Powell, enkele piano’s, een pedal steel en een staande bas.

“The One I’m Still Thinking About”, “Born In ‘55”, “Lone Pine”, “Thanksgiving 1985”, “Green Heart”, “His Chosen Time”, “Sage After Rain” en “In The Light Of Day” krijgen zo een liefdevolle beurt mee. Een in Texas ingeblikte live-versie van “Country Music, I’m Talking To You” vervolledigt het geheel.

“Ben’s songs are timeless,” aldus Scott zelve in de liner notes van “10”. “I loved getting right in the middle of these songs and offering my best – these songs are great songs: period.” En wie zijn wij dan om dat tegen te spreken, hè? Wij kunnen eigenlijk alleen nog maar beamen door hierbij aan “10” gelijk de status van ernstige kandidaat voor de titel “Album van het Jaar” te verlenen. Een album voor de eeuwigheid, hoe dan ook…

Darrell Scott

 

ELISA WAUT “Portraits And Landscapes” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

Oude liefde roest niet. Allez, da’s toch wat ze zeggen, hé. Zelfs tegen mensen als ondergetekende. Mensen met al meer dan voldoende levenskilometers op hun teller om die stelling doorgaans met een flinke korrel zout te durven nemen. Maar als het over Elisa Waut gaat, dan ben ik graag eens even niet zo sceptisch. Dan denk ook ik welwillend terug aan het verleden. Aan nagenoeg onweerstaanbare popdeunen als “Four Times More”, “After Today”, “Vanilla”, “We Sail Home Together” en andere, aan prachtalbums als “Commedia”, “Bloom Boom”, “Wood Nymph Blonde” en wel meer. Dat waren nog eens tijden!

U heeft het ondertussen al wel begrepen: het uit de ravissante Elsje Helewaut, haar broer Hans en haar levensgezel Chery Derycke bestaande Brugse trio was hier tussen 1985 en 1998 een bepaald graag geziene gast. Toen hield de groep na een eerdere tussenstop plots ogenschijnlijk definitief op te bestaan. Tot nu, that is. Want zo ongeveer out of the blue mogen we anno 2015 plots toch nog nieuw materiaal van Elisa Waut begroeten. En verdomd goed materiaal nog ook. Het allicht mooiste compliment dat je de drie met betrekking tot de twaalf nieuwe liedjes erop maken kan, is dat veel van het materiaal nagenoeg naadloos aansluit bij wat ze in hun topdagen brachten.

Noem het wat ons betreft maar pop met een gouden randje. Nogal nadrukkelijk mikkend op een al wat rijper publiek. Soms zweverig, soms luchtig. Behoorlijk sensueel bij momenten ook. Al hoeft dat natuurlijk niet echt te verwonderen met een stem als die van Elsje. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker! Ook zoveel jaren later nog! Zeventien om precies te zijn! Een geslaagde wedergeboorte in elk opzicht.

Eerste single “Blossom” kende u ondertussen misschien al wel. Als amuse kon dat nummer zeker tellen. Terugdenken aan de Elisa van weleer mocht, al zullen er ook best wel wat geweest zijn die dat catchy kleinood maar wat graag in hetzelfde hoekje als veel van het materiaal van Hooverphonic hadden ondergebracht. Iets waaraan het überhaupt nogal weelderig uitgevallen arrangeerwerk van Hans Helewaut zeker niet vreemd geweest zal zijn. En da’s hier zo goed als een constante. Hans tekende overigens ook voor de productie van het geheel.

Vervolgens is er het onderweg ergens aan het album zijn titel schenkende “Portrait”. Opnieuw een streepje vintage Elisa Waut. En ook hier weer aan sfeer absoluut geen gebrek. En ook dat blijkt verderop zoveel als een constante. Want of we het nu hebben over het bedrieglijk lichthartige “Come Back To Me”, het onder een subtiel laagje eigentijdse soul bedolven “The Key”, het op de één of andere manier wat klassiek uitvallende “How Many Stars?”, de wat ons betreft gedroomde singlekandidaten “Why Must Things Come To An End?” en “I Don’t Want To Get Hurt” of één van de dan nog resterende prachtdeunen hier, één ding hebben ze zonder uitzondering gemeen, ze baden echt in de sfeer.

Laat ons vooral hopen, dat het hier geen eenmalige reünie betreft…

Elisa Waut, Starman Records

 

BOB WAYNE “Hits The Hits” (People Like You Records)

(3,5****)

Daartoe vooral geïnspireerd door de magistrale “American Recordings” van wijlen Johnny Cash waagt Bob Wayne zich op zijn nieuwe worp voor het eerst aan covers van het materiaal van anderen. Vooral pop- en rockdingen passeren daarbij de revue. Waar wijlen The Man In Black in z’n nadagen veelal koos voor een sobere akoestische aanpak, gaat Wayne op “Hits The Hits” echter voor een full band-benadering. En dat in onvervalste outlaw style uiteraard.

Zo worden achtereenvolgens Led Zeppelin (“Rock And Roll”), Adele (“Skyfall”), Guns N’ Roses (“Sweet Child O’ Mine”), de Stones (“Sympathy For The Devil”), Eric Clapton/Bob Marley (“I Shot The Sheriff”), Gnarls Barkley (“Crazy”), de Red Hot Chili Peppers (“Under The Bridge”), Imagine Dragons (“Radioactive”), de Beatles (“Come Together”), Rihanna (“Disturbia”), The Offspring (“The Kids Aren’t Alright”), Meghan Trainor (“All About That Bass”) en Ozzy Osbourne (“Crazy Train”) door de country-mangel gehaald. En met door de band genomen best wel sympathieke resultaten ook. Daarbij natuurlijk volop profiterend van de vanzelfsprekend grote mate van herkenning, maar dat geeft wat ons betreft hoegenaamd niet.

Wij waren zo bijvoorbeeld heel erg te spreken over de twangy boom-chicka-boom-versie van Adele’s Bond-hitje “Skyfall”, de met origineel banjo- en fiddlewerk opgewaardeerde lezing van “Sweet Child O’ Mine” van Axl Rose en co, een overduidelijk met Cash voor ogen neergelegd “Sympathy For The Devil” en de als een klassieke country train song aangeboden metal classic “Crazy Train” van Ozzy Osbourne.

Ideaal spul als je het ons vraagt om tijdens de zich stilaan weer aandienende zomer goed gevulde festivalweides in no time mee naar z’n hand te zetten! Jawel, neem het maar van ons aan, deze Bob Wayne zal tijdens de maanden juli en augustus ongetwijfeld nog uitgebreid van zich doen spreken…

Bob Wayne

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home