CD-recensies mei 2016

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

DANIEL ROMANO “Mosey” - TONY JOE WHITE “Rain Crow” - MATT BAUER “Dream’s End” - REBEKAH LONG “Here I Am” - MATTHEW BARBER & JILL BARBER “The Family Album” - SAM FRAZIER JR. “Take Me Back” - MARA SIMPSON “Our Good Sides” - CLARENCE BUCARO “Pendulum” - BROOKS WILLIAMS “My Turn Now” - GUY VERLINDE “Rooted In The Blues” - WEST MY FRIEND “Quiet Hum” - REBECCA PRONSKY “Known Objects” - WILD PONIES “Radiant” - ELLY KELLNER “Zinken & Zweven” - RODNEY DECROO “Campfires On The Moon” - DAVE MCGRAW & MANDY FER “Off-Grid Lo-Fi” - BJ BAARTMANS & MIKE ROELOFS “Ins Blaue Hinein” - ROB HERON AND THE TEA PAD ORCHESTRA “Something Blue” - LITTLE KIM AND THE ALLEY APPLE 3 “The Longest Mile” - THE LOWEST PAIR “Uncertain As It Is Uneven” en “Fern Girl & Ice Man” - HIDDEN AGENDA DELUXE “Pan Alley Fever” - ROD MELANCON “LA 14” - KACY & CLAYTON “Strange Country” - LILLY HIATT “Royal Blue” - MICHAEL FRACASSO “Here Come The Savages” - MARKUS RILL & THE TROUBLEMAKERS “Dream Anyway” - BILL PRITCHARD “Mother Town Hall” - KYLA BROX “Throw Away Your Blues” - MOUNTAIN HEART “Blue Skies” - SLOBBERBONE “Bees And Seas: The Best Of Slobberbone” - HACKENSAW BOYS “Charismo” - WILLIE NILE “World War Willie” - KRISTOFER ÅSTRÖM “Pipe Dream EP” - ERIC BIBB AND NORTH COUNTRY FAR WITH DANNY THOMPSON “The Happiest Man In The World” - BILLY SHADDOX “I Melt, I Howl” - THE MYSTIX “The Mystix Live: Rhythm And Roots” - BLIND LEMON PLEDGE “Pledge Drive” - THE CHAPIN SISTERS “Today’s Not Yesterday” - JUNE STAR “Pull Awake” - THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” - KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” - BEN KUNDER “Golden” - TEDDY THOMPSON & KELLY JONES “Little Windows” - EVA ALMAGOR “Against The Grain” - COURTNEY YASMINEH “Red Letter Day Unplugged” - THE VOODOO FIX “In Deep” - BLUE GRASS BOOGIEMEN “Grassified” - DANIEL MARTIN MOORE “Golden Age” - SUZETTE LAWRENCE & THE NEON ANGELS “Tear Up The Honky Tonk” - GRAHAM NASH “This Path Tonight” - RACHEL GARLIN “Wink At July” - THOMAS NORDLUND “Divide Avenue” - BASEMENT SAINTS “Get Ready” - JAMES HOULAHAN “Multitudes” - KEN DUNN & GYPSY STARFISH “The Great Unknown” - STEVEN CASPER & COWBOY ANGST “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head” - JIMMY RUGGIERE “Nicer Guy” - SPICEWOOD SEVEN “Still Mad” - IAN SIEGAL & JIMBO MATHUS “Wayward Sons” - BILL PRICE “I Can’t Stop Looking At The Sky” - JOHN PINAMONTI “The Usual” - BELLOWHEAD “Bellowhead Live, The Farewell Tour” - JOHN MCCUSKER “Hello, Goodbye” - MOULETTES “Preternatural” - AFRO CELT SOUND SYSTEM “The Source” - THE WESTIES “Six On The Out” - THE SUMNER BROTHERS “The Hell In Your Mind” - DAVE INSLEY “Just The Way That I Am” - MR. RICK “Mr. Rick Sings About God + Booze” - JONN DEL TORO RICHARDSON “Tengo Blues” - AD VANDERVEEN “The Stellar Cellar Band” - WALTER-SALAS HUMARA “Work: Part One” - SAM ALONE & THE GRAVEDIGGERS “Tougher Than Leather” - TOM GILLAM & THE KOZMIC MESSENGERS “Beautiful Dream” - CORINNE WEST “Starlight Highway” - SHURMAN “East Side Of Love” - JOSH HARTY “Holding On” - THE WOOD BROTHERS “Paradise” - LUTHER DICKINSON “Blues & Ballads (A Folksinger’s Songbook: Volumes I & II)” - TIM HOULIHAN “Another Orion” - GUNTHER BROWN “North Wind” - THE REVEREND SHAWN AMOS “The Reverend Shawn Amos Loves You” - FRANK SOLIVAN “Family Friends & Heroes” - BOB MARGOLIN “My Road” - THE INFAMOUS STRINGDUSTERS “Ladies & Gentlemen” - ERIC BRACE & PETER COOPER “C&O Canal” - MATT ANDERSEN “Honest Man” - DIVERSE ARTIESTEN “The Stockfisch DMM-CD/SACD Vol. 2” - BIRDS OF CHICAGO “Real Midnight” - GENE CLARK “Two Sides To Every Story” - JETBONE “Magical Ride” - SCOTT BRICKLIN “Lost Til Dawn” - CAM PENNER “Sex & Politics” - SIX STRING YADA “Diluted Roots” - VICKY EMERSON “Wake Me When The Wind Dies Down” - PAUL HANDYSIDE “Tide, Timber & Grain” - HEGE BRYNILDSEN “When My Man Comes To Town” - BUDDY MILLER & FRIENDS “Cayamo Sessions At Sea” - BEN ARNOLD “Lost Keys” - CAROLINE AIKEN “Broken Wings Heal” - WEST OF EDEN “Look To The West” - BIANCA DE LEON “Love, Guns & Money” - JOS HOL “Windvogel” - DORI FREEMAN “Dori Freeman” - MATTY CHARLES & KATIE ROSE “Catching Arrows” - THEO SIEBEN “Delphinidin” - FAY HIELD & THE HURRICANE PARTY “Old Adam” - SERGE EPSKAMP “Little Ships In Open G” - TRACTOR JERRY AND THE MUD BUCKET “Tractor Jerry And The Mud Bucket” - THE ROBERT BOBBY DUO “Folk Art” - ANNA LAUBE “Anna Laube” - AND THE GOLDEN CHOIR “Another Half Life” - AMELIA WHITE “Home Sweet Hotel” - KATE CAMPBELL “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” - CHRIS LATERZO “West Coast Sound” - SUSSEX “Parade Day” - ROB MCNURLIN “The Gospel Guitar” - DAVID BERKELEY “Cardboard Boat” - BUFORD POPE “The Poem & The Rose” - MATT EPP “Ready In Time” - LAVENDORE ROGUE “Light Up With…” - SIVERT HØYEM “Lioness” - JIM MALCOLM “Live In Perth”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

                                                                                                                                                                                                                                         

DANIEL ROMANO “Mosey” (New West Records / PIAS)

(3,5****)

Precies op tijd om samen te vallen met z’n doortocht doorheen de Lage Landen viel de nieuwe Daniel Romano hier op de deurmat. “Mosey” heet die schijf en het minste wat je ervan kan zeggen is dat ze verrast. Dat ze halsstarrig weigert om zich gemakkelijk in een hokje te laten duwen. En dat was exact Romano’s bedoeling ook. Vandaar ook de term Mosey. Zó en niet anders wil de Canadees dat we zijn muziek voortaan noemen.

Probeer bij gelegenheid zelf bijvoorbeeld maar eens een gepast label voor openingsnummer “Valerie Leon” te verzinnen. Maar zorg er dan wel voor over voldoende tijd te beschikken. Je zal het nodig hebben! Het is pop, maar ook rock. Het heeft soul, maar ook een licht psychedelisch kantje. Er zijn van de vitaliteit bruisende blazers, maar ook een deluxe dosis strijkers. Enfin, je ziet maar…

Vervolgens is er met “I Had To Hide Your Poem In A Song” één van de wat ons betreft allersterkste nummers van het geheel. Die krassende rocktrage trok met z’n priemende gitaarbijdrage op z’n Lennons diepe voren doorheen ons onderbewustzijn. (En ging hier dan ook meteen in heavy rotation.)

Het met Rachel McAdams gebrachte “Toulouse klinkt aansluitend daarop als een gemuteerde verre afstammeling van het onweerstaanbare “The Fool” van Lee Hazelwood met richting z’n einde wat onvervalste psychedelische yé-yé fun, “Hunger Is A Dream You Die In” heeft op zijn beurt iets van een experimenteergrage Glen Campbell, het uitbundige, aan een al bij al wat al te opzichtige woordspeling opgehangen “Mr. E. Me” stoeit op kunstige wijze met soul en sixties pop en “One Hundred Regrets” is een pianoballade à la de jonge Waits, maar dan wel zonder het gruis van diens onnavolgbare stem uiteraard.

“I’m Alone Now” is vervolgens opnieuw een volop richting de jaren zestig lonkende trage in net niet R&B style, “Sorrow (For Leonard And William)” klinkt als Leonard Cohen meets Scott Walker, “(Gone Is) All But A Quarry Of Stone” klaagt in het kielzog daarvan op z’n Dylans en “Maybe Remember Me” blijkt louter muzikaal gezien uit hetzelfde straatje als het hier eerder al genoemde “Mr. E. Me” afkomstig. Moeten dan nog de revue passeren: de eigenzinnige nachtbraker “The Collector” en afsluiter “Dead Medium”, een nog bij elke beluistering wat aan punch bijwinnende rocker.

Op 1 juni staat Romano op de planken van de Antwerpse Roma, één dag later doet hij het Dok in Gent aan. En ook in Nederland zijn enkele stops voorzien. Op 3 juni in De Oosterpoort in Groningen, op 4 juni in Tivoli Vredenburg in Utrecht, op 5 juni in Paradiso in Amsterdam en op 6 juni in zaal Doornroosje in Nijmegen meer bepaald.

Daniel Romano

 

TONY JOE WHITE “Rain Crow” (Yep Roc / V2)

(4****)

Ondertussen bijna een halve eeuw na zijn debuut “Black And White” flikt good old Tony Joe White het op z’n tweeënzeventigste maar weer eens. Met “Rain Crow” voegt hij een zoveelste pareltje toe aan zijn ook zo al behoorlijk indrukwekkende oeuvre. Ook zonder zo op het eerste gezicht nieuwe klassiekers genre een “Polk Salad Annie”, een “Steamy Windows”, een “Willie And Laura Mae Jones”, een “Roosevelt And Ira Lee” of een “Rainy Night In Georgia” erop intrigeert die nieuwe White weer ruim vijfenveertig minuten lang.

Werkelijk als geen ander weet Tony Joe White de eigenheid van het Amerikaanse Zuiden in z’n songs te vatten. Je voelt als luisteraar als het ware de voor de swamps aldaar kenmerkende vochtige warmte erin. En dat maar net niet tot zwetens toe. Van de lome bluesrocker “Hoochie Woman” tot de louter groove-gewijs ergens dicht in de buurt van wijlen J.J. Cale strandende murder ballad “The Bad Wind”, van het voorzichtig funky aandoende titelnummer tot het werkelijk hypernerveuze “The Opening Of The Box”, van de prachtige, soulvolle ballad “Right Back In The Fire” tot het samen met acteur Billy Bob Thornton gepende “The Middle Of Nowhere”, van de als vintage White te bestempelen trage story song “Conjure The Child” tot het afsluitende tweetal “Where Do They Go” en “Tell Me A Swamp Story”, White weet hier werkelijk over de gehele lijn te overtuigen.

Persoonlijk vind ik dit op de keper beschouwd zelfs één van z’n allerbeste platen überhaupt. En geloof me vrij, dat wil in het geval van The Swamp Fox best wel iets zeggen.

Tony Joe White

 

MATT BAUER “Dream’s End” (Crossbill Records)

(3,5****)

Muzikale zonderling Matt Bauer kan hier al sinds jaar en dag op goedkeurend gemompel rekenen. Met name zijn albums “Nandina” en “The Island Moved In The Storm” vinden wij echte blijvertjes. En beide platen krijgen hier dan ook geregeld nog een luisterbeurt. En geloof me vrij, dat is gezien de hoeveelheid muziek waar ik wekelijks aan moet echt niet zo evident.

En dat brengt ons meteen bij hét grote probleem met betrekking tot ’s mans nieuwe worp. Die grijpt ons al bij al in veel mindere mate dan de hoger genoemde platen bij de keel. “Dream’s End” is weliswaar een goede plaat, maar ze pakt ons niet op dezelfde manier als haar voorgangers in. En dat ondanks weer uitermate intrigerende teksten en een ogenblikkelijk uit de duizend herkenbaar geluid. Een geluid, te situeren ergens tussen Americana, indie folk en orkestrale pop. Met bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling Bauers überhaupt wat klagerig aandoende zang en met verder vooral ook nog hoofdrollen voor ’s mans eigen banjo en een heus bataljon aan strijkers. Wat vocale bijstand krijgt hij her en der van Emily Jane White en de zusjes Wanta.

Liedjes als “Fields, No Body”, “It Knows Not What It Is”, “I Am Trying To Disappear”, “Too Late”, “Silver Orchard”, “What The White Book Said”, “False Lights”, “Fox Kits” en andere behoren op de keper beschouwd tot Bauers rauwste en meest persoonlijke tot op heden. En met name in wat alternatiever ingestelde kringen zou hij er best wel eens heel erg hoge ogen mee kunnen gaan gooien. Maar zoals al gesteld, wij zullen eerder blijven teruggrijpen naar het hoger genoemde tweetal. Hopelijk neemt hij het ons niet al te kwalijk, onze Matt. We blijven per slot van rekening toch in de familie, hè…

Matt Bauer       

 

REBEKAH LONG “Here I Am” (LUK Records)

(4****)

Met de haar roots in het bescheiden Lincolnton, Georgia hebbende Rebekah Long dient zich een nieuw bluegrasstalent aan om meteen stevig aan de boezem te drukken en volop te koesteren. Op het zopas verschenen “Here I Am” presenteert ze zich immers als een echte wissel op de toekomst. Niet enkel met haar lenige kristalheldere stem, maar ook met haar liedjes slaat ze daarop voortdurend spijkers met koppen. In een productie van de hier ook zelf al regelmatig geroemde Donna Ulisse presenteert ze er daarvan een vijftal, aangevuld met materiaal van anderen tot in totaal dertien songeenheden.

Covers brengt ze zo onder meer van “I Know This Town” van de lichtjes fantastische Cheryl Wheeler, van Mel Tillis’ “Unmitigated Gall”, van het in de vroege jaren tachtig door Terri Gibbs de hitlijsten ingezongen “Somebody’s Knockin’”, van “I Washed My Face In The Morning Dew” van Tom T. Hall en van de Merle Haggard classic “The Fightin’ Side Of Me”. Dat laatste blijkt één van twee eerbetonen op “Here I Am”. Het andere is het sprankelende “Sweet Miss Dixie Deen”, opgedragen aan de vorig jaar overleden Dixie Hall, met wie Long sinds jaren een innige vriendschap onderhield.

Voor het eigen materiaal op “Here I Am” werkte Long nauw samen met Donna Ulisse en haar echtgenoot Rick Stanley. Samen tekenden ze onder meer voor het op wervelende en uitermate authentieke wijze het leven out in the country bezingende “Ain’t Life Sweet”, voor de op een vreemde manier bepaald soulvol aandoende murder song “Hairpin Hattie”, voor het op ingetogen wijze ook al een madam bezingende “Nellie Mae” en voor de hoger al genoemde tip of the hat aan het adres van wijlen Miss Dixie zaliger.

Bij het inblikken van al dat fraais kreeg Long hulp van een ware all-star cast aan sessiemuzikanten. Of wat dacht u van een team bestaande uit onder anderen banjovirtuoos Scott Vestal, bassist Mike Bub, mandolinetovenaar Jesse Brock, gitarist Dustin Benson en fiddler-dobrospeler Justin Moses? Met bovendien geregeld ook nog in de buurt voor wat vocale back-up Donna Ulisse en haar wederhelft Rick Stanley. Kon niet echt misgaan, toch?

En dat deed het dan ook niet. “Here I Am” is wat je noemt een echt plaatje van een plaat. Een delicatesse waaraan vooral liefhebbers van door mooie damesstemmen gedragen bluegrass een flinke kluif zullen hebben, maar zeker niet alleen zij.

Rebekah Long

 

MATTHEW BARBER & JILL BARBER “The Family Album” (Outside Music)

(4****)

Amper iets zo mooi als elkaar liefdevol in de armen sluitende verwante stemmen. Muziekgeschiedenisboeken staan er werkelijk vol mee. En vooral broederparen doen het in dat hoofdstuk meestal uitzonderlijk goed. Denk bijvoorbeeld maar aan de Everlys, de Louvins en de Delmores, om er zomaar voor de vuist weg wat van de bekendere te noemen. Maar het kan natuurlijk ook anders. Ook de stemmen van zingende broers en zussen gaan meestal uitzonderlijk goed samen. En niet zelden leveren ze zelfs gewoon nog mooier harmonieerwerk op. Met die wetenschap in het achterhoofd stortten we ons hier op “The Family Album”, het eerste werkstuk samen van de Canadezen Matthew en Jill Barber.

Elf veelal eerder ingetogen folk- & countryliedjes prijken er op die gezamenlijke maiden release. Vijf van eigen hand en een zestal covers. Van Bobby Charles brengen de twee zo “I Must Be In A Good Place Now”, van Gene MacLellan verbluegrassen ze het knappe “Song To A Young Seagull”, van Ian Tyson brengen ze huisfavorietje “Summer Wages”, van het repertoire van hun bekende landgenoot Leonard Cohen plukken ze het door Hy Zaret gepende “The Partisan”, bij Townes Van Zandt vonden ze geknipt songvoer in het wonderschone “If I Needed You” en van Neil Young ten slotte droeg met name de classic “Comes A Time” hun goedkeuring weg.

Van de vijf eigen liedjes blijken er drie van de hand van Jill en slechts twee van die van Matthew. Vonden wij op het eerste gezicht maar raar. Maar de gebrachte songs geven de twee wel degelijk gelijk. Het volop op de ingehouden spanning erin terende “One True Love”, de fraaie pianoballade “Today” en de al even geweldige Americana-trage “Big Picture Window” zijn stuk voor stuk ijzersterke liedjes van Jill. Liedjes, die zeker niet moeten onderdoen voor het verhalende “Grandpa Joe” en het sfeervolle “The Sweeter The Dawn”, de twee door Matthew bijgedragen stukken.

Kortom: zonder uitzondering straffe songs, gebracht door twee elkaar op wonderlijke wijze aanvoelende en aanvullende stemmen, tegen een muzikaal decorum dat hoegenaamd niets, maar dan ook niets te wensen overlaat. Veel meer mag je als luisteraar eigenlijk niet van een plaat verwachten…

Matthew Barber, Jill Barber

 

SAM FRAZIER JR. “Take Me Back” (Music Maker Relief Foundation)

(4****)

Aan fijne platen hoegenaamd geen gebrek dezer dagen! Er komt gewoon zoveel aan goeds uit, dat het ons steeds vaker aan de nodige tijd begint te ontbreken om er effectief ook wat over te schrijven. En dat is soms best wel jammer. Neem nu zo’n plaat als het onlangs verschenen “Take Me Back” van de vooralsnog eerder onbekende Amerikaan Sam Frazier Jr., hoe spijtig zou het niet zijn om daar met z’n allen gewoon aan voorbij te gaan. We zouden een heuse schatkist vol met geweldige Southern soul zomaar aan onze neus voorbij laten gaan.

Frazier is een obscuur soultalent uit Edgewater, Alabama, een klein mijnwerkersstadje ergens in de buurt van Birmingham. In de late jaren zestig en de vroege seventies nam de beste man in de door Neal Hemphill gerunde lokale Sound Of Birmingham Studios een heleboel veritabel topmateriaal op. Helaas voor hem – En voor ons! – zou dat echter nooit van de plank geraken. En een doorbraak op meer dan regionale schaal bleef voor de getalenteerde zanger-harmonicaspeler dan ook uit.

Gelukkig is er echter de Music Maker Relief Foundation nog. Die heeft zich precies tot doel gesteld om dit soort van artiesten te geven waar ze eigenlijk gewoon recht op hebben. Exposure zeg maar. En dat betekent in dit geval een zestiental songschoonheden gered van een stoffig einde. Songschoonheden als de zalige sleper “I Got To Tell Somebody”, het al even beklijvende titelnummer, het naar onze bescheiden mening toch echt wel over het nodige hitpotentieel beschikkende “Black And White Love”, het groovy “Drippin Honey”, het funky “No Account Man” en vele vele andere hier. Vreemd, dat labels als Stax dit ooit links hebben laten liggen. Gewoonweg onbegrijpelijk eigenlijk…

Music Maker Relief Foundation

 

MARA SIMPSON “Our Good Sides” (AWAL)

(4****)

Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal deze mooie Britse binnen de kortste keren de (roots)wereld weten in te pakken met haar stem en liedjes. In de vakpers in haar thuisland werd ze louter op basis van haar vocale prestaties onder meer al vergeleken met sirenes als Norah Jones en Annie Lennox, maar onze gedachten dwaalden bij het horen van die geweldige stem van ‘r al bij al toch net wat meer af richting dames als een Mary Chapin Carpenter, een Joni Mitchell en een Shawn Colvin. Richting een buurt waar het als liefhebber van hun habitat tussen (roots) pop en folk hebbende liedjes goed toeven is dus. Richting een buurt waar het je soulvol inleven in een liedje nog schering en inslag is.

“Our Good Sides”, Simpsons debuutplaat, blijkt werkelijk tot de nok toe gevuld met beklijvende songs. Liedjes gezegend met beurtelings catchy en wat meer van de luisteraar eisende melodieën en opgehangen aan aansprekende teksten. Met als primus inter pares wat ons betreft ontegensprekelijk het atmosferische “Ghosts”. Andere echte topmomenten: de ingetogen, met Olly Knights van Turin Brakes gebrachte beauty “In The Water”, het op bedaarde wijze en met vaste hand ook wat rock in het geheel injecterende “Keep Holding On”, met ditmaal een gastrol voor Ben Ottewell van Gomez, en vooral ook het ongemeen soulvolle “What I Would Give”. In verband met dat laatste zouden we hier zelfs durven te gewagen van een echte moordsong.

Voor de productie van het werkelijk bloedmooie “Our Good Sides” tekende Tim Bidwell.

Mara Simpson

 

CLARENCE BUCARO “Pendulum” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Wat hebben we aan deze man al veel plezier beleefd! De mini “Still Wide With Wonder” meegerekend inmiddels tien platen diep in z’n carrière is Clarence Bucaro hier door de jaren heen zo’n beetje tot het meubilair gaan behoren. Z’n langspelers “New Orleans”, “Sense Of Light”, “Sweet Corn”, “’Til Spring”, “Walls Of The World”, “Dreaming From The Heart Of New York”, “Hills To Home”, “Like The 1st Time” en nu ook “Pendulum” wisten en weten bij ons altijd weer de juiste snaar te raken. En dat eigenlijk al jarenlang met altijd weer ongeveer dezelfde ingrediënten.

En dan hebben we het natuurlijk in de eerste plaats over die honingzoete, fluweelzachte baritonstem van de man. Om van weg te smelten zo mooi! En als je zo’n fabuleus geschenk van moeder natuur dan ook nog eens met een flink uit de kluiten gewassen talent voor het schrijven van immer melodieuze liedjes weet te combineren, ja dan… Dan wordt weerstand proberen te bieden inderdaad zowat een compleet nutteloze onderneming. Dan duik je als luisteraar met het grootste plezier onvervaard in de vaak intimistische diepten van het zich voor je aandienende liedgoed.

Voor wat productionele bijstand bij het inblikken van z’n nieuwe worp wist Bucaro de u vast ook wel van z’n werk met onder anderen Ryan Adams en Wilco bekende Tom Schick te strikken. Samen tekenen ze voor tien veritabele melodieuze schoonheden van songs. Liedjes opgehangen aan bijzonder aansprekende, immer openhartige teksten. En ook dat schept natuurlijk een band. Probeert u bij wijze van proevertjes bijvoorbeeld maar eens de fraaie pianoballade “Love Like The Last Chance”, de ons terloops best wel wat aan die van Crowded House herinnerende roots pop beauties “My Heart Won’t”, “Tragedy” en “Watching You Grow”, het ergens in de buurt van de ongecompliceerde werkstukken van z’n collega Josh Rouse uitkomende streepje zomer “Barcelona”, het met de immer geweldige Alisson Moorer gepende en gedeelde ingetogen kleinood “Strangers” of titelnummer “Pendulum”. Wij kunnen het ons amper voorstellen, dat zulke fraaie liedjes als deze u volledig onberoerd zouden laten…

Clarence Bucaro

 

BROOKS WILLIAMS “My Turn Now” (CRS)

(3,5****)

Er zijn zo van die artiesten waarover een mens zich afvraagt, waarom ze nog niet lang veel en veel meer naambekendheid genieten dan dat vooralsnog het geval is. Echte talenten die eigenlijk al jarenlang meegaan zonder noemenswaardige successen te boeken. Brooks Williams is er zo eentje. De vanuit Statesboro, Georgia actieve Amerikaan is een prima zanger en een uitstekende songsmid en ook op de gitaar kan hij een alleraardigst eindje uit de voeten. Achtentwintig jaar lang al zit hij ondertussen in het vak. En z’n discografie oogt dan ook stilaan indrukwekkend. Maar zeg eens eerlijk, hoeveel van ’s mans platen zou u zo uit het blote hoofd kunnen opsommen? Dat dacht ik al, ja… Hoog tijd dan ook om daarin verandering te brengen. Laat ons alvast maar eens beginnen met een recensie van ’s mans nieuwste, het net verschenen “My Turn Now”.

Prima plaatje, hoor, dat in totaal elf songeenheden tellende geheel. Zeven daarvan droeg Williams zelf aan. En voorts zijn er ook nog “Your Mind Is On Vacation”, een wervelende lezing van die Mose Allison classic, het naar onze bescheiden mening werkelijk bloedmooie, bij Kris Kristofferson geleende “Nobody Wins” en van een nieuw arrangement voorziene versies van de traditionals “Hesitation Blues” en “Sitting On Top Of The World”.

De feestelijkheden worden voor geopend verklaard met het nerveuze Americana bluesje “Crazy Dance”. Vervolgens is er de groovy blues rocker “My Turn Now”. Dat laatste vonden wij één van dé absolute smaakmakers op Williams’ nieuwe. Samen met andere klasse-deunen als het speelse, her en der best wel wat aan het werk van Ry Cooder herinnerende tweetal “Nine Days’ Wonder” en “Darkness”, het op ingetogen wijze nog eens op de fatale sprong van stuntman Evil Knievel ingaande “Year Began” en het monumentale, louter groove-gewijs ergens in de buurt van J.J. Cale strandende “Joker’s Wild”.

Wat ons betreft heeft Williams overschot van gelijk met de titel van z’n nieuwe plaat: misschien moesten we hem met z’n allen inderdaad eindelijk maar eens die welverdiende beurt gunnen.

Brooks Williams

 

GUY VERLINDE “Rooted In The Blues” (Parsifal Records / DixieFrog)

(5*****)

The blues, the whole blues and nothing but the blues, da’s waar het op de nieuwe van (Lightnin’) Guy Verlinde gelukkig weer allemaal om draait. Op de opvolger van “Better Days Ahead” graaft de Vlaming niet enkel diep in het verleden van het genre dat hem al van jongs af aan zo lief is, maar troont hij ons terloops ook mee naar z’n eigen roots. Sommige van de liedjes op “Rooted In The Blues” dateren al van z’n dagen bij andere bandjes als Smokin’ Chillums, Backbone en Mo’ Rice, andere vormen ook nu nog vaste prik op het repertoire van de Mighty Gators. Iets wat op quasi volledig organische wijze heeft geleid tot een heerlijk gevarieerd geheel, tot een wellicht door zo goed als elke bluesliefhebber op luidkeels gejuich onthaald geschenk voor de nakende zomer. Want dat Verlinde hiermee gaat scoren op de planken van diverse podia hier te lande en ook tot ver daarbuiten, dat staat immers nu reeds onomstotelijk vast.

Samen met een aantal van de allerfijnste Belgische en Nederlandse muzikanten actief in de sectoren blues en roots scoort Verlinde hier met dertien originele lappen old school blues. We hebben het dan over schoon volk als Richard van Bergen (gitaren en backing vocals), Tiny Legs Tim (zang en gitaren), Steven Troch (harps), René Stock (elektrische en double bass), Frederik Van Den Berghe (drums en percussie) en Patrick Cuyvers (piano, Hammond en backing vocals). Een echt dream team zeg maar.

Afgetrapt wordt er met het echt van de joie de vivre barstende “I’ve Got You”, een lekkere shuffle ter ere van de lichtjes geniale Little Walter. Vervolgens is er het ook al heel erg lekkere “Soul Jivin’”, een nummer dat sommigen onder jullie misschien al zullen kennen van het in 2010 verschenen album “The Banana Peel Sessions”. Al wijkt de hier gebrachte versie van dat nummer behoorlijk af van die live-uitvoering. Ze is wat langzamer en leunt op een heerlijk diepe groove om ons het verhaal van Verlindes bekering tot de blues te vertellen.

Met “Drivin’ Home To You” volgt vervolgens één van onze absolute favorieten van “Rooted In The Blues”. Met dat nummer pikte Verlinde naar eigen zeggen aan bij de aanpak van good old Jimmie Vaughan. Het resultaat is een bijzonder smakelijk uitgevallen rock & roll shuffle, nu al een uitgesproken favoriet op z’n live-repertoire. Met het zomers lijzige “Thinkin’ About My Baby” gaat het daarna op soulvolle wijze richting Stax en Booker T. & The MG’s meer bepaald, prijsnummer “Goin’ Down To Missy Sippy” doet in het kielzog daarvan samen met Tiny Legs Tim de gelijknamige blues club in het Gentse aan en “Jump & Jive” is op zijn beurt een wervelende pot old school swing blues.

Een volgend uitgesproken hoogtepunt is meteen daarop de uit puur hartzeer opgetrokken sleper “I’d Rather Feel Lonely Tonight”. I guess that’s why they call it the blues… Wow! Gitaar, toetsen, harmonica, werkelijk alles klopt hier! En datzelfde kan je eigenlijk net zo goed zeggen van de daaropvolgende, duidelijk door Freddy King geïnspireerde instrumental “Nite Trippin’”. Al zijn het daarin met name de gitaar van Verlinde zelf en het Hammond-orgel van Patrick Cuyvers die de lakens naar zich toe trekken.

Een heus slotoffensief wordt vervolgens ingezet met de hypernerveuze boogie-opstoot “Winter Blues”. Samen met de op z’n Muddy Waters’ seksueel gekruide schuifelaar “A Whole Lot Of Lovin’”, het bij nader inzicht zowel door wijlen J.J. Cale, als door John Mooney en Sonny Landreth geïnspireerde slide-vehikel “Take Your Time”, het rauwe, jaren geleden al tijdens één van z’n vele bezoeken aan de Gentse Feesten gepende en nog maar eens z’n liefde voor Hound Dog Taylor betuigende “Let’s Have A Party” en de afsluitende shuffle “Treat Me Right” goed voor een machtig einde aan een überhaupt machtige plaat.

Als ons aller Duivels binnenkort even groots uitpakken als deze landgenoot hier, dan worden we gegarandeerd Europees kampioen. En mocht dat uiteindelijk toch niet het geval blijken, nu ja, dan bouwen we toch gewoon een feestje op de tonen van Guy Verlinde zeker…

Guy Verlinde

 

WEST MY FRIEND “Quiet Hum” (Grammar Fight Records)

(3,5****)

“Quiet Hum” is als ik het goed heb het ondertussen derde album van het vanuit het Canadese Vancouver actieve kwartet West My Friend. Eerder waren er immers ook al hun in 2012 verschenen debuut “Place” en “When The Ink Dries”, de erg knappe opvolger daarvan van een jaar of twee geleden. Twee albums waarop Eden Oliver (zang en gitaar), Alex Rempel (zang en mandoline), Jeff Poynter (zang en accordeon) en Nick Mintenko (zang en bas) er zo ongeveer alles aan deden om tussen de polen indie roots en kamerfolk zo origineel mogelijk uit de hoek te komen. Iets wat hen bijna als vanzelfsprekend al snel ook de nodige aandacht opleverde. En terecht ook! Hun muziekjes vielen immers vrijwel zonder uitzondering op door een catchy soort van speelsheid. Door een kunstig zijn zonder gekunsteld over te komen ook. Het maakte van de liedjes van West My Friend uitstekend radiovoer tout court.

En dan doen we even een copy-paste. Alles wat we hier al over de beide voorgangers van “Quiet Hum” te vertellen wisten, blijkt immers ook weer op te gaan voor dat nieuwe album van West My Friend. De lenige zang van met name Eden Oliver, het op vaak niets minder dan sprankelende wijze samengaan van akoestische gitaar en bas, mandoline en accordeon, de op geheel en al organische wijze richting andere genres als pop, jazz en klassiek meanderende folk- en rootsdeuntjes van het viertal, meer dan redenen genoeg om ook van het op “Quiet Hum” gebodene weer met volle teugen te genieten.

Zoals van het van de zorgvuldig opgebouwde spanning erin levende “No Good Monster” bijvoorbeeld. Een liedje, waarin op bijna speelse wijze wordt ingegaan op het vaak verlammende effect van perfectie nastreven. Nog zo’n beauty is de mede door Olivers fraaie uithalen de middelmaat ver overstijgende rootshybride “A Birthday”. Wij werden er voorwaar even helemaal sprakeloos van. Welbeschouwd heel eventjes maar. Want met het op subtiele wijze accordeongestuurde “Spruce Top” diende zich al snel één van de volgende hoogtepuntjes aan.

En tot dat selecte kransje zouden we hier verder zeker ook nog het bij hun landgenoot Zachary Gough geleende en van een Iers folkarrangementje voorziene “All Day Long”, het volledig in het Frans gebrachte “Tombée” en het door het wat aparte inzetten van Poynters accordeon erin meteen tussen de rest opvallende en zich tekstueel terloops op het thema kolonialisme stortende “The New World” willen rekenen.

Intrigerend spul zonder meer!

West My Friend

 

REBECCA PRONSKY “Known Objects” (Acme Hall Studios)

(3,5****)

Oorspronkelijk was het Rebecca Pronsky’s bedoeling geweest om haar nieuwe album “Known Objects”, de opvolger van het redelijk succesvolle “Only Daughter” van ondertussen zo’n jaar of drie geleden, gewoon weer samen met haar vaste partner in crime Rich Bennett op te nemen. Als duo dus eigenlijk. Vooral terugvallend op haar eigen fluwelen stem en de gitaarkunstjes van haar maatje. Maar het lot beschikte er enigszins anders over.

Nadat ze kort voordien samen een eigen opnamestudio uit de grond hadden gestampt bleek de verleiding plots immers te groot om daar ook niet zelf optimaal gebruik van te maken. Nogal wat plaatselijke muzikanten die er aan nieuwe projecten kwamen werken werden tot Pronsky’s groot jolijt graag bereid gevonden om een steentje tot “Known Objects” bij te dragen. En zo gebeurde het, dat haar nieuwe uitgroeide tot een heerlijk voldragen muzikaal geheel. Dat ze met andere woorden de ideale voedingsbodem vond voor haar als immer sublieme vocale prestaties. Prestaties, waarvoor her en der al wel eens vergelijkingen met die van K.D. Lang opdoken, om u enigszins een idee te geven.

Negen van de tien liedjes op “Known Objects” zijn eigen schrijfselen. Het tiende is een werkelijk zalige atmosferische cover van “Heatwave” van het lichtjes geweldige Schotse popgroepje The Blue Nile. Meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Known Objects”. Al staat de plaat daar echt wel vol mee, hoor! We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag ook nog de redelijk nerveuze alternatieve country van openingsnummer “Bag Of Bones”, de melodieuze Americana pop van “Nothing Yet”, de beklijvende pianoballade “Did You Know”, het verstilde “Shadow”, het net niet rockende en ons best wel wat aan Nanci Griffith herinnerende “Snowing Sideways” en afsluiter “No Matter”.

Best wel fijn spul!

Rebecca Pronsky

 

WILD PONIES “Radiant” (No Evil Records)

(4****)

“Radiant”, de nieuwe van het nu toch al een poosje als de Wild Ponies door het leven stappende tweetal Doug en Telisha Williams, is een lekker gevarieerde eigentijdse countryplaat geworden. Met zo ongeveer voor elk wat wils en voor elke mood een deun.

Afgetrapt wordt er met de door de twee samen met collega Amy Speace gepende omineuze rootsy rocksleper “Born With A Broken Heart”. De trein staat daarmee meteen stevig op de rails. Aansluitend daarop is er het titelnummer. Een mooie ballad is dat, goed voor net geen vier minuten introvert alternatief countryplezier. Via de pakkende country noir van “Tower And The Wheel”, het door Doug op z’n Joe Ely’s vurig aangejaagde countryrockertje “Mom And Pop” en het ongemeen snedige streepje wereldkritiek “Unplug The Machine”, een co-write met Robby Hecht nota bene, belanden we vervolgens bij “The Night We Never Met”, naar onze bescheiden mening één van de allermooiste nummers van het lot, een streepje innemende onderkoelde slow retro twang met een ontegensprekelijke hoofdrol voor de immer prachtige steel van Fats Kaplan.

“Big Blue Sun” blijkt op zijn beurt dan weer country rock van het wat je noemt eerder catchy soort, best wel een beetje funky ook, “Lullaby” lijkt in het zog daarvan te overleven van een op het geluid van neerkomende houwelen gebaseerd ritme en met “Home Is Where The Road Goes” belanden we mede dankzij Amelia White plots zomaar in de coole slipstream van Neko Case, alvorens er met het knappe “Graveyard Train” graag een bluesy blokje bij op het rockende countryvuur mag. Afgesloten wordt er met de bijna louter en alleen van de ingehouden spanning en passie erin levende duoprestatie “Love Is Not A Sin”. ’n Beetje op z’n Buddy & Julie’s, zeg maar…

Wild Ponies

 

ELLY KELLNER “Zinken & Zweven” (Elly Kellner)

(3,5****)

De Nederlandse Elly Kellner is met “Zinken & Zweven” inmiddels al aan haar vierde plaat toe. Eerder verschenen van haar ook reeds de EP’s “Elly Kellner” en “Ellybellyrep” en de volwaardige langspeler “Successfool”. Maar de kans is al bij al vrij groot, dat u haar eerder kent van enkele andere wapenfeiten. De afgelopen jaren toerde Kellner immers zowel met Matthews’ Southern Comfort als met Shannon Lyon. En ook op de albums “Broken Things” en “The Lights Behind” van die laatste was ze te horen, evenals op “Kind Of Life” van Matthews’ Southern Comfort.

Voor haar volledig in het Nederlands gebrachte nieuwe plaat ging Kellner een samenwerkingsverband met de hier de voorbije dagen wel eens meer opgedoken BJ Baartmans aan. Samen tekenden ze voor de productie van “Zinken & Zweven”. Baartmans leverde verder bijdragen op diverse gitaren, mandoline, bas, drums en wat percussie-instrumenten. Kellner zelf deed het op de akoestische, de fitnessbal, de belly rub, de casio en een zeldzame keer ook de elektrische gitaar.

Het resultaat van die gezamenlijke inspanningen is een heerlijk pure, hoegenaamd nergens gekunsteld aandoende collectie liedjes van een artieste die duidelijk weet wat ze wil. Een artieste, die het absoluut ook niet schuwt om haar eigen leven als uitgangspunt voor haar kunst te gebruiken. Voor liedjes rijk aan diepgang, geworteld in echte emoties. Een steeds zeldzamer wordend fenomeen, helaas…

Noem het kleinkunst, noem het folk, noem het roots, noem het wat ons betreft wat je wil, feit is, dat Kellner met haar liedjes weet te raken. Diep weet te raken zelfs. En dat hoeft geeneens te verwonderen ook, als je weet wat haar voornaamste betrachting ermee was. “Voor mijn nieuwe cd wilde ik graag zonder zelfcensuur schrijven en zingen over dingen die veel gevoeld worden maar zelden beschreven worden in een lied,” aldus de Nederlandse zelf daarover. En zoiets schept natuurlijk een band. Zelfs met een doorgaans vrij nuchtere Vlaming…

Eén enkele luistertip zal gegarandeerd volstaan! Probeer het maar eens droog te houden bij de ongelooflijk persoonlijke uitdrukking van hartzeer die het frêle “Buikpijn” is. Mooier worden ze ons inziens amper nog gemaakt!

Elly Kellner

 

RODNEY DECROO “Campfires On The Moon” (Tonic Records)

(4****)

Zowat een jaar geleden ondertussen al verscheen met “Campfires On The Moon” in zijn thuisland de comebackplaat van de een poosje volledig van onze radar verdwenen Canadese songsmid Rodney Decroo. In de vijf jaren die verstreken na het uitbrengen van de plaat die op de keper beschouwd zijn grote doorbraak hier had moeten bezegelen, het knappe “Queen Mary Trash”, leefde de beste man immers volledig teruggetrokken op zijn appartementje in East Vancouver. Zijn besluit stond vast: voor hij zich weer zou gaan concentreren op zijn carrière als muzikant moest eerst en vooral zijn eigen leven weer degelijk op de rails worden gezet. Alles stond voortaan in het teken van zijn herstel van een zo’n twintig jaar eerder al voor het eerst bij hem vastgestelde posttraumatische stressstoornis en van afkicken van de drank.

Dat een dergelijke intense periode ook haar sporen zou gaan nalaten op zijn eerstvolgende release stond eigenlijk al bij voorbaat al wel vast. En het geschiedde dan ook. De tien liedjes op “Campfires On The Moon” gaan wat er gebeurde in het eigen gevoelshuishouden zeker niet uit de weg. Ze zijn van wat je noemt het eerder persoonlijke type. En dan is een muzikale omkadering zoals die ons hier wordt voorgeschoteld ook echt wel op maat. Wat akoestische gitaar, een double bass, een piano, de fijne harmony vocals van Ida Nilsen en verder niets. Quiet maar weer eens als the new loud. Rootsy pop met een bij momenten bijna klassiek randje. Met front and centre altijd weer het fijne gruis van Decroo’s stembanden.

Onze luistertips: het op ongemeen fraaie wijze meteen de toon zettende titelnummer “Campfires On The Moon”, de heerlijk intense pianoballade “Ashes After Fire” en vooral ook het verstilde kleinood “Tear All Lovers Down”. Met nummers van dat kaliber zou het Decroo probleemloos moeten kunnen lukken om ook hier op redelijk grote schaal door te breken. We duimen voor ‘m!

(“Campfires On The Moon” is sinds kort eindelijk ook hier officieel verkrijgbaar!)

Rodney Decroo

 

DAVE MCGRAW & MANDY FER “Off-Grid Lo-Fi” (Dave And Mandy Music / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Veel puurder dan zoals door Dave McGraw en Mandy Fer op hun nieuwe album “Off-Grid Lo-Fi” worden ze amper nog gemaakt. Ver weg van de hektiek van het leven van alledag zochten en vonden de twee door de wol geverfde natuurliefhebbers ook ditmaal weer inspiratie zat voor een twaalftal fraaie nieuwe liedjes, die bij adepten van rootsy Americana ongetwijfeld weer hoge ogen zullen gooien.

Toen aan de twee werd gevraagd, of ze het zagen zitten om een drietal maanden lang een op een afgelegen eiland gelegen boerderijtje te gaan runnen, zagen ze daarin al snel een geweldige opportuniteit. Zó lang samen in alle rust aan nieuw materiaal kunnen werken, het sprak hen vrijwel onmiddellijk heel erg aan. Bootje met het hoogstnodige geladen dus maar en weg waren ze! Volledig aangewezen zijn op wind- en zonne-energie tijdens het inblikken van je materiaal, het bleek eens wat geheel en al anders.

Minder leidde al snel tot meer. Veel meer zelfs. Een karaktertrek als de uit rauwheid geboren oprechtheid van “Off-Grid Lo-Fi” kan je immers nergens kopen. Die ontstaat gewoon spontaan. Of net niet. Probeer het je maar eens voor te stellen: de twee zitten op slechts enkele meters van je verwijderd en maken je deelachtig aan hun tijdens hun vele reizen opgedane ervaringen. Zonder zich daarbij al te zeer te bekommeren om de uiteindelijke afwerking van hun in liedjes gegoten verhalen pakken ze je schijnbaar moeiteloos in. Het heeft allemaal iets ongelooflijk intens over zich. Iets heel erg puurs ook. En als het dan louter technisch gesprokend al niet allemaal perfect blijkt, who cares

Onze, zoals steeds onverbintelijke luistertips: het banjogestuurde duo “Magnolia Trees” en “Way Out Here”, de werkelijk bloedmooie trage “Need A Mountain” en het redelijk scherp daarmee contrasterende, door de elektrische van McGraw opengereten “Deliver My Peace”. Met deze en andere liedjes op “Off-Grid Lo-Fi” verdienen McGraw en Fer zich wat ons betreft een prominent plaatsje ergens in het kielzog van hun hier veel bekendere collega’s Gillian Welch en haar partner in crime Dave Rawlings.

Dave McGraw & Mandy Fer

 

BJ BAARTMANS & MIKE ROELOFS “Ins Blaue Hinein” (CRS)

(3,5****)

Met “Ins Blaue Hinein” kwamen BJ Baartmans en zijn secondant Mike Roelofs er onlangs eindelijk toe om echt vorm te geven aan een idee, dat al in 2004, tijdens het maken van Baartmans’ album “Where Lovers Go” meer bepaald, ontstond. Het opzet was een instrumentaal album, ingeblikt met z’n tweeën, in twee dagen tijd. Iets compleet anders dan anders dus.

Twee dagen lang fietsten Baartmans (elektrische en akoestische (slide)gitaren, resonator, elektrische sitar en bas) en Roelofs (piano, Fender Rhodes, Hammond B3, drums en percussie) samen doorheen wat aanvankelijk enkel wat ruwe schetsen waren. De meeste van de elf stukken op “Ins Blaue Hinein” ontstonden zo gewoon “on the spot” in Studio Wild Verband in het Nederlandse Boxmeer. Het had allemaal wel iets van een jazz-aanpak eigenlijk. En jazz is dan ook één van de vele genres die hun weg vonden richting de in aangename zin opvallende mix van het duo. Jazz, maar ook blues, soul, country, flamenco en andere.

Sfeer vormt daarbij verwachtingsgetrouw vrijwel voortdurend hét sleutelwoord. Sfeer én het elkaar op werkelijk wonderbaarlijke wijze aanvoelen van twee muzikanten die al sinds jaar en dag met elkaar optrekken. Zet Baartmans en Roelofs samen in een studio en woorden worden vrijwel compleet overbodig, dat voel je hier quasi voortdurend aan alles. Hoe ze met z’n tweeën tegelijk één enkel muzikaal portret weten in te kleuren zonder elkaar daarbij ook maar één enkele keer voor de voeten te lopen, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding en het levert quasi en passant ook nog eens een knappe soundtrack voor achter het leven van alledag zelve af. Het soort van plaat dat je middels haar ongedwongen schoonheid helpt om van de kleine dingen des levens nog net dat tikkeltje meer te gaan genieten.

BJ Baartmans

 

ROB HERON AND THE TEA PAD ORCHESTRA “Something Blue” (Tea Pad Recordings)

(5*****)      

De Brit Rob Heron en z’n Tea Pad Orchestra zijn één van de vele acts die op zondag 15 mei aanstaande hun opwachting zullen maken op het rootsfestival Down By The River net over de grens in het Nederlandse Venlo. Poppodium Grenswerk verwelkomt dan verder onder meer ook nog David Corley, Mandolin Orange, Nilkki Lane, de Wood Brothers, Meschiya Lake & The Little Big Horns en onze eigenste Tiny Legs Tim. Een bijzonder fijne affiche, als u het ons vraagt!

En ons zou het alvast niet verbazen, mochten de hoger al even genoemde Heron en de zijnen daar voor velen dé verrassing van de dag worden. Zeker gezien de in onze contreien nog gestaag toenemende populariteit van de tot op zekere hoogte vergelijkbare Pokey LaFarge. Net als die laatste is immers ook Rob Heron een uitermate swingend door het leven stappend heerschap. En net als LaFarge mag hij zich daarvoor graag bedienen van elementen uit genres als Western swing, country, blues, ragtime, hokum en andere. Drie albums lang nu al. Met “Something Blue” maakt hij immers de al in 2012 met “Money Isn’t Everything” ingeleide en twee jaar later met “Talk About The Weather” voortgezette muzikale hattrick vol. Meer nog: het is gewoon zijn allerbeste plaat so far. Niets minder dan fijnkost voor eclectisch ingestelde geesten.

Ruim drie kwartier en twaalf nummers lang gijzelen Heron en co met een brede grijns op het gelaat al wie openstaat voor een potje aanstekelijk retrovermaak. Van het welig ergens tussen jazz, blues, rockabilly en Tom Waits tierende titelnummer over het van Western swing en andersoortige trad country doordrongen “Still Go Honky Tonkin’” tot het fijntjes wegrockende “Honest Man Blues”, van het krols swingende “Flat Tonic Water” en “Lost & Forgotten”, een wat lijzigere variant op hetzelfde thema, over de stemmige, best wel wat aan Hank Williams verwante trage “Leftovers” tot “Hundreds Of Miles”, een openlijk tussen blues en rock & roll twijfelende adrenalineopstoot van formaat, van het ouderwets lekker jazzy uit de hoek komende “Cats & Chickens” en het stomende “Mary Can’t Dance” over “Stealin’ Gene”, van Jonny Kearney en als dusdanig de enige vreemde eend in de bijt hier, tot het afsluitende tweetal bestaande uit een reprise van titelnummer “Something Blue” en de catchy gospel swing van “The Devil Wears A Blue Tie”, echt wel zonder uitzondering is wat Heron en de zijnen hier brengen top te noemen.

Oók heel knap: het perfect bij het plaatje passende retro artwork van Marcel Bontempi. Oók daarvoor van hieruit dus een dikke pluim!

Rob Heron And The Tea Pad Orchestra

 

LITTLE KIM AND THE ALLEY APPLE 3 “The Longest Mile” (TDP)

(4****)

Ook in eigen land worden tot ons genoegen almaar vaker prima rootsplaten gemaakt. Neem nu zoiets als “The Longest Mile”, de derde langspeler van het lichtjes geweldige viertal Little Kim And The Alley Apple 3. Ik daag u van hieruit uit om die plaat proberen te beluisteren zonder er de nodige verslavingsverschijnselen aan over te houden. En al zeker als u houdt van acts als Pokey LaFarge, Rob Heron & The Tea Pad Orchestra, Meschiya Lake & The Little Big Horns, de Hot Club Of Cowtown, C.W. Stoneking en aanverwanten. Collectiefjes die net als de ravissante Kimberley Claeys (zang) en haar kompanen Selim Meiresonne (double bass), Patrick Cattoir (Weissenborn, National resonator, lap steel en dobro) en Tom De Poorter (gitaren, mandoline, banjo, cabasa, glockenspiel en ukelele) het merendeel van de tijd opereren onder het motto “It don’t mean a thing, if it ain’t got that swing!”.

In het geval van nachtegaaltje Claeys en haar kornuiten betekent dat hier en nu twaalf nummers lang spelen met invloeden uit genres als onder meer (Western) swing, Americana, country blues en manouche. En dat doen ze opvallend genoeg voornamelijk met eigen materiaal. Enkel voor het herfstige “There Is A Time” en het een weinig creepy neergelegde “The Wobblin’ Goblin” ging men in de leen bij anderen. Voor het eerste bij de legendarische Dillards met name, voor het tweede bij de al even vermaarde, hier allicht beter bekende Rosemary Clooney.

Voor het overige echter uitsluitend eigen originelen. En of die er mogen zijn! Gelijk van bij het werkelijk reteswingend de spits afbijtende “The Kings Of Goblin Market” waren wij hooked! Die heerlijke sensuele stem! Die al even verslavend werkende gitaar! Wow! Als dat een waardemeter zou gaan blijken voor wat nog volgen moest, dan zaten we hier verdomd goed! En weet u wat? Het was inderdaad nog maar het eerste van vele, vele muzikale pareltjes. Van de ergens tussen swing, rockabilly en jazz strandende story song “A Body In The Garden” tot de innemende Americana ballad “The Longest Mile”, van het onder meer banjogewijs richting Tom Waits-territorium fietsende “Pea Picker Blues” tot het lentefrisse “The Dewdropper”, van de hier hoger al even vernoemde Rosemary Clooney cover tot de op een enigszins apart gypsy swingritme en een aan die van Marc Ribot verwante gitaarsound geënte instrumental “Zazou”, van het heerlijke “Ms. Brandy”, een echt wel extreem catchy liefdesverklaring aan de gelijknamige drank, tot adaptatie nummer twee, “There Is A Time” van The Dillards, van het door een exotisch briesje bezochte “Punkin’ Farewell” tot de pakkende trage “Ponderosa Lodge” en de afsluitende reprise van “The Kings Of Goblin Market”, ruim zevenendertig minuten lang is het hier volop genieten geblazen.

Van internationale klasse! En als dusdanig ook een echte aanrader van formaat!

Little Kim And The Alley Apple 3

 

THE LOWEST PAIR “Uncertain As It Is Uneven” en “Fern Girl & Ice Man” (Team Love Records)

(4,5*****) en (5*****)

The Lowest Pair zijn Kendl Winter en Palmer T. Lee, een americana-duo uit Olympia, Minneapolis, dat onder meer met de albums “36¢”, “The Sacred Heart Sessions” en “I Reckon I’m Fixin’ On Kickin’ Round To Pick A Little” de voorbije twee jaren al herhaaldelijk in positieve zin op zich attent maakte. Naar hun muziek luisteren was er meteen ook voor vallen. Onvoorwaardelijk. Bijna zoals met die van Gillian Welch en Dave Rawlings indertijd. Dat heerlijke samengaan van de banjo’s van de twee en het zo mogelijk nog betere matchen van hun stemmen! Meer moest dat voor ons absoluut niet zijn! En meermaals viel in verband met hun platen ook elders de term meesterwerk.

En dat zal ook met betrekking tot hun twee nieuwe schijven weer gaan gebeuren, geloof ons vrij! Met het old-timey, in al z’n instrumentale naaktheid quasi perfect bij hun eerdere werk aansluitende “Uncertain As It Is Uneven”, maar ook – En misschien nog wel meer! – met het al bij al wat experimenteler opgevatte “Fern Girl & Ice Man”.

“Uncertain As It Is Uneven” namen de twee op samen met Erik Koskinen. Hij tekende niet enkel voor de productie van de plaat, maar deed ook een flinke duit in het zakje op respectievelijk bas en pedal steel. De fiddle van Barbara Jean Meyers en de cello van Eamon McLain zijn de twee enige andere vreemde eenden in de bijt op “Uncertain As It Is Uneven”. Voorts horen we enkel de gitaren en de banjo’s van Winter en Lee en occasioneel ook de harmonica van die laatste. Naast uiteraard hun beide, elkaar als die van een broer en een zus aanvoelende en aanvullende stemmen.

De elf nummers op “Uncertain As It Is Uneven” zijn zonder uitzondering originelen. En ook die van het door Koskinen samen met Dave Simmonett geproduceerde “Fern Girl & Ice Man” stammen bij nader inzicht allemaal uit de eigen koker. Wat het gepresteerde er alleen nog maar indrukwekkender op maakt, natuurlijk. Want dit zijn dus echt wel twee topplaten, hoor! Twee schoolvoorbeelden van hoe je kan omspringen met een traditie zonder in loutere herhaling ervan te verzanden. Uiteraard is het zo, dat hun manier van zingen en hun benadering van de banjo Winter en Lee bijna automatisch richting het hoekje met old-time americana en folk doet dringen. Maar op de één of andere manier verlenen ze aan alles wat ze doen toch een zekere eigentijdse twist. Iets wat maakt dat überhaupt ongemeen sfeervolle liedjes als het beklijvende “Tagged Ear”, het door Lee op z’n harmonica ingeleide “Stranger”, het lentefrisse “When They Dance The Mountains Shake” en andere in de nabije toekomst ook in wat alternatiever ingestelde kringen best wel eens op flink wat aandacht zouden kunnen mogen rekenen. Van ons zou het alvast mogen.

The Lowest Pair

 

HIDDEN AGENDA DELUXE “Pan Alley Fever” (CRS)

(4,5*****)

Niet iedereen zal het even graag horen, maar voor de beste rootsmuziek moet je ook in Nederland eigenlijk gewoon in het zuiden zijn. Dat wordt nog maar eens vet onderlijnd met “Pan Alley Fever”, de eerste plaat samen van singer-songwriters Eric Devries, BJ Baartmans en Sjoerd van Bommel. Aangevuld met bassist Gerald van Beuningen en toetsenist-accordeonist Rob Geboers nestelen zij zich met die maiden release knus in het kielzog van legendarische gezelschappen als The Band, Little Feat en Crosby, Stills, Nash & Young. Een veel mooier compliment kan je de heren ons inziens amper maken.

Dertien liedjes staan er op “Pan Alley Fever”. Voornamelijk eigen materiaal uiteraard. Met Eric Devries zo’n beetje als hofleverancier, want hij leverde zowat de helft van de nummers aan. Baartmans van zijn kant tekende voor vier originelen, van Bommel droeg er twee aan. Het dertiende nummer is een cover van – Hoe toepasselijk! – David Crosby’s “Long Time Gone”.

Gelijk vanaf openingsnummer “Shine” weet je gewoon dat je hier goed zit. Sprankelende snaren, fijn harmonieerwerk en een wolk van een melodie maken dat het zó een beetje zomer wordt in je hoofd. Zo deden ze dat ooit in de seventies ook zo lekker! Vervolgens is er Baartmans’ rijkelijk met wat bluesgevoel besprenkelde “Don’t Give Up Hope”. Ook al een echte knoeperd van een song. En zo gaat het maar door, want ook Devries’ countryrockertje “Tulsa Shining”, het qua ritmiek wat richting New Orleans wijzende “Mind Of Her Own” van van Bommel, de soulvolle trage “I Don’t Even Need You (To Bring Me Down)”, Baartmans’ daar perfect bij aansluitende, ons louter gevoelsmatig best wel wat aan het heerlijke “Tears Of God” van Los Lobos herinnerende “Don’t Forget To Leave”, de hoger al even vermelde adaptatie van David Crosby’s “Long Time Gone”, het bluesy “Jericho Walls”, de zomers lome Americana-oorwurm “Sweet Johanna’s Kiss” en andere, het zijn werkelijk zonder uitzondering prachtdeunen.

Noem het maar het uitkomen van an American dream, maar dan wel eentje verpakt op z’n Nederlands. Hoe dan ook een aanrader van formaat!

Hidden Agenda Deluxe

 

ROD MELANCON “LA 14” (Blue Elan Records)

(3,5****)

De strafste verhalen liggen vaak gewoon voor het oprapen. En dat is in het zuidelijke deel van Louisiana niet anders dan elders. Het was gewoon wachten op een vaardige pen om ze uit de zompige ondergrond aldaar te trekken. Een goed schrijvershandje zoals dat van Rod Melancon bijvoorbeeld. Die maakt er op z’n nieuwe EP alvast werk van om in de kleine stadjes weg van State Highway 14 op zoek te gaan naar pakkende stories voor z’n songs. En met bij momenten echt verbluffend knappe resultaten ook.

In een productie van de je wellicht ook als gitarist bij Dwight Yoakam bekende Brian Whelan doet hij er vijf binnen. Te beginnen met het funky countryrockertje “Perry”, opgehangen aan het tragische verhaal van een plaatselijke tough guy met het hart ondanks alles op de juiste plaats. Vervolgens is er de knappe rootsrocksleper “Dwayne And Me”. Over een achterneef met een ook al behoorlijk rusteloze ziel. “A Man Like Me Shouldn’t Own A Gun” is aansluitend daarop een aanstekelijk, eerder traditioneel uitgevallen streepje country swing en levert enkele minuten lang voldoende redenen om z’n titel volop te rechtvaardigen.

En dan is het tijd voor het echte pièce de résistance van “LA 14”. Dat is ons inziens ontegensprekelijk de sonoor gedeclameerde psychedelische bluesrocker “Lights Of Carencro”. Met z’n niets ontziende gitaaruithalen laat Brian Whelan daarin bepaald diepe voren achter. Afgerond wordt er dan met het ingetogen “By Her Side”. Daarin vertelt Melancon het verhaal van een oude piloot, “een sproeier”, die net z’n vrouw verloren heeft. Ook al bloedmooi.

Op de gastenlijst van “LA 14” troffen we onder meer de namen van Ted Russell Kamp, Gabe Witcher en Marty Rifkin aan.

Rod Melancon

 

KACY & CLAYTON “Strange Country” (New West Records / PIAS)

(4****)

“Strange Country” betekent een tweede rondje voor de hele zaak namens de Canadese youngsters Clayton Linthicum, je misschien ook wel bekend van z’n snarenbijdragen aan The Deep Dark Woods, en z’n nog piepjonge nicht Kacy Anderson. Amper achttien jaar oud is die, maar ze wordt nu al volop vergeleken met wijlen Sandy Denny. En wat het allemaal nog wat uitzonderlijker maakt, is dat het niet eens overdreven is ook. Net als haar grote voorbeeld beschikt Anderson immers over een werkelijk fantastische stem. Een stem die überhaupt veel ouder dan haar bezitster lijkt.

Wat de twee onder de productionele hoede van Shuyler Jansen op hun moeilijke tweede brengen blijkt andermaal een amalgaam van elementen uit het door hen heel erg bewonderde Britse folkgebeuren van ten tijde van de prille Fairport Convention, de al even invloedrijke Greenwich Village folk scene en de meer rurale muziek die sinds jaar en dag onlosmakelijk verbonden is met de zuidelijke Appalachen. Ze springen met andere woorden creatief om het verleden. Een verleden, dat ze, gezien hun nog jonge leeftijd, zelf hebben moeten uitgraven. En misschien is het wel precies dat gegeven, dat het de twee heeft mogelijk gemaakt om er een wat aparte, wat meer eigentijdse twist aan te verlenen, waardoor ook jongere generaties anno nu wel eens met bosjes zouden kunnen gaan vallen voor hun creaties.

Bestaande overigens uit voornamelijk origineel materiaal, die creaties. Enkel de nummers “Seven Yellow Gypsies”, “Over The River Charlie” en “The Plains Of Mexico” blijken door de twee hun eigen muzikale universum binnengeloodste traditionals. Songs die op de keper beschouwd het werkelijk tijdloze karakter van “Strange Country” alleen nog maar meer accentueren. Net als voorganger “The Day Is Past And Gone” van iets meer dan twee jaar geleden wordt dit daardoor het soort van geheel, waarvan je als luisteraar nu al weet dat je er over pakweg twintig of dertig jaar nog met evenveel plezier zal naar luisteren als nu.

Kacy & Clayton, New West Records

 

LILLY HIATT “Royal Blue” (Normaltown Records / PIAS)

(3,5****)

En alweer maar eens hetzelfde verhaal… Ruim een jaar geleden al verschenen in de States, nu eindelijk ook hier. We hebben het daarbij over de tweede van de dochter van. De opvolger van het al in 2012 verschenen en al bij al aardig lovend onthaalde “Let Down”. Een hoogst eigenzinnig visitekaartje van een dochter die niet teveel van de naambekendheid van haar vader leek te willen profiteren.

En dat is ook met betrekking tot haar moeilijke tweede duidelijk weer het geval. Wat de jonge Hiatt daarop doet heeft immers maar bitter weinig van zien met het repertoire van haar bekende ouweheer. De vanuit het de jongste jaren aardig hippe East Nashville actieve, zingende liedjesschrijfster bestrijkt op haar nieuwe worp onwaarschijnlijk veel muzikaal terrein. En lang niet enkel terrein, dat je van een jonge Amerikaanse verwachten zou. Wel integendeel!

In openingsnummer “Far Away” huizen zo bijvoorbeeld een vaagweg aan de Cure verwant synthmotiefje en een strakke rock & roll beat, het ook al heel erg nineties aandoende “Off Track” herinnerde ons zowel aan de groep Texas, aan New Order als aan de Pretenders en het sensuele “Too Bad” lonkt nadrukkelijk naar een omschrijving als rootsy post-punk.

En dat is nog lang niet alles! Er is zo onder meer ook nog de wave pop van het met de dadendrang van een jonge Chrissie Hynde neergelegde “Get This Right”, er is de zweverig soulvolle trage “Worth It”, er is de stijlvolle rootsy tip of the hat aan het adres van haar pa “Somebody’s Daughter”, er is de fijne rootsrocker “Jesus Would’ve Let Me Pick The Restaurant”, er is het ijle, met een soort van verkapt reggaemotiefje uitpakkende “Heart Attack”, er is de magistrale poppy Americana van de ballad “Your Choice”, er is met “Machine” een streepje country rock zoals je die van pakweg de jonge Costello verwacht zou hebben, er is het bedaarde, in een enigszins filmisch aandoende context op zijn beurt ook voor de nodige deining zorgende “I Don’t Do Those Things Anymore” en er is ten slotte ook nog de knappe country noir van titelnummer “Royal Blue”.

In haar teksten heeft de jonge Hiatt het naar eigen zeggen vooral over de grandeur van melancholie. Over het aanvaarden van de droevigere kantjes van het leven en er rust en vrede in vinden. “Royal Blue” is dan ook een soort van break-upplaat. Zij het dan ook niet zoals we die gewoon zijn.

Voor de productie van “Royal Blue” tekende de je misschien ook al wel van zijn werk met Deer Tick of Hollis Brown bekende Adam Landry.

Lilly Hiatt, Normaltown Records

 

MICHAEL FRACASSO “Here Come The Savages” (Blue Door Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Precies op tijd om nog mee de koffer in te kunnen tijdens het voorjaarstoeren doorheen Europa met BettySoo is er de nieuwe cd van Texaan uit vrije wil Michael Fracasso. En de een ondertussen flink gevorderd leven geleden hebbende, als zoon van Italiaanse ouders in Steubenville, Ohio geboren en via een ommetje langs New York uiteindelijk in Austin belande singer-songwriter toont zich daarop wat ons betreft van zijn werkelijk allerbeste kant. Als een uitzonderlijk zanger, maar vooral ook als een dijk van een songsmid.

Volop genieten geblazen is het daardoor van dingen als de oorstrelend mooie, als de Beatles op bezoek in de Live Music Capital of the World klinkende ballads “Boy In A Bubble” en “Open”, de aan Crowded House in z’n betere dagen herinnerende sfeervolle rootspoptrage “Say”, het ook al heel erg ingetogen neergelegde duo “Daisy” en “Blind Man On A Bicycle”, titelnummer “Here Come The Savages” en het met de ons volslagen onbekende Nakia Reynoso gepende “Little Scar”.

En ook de covers op “Here Come The Savages” mogen er wat ons betreft absoluut zijn. Van Beach Boy Brian Wilsons “Caroline, No”, “How Can I Be Sure” van de Young Rascals, de ooit nog door de onnavolgbare Dawn Penn de eeuwigheid ingezongen reggae classic “You Don’t Love Me (No, No, No)”, Johnny Thunders’ cult ballad “You Can’t Put Your Arms Around A Memory” en de vergeten Kinks-oorwurm “Better Things” met name.

Allemaal samen goed voor één van Michael Fracasso’s allerbeste platen tot op heden. En dat wil, gezien ‘s mans ondertussen stilaan indrukwekkende staat van dienst, absoluut wel iets zeggen!

Michael Fracasso, Lucky Dice Music

 

MARKUS RILL & THE TROUBLEMAKERS “Dream Anyway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Dat het z’n beste plaat is, zal u ons hier niet horen beweren, daarvoor heeft de beste man er in het verleden al te veel goede gemaakt. Maar z’n meest toegankelijke so far is het zeer zeker wel, dit “Dream Anyway”. In die mate zelfs, dat het ons absoluut niet zou verbazen, als onze favoriete Duitser straks ook hier eindelijk de ether zou beginnen te halen. Door z’n huidige muzikale koers zou het zomaar eventjes kunnen.

Met het openingsnummer ervan, de catchy heartland rocker “Something Great”, positioneert hij zich eensklaps zomaar tussen groten der aarde als een John Mellencamp en een Bruce Springsteen. En ook het meteen daaropvolgende “Walk On Water” zou wel eens een heel groot publiek kunnen gaan aanspreken. Dat ingetogen folkrockertje buigt zich met de tong diep in de wang geplant op aanstekelijke wijze over de kleine leugentjes des levens. Het sfeervolle “The Pauper’s Daughter” zou je vervolgens kunnen bestempelen als vintage Rill.

Tegen een beklijvend decorum van gitaar, banjo en accordeon ontrolt zich vervolgens “Caroline’s Confession”. Niet enkel één van de moeilijkere songs op “Dream Anyway”, maar vooral ook één van de beste. Ook thematisch gezien. In die knappe ingehouden rootsrocker wijdt Rill immers uit over het met verleidingen bezaaide en daardoor lang niet altijd even gemakkelijk aan te houden pad van een celibatair bestaan. Vervolgens zijn er de ingetogen pareltjes “Poor Man’s Set Of Wheels” en “Losing My Mind”. In dat laatste laat Rill een Alzheimer-patiënt op erg realistische wijze de gevolgen van zijn gestaag voortschrijdende ziekte uit de doeken doen.

In het zomers speelse “The Girl In The Polka Dot Dress” kloppen in het kielzog daarvan beatgewijs de harten van zowel Buddy Holly als Bo Diddley, de pianoballade “Over Long Ago” snijdt dan weer zeer mooi het thema kindermishandeling aan en “Hands Of Mercy” lijkt wel weggelopen van het repertoire van good old Graham Parker ten tijde van het onnavolgbare “The Mona Lisa’s Sister”.

In het sombere, banjozwangere “Some Democracy” ventileert Rill vervolgens z’n bepaald kritische mening met betrekking tot de huidige politiek en “Better”, een echt wel fijn streepje roots pop, zou je op de keper beschouwd kunnen zien als een soort van muzikaal tegengewicht daarvoor. Het meteen daarop aansluitende “Roll Along” laat zich dan weer onderverdelen onder de hoofding Americana road songs en afsluiter “Dream Anyway” speelt andermaal uitbundig in het muzikale achtertuintje van The Boss & co.

Het moge ondertussen wel zo’n beetje duidelijk zijn: “Dream Anyway” lijkt een beetje te twijfelen tussen twee werelden. Tussen die van de Americana singer-songwriter van weleer en die van de rocker van “My Rocket Ship” met z’n Troublemakers uit 2013 meer bepaald. Benieuwd welke van de twee het in de nabije toekomst zal gaan halen…

Markus Rill, Blue Rose Records

 

BILL PRITCHARD “Mother Town Hall” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Op z’n vorige worp, het twee jaar geleden verschenen “A Trip To The Coast”, had hij ons ruim acht jaar laten wachten, deze Bill Pritchard. Zo lang duurde het ditmaal gelukkig niet. De Britse popbard is voor ons immers één van de weinige artiesten met écht zwaar verslavende werking. Eén keer je aan z’n spul zit, kom je er niet zo gemakkelijk meer van af. Rondhangen in ’s mans muzikale universum betekent volop zwelgen in nostalgie, je zo goed als volledig laten gaan, melancholisch terugdenkend aan de muzikaal nog zoveel puurdere sixties, dat op het randje af weeë romantische buikgevoel weer herbeleven, weet u wel.

De songs op “Mother Town Hall” blijken gelukkig vintage Pritchard. Tussen de vele toeters en bellen door sprankelen de gitaren als vanouds. Met melodieën om u tegen te zeggen en nogal wat refreintjes die uitnodigend een hand uitsteken, met bijna misselijk makend mooie ballads, met teksten bevolkt door schijnbaar alledaagse protagonisten met op de keper beschouwd toch aparte verhalen.

Van de inderdaad redelijk hemelse gitaarpop van het lentefrisse “Heaven” tot de ronduit zalige pianoballade “Dejá Vu Boutique”, van het lang niet enkel thematisch beklijvende “Vampire From New York” met z’n fijn banjogepingel tot het zowel sfeer- als melodiegewijs naar tal van Franse popdeuntjes uit de midsixties overhellende “Saturn And Co.”, van het naar ons gevoel werkelijk perfect op het lijf van z’n onderwerp geschreven zomers lijzige “My First Friendship” tot het misschien wel tot een lot als nieuwe “Angelique” – Pritchards enige echte radioklassieker uit 1988! – voorbestemde “Lilly Anne” en andere, je verveelt je hier als luisteraar echt geen seconde. Wel integendeel! Vijfenveertig minuten lang popperfectie worden je hier weer zomaar gegarandeerd!

Bill Pritchard, Tapete Records

 

KYLA BROX “Throw Away Your Blues” (Cadiz Music / Bertus)

(4****)

“Throw Away Your Blues” is de ondertussen toch ook alweer zesde studioplaat van de Australische Kyla Brox. En het mag eigenlijk een klein wonder heten dat ze hier nog niet veel meer naambekendheid geniet dan dat het geval is. Brox is immers wat je noemt een echt fenomeen. Een heus natuurtalent. Met haar heerlijk energieke stem slaat ze op werkelijk onnavolgbare wijze een brug tussen blues en soul. Zelden bleek de grens tussen die beide genres zo dun als hier.

Samen met haar levensgezel Danny Blomeley (basgitaar), gitarist Paul Farr, drummer Pablo Leon, toetsenist John Ellis en een handvol backing vocalists waadt Brox (zang en fluiten) hier ruim vijftig minuten lang doorheen eigen repertoire. Veertien songs in totaal, waarvan ze de meerderheid samen met haar echtgenoot schreef. Ingeblikt in het Nederlandse Dalfsen, in Jan Kisjes Studio.

Droegen daarvan vooral onze goedkeuring weg: de spijt zo ongeveer tot hogere kunst verheffende sleper “If You See Him”, het in tegenstelling tot wat z’n titel doet vermoeden werkelijk van de soul bulkende “Lifting The Blues”, het door Brox als een vrouwelijke evenknie van Al Green neergelegde “Road Home”, de speelse, over een soort van Chuck Berry backbeat gedropte cheating song “Ain’t Got Time”, de werkelijk onweerstaanbare broeierige deep soul van “Change Your Mind”, het funky “Lovin’ Your Love” en de alweer fenomenaal mooie schuifelaar “Honestly Blues”.

Huiveringwekkend goed gewoon!

Kyla Brox

 

MOUNTAIN HEART “Blue Skies” (Compass Records)

(4****)

“Blue Skies”, z’n eerste nieuwe studioplaat in vijf jaar tijd, blikte het Amerikaanse bluegrasscollectiefje Mountain Heart in een zo goed als volledige vernieuwde groepsbezetting in. Van de vertrouwde gezichten bleven enkel Josh Shilling (lead & harmony vocals, akoestische gitaren, piano, Hammond B3 en tamboerijn) en Aaron Ramsey (mandoline, upright bass, lead & harmony vocals) over. De overige drie namen zijn nieuw: Seth Taylor (akoestische gitaren, banjo, cajon en backing vocals), Jeff Partin (Resophonic, lap steel, upright bass en harmony vocals) en Molly Cherryholmes (violen en harmony vocals).

Gebleven is echter de open geest van de groep. Een puristische bluegrassbenadering is ook het nieuwe vijftal absoluut vreemd. En “Blue Skies” krijgt daardoor meer het cachet van een eclectisch roots-totaalpakketje dan wat anders. Met een wat ons betreft overduidelijke hang naar Southern rock en Americana in opener “Blue Skies”, met zelfs wat blues en soul in de aderen bij “Miss Me When I’m Gone”, met een knipoog richting folk-rock in de even zwierige als geslaagde Dylan-cover “Maggie’s Farm”, met verantwoorde eigentijdse country genre “No One To Listen”, met (op z’n minst gevoelsmatig) gekruid met een flinke snuif R&B in het groovy “She’ll Come Back To Me” en het speelse, bij Ronnie Bowman, Chris Stapleton en James Stewart geleende “I Can’t Get Over You”, met natuurlijk ook wervelende bluegrass op nu-maat zoals in eerste single “Addicted” en het daarop aansluitende “The Bad Grounds”, met behoorlijk straffe verhalende Americana in “Have You Heard About The Old Hometown”, ja, zelfs met een nadrukkelijk op hitparadekansen mikkende poppy pianoballade in de vorm van het afsluitende “Hurting”.

Voor de productie van “Blue Skies” stond de groep samen met Eric Wilson zelf in. Op de gastenlijst verder slechts één naam: die van Jim Vancleve meer bepaald, die bijdragen leverde op viool, mandoline en als backing vocalist.

Mountain Heart, Compass Records

 

SLOBBERBONE “Bees And Seas: The Best Of Slobberbone” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Neil Young liet zich ooit over Nils Lofgren ontvallen, dat die laatste gewoon te goed was om echt succesvol te kunnen zijn. En aan die uitspraak moesten wij hier toch wel even denken, toen we de carrière-retrospectieve “Bees And Seas: The Best Of Slobberbone” voor de kiezen kregen. Ook Brent Best en de zijnen kregen vanuit commercieel oogpunt immers nooit echt waar ze eigenlijk wel volop recht op hadden. Het beste van de vier uit Denton, Texas bleek niet goed genoeg voor een goedgevulde portefeuille. Lovende kritieken werkelijk à volonté en een behoorlijk devote fanschare ook wel, maar de echt grote commerciële successen bleven toch een beetje achterwege.

Iets waaraan nu met “Bees And Seas” vooralsnog zou kunnen worden verholpen. Dat album biedt het beste van de vier tussen 1996 en 2002 verschenen platen van Brent Best (zang, harmonica, gitaren, baritongitaar, mandoline en orgel), Jess Barr (gitaar), Brian Lane (bas en orgel) en Tony Harper (drums en percussie). Van debuut “Crow Pot Pie”, opvolger “Barrel Chested”, fantastische nummer drie “Everything You Thought Was Right Was Wrong Today” en zwanenzang “Slippage” dus. Wat ons betreft goed voor een achttien tracks lang durend muzikaal orgasme. Een adrenalineopstoot van formaat, gekneld ergens tussen punk, grunge, roots rock en alternatieve country. Gekenmerkt door de energie, de ruwheid ook van de eerste drie genres en met vooral tekstgewijs zo menig een brug richting het laatste. Al zijn er zeker ook muzikaal meer dan voldoende uitstapjes in die richting, hoor.

Van maiden release “Crow Pot Pie” krijgen we respectievelijk “Whiskey Glass Eye”, “I Can Tell Your Love Is Waning”, “Little Sister” en “Tilt-A-Whirl” opgedist, van “Barrel Chested” liefst zes nummers, inclusief het titelnummer, “Engine Joe”, “Front Porch”, “Little Drunk Fists”, “Your Excuse” en “Haze Of Drink”, van “Everything You Thought Was Right Was Wrong Today” het zestal “Placemat Blues”, “Trust Jesus”, “Gimme Back My Dog”, “Lazy Guy”, “Lumberlung” en “Pinball Song” en van het indertijd door velen zwaar onderschatte “Slippage” ten slotte “Springfield, IL” en “Sweetness, That’s Your Cue”.

Liner notes zijn er van de zich nadrukkelijk als fan outende Patterson Hood van geestesverwante act Drive-By Truckers, voor fraai artwork tekende op zijn beurt dan weer Will Johnson van Centro-Matic. Twee leuke extraatjes voor een geschiedenisles die je absoluut niet wil missen.

Slobberbone

 

HACKENSAW BOYS “Charismo” (Free Dirt Records / Music & Words)

(4****)

Na de beide, EP-gewijs aangeboden volumes van “The Old Sound Of Music” en de live-albums “For The Love Of A Friend” en “Live ‘Til The Sweet By And By” is het met “Charismo” eindelijk weer eens tijd voor een volwaardige nieuwe Hackensaw Boys-langspeler. Daarvoor trokken David Sickmen en de zijnen ditmaal naar of all places New York, alwaar ze in het gezelschap van de gerenommeerde Larry Campbell een flink aantal verse songs inblikten.

Het uit die sessies resulterende “Charismo” wordt al bij al eerder relaxed ingezet met “Don’t Bet Against Me”. Rustige old-time storytelling bluegrass is dat, nog eerder traditioneel van opzet. Gelijk vanaf track twee, het wervelende “By And By”, belanden we echter al terug op vertrouwder Hackensaw Boys-terrein. Dat van de lekker rammelende grass met punky attitude met name. En track drie, “Content Not Seeking Thrills (Ain’t You?)”, gaat zelfs nog wat verder. Voor het beschrijven daarvan zijn termen als hypernerveus en vingervlug alweer absoluut noodzakelijk.

Met dat drietal is in grote lijnen meteen ook al de toon voor de rest van “Charismo” gezet. High energy stuff à la “Limousin Lady” en “Ol’ Nick” wordt er immers op afgewisseld met wat voor de Hackensaw Boys eerder atypische kalme dingen zoals het ons op de één of andere manier wel wat aan de Pogues – En hun “Dirty Old Town” dan met name! – herinnerende “The Sweet” en de lounge grass van “Happy For Us In The Dawn”. Tussen die beide polen in is er voorts ook nog plaats voor tempogewijs wat op twee gedachten hinkende songs genre “Flora”, “Wolves Howling”, “You Want Me To Change” en “Worlds Upside Down”.

“Charismo” is wat ons betreft zonder meer de meest toegankelijke plaat van de Hackensaw Boys tot op heden. Benieuwd of ze er in termen van erkenning ook nieuwe deuren mee zullen kunnen openen. Het zou eigenlijk wel mogen…

Hackensaw Boys

 

WILLIE NILE “World War Willie” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Het hoesje van z’n nieuwe langspeler “World War Willie” toont good old Willie Nile gitaar in aanslag voor een foto van het tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerde Dresden. Een buitengewoon fascinerend tafereel, aldus de beste man daarover zelf, omdat het wel heel erg veel verraadt over het menselijke ras als dusdanig. We moeten met z’n allen toch tot veel beter in staat zijn dan dat, niet? Met behulp van een lekkere pot rock & roll bijvoorbeeld. Daarin schuilt voor Nile immers een verlossende kracht. Iets wat alvast aan zijn wereld zin geeft.

“Er is momenteel heel wat aan de hand in deze wereld,” stelt Nile eerder nuchter vast, “zowel in goede als in kwade zin en daartussen – en dit album probeert, om zich daarmee bezig te houden.” Wat er concreet op neerkomt, dat we als luisteraars een net geen achtenveertig minuten bestrijkende portie vintage Nile voor de kiezen krijgen. Van opener “Forever Wild”, een catchy Springsteenesk rockend saluut aan het rock & roll-genre, over het hymnische, nadrukkelijk naar gebruik in grote stadions lonkende en en passant tot meer eenheid oproepende “Let’s All Come Together” en het grappige, zich wervelend over zijn eigen passie buigende “Grandpa Rocks” tot de fraaie ingetogen ballad “Runaway Girl”, van het kreunend onder een ironische lading voorbij gerockt komende titelnummer via het bluesy ADHD’ertje “Bad Boy” en het als bezeten met zijn kettingen rammelende “Hell Yeah” tot “Beautiful You”, nog zo’n mooie ballade, van “When Levon Sings”, een geweldig (folkrock)eerbetoon aan het adres van wijlen Band-maestro Levon Helm, langs stringente story-song “Trouble Down In Diamond Town” en het opnieuw aardig bluesy uitgevallen “Citibank Nile” tot afsluiter “Sweet Jane”, een tip of the hat aan het adres van één van z’n eigen bewonderaars, Lou Reed zaliger, in totaal twaalf songs hier bij iedere nieuwe beluistering weer goed voor evenveel goedkeurende knikjes.

Noem “World War Willie” dus gerust maar een bevestiging van wat we met z’n allen eigenlijk al wel langer wisten dan vandaag, namelijk dat Willie Nile als songsmid momenteel tot de absolute wereldtop behoort. En dat gegeven gekoppeld aan gedreven performances zoals we die hier echt voortdurend voorgeschoteld krijgen, blijkt niks minder dan een garantie voor een dijk van een plaat. Nile’s zoveelste al…

Willie Nile, Blue Rose Records

 

KRISTOFER ÅSTRÖM “Pipe Dream EP” (Startracks)

(4****)

Van de Zweed Kristofer Åström verscheen begin dit jaar al de erg knappe cd “The Story Of A Heart’s Decay”. De aan dat album voorafgaande sessies blijken nu echter nog meer pareltjes te hebben opgeleverd dan alleen maar tien nummers daarop. Anders kan je de vier bijkomende deunen op de EP “Pipe Dream” ons inziens anders omschrijven. Een EP, die nu, na een aanvankelijke gelimiteerde run van 500 exemplaren op vinyl, overigens ook gewoon als cd verkrijgbaar is.

Afgetrapt wordt er met het titelnummer. Een over een soort van verkapt Cash-motiefje gedrapeerde meditatie over het eigen leven, waaraan het voorgaande album bij nader inzien z’n titel blijkt te hebben ontleend. Vervolgens zijn er de op ingehouden wijze onterechte beschuldigende vingertjes terechtwijzende rootsy rocker “Stupidity” en het breekbare streepje Scandicana-melancholie “Solid Ground”. Vierde en laatste halte tenslotte is het daar perfect bij aansluitende “Stay Down”, nog zo’n ingetogen beauty.

Het soort van item waarmee Åström op Record Store Day veel mensen gelukkig had kunnen maken.

Kristofer Åström

 

ERIC BIBB AND NORTH COUNTRY FAR WITH DANNY THOMPSON “The Happiest Man In The World” (DixieFrog / Bertus)

(4****)

Wat heeft deze man al een schat aan fraai materiaal op z’n actief staan! En je mag hem wat ons betreft dan ook zonder meer één van de allerbeste akoestische blues performers van de voorbije paar decennia noemen, deze Eric Bibb. Met elke nieuwe release weet hij ons diep te raken. En dus ook met “The Happiest Man In The World” weer.

Dat Bibb graag mag samenwerken met gelijkgestemde geesten, dat wisten we al wel langer. Denk maar aan z’n nog redelijk vers in het geheugen zittende albums “Brothers In Bamako”, “Blues People” en “Lead Belly’s Gold”. Daarop deed hij mooie dingen met respectievelijk Habib Koité, de Blind Boys Of Alabama, Ruthie Foster, Leyla McCalla, Popa Chubby, Harrison Kennedy, Guy Davis en J.J. Milteau. En ook ditmaal weer wist de beste man zich echt uitstekend te omringen. Met kennissen uit z’n Finse periode als de broers Janne (drums en percussie) en Olli  (dobro, pedal steel, Weissenborn- en Martin-gitaren) Haavisto en hun maatje Petri Haakala (mandoline, mandola, fiddle en gitaar), met wie hij in het verleden als Eric Bibb & North Country Far ook al wat gigs verzorgde, en vooral ook met de legendarische bassist Danny Thompson, bekend van z’n werk bij en voor onder meer Pentangle, Donovan, Alexis Korner en John Martyn. En met verder onder meer ook nog van de partij Michael Jerome Browne (slide- & 12-snarige gitaren), Mary Murphy (Irish whistle), Pepe Åhlqvist (harmonica) en Ulrika Pontén Bibb (backing vocals).

Het resultaat van hun in de zomer van vorig jaar verspreid over enkele dagen in een studio in de buurt van het Engelse Norwich ingeblikte samenwerking is ruim tweeënvijftig minuten bluesgoed van de bovenste plank. Heerlijk relaxed neergelegd, met de zalige goudbruine stem van Bibb zelve uiteraard weer bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling. Bijna voortdurend, want met “1912 Skiing Disaster” en het folky “Blueberry Boy” telt het album ook twee instrumentals. (Drie eigenlijk, als we de hidden bonus track helemaal aan het eind van het geheel meetellen!)

Afgesloten wordt “The Happiest Man In The World” met het misschien wel opvallendste nummer van allemaal. Het betreft daarbij immers een heerlijk groovy versie van de Kinks-hit “You Really Got Me”. Geloof ons vrij: zó hoorde u dit nummer nog nooit! Die Ray Davies-pennenvrucht is overigens maar één van in totaal twee covers hier. De andere is een ook al heel erg mooie versie van de traditional “Tell Ol’ Bill”. Eén van de vele nummers hier waarin de scheidingslijn tussen blues en Americana nog maar heel dun blijkt.

Het ideale antidotum eigenlijk voor een al lang niet meer altijd even vriendelijk leven van alledag. Balsem voor de ziel!

Eric Bibb

 

BILLY SHADDOX “I Melt, I Howl” (Folkwise)

(4****)

Van deze Billy Shaddox verschenen voorheen al twee albums. Het momenteel enkel als download verkrijgbare “Mellow Me” uit 2003 was een verzameling liedjes geschreven tijdens een trektocht doorheen het zuidelijke deel van Nieuw-Zeeland. “Golden Fate” van vier jaar geleden bestempelde de beste man zelf als “a collection of songs written per a period of time when love was discovered, children were born, mountains were climbed, rivers were waded, friendships were forged, and roads were traveled.” En voor de volledigheid dienen we hier eigenlijk ook nog een in het voorjaar van 2013 verschenen en met Kara Tauchman gedeelde EP te vermelden.

De dezer dagen vanuit Boulder, Colrado actieve Shaddox mag zichzelf niet graag onder de noemer folk onderverdeeld weten. Daarvoor is hij gewoon door teveel dingen beïnvloed, vindt hij. Zelf heeft hij het inzake zijn creaties liever over Cosmic American Music. Maar dat zien wij dan weer niet echt zitten. Onze gedachten dwaalden bij het voor het eerst beluisteren van zijn nieuwe langspeler “I Melt, I Howl” bijna voortdurend af richting het werk van collega’s als een Josh Rouse, een Josh Ritter, een Robby Hecht en aanverwanten. Richting mensen die zeker niet vies zijn van wat popgevoel op z’n tijd met andere woorden. En dus was de keuze voor Sam Kassirer, bekend van zijn werk met onder anderen die Josh Ritter, Lake Street Dive en ook Langhorne Slim, eigenlijk niet eens zo’n slechte zet.

Gelijk van bij het zomerse, wat ons betreft volkomen terecht als openingsnummer weerhouden titelnummer zitten we goed. Shaddox’ vrijwel onmiddellijk heel erg vertrouwd aandoende zang, extreem catchy gitaarlijntjes en een wolk van een melodie doen het hem daarvoor helemaal. En met het al even sprankelende “My Hands Don’t Lie” wordt ook onmiddellijk voor opvolging gezorgd. Opnieuw een erg straf liedje! “Feels Like Home”, de nummer drie op de playlist tapt vervolgens uit een ander vaatje. Noem dat maar country rock California style. En opnieuw een nummer gezegend met een dijk van een melodie!

En het lijkt maar niet op te willen houden! Ook het al bij al wat melancholischer ingevulde “Fireflies”, het springerige rootspopdeuntje “I Believe” en de innemende ballad “Story Of You And I” blijken immers zonder uitzondering prima songs. En dan is er plots “Telescope”. Da’s even verschieten. Daarin vlamt Shaddox immers enkele tellen lang in wat je met wat goede wil power-popmodus zou kunnen noemen. En dat breekt eigenlijk best wel wat met wat eraan voorafgaat. Al is het zeker geen kwaad liedje. Integendeel zelfs!

Stompertje “Golden Coast”, het sprankelende, naar ons gevoel zelfs met wat Motown gekruide “Leaves In Autumn”, het akoestische kleinood “Who You Were” en de best wel wat richting het vroegwerk van Neil Young lonkende folkrocker “Not Easy Anymore” ronden een tot dan toe sowieso al erg geslaagd geheel ook nog eens heel fraai af.

Wat ons betreft zonder meer één van de aangenamere verrassingen van 2016 so far.

Billy Shaddox, Bandcamp

 

THE MYSTIX “The Mystix Live: Rhythm And Roots” (Mystix Eyes)

(4****)

U heeft het vast ook al wel eens meegemaakt. Puur toevallig beland je op een optreden van een je voorheen totaal onbekende act en die blijkt dan zó goed, dat je in het naar huis gaan nog snel even langs de tafel móet. De tafel, u weet wel, het standje waar je het anders niet altijd even gemakkelijk verkrijgbare plaatwerk van de artiest in kwestie zomaar voor het oprapen vindt. En als aandenken gaat er dan iets mee naar huis, waar je naderhand nog vele uren puur luisterplezier aan beleeft.

Dat soort van plaat is “The Mystix Live: Rhythm And Roots”. De samenvatting van een geslaagd avondje rootsvertier in het gezelschap van een aantal van de beste muzikanten op dat vlak uit Boston en verre omstreken. We hebben het dan over Jo Lily (zang en gitaar), Bobby Keyes (gitaar), Marty Richards (drums), Jesse Williams (bas en zang), Annie Raines (harmonica, orgel, mandoline en zang) en Matt Leavenworth (fiddle). En voor een echt onwaarschijnlijk innemende vertolking van Bob Dylans “To Ramona” ook nog Dennis McDermott (drums) en Tom West (accordeon).

Na vijf studioplaten vonden Lily en co dat het hoog tijd was voor een liveplaat. En geef ze na het beluisteren van dit lekkere ding verdorie maar eens ongelijk! Een waar genot voor de zinnen is het om de grofgevooisde Lily en de zijnen zich een weg doorheen dingen als de traditional “Long John”, Steve Earle’s “You’re The Best Lover That I Ever Had”, Dylans “To Ramona”, Jimmy Reeds “Things Ain’t What They Used To Be”, Stephen Fosters “Hard Times”, Carl Perkins’ “Boppin’ The Blues”, John Lee Hookers “Whiskey And Wimmen”, “Cry Cry Cry” van Johnny Cash en andere te horen banen. Allemaal covers dan? We horen het u al denken. Neen. Dat niet. Véél covers, dat wel, maar ook een aantal daar perfect bij aansluitende eigen nummers van de hand van kopstuk Lily. We droppen hier in dat verband graag even de titels van originele klapstukken als “Midnight In Mississippi”, het fraaie titelnummer van hun laatste studioplaat, “Blue Morning”, “A Lifetime Worth Of Blues” en “Hi-Line”.

Uitgangspunt voor heel wat van de liedjes van The Mystix vormt het akoestische countrybluesgenre. Zich daartoe beperken doen ze hier echter zeker niet. Maar dat had u na de hoger opgesomde reeks titels vast ook zelf al wel begrepen. Country, Americana, folk, blues, R&B, roots rock, rock and roll, you name it, they’ll play it. En hoe! Moet je wel van houden, van dit door zo menig een Amerikaanse vakbroeder prompt tot roots-supergroep gebombardeerde collectiefje. Wij zijn alvast hooked, nu u nog!

The Mystix, CD Baby

 

BLIND LEMON PLEDGE “Pledge Drive” (OFEH Records)

(4****)

Variatie, dat is ook op de opvolger van het knappe “Evangeline” weer het sleutelwoord voor James “Blind Lemon Pledge” Byfield. Net als op die plaat toont de beste man zich ook hier weer allesbehalve stijlvast. Zonder dat het ook maar ergens storend wordt fietst hij vaardig heen en weer tussen een ware veelheid aan rootsmuziekstijlen en varianten daarop.

“Run John Run” klinkt zo als een meer swampy benadering van Bo Diddley, “Moon Madness” blijkt een sneaky late night achterbuurtenbluesje, “Nag Nag Nag” hamert er pianogewijs wat meer R&B in, de ballad “Cora Lee” baadt zonder ook maar de minste gêne volop in de soul, “Birmingham Walk” is net als “Brimstone Joe” op ’s mans vorige een fijn streepje “N’awlins Noise” en “5 Weeks Of Heaven” rootsrockt er net geen vier minuten lang heerlijk op los.

De tweede helft van “Pledge Drive” wordt vervolgens ingezet met het heel erg straffe “She Broke The Ten Commandments”, dat op een onbewaakt moment een nog open gebleven stoeltje tussen roots, blues en rock wist binnen te doen. Aansluitend daarop zijn er de jazzy rootsy (pop)schuifelaar “You Can’t Get There From Here”, de nijdige slide rocker “O Katrina”, het zelfs titelgewijs al maar bitter weinig meer aan de verbeelding overlatende “You Know You Really Got The Blues”, het daar nerveus hikkend eigenlijk gewoon perfect bij aansluitende “Kokomo” en het afsluitende “Railroad Mama”, een ronduit zalig stampertje in onvervalste jug band style.

Samengevat: opnieuw een bijzonder lekkere plaat, deze vijfde van Byfield. Doe er vooral je voordeel mee!

Blind Lemon Pledge

 

THE CHAPIN SISTERS “Today’s Not Yesterday” (Lake Bottom Records)

(3,5****)

We zien het steeds vaker gebeuren. Albums die in de States al ettelijke maanden uit zijn en die dan plots toch ook een Europese release krijgen. En dat om lang niet altijd voor de hand liggende redenen. Om samen te vallen met een tournee alhier, akkoord, daarin volgen we nog wel. Maar zomaar out of the blue? Ik weet het niet, hoor…

Neem nu de laatste van de onvolprezen Chapin Sisters. Verscheen in Amerika al op 23 oktober van vorig jaar. En nu, bijna een half jaar later, dus ook hier. Zonder op stapel staande optredens. Zonder enige andere aanwijsbare reden. Want een echt verkoopssucces kan je de in een nadrukkelijk naar de Byrds classic “Sweetheart Of The Rodeo” verwijzend hoesje gestoken opvolger van “A Date With The Everly Brothers” van een jaar of drie geleden nu ook niet echt noemen. Een lekker plaatje, dat wel. En misschien moet dat als reden alleen ook maar volstaan. (Maar toch…)

Voor het inblikken van dat “Today’s Not Yesterday” togen zussen Abigail en Lily Chapin ditmaal richting Jonathan Wilsons Fivestar Studios in Los Angeles. Daar vereeuwigden ze samen met coproducers Dan Horne, bekend van zijn werk met onder meer Conor Oberst, Allah-Las en Jonathan Wilson, en Jesse Lee, een twaalftal nieuwe eigen liedjes. Iets wat ondertussen toch ook alweer vijf jaar geleden was. Van hun naar de veelzeggende titel “Two” luisterende tweede langspeler meer bepaald.

Zelf tekenden de zussen naar goede gewoonte voor werkelijk oorstrelend mooie zangpartijen en wat akoestisch gitaarwerk. Horn en Lee deden het op respectievelijk bas en pedal steel en drums. En voor wat bijkomende accentjes werden onder anderen ook nog Jessica Craven (zang in “We Will Not Stop”), Luke Paquin en Omar Velasco (beiden elektrische gitaar), Lee Pardini (piano, orgel en synths) en Bobby Rodriguez (Rhodes) ingehuurd. Met z’n allen zorgden zij ervoor dat achter het fraaie harmonieerwerk van de Chapins ook een uitermate innemend muzikaal decorum kwam te zitten. Een heel erg seventies aandoend decorum. Men denke daarbij met name aan de soft rock van Fleetwood Mac. Zo ongeveer ten tijde van hun megaseller “Rumours”.

Een typische California vibe worden we terloops ook gewaar. Alsof je op een zacht briesje wordt meegenomen, zoiets. The Mamas & The Papas konden dat indertijd ook zo goed. Al heeft wat de Chapins hier doen muzikaal gezien dan ook niet zo heel erg veel te maken met hun oeuvre. Hier is het met name bedaarde (folk)rock en -pop die regeert. Ook gedragen door elkaar op hemelse wijze aanvullende stemmen uiteraard.

Onze luistertips: het net als het seizoen uit de titel ervan een gevoel van weemoed en voornamelijk sepiatinten evocerende “Autumn”, de ingetogen countryrockers “Angeleno” en “Sleep In”, de catchy poppy spring-in-‘t-veld “Getaway”, het op een bepaald uitnodigende golf van pedal-steelklanken surfende “Love Come Back” en vooral ook de prachtige ballad “Waiting”, met opnieuw dat aparte “hazy shade of was het nu autumn of winter”-gevoel over zich.

The Chapin Sisters

 

JUNE STAR “Pull Awake” (June Star)

(4****)

Een nieuw album van June Star, da’s altijd weer goed nieuws. Het vanuit Westminster, Maryland al zo’n achttien jaar lang voor top-Americana en roots rock garant staande viermanschap ontgoochelde ons immers nog nooit. En dat doet het ook nu weer niet, op z’n inmiddels toch ook alweer tiende langspeler. De opvolger van “Kill The Lights” van een jaar of twee geleden is gewoon opnieuw een heel erg sterke plaat geworden.

Elf nummers lang vintage June Star eigenlijk. Met de heerlijk hoekige baritonstem van Andrew Grimm uiteraard als vanouds up front and center. En met diezelfde Grimm bij momenten ook weer machtig aan de slag op respectievelijk elektrische en akoestische gitaren en banjo. En natuurlijk ook weer met de zalig jammerende pedal steel van David Hadley. Die drie factoren zijn nach wie vor redelijk bepalend voor het geluid van June Star. Zonder met die uitspraak afbreuk te willen doen aan de bijdragen van multi-instrumentalist Andy Bopp (backing vocals, elektrische gitaren, keyboards en percussie) en drummer Kurt Celtnieks overigens.

Enkele van de topmomenten op “Pull Awake”: de op de keper beschouwd even aanstekelijk als bevreemdend werkende alternatieve country van “Walk Away”, de knappe, een weinig meer rockgeoriënteerde Americana-sleper “Tether”, het catchy, ons best wel wat aan Tom Petty in betere Heartbreakers-tijden herinnerende rootsrockertje “Feathers”, de ronduit heerlijke valse trage “Proof” en het afsluitende “The King Is Dead”, een echte wolk van een ballad met de pedal steel van David Hadley quasi voortdurend mee in één van de hoofdrollen.

June Star

 

THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” (Howlin’ Dog Records)

(3,5****)

“Driving blue-grama-grass to ethereal desert beauty. All throughout the southwest.” Met die woorden word je op de webstek van de Rifters geïntroduceerd tot het muzikale universum van de drie heren. Een omschrijving, die, zo leert een vluchtige studie van hun vierde langspeler “The Architecture Of A Fire” al snel, echt wel steek houdt. Don Richmond, Rod Taylor en Jim Bradley tonen zich daarop twaalf originals lang kanjers in het Americana-vak. Echte meesters op tal van instrumenten, maar vooral ook wat betreft hun (samen)zang.

Het eerste nummer blijkt meteen ook het titelnummer van de plaat. Een erg mooie, wat moody uit de hoek komende, mijmerende Americana campfire song. “A Hundred Miles” is op zijn beurt bedaarde banjogestuurde C&W. En “In A Land Where The Wild Birds Sing” zouden we durven te omschrijven als werkelijk bloedmooie slow Americana, met Don Richmonds dobrokunstjes als bijzonder fraai surplus.

“I Got News For You” en “Charlie’s Lament” presenteren The Rifters bluegrass style, “Life Up To Now” is een met name door de puntgave samenzang van de heren erin opvallende rootsy ballad, “John Lebleu’s Ghost Dance Medicine Shirt” focust op ingetogen old-time country storytelling en “Beautiful World” valt op door een jazzy ondertoontje en vooral ook oorstrelend gitaarwerk.

Op “A Good Problem To Have” mag dan weer het label opgewekte fiddle driven country, “Cadillac Song” sluit qua invulling eerder aan bij het hoger al vermelde “A Hundred Miles” en “The Horizon Line” is opnieuw een fijn streepje atmosferische mijmer-Americana à la het titelnummer.

Hét allermooiste liedje op “The Architecture Of A Fire” vonden wij op de keper beschouwd “I Can Live With That”. Met name door Richmonds fiddle-bijdrage eraan kreeg dat een zekere gypsy jazz feel mee. En ook de erin verkondigde boodschap sprak ons wel aan. De spons over in het verleden gemaakte fouten. Maak gewoon het beste van nu, want “(you) can’t live the past, only today.” Hadden we zelf niet mooier kunnen verzinnen.

Eerder verschenen van deze Rifters ook al de albums “The Rifters” (2004), “The Great River” (2011) en “Live At The Sagebrush” (2013).

The Rifters, CD Baby

 

KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” (Keegan McInroe)

(3,5****)

Het fijne aan vrijwel dagelijks over muziekjes schrijven is, dat er je met enige regelmaat ook prima dingen worden aangeboden, die anders gegarandeerd onder je radar doorgevlogen zouden zijn. Dat brengt natuurlijk ook een heleboel extra werk met zich mee, maar dat nemen we er graag bij. Zeker als het blijkt te gaan om dingen als “Uncouth Pilgrims”, de nieuwe van de Texaanse songsmid Keegan McInroe. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op de dag van vandaag nog niet van die man gehoord had. En het verbaasde me dan ook flink om te lezen, dat hij met “Uncouth Pilgrims” al aan zijn vierde soloplaat toe is. En dat hij eerder ook al zes jaar lang deel uitmaakte van Catfish Whiskey.

“Uncouth Pilgrims” blijkt bij nader inzicht een conceptplaat. Voor de titel ervan liet McInroe z’n oog vallen op enkele woorden ontleend aan Mark Twains travelogue “The Innocents Abroad”. Waren de pelgrims van Twain daarin echter religieus van aard, dan zijn die van onze man vooral romantisch van inborst. Zij het bij momenten dan ook eerder onbehouwen. De liefde in al haar facetten als onderliggend thema voor de veertien songs hier dus. En dat in een al bij al ook lekker wijd gehouden Americana-context. Ruwweg te situeren ergens tussen country, folk en blues. Met nu eens de nadruk wat meer op het ene, dan weer wat meer op het andere. En met soms ook wel eens even een ander accentje ertussendoor, zoals bijvoorbeeld in het over een verkapt reggaeritme neergelegde “I Got Trouble” of in het echt wel vervaarlijk richting bluesrock overhellende titelnummer. Dingen als dat tweetal blijven echter al bij al eerder uitzonderingen op de regel.

Ruim veertien nummers lang grossiert McInroe in wat wij zouden willen omschrijven als rustiek vakwerk. In liedjes met hun roots nog nadrukkelijk in lang vervlogen tijden. In tijden toen alles nog zoveel eenvoudiger was of op z’n minst leek.’s Mans voornaamste bondgenoot is daarbij ongetwijfeld zijn krachtige rauw-hees-tedere stem. Al dient zeker ook de rol van zijn begeleiders niet te worden onderschat. Met name Roger Ray (pedal steel en dobro), Darrin Kobetich (mandoline), Sam Smith (fiddle), Ginny Mac (accordeon) en Gary Grammer (harmonica) mogen hier ook even mee in het zonnetje.

“Uncouth Pilgrims” zouden we zonder daarover al te lang te moeten nadenken durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Slaid Cleaves, een Rod Picott, een Jeff Talmadge, een Ray Wylie Hubbard en een Darrell Scott.

Keegan McInroe

 

BEN KUNDER “Golden” (Ben Kunder)

(3,5****)

“Golden”, de binnenkort ook hier officieel te verschijnen debuutplaat van de Canadese singer-songwriter Ben Kunder, is er wat ons betreft meteen eentje om te hebben en van te houden. Kunder nam het album op in een met John Dinsmore van NQ Arbuckle gedeelde productie en mocht tijdens het inblikken ervan een beroep doen op muzikanten die hun sporen onder meer al bij Dustin Bentall, Danko Jones, Cowboy Junkies, Daniel Romano en Ladies Of The Canyon verdienden.

Wat je als luisteraar bij een eerste beluistering van “Golden” al meteen opvalt, is de ongelooflijke warmte die er van het geheel afstraalt. Niet enkel van de wat speciale (hoge) stem van Kunder zelf, maar ook van de liedjes, van de instrumentale invulling daarvan, van de uiteindelijke afwerking. “Golden” is af, zoveel moge bij dezen al wel duidelijk zijn. En knap, dat het daarbij dan ook nog eens om negen eigen nummers blijkt te gaan. Lekker gevarieerd spul bovendien ook.

Openingsnummer “Travelling” is zo een heerlijk soulvolle zachte rootsrocker, “Love On The Run” een country folk ballad van het genre dat je bijvoorbeeld ook wel van een Neil Young verwachten zou en het met Maia Davies van Ladies Of The Canyon gedeelde titelnummer een streepje fraaie mid-seventies roots pop. Naast “Half Moon” en “Trailhead” mag o.i. dan weer de omschrijving (Springsteen-eske) Heartland rock en “Bags And Barrels” en “Love And Motion” vallen voor ons beide onder het label ingetogen folkspul Canadiana style. En dan is er nog het afsluitende tweetal. Het met de ons voorheen onbekende Kirty gebrachte “Don’t Dance” is een ingetogen akoestisch folkbluesniemendalletje. En slotnummer “Against All Odds” heeft gelukkig niets met de gelijknamige (melige) Phil Collins slow te maken, maar blijkt andermaal een fraai staaltje aan weelderige roots pop.

Een bijzonder fijne binnenkomer zonder meer, dit “Golden”!

Ben Kunder

 

TEDDY THOMPSON & KELLY JONES “Little Windows” (Cooking Vinyl)

(4****)

Teddy Thompson, zoals ondertussen allicht genoegzaam bekend de enige zoon van iconisch ex-folkrockechtpaar Richard en Linda Thompson, en de jonge Amerikaanse chanteuse Kelly Jones sloegen voor “Little Windows” voor het eerst de handen in elkaar. Het resultaat is een werkelijk adembenemend mooie verzameling duetten, waarin het tweetal ongegeneerd terugharkt naar lang vervlogen rock & roll- & countrytijden. Geïnspireerd vooral door Buddy Holly en de Everly Brothers. En als die laatste klinken ze eigenlijk ook wel een beetje. Mochten Don en Phil in plaats van broers broer en zus van elkaar geweest zijn, dan was het er waarschijnlijk boenk op.

Thompson en Jones zongen voor het eerst samen in 2011. Tijdens een optreden in de Club Largo in Los Angeles brachten ze toen samen een liedje van wijlen George Jones. En dat smaakte eigenlijk voor beide partijen onmiddellijk naar meer. Meteen het begin van een muzikale LAT-relatie. Met Thompson in NYC en Jones in LA en een heleboel moderne communicatiemiddelen daartussen om coast to coast tot nieuwe liedjes te kunnen komen.

En tien daarvan belandden uiteindelijk op “Little Windows”. Te beginnen met het onmiddellijk zwaar Everly-esk aandoende “Never Knew You Loved Me Too” en het met een bescheiden, maar wel bijzonder lekkere prise rock & roll gekruide “Make A Wish On Me”. Vervolgens gaat het via de zalig gecroonde sleper “Better At Lying” over het catchy meezingertje “Wondering” richting de mooie ballads “I Thought That We Said Goodbye” en “Don’t Remind Me”, met dat laatste als een soort van kruising tussen iets van Santo & Johnny en iets van de Everlys. Ronduit zalig gewoon!

Met het lentefrisse “As You Were” mag het tempo vervolgens een klein beetje naar omhoog, maar dat is maar voor heel even, want met de duidelijk op een R&B-leest geschoeide schuifelaar “Only Fooling” wordt die versnelling meteen weer in de kiem gesmoord. “You Can’t Call Me Baby” rockt vervolgens op z’n Buddy Holly’s opnieuw sympathiek een aardig eindje weg. En dan is er nog de afsluiter. Dat is de hertenbreker “You Took My Future”, opnieuw een plakker van formaat. Meer tranen dan bier nog, zeg maar.

Voor ons hoeft het echt niet bij deze ene samenwerking te blijven, hoor! Van werkelijk hemels harmonieerwerk als dit zullen we immers nooit genoeg krijgen.

Teddy Thompson, Kelly Jones

 

EVA ALMAGOR “Against The Grain” (Eva Almagor)

(4****)

Over echte supertalenten gesproken, wel, dit is er dus nog eens ééntje. En we hoeven er niet eens ver de deur voor uit. Eva Almagor is immers een jonge Nederlandse, afkomstig meer bepaald uit Nijmegen. En van daar uit dropte ze onlangs haar debuutplaat “Against The Grain”, een door onze landgenoot Werner Pensaert geproduceerde collectie eigen liedjes. Twaalf stuks in totaal. En die hebben het werkelijk zonder uitzondering in zich.

Het eerste wat je gelijk bij een eerste beluistering al opvalt is de geweldige stem van Almagor. Die is voor haar leeftijd echt al wel ongemeen soulvol. Te situeren ergens tussen Shelby Lynne, Dusty Springfield, Susan Tedeschi en Mathilde Santing in, zeg maar. Kan al tellen als referentie, niet?

En het wordt allemaal alleen nog maar beter! De liedjes van Almagor blijken immers óók uitzonderlijk sterk. Heerlijk soulvolle dingen als “Mistakes”, “Tease Me”, “Leave You”, “Good Hands” en andere maakten ons op slag razend nieuwsgierig naar de platencollectie van de youngster. Het zou ons alvast niet verbazen, mochten er daarin flink wat Southern soul classics huizen. En op haar eigen webstek spreekt Almagor bovendien over helden als de hoger ook al even genoemde Susan Tedeschi, Bonnie Raitt, Jason Isbell en Ray LaMontagne. Ook verre van kwaad gezelschap natuurlijk.

Bij nader inzicht blijkt “Against The Grain” een heerlijk gevarieerde rootsplaat met aan soul absoluut geen gebrek. En met zo nu en dan een bescheiden uitstapje richting wat meer bluesy uitvallende wateren ook. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de over een bijzonder lekker stuitergitaartje weghikkende eerste single “While We’re Waiting”

Andere hoogtepunten hier: het dromerige “By Surprise”, de prachtballad “Try”, het werkelijk van de zuiderse energie bruisende “Pictures” en het ons, om onszelf niet meteen duidelijke redenen, een beetje aan Bobbie Gentry herinnerende “Lasts Not Burns”.

Wat een talent! Als ze krijgt wat haar toekomt, dan wordt deze Almagor een hele grote!

(P.s.: Een complimentje voor haar begeleiders en voor producer Pensaert trouwens ook, ook zij leverden immers uitstekend werk. Van internationale klasse!)

Eva Almagor

 

COURTNEY YASMINEH “Red Letter Day Unplugged” (Stupid Bitch Records)

(2,5***)

Als Courtney Yasmineh in de titel van haar nieuwe worp aangeeft dat het gaat om “Red Letter Day Unplugged” dan is dat niet gelogen. Het gaat hier immers daadwerkelijk om vijf nummers van haar twee jaar geleden boven de doopvont gehouden album “Red Letter Day”.

Toen Yasmineh om die langspeler te promoten voor een reeks optredens langs radiostations aan de Amerikaanse East Coast moest, kwam ze tot het besef dat de meeste van die zenders allicht niet over voldoende grote ruimtes beschikten om er met haar volledige begeleidingsgroep in aan te treden. En dus besloot ze maar om samen met haar drummer-maatje Rob Genadek nieuwe versies van een aantal nummers in te oefenen. Stripped down, zoals dat dan in vakjargon heet. Akoestische oerversies van de rock songs op “Red Letter Day”.

Die nieuwe duoversies werden vervolgens zowel door de betrokken dj’s als door het ermee bereikte publiek zo laaiend enthousiast onthaald, dat Yasmineh en Genadek opnieuw samen de studio indoken en er vijf van de nummers van “Red Letter Day” ook in hun nieuwe uitvoeringen inblikten. En die vijf vinden we nu dus terug op de voorliggende EP. Het gaat daarbij om respectievelijk “Stupid With Your Love”, “Friend Of Mine”, “Red Letter Day”, “Misfits And Losers” en “Cleaning Crew”.

Lijkt ons op de keper beschouwd vooral iets voor de fans van Yasmineh, dit akoestische tussendoortje. Houden van indie pop en rock is alleszins een must om het ten volle te kunnen appreciëren.

Courtney Yasmineh

 

THE VOODOO FIX “In Deep” (Nashvillain Records)

(3***)

“In Deep” is het eerdaags te verschijnen debuutalbum van het Los Angeles als uitvalsbasis gebruikende Amerikaanse (blues)rockcollectiefje The Voodoo Fix. Dat drietal combineert op z’n maiden release op bijzonder aanstekelijke wijze elementen uit (hard) rock, blues, soul en funk. En met de daaruit voortkomende muzikale gumbo verdienden de drie ook al rijkelijk bijval. “Het wat funkier uitgevallen neefje van de Black Keys”, meende één van onze vakbroeders na het horen ervan. En geef toe, dat maakt op z’n minst nieuwsgierig.

Recht-toe-recht-aan knallend worden de startblokken verlaten met het op een dreigende beat leunende “Take Me Back” en het als bezeten tussen stuiterende gitaren rondspringende “Wake Up”. Het meteen daaropvolgende “Jack Was Bad” herinnert ons tegelijk aan Led Zeppelin, de Red Hot Chili Peppers en John Lee Hooker. Vervolgens is er het naar onze bescheiden mening beste nummer van de plaat. Te weten de donkere bluesy schuifelaar “I Was Wrong”.

Via het funky “The Curse” gaat het vervolgens richting ZZ Top en aanverwanten met “Hard To Change (Let It Go)”, richting nog wat radiogeniekere hard rock met het massieve “Sun Won’t Shine”, richting een onvervalst rustpuntje met het gaandeweg van soulvolle power ballad tot bedaarde roots rock evoluerende “Rock Bottom”, richting zwierige, juke joint-rijpe roadhouse rock met “Let It Kill You” – Een tweede echt hoogtepunt! – en zeer catchy richting de uitgang ten slotte met het hyperkinetisch aan z’n kettingen snokkende punky rockertje “Without You”.

Gedurende de maanden mei en juni mag u dit van het potentieel barstende trio ook in Europa verwachten voor een reeks optredens.

The Voodoo Fix

 

BLUE GRASS BOOGIEMEN “Grassified” (Excelsior Recordings)

(3,5****)

2016 staat voor de Nederlandse Blue Grass Boogiemen volledig in het teken van hun vijfentwintigjarig jubileum. Een kwarteeuw lang nu inderdaad al staan Robert-Jan Kanis (zang en gitaar), Arnold Lasseur (zang, mandoline, gitaar, viool en dobro), Aart Schroevers (zang en contrabas) en Bart van Strien (zang, banjo, mondharmonica en viool) garant voor high-energy bluegrass van het betere soort. En al wie hen ooit live aan het werk zag, zal met plezier beamen dat ze zo menig een U.S. act moeiteloos achter zich laten.

Voor deze speciale verjaardag verrassen de Boogiemen ook met een speciaal project. Besloten werd immers om nummers van een aantal muzikale vrienden samen met hen van een bluegrassjasje te voorzien. Deze te verbluegrassen als het ware. Dat zulks uitermate boeiende resultaten opleverde, hoeven we je hier allicht niet te vertellen. En al zeker niet gezien het aardig eclectisch uitgevallen deelnemersveld.

Als leukste momenten stipten wij aan: een zeer mooie lezing van Tim Knols “Rearview Mirror”, een (tot onze grote verbazing) echt wel verbazend goed werkende benadering van “(Vechten Tegen) De Bierkaai” van Freek de Jonge, het zalig melancholische “Zo Fijn” van Clean Pete, het stukje jeugdsentiment dat “Belle Hélène” (voor velen onder ons) toch wel is door ex-Doe Maar Ernst Jansz, het heerlijk authentiek aandoende “Hayfever” van T-99 en het relaxed swingende “D’n Anholder Wint” van en met niemand minder dan Achterhoek-legende Bennie Jolink van Normaal.

Zijn verder ook nog van de partij: Maurits Westerik (“The Subterranean Parade”), Jeroen Mesker (“Stick With It”), rapper Def P. (“Ik Eerst”), Roos Rebergen (“Gedachten”), Awkward I (“Rock Stars”), Danny Vera (“Jesus & The Outlaw”), Tangarine (“It Will Not Bother Me”), Marike Jager (“Secret”), Blaudzun (“Elephants”) en Dave von Raven (“Ruimtetuin”).

Hoogst origineel allemaal en bovenal ook erg sympathiek. Gelukkige verjaardag, heren!

Blue Grass Boogiemen

 

DANIEL MARTIN MOORE “Golden Age” (OK Recordings / SofaBurn)

(4****)

Echt nieuw is dit “nieuwe” album van Daniel Martin Moore eigenlijk al niet meer. In de States was het immers al zo’n half jaar lang op de markt. Maar om ons niet meteen duidelijke redenen krijgt het nu ook hier eindelijk een serieuze kans. En dat is maar goed zo ook, want dit is echt wel een heel mooi geheel.

Daniel Martin Moore werkte voor zijn inmiddels toch ook alweer zesde plaat nauw samen met Jim James. Die tekende met name voor de productie. En hij zorgde ervoor, dat de vocale kunstjes van zijn beschermeling in een wat voller decorum dan voorheen terechtkwamen. Een groter geluid, dat was de betrachting. Eentje met een volledige band achter Moore, met veel toetsen en strijkers ook en met minder de nadruk op de gitaar. Van de partij voor het realiseren daarvan waren onder anderen toetsenist Dan Dorff, Jr., percussionist Dave Givan, bassisten Alana Rocklin en Zak Appleby (Houndmouth), strijkers Charlie Patton (cello) en Scott Moore (viool), nachtegaaltje Joan Shelley en uiteraard ook producer James, voor als er toch al eens ergens een gitaar nodig bleek. Martin zelf horen we vooral in de weer op de piano en sporadisch ook de gitaar.

Met z’n allen tekenen zij voor een op de keper beschouwd redelijk tijdloos aanvoelend songtiental. Onwillekeurig denk je hierbij als luisteraar terug aan knapen als een Nick Drake en een Tim Buckley. Moore beschikt immers niet enkel over een enigszins vergelijkbare ijle stem, met heel wat van zijn liedjes doet hij ook dezelfde melancholische buurten aan als genoemde heren in heel wat van hun materiaal. A match made in heaven dus.

Al is “Golden Age” inhoudelijk wel een stuk minder somber dan wat Nick Drake ooit te bieden had. Het is integendeel juist een heel warm, heel erg positief ingevuld geheel. Eentje dat er absoluut niet voor terugdeinst om bijvoorbeeld vriendschap en liefde volop te celebreren. Maar dan wel op een zodanig fraaie manier, dat het nergens banaal dreigt te worden.

Onze luistertips: de heerlijk elegante pianoballade “In Common Time”, het ook al lekker dromerig ingevulde titelnummer en afsluiter “How It Fades”, een ons best wel wat aan Ron Sexmith herinnerende herfstige trage.

Daniel Martin Moore

 

SUZETTE LAWRENCE & THE NEON ANGELS “Tear Up The Honky Tonk” (Tex-O-Billy Music)

(4,5*****)

Voor onze eerste kennismaking met Suzette Lawrence moeten we al een aardig eindje terug in de tijd. Naar 1993 meer bepaald en het derde volume van de vermaarde reeks “A Town South Of Bakersfield”. Als toen nog Suzette Renee gaf ze hem ook daarop al met de Neon Angels serieus van jetje met “He’s Breakin’ My Heart”. Iets wat in volle cowpunktijden door ons natuurlijk heel erg geapprecieerd werd.

En ik moet zeggen, dat het me ontzettend veel plezier doet om de ondertussen in East Nashville neergestreken Texaanse ook ruim meer dan twintig jaar later nog steeds even passioneel met haar muziek bezig te horen. Niet één liefhebber van hardcore country met zo nu en dan een rockabillyrandje zal zich hiermee bekocht voelen. Wel integendeel! Dit is echt een aanrader van formaat!

Net geen veertig minuten lang etaleert Lawrence een countryhart zo groot als haar geboortestaat. Beginnend met de fraaie, met fijne pedal steel- en mandolineaccenten opgewaardeerde hartzeercountry van “Baby Don’t Cry” over de z’n titel dik drie minuten lang volop waarmakende rocker “Tear Up The Honky Tonk” en ballad “Barely Hangin’ On” tot het ergens op de grens tussen rockabilly, twangy country en bluegrass wervelende “Leavin’ His Town”. En met verderop onder meer ook nog de lekker wegrockende tip of the hat aan “haar” Lone Star State “Texas State Line”, de swingende billy van het bij ons zowel beelden van Kitty Wells als van Wanda Jackson oproepende “Kitty Cat Scratch”, het wat meer richting Americana uitwijkende “Beautiful Dream” en klassiek Texaans dansvloerspul met “Help Me Remember”.

Uitgezwaaid worden we ten slotte met “You Burned Me”, “The Sun Will Rise Again” en “Yo Soy Tejana (I’m A Texas Girl)”. Respectievelijk een passionele countryrocker van het genre waarin ook Maria McKee en Lone Justice ooit pleegden te grossieren, een prachtige, steelzwangere trage en een wervelende, tweetalige bekentenis met betrekking tot de eigen roots. Goed voor een genadeloze knock-out in de elfde ronde.

Suzette Lawrence & The Neon Angels

 

GRAHAM NASH “This Path Tonight” (Blue Castle Records)

(3***)

Ooit was Graham Nash één van onze idolen. Ten tijde van “Déjà Vu” van Crosby, Stills, Nash & Young meer bepaald. Die plaat, met onder meer dingen als “Our House” en “Teach Your Children”, blijft ook jaren na dato nog steeds één van onze all-time favorites. Maar dat was toen en dit is nu…

“This Path Tonight”, de eerste nieuwe studioplaat van Nash in veertien jaar tijd, weet ons lang niet meer in diezelfde mate te boeien. De tien door de beste man daarop in een productie van Shayne Fontayne geserveerde liedjes zijn weliswaar mooi maar ook niet meer dan dat. Ze onderscheiden zich nauwelijks of niet van wat zoveel anderen óók doen. En da’s dus ooit wel eens anders geweest…

Op “This Path Tonight” is Graham Nash vooral in de weer met zichzelf. Met terugblikken op wat ooit was. Met CSNY bijvoorbeeld. In “Golden Days”. Met ondervinden hoe het voelt na een laatste “Encore”. Met zich afvragen wat er nog komen moet. Letterlijk dan, in het titelnummer waarin expliciet de vraag “Where Are We Going?” weerklinkt.

Tegenover al die behoorlijk diepzinnige gedachten staat helaas een eerder onopvallende muzikale achtergrond. Folky, bij momenten vrijwel naadloos verglijdend in pop en rock. Ingespeeld samen met de al genoemde Shane Fontayne (elektrische en akoestische gitaren), Jay Bellerose (drums en percussie), Todd Caldwell (Hammond), Jennifer Condos (basgitaar) en Patrick Warren (keyboards en piano).

Wél heel erg mooi: het intimistische kleinood “Back Home”, een eerbetoon aan wijlen z’n maatje Levon Helm.

Graham Nash

 

RACHEL GARLIN “Wink At July” (Tactile Records)

(4****)

De voorbije zeven jaar had het leven zelf zo menig een aangename verrassing in petto voor de Californische liedjesschrijfster Rachel Garlin. Een terugkeer naar haar geboortestaat, een huwelijk, een kindje, daarna nog eentje en een haar op gelukkige wijze in de schoot geworpen job als muziekleerkracht in een plaatselijke school vergden een flinke poos zo goed als al haar aandacht. En voor het inblikken van nieuwe muziekjes bleef er dan ook maar bitter weinig tijd over. Maar al die tijd bleven de liedjes wel komen. En dan weet je, vroeg of laat komt die nieuwe plaat er toch wel weer van. In dit geval dus laat. Van 2008 en “Bound To Be Mountains” was het immers alweer geleden, dat Garlin nog eens met vers materiaal uitpakte.

Veel is er tussentijds gelukkig niet veranderd. De Amerikaanse schrijft nog altijd van dezelfde heerlijke story songs, als deze waarmee ze ooit de aandacht van de jury’s van gerenommeerde talentenjachten als die van het Newport Folk Festival en het Telluride Bluegrass Festival op zich wist te vestigen. Zelf mag ik haar eigenlijk graag zien als een net wat meer rootsy uitgevallen uitvoering van Suzanne Vega. Met die laatste deelt ze niet enkel een enigszins vergelijkbare stem, maar ook de benaderingswijze van haar liedjes. Eén enkele aandachtige beluistering van “Wink At July” zal al snel duidelijk maken, wat ik daarmee precies bedoel.

In totaal twaalf nieuwe eigen songs staan er op het album. Nummers die Garlin opnam onder de productionele vleugels van JJ Wiesler en met studiobegeleiding van muzikanten die hun sporen verdienden achter onder anderen John Hiatt, Chris Isaak, John Fogerty, Ani DiFranco, de Indigo Girls, Tori Amos en Sarah McLachlan. Het eerste in lijn is de speelse, met haar jonge jaren in Berkeley in het achterhoofd gepende folkpopdeun “Gwendolyn Said”. Gelijk een prima opener en naar verderop blijkt ook een uitstekende barometer voor wat er ons vervolgens nog allemaal te wachten staat. Zoals het zonder effectief gebruik van het instrument in de titel ervan door het leven moetende “Accordeon Song” bijvoorbeeld al, een echt pareltje van een liedje, waarin Garlin een toevallige ontmoeting met een bekende, die net al zij ook pas haar vader verloren heeft, beschrijft. Buitengewoon pakkend, hoe ze daarin met de door dat simpele gesprek vrijgekomen emoties omspringt.

“Hey Keith Haring” blijkt vervolgens een wat apart eerbetoon aan het adres van de graffitikunst van die ons veel te vroeg verlaten hebbende artiest, “This Winding Road” is een vlot folkbluesje met de blik gericht op de achteruitkijkspiegel en het ontdekken van de schoonheid van bekend terrein, “The Sea You See” richt zich tot haar vele jaren geleden uit Schotland geëmigreerde, maar ondertussen overleden moeder en “Colorado Rain” speelt tegen een levendige, voorzichtig richting bluegrass overhellende achtergrond met herinneringen aan het fijne voorspel op de lente aldaar.

“Up On A Ladder In Boots” confronteert ons daarna onder de bijzonder fijne mandolinebegeleiding van Kate Isenberg met een meteen door haar aparte werkwijze in het oog springende artieste, “Flying Together” gaat op z’n Suzanne Vega’s over maar moeilijk los kunnen laten, “Spin” blijkt in het zog daarvan één van de vlottere deunen überhaupt hier en het subtiele “Stranded” op zijn beurt dan weer enkele tellen lang aangenaam vastzitten in tal van snapshots uit het verleden.

De twee laatste stops ten slotte zijn “Dear Friend” en titelnummer “Wink At July”. In het eerste van die twee maakt Garlin ons op erg breekbare wijze deelachtig aan de inhoud van een brief geschreven als antwoord op die van een vriend, in het tweede kijkt ze tegen een zalige atmosferische rockachtergrond in blijvende verwondering naar de wereld om haar heen. Een werkelijk bloedmooi einde voor een al bij al ook zeer mooie plaat.

Rachel Garlin

 

THOMAS NORDLUND “Divide Avenue” (Codesong Records)

(3,5****)

Wie houdt van instrumentale Americana raden we aan om dringend eens een oor te luister te gaan leggen bij “Divide Avenue”, het debuut van de jonge Amerikaanse gitarist Thomas Nordlund. Wat die op z’n visitekaartje presteert spreekt immers hoegenaamd tot de verbeelding. Middels zijn liedjes brengt hij als het ware een breedbeeld-ode aan de vele werkelijk bloedmooie landschappen op het schiereiland Baja California. Aan het bepaald cinemascopische karakter van het merendeel ervan kan je als luisteraar amper voorbij.

Beklijvende baritongitaarescapades aangevuld met accenten op de twaalfsnarige baritonsteel, de 6-string steel, trompet, bugel, Wurlitzer, Rhodes, piano, akoestische en elektrische bassen en drums is wat er op het programma staat. Beurtelings wat meer Americana-, jazz- dan wel rockgericht. Eén enkele keer ook met een bescheiden vocale bijdrage van de ons voorheen volslagen onbekende Maryam Yusefzadeh.

Dit werd ons aangereikt als “een nostalgische road song verteld door gruizige elektrische baritongitaargeluiden” en da’s eigenlijk best wel een adequate beschrijving ook. Als je tenminste in rekening neemt, dat bloedheet woestijnzand nooit echt ver uit de buurt lijkt.

Noem dit wat mij betreft maar een fijne gezel voor in de al wat latere uurtjes. In die momenten tussen nacht en dag lijkt me een verkapte soundtrack als deze het best tot z’n recht te kunnen komen. (En al zeker dan als je houdt van Calexico-achtige toestanden.)

Thomas Nordlund

 

BASEMENT SAINTS “Get Ready” (Wanted Men Recordings)

(3,5****)

De Basement Saints zijn een vanuit Grenchen, Solothurn actief Zwitsers rockcollectiefje, dat met “Get Ready” aan zijn langspeeldebuut toe is. Eerder verscheen van de drie immers enkel een EP. In het najaar van 2014 was dat, met “Free Souls”, een geheel dat hen al aardig wat airplay en dankzij veelvuldig videogebruik vooral ook heel wat fans binnen skate- en snowboardkringen opleverde.

Anton Delen, Tobias Arn en Samuel Jaussi treden aan in wat heet een klassieke driemansbezetting te zijn. Anders dan verwacht worden de taken binnen de groep echter niet op de klassieke manier ingevuld. Delen en Arn blijken immers allebei gitaristen en Jaussi kijkt toe van achter z’n drumstel. Voor het broodnodige basfundament doet men net als op het podium een beroep op een technische kunstgreep, zo blijkt. Meer daarover in het de cd begeleidende booklet.

Het op hun eersteling door de Saints geserveerde spul zal o.i. vooral in de smaak gaan vallen bij liefhebbers van bluesy hard rock van het type zoals men die ook in het zuiden van de States graag maken mag. Hun sterkste troeven daarbij blijken de gevaarlijk ruige strot van kopstuk Anton Delen, de twin guitars van diezelfde Delen en maatje Tobias Arn en vooral ook hun avontuurlijkheid met betrekking tot het gebrachte. Om binnen het door hen gekozen genre op te vallen kon het inderdaad absoluut geen kwaad om te gaan voor de nodige variatie. En als je dat dan ook nog eens kan zonder daarbij de melodie uit het oog te verliezen, dan is dat enkel nog een pluspunt meer.

Onze luistertips: de terecht als eerste single weerhouden furieuze recht-toe-recht-aan rocker “High Tide”, het zich wat ons betreft nu al als gedoodverfde opvolger daarvoor aandienende groovy titelnummer, het ook al ongemeen snedige “Apple Tree”, het bijna onopvallend wat funky trekjes verradende “Red Wine” en het uitermate sympathiek voorbij gehikt komende “Revolution”.

Ideaal als soundtrack voor als straks tijdens lange ritten met de wagen onder een zonnige hemel de ruit weer ongestoord naar omlaag kan.

Basement Saints

 

JAMES HOULAHAN “Multitudes” (Gumbo Luvah Music)

(3,5****)

Met “Seven Years Now”, zijn in 2009 uitgebrachte eerste soloplaat, en “Misfit Hymns”, de drie jaar later verschenen opvolger daarvan, deed de Amerikaanse songsmid James Houlahan hier al een paar keer eerder van zich spreken. Met name die tweede plaat vonden wij echt ijzersterk. Zó goed zelfs, dat we eigenlijk best wel een beetje uitkeken naar ’s mans nieuwe.

En die nieuwe, die is er nu dus eindelijk. Na alweer meer dan drie jaar wachten. Drie lange jaren, die Houlahan klaarblijkelijk goed heeft gebruikt. Dat menen we toch te mogen concluderen uit de kwaliteit van het gros van de op “Multitudes” gebrachte liedjes. Het album begint echt wel ijzersterk. Murder ballad “Fire Of Mercy” is het soort van rammelwalsje dat allicht geen enkele fan van Tom Waits onberoerd zal laten. Vervolgens is er de groovy roots pop van het de wijde oceaan als een metafoor voor liefde en verlangen gebruikende “Delta Heart”. Ook al een prima deun! Met een heel toffe koperbijdrage van Danny T. Levin erin ook.

Dan gaat het via de lijzige Southern blues rocker “The Rogue Song” en de zijn eigen verhuis van Boston naar L.A. als uitgangspunt gebruikende rootspopdeun “See Me Through” onverwachterwijze richting de onderwereld in het omineuze “Mystery Earth Song”. De broze ballad “Morning Song” noemt Houlahan zelf een langeafstandsliefdesliedje en “Marcy’s Lament” blijkt op de keper beschouwd een soort van companion piece bij openingsnummer “Fires Of Mercy”. In die enigszins psychedelisch aandoende rocker waarschuwt de vermoorde minnares vanuit haar graf immers haar moordenaar om vooral toch maar zijn eigen kinderen met rust te laten.

“Rock Star (Dedicated To The Ruined Heroes Of Sunset Strip)” schreef Houlahan, ook al naar eigen zeggen, als een soort van eerbetoon aan “the ghosts of L.A. music past”. En zowel “Home” als afsluiter “Joyful Circuit” blijken aansluitend daarop opnieuw liefdesliedjes. Met wat ons betreft vooral dat laatste als een waar blijvertje.

James Houlahan

 

KEN DUNN & GYPSY STARFISH “The Great Unknown” (Ken Dunn Music)

(4****)

Echt wel een verrassend goede plaat, deze zesde van de Canadese folkveteraan Ken Dunn en z’n bandje Gypsy Starfish. Z’n eerste nieuwe langspeler in meer dan vijftien jaar tijd trouwens. Sinds het in 2000 uitgebrachte “Time And Space” volgden immers enkel nog de EP “Sacred Water” onder de vlag Gypsy Starfish in 2014 en de verzamelaar “Pouring Rain” een goed jaar later. Haast bij wijze van voorspel op “The Great Unknown” zou je kunnen zeggen.

Voor dat nieuwe album liet Dunn, zelf een uitstekende gitarist (finger style), zich begeleiden door Anna Green (harmony vocals), Tyler Beckett (fiddle), Keira McArthur (cello), Drew McIvor (keyboard), Dean Drouillard (elektrische gitaar), Randy Martin (bas) en Mark Mariash (drums en percussie). En dat bleek bij nader inzicht een uitstekende zet. Met z’n allen bezorgen zij de beste man immers de zo ongeveer perfecte muzikale achtergrond voor een glansprestatie. Want, laat daarover vooral geen twijfel bestaan, “The Great Unknown” is wel degelijk een echte glansprestatie.

Een glansprestatie zoals je die eigenlijk eerder van Dunns landgenoot Neil Young verwachten zou. Met diens wat meer folk- en countrygeoriënteerd materiaal heeft het op “The Great Unknown” gebodene overigens aardig wat gemeen. En mooi het midden tussen folk, country en Americana houdende liedjes als “My Beating Heart”, “Hard But True”, “Forsaken By These Blues”, “Stay By My Side”, “Mermaid Of Avila”, “Cross Of Lorraine” en andere zullen bij de liefhebbers van Youngs oeuvre dan ook zeker niet in dovemansoren vallen. En dan hadden we het nog niet eens over wat rockender spul à la “Mighty Shore” of “Fukushima Nightmares”. Daarbij zal de eerder aangevatte omarming gegarandeerd alleen nog maar inniger worden.

Daarbij voortdurend zowel het persoonlijke als het sociale rijkelijk aan bod laten komend etaleert Dunn hier een bijzonder vaardig handje als songsmid. En dat gecombineerd met z’n eigen wat aparte, maar bijzonder warme nasale stem, het fraaie harmonieerwerk van Green, z’n veelal ingetogen kunstjes op de gitaar en het vakmanschap van alle andere betrokkenen doet het hem. Het maakt het heel erg moeilijk om hier niet van te houden.

Ken Dunn

 

STEVEN CASPER & COWBOY ANGST “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head” (Silent City Records)

(3,5****)

De achterliggende gedachte achter de drie laatste releases van de vanuit L.A. al een poosje aan de weg timmerende Steven Casper is al bij al eigenlijk vrij simpel. Het maken van een album duurt langer dan het maken van een EP en het onder de mensen brengen van je nieuwe nummers via een LP dus ook. En aangezien hij z’n creatieve eieren nu eenmaal zo snel mogelijk kwijt wil, beperkte hij zich zowel bij “Trouble”, “Endless Sky” als nu bij “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head” dus maar tot het EP-formaat. Het is een visie als een andere natuurlijk.

En eerlijk gezegd treur ik er niet eens echt om, dat Casper en de zijnen tot die modus operandi zijn overgegaan. Op die manier komen ze immers steeds dichter in de buurt van een volledig bevredigend geheel, iets wat vroeger in veel mindere mate het geval was. Eigenlijk schortte er altijd wel iets aan hun platen.

Net geen vijfentwintig volle minuten duurt “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head”. En zes nummers, waarvan er eentje later in een 4 A.M.-versie als bonus track wordt herhaald, sluiten een lang feest a priori uit. Maar een feestje wordt het this time around wél. Het door Casper en de zijnen op deze nieuwe mini aangereikte materiaal is immers goed tot zeer goed. Van het als een soort van hommage aan het adres van Ennio Morricone opgevatte instrumentale openingsnummer “For A Few Dollars Less” tot de heerlijk weghikkende bluesrocker “Driving Fast”, van het mooie, maar naar mijn gevoel net iets te nadrukkelijk op een verblijf in één of meer van de vele Americana-hitlijsten mikkende “Restless Heart” tot de door Charity McCrary en Linda McCrary-Fisher op de van hen vertrouwde manier met wat soul besprenkelde honky-tonker “She’s Bad” en de Tex-Mex van het rete-aanstekelijke, ons terloops best wel wat aan Joe “King” Carrasco herinnerende “Maria”, stuk voor stuk zijn het best wel aardige nummers.

Enkel de pianoballade “Slow Dancing” had voor mij niet meer echt gemoeten. Vond ik net wat te melig. Zelfs de mooie harmony vocals van Sharon Bautista daarin kregen me niet helemaal over de streep. Iets wat het gezelschap kort daarna overigens wel nog eens lukte met de eerder al even aangesproken bonus track, de 4 A.M.-versie van “Driving Fast”, dat in z’n onthaaste versie zelfs nog een stuk beter blijkt te klinken dan het origineel.

Steven Casper & Cowboy Angst

 

JIMMY RUGGIERE “Nicer Guy” (Blue Streak Records)

(3,5****)

De Texaanse roots music scene heeft er met Jimmy Ruggiere weer een interessante nieuwe naam bij. Alhoewel, een echte nieuwkomer kan je de met “Nicer Guy” debuterende veteraan eigenlijk amper nog noemen. Als sidekick voor anderen verdiende hij de voorbije jaren reeds ruimschoots zijn sporen. De beste man kan immers een aardig eindje uit de voeten op de harmonica.

Maar goed, da’s een ander verhaal. Hier en nu ligt de focus geheel en al op z’n debuut als zingende songsmid. Een debuut dat hij opnam onder de productionele hoede van de dezer dagen zo ongeveer voor kwaliteit garant staande Chris Gage. En dus klinken ’s mans originele slice of life stories ook zonder uitzondering af. Werkelijk tot in de puntjes toe verzorgd. Met dank daarvoor verder onder meer ook nog aan Paul Pearcy, David Carroll, Mark Epstein, Warren Hood, Jimmy Shortell, Lloyd Maines, Rolf Sieker en Kristin deWitt. Leuk clubje, als u het ons vraagt.

Openen doet Ruggiere “Nicer Guy” met “Baby I’m Wise To You”, een nadrukkelijk tot dansen uitnodigende reeks bedenkingen bij het reilen en zeilen binnen een relatie. Vervolgens is er “I Cried All The Way To Fort Worth”. Nog zo’n dansvloervehikel, as country as it gets. “We’re Going Home To Say Goodbye To Dad” noemt Ruggiere zelf a folk anthem. Eentje dat gegarandeerd zal aankomen bij iedereen die ooit een ouder moest afstaan.

Met “I’ll Take The Ride” gaat het tempo dan resoluut wat de hoogte in. En die countryrocker is wat ons betreft meteen ook één van de fijnste liedjes op “Nicer Guy”. Iets wat we graag nog eens even herhalen voor de meteen daaropvolgende country shuffle “A Heartache Couldn’t Happen To A Nicer Guy”. Ook dat aan deze collectie haar titel verlenende deuntje nestelt zich al na één enkele beluistering knus tussen je oren.

Met “The Livin’ End” belanden we vervolgens enkele minuten lang in ballade-modus, “There’s One Too Many Pretty Girls In Tucson” is typisch border-spul met bijna als vanzelfsprekend de nodige Mariachi-accentjes, het lichtjes bluesy getinte “It Hurts So Bad I Want To Wake Up Stoned” verklapt titelgewijs al zo ongeveer z’n hele eigen verhaal en “Sunday’s Broken” is gewoon een hele fijne Americana story song. En ook afgesloten wordt er in stijl. Met de zwierige bluegrass van “90 Miles To Nashville” meer bepaald.

Jimmy Ruggiere

 

SPICEWOOD SEVEN “Still Mad” (Phoebe Claire Publishing LLC)

(3,5****)

Ik blijf het maar een vreemde naam vinden voor een duo. Spicewood Seven… Je verwacht er zeven en je krijgt er dus maar twee. Tommy Spurlock en Luke Powers met name. Het odd couple dat al in 2006 voor het eerst van zich deed spreken met z’n debuut “Kakistocracy”, een countryrock-protestalbum pur sang en vast niet de lievelingsplaat van George W. Bush. En allicht precies juist daarom van veel anderen net wel.

Nu, net geen volle tien jaar later, achten Spurlock en Powers de tijd eindelijk rijp voor een nieuwe worp. En het lijkt daarop wel alsof de tijd al die jaren stil heeft gestaan, want “Still Mad” pakt de draad precies daar op waar hij na “Kakistocracy” liggen bleef. Wat er concreet op neerkomt, dat ook de nieuwe samenwerking tussen Spurlock en Powers weer tjokvol staat met lekker wegluisterende Americana opgehangen aan bij momenten ijzersterke teksten. Zo vertelt het steelzwangere “The Magic Bullet” bijvoorbeeld de moord op Bobby Kennedy nog eens na vanuit het standpunt van de fatale kogel en mag in het bedaarde “Everything Is Great” een Trump-alike onafgebroken z’n eigen rijkdom bewieroken tegen een achtergrond van schrijnende armoede.

Hebben met andere woorden tekstueel duidelijk wat meer te bieden dan nogal wat dezer dagen actieve Americana acts, deze Spicewood Seven. De lyrics zijn werkelijk to the point, de humor messcherp, de muzikale inlijsting erg aantrekkelijk. Verkeersagressie, stuklopende relaties, de doorsnee-Amerikaan anno nu, het zijn maar enkele voorbeelden van hier verder nog aangekaarte topics.

Voor de productie van dit fijne album tekende Tommy Spurlock gezien zijn enorme staat van dienst op dat vlak uiteraard zelf. En wat studiobijstand kregen beide heren onder meer nog van Leon Rausch, Garth Hudson, Suzi Ragsdale, bassist B.C. Cummings en drummers Beau Johnson, Scott Musick en Jimmy Karstein.

Spicewood Seven (MySpace), CD Baby

 

IAN SIEGAL & JIMBO MATHUS “Wayward Sons” (Nugene Records)

(5*****)

De maanden april, mei en juni staan voor Ian Siegal en Jimbo Mathus na een geslaagde eerdere doortocht opnieuw in het teken van een gezamenlijke tour doorheen Europa en het Verenigd Koninkrijk. En als voorbode daarop trakteren de twee heren nu alvast al op “Wayward Sons”, een eind november 2014 in Café De Noot in het Nederlandse Hoogland vereeuwigde gig. Een setje dat perfect illustreert wat er je te wachten staat, als je zou besluiten om binnenkort ook zelf één van de vele optredens in de buurt van het duo bij te gaan wonen. Een heerlijk atmosferisch geheel is het, waarbij je als luisteraar bijna voortdurend het gevoel hebt de twee binnen handbereik te weten. Alsof ze gewoon ergens in dezelfde ruimte als jij voor jou persoonlijk zitten te musiceren.

Een heerlijk intimistische show dus. En eentje waarbij zowel eigen materiaal als zo menig een pareltje ontleend aan het rijke Amerikaanse roots- en bluesverleden de revue passeren mag. Van de ons tot voor kort vooral als kopstuk van de Squirrel Nut Zippers bekende Jimbo Mathus (zang, gitaar, mandoline, harmonica en kazoo) krijgen we zo het bij nader inzicht behoorlijk Dylanesk aandoende “In The Garden”, het zuiders lijzige “Tallahatchie”, het tragikomische verhaal van de gekke, maar vooral ook verschrikkelijk luie “Old Earl”, het fijne akoestische bluesje “Too Much Water” en de magistrale story song “Milltown”. Van Britse bluesmaestro Siegal (zang, akoestische en slidegitaren) is er enkel het je wellicht ook al van “The Picnic Sessions”, zijn vorig jaar verschenen samenwerking met broederpaar Cody en Luther Dickinson, Alvin Youngblood Hart en ook al Jimbo Mathus, bekende “Talkin’ Overseas Pirate Blues”.

Voorts stoot je hier tussen de pittige en sappige verhalen door ook nog op doorleefde vertolkingen van Townes Van Zandts “Heavenly Houseboat Blues”, het ons vooral in een benadering van Johnny Cash bijgebleven “Crazy Old Soldier”, Leadbelly’s classic “Goodnight Irene” en de traditionals “Jesse James”, “Mary Don’t You Weep”, “Casey Jones”, “Ludella” en “Stack O’Lee”. En als encores zijn er na al dat fraais ook nog daar naadloos bij aansluitende versies van het ook al overgeleverde gospelfavorietje “I’ll Fly Away” en Ewan McColls, hier vooral in de uitvoering van de Pogues bekende, meesterwerk “Dirty Old Town”.

Allemaal samen goed voor net geen vierenzeventig minuten rootsvermaak van de werkelijk bovenste plank. Het soort van plaat met andere woorden dat er je spijt doet van hebben dat je er die bewuste avond in november zelf niet bij was. Maar, zoals hoger al even vermeld, de herkansingen komen er dus volop aan. In ons land op 13 mei in de N9 in Eeklo en twee dagen later in Café Barzoen bij De Warande in Turnhout bijvoorbeeld al.

Ian Siegal, Jimbo Mathus

 

BILL PRICE “I Can’t Stop Looking At The Sky” (Grass Magoops Records)

(4****)

Van een ambitieus project gesproken! Liefst vier jaar deed de Amerikaan Bill Price erover om “I Can’t Stop Looking At The Sky” te voltooien. Maar met z’n in één van de meest uit de kluiten gewassen deluxe-verpakkingen die wij ooit zagen aangereikte twee uur en drieëntwintig minuten aan originele muziek staat daar dan ook wel iets tegenover. Twee cd’s, een 120 pagina’s tellend journaal bijgehouden tijdens de trip die de inspiratie voor de liedjes erop moest leveren, twee royaal bemeten, 40 pagina’s dikke tekstboeken, het 160 pagina’s tellende begeleidende boek “Digging Deeper Toward The Sky”, een verzameling short stories, essays en gedichten, enkele mini-posters, postkaarten, stickers, buttons en een bladwijzer, kortom een echt hebbeding, dat “I Can’t Stop Looking At The Sky”.

Maar ons interesseert natuurlijk in de eerste plaats de muziek erop. En ook die blijkt bij nader inzicht meer dan in orde. Lekker gevarieerd ook, met op tekstueel vlak oog voor zowat het gehele menselijke bestaan. Tegelijk persoonlijk, maar ook heel universeel allemaal. Wij gingen er alvast graag in mee. Van het zomerse, door een funky gitaartje ingeleide en daar ook mee onderbouwde “Empty Out My Head” over de laatavond-jazz van “Get Me Gone” tot het zwierige rootspopdondertje “I Don’t Want To Come Home”, van de in een rechtvaardige wereld tot een lang bestaan in de ether gedoemde ingetogen pop beauty “On The Dancer” over het met een zalig streepje accordeon opgewaardeerde en ons best wel wat aan Paul Simon ten tijde van “Graceland” herinnerende “Makes Me Feel Better” – Nog zo’n radiovriendelijk niemendalletje! – tot het daar perfect bij aansluitende “What Can You Do?”, van de snedige rootsrocker “Heaven Collapse” over de typische West Coast pop van “Our Lady Of The Trampolene” tot het nerveus een eindje voort stuiterende “Out Of The Shadows”, van het meteen door een zweempje cajun opvallende “Crazy Good / Crazy Bad” over de catchy pop van “Post Rain Redemption” en dito rock van “She’s Good Crazy” en “I Want To Hold Your Hand Revisited” tot de fijne ballad “Wild Saint” en andere, aan toffe liedjes hier hoegenaamd geen gebrek.

Verdient dan ook absoluut onze aanbeveling, dit als “a musical, literary and design odyssey” gepromote geheel.

Bill Price

 

JOHN PINAMONTI “The Usual” (John Pinamonti)

(3,5****)

Zelf maakte ik kennis met de Amerikaanse singer-songwriter John Pinamonti ergens in 2004. Naar aanleiding van ‘s mans derde cd “JP3” was dat. En ik ben hem sindsdien eigenlijk altijd wel wat blijven volgen. Ik mocht ‘m immers wel, die Pinamonti. En mij hoeft u dan ook niet meer te komen vertellen, dat de beste man een bijzonder fijne storyteller is en een begenadigd gitarist bovendien ook. Nee, nee, dat wist ik al. Hier staan z’n jongste albums inmiddels ergens in de buurt van die van John Prine, als u begrijpt wat ik bedoel.

En daar zal ik maar wat graag ook weer een plaatsje voor Pinamonti’s zesde reserveren. “The Usual” heet die en hij staat eigenlijk ook gewoon vol daarmee. Vol met liedjes zoals ik die van Pinamonti door de jaren heen gewoon ben geraakt. Muzikaal lekker gevarieerd en terugvallend op ijzersterke teksten. Heerlijk helder van taal, want “in der Beschränkung zeigt sich” – zoals ondertussen allicht wel alom geweten – “der Meister”. Zin in een voorsmaakje? Kan altijd. Bij “The Usual” zit immers geen tekstboekje, daarvoor moet u even naar Pinamonti’s eigen webstekje. En als u daar dan toch al bent, kan u misschien ook even kennismaken met de muziek van de man. Die varieert van eerder traditioneel opgevat folky singer-songwriterspul tot het aardig wat ruimer zoekend Americana- en rootsmateriaal. Als voorbeelden daarbij zouden onder andere de goed in het gehoor liggende roots rock van “I Want It Now”, de echt ook wel meteen aansprekende Americana van “In Plain Sight” en het lang niet enkel blazersgewijs met een gevoel van jazzigheid overladen “City Of Angles” goede diensten kunnen bewijzen.

Niet alles is hier overigens eigen fabricaat. Onder afsluiter “I Can’t Feel At Home In This World Anymore” prijkt de naam van A.P. Carter.

John Pinamonti, CD Baby

 

BELLOWHEAD “Bellowhead Live, The Farewell Tour” (Navigator Records)

(5*****)

Wat zullen we hen gaan missen, die van Bellowhead! Binnenkort houden ze het immers definitief voor bekeken. Nog snel één laatste tournee afwerken en dan voorgoed “Schluss damit!” Maar niet zonder nog één laatste worp! Het standbeeld dat ze eigenlijk al lang verdienden! We hebben het dan over de fraai vormgegeven 3 disc set “Bellowhead Live, The Farewell Tour”. 52 tracks, verspreid over twee cd’s en één dvd, verpakt in een fraai hardcover booklet met het nodige concertfotomateriaal als kers op de taart.

De voor velen beste live band van het Verenigd Koninkrijk van de laatste jaren vereeuwigd in z’n element. Stomend, wervelend, triomferend! Op werkelijk onnavolgbare wijze een brug slaand tussen verleden en heden, tussen traditie en moderne tijd, tussen folk en doorgaans als meer eigentijdse muzikale uitdrukkingsvormen ervaren genres. Velen probeerden het voor hen, niemand deed het eigenlijk beter.

Nog één keer is het dan ook volop genieten geblazen van dingen als “Roll Alabama”, “10,000 Miles Away”, “Lillibulero”, “Betsy Baker”, “If You Will Not Have Me, You May Let Me Go”, “Jordan”, “Roll The Woodpile Down”, “Rosemary Lane” en vele, vele anderen. Met als orgelpunt een leuke lezing van Richard Thompsons “Down Where The Drunkards Roll” aan het eind van de dvd.

’t Is dat we hier maar vijf sterren te grabbel mogen gooien, anders hadden we er graag nog een paar meer bovenop gedaan! Dit is immers één van de sterkste live-registraties ooit tout court! Een niets minder dan verplichte aanschaf!

Bellowhead, Navigator Records

 

JOHN MCCUSKER “Hello, Goodbye” (Under One Sky Records)

(4****)

De kans is redelijk groot, dat u de Schot John McCusker eerder kent van z’n werk voor en met anderen dan van z’n eigen platen. McCusker, die dit jaar al zijn vijfentwintigjarig artiestenjubileum viert, geniet immers vooral bekendheid als producer van materiaal van onder meer Eddi Reader, Heidi Talbot, Eliza Carthy, Linda Thompson en Kris Drever en als sidekick van Mark Knopfler, van wiens begeleidingsgroep hij sinds 2008 vast deel uitmaakt.

“Hello, Goodbye” is ’s mans eerste nieuwe soloplaat in dertien jaar. En op die nieuwe schijf etaleert hij eens te meer welk een fenomenaal talent hij wel is op de fiddle. In het buitengewoon vakbekwame gezelschap van onder anderen James Mackintosh (drums en percussie), Ewen Vernal (bas), Ian Carr (gitaar), Michael McGoldrick (whistle), Andy Cutting (melodeon), Phil Cunningham (accordeon) en Tim O’Brien en Heidi Talbot legt hij in iets meer dan tweeënzestig minuten een twaalf etappes tellend parcours af. Een traject gekenmerkt door een diep respect voor de eigen roots en werkelijk barstend van de joie de vivre. Een geheel en al instrumentaal gehouden evocatieve symbiose van all things folk, both old and new. En eentje met de blik bovendien bijna voortdurend ook op de wijde wereld daarbuiten gericht. Klaar om te verkennen, om te leren kennen, om op te zuigen. Klaar om grenzen te overschrijden. Waardoor de muziek op “Hello, Goodbye” bijna als vanzelfsprekend iets lentefris, iets avontuurlijks over zich krijgt.

Onze luistertips: de nummers “Calendar Boys”, “The Wedding”, “Tune For Nana” en “Under One Sky”.

John McCusker

 

MOULETTES “Preternatural” (Craft Pop Records / Republic Of Music)

(3,5****)

Het vanuit kuststad Brighton actieve Britse vijftal Moulettes is allesbehalve een doordeweeks bandje. Dat bleek al uitgebreid naar aanleiding van de drie eerdere releases van de groep, het naar zichzelf vernoemde “Moulettes” uit 2010, “The Bear’s Revenge”, de opvolger daarvan uit 2012, en “Constellations” van ondertussen goed en wel een jaar geleden, en dat blijkt ook nu weer, met “Preternatural”.

Inspiratie daarvoor vond leadzangeres Hannah Miller begin vorig jaar in een artikel in de New Scientist. Dat laatste zette haar ertoe aan om de ons omringende biodiversiteit eens wat grondiger te gaan bestuderen. En dat leidde op zijn beurt dan weer tot songs over de meest uiteenlopende natuurfenomenen. Van luide, tot op heden ongeïdentificeerd gebleven, aan de één of andere onderwatergigant toegedichte geluiden (“Behemooth”) tot de door octopussen als ware kameleons gebruikte kleurenpaletten (“Underwaterpainter”), van de bedreigde schoonheid van zo menig een rif (“Coral”) tot de zonderlinge egelvis (“Pufferfish Love”) en meer van dattum.

Miller (cello, zang en gitaar) en kompanen Ollie Austin (drums, gitaar, piano en zang), Ruth Skipper (fagot, zang, autoharp en synths), Jim Mortimore (double bass, gitaar en zang) en Raevennan Husbandes (elektrische gitaar, zang en percussie) brengen die tot denken aanzettende mini-eposjes over al dat ons omringende fraais in deuntjes die aan originaliteit absoluut niets te wensen overlaten. Elementen uit alt-folk, prog, pop en rock worden al harmoniërend als het ware gedwongen om met elkaar te verbroederen. Eclecticism rules! Evenals eigenzinnigheid. De vaste wil om op te vallen tussen de rest.

En dat doen de Moulettes zeker. Van het door bezwerende etherische zangpartijen gedragen “Medusa” tot de funky electro-rock van “Underwaterpainter”, van de drumzwangere prog-epiek van “Behemooth” tot de hoogst aparte catchy art pop van “Coral”, van het trippy “Pufferfish Love” tot het ook al ogenblikkelijk zwaar verslavend werkende beatkleinood “Patterns” en andere, je krijgt hier als luisteraar hoegenaamd niet de kans om je te gaan vervelen. In elk hoekje van “Preternatural” schuilt er wel weer iets nieuws dat het ontdekken waard is. Een beetje zoals in het leven zelf dus. En was dat nu niet net het uitgangspunt van het album? Juist, ja.

Moulettes

 

AFRO CELT SOUND SYSTEM “The Source” (ECC Records)

(4,5*****)

Het blijft al bij al toch een hoogst opmerkelijk succesverhaal, dat van het op twee werelddelen thuis zijnde collectief Afro Celt Sound System. Je vraagt je af, of Simon Emmerson en de zijnen zelf zo’n twintig jaar geleden hadden durven te voorspellen, dat ze nu, anno 2016, de kaap van de anderhalf miljoen verkochte albums al ruim gerond zouden hebben. Je bent geneigd om te denken van niet. En toch is het zo.

En daar zullen er weldra wellicht weer flink wat bij gaan komen ook. Voor het eerst in tien jaar is er immers weer nieuw plaatwerk van het Europees-Afrikaanse gezelschap met naast de al genoemde Emmerson this time around onder meer ook N’Faly Kouyate, Johnny Kalsi, Davy Spillane, Emer Mayock, leden van Shooglenifty, Gaelic rapper Griogair, fluitiste Rioghnach en het Guinese kwintet Les Griottes aan boord.

Luisteren naar dat nieuwe epos “The Source” is een niets minder dan caleidoscopische ervaring. Je wordt er als luisteraar compleet door overdonderd. Je wordt quasi doorlopend meegezogen in een meedogenloze maalstroom aan complexe en minder complexe ritmes en gevoelens. Het kloppende hart van “The Source” vormen daarbij de diverse continenten bestrijkende cultuuruitingen of op z’n minst –uitingsvormen, die je meetronen naar oorden waar grenzen zo goed als compleet komen te vervagen. Grenzen tussen landen en culturen, maar evengoed tussen zo op het eerste gezicht maar weinig met elkaar gemeen hebbende muziekgenres. En elementen uit met name Keltische folk, Westerse pop, rap, dance en tal van Afrikaanse stromingen verworden hier dan ook tot louter bestanddelen van één enkel groter geheel. Een buitengewoon intrigerend geheel. Een geheel dat wie ervoor openstaat keer op keer opnieuw in verwondering achter zal laten. Een geheel dat er door zijn bijna magisch aandoende muzikale kruisbestuivingen quasi doorlopend in slaagt om de meest wonderbaarlijke werelden te evoceren. Je moet het eigenlijk gewoon zelf horen om het te geloven…

Onze luistertips: het mede door een jachtig ritme z’n vlag echt wel helemaal verdienende “Desert Billy”, het als Afro Celt Sound System meets The Dhol Foundation aangereikte percussiehoogstandje “The Magnificent Seven” en zeker ook de titelgewijs nog maar weinig aan de verbeelding overlatende afsluiter “Kalsi Breakbeat”. En dan vergaten we bijna nog het stomende, ethno-dansvloerrijpe “The Communicator”.

Afro Celt Sound System

 

THE WESTIES “Six On The Out” (Pauper Sky Music)

(4,5*****)

“West Side Stories” van The Westies vonden wij hier één van dé platen van 2015. En je kan het album logischerwijze dan ook terugvinden in ons jaarlijstje elders op de site. Man-vrouw-duo Michael McDermott en Heather Horton pakten ons met hun verhalen op dat geheel meteen genadeloos in. En toen we onlangs vernamen, dat er al een nieuwe van het tweetal op komst was, konden we onze nieuwsgierigheid dan ook amper nog de baas. En terecht ook, zo blijkt nu!

Ook “Six On The Out”, de zogeheten “moeilijke tweede” van McDermott en Horton en co, puilt immers weer uit van de straffe story songs. Niet zelden geboren uit het allesbehalve onbevlekte eigen verleden van McDermott. Die kreeg recentelijk met het openen van de sluizen naar z’n een poosje verdrongen eigen achtergrond naar eigen zeggen een ware zondvloed aan inspiratie over zich heen. En wat doe je dan? Schrijven natuurlijk!

In elk liedje loop je hier als luisteraar weer andere interessante personages tegen het lijf. Elk nummer vertelt z’n eigen verhaal, zich veelal afspelend aan de zelfkant van het leven. Daar waar je zelf eigenlijk gewoon het liefst niet bent dus. En precies dat is de rode draad die doorheen “Six On The Out” loopt. Alle verhalen spelen zich immers af in datzelfde grimmige, door misdaad verziekte stukje van de wereld.

Openingsnummer “If I Had A Gun”, een knap streepje ingehouden urban Americana, pakt gelijk uit met een redelijk straf scenario. De verteller van het verhaal erin blijkt een net terug op vrije voeten gestelde bajesklant volop in de weer met de twijfels in z’n hoofd. Welk pad zal hij inslaan? Dat van een eerlijk leven of het hem al bij al veel beter bekende? De titel van het liedje alleen al lijkt ons voor het antwoord duidelijk in één welbepaalde richting te willen duwen.

Vervolgens is er het ook al ijzersterke “Pauper’s Sky”. Klinkt zo ongeveer als Bruce Springsteen meets New Order. Heel eighties alleszins. Bijna opgewekt eigenlijk, maar dat blijkt met het tekstvel erbij alleen maar schijn. Wanhoop regeert immers nadrukkelijk onder de hemel van de armoezaaier uit de titel ervan. En diezelfde donkere ondertoon treffen we ook weer aan in “Parolee”. Met opnieuw een ex-veroordeelde – Dezelfde als eerder? – aan de vooravond van een zich als extreem moeilijk aankondigend nieuw leven. Wie zit er buiten eigenlijk nog op hem te wachten? Tegen een wat meer folky aandoende achtergrond hangt het verleden ook hier weer als een kanjer van een molensteen om de enkels van de protagonist.

Ook desperaat maar op een totaal ander vlak dan klinkt ergens halverwege “Like You Used To”. Daarin neemt Heather Horton voor de gelegenheid de vocale honneurs waar. En eigenlijk is het gewoon een soort van klaagzang om een langzaam teloorgaande liefde. “I want you to love me. You think you could love me, like you used to?”, smeekt ze bijna. En misschien is er ergens nog wel hoop voor haar. Als we mogen afgaan op het meteen erop volgende catchy rockertje “Everything Is All I Want For You” tenminste. Daarin is het op zijn beurt immers de ex-gevangene die wanhopig hengelt naar liefde.

Het moge ondertussen hopelijk al wel zo’n beetje duidelijk zijn, dat “Six On The Out” opnieuw een plaat is die je vooral niet wil missen. Wij zouden ze vooral willen aanbevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Bruce Springsteen, een Elliott Murphy, een John Mellencamp, een Chris Knight en een Jeff Black.

The Westies

                                                   

THE SUMNER BROTHERS “The Hell In Your Mind” (Sumner Brothers Records)

(3,5****)

De Sumner Brothers hebben zich de voorbije tien jaar opgewerkt tot één van dé in de gaten te houden roots acts van Canada. Met als voorlopige hoogtepunt wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel hun in 2012 verschenen vijfde cd “I’ll Be There Tomorrow”. Dat album ontlokte aan zo menig een recensent de wildste superlatieven.

En het zou ons eigenlijk absoluut niet verbazen mocht ook de opvolger daarvan, het nu voorliggende “The Hell In Your Mind” dat weer gaan doen. Al zullen het ditmaal wellicht anderen gaan zijn die ervoor uit hun dak gaan. Op die nieuwe varen broers Brian en Bob Sumner en kompanen immers nadrukkelijk een meer rockgeoriënteerde koers. Eigenlijk een beetje zoals ook die van Wilco dat op een bepaald moment zijn gaan doen. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat de experimenteerdrift van de Canadezen nog bijlange na niet zo ver reikt als die van Jeff Tweedy en de zijnen. Daarvoor lijken de Sumners op de keper beschouwd (nog) teveel belang te hechten aan de melodie.

Acht liedjes staan er in totaal op “The Hell In Your Mind”. En de meesten daarvan rocken zoals hoger al vermeld een aardig eindje weg. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het slepende “Last Night I Got Drunk”, het na een zweverig sfeervolle intro net niet in woeste gitaargolven verzuipende “Ant Song”, het ons en passant een heel klein beetje aan Nirvana herinnerende “Giant Song” en het bijzonder passioneel neergelegde duo “Go This One Alone” en “I’m Not Ready”.

De alternatieve countrykant van de Brothers treffen we hier en daar uiteraard ook nog even aan. In rustpuntje “It Wasn’t All My Fault” bijvoorbeeld al, maar zeker ook in de met name qua structuur nog eerder traditioneel opgevatte ballad “Lose Your Mind”.

The Sumner Brothers, CD Baby

 

DAVE INSLEY “Just The Way That I Am” (D.I.R.)

(4****)

Wat heeft hij ons verdomd lang op deze plaat laten wachten! Van 2008 was het inderdaad alweer geleden, dat we nog eens iets vernamen van Dave Insley. Toen verscheen met “West Texas Wine” de derde en voorlopig laatste soloplaat van de beste man. Het sluitstuk van een met “Call Me Lonesome” (2005) en “Here With You Tonight” (2006) enkele jaren eerder ingezette muzikale hattrick, zeg maar. Drie platen waarmee Insley zich in kringen van liefhebbers van old school country in geen tijd een reputatie van hier tot ver achter Nashville wist te verwerven. En dat zowel dankzij die lekkere diepe baritonstem van ‘m als door z’n al even aansprekende story songs.

En nu is er dus eindelijk een opvolger! “Just The Way That I Am” heet die en hij bevredigt in zowat elk opzicht. Twaalf nummers lang strooit Insley immers ook ditmaal weer genereus met thinking man’s country van het allerbeste soort in het rond. En hij blijkt daarbij in uitstekend gezelschap te verkeren ook. Zo zijn het bijvoorbeeld Rick Shea, legende Redd Volkaert en Danny B. Harvey die bijna voortdurend de gitaren voor hun rekening nemen. En als er al eens een gezongen handje hulp nodig bleek, dan schoten onder anderen collega’s als een Kelly Willis, een Elizabeth McQueen, een Billy Brent Malkus en een enkele keer ook Dale Watson ter hulp. Pas mal, hein?

Verwondert het u dan nog, dat “Just The Way That I Am” zo ongeveer vol met instant classics staat? Ons alleszins niet. Wij genieten nog met elke nieuwe beluistering opnieuw met volle teugen van dingen als “Arizona Territory, 1904”, “Please Believe Me” en “No One To Come Home To”. Het eerste een gun fighter ballad naar het voorbeeld van Marty Robbins, het tweede een extreem catchy, onder meer blazersgewijs met wat R&B besprenkeld heupwiegertje, het laatste een swingend streepje liefdesverdriet, voor velen allicht alleen al de moeite waard omwille van de gastbijdrage van ons aller Dale Watson erin.

Andere echte toppertjes hier: het best wel wat naar het label country soul hengelende “Drinkin’ Wine And Staring At The Phone”, het bedaard countryrockende titelnummer, het op beklijvende wijze met nachtegaaltjes Kelly Willis en Elizabeth McQueen gedeelde en en passant grote wolken stof achter zich latende streepje classic country “I Don’t Know How This Story Ends” en het ons op de één of andere manier best wel wat aan iets van Willie Nelson herinnerende “We’re All Here Together Because Of You”.

Dit zou in de categorie country straks wel eens één van onze absolute lievelingsplaten van 2016 kunnen gaan blijken. Hoe dan ook, wie beter wil doen, zal ferm uit zijn kot mogen komen!

Dave Insley

 

MR. RICK “Mr. Rick Sings About God + Booze” (Mr. Rick)

(3,5****)

Mr. Rick is Rick Zolkower, een in Detroit geboren maar dezer dagen vanuit Toronto aan de weg timmerende blues & roots act van het zuiverste soort, naar eigen aangeven zwaar beïnvloed door het luisteren naar late night radio shows tijdens de fifties, toen nog in de States. Iets wat meteen verklaren zou, waarom in ’s mans eclectische muziek onder meer ook sporen van genres als soul, blues, gospel, R&B en rock & roll zijn aan te treffen. Een beetje op z’n Dave Alvins eigenlijk. Met diens (recentere) aanpak mag je die van Zolkower wat ons betreft zeker vergelijken. Ook voor zijn muzikale gumbo mag zo nu en dan de term American Music graag uit de kast. Naast de hoger al gebruikte omschrijving blues & roots en de verzamelnaam Americana dan. Ook die twee laten zich hiervoor zeker gebruiken.

Het knappe aan “Mr. Rick Sings About God + Booze” vinden wij, dat Zolkower er schijnbaar moeiteloos in slaagt om oud voortdurend als nieuw te laten klinken. Hoe ver hij voor z’n muziek ook teruggrijpt in de tijd, nergens gaat ze daardoor gedateerd klinken. En da’s an sich al een hele prestatie! Het maakt van dingen als Sleepy John Estes’ wervelende countrybluesje “Liquor Store Blues”, het jazzy “Two Little Fishes”, het bijna onopvallend met wat Cash-ritmiek gekruide “Hush”, een swingende lezing van Eric Von Shmidts “Champagne Don’t Hurt Me”, een al even knappe vertolking van de country classic “Drivin’ Nails In My Coffin” en andere stekjes waar je als luisteraar maar wat graag naar terugkeert.

Warm aanbevolen derhalve dan ook, dit prima songdertiental!

Mr. Rick

 

JONN DEL TORO RICHARDSON “Tengo Blues” (Vizztone Label Group / V2)

(3,5****)

In 2005 kaapte de toen nog piepjonge Jonn Del Toro Richardson op de International Blues Challenge van The Blues Foundation de Albert King Award voor meest belovende gitarist weg. Bepaald geen kneusje dus, die youngster. En dat zou hij de volgende jaren ten overvloede gaan bewijzen ook. Onder meer aan de zijde van Pinetop Perkins, Otis Taylor, Rich DelGrosso en Sean Carney bewees hij enorm veel in zijn mars te hebben. Noem het allemaal maar de aanloop naar een eigen solocarrière. En die wordt hier en nu ogenschijnlijk definitief op gang getrapt met het album“Tengo Blues”.

Daarop dertien in een met Anson Funderburgh gedeelde productie opgenomen eigen nummers. Twee daarvan co-writes met diezelfde Funderburgh, twee verdere met Gary Vincent. En uiteraard blijkt Funderburgh ook her en der aanwezig op gitaar. Net als verder ook nog drummer Wes Starr, bassist Nathan Rowe, toetsenist Nick Connoly, Del Toro’s oom Lawrence percussiegewijs en de lichtjes fantastische Texas Horns op hun karakteristieke koperinstrumenten.

Afgetrapt wordt er met het stilistisch gezien eerder naar Memphis dan naar Del Toro Richards’ thuishaven Texas verwijzende “Behind The Curtain”. Behoorlijk funky gaat het er vervolgens aan toe in “I’m Her Man”, één van de twee Vincent co-writes. “Love If You Want” blijkt op zijn beurt een bloedgeile shuffle, “Triple Lindig” verkent op coole wijze jazzy wateren, “The Moment” kruidt het geheel af met wat Latin en “Can’t Run From Love” laat de Texas Horns even volop de ruimte tot soulvol excelleren.

Het werkelijk rete-aanstekelijke “Get Me Back To Texas” lijkt aansluitend daarop ver verwant aan Chuck Berry’s “Memphis Tennessee”, fijne trage “This I Know” doet het met een doorleefde portie slow soul en R&B en “Tall Pretty Baby” swingt echt als de beesten. “Here She Comes” werkt zich in het zog daarvan met stomend gitaarwerk wervelend op tot één van onze absolute lievelingsmomenten hier, alvorens het door Nick Connoly pianogewijs aangejaagde “Wild Ride”, met ook Anson Funderburgh aan boord, het bluesy soulvolle “Tell Me Do You Love Me” en het opnieuw duidelijk Del Toro Richards’ roots verradende titelnummer “Tengo Blues”, een groovy instrumental, de feestelijkheden mogen uitluiden.

Jonn Del Toro Richardson

                                                                                          

AD VANDERVEEN “The Stellar Cellar Band” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Van Nederlands Americana-oergesteente Ad Vanderveen verschijnen dezer dagen vrijwel parallel maar liefst twee nieuwe cd’s. Het betreft de zo ongeveer als elkaars alter ego door het leven gaande albums “The Stellar Cellar Band” en “The Barn Basics”.

Het eerste is een door Vanderveen (zang, gitaren, harmonica) samen met Timon van Heerdt (bas en zang) en Nico de Gooijer (drums) in driemansbezetting ingeblikt geheel dat op z’n minst wat betreft de muzikale aanpak ervan teruggrijpt naar de very basics van rock & roll. Muzikaal gezien mag het aldus Vanderveen zelf onder de hoofding “Garage Folk/Rock Songs and Improv”. Wat er concreet op neerkomt, dat tussen de uitersten ballad en rocker nogal wat blijkt te kunnen. Met als hoogtepunt wat mij betreft ontegensprekelijk de ferme Youngiaanse rootsrocker “Working”. En met als opvallende afsluiter een tip of the hat aan het adres van Bob Dylan middels een bezielde cover van diens “Forever Young”.

“The Barn Basics” is dan weer vooral spek naar de bek van de liefhebbers van Vanderveens (zang, gitaren, harmonica, footstomp) andere kant. Op dat gelimiteerde schijfje worden dezelfde songs immers in akoestische versies aangereikt. Opgenomen in een oude schuur samen met z’n levensgezellin Kersten de Ligny (harmony vocals en autoharp). Legt “The Stellar Cellar Band” eerder de nadruk op Vanderveens rockgenen, dan is het op het in eigen beheer verdeelde “The Barn Basics” de beurt aan z’n folk- en countrykant.

Ad Vanderveen, Blue Rose Records

 

WALTER-SALAS HUMARA “Work: Part One” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Aan een bestaan als kopstuk van The Silos alleen heeft Walter Salas-Humara duidelijk niet genoeg. Zo nu en dan moet hij ook buiten die nochtans redelijk comfortabele groepscontext weer eens even z’n creatieve ei kwijt. Nu, mij niet gelaten, hoor! Zo lang die extraatjes van de kwaliteit blijken van “Work: Part One” hoeft hij er voor mijn part zelfs niet al te lang over te doen om met een volgende worp te komen. Zoals nu dus, want sedert het verschijnen van voorganger “Curve And Shake” verstreken nog geen volle twee jaren. En dat is naar Salas-Humara-normen erg weinig.

Bij “Work: Part One” blijkt het bij nader inzicht dan ook niet om volledig nieuw spul te gaan, maar om herwerkte versies van nummers uit de misschien wel belangrijkste periode uit het bestaan van cultgroep The Silos. Materiaal met name van “About Her Steps”, het banddebuut uit ’85, van het twee jaar later verschenen “Cuba” en van het magistrale “The Silos” van nog eens drie jaar later, de enige major release van Salas-Humara en co. De van die albums geplukte nummers krijgen hier een volledig nieuw, compleet akoestisch jasje aangemeten.

Van “About Her Steps” krijgen we zo “Susan” en “Shine It Down” in een aangepast gewaad voorgeschoteld, van “Cuba” respectievelijk “Mary’s Getting Married”, “For Always”, “Margaret”, “Going Round” en “Tennessee Fire” en van “The Silos” ten slotte “Commodore Peter”, “I’m Over You” en “Caroline”.

Voor de productie van “Work: Part One” tekende Rich Brotherton. Andere studio-hand-en-spandiensten werden geleverd door diezelfde Brotherton (gitaar, dobro, mandoline, banjo, citer en zang), Mary Rowell (viool en altviool) en Amy Allison (zang).

Leuk project! En als we de titel ervan juist interpreteren misschien wel het eerste van meerdere.

The Silos, Blue Rose Records

 

SAM ALONE & THE GRAVEDIGGERS “Tougher Than Leather” (People Like You Records / Century Media / Sony)

(3,5****)

Onmogelijk gewoon om bij het voor het eerst beluisteren van “Tougher Than Leather”, het nieuwe album van het Portugese zesmanschap Sam Alone & The Gravediggers, niet onmiddellijk te gaan denken aan The Boss in z’n meest bevlogen momenten. Er is om te beginnen de rauwhese zang van Apolinário “Poli” Correia die je zonder daarbij ook maar enige vorm van tegenspraak te dulden richting Springsteen drijft. Maar er is vooral ook de ronduit zalige blue collar rock van het collectief die nadrukkelijk eenzelfde effect op een mens heeft.

Ook hier “music for the people”, muziek van en voor het volk, met z’n roots niet zelden in folk en protest songs. Doorleefd, doorlopend druipend van de passie en vooral ook ontzettend lekker. Van openingsnummer “Believers And Renegades” tot afsluiter “Crucify”, één langgerokken muzikale rush is het, goed voor net geen drieënveertig hele minuten absoluut topvermaak. Met als beste momenten naast het al genoemde tweetal wat ons betreft vooral ook het op de één of andere manier bepaald radiovriendelijk aandoende titelnummer, de valse trage “Sacrifice” en het wederom ongemeen catchy rockende “God’s Not Around”.

Een aanrader als u het ons vraagt vooral voor liefhebbers van de wat stevigere momenten van The Boss en van andere, enigszins vergelijkbare acts als The Gaslight Anthem en Lucero.

Sam Alone & The Gravediggers

 

TOM GILLAM & THE KOZMIC MESSENGERS “Beautiful Dream” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)                      

“Beautiful Dream”, de nieuwe van Tom Gillam, is wat je noemt ouwezakkenmuziek van het allerzuiverste soort. En dat, beste vrienden, mogen jullie wat mij betreft vooral als een serieus compliment opvatten. Hoe de dezer dagen vanuit Austin z’n creatieve pijlen op de rest van de wereld afvurende singer-songwriter Gillam daarop bijna voortdurend in de weer is tussen seventies style retro rock, de uit dezelfde periode stammende countryvariant daarop en roots & roll tout court laat immers maar bitter weinig te wensen over. En zo menig een fan van acts als Joe Walsh, de Eagles, Bob Seger, de Allman Brothers, John Hiatt, Randall Bramblett, John Mellencamp en aanverwanten zal hier dan ook ongetwijfeld z’n pret niet mee op kunnen. Met dank vooral ook aan z’n nieuwe secondant David Spencer. Die blijkt immers wel heel erg nadrukkelijk aanwezig. Zowel vocaal als bij het schrijven van de songs, maar vooral toch ook op nogal wat snarendragers. Van elektrische en akoestische tot slide- en steelgitaren. Echt wel een bezig baasje, die Spencer!

Andere Kozmic Messengers van dienst zijn de als ritmetandem fungerende heren Dan McCann en Kenn Furr. En gesmaakte gastbijdragen zijn er verder ook nog van coproducer Ron Flynt (elektrische en akoestische piano’s, Hammond-orgel en keyboards), Clete Ritta (banjo en harp) en de lichtjes fantastische Shelley King (zang in “Flying Blind”). Zelf zingt Gillam en is hij ook nog actief op elektrische, akoestische en slide, Wurlitzer en een enkele keer ook piano.

Beginnen doen de Messengers met een bijzonder lekker weghappend rockdrietal. Met voorop het wel heel erg aan Joe Walsh herinnerende slide- en orgelzwangere “Tell Me What You Want” en het al even attractieve, al bijna net zo nadrukkelijk aan de Eagles ten tijde van “One Of These Nights” refererende “Just Don’t Feel Like Love”. (Al lijkt ook Tom Petty daarin bij nader inzicht nooit echt ver weg.) Vervolgens is er de tasty roots & roll van het zoals eerder al even aangegeven door Shelley King mee van de grond geholpen “Flying Blind”.

Op een eerste rustpuntje stoten we met “Red Letter Day”. Ideaal voor spul voor lange lome zomeravonden, die sfeervolle country rock ballad, die hier wordt afgelost met een door de recente dood van Glenn Frey tot een soort van ongewild eerbetoon uitgroeiende cover van “Good Day In Hell” van de Eagles en het z’n titel terloops echt alle eer aandoende “Lazy Sunday”.

“All About Me” blijkt vervolgens een bluesy rocker met redelijk hoog boogie-gehalte, “Better Things To Do” zoekt het in min of meer dezelfde hoek maar dan wel met wat meer funk in de aderen, “DNG” is een akoestische gitaarinstrumental van de hand van David Spencer en het afsluitende “Sail Away” is andermaal een wolk van een ballad.

Wat ik me na een plaat als deze vooral afvraag is, of je nu echt van mijn leeftijd of ouder moet zijn om hier volop van te kunnen genieten. Ik durf het eerlijk gezegd serieus te betwijfelen…

Tom Gillam, Blue Rose Records

 

CORINNE WEST “Starlight Highway” (Make Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Corinne West. U herinnert zich haar vast ook nog wel van “Magnetic Skyline”, haar in 2011 verschenen samenwerking met Kelly Joe Phelps. Prachtige collectie liedjes was dat. Een album dat hier ook nu nog regelmatig in de cd-speler belandt. En we waren dan ook maar wat blij toen we vernamen, dat er van West weer wat nieuws op komst was. Opnieuw onder eigen vlag ditmaal. Al moeten we dat vooral niet té letterlijk nemen, hoor. Ook op “Starlight Highway” duikt Kelly Joe Phelps immers meermaals op. Samen met onder anderen ook nog Mike Marshall en Ricky Fataar verzorgde hij voor West het muzikale decorum.

Een wel erg intimistisch uitgevallen decorum. Perfect aansluitend bij het intieme karakter van wat West ons this time around te vertellen heeft. “My aim with this recording is to communicate a personal emotive glimpse of what we all experience in our own way, on our own roads, as we climb, fly, fall, isolate, believe, reinvent, connect, dream,...”, aldus daarover West zelve. “Though seemingly different, we are all somehow cut from the same cloth.” En of zoiets een band schept.

Het resultaat van Wests voornemen: een tien songeenheden tellende collectie, opvallend vooral door haar hoge aaibaarheidsfactor. Veelal dromerig van aard, meestal vederlicht ook, niet zelden een zweem van patchouli in de lucht suggererend. Heel mooi het midden houdend tussen met name folk en pop. Een enkele keer wat meer overhellend richting (vlottere) Americana. We noemen in dat verband bijvoorbeeld de door Mike Marshall mandolinegewijs flink opgewaardeerde spring-in-‘t-veld “Starlight Highway”.

Het mooist zijn wat ons betreft echter ontegensprekelijk de hier zoals al aangegeven duidelijk in de meerderheid verkerende ingetogen momenten. Dingen als het herfstige, ons een weinig aan dames als een Mary Chapin Carpenter en een Carrie Newcomer herinnerende “Monday’s Song”, het meteen door de weer werkelijk hemelse harmonieën met Phelps erin opvallende “Night Falls Away Singing”, het ook al bloedmooie rootsy tweetal “Trouble No More” en “Audrey Turn The Moon” en het terughoudend jazzy gekleurde “Gypsy Harbor”.

Corinne West

 

SHURMAN “East Side Of Love” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)      

Verkondigen dat intens lijden veelal tot de beste creatieve prestaties leidt is natuurlijk absoluut niks nieuws vertellen. Dat is een gegeven zo oud als de straat. Maar every now and then verschijnen er van die platen die je als recensent als het ware dwingen om dat cliché maar weer eens van stal te halen. En ook “East Side Of Love”, de nieuwe van Shurman, blijkt er zo weer ééntje. Dat album staat als het ware volledig in het teken van het verwerken van de recente echtscheiding van kopstuk Aaron Beavers en de emotioneel bijzonder zware tijden die daar voor hem op volgden. Heel even leek het er zelfs op, dat het verhaal van het kwartet uit Austin uit was. Gelukkig voor ons waren er nog Beavers goede vrienden, die hem op het juiste moment de broodnodige schop onder de kont gaven om niet zomaar alles op te geven waar hij zo lang had voor gevochten.

En dus zijn we hier en nu, zoals hoger al even gemeld, weer toe aan een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van z’n bandje. En een bijzonder fijn hoofdstuk ook. Misschien zelfs wel het allerbeste so far überhaupt. Tot de nok toe gevuld met songs die werkelijk bulken van de passie, van het vuur. En dat gelijk van bij het begin. Geopend wordt er immers met het fraaie, eerder hymnisch uitvallende titelnummer. Je blijft als luisteraar gelijk met een heel erg warm gevoel vanbinnen achter. En dat raak je de eerstvolgende vijftig minuten eigenlijk niet meer kwijt. De ene aangename surprise na de andere volgt. Te beginnen met het echt wel rete-aanstekelijke “Never Gonna Quit”, het soort van beklijvend countryrockertje waarvoor ook een Steve Earle in z’n hoogdagen z’n hand zeker niet zou hebben omgedraaid.

Vervolgens zijn er achtereenvolgens het met een flinke dosis ingehouden twang overgoten “If I Could I Would”, de geweldige countrysouldeun “You Don’t Have To Love Me”, de mooie ballads “Saving It Up” en “I Don’t Know Why” en het bijna voortdurend op bijzonder fraaie wijze op gedachten ergens tussen weemoed en hoop hinkende “California Carry Me Away”. Pittige Petty-eske rootsrocker “Dive Right In”, het daar ergens ver aan verwante “See You Smile”, de hier veruit het meest country aandoende trage “Somebody Else’s Problem” en optimistische afsluiter “Time To Say Goodbye” completeren het straffe songelftal.

Shurman, Blue Rose Records

 

JOSH HARTY “Holding On” (Josh Harty)

(3,5****)

De jonge Amerikaanse songsmid Josh Harty deed hier de voorbije jaren al meermaals in positieve zin van zich spreken. Met name met “A Long List Of Lies”, z’n in 2008 verschenen tweede soloproject, kwam z’n carrière in een flinke stroomversnelling terecht. Die plaat leverde hem meteen ook een stekje in ons aller Euro Americana Chart op. En vooral ook: ze opende de nodige deuren. In 2011 volgde dan het met Chris Cunningham ingeblikte “Nowhere” en drie jaar later pakte Harty uit met twee platen als deel van een duo. Eentje met z’n singer-songwriter-maatje John Statz (“12 August”) en eentje met de hem al jaren begeleidende Blake Thomas (“The Attic Sessions”).

En nu is er dus “Holding On”. Voor die plaat dook Harty de koffer in met producerstweetal Blake Thomas en Mark Whitcomb. Met hen als gidsen vereeuwigde hij een tiental liedjes, die de voorbije tweeënhalf jaar ergens onderweg ontstonden. En die hij als dusdanig ook al even lang met een full band kon uittesten. Iets wat de uitvoeringen ervan op “Holding On” natuurlijk alleen maar ten goede is gekomen. Alles klinkt hier zo ongeveer even af. En zo mogen wij het wel hebben natuurlijk!

En al zeker als het dan ook nog eens om songs van het kaliber van die van Harty blijkt te gaan! De beste man houdt hier tien nummers lang heel mooi het midden tussen genres als pop, country, folk en blues. Met als z’n voornaamste bondgenoot ontegensprekelijk z’n best wel wat aan die van Gordon Lightfoot verwante stem. Daarmee beschikt hij over het zo ongeveer ideale instrument om in z’n liedjes complexe en minder complexe gevoelens mee te lijf te gaan. Iets wat hij dan ook uitgebreid doet.

Onze lievelingsmomenten hier: de met het duo Kelly McRae en Matt Castelein gedeelde ballade “Holding On”, het met heerlijk ingehouden gitaarwerk opgewaardeerde “The Kind”, Harty’s doorleefde lezing van “You & The Road” van Brooks West en vooral ook ingetogen afsluiter “English Rain”, bij nader inzicht één van de allermooiste liedjes die 2016 vooralsnog voor ons in petto had überhaupt.

Josh Harty

 

THE WOOD BROTHERS “Paradise” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wat een verdomd lekkere schijf alweer, deze vijfde studioplaat van de dezer dagen vanuit countrygrootstad Nashville naar ons aller aandacht hengelende Wood Brothers. Een geheel dat geheel en al in harmonie met z’n opvallende cover volledig in het teken blijkt te staan van het verlangen naar dingen. En van het paradoxale gevoel vooral ook, dat net dat ongebreidelde hunkeren naar het vervullen van onze wensen ervoor gaat zorgen dat die vaak onvervuld blijven. Vandaar de middels een tak aan het lijf van de ezel op het hoesje van “Paradise” bevestigde wortel dus. Net ver genoeg uitstekend om er met z’n bijtgrage tanden niet meer bij te kunnen, hoe graag hij dat ook zou willen.

De broers Oliver (gitaren en zang) en Chris Wood (diverse bassen, harmonica en zang) en geadopteerd familielid Jano Rix (drums, percussie, shuitar, keyboards en zang) grossieren hier als vanouds in heerlijk rootsy (rockend) Americana-materiaal: van ouderwets lekker krassend in het tot op zekere hoogte hun eigen dagelijkse bezigheden bezingende “Singin’ To Strangers” tot voorzichtig funky in het nerveuze “American Heartache”, van zweterig swampy in het door Susan Tedeschi (zang) en Derek Trucks (gitaar) bezochte “Never And Always” tot recht-toe-recht-aan roots & rollend in het catchy “Snake Eyes” of juist heel erg bedaard in “Two Places” of “Heartbreak Lullaby”, van bijna dreigend in het quasi onopvallend wat Latin de feestelijkheden binnensmokkelende “Without Desire” tot down right funky in “Raindrop”, zomers sensueel in “Touch Of Your Hand” en licht jazzy in het afsluitende “River Of Sin”, gebracht samen met de onvolprezen McCrary Sisters.

Beter worden ze o.i. amper nog gemaakt!

The Wood Brothers, Blue Rose Records

 

LUTHER DICKINSON “Blues & Ballads (A Folksinger’s Songbook: Volumes I & II)” (New West Records / PIAS)      

(5*****)

“Blues & Ballads (A Folksinger’s Songbook: Volumes I & II)” is de bijzonder ambitieus uitgevallen nieuwe van de je wellicht vooral van z’n rol binnen de North Mississippi Allstars bekende Luther Dickinson. Eenentwintig nummers telt dat geheel, waarvoor de zoon van wijlen Jim Dickinson zowat z’n complete carrière en bij uitbreiding ook z’n hele leven aandeed. ’t Is als het ware regenererend terugkijken op z’n werk bij hoger genoemd bandje, op deuntjes geleerd van vrienden en familieleden, op songs hem aangereikt door z’n eigen helden en mentoren en op materiaal dat alle vele lange jaren het collectieve Amerikaanse onderbewustzijn mag bevolken.

De voorzet die leidde tot “Blues & Ballads (A Folksinger’s Songbook: Volumes I & II)” kwam er eigenlijk van soullegende Mavis Staples. Op haar verzoek samen “Ain’t No Grave” van de Allstars herontdekken kwam voor Dickinson neer op het zaad planten voor het voorliggende geheel. De beste man ging nu immers op bijna regelmatige basis andere nummers op dezelfde manier benaderen. Waar en wanneer speelde eigenlijk helemaal geen rol. Gewoon wanneer en met wie het hem het best uitkwam. Zalig ongedwongen! En precies dat gevoel straalt deze machtige songcollectie ook af. Dat losse, dat ongecontroleerde, dat volledig complexloze.

Iets waartoe het bij de hand hebben van de juiste vrienden op de juiste plaatsen en momenten allicht ook wel flink zal hebben bijgedragen. Zo mag JJ Grey bijvoorbeeld z’n soulvolle zelf zijn in het zomers lijzig voorbij kabbelende “Up Over Yonder”, levert Jason Isbell in datzelfde nummer een gesmaakte slidebijdrage, kleuren Alvin Youngblood Hart en Jimbo Matthus met name gitaar- en banjogewijs het hyperkinetische bluesje “Shake (Yo Mama)” en blijkt Will Sexton regelmatig present op zowel drums als akoestische gitaar. En dan hadden we het nog niet over fiddler Lillie Mae Rische en de je normaliter ook door z’n rol op heel wat bij het legendarische Hi Records verschenen albums vertrouwde toetsenman Charles Hodges, noch over Dickinsons vaste begeleidsters Amy LaVere (upright bass en zang) en Sharde Thomas (drums, fife en zang).

Een geweldige cast voor een al even geweldig uitgevallen project, dat bij nader inzicht best wel eens de aanzet tot een heus reeksje zou kunnen gaan blijken. En ons zou u daarover alvast niet horen klagen. Wat Dickinson en co hier tussen blues, folk en Americana presteren is immers van een ronduit verbluffende schoonheid. “Up Over Yonder”, “Moonshine”, “Jackson”, “Ain’t No Grave”, “Let It Roll”, “Horseshoe”, “And It Hurts”, en, en, en… Stuk voor stuk groeien ze hier meer dan ooit uit tot echte pareltjes.

“Blues & Ballads (A Folksinger’s Songbook: Volumes I & II)” is verkrijgbaar op cd en vinyl-dubbelaar inclusief songbook.

Luther Dickinson, New West Records

 

TIM HOULIHAN “Another Orion” (Peatcart Music)

(3,5****)

Voor ik op z’n nieuwe cd “Another Orion” stootte, was ik eigenlijk helemaal niet vertrouwd met de naam Tim Houlihan. Toegegeven, ik verwarde hem aanvankelijk gewoon met z’n collega James Houlahan en werd verder eigenlijk vooral aangetrokken door de vermelding van Kevin Bowe als producer. Voor mij een nog volledig onbeschreven blad dus eigenlijk, die Houlihan…

Echter wel één waar ik bij nader inzicht bijzonder graag over aan het schrijven geraakt ben. Meteen vanaf het openingsnummer van “Another Orion” had hij me immers volop bij de les. Dat “I Get Lonesome, Too” bleek immers een bijzonder fraaie country rock ballad genre de Eagles, Poco en aanverwanten. En vooral ook: géén toevalstreffer! Ook tussen de dan nog resterende negen nummers zaten er immers nog aardig wat blijvertjes. Het aangenaam wegrockende “Send Me Back To You” bijvoorbeeld al, folky titelnummer “Another Orion” zeker ook, het als het ware op z’n Fogerty’s ergens tussen country en blues residerende “Beneath The Surface Of The Well”, het met name gitaargewijs wat richting het werk van de good old Byrds overhellende “Some Kind Of Mystery” en het lekker knallende “What’s Gonna Happen To Me” ook, om er zomaar voor de vuist weg nog een vijftal op te noemen.

Al bij al gewoon een prima singer-songwriter dus, deze vanuit Minneapolis actieve Amerikaan, die zelf bij wijze van introductie als invloeden graag Jackson Browne, Stephen Stills, James Taylor, Shawn Colvin en die van Dawes noemen mag.

Tim Houlihan

 

GUNTHER BROWN “North Wind” (Continental Song City)

(4,5*****)

Het vanuit Portland, Maine actieve collectiefje Gunther Brown wordt gezien als één van dé grote Americana-beloften voor 2016. En dat is een status die het viermanschap op basis van z’n twee jaar geleden verschenen debuut “Good Nights For Daydreams” wat ons betreft perfect kan rechtvaardigen ook. Met straffe nummers als “No Use Livin’”, “Time And Again”, “Christ Of The American Road”, “Bobby Orr”, “Headlights And Highways” en andere brachten ze indertijd immers ook ons hoofd al vrij snel helemaal op hol.

En ook met hun nieuwe worp slaan Pete Dubuc (zang en gitaar), Chris Plumstead (gitaar en zang), Mark McDonough (bas en gitaar) en Derek Mills (drums) weer spijkers met koppen. Al is het dan ook al vrij snel duidelijk, dat wie heeft zitten wachten op een “Good Nights For Daydreams Part II” eraan is voor de moeite. De vier heren hebben duidelijk geen zittende konten en gaan opnieuw onder de productionele hoede van Jonathan Wyman voor een veel ruimer, veel gevarieerder geluid. Iets wat wat ons betreft de attractiviteit van het gebodene alleen nog maar meer ten goede komt.

Stringente gitaarklanken loodsen ons via het snedig rockende “What’s Left” het geheel binnen. Vervolgens zijn er de bedaarde, lang niet enkel op de woordspeling uit z’n titel terende lekkere countryrocker “(Don’t Forget To) Don’t Go”, het door als een spervuur aanhoudend drumgeratel van Mills aangejaagde “Norridgewock”, de flink wat rustiger uitgevallen Americana van “I Believe In Love Again” en het super groovy “For A Night”. In ons boek zomaar goed voor een vijf op vijf.

In de tweede helft van “North Wind” belanden we daarna met het ongemeen sfeervolle, schijnbaar uit pure passie en verlangen opgetrokken “Sweet Marie”. Heeft iets bijna mystieks over zich, die melancholische folkrocker. Heel wat meer down to earth is dan de met een wat misleidende titel getooide valse trage “Swampland”. En zeker ook het meteen daaropvolgende, met de tong diep in de wang geplant gebrachte “Jesus Ain’t Listenin’”. Hoe daarin tussen alle opgewektheid door uit de mond van een vroom opgevoede youngster plots te horen valt “…just one look at the Middle East will tell you all you really need to know, Jesus ain’t listening tonight” is bepaald frappant te noemen.

Resten dan nog: de ingetogen, volop aan de hoogdagen van het countryrockgenre herinnerende beauty “Old Man” en afsluiter “Over You”, een ruim de kaap van de zeven minuten overschrijdend bevreemdend epos, waarin de muzikale experimenteerdrift van de vier pas echt geen grenzen meer lijkt te willen kennen.

Alweer redelijk straffe kost allemaal!

Gunther Brown

 

THE REVEREND SHAWN AMOS “The Reverend Shawn Amos Loves You” (Put Together / Sonic Rendezvous)

(5*****)

The Reverend Shawn Amos houdt van je! En op twaalf verschillende manieren dan nog wel! Of zo kondigt hij toch het dozijn liedjes op z’n nieuwe worp aan. Als “12 ways the Reverend loves you”. En hij houdt vervolgens verdomme dik negenendertig minuten lang woord ook! Aan variatie twaalf nummers lang geen gebrek hier!

Tijdens het met de legendarische Blind Boys Of Alabama gebrachte “Days Of Depression” waan je je zo als luisteraar bijvoorbeeld gelijk tussen de zwaar labeurende lotgenoten op één of ander veld ergens diep in het Amerikaanse Zuiden, “Brand New Man” is vervolgens bruisende, door blazers aangejaagde eigentijdse classic R&B, “Boogie” blijkt een z’n naam alle eer aandoende, met Missy Andersen gedeelde en flink aan John Lee Hooker verwante stroomstoot van formaat en “Brothers Keepers” perst met vaste hand in één tijd het beste uit zowel soul als blues. Regelrecht moordspul, dat laatste nummer! En dat geldt wat ons betreft zeker ook voor het meteen daaropvolgende, met wat mean mean smoelenschuifwerk opgewaardeerde “You’re Gonna Miss Me (When I Get Home)”. Een dansje, iemand?

Met een doorleefde lezing van Minnie Lawlers “Joliet Bound” mag het tempo vervolgens even een heel klein beetje naar omlaag. Al duurt die korte break zelfs geen heel nummer lang. Daarvoor blijkt ook die Lawler-baby bij nader inzicht immers veel te nerveus van aard. Slow boogie “Will You Be Mine”, bedaard rockend buitenbeentje “The Outlaw”, Jimmy Reed-cover “Bright Lights, Big City” – Gebracht in onvervalste schuifelmodus met Mindi Abair! – en het nogal omineus uit de hoek komende “Hollywood Blues” bereiden in het kielzog daarvan voor op een machtig slotsalvo.

En dat blijkt te bestaan uit de door Amos zelf gepende tweeling “Put Together” en “The Last Day I’m Loving You”. Het eerste een door onze man met een kloeke dosis funk à la James Brown besprenkelde nieuwe aanslag op de benen, het tweede een ongemeen intense klassieke soultrage, waarbij onze gedachten voorwaar heel even afdwaalden richting Bobby “Blue” Bland. Vies goed dus!

Voor de productie van “The Reverend Shawn Amos Loves You” tekende de hoger ook al even vermelde Mindi Abair.

The Reverend Shawn Amos

 

FRANK SOLIVAN “Family Friends & Heroes” (Compass Records)

(4****)

Frank Solivan & Dirty Kitchen werkten zich de voorbije jaren in geen tijd op tot één van bluegrass’ next big things. En dat naar onze zoals steeds bescheiden mening volkomen terecht ook. Checkt u op zoek naar bevestiging van die opinie maar even hun drie tussen 2010 en 2014 verschenen albums. Veel meer is er echt niet nodig om u van de kwaliteiten van bandleader Solivan en de zijnen te overtuigen! De vier behoren ontegensprekelijk tot het allerbeste wat het progressieve bluegrassgenre de jongste decennia aan nieuwe namen heeft voortgebracht.

Vreemd genoeg is de nieuwe Solivan geen groepsplaat geworden. Zodoende het door z’n vorige worpen gegenereerde momentum eigenlijk compleet ignorerend jaagt hij met “Family Friends & Heroes” vooral de invulling van enkele van z’n eigen wensen na. Hoog op z’n wish list stond zo bijvoorbeeld geruime tijd het maken van een plaat samen met z’n getalenteerde moeder Lorene. Die overleed echter in de zomer van 2014. En dus nam Solivan maar vrede met second best. En dat blijkt hier en nu een plaat opgenomen met – zoals de titel dat al nadrukkelijk liet vermoeden – familie, vrienden en eigen helden.

Dat een dergelijk uitgangspunt heeft geleid tot een bijzonder warm aanvoelend geheel moeten we u allicht niet meer komen vertellen. Gelijk van bij het openingsnummer wordt je het gewaar. Als appetizer kan die samen met Del McCoury gebrachte bluegrassversie van Roy Orbisons klassieker “Pretty Woman” zeker al tellen! Vervolgens gaat het met het samen met enkele van z’n neven ingeblikte “Mask, Snorkel And Fins” en het hem door een andere neef aangereikte “The Fishin’ Song” even flink de zomerse toer op. Beelden van zonovergoten tropische stranden zijn dan een zevental minuten lang nooit erg ver weg. Mooi, mooi, mooi… Mede ook door het betoverende akoestische gitaarwerk van Jim Hurst in dat laatste nummer.

In het ingetogen “I Am A Rambler” zijn het dan weer een stel andere gasten die vrijwel meteen opvallen. Met name Sam Bush op mandoline, Jerry Douglas op dobro, Mike Munford op banjo en Shana Higginbotham-Sullivan met hemelse high harmony vocals. Voor mij één van dé absolute hoogtepunten van “Family Friends & Heroes”, dat liedje. Samen met de wervelende, in min of meer dezelfde bezetting opgenomen instrumental “Cazenovia Casanova” dan. Ook dat is immers een ronduit subliem te noemen deun.

In Sarah Elizabeth Campbells “Mexico”, één van de lievelingsliedjes van z’n ma zaliger, mag nicht Megan McCormick aansluitend daarop even de vocale honneurs voor haar rekening nemen, Bill Brownings “Dark Hollow” wordt in alle intimiteit gedeeld met Sam Bush en “You Don’t Write” – van z’n op Hawaii residerende cousin John Cruz – troont ons andermaal mee naar zonniger oorden. Iets waar die attractieve steel drum erin zeker niet helemaal vreemd aan is…

Het verstilde “Put Me In Your Pocket”, nog één van de signature songs van z’n overleden moeder, brengt Solivan vervolgens in duet met de al eerder genoemde Megan McCormick, alvorens voor een ijzingwekkend mooie lezing van “I Still Miss Someone” van Johnny Cash onder meer z’n eigen vader, wat nichten en het tweetal Shawn Camp (zang) en Rob Ickes (dobro) op te trommelen. Frank Solivan Sr. duikt overigens meteen daarop samen met z’n zoon en Ronnie McCoury (mandoline) ook nog eens op in een speelse vertolking van de traditional “When The Leaves Turn Brown”.

Moeten dan nog de revue passeren: een onder meer met een vocale gastbijdrage van John Cowan opgewaardeerde versie van de John Denver-hit “Leaving On A Jet Plane”, het aan een ooit spontaan ingeblikte zangpartij van ma Lorene Solivan opgehangen “Wayfaring Stranger” en afsluiter “Are You Missing Me”, een fraai ingetogen stukje familiemuziekgeschiedenis van Aunt Norma & Uncle Chuck.

Frank Solivan

 

BOB MARGOLIN “My Road” (VizzTone / V2)

(3,5****)

“Mijn nieuwe plaat toont me zoals ik vandaag de dag ben, zowel op muzikaal als op persoonlijk vlak,” aldus Bob Margolin over “My Road”. En daarmee is over die recente worp van ‘m eigenlijk al veel gezegd. “Steady Rollin’” Bob Margolin, hier vooral bekend als de jarenlange rechterhand van Muddy Waters in diens begeleidingsband in de seventies, is ondertussen ook zelf uitgegroeid tot blues royalty. Een man, wiens geweldige reputatie echt wel oververdiend is. Als gitarist, maar ook als zanger en als songsmid. En met name dat laatste wordt op “My Road” nog eens extra geaccentueerd. “My ride through modern challenges, the ironies and lessons of aging, achieving true love, mourning, my band’s distinctive signature sound, a childhood epiphany, my seven years in Muddy Waters’ band, and exploring the darkest sides of life with friends who have been there,” vat Margolin zelf voor ons samen wat hij in de twaalf nummers erop doet.

Ondertussen in z’n mid-sixties aanbeland levert Margolin met “My Road” aan het handje van producer Michael Freeman een in haar geheel erg sterke plaat af. Geflankeerd door Chuck Cotton (drums en zang) en Tad Walter (harp en gitaar) neemt hij het zo op het eerste gehoor vooral niet te nauw met genregrenzen. En met name die tussen blues, roots rock en Americana durven hier dan ook nogal eens fameus te vervagen.

Onze favorieten op “My Road”: een heerlijk schokschouderend gebrachte cover van Sean Costello’s “Low Life Blues”, de geweldige eigen swampy sleper “Understanding Heart”, het überhaupt erg soulvolle “More And More” en de werkelijk messcherpe opener “My Whole Life”.

Bob Margolin

 

THE INFAMOUS STRINGDUSTERS “Ladies & Gentlemen” (Compass Records)

(4****)

Met hun inmiddels toch ook alweer zesde studioplaat doen Andy Falco (gitaar), Travis Book (bas), Jeremy Garrett (fiddle), Chris Pandolfi (banjo) en Andy Hall (dobro), je samen allicht beter bekend als The Infamous Stringdusters, een redelijk nadrukkelijke gooi naar glorie. Dat leert alvast een vlugge blik op de voor de gelegenheid wel erg uitgebreide gastenlijst. De gentlemen uit de titel van hun nieuwe plaat blijken gewoon de heren zelf te zijn, de ladies een hele rist aan bekende en minder bekende zingende vrouwelijke collega’s. En die vrijwel meteen in het oog springende werkwijze levert quasi vanzelfsprekend ook zo menig een beklijvend momentje op.

De hier vooral van haar pophitje “One Of Us” bekende, maar in de States inmiddels tot een gerespecteerde rootsartieste uitgegroeide Joan Osborne mag “Ladies & Gentlemen” aftrappen met het als niets minder dan een open invitatie te interpreteren “Listen”. Countryster Lee Ann Womack doet vervolgens een aardig mondje mee in het bijzonder radiogenieke “I Believe”, hipster Sarah Jarosz doet hetzelfde in het zich redelijk nerveus aandienende “Won’t Be Long” en soulie Joss Stone toont zich van een tot op heden ongeziene kant in de het bluegrassgenre een serieuze update verkopende rootsy beauty “Have A Little Faith”. Eén van dé hoogtepunten van deze twaalf songs tellende collectie toch wel, dat liedje.

Sara Watkins lijkt zich vervolgens als een vis in het water te voelen in het lentefrisse newgrass-niemendalletje “See How Far You’ve Come”, de je allicht vooral van het vijftal Della Mae bekende Celia Woodsmith maakt van “Old Whiskey Bottle” een bepaald bezielde bedoening, de hier onlangs ook nog zelf besproken Nicki Bluhm straalt in “Still The One”, genre-icoon Claire Lynch excelleert op haar beurt in “Ladders In The Sky” en Mary Chapin Carpenter komt voorbij voor het voorwaar zelfs met wat jazzgevoel gekruide “Coming Back To You”.

Aoife O’Donovan bezielt met haar lenige vocals aansluitend daarop dan weer “Run To Heaven”, huisfavorietje Abigail Washburn straalt ook al volle bak in het speelse “Rock And Roll” en jazz-trompettiste Jennifer Hartswick mag de feestelijkheden daarna mee afsluiten met de zo ongeveer elke genregrens negerende instrumentale bonus track “Hazosphere”.

Voor de productie van het erg knappe “Ladies & Gentlemen” tekende Chris Goldsmith.

The Infamous Stringdusters, Compass Records

 

ERIC BRACE & PETER COOPER “C&O Canal” (Red Beet Records)

(4,5*****)

“C&O Canal”, het nieuwe album van het duo Eric Brace en Peter Cooper, zou je bij nader inzicht kunnen zien als een soortement van statement met betrekking tot de regio waar de twee een al bij al erg gelukkige muzikale jeugd kenden. Waar ze in gelegenheden als de Birchmere, de Red Fox Inn, The Cellar Door, Gallagher’s en andere letterlijk van op de eerste rij roots music (be)leefden. En waar met name de heren van de Seldom Scene een aardig diepe indruk nalieten. “What we’re saying is that Washington history is as rich with genius-level roots music as it is with tricky politics,” aldus de heren zelf in het begeleidende schrijven met betrekking tot het op hun recentste worp gebodene.

Iets wat we hier na deze bijzonder innemende tip of the hat aan het adres van zo menig één van hun favoriete acts graag bereid zijn te geloven ook. Samen met Thomm Jutz (akoestische en slidegitaren, mandola en zang), Andrea Zonn (viool en zang), Justin Moses (dobro, mandoline en banjo), Jeff Taylor (accordeon), Mark Fain (bas) en Lynn Williams (drums) tekenen Brace (akoestische gitaar en zang) en Cooper (zang) hier immers voor net geen vijfendertig minuten pure Americanamagie. Prachtig gewoon!

Gelijk van bij hun vertolking van het bij John Starling en de Seldom Scene geleende en aan de collectie haar titel verschaffende “C&O Canal” is het prijs. Heerlijk gewoon, hoe die twee stemmen samengaan! Vervolgens gaat het via het hen door Tony Rice aangereikte en door gaste Andrea Zonn van wat fijn fiddle-werk voorziene Mary Chapin Carpenter-nummer “John Wilkes Booth” richting het wat ons betreft absolute hoogtepunt hier. En dat is het door diezelfde Zonn vocaal mee naar eenzame hoogten getilde “Boulder To Birmingham”, je uiteraard ook wel bekend in de uitvoering van Emmylou Harris. Wat een beauty!

Voor “Blue Ridge” en “He Rode All The Way To Texas” belanden we vervolgens weer even bij de Seldom Scene, het sprankelende “Rainy Night In Texas” blijkt van Karl Straub en “If That’s The Way You Feel” is uiteraard van Ralph Stanley. En dan is er nog het slotsalvo: met eerst “Been Awhile”, gevonden bij DC’s ‘70s country-rockkoningen de Rosslyn Mountain Boys, vervolgens het door Alice Gerrard gepende “Love Was The Price” en bij wijze van afsluiter “Boat’s Up The River”, een  niemendalletje in finger-picking style van de hand van grafdelver John Jackson.

Allemaal samen goed voor een aanrader van formaat!

Eric Brace & Peter Cooper

 

MATT ANDERSEN “Honest Man” (True North Records / Bertus)

(4,5*****)

Bij het beluisteren van “Honest Man”, de door de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Amy Winehouse en Joss Stone bekende Commissioner Gordon geproduceerde nieuwe van blues- & rootsfenomeen Matt Andersen, moest ik onwillekeurig steeds weer denken aan de jarenlang door het Nederlandse biermerk Grolsch gehanteerde slogan “Vakmanschap is meesterschap!” Want een echte vakman, dat is hij wel, die bebaarde Canadees. Dat bewijst hij hier, daarbij quasi en passant nogal wat nieuw territorium verkennend, eigenlijk meer dan ooit.

Afgetrapt wordt er met het zomers luchtige “Break Away”. Zou binnenkort zomaar eens een radiohitje kunnen worden, dat met een bedaard exotisch ritme flirtende poppy R&B-niemendalletje. Iets wat, zo leren we al snel, voor wel meer dingen hier geldt. Zo ook voor het meteen daarop volgende “The Gift” bijvoorbeeld al. Een knappe soulvolle trage, waarin Andersen stemgewijs bij momenten redelijk dicht in de buurt van de door ons allen betreurde Joe Cocker strandt.

Titelnummer “Honest Man” zoekt het vervolgens on the funky side of life, “I’m Giving In” blijkt een echte wolk van een ook al om media-aandacht schreeuwende hitgevoelige pianoballade en “Quiet Company” is bij nader inzicht just that, een fraaie rustige parel ergens op het snijvlak tussen roots pop en Americana. “Let’s Get Back” teert op zijn beurt ongegeneerd op een heerlijke soul groove, “All The Way” doet in het kielzog daarvan bijna onopvallend hetzelfde en “Last Surrender” gaat aansluitend daarop ontegensprekelijk lopen met de titel van best of the lot. Heel veel mooier wordt soul anno nu als u het mij vraagt niet meer gemaakt. Heeft echt wel aardig wat Otis Redding in de aderen, die prachtdeun!

Resten er dan nog: het lekker wegrockende “Who Are You Listening To?” en de alweer heel erg mooie en z’n titel dus volop waar makende trage “One Good Song”.

“Vakmanschap is meesterschap!” indeed! Met een plaat van dit kaliber verdient Andersen wat mij betreft een doorbraak op héél grote schaal.

Matt Andersen

 

DIVERSE ARTIESTEN “The Stockfisch DMM-CD/SACD Vol. 2” (Stockfisch Records)

(4****)      

Het vanuit het Duitse Northeim actieve Stockfisch Records staat al sinds jaar en dag garant voor klankperfectie. Al bijna veertig jaar lang streven Günter Pauler en de zijnen naar het best mogelijke geluid voor hun klanten. Een gegeven waarvan met name singer-songwriters graag mogen profiteren. En dus belanden er ook regelmatig Stockfisch-albums op onze schrijftafel. Zoals ook nu weer.

Ditmaal betreft het daarbij het uitzonderlijk fijn verpakte “The Stockfisch DMM-CD/SACD Vol. 2”. In een zestig pagina’s tellend en fraai geïllustreerd boekwerk wordt ons heel helder uitgelegd, hoe men er dezer dagen in Northeim alles aan doet om het warme geluid van vinyl zo dicht mogelijk te benaderen. Maar zonder de soms aardig storend werkende tekortkomingen daarvan dan. En zo ontstond de DMM-CD/SACD.

En niets beter om ons te overtuigen van de kwaliteit daarvan dan wat muziekjes natuurlijk. En die komen this time around van recente albums van Carrie Newcomer (“The Slender Thread”), Allan Taylor (“Endless Highway”), Paul Stephenson (“Girl With A Mirror”), Sara K. (live met Chris Jones in “What’s A Little More Rain”), Ranagri (“Tremors”), David Munyon (“Prayers Of Elvis Presley”), Tony Christie & Ranagri (“Wild Mountain Thyme”), David Roth (“Be Kind To Yourself”), Carl Cleves & Parissa Bouas (“Nothing’s Gonna Last Forever”), Paul O’Brien (de Joni Mitchell-cover “Big Yellow Taxi”), Steve Strauss (“Sea Of Dreams”) en Kerstin Blodig (“Out Of The Woods 2 (Impro)”). Noem het maar een soortement best of van het recentere Stockfisch-werk.

Twaalf mooie liedjes in sublieme geluidskwaliteit, wat heeft een mens nog meer nodig voor een knus winteravondje bij de open haard?

Stockfisch Records

 

BIRDS OF CHICAGO “Real Midnight” (V2)

(5*****)         

Birds Of Chicago zou u ondertussen stilletjesaan mogen kennen als het in 2012 aangegane muzikale huwelijk tussen JT Nero van JT And The Clouds en Alison Russell van Po’ Girl. Mocht dat nog niet het geval zijn, dan zal dat zeker niet aan ons gelegen hebben. Wij lieten ons hier in het verleden immers al aardig lovend uit over zowel hun titelloze eerste samen als over de concertregistratie “Live From Space”. En iets anders zijn we eigenlijk ook nu naar aanleiding van hun zogeheten “moeilijke tweede” absoluut niet van plan. ’t Is maar dat u het weet!

“Real Midnight” is wat je noemt een echte moordplaat. Een elf nummers lang durend muzikaal orgasme, productioneel in goede banen geleid door niemand minder dan Joe Henry, de man die in het recente verleden onder meer ook al de een weinig in de vergeethoek geraakte soulgrootheden Solomon Burke en Bettye Lavette, de Carolina Chocolate Drops en gelegenheidsduo Rodney Crowell-Emmylou Harris van een geweldig geluid wist te voorzien. Iets wat ook hier weer nadrukkelijk het geval is. De driehoek Nero-Russell-Henry staat zo ongeveer voor je reinste magie. Voor een volstrekt uniek iets ook. En dat net geen drie kwartier lang.

Van de bedaarde soulvolle rock van openingsnummer “Dim Star Of The Palisades” tot het ook al van de ingehouden spanning levende “Remember Wild Horses”, van het vertederende, door Russell op indrukwekkende wijze ijle hoogten ingezongen “Kinderspel (Child’s Game)” tot de uitgelaten, bij momenten bijna gospelesk ingevulde roots pop van “Estrella Goodbye”, van de met name door de werkelijk onwaarschijnlijk mooie samenzang tussen beide protagonisten erin opvallende pianoballade “Real Midnight” tot het door Russell met uitzondering van wat percussie volledig a cappella gedeclameerde “Barley”, van de melancholiek soulvolle trage “Color Of Love” tot het maar langzaam z’n geheimen prijsgevende en daar nagenoeg perfect bij aansluitende “Time And Times”, van het wat meer naar de rootsy kant neigende “Sparrow” tot het afsluitende tweetal “The Good Fight” en “Pelicans”, de elf nummers op “Real Midnight” zijn zonder ook maar één enkele uitzondering geweldig. En ik zou het album dan ook nu al bijna een certitude voor m’n jaarlijst van 2016 durven te noemen!

Tussen 23 april en 9 mei kan je Nero en Russell overigens ook live gaan bewonderen. Haltes zijn tot op heden voorzien in Eeklo (B, 23-04, N9), Oldenzaal (NL, 24-04, Cobblestone), Amsterdam (NL, 25-04, Paradiso Noord), Middelburg (NL, 26-04, Kloveniersdoelen), Terheijden (NL, 28-04, Witte Kerkje), Lage Vuursche (NL, 29-04, In The Woods), Groningen (NL, 30-04, Rhythm & Blues Night, De Oosterpoort), Ospel (NL, 07-05, Moulin Blues), Nijmegen (NL, 08-05, Tangelder) en Eindhoven (NL, 09-05, Meneer Frits).

Birds Of Chicago, Lucky Dice Music

 

GENE CLARK “Two Sides To Every Story” (High Moon Records / V2)

(3,5****)

Hoe afhankelijk je als artiest vaak wel bent van externe factoren bleek maar weer eens toen ex-Byrd Gene Clark in 1977, ruim drie jaar na z’n commercieel helaas jammerlijk geflopte magnum opus “No Other”, met “Two Sides To Every Story” op RSO Records belandde. Een echt schoolvoorbeeld van op het verkeerde moment de verkeerde plaats aandoen. Wist men er aanvankelijk sowieso al niet goed hoe een dergelijk album te promoten, dan kon men het enkele maanden later, kort na de release van de soundtrack bij John Travolta’s succesprent “Saturday Night Fever”, al helemaal niet snel genoeg begraven krijgen. En da’s jammer. Doodjammer. Elke liefhebber van country rock met een goed stel oren aan z’n hoofd zal het je immers graag bevestigen: “Two Sides To Every Story” is echt wel een verre van kwade plaat. Geen klassieker zoals “No Other” dat wél is, maar gewoon een lekker geheel. Met tal van ook nu nog volop aansprekende momenten. En dus mogen we mijns inziens met z’n allen ook best tevreden zijn met de actuele heruitgave ervan.

Absolute stand-outs op “Two Sides To Every Story” zijn wat mij betreft het verstilde mijnwerkersverhaal “Give My Love To Marie”, het volop in de melancholie badende “Past Adresses”, een sprankelende uptempo-lezing van de legendarische murder ballad “In The Pines” en de à volonté beelden van een lang vervlogen zomer oproepende afsluiter “Silent Crusade”.

Zij die graag wat meer rock in hun country mogen hebben zullen allicht eerder voor enkele andere nummers hier vallen. Het dartele “Home Run King” bijvoorbeeld, het over een voorzichtig bluesy aandoende groove glijdende “Kansas City Southern” zeker ook en misschien ook wel Clarks benadering van Ronnie Hawkins’ “Marylou”.

(Voor de liefhebbers: “Two Sides To Every Story” wordt geleverd inclusief download card voor wat exclusieve bonus tracks!)

Gene Clark

 

JETBONE “Magical Ride” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Hier gaan we vooral niet al te moeilijk over doen. Het album “Magical Ride” staat immers garant voor exact dat wat z’n titel belooft, een magisch ritje dus. Een magisch muzikaal ritje richting veel betere tijden. Richting de vroege jaren zeventig meer bepaald. Richting de Stones ten tijde van het magistrale “Exile On Main Street”. Richting zo menig een populaire Southern rock act ook. Richting muziekjes, waarin rock, soul en blues er onwaarschijnlijk veel plezier in lijken te scheppen om samen de koffer in te duiken. Richting muziekjes met andere woorden, die je vooral niet van een stelletje twintigers uit de buurt van het Zweedse Sundsvall verwachten zou.

En toch is het precies vanuit die hoek, dat deze verbluffend knappe set is komen aanwaaien. In een met de ons volslagen onbekende Mikael Lyander gedeelde productie rockt het Zweedse vijftal Jetbone er op “Magical Ride” elf nummers lang serieus op los. Elf originele songs zijn het bovendien, aangedragen door de twee leadvocalisten van de band, te weten Alin Riabouchkin en Gustav Sjödin. En die weten duidelijk van wanten. Zowel wat betreft het uitwerken van lekker in het gehoor liggend rootsy rockmateriaal als wat betreft het brengen daarvan.

Raar eigenlijk, dat ze maar liefst drie pogingen nodig hebben gehad om erachter te komen, hoe goed ze wel zijn, die twee. Het voorliggende “Magical Ride” blijkt immers het resultaat van de laatste in een reeks van drie volslagen verschillende opnamesessies. Het album werd de voorbije paar jaren effectief tot driemaal toe opnieuw opgenomen. De eerste versie werd als snel compleet waardeloos toen de toenmalige leadzanger van de groep er plots zomaar vandoor ging. En ook versie twee, met de huidige tandem al wel achter de microfoon, voldeed voor de heren niet. Gewoon te fel geprobeerd om te klinken als hun voorganger, zo klonk het als uit één mond. En dus kwam het uiteindelijk tot de nu voorliggende derde versie. En misschien maar goed ook, want die blijkt op de keper beschouwd echt verdomd lekker!

Heerlijk catchy uitvallende rootsrockertjes à volonté hier! Aardig vaak voorzien van een gezonde dosis soulvol kopergeschetter ook. En met zo’n heerlijk markante rauwe scheurstem als uitgesproken surplus. Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het echt wel heerlijk uit de speakers knallende “Fifth Time Loser”, het al even smaakvolle titelnummer of het op lekker vette gitaren voorbij knallende tweetal “C’mon” en “Working Hard For Your Money” en je zal meteen begrijpen waar we met die stelling naar toe willen.

Als tegengewicht voor een teveel aan rauw rockgeweld zijn er ook een aantal wat bedaardere momenten. Op hun beurt heel erg soulvol ook. We denken dan bijvoorbeeld aan tracks als de “valse trage” “Mixed Emotions” en de ballads “Woman”, “Rosalie” en “You Are My Love”.

Jetbone Rootsy Bandcamp

 

SCOTT BRICKLIN “Lost Til Dawn” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

Net als z’n maatje Ben Arnold maakt ook Scott Bricklin van een pauze van US Rails gebruik om ons nog eens met solomateriaal te bestoken. En net als diens nieuwe plaat verscheen ook zijn verse worp zopas bij het Duitse huis van vertrouwen Blue Rose Records. Tot zover de gelijkenissen. Muzikaal gezien tapt Bricklin immers uit een geheel en al ander vaatje. Waar op Arnolds nieuwe zo’n beetje alles rond catchy soulvarianten draait, staat bij Bricklin de klok volop op rock.

En ik moet zeggen, dat die aanpak me een pak minder ligt dan die van Arnold. Aan variatie ook hier geen gebrek, dat zeker niet, maar het springt toch allemaal net wat minder in het oog dan dat nieuwe materiaal van Arnold. Het klinkt vooral als dingen die we allemaal al wel eens eerder gehoord hebben. Bij de Beatles en de Stones bijvoorbeeld, bij Tom Petty zeker ook, bij Little Feat, bij de Georgia Satellites. En akkoord, dat zijn zonder uitzondering verre van kwade ijkpunten, maar er ontbreekt naar mijn gevoel gewoon iets…

Dus ja, doe mij maar opnieuw een rondje Arnold… Zijn “Lost Keys” geniet overduidelijk mijn voorkeur. Al vind ik dingen als de melodieuze countryrocker “On The Rock”, het met een aangename dosis slide gekruide swampbeest “Maybe Less Than Before” of het folkpopkleinood “Let Me Go” zeker ook niet slecht. Dat niet. Alleen… Er is die vergelijking, hè… En “Lost Keys” is mijns inziens gewoon beter. Punt uit.

Scott Bricklin, Blue Rose Records

 

CAM PENNER “Sex & Politics” (Cam Penner / Lucky Dice Music)

(4****)

In zee gaan met de multi-getalenteerde Jon Wood heeft de Canadese roots rocker Cam Penner als je het ons vraagt bepaald geen windeieren gelegd. Zijn materiaal is er sedertdien eigenlijk alleen maar avontuurlijker op geworden. Intussen heel ver verwijderd van de door zoveel anderen graag bewandelde veilige singer-songwriterpaden brengt de beste man nog bijna uitsluitend spul dat iets durft te eisen van z’n publiek. Spul, dat een flinke inspanning vraagt van z’n luisteraars, maar tegelijk ook zo lonend blijkt, dat je er die moeite graag voor over hebt.

“Sex & Politics” groeide in amper tien dagen uit tot een ware ruw-rauwe diamant. In z’n eigen afgelegen opnameruimte ergens diep in de bossen van British Columbia schuwde Penner bij het inblikken van z’n nieuwe songoogst hoegenaamd geen enkel risico. Samen met Wood tastte hij er tien nummers lang geduldig de grenzen van het rootsrockgenre af. Op inventieve wijze werden elementen uit Americana, folk, blues, gospel en vooral ook vintage rock & roll met elkaar verweven. En dat met “Sex & Politics” als dankbaar (eigentijds) onderwerp.

Het ene moment ongelooflijk beklemmend werkend, het andere juist heel erg aantrekkelijk, bijna verleidelijk eigenlijk, knagen de nummers op Penners nieuwe worp zich gestaag een weg doorheen de harde schors van je onderbewustzijn. Het heeft bij momenten allemaal iets bijna bezwerends over zich. Zoals al gezegd: gemakkelijke kost is het zeker niet. Maar dat hoeft ook niet. Zeker vandaag de dag niet meer. Ook het leven zelve wordt er de jongste maanden immers bepaald niet gemakkelijker op. En precies dat gegeven lijkt Penners muziek op de één of andere manier willen af te stralen.

Not your typical Americana, maar hoogst intrigerend is het allemaal zeker wel.

(Tussen 19 en 30 april staan Penner en Wood bijna doorlopend op podia in de buurt. Op vrijdag 29 april wordt bijvoorbeeld Listwaar in Oud Heverlee aangedaan en één dag later is er een gig van de twee op de Rhythm & Blues Night in de Oosterpoort in het Nederlandse Groningen.)

Cam Penner, Lucky Dice Music                                                                                                                                           

 

SIX STRING YADA “Diluted Roots” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Six String Yada is een Zweeds driemanschap bestaande uit Agnes Brogeby (fiddle, gitaar en zang), Erling Bronsberg (banjo en zang) en Jonas Bleckman (cello en zang) dat er absoluut geen twijfel over laat bestaan: muziek maken doe je op de keper beschouwd enkel en alleen voor je plezier! En onder het motto “Old time or no time!” jassen ze er op hun tweede “Diluted Roots” dan ook vrank en vrolijk de ene na de andere catchy oorwurm door.

Traditionals als “Georgia Railroad”, “Cumberland Gap”, “Tom Dooley”, “Lazy John”, “All Night Long”, “Trouble In Mind” en andere, maar ook eigen dingen als de knappe murder ballad “Until The Devil Knows I’m Dead”, het hyperkinetische “Sweet By And By” en het politieke statement “Bereft And Blind” passeren zo ruim tweeënvijftig minuten lang energiek de revue. En dan hadden we het nog niet over twee opvallende old time covers van wat eigentijdser spul, meer bepaald “No One Knows” van de Queens Of The Stone Age” en “Fear And Trembling” van de crust punks van Disfear. Of over een al even eigenzinnige lezing van de onvervalste New Orleans classic “Iko Iko”. “Diluted” oftewel “verdunde” roots dus ook effectief klaarblijkelijk.

Kunnen we warmpjes aanbevelen aan de liefhebbers van bijvoorbeeld het materiaal van Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys en de Henhouse Prowlers. En dat zou als referentie eigenlijk ruimschoots moeten volstaan, zo lijkt ons.

Six String Yada, Rootsy

 

VICKY EMERSON “Wake Me When The Wind Dies Down” (Vicky Emerson)

(4,5*****)

De voorbije zes à zeven weken heb ik me reeds meermaals de bedenking gemaakt, dat het Americana-boekjaar 2016 al een ronduit uitstekende start kende. En die vaststelling kan ik eigenlijk alleen maar herhalen naar aanleiding van de zopas verschenen nieuwe van Vicky Emerson. Die dezer dagen vanuit Minneapolis volop aan een nieuw hoofdstuk in haar carrière schrijvende zingende liedjesschrijfster overtuigt daarop immers wederom volop. Persoonlijk vind ik het een echt pareltje. Een plaat, die elke liefhebber van het materiaal van dames als een Lucinda Williams, een Emmylou Harris en een Lynn Miles zich eigenlijk zonder daarover al te lang te moeten nadenken zou moeten aanschaffen.

Tien zelf gepende liedjes staan erop en die blijken werkelijk zonder uitzondering ijzersterk. Met dank daarvoor ook ontegensprekelijk aan producer Matt Patrick. Patrick, die trouwens ook meeschreef aan het openingstweetal van de plaat. We hebben het dan over het als een funky rootsy twangertje aangeboden “Under My Skin” en de erg mooie Americana-trage “Rattle Shake”. Dat laatste liedje en het louter muzikaal gezien enigszins vergelijkbare “Save All My Cryin’ (For Sunday Afternoon)” zijn wat mij betreft dé toppers op een geheel echt vol daarmee. Met name “Save All My Cryin’” is een regelrecht moordnummer.

Verdere heerlijkheden op dit 10-gangen-songmenu: de outlaw country gypsy style van “Long Gone”, het wat meer folkgetinte drietal “Silhouette”, “Lyndale” en “September Midnight”, de nerveuze countryrocker “Runaway Train”, het ergens tussen roots pop en folk uitkomende “Dance Me Into The Night” en de het geheel op een swingende noot afsluitende “Follow The Moon”.

Echt wel een aanrader van formaat, deze nieuwe Emerson-schijf, maar overtuigt u zich daarvan toch vooral zelf!

Vicky Emerson, CD Baby

 

PAUL HANDYSIDE “Tide, Timber & Grain” (Malady Music)

(3,5****)

Vele jaren geleden, ergens medio de eighties moet het geweest zijn, volstond het aantreffen van het label van het vanuit Newcastle upon Tyne actieve Kitchenware Records op een plaat een poosje ruimschoots om mijn aandacht te trekken. Schuld daaraan hadden vooral de eerste platen van het onvolprezen Prefab Sprout en de ook nu door me nog op handen gedragen Martin Stephenson en z’n Daintees. Eigenlijk was het met name onder invloed van hun “Swoon” en “Boat To Bolivia” dat Britse indie darlings Hurrah! hier ook een kans kregen. En door hen maakte ik dus ook kennis met Paul Handyside, indertijd het trotse kopstuk van die groep.

Die Handyside zou later bij het begin van het nieuwe millennium plots opnieuw opduiken aan het hoofd van de Britse alternatieve countrygroep Bronze, waarmee hij tijdens haar korte bestaan ook twee albums zou afleveren. En vanaf 2007 ging hij dan uiteindelijk solo aan de slag. Eindelijk, want Handyside is dus echt wel een geweldige singer-songwriter. Dat bewees hij in 2007 en 2013 al met respectievelijk z’n solodebuut “Future’s Dream” en de opvolger daarvan “Wayward Son” en dat doet hij dezer dagen opnieuw met z’n derde, het binnenkort te verschijnen “Tide, Timber & Grain”.

Daarop houdt Handyside (zang, akoestische en elektrische gitaren, Fender Rhodes, harmonium, autoharp, harmonica en percussie) in het gezelschap van Rob Tickell (elektrische gitaar, lap steel, dobro, weissenborn, basgitaar, banjo en percussie) en David Porthouse (double bass en melodeon) quasi voortdurend mooi het midden tussen enerzijds pop, anderzijds folk en Americana. Met daarbij als voornaamste bondgenoot z’n eigen doorleefde stem tekent hij hier voor tien even mooie als beklijvende liedjes.

Van nadrukkelijk wat meer folkgeoriënteerde dingen als het aanstekelijke duo “Woodcutter’s Son” en “A Whaler’s Lament” tot al even duidelijk countrygetint spul genre “Flowers Won’t Bloom” of “True Love”, van de met wat Brits flegma opgewaardeerde Americana van “Fond Farewell” tot de fijne, de Richard Hawley-liefhebber in ons echt op z’n wenken bedienende singer-songwriter pop van “Let Me Down Easy” of het ons al croonend uitwuivende “Goodnight Lover”, aan “schone liedjes” hier absoluut geen gebrek! Handyside toont zich op “Tide, Timber & Grain” wat mij betreft in de vorm van zijn leven.

Paul Handyside

 

HEGE BRYNILDSEN “When My Man Comes To Town” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over haar in 2011 verschenen debuutplaat “Hege” waren wij hier heel erg te spreken, over het goed en wel twee jaar later daarop volgende “Till Harry” eigenlijk wat minder. En dat had zo goed als alles te maken met het feit dat de Noorse die plaat volledig in het Zweeds bracht. Een taal die ze voorheen zelfs nog nooit gesproken had, zo leerden we later. Laat staan, dat ze er al eens in gezongen gehad zou hebben… Maar goed: onze kennis van het Zweeds is wat je noemt ook aan de eerder geringe kant. En het was dus vooral een kwestie van niet verstaan, die er ons op termijn van weerhield om een langdurige relatie met het aan Brynildsens grootvader opgedragen geheel aan te gaan. Meer nog, wij spraken hier in 2013 al de nadrukkelijke wens naar meer Brynildsen in het Engels uit. En die wens werd verhoord!

Op “When My Man Comes To Town” pakt de Noorse onder de productionele hoede van Gøran Grini immers opnieuw uit in de al bij al toch een stuk universelere taal van Shakespeare. Ruim zevenendertig minuten en tien nummers lang lijkt ze op zoek naar een eigen niche tussen illustere voorbeelden als een Gillian Welch, een Iris DeMent en een Dolly Parton. En niet zelden baden de daartoe door haar gebruikte liedjes in een enigszins bevreemdend, überhaupt best wel wat duister aandoend sfeertje.

Als uitgesproken luistertips zouden we hier durven aan te bevelen: de melancholieke alternatieve country van dingen als “If You Have To Cry” en “Please Remember Me”, het naar onze bescheiden mening nergens minder dan bezwerende titelnummer “When My Man Comes To Town” – Iets voor fans van de Walkabouts? – en de fraaie dramatische country noir van “Baby, I Told You (Not To Drink)”.

A real thing of beauty voor wie houdt van wat apartere stemmen!

Hege Brynildsen, Rootsy

 

BUDDY MILLER & FRIENDS “Cayamo Sessions At Sea” (New West Records / PIAS)

(4****)

Een nieuwe Buddy Miller-plaat? Ja én neen. Wél Miller, maar vooral ook heel veel vrienden van ‘m. Hier en nu uitpakkend met een soort van muzikale prentbriefkaart verstuurd van op zee. Ingeblikt, zoals de titel dat al duidelijk laat blijken, tijdens de door Miller en z’n buddy (Ha!) Jim Lauderdale jaarlijks gedirigeerde “Cayamo Sessions At Sea”. Een soort van muzikale all-star cruise, zeg maar. En de resultaten zijn er dan ook naar!

Met Lee Ann Womack tackelt Miller met brio de Conway & Loretta classic “After The Fire Is Gone”, met youngster Kacey Musgraves laat hij Buck Owens’ “Love’s Gonna Live Here” eraan geloven, met legende Kris Kristofferson legt hij een bloedmooie versie van diens klassieker “Sunday Morning Coming Down” neer en met stalgenote Nikki Lane swingt hij bedaard doorheen de je wellicht vooral in de uitvoering van Dolly Parton en Porter Wagoner bekende ‘Cowboy’ Jack Clement-compositie “Just Someone I Used To Know”.

Lucinda Williams mag op haar beurt mee het (Heel!) mooie weer komen maken in Gram Parsons’ “Hickory Wind”, Richard Thompson doet op de hem geheel eigen manier iets vergelijkbaars in Hank Williams’ “Wedding Bells” en ook Elizabeth Cook toont zich in prima vorm in het zwierige, veel gecoverde Carl Butler-nummer “If Teardrops Were Pennies”. En wat te denken van de heerlijk lijzige Shawn Colvin-lezing van “Wild Horses” van de Stones, Jill Andrews’ fijne bijdrage aan Bob McDills meervoudige hit “Come Early Mornin’”, Doug Seegers’ ronduit zalige romp doorheen z’n eigen “Take The Hand Of Jesus” en het afsluitende “Angel From Montgomery”, met een gedeelde hoofdrol voor Brandi Carlile en die van The Lone Bellow?

Elke rechtgeaarde liefhebber van country en Americana zal het wellicht met me eens zijn, als ik stel, dat het niet bij dit ene volume van de Cayamo Sessions hoeft te blijven. Het tegendeel zou me alvast flink verbazen.

Buddy Miller, New West Records

 

BEN ARNOLD “Lost Keys” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Mocht ik de voorbije dagen voor elke nieuwe luisterbeurt van ’s mans verse worp een biljetje van vijf euro voor Ben Arnold opzij hebben gelegd, hij zou met het inmiddels vergaarde potje verdorie al een flinke stap in de wereld kunnen zetten. Het begint voorwaar een beetje op een verslaving te lijken… Tien nummers lang betokkelt de songsmid hier wat mij betreft steeds weer de juiste snaar. Zo catchy! Niet normaal meer!

Zelf heeft Arnold het in verband met “Lost Keys” over een hommage aan de gouden jaren van Motown, Stax, Philly soul en doo wop. Geen wonder dan ook, dat het er bijna doorlopend heel erg soulvol aan toe gaat. En da’s, zoals al eerder aangegeven, wel spek naar onze bek. Van het zalige, vier minuten lang het beste van The Boss aan Motown en Philly koppelende “Stupid Love” over het op z’n Joe Cockers funkende “Cannonball” of de Memphis style blue-eyed soul van “Don’t Wanna Lose Ya” tot het in al z’n ingetogenheid heel even Randy Newman oproepende “Nobody Hurtin’ Like Me”, van het heerlijk energieke R&B-opstootje “Detroit City” over de fijne soul pop van “One Heart” en ballad “Forbidden Drive” tot het de feestelijkheden zo ongeveer op z’n Hall & Oates afsluitende afsluitende “When Love Fades Away”, ’t is hier echt ruim veertig minuten lang volle bak genieten geblazen!

Persoonlijk zou ik in verband met “Lost Keys” zelfs durven te spreken van Arnolds allerbeste plaat so far. En dat wil in zijn geval echt al wel wat zeggen! Voorgangers “Soar”, “Almost Speechless” (Heerlijke plaat ook!), “In Case I’m Gone Tomorrow”, “Calico”, “Solo”, “Never Mind My Blues” en “Simplify” waren immers ook al allesbehalve kneusjes. En ook zijn werk bij groepen als 4 Way Street en US Rails stelde eigenlijk nog nooit teleur. Vooral je voordeel mee doen dus, da’s de voor één keer bijna dwingende boodschap!

Ben Arnold, Blue Rose Records

 

CAROLINE AIKEN “Broken Wings Heal” (Caroline Aiken)        

(3,5****)

Nog net geen vijftig stuks prijken er op de carrièrejarenteller van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Caroline Aiken, maar wat een lange weg heeft ze sinds 1968 toch al afgelegd. Hoogst eigenaardig eigenlijk, dat ze hier nog niet meer bekendheid geniet. Aan haar songs, haar stem en haar gitaarspel zal het alleszins niet gelegen hebben! Die rechtvaardigen immers zonder uitzondering een flink uitgebreide schare aan fans.

Maar goed, in afwachting daarvan doen wij hier toch gewoon nog net even wat flinker ons best om Aiken onder die wat ruimere aandacht te krijgen. Met een bespreking van haar nieuwe cd bijvoorbeeld al. “Broken Wings Heal” heet die en ze bevat twaalf erg fraaie progressive folk & roots songs American style. Tien van eigen hand en een tweetal interpretaties van materiaal van anderen. Onder titelnummer “Broken Wings Heal” prijken zo de namen van Boo Ray en Steve Ferrone en het z’n titel en passant echt alle eer aandoende “Fragile” kent u misschien al wel in de uitvoering van de hier ook op handen gedragen Ralston Bowles.

Voorts uitsluitend nog eigen materiaal. We noemen hier in dat kader onder meer nog de mooie pianoballades “Hello Cruel World” en “Everything Can Change”, het ook al heel erg rustig uitgevallen “Saving Grace”, het ongemeen groovy, heel even de Bonnie Raitt in Aiken van haar kettingen latende “Cry Wolf”, het door Ike Stubblefield B3-gewijs op sleeptouw genomen bluesy kleinood “Razor Wire” en de fraaie folk pop van “Mission Of Angels”.

Liedjes van dat kaliber zullen mits voldoende aandacht ervoor ongetwijfeld heel erg in de smaak vallen bij liefhebbers van het materiaal van dames als een Dar Williams, een Shawn Colvin of de hoger al even genoemde Bonnie Raitt. Medeverantwoordelijk daarvoor zijn onder meer producer-multi-instrumentalist John Keane en bekende gasten als Indigo Girl Emily Saliers, Randall Bramblett en Michelle Malone.

Caroline Aiken

 

WEST OF EDEN “Look To The West” (West Of Music)

(4****)

Met “Look To The West” leveren die van het Zweedse zesmanschap West Of Eden andermaal een dijk van een album af. Hun negende ondertussen al. En sleet zit er op hun beproefde formule so far alleszins niet. Het blijft wat mij betreft een heus voorrecht om te mogen luisteren naar het wonderlijke samengaan van de engelachtige stem van frontvrouwe Jenny Schaub (zang en accordeon) en het vakmanschap van haar collega’s Lars Broman (viool, altviool en backing vocals), Martin Holmlund (double bass, elektrische bas en backing vocals), Ola Karlevo (bodhrán, drums, percussie en backing vocals), Henning Sernhede (elektrische en akoestische gitaren en mandoline) en Martin Schaub (zang, akoestische en tenorgitaren, mandoline, dobro, piano, harmonium en celesta).

De zes uit Göteborg buigen zich ditmaal dertien nummers lang over een historisch gegeven dat hun nauw aan het hart ligt. Met name de gigantische emigratiegolf die aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vele duizenden Zweden richting een hoopvollere toekomst in Amerika zag vertrekken. Met uiteraard alle gevolgen van dien. Grote gevoelens zat alleszins voor een uitermate fraaie set aan liedjes. Liedjes, die naar goede West Of Eden-gewoonte ook nu weer redelijk nauw aansluiten bij de Keltische folktraditie. Iets wat het zestal in het verleden terecht al zo menig een pluim vanuit die hoek opleverde.

En dat lot zal allicht ook “Look To The West” wel weer beschoren gaan zijn. Met ware songschoonheden als de nadrukkelijk aan de stem van nachtegaaltje Schaub opgehangen ballad “Going To Hull”, het net wat speelser opgevatte en door Martin Schaub gezongen “Rainy Town”, het uit pure weemoed opgetrokken “Oh, I Miss My Home”, het lekker wegrockende “Wilson Line”, het met opvallende gasten Karla-Therese en Christian Kjellvander gedeelde “Sweet Old Country” en vele andere zou dat alleszins niet meer dan logisch zijn. Onthoudt u dit album dan ook maar als een echte aanrader!

West Of Eden

 

BIANCA DE LEON “Love, Guns & Money” (Lonesome Highway Music)

(4****)

Er zijn zo van die dingen waarmee u ons altijd wel even lastig mag komen vallen. Dingen als een nieuwe cd van de “queen of the border ballad” bijvoorbeeld. Van wie, vroeg u? Van de “queen of the border ballad”! Van Bianca DeLeon! De Texaanse liedjesschrijfster waarover de legendarische Guy Clark jaren geleden al orakelde “A voice from Texas that does it right!” En zo is het wat ons betreft maar net!

Met “Love, Guns & Money” is DeLeon inmiddels al aan haar vierde album toe. En net als op de voorgangers ervan overtuigt ze ook op die nieuwe weer volop. In de voetsporen van collega’s als Willie Nelson, Townes Van Zandt, Tom Russell, de al genoemde Guy Clark en anderen verkent ze tien nummers lang het grensgebied tussen haar thuisstaat en Mexico. En dat levert in het gezelschap van begenadigde medereizigers als een John Inman (gitaren), Stuart Adamson (akoestische gitaar), Radoslav Lorkovic (piano, B3 en accordeon), The East Side Flash (resophonic), Paul Pearcy (drums en percussie) en nog wat anderen ook nu weer flink wat muzikale hoogstandjes op.

Van het voorwaar even op een rock vibe surfende “Independence Day” over het lentefrisse rootspop-opstootje “I Sang Patsy Cline (The Night Noriega Fell)” tot border ballad (A ja, he!) “Buscando Por Ti”, van de twangy honky-tonker “Guns & Money” over het zich walsgewijs traag een weg over een hardhouten dansvloer banende “Stale Wine And Roses” tot de “tranen in je biertje” van “The Bottle’s On The Table”, van de sfeervolle Americana van “This Time” en “Garden In The Sun” over het zachtjes, bijna bedeesd voorbij schuifelende “Silence Speaks Louder Than Words” tot de afsluitende medley van “Nothin’” van wijlen Townes Van Zandt en Hank Williams’ “Ramblin’ Man” en de op de valreep nog als bonus track aan het geheel toegevoegde radio cut van “I Sang Patsy Cline”, wij kunnen ons hier probleemloos overal in vinden.

Love it!

Bianca DeLeon

 

JOS HOL “Windvogel” (Jos Hol Music)

(3,5****)

In 2014 schreef de vanuit Nederlands Limburg al een poosje aan de weg timmerende Jos Hol muziek voor de door Annechien de Vocht geregisseerde toneelvoorstelling “Windvogel” van Toneelgroep Maastricht. De hoofdrol in dat stuk werd indertijd vertolkt door Marie-Louise Stheins. En dat was ergens maar logisch ook, aangezien “Windvogel” zich boog over het aangrijpende levensverhaal van een tante van haar, die ruim vijftig jaar in de psychiatrie had gezeten. Een gegeven dat op zijn beurt ook al de voor ons toch wel enigszins eigenaardig aandoende titel van het stuk en van Hols nieuwe cd verklaart. “Een windvogel hebben” betekent in ‘s mans dialect immers zoveel als “ze niet allemaal op een rijtje hebben”.

Hol nam z’n nieuwe album, de opvolger van het in 2011 verschenen dialectgeheel “Verlange”, op in de gerenommeerde studio Wild Verband in Boxmeer. In een productie van duiveltje-doet-al BJ Baartmans en begeleid door diezelfde snarenvirtuoos en verder ook Mike Roelofs (toetsen en percussie), Sjoerd van Bommel (percussie) en Emil Szarkowicz (viool en klarinet) gaat hij ditmaal z’n gang in standaard-Nederlands. Die talen-switch werd hem naar eigen zeggen ingegeven door de vaststelling dat het leeuwendeel van z’n albums buiten Limburg werd gesleten. En je zou het dan ook een logische reactie kunnen noemen.

Ons doet Hol met name door z’n omfloerste manier van zingen een beetje denken aan Frank Boeijen. En net als deze laatste en collegae als de onlangs overleden Zjef Vanuytsel, Wim de Craene, Stef Bos, Boudewijn de Groot en z’n producer BJ Baartmans grossiert Hol op “Windvogel” ook in liedjes voor de eeuwigheid. Deuntjes waarvoor hier ooit zonder nadenken de term kleinkunst uit de kast zou zijn gehaald. Songs die aan het leven zelf een dankbare inspiratiebron hebben. Poëtische kleinoden die graag in de eigen leefwereld mogen grasduinen, niet zelden opgehangen aan (grote) gevoelens.

Enkele luistertips: het door Roelofs van erg fijn toetsenwerk voorziene “In Je Schoot”, het inhoudelijk aan een eigen jeugddroom refererende “De Droom”, titelnummer “Windvogel” en vooral ook “De Rivier”, een werkelijk onwaarschijnlijk mooie ballade waarin Hol zich graag laat meeslepen door de liefde.

Wat ons betreft ontegensprekelijk een aanradertje, dit geheel!

Jos Hol

 

DORI FREEMAN “Dori Freeman” (Free Dirt Records / Music & Words)      

(4****)

Het verhaal achter deze plaat leest bij nader inzicht weg als een soort van modern sprookje. Anders kunnen we het amper omschrijven. Het was immers via Facebook dat Teddy Thompson – u weet wel de zoon van Richard en Linda – debutante Dori Freeman leerde kennen. En louter op basis van wat hij via die weg over haar stem en liedjes te weten kwam, bood hij haar meteen aan om haar eersteling te produceren. Iets waar Freeman uiteraard niet weigerachtig tegenover stond. Hoe zou u zelf zijn, he?

En dus mogen we ons hier en nu buigen over de door die Thompson richting een veilige haven geloodste, ijzersterke maiden release van de youngster uit het kleine Appalachenstadje Galax in Virginia. Een plaat waarop ze bij ons tien nummers lang herinneringen aan good old Loretta Lynn wist op te roepen. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat Freeman zich wat betreft haar muzikale voorkeuren lang niet zo gemakkelijk in één enkel hokje laat wringen als die Lynn. De term Americana blijkt op zo’n moment maar weer eens erg handig. Die zegt immers alles en toch ook niks. Die vindt het goed als het ene moment richting country gezeild wordt, het andere richting rootsy pop. Die kan het wel hebben als er links of rechts wat jazz-invloeden opduiken, of als Freemans Appalachen-afkomst gaat opspelen. Het maakt van “Dori Freeman” alleszins een voor een behoorlijk ruim publiek geschikt geheel. Een plaat die zich lang niet enkel aan de fans van de al genoemde Loretta Lynn laat aanbevelen, maar bijvoorbeeld ook aan eenieder die graag een oor te luister mag leggen bij madammen als een Lucinda Williams, een Iris DeMent, een Emmylou Harris, een Norah Jones of een Gillian Welch.

Bij wijze van introductie stellen we u graag enkele luisterbeurten naar het volgende viertal voor. Eerste halte: de erg Emmylou-esk aandoende schuifelcountry van “Song For Paul”. Volgende stop: de ook al erg fraaie trage “Where I Stood”. Dan spoorslags richting het eerder traditioneel uitgevallen “Go On Lovin’”. Country op maat van elke traditionalist met het hart op de juiste plaats, zo lijkt ons. En tenslotte moest u bij wijze van afwisseling zeker ook maar even het met wat pop- en rockgevoel opgewaardeerde “Tell Me” aandoen. Dat laatste deuntje zouden we hier tot op zekere hoogte zelfs hitgevoelig durven te noemen.

Teddy Thompson wist als u het ons vraagt echt wel verdomd goed waar hij aan begon…

Dori Freeman

 

MATTY CHARLES & KATIE ROSE “Catching Arrows” (1906 Records / Lucky Dice)

(5*****)

Speciaal voor allen die op tijd en stond nood hebben aan wat pure muzikale schoonheid in hun leven is er nu “Catching Arrows”, de nieuwe van het duo Matty Charles en Katie Rose. Iets meer dan drieënveertig minuten en twaalf nummers lang zingt dat tweetal daarop echt de sterren van de hemel naar beneden. Heerlijk gewoon, hoe hun stemmen elkaar song na song ongegeneerd in de armen blijven vallen en knuffelen tot de daad erop volgt. Het is lang niet het enige wat hier volop doet terugdenken aan de hoogdagen van countrydroomkoppel Johnny en June. Ook Valentine’s liedgoed is immers vaak van die aard dat een vergelijking met acts als wijlen de Man in Black, Hank Williams en andere grootheden zich zomaar aan je opdringt.

Ergens tussen Americana, folk en country vonden Charles en Rose ondertussen ruim drie jaar geleden hun eigen niche en, man, wat is het daar fijn toeven! Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de met een bescheiden snuif Everly-stemmenmagie opgewaardeerde klassieke countryschuifelaar “One Hundred Years”, naar de van het verlangen bol staande bedaarde Americana van “What I Want”, naar het daar perfect bij aansluitende “Julia”, naar “Maryanne”, nog zo’n fraaie meidensong, of het zachtjes twangende “Where They’re Gonna Bury Me” en er is gegarandeerd ook voor jou geen weg meer terug!

Wij gaan hier alvast op zoek naar een gepast stekje tussen de echt grote platen in onze uitgebreide collectie. Daartussen hoort de instant-klassieker “Catching Arrows” ons inziens immers ontegensprekelijk thuis!

Matty Charles en Katie Rose treden op 18 februari aanstaande op in CC de Breughel in Bree.

Matty Charles & Katie Rose, Lucky Dice Music

 

THEO SIEBEN “Delphinidin” (Highwind Howl Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Delphinidin” is na “Until Grass” uit 2011 en “Invite To Dance” van goed en wel een jaar later al de derde soloplaat van Nederlander Theo Sieben. En omdat dat een bij momenten nogal op de blues geïnspireerde schijf geworden is, noemde hij ze maar “Delphinidin”. Da’s immers het pigment dat zorgt voor de blauwe kleur in sommige bloemen of de donkere tint van rode wijnen. Weet u dat meteen ook weer. Mocht het u al interesseren natuurlijk…

Dat u geïnteresseerd bent in prima nieuwe muziek daar twijfelen we hier daarentegen al lang niet meer aan. En daarvoor zit u bij de in het verleden onder meer als gitarist voor acts als Henny Vrienten, Jelle Paulusma en Ellen Ten Damme actief geweest zijnde Sieben nadrukkelijk goed. “Delphinidin” blijkt immers een ronduit uitstekend countrybluesalbum, opvallend zowel door z’n ijzersterke songs als door het op de keper beschouwd behoorlijk toegankelijke karakter daarvan. Sterke verhalen gekoppeld aan dito instrumentale bevliegingen doen je als luisteraar regelmatig denken aan het werk van vergelijkbare kleppers als een Rainer Ptacek en een Ry Cooder.

Hét opvallendste nummer van de twaalf hier gebrachte is allicht de fascinerende murder ballad “The Killing Of Dimebag”. Daarin vertelt Sieben op indringende wijze het verhaal van de moord op Dimebag Darrel, de gitarist van de gerenommeerde metal act Pantera. Andere veritabele song beauties hier zijn wat ons betreft zeker ook het met de neus nadrukkelijk richting New Orleans gebrachte en vandaag de dag misschien wel actueler dan ooit zijnde “Jesus Is A Mighty Good Leader” – Met echt heerlijk ondersteunend koperwerk van Joost Belinfante, Sybren van Doesum en Allard Robert! – en het bedaarde “Make A Joyful Noise”. Om nog maar te zwijgen van dingen als het onwaarschijnlijk sfeervolle duo “Synchronicity Blues” en “Science Blues” en het afsluitende “(My Personal) Immigration Blues”.

Voor onze Nederlandse lezers: op zondag 6 maart aanstaande is er een release party voor “Delphinidin” voorzien in de KHL in Amsterdam.

Theo Sieben

 

FAY HIELD & THE HURRICANE PARTY “Old Adam” (Soundpost Records)

(5*****)       

Een enkele maanden geleden verschenen vier tracks tellend EPtje deed ons echt reikhalzend uitkijken naar de nieuwe worp van Fay Hield. Met “Green Gravel”, “Willow Glen” en “Raggle Taggle Gypsy” blikte de sterke vrouw achter The Full English daarop als het ware vooruit op haar nu voorliggende derde langspeler. En geloof ons vrij: die gaat hoge folktoppen scheren! Veel hogere nog dan haar al met BBC Radio 2 Folk Awards overladen eerste twee soloplaten “Looking Glass” uit 2010 en “Orfeo” van twee jaar later.

Maar Hield wordt hier dan ook bijgestaan door enkele van de allerbeste folkmuzikanten van het moment. Om te beginnen het voor de gelegenheid haar band The Hurricane Party bevolkende vijftal Sam Sweeney (fiddle), Rob Harbron (concertina), Roger Wilson (gitaar en fiddle), Ben Nicholls (bas) en Toby Kearney (percussie). En dan hadden we het nog niet over special guests als haar levenspartner Jon Boden (gitaar en fiddle) en gitaarvirtuoos Martin Simpson. Voor de productie van “Old Adam” tekende op zijn beurt autoriteit Andy Bell.

De veertien tracks van het album bestrijken met name in temporeel opzicht aardig wat terrein. Van een vanuit de zeventiende eeuw opgediept kleinood als “The Hag In The Beck” tot een stuk eigentijdser spul als de Tom Waits-vertolking “The Briar And The Rose”, tussen die beide tijdspolen kan hier echt ongelooflijk veel. En dat op een voorwaar sexy manier ook. Wat we daarmee bedoelen, is dat Hield en haar begeleiders met hun heel erg open aanpak folk ook aantrekkelijk maken voor nieuwe generaties. Zonder daartoe hun roots te moeten verloochenen sleuren ze het genre mee de toekomst tegemoet.

Een lenige stem als Hield ter beschikking hebben helpt daarbij natuurlijk ontzettend. Maar ook de songkeuze van haar en haar levensgezel Jon Boden draagt zeker het nodige bij tot het welslagen van hun missie. Vaak gaat het daarbij om geadapteerd spul van anderen. Vooral wat betreft het tekstmateriaal dan. Onder de deuntjes prijken wel meermaals de namen van Hield en Boden zelf.

Onze luistertips: de hier al van het hoger aangestipte EPtje bekende playground song “Green Gravel”, het uitermate speels gebrachte “Raggle Taggle Gypsy”, het ook tekstueel ijzersterke titelnummer “Old Adam” en het op schrijfselen van Rudyard Kipling gebaseerde en van een ronduit zalig basmotiefje profiterende “Anchor Song”. Echt meesterlijk spul!

Fay Hield & The Hurricane Party

 

SERGE EPSKAMP “Little Ships In Open G” (Serge Epskamp)

(3,5****)

Het kan verkeren… De grote Bredero wist het al en de jonge Nederlander Serge Epskamp nu ongetwijfeld ook. In een poging om zich één van z’n eigen favoriete liedjes, het nummer “Prayer In Open D”, u ongetwijfeld ook wel bekend van Emmylou Harris’ “Cowgirl’s Prayer”, eigen te maken, kwam hij tot de vaststelling, dat hij z’n gitaar ook anders kon stemmen. Uiteindelijk belandde hij zo in open G. En die handeling zou al snel leiden tot acht nieuwe songs in open G. Zo weet u meteen, waar de tweede helft van de titel van Epskamps nieuwe plaat vandaan komt. Met de eerste helft ervan verwijst hij dan weer naar z’n eigen opvatting over liedjes. Die beschouwt hij immers als door hem de wijde wereld in gestuurde bootjes.

Bootjes met in dit geval aan boord tekstueel gemijmer over zowel persoonlijke als meer universele hete hangijzers. Epskamp zelf daarover: “De nummers gaan over de liefde, over ingebeelde angst dat iemand je verlaat, over de verwondering dat iemand bij je blijft, over de schoonheid van de natuur en de vraag waarom we zo onvoorzichtig met de wereld omgaan, over een ontmoeting met thee en koffie, over het besef dat als je klimt, je uiteindelijk ook weer daalt of valt, maar dat je daar niet bang voor hoeft te zijn.”

En in mijn haventje mag Epskamp met al dat moois de komende weken alvast graag aanleggen. Mij persoonlijk doet hij immers een beetje denken aan knapen als een Jackson Browne, een James Taylor en een Jim Croce. Zowel wat betreft zijn manier van zingen als wat betreft zijn muzikale aanpak that is. Het doet allemaal best wel een beetje seventies-georiënteerd aan. En dat vind ik alvast geen nadeel. Zo menig een geweldige songwriter legde precies in die periode immers de basis voor een interessante carrière. Epskamp overtuigt wat mij betreft volop met muziekjes die doorgaans net iets meer naar rootsy pop dan naar Americana overhellen.

Benieuwd wat de toekomst voor deze knaap nog allemaal in petto houdt! Want zoveel is als u het mij vraagt nu al zeker, dit is allemaal nog maar het begin van iets heel moois…

Serge Epskamp

 

TRACTOR JERRY AND THE MUD BUCKET “Tractor Jerry And The Mud Bucket” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

U heeft het wel voor acts als Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys, de Foghorn Stringband, de Avett Brothers en Uncle Tupelo zaliger? Wel, dan is de kans vrij groot, dat u ook Tractor Jerry en z’n Mud Bucket ogenblikkelijk stevig aan de borst zal drukken eens u hen de kans geeft om zich aan u voor te stellen. Met hun titelloos visitekaartje bijvoorbeeld al.

Op dat twaalf songeenheden herbergend geheel etaleren frontman Jerry (zang en gitaar) en kompanen Matt Underhill (mandoline), Tony Kirchner (drums en zang), Mark Rast (banjo), James Lipka (pedal steel), Mike Bitts (staande bas) en Elena Menaquale (zang) net als de hoger opgesomde acts dat je met op een aan old time stringband music verwant repertoire mits op de juiste manier gebracht ook anno nu best wel op jongere hoofden en benen mikken kan en mag. Ruim drieënveertig minuten lang spat de joie de vivre er royaal van af. Je krijgt als luisteraar hoegenaamd geen moment de kans om je te gaan vervelen. En dat alleen al is an sich lovenswaardig.

Een voor het gebrachte genre net wat te ruwe stem en een al even gritty benadering van instrumenten als de banjo en de mandoline zorgen er mee voor dat de muziek van Tractor Jerry en de zijnen qua attitude tot aardig dicht in de buurt van die van zo menig een alternatieve rock act afdwaalt. Roots met een ruig randje, zoiets. Alternatieve country met een fors stel kloten eronder, dat alleszins. En als dusdanig als het ware voorbestemd om vroeg of laat ook op podia hier te lande te belanden, zoals zo menig een vergelijkbare Amerikaanse act eerder al.

Maar overtuigt u zich daarvan vooral even zelf! Dat kan bijvoorbeeld uitstekend met het over een zware baslijn en hyperkinetisch gepingel op gitaar en banjo gedropte “Momma Needs Her Medicine” of het ook al superaanstekelijke tweetal “Bathtub Gin” en “Old Man Nickel’s Daughter”. Of voor wie het allemaal graag net wat rustiger heeft met het eerder gezapig voortkabbelende “Jeanie Lee” of de “valse trage” “We Part”.

Wij noteren Tractor Jerry en de zijnen nu alvast al als één van onze aangenamere nieuwe ontdekkingen van 2016!

Tractor Jerry, CD Baby (Hier kan je het album voor nog geen acht dollar netten!)

 

THE ROBERT BOBBY DUO “Folk Art” (I Like Mike)

(4****)

Tijdens één van m’n vele zwerftochten langsheen het wereldwijde web stootte ik onlangs eerder toevallig op “Folk Art”, de nieuwe van het Robert Bobby Duo. En dat deed er me meteen weer aan denken, hoe goed ik die man eigenlijk altijd al gevonden heb. Als hij zichzelf presenteert als “Like John Prine only cheaper!” dan is daar eigenlijk gewoon geen woord van gelogen. Net als die Prine weet immers ook Bobby wel z’n weg met woorden. En net als onze favoriete songsmid überhaupt weet ook hij altijd weer moeiteloos een brug te slaan tussen een lach en een traan. Iets wat in het grensgebied tussen folk, Americana en blues dezer dagen in onze ogen zeker geen nadeel is.

Daarbij bijgestaan door zijn vrouw, de enigmatische Mrs. Bobby, op bas en een handvol anderen op onder meer diverse gitaren, banjo, dobro en pedal steel waadt Robert Bobby op “Folk Art” doorheen een elftal nummers. Zeven eigen songs meer bepaald en met een flinke snuif folk op smaak gebrachte covers van “I Wish It Would Rain” van soulgrootheden The Temptations, “Blue Chevrolet” van The Beat Farmers, “Too Much Time” van Captain Beefheart & The Magic Band en het ons voorheen enkel in de uitvoering van Fraser & DeBolt bekende “Dance Hall Girls”.

En gelijk vanaf openingsnummer “Constantly Tweaking” weet je ook nu weer meteen, dat je bij Robert Bobby ook anno 2016 als vanouds aan een rondje fijn muzikaal vertier toe bent. Hoe hij met de tong diep in de wang geplant een baby op kritische wijze z’n eerste indrukken van de wereld om zich heen laat verwoorden, was hier gelijk weer goed voor een kamerbrede smile. Eén van de vele hoogtepunten op het akoestische pareltje dat “Folk Art” op de keper beschouwd weer is. “God Couldn’t Wait”, “Ted Williams”, “Mason Dixon Line”, “My Baby Loves Her Man”, “Fine As Wine”, “Whatever I Fell For You”, u zegt het maar… Zelfs één enkel minder momentje zal u hier zelfs gewapend met een krachtig vergrootglas vergeefs zoeken…

Robert Bobby

 

ANNA LAUBE “Anna Laube” (Anna Laube / Ahhh… Pockets!)

(5*****)

Hierover hoef ik dus echt niet lang te denken, zie! Als ik straks weer het lijstje met mijn maandelijkse bijdrage aan de Euro Americana Chart zal moeten klaarstomen, dan zal deze plaat daar zeker niet op ontbreken. Ik denk, dat ik een beetje verliefd ben! Niet dat mijn echtgenote zich nu zorgen moet beginnen te maken of zo, dat niet… Ik heb het gewoon zwaar te pakken voor de stem van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Anna Elizabeth Laube. Doet me een heel klein beetje denken aan die van Norah Jones. En zeg nu zelf, dat kan je toch bezwaarlijk een nadeel noemen…

Laube, die in haar jonge jaren nog hobo studeerde aan de Académie de Musique Grétry hier wat verderop in Luik, overtuigt op haar naar zichzelf vernoemde derde studioplaat echt wel volop met tien behoorlijk wat folk-pop- en Americana-terrein bestrijkende liedjes. Acht daarvan blijken bij nader inzicht eigen composities. Nummers negen en tien zijn een door Laube volledig naar zich toegetrokken en tot “Sugarcane” herdoopte versie van de traditional “Cocaine Blues” en een onwaarschijnlijk mooie lezing van het ook al klassieke “Satisfied Mind”, waarmee ze quasi terloops ergens in de buurt van de Cowboy Junkies in hun beste dagen weet te stranden. Meteen ook één van de mooiste momenten überhaupt op “Anna Laube”.

Andere absoluut niet te versmaden songdelicatessen hier: het de feestelijkheden al schuifelend voor geopend verklarende, eerder bedaarde rootspopschoonheidje “Already There”, het extreem zomers aandoende, zich van de lekkernij uit z’n titel als surrogaat voor een gemiste beminde bedienende “Chocolate Chip Banana Cupcakes”, de catchy indie pop van het z’n mosterd onder meer in New Orleans halende “The Bike Song”, het op een heel erg toegankelijke manier bluesy aandoende “Oh My! (Oh Me Oh Me Oh My)”, de mooie country ballad “This One’s For You”, de ook al onmiddellijk aansprekende lentefrisse Americana van “Sweet Boy From Minnesota”, het net dat tikkeltje ruwere, ook titelgewijs amper nog iets aan de verbeelding overlatende bluesje “You Ain’t Worth My Time Anymore” en het afsluitende, door Laube en co voorzichtig met wat country-soulgevoel besprenkelde “Green”. That’s right! Het hele zwik inderdaad! En wat mij betreft krijgt deze plaat dan ook gewoon een dik verdiende tien op tien. Doe er vooral ook je voordeel mee, zou ik zo zeggen.

Anna Laube, CD Baby

 

AND THE GOLDEN CHOIR “Another Half Life” (Cargo Records)

(3,5****)

De kans is vrij groot, dat u deze Tobias Siebert al kent. Van “ergens”… De beste man is met “Another Half Life” immers al lang niet meer aan z’n proefstuk toe. Alleen mag hij zich bij het maken van z’n platen nogal graag bedienen van diverse alter ego’s en dat maakt het er natuurlijk niet gemakkelijker op om naam te maken. Iets wat hem vermomd als And The Golden Choir naar onze bescheiden mening nochtans vrij simpel zou moeten kunnen lukken. Wat de multi-getalenteerde jonge Duitser op die nieuwe schijf brengt, bulkt als het ware van de commerciële potentie. En dat ondanks een nadrukkelijke indie-aanpak.

Stemgewijs herinnert Siebert ons op dat fraaie songtwaalftal beurtelings aan Antony Hegarty van Antony And The Johnsons, Tom Chaplin van Keane en onze eigenste Jasper Steverlinck van Arid. Hij is dus met andere woorden allesbehalve bang om het op heel erg ijle stemhoogten te gaan zoeken. Een gegeven dat hem naar ons gevoel enorm helpt bij het uitdiepen van zijn liedjes. De emotionele kracht die daarvan uitgaat is alvast groot.

En behoorlijk apart valt ook de instrumentatie uit. We overlopen ze hier bij wijze van illustratie van die stelling gewoon even met je: drums en percussie, gitaren, bas, piano, Rhodes, synths, harp, autoharp, harmonium, waldzither, santur, glockenspiel, viool, marimba’s, draaitafels,… Zonder uitzondering gesigneerd Tobias Siebert!

Onze lievelingsgangen van dit uitgebreide vooruitstrevende popmenu: het na een eerder verstilde intro fraai doorheen het gekozen indie-poplandschap meanderende “My Brothers Home”, het op de één of andere manier bepaald radiovriendelijk uitvallende en ons echt wel een beetje aan het hoger al eens genoemde Keane herinnerende “New Daily Dose” en de fraaie emo ballad “Choose To Lose”. Dat soort van liedjes wil je als liefhebber graag dagdagelijks in de ether!

And The Golden Choir

 

AMELIA WHITE “Home Sweet Hotel” (White-Wolf Records)

(4,5*****)

Zo ongeveer elke singer-songwriter zal het je kunnen vertellen: leven uit een koffer, het heeft lang niet enkel mooie kantjes. Probeer bijvoorbeeld maar eens een normaal liefdes- of gezinsleven te leiden als je over grote delen van het jaar onderweg bent. Vanzelfsprekend is het zelfs vandaag de dag nog altijd niet. Daaraan kunnen zelfs de meest geavanceerde sociale media amper iets verhelpen.

En als je, zoals Amelia White, beroepshalve zowat getrouwd bent met het leven on the road, dan heb je dan ook uit de eerste hand alle info die je nodig hebt om dat onderwerp te kunnen aankaarten op een album volledig gewijd eraan. Want dat is “Home Sweet Hotel” dus. Een door de je onder meer van Robert Plants Band Of Joy bekende Marco Giovino geproduceerde moody lap Americana geconcipieerd als een uiteenzetting over het conflict tussen enerzijds de verleidingen, anderzijds de valkuilen van een leven onderweg. De strijd tussen het volgen van een passie, het constant op zoek zijn naar avontuur en het daarmee regelmatig gepaard gaande hartzeer.

Een hoogst fascinerend uitgangspunt wat ons inziens ook leidt tot White’s allerbeste plaat tot op heden. En dan moet u weten, dat we voorganger “Old Postcard” uit 2014 ook al een ronduit geweldige schijf vonden. Met haar achtste zet Amelia White wat ons betreft eindelijk haar beide voeten naast die van Lucinda Williams. Concreet betekent dat: intelligente teksten à volonté hier, evenals perfect uitgevoerde verkenningen van het grensgebied tussen folk rock en Americana. En dan hebben we het bewust nog niet over de evidente stemgelijkenis gehad.

Sterkste momenten van het tien songs tellende “Home Sweet Hotel” zijn naar onze bescheiden mening de volgende drie liedjes. Te beginnen met het zwaar melancholische “Rainbow Over The East-Side”, een knap eerbetoon aan haar huidige wahlheimat East Nashville, dat met de passage “Sleeplessness and miles pile on the soul, it can bring you down, or it can bring you ‘round,” gelijk zowat de essentie van het geheel in zich draagt. En al even boeiend vonden wij hier het bedaard een eindje voor zich uit rockende titelnummer en vooral ook het enigszins bluesy aandoende “Dogs Bark”, waarin White met een gemene grijns om de mondhoeken rake klappen uitdeelt aan het adres van allen die teveel te menen moeten praten over anderen.

Amelia White

 

KATE CAMPBELL “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” (Large River Music)

(3,5****)

Voor u zich het hoofd over die afkorting gaat beginnen breken: “K.o.A.” staat eenvoudigweg voor “Kate on America”. Een verzameling liedjes waarvoor huisfavorietje Kate Campbell de basic tracks opnam op haar eigen iPhone 5 met verder als enig ander technisch hulpmiddel af en toe een tweetal microfoons. Dat gebeurde met wat hulp van de veelgeprezen David Henry gewoon in haar eigen living en op andere onverwachte locaties doorheen de States. Om maar te zeggen dat “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” een behoorlijk spontaan uitgevallen aangelegenheid zijn. Maar daarom zeker niet minder mooi!

Campbell zelf zong uiteraard en leverde verder ook bijdragen op gitaar en Wurlitzer, gasten Missy Raines (staande bas en harmony vocals), Laura Boosinger (banjo), Steve Smith (mandoline en harmony vocals), Joey Miskulin (accordeon), Spooner Oldham (Hammond B-3 en glockenspiel), Sally Van Meter (dobro), John Kirk (fiddle) en Ben Surratt (tamboerijn) deden de rest. Met als resultaat net geen vijftig minuten heerlijk pretentieloos rootsvermaak. Opgehangen rond voor de US of A op de één of andere manier behoorlijk kenmerkende bekende deuntjes als Paul Simons “America”, Richard Thompsons “From Galway To Graceland”, Kris Kristoffersons “Me And Bobby McGee”, de traditional “I Am A Pilgrim” en “Freebird” van Lynyrd Skynyrd en andere en aangevuld met wat eigen materiaal.

Niet Campbells sterkste plaat, dat zeker niet, daarvoor leverde ze in het verleden al net iets te vaak echte meesterwerkjes af, maar wel andermaal een alleraardigst potje Americana-luistervoer.

Kate Campbell

 

CHRIS LATERZO “West Coast Sound” (Yampa Records)

(4****)

De vanuit L.A. actieve Chris Laterzo is met “West Coast Sound” ondertussen al aan z’n vijfde cd toe. En ik moet zeggen, dat ik het persoonlijk met afstand zijn beste vind. Ik hield sowieso al heel erg van ’s mans zwaar aan die van Neil Young verwante stem, maar ditmaal klopt wat mij betreft voor het eerst echt alles.

De acht nummers op “West Coast Sound” zijn zonder uitzondering erg fraai te noemen. Zo ongeveer van het mooiste wat je op het kruispunt tussen rock, folk en alternatieve country overkomen kan. Met dank ook aan coproducer Jeff LeGore en vooral ook Laterzo’s live band Buffalo Robe. En aan een hele batterij aan gastmuzikanten, waaronder Bret Jensen, John Bird, Paul Inman, Rami Jaffee, Jesse Greene, Rachel Dean, Jen Gibbons, Devon Rowland, Justin Smith en Denny Weston, Jr. Met z’n allen tekenden zij voor wat wij van hieruit graag als een heuse glansprestatie zouden willen omschrijven.

Titelnummer “West Coast Sound” is daarbij als eerste uit de startblokken. En dat blijkt meteen al een zalige melodieuze trage countryrocker, waaraan met name fans van de hoger al eens even genoemde Neil Young het nodige plezier zullen beleven, maar zeker zij niet alleen! “Tumbleweed”, een liedje over onderweg zijn, over gaan waarheen de wind je meeneemt, over het leven on the road kortom, legt de nadruk vervolgens nog net wat meer op country en Americana. Iets wat over wel meer nummers hier gezegd mag worden trouwens. Zoals bijvoorbeeld ook al over het melancholisch getinte “Drag” in het kielzog daarvan.

Vervolgens zijn er achtereenvolgens nog de echt wel onwaarschijnlijk mooie sleper “Someday Blue”, het enkele belangrijke veranderingen in het persoonlijke leven van de artiest, zoals het gaan samenwonen met z’n vriendin en de geboorte van z’n kind, bezegelende “Echo Park”, de catchy rockopstoot “Subaru”, de piano power ballad “The Ray Bradbury” en de, aldus Laterzo zelf, door een droom geïnspireerde en weer heel erg Youngiaans aandoende afsluiter “Chaperone”.

Samen wat mij betreft ruimschoots goed voor vier sterren!

Chris Laterzo

 

SUSSEX “Parade Day” (Lucky Bear Records)

(3,5****)

Ha! Een nieuwe cd van Rob Lutes! Of toch niet… Niet helemaal alleszins. Bij “Parade Day” blijkt het bij nader inzicht immers te gaan om een samenwerkingsverband tussen de Canadese songsmid (akoestische gitaar en zang) en diens maatje, multi-instrumentalist Michael Emenau (vibrafoon, percussie en piano). Ergens in 2014 al begonnen de twee samen liedjes te schrijven. Die maakten ze zich vervolgens met een groepje muzikanten uit Montreal bestaande uit Ben Charest (elektrische gitaar), Ivanhoe Jolicoeur (trompet en flügelhorn), Sage Reynolds (staande bas) en Josh Zubot (viool) eigen om ze goed en wel een jaar later ook samen te vereeuwigen. De ons volslagen onbekende Fred Bouchard zorgt een enkele keer ook nog voor wat percussie.

Het resultaat van die samenwerking is volgens Lutes zelf een soortement liefdesbrief aan het adres van de vele vroege jazz- en bluesopnamen die hem en z’n gabber rijkelijk beïnvloed hebben. Nadrukkelijk anders dan anders dus, als we het specifiek over Lutes hebben, maar altijd nog met voldoende raakpunten met de genres waarmee de beste man hier in het verleden al uitgebreid wist te scoren, te weten folk en Americana, om ons niet volledig van hem te vervreemden.

Opvallendste nummer op “Parade Day” is een tot in de puntjes verzorgde benadering van Randy Newmans “Dayton, Ohio – 1903”. Andere absolute topmomentjes hier: het enigszins beklemmend aandoende “Little Baby”, het in onvervalste fingerpicking style op ons afgevuurde “Ginger”, de ontroerende instrumentale ballad “Dare To Stumble”, het jazzy, door blazer van dienst Jolicoeur met een buitengewoon fraaie koperbijdrage opgewaardeerde “Listen To The Wind” en het tegelijk hypernerveuze en hoogst aparte “Truth And Lies”.

Sussex

 

ROB MCNURLIN “The Gospel Guitar” (Buffalo Skinner Recordings)

(4****)

Na “Blue Nashville Guitar” van begin vorig jaar opnieuw een “gitaarplaat” voor Rob McNurlin. Ditmaal geheel en al opgehangen aan een ooit nog door wijlen Johnny Cash bespeelde Gibson Gospel, hem voor de gelegenheid toegespeeld door Chance Martin. Met die gewijde snaren als zijn voornaamste bondgenoot begaf McNurlin zich op een songwriting trip doorheen Alabama en Mississippi. Een goede week later beschikte hij over voldoende materiaal voor z’n nieuwe worp. Aangevuld met covers van Bob Dylans “Saving Grace”, “It Was Jesus” van Johnny Cash en van de traditionals “Anyhow” en “Honey In The Rock” dan toch.

Onder de productionele hoede van alleskunner Kenny Vaughan en met de nodige studiohulp van onder anderen diezelfde Vaughan op gitaar, Dave Roe op bas, Harry Stinson op drums, Kayton Roberts op steel en Mike Schrimpf op orgel nam McNurlin dat songtiental korte tijd later op in de Seven Deadly Sins Studio in Goodlettsville, TN. Samen met nog een viertal hidden bonus tracks.

Afgetrapt wordt er met het de man in het zwart daarboven ongetwijfeld tot een brede grijns verleidende “The Holy Ghost”. Vervolgens gaat het via een subtiele lezing van de traditionele gospelhymne “Anyhow” en de hier hoger ook al aangesproken vertolking van Cash z’n “It Was Jesus” over de knappe ballad “Hold My Hand” richting één van de eerste absolute hoogtepunten hier. En dat is wat ons betreft de nadrukkelijk op een Cash-ritme geënte meezinger “Don’t You Want To Go”.

De tweede helft van “The Gospel Guitar” wordt ingezet met “Saving Grace”, McNurlins tip of the hat aan het adres van die andere grootheid, Bob Dylan. Met een bepaald belangrijke ondersteunende rol voor Mike Schrimpf en diens orgel. Aansluitend daarop gaat het met “Got Enough Jesus” heupwiegend richting het door onze man samen met z’n buddy Chance Martin gepende “The Rapture” en het zo op het eerste gezicht afsluitende salvo bestaande uit die andere swingende traditionele hymne “Honey In The Rock” en het met Alamo Jones en Lorrie Carter Bennett gedeelde “The Roman Road”.

Maar zoals eerder al even aangegeven, gedaan is het daarmee allemaal nog niet. Eerst horen we McNurlin en Chance Martin in gesprek over onder meer de bewuste gitaar waarmee het allemaal begon, over gitaren tout court, over Johnny Cash, over eindproduct “The Gospel Guitar”. Daarna volgen er nog een drietal McNurlin-momenten, afsluitend zelfs even live.

Allemaal samen goed voor net geen zesendertig minuten retro hillbilly gospel van de bovenste plank!

Rob McNurlin

 

DAVID BERKELEY “Cardboard Boat” (Straw Man Music)

(4,5*****)

Met elke nieuwe release ging ik de voorbije jaren telkens weer een beetje meer van ‘m houden, van deze David Berkeley, met als ontegensprekelijk voorlopig hoogtepunt z’n er op 29 januari aanstaande aankomende zesde studioplaat “Cardboard Boat”. Die wordt ons door Berkeley aangereikt als companion piece bij z’n tweede boek “The Free Brontosaurus”. De in de liedjes erop vertelde verhalen grijpen nadrukkelijk terug op die in die nieuwe novelle van ‘m. En ze worden gebracht vanuit het standpunt van de voornaamste betrokkenen erin. Een behoorlijk ambitieuze bedoening dus. Maar aan Berkeley, een voormalige student Literature aan de vermaarde Harvard University in Cambridge, Massachusetts, is ze wel besteed.

Berkeley, twee jaar geleden nog winnaar van de prestigieuze Kerrville New Folk-wedstrijd, serveert z’n verhalen in zalig melodieus uitgevallen liedjes, die je als luisteraar door hun melancholische karakter niet zelden met enige weemoed doen terugdenken aan de hoogdagen van wijlen Nick Drake en Tim Buckley. Die twee en wel nog in leven zijnde collegae als een Josh Ritter en een Robby Hecht vormen wat mij betreft dan ook ideale referenties voor wat Berkeley op “Cardboard Boat” brengt.

Met als absolute stand-outs naar mijn bescheiden mening het inhoudelijk nadrukkelijk naar Herman Melville’s classic “Moby-Dick” verwijzende herfstige juweeltje “Setting Sail”, het daar in al z’n eenvoud en mede dankzij wat subtiele vocale ondersteuning van Sara Watkins ook wel perfect bij aansluitende “To The Sea” en vooral ook “Hole In My Heart”. Dat prachtige rootsy kleinood met Jordan Katz op banjo, Jason Crosby op fiddle en Lex Price op mandoline liet ook mij achter met “a hole in my heart big as the blue”.

Mag ik ‘m u van hieruit bijzonder warm aanbevelen, deze prachtige nieuwe van Berkeley?

David Berkeley

 

BUFORD POPE “The Poem & The Rose” (Unchained)

(4****)

“The Poem & The Rose”, het “nieuwe” album van de Zweed Buford Pope, is er één met een wat aparte voorgeschiedenis. Een vlugge eerste blik op het hoesje ervan leert immers meteen, dat we hier te maken hebben met opnames die zo’n tien jaar geleden al gemaakt werden. In 2006 was dat. “The Poem & The Rose” had toen de tweede cd van Pope moeten worden, maar zover kwam het door omstandigheden dus niet. Zelf zegt hij daarover zoveel jaren later, dat er op dat moment in z’n leven gewoon teveel andere dingen z’n aandacht opeisten om zich nog langer ten volle aan dat geheel te kunnen wijden. Zo werkte hij bijvoorbeeld toen al aan z’n eigenlijke derde plaat.

Maar nu, goed en wel een decennium later, komt ze er dus vooralsnog, die tweede van ‘m. En weet je wat? Ik ben daar verdomd blij om ook! Ik vind het namelijk een ijzersterke collectie liedjes. Naar mijn bescheiden mening zelfs z’n allerbeste tout court. Met de nadruk nog veel meer op country en Americana dan dat later het geval zou zijn. En zo mag ik ‘m eigenlijk gewoon het liefst hebben, onze grofgevooisde Zweedse vriend. Als hij met die fraaie stem van ‘m, te situeren ergens tussen de jonge Rod Stewart en Neil Young, gevoelvol heen en weer laveert tussen instrumenten als pedal steel, dobro, banjo, mandoline en fiddle, maar ook piano, accordeon en harmonica. Daar voelt hij zich duidelijk als een vis in het water. Zeker in de vele rustigere nummers. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag dingen als “My Heart Don’t Lie”, “Can’t Feel It Anymore”, “At The End Of The Week” en het titelnummer.

Ik ben eigenlijk best wel eens benieuwd, hoe Amerikaanse muziekliefhebbers hierop zullen reageren. Kwalitatief gezien laat “The Poem & The Rose” veel van de concurrentie aan de andere kant van de Atlantische Oceaan immers met sprekend gemak achter zich.

Buford Pope

 

MATT EPP “Ready In Time” (Manitoba Film & Music)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat de naam Matt Epps bij mij niet meteen een belletje deed rinkelen. En van vooroordelen van welke aard dan ook was er dan ook hoegenaamd geen sprake, toen ’s mans laatste hier voor het eerst in de lade van de cd-speler belandde. ’s Mans laatste? Yep, sir. Bij nader inzicht bleek de Canadese songsmid met “Ready In Time” immers al aan z’n achtste album toe. Wat ons naast een stel gefronste wenkbrauwen meteen ook een adequate verklaring voor de ongelooflijke zelfzekerheid die hij daarop bijna voortdurend uitstraalt opleverde.

Wat Epp op die nieuwe van ‘m doet klinkt immers ongelooflijk af. In de bast van genres als folk, Americana, pop en rock kerft hij met vaste hand net geen half uur lang de mooiste songminiatuurtjes. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met wat knapen als z’n landgenoot Ron Sexsmith, de Amerikaan Clarence Bucaro en onze eigenste Milow doen. Met daarbij zijn fluwelen stem als z’n voornaamste bondgenoot weet Epp je als luisteraar acht nummers lang volop te overtuigen van z’n vaardigheden als storyteller en songwriter.

Met dingen als het voorzichtig herfstig ingekleurde popjuweeltje “Aftermath”, het overduidelijk door Paul McCartney en de Beatles geïnspireerde “Let Her Know”, het door de ons ook al volslagen onbekende Chantel Emond op fraaie wijze harmoniërend mee gedragen “Go Somewhere”, de bedaarde rocker “Something Better”, het al bij al nog net wat vinniger uit de hoek komende titelnummer, de het verhaal van z’n tijdens de vorige eeuw op jonge leeftijd naar Canada geëmigreerde opa vertellende poppy Americana beauty “Hard To Say” en andere deed hij mij alvast onmiddellijk op zoek gaan naar z’n eerdere werk. En dan had ik het nog niet eens over afsluiter “North Star”. Met die fraaie valse trage houdt Epp wat mij betreft zelfs een heuse potentiële (radio)hit achter de hand.

Matt Epp

 

LAVENDORE ROGUE “Light Up With…” (LaVendore Rogue)

(4****)

Met het centraal op het hoesje van hun debuutalbum prijkende luciferdoosje lijken de vijf van het Britse collectief LaVendore Rogue ons al bij voorbaat te willen waarschuwen. Opgelet, met de tien volgende tracks gaat de tent gegarandeerd in de fik! Die conclusie drong zich aan ons op na enkele beluisteringen ervan.

Met frontman JoJo Burgess, gitarist Joel Fisk en drummer Stephen ‘Cupsey’ Cutmore telt LaVendore Rogue liefst drie ex-leden van het ook hier op handen gedragen Hokie Joint in z’n rangen. En eigenlijk zou dat feit alleen al genoeg moeten zeggen. Tot wat die knapen in staat zijn zou immers alom geweten moeten zijn. En aangevuld met bassist Rob ‘Tank’ Barry en toetsenman Warren Lynn ontgoochelen ze ook this time around bepaald niet. Ruim tien nummers lang gaan ze op “Light Up With… LaVendore Rogue” voor de perfecte blend van Americana, country, punk en rock & roll. Met de nadruk al bij al toch vooral op dat laatste. En met bepaald niet zelden een kritische blik op de schaduwzijde van het leven anno nu. Een titel als “Gangsters, Thieves & Villains” spreekt boekdelen voor zichzelf. Maar nog beklijvender is de manier waarop in de dreigende slow rocker “Riot” wordt teruggeblikt op de ongeregeldheden die in 2011 Londen in hun ban hielden. Of hoe men in de lichtjes Springsteen-esk aandoende ballad “A.S.A.D.” ingaat op de verschrikkingen van een drugsverslaving.

Daarmee hadden we het hier meteen over drie van de absolute hoogtepunten op de eersteling van LaVendore Rogue. Al blijft hét te kloppen nummer voor ons toch vooral de volop aan de Stones in hun hoogdagen herinnerende rootsrocker “Dead Men’s Chest”. Onwaarschijnlijk wat een power er van die lillende lap rood rockvlees uitgaat! We kunnen er hier maar niet genoeg van krijgen! En dat geldt op de keper beschouwd voor wel meer dingen hier. Van de fraaie pianoballade “Animal” tot het op een catchy gitaarmotiefje rondstuiterende “Honey Murder”, van het vinnige “Siesta Resistance” tot de afsluitende cover van Warren Zevons “Play It All Night Long”, ze mogen zonder uitzondering zo op onze playlist van de komende weken.

Wie boekt dit vijftal voor de nakende zomerfestivals? U haalt er een gegarandeerde winnaar mee in huis…

LaVendore Rogue

 

SIVERT HØYEM “Lioness” (Hektor Grammofon / Rough Trade)

(4,5*****)

Als frontman van Madrugada tekende de Noor Sivert Høyem in het eerste decennium van de noughties wat ons betreft voor meer dan voldoende muzikale hoogstandjes om hem voor eeuwig en altijd op onze radar te blijven houden. Ook met z’n solomateriaal. Zoals bijvoorbeeld al het eind deze maand te verschijnen “Lioness”. Dat is amper enkele dagen ver in 2016 naar onze bescheiden mening al een eerste echte grote plaat.  Met front & center uiteraard ook nu weer die klok van een stem. Als je ze zou moeten situeren: een beetje Nick Cave, een beetje Stuart Staples (Tindersticks), een beetje Richard Hawley ook, het zit er allemaal wel in.

Samen met zijn vaste gitarist Christer Knutsen, hier ook verantwoordelijk voor toetsenbijdragen en backing vocals, en de uit Øystein Franzvåg en Børge Fjordheim bestaande ritmetandem van z’n vaste live band blikte Høyem this time around een tiental nummers in die het vooral moeten hebben van hun grandeur, van een flinke laag pathos. Beurtelings rijk georkestreerd of net aan de eerder naakte kant. Niet zelden zwelgend in een weelde aan strijkers. Rock, dat wel, maar dan van het eerder op de gevoelens dan op de benen mikkende type.

Høyem heeft recentelijk het licht in de eigen duisternis gezien en dat zullen we als luisteraars geweten hebben ook! Het wordt daardoor heerlijk toeven in het gezelschap van dingen als de in duet met Marie Munroe gebrachte romantische sleper “My Thieving Heart”, de ook al magistrale, ergens heel dicht in de buurt van de grote Leonard Cohen strandende pianoballade “It Belongs To Me” en vooral ook openingsnummer “Sleepwalking Man”, een streep sfeervolle indie folk die de Cave-fan in ons in geen tijd onvoorwaardelijk bij de les had.

Nummers van dat kaliber doen nu al reikhalzend uitkijken naar Høyems nakende doortocht doorheen de Lage Landen, die hem ergens halverwege maart naar respectievelijk Amsterdam (15-03, Paradiso), Groningen (16-03, Vera) en Brussel (17-03, Botanique) brengen zal. Ons mag u dan alvast ergens op de eerste rij verwachten.

Sivert Høyem

 

JIM MALCOLM “Live In Perth” (Beltane Records)

(4****)

Over deze knaap heeft u hier nog nooit een kwaad woord gelezen en dat zal ook naar aanleiding van zijn nieuwe cd weer niet het geval zijn. Wij vinden Jim Malcolm nu eenmaal één van de allermooiste Schotse folkstemmen überhaupt en op de koop toe ook een fantastische songsmid en entertainer. En vooral dat laatste komt op z’n zonet verschenen dertiende soloplaat nog net wat meer tot uiting dan voorheen. Het betreft hier immers een live-cd, ingeblikt voor een publiek van fans, vrienden en familie in het Goodlyburn Theatre in zijn thuishaven Perth.

Een thuismatch dus en dat hoor je eraan ook! Met Malcolm ongelooflijk in z’n sas. Als zanger en verteller, maar ook als gitarist en her en der op de mondharmonica. Liefst veertien tracks lang. Met naast een zestal eigen originelen naar goede gewoonte ook weer enkele voortreffelijke lezingen van materiaal van andere Schotse songwriters en plaatselijke traditionals. Tot de eerste van die beide categorieën behoren Brian McNeills “Lads O The Fair”, Andy M Stewarts “Valley Of Strathmore” en Jim Reids werkelijk bloedmooie ballad “Vinney Den”, tot de laatste mag u onder meer het zwierige tweetal “Jolly Beggar” en “Billy Taylor”, het wat bezadigdere “Reres Hill” en ons lievelingsnummer hier, nog zo’n ingetogen beauty, “Lochaber No More”, rekenen. Voor een humoristische noot wordt terloops ook gezorgd met het verhaal “The Pickpockets”.

Kortom opnieuw een portie superieur luistervoer van een artiest van wie we eigenlijk al lang niets anders meer verwachten. Mocht u hem nog niet kennen, dan biedt “Live In Perth” u een uitgelezen gelegenheid om snel aan dat euvel te verhelpen. U zal het zich beslist niet beklagen!

Jim Malcolm, CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home