CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

CD-recensies maart 2010

Laatste update: vrijdag 12 maart 2010!

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

KRISTA DETOR “Chocolate Paper Suites” - MICHAEL MARTIN MURPHY “Lone Cowboy - Live & Solo” - WHISPERING PINES “Family Tree” - WYLIE & THE WILD WEST “Unwired” - KASEY ANDERSON “Nowhere Nights” - EMITH “13 Seasons” - SLEEPY DRIVER “Steady Now” - BRANDON RHYDER “Head Above Water” - JON STRIDER “Fresh Tracks” - YARDSALE “Knock Alley West” - NOËLLE HAMPTON “Thin Line” - STEVE HOWELL “Since I Saw You Last” - JOHHNY CASH “American VI: Ain’t No Grave” - LOS CENZONTLES WITH DAVID HIDALGO & TAJ MAHAL “American Horizon” - LEE HARVEY OSMOND “A Quiet Evil” - ZOE MUTH AND THE LOST HIGH ROLLERS “Zoe Muth And The Lost High Rollers” - BASIA BULAT “Heart Of My Own” - John Hiatt ”The Open Road” - LAURIE LEWIS “Blossoms” - ROSE COUSINS “The Send Off” - JESS KLEIN “Bound To Love” - FIXKES “Superheld” - ADAM CARROLL “Live At Flipnotics” - ELEVEN HUNDRED SPRINGS “This Crazy Life” - JAMES KEELAGHAN “House Of Cards” - MATT KEATING “Between Customers” - JOSH ABBOTT BAND “She’s Like Texas” - TEX SMITH “Tex Smith” - GIRLYMAN “Everything’s Easy” - QUARTER MILE COMBO “Motels, Gas & Beer” - BROOKS WILLIAMS “Baby O!” - THE PLIMSOULS “Live - Beg, Borrow & Steal” - ERIC BIBB “Booker’s Guitar” - MATT HARLAN “Tips & Compliments” - JILL ANDREWS “Jill Andrews” - SHELLEY KING “Welcome Home” - JAY HOLLIS “Jay Hollis” - KACI BOLLS “1929” en “Live” - ADAM CARROLL & MICHAEL O’CONNOR “Hard Times” - AUDREY AULD “Billabong Song” - PETER GALLWAY “Manhattan Nocturne” - K.D. LANG & THE RECLINES “A Truly Western Experience - 25th Anniversary Edition” - T-MODEL FORD The Ladies Man” - ROBIN MOORE “My Momma’s People” - JOSH ROUSE “El Turista” - RICH MCCULLEY “Starting All Over Again” - VICKY EMERSON “Long Ride” - CHRIS SCRUGGS “Anthem” - BILL PRICE “With The Eye Of A Sceptic…” - HEINRICH XIII AND THE DEVIL GRASS PICKERS “Devilgrass Country” - KEVIN HIGGINS “Find Your Shine” - EMORY QUINN “Live At Gruene Hall” - FLORENCE RAWLINGS “A Fool In Love” - JOHN LILLY “Live On Red Barn Radio” - JOHN GIBBONS “Small Town Dance” - HANK SHIZZOE “Breather” - ELLIS PAUL “The Day After Everything Changed” - GRANT MOFF TARKIN “Long Lost Son” - THE SALTY DOGS “Brand New Reason” - JASON & THE SCORCHERS “Halcyon Times” - CRACKER “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” - BLUE MOON COWGIRLS “I Love You Honey” - THREE DAY THRESHOLD “Straight Out Of The Barrel” - THE MIGHTY STEF “100 Midnights” - SUSAN HICKMAN “Susan Hickman” - JUSTIN EVANS “The Owls & The Hounds” - FLATCAR RATTLERS “Which Side Are You On?”

 

KRISTA DETOR “Chocolate Paper Suites” (CoraZong)

(5*****)

Onder het motto “Oude liefde roest niet!” drukken we de vanuit het Amerikaanse Bloomington de muziekwereld beetje bij beetje helemaal inpalmende Krista Detor naar aanleiding van haar nieuwe cd “Chocolate Paper Suites” andermaal stevig aan de borst. Die Detor is - We schreven het hier al eerder! - een echt fenomeen. Haar stem vertoont gelijkenissen met die van een sirene. Eraan weerstaan is absoluut geen optie! En haar songs dulden al evenmin weerstand. Te situeren ergens tussen pop, folk en Americana balsemen ze voortdurend de ziel. Ditmaal keurig opgedeeld in suites van drie, met elkaar verbonden voornamelijk qua thematiek. Die suites luisteren naar de titels “Oranges Fall Like Rain”, “Night Light”, “Madness Of Love”, “By Any Other Name” en “Darwin Songhouse”. De laatste is een als bonus aan het album toegevoegd songtrio, opgenomen tijdens de Darwin Song House Workshop, een sessie met zeven andere, voornamelijk Britse singer-songwriters in het Engelse Shrewsbury, waar Detor een week lang mee schreef aan liedjes ter ere van de 200ste verjaardag van Darwins geboortedag. Andere inspiratiebronnen: Federico Garcia Lopez, Dylan Thomas en uiteraard ook het leven zelve. Het resultaat? Een luisterervaring zonder weerga! Intelligentie wordt hier gekoppeld aan emotionele diepgang, grote songs aan fabelachtige zangpartijen en virtuoze instrumentbehandeling. Voor dat laatste zorgen naast Detor zelf ondermeer ook nog snarenfenomeen Colin Linden, John Prine-gitarist Jason Wilber, strijkster Sarah Caswell en banjoman Sam Bartlett. Andere opgemerkte gasten zijn nog Chris Wood, Karine Polwart en Mark Erelli. Stuk voor stuk leveren ze bescheiden, maar essentiële bijdragen aan wat ons inziens één van de eerste écht grote releases van 2010 is. Doe er vooral weer je voordeel mee!

Krista Detor

CoraZong Records

 

MICHAEL MARTIN MURPHY “Lone Cowboy - Live & Solo” (Western Jubilee / Sonic Rendezvous)

(3***)

Net als het hier enkele dagen geleden besproken “Unwired” van Wylie & The Wild West werd ook “Lone Cowboy”, de nieuwe cd van Michael Martin Murphey, opgenomen in het Western Jubilee Warehouse in Colorado Springs. In oktober 2008 blikte men daar een elftal songs tellend akoestisch solo-optreden van de beste man in. Murphey, door velen gezien als een echt C&W-instituut, deed het die bewuste avond voornamelijk met eigen materiaal. Enkel het verweven met zijn eigen “Partner To The Wind” gebrachte “Cool Water” van de Sons Of The Pioneers, het als medley verpakte klassieke tweetal “Little Joe The Wrangler” en “Oh Bury Me Not On The Lone Prairie” en het van een nieuw arrangement voorziene “When The Work’s All Done This Fall” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Maar ook die “vreemde eenden in de bijt” worden perfect in het geheel geïntegreerd. Murphey zorgt voor een uitgesproken “kampvuurgevoel”. Hij tokkelt er losjes uit de pols wat op los op de eigen akoestische en zingt op ingetogen wijze de aanwezigen toe. Die fluisteraanpak heeft aanvankelijk wel iets, maar gaat na verloop van tijd ook een beetje vervelen. Wie er zelf bij was, zal hier wellicht met volle teugen van hebben genoten, maar thuis, niet deelachtig aan het “momentum”, ontgaat je als luisteraar een beetje “de magie”. Laat het ons hier dus maar houden op “goed zonder meer”. Verstild, al bij al nogal braafjes aandoend verhalend luistervoer voor eerder traditioneel of nostalgisch ingestelde liefhebbers van country (C&W).

Michael Martin Murphey

Western Jubilee Recording Company

Sonic Rendezvous

 

WHISPERING PINES “Family Tree” (Family Tree)

(5*****)

Niets dan lovende woorden voor dit debuut van het vanuit Silver Lake, Californië actieve vijftal Whispering Pines. Wat Dave Baine, Joe Bourdet, David Burden, Brian Filosa en Joe Zabielski brengen valt wat ons betreft ontegensprekelijk onder de noemer “ronduit subliem”. De negen songs op “Family Tree” harken weliswaar ongegeneerd terug naar de hoogdagen van acts als Lynyrd Skynyrd, de Allman Brothers, CCR, The Band en Tony Joe White, maar dat hoeft ons inziens hoegenaamd geen probleem te vormen, als je er, zoals dat hier gebeurt, maar een eigen draai aan weet te geven. Buitengewoon knap vinden wij het, hoe dit kwintet vaak als retro en oubollig bestempelde genres als countryrock en de wat stevigere zuidelijke variant daarop van een sexy eigentijdse twist bedient. Knappe zangpartijen, ijzersterke groovy melodieën, het nodige gitaargeweld, functioneel toetsenwerk, wat slide, mandoline en occasioneel ook een harmonica, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn! Wij voelden ons prompt een jaar of vijfendertig jonger bij het horen van ware beauties van songs als “Grapevine Blues”, “Brand New Beat” en “Stars Above”. En dan hadden we het nog niet eens over de schitterende, wijd uitwaaierende semiballade “Miss Lucy’s Red Light” en over de fraaie J.J. Cale-cover “Crazy Mama”. Heerlijke muziek gewoon, die ook hier flink zou moeten kunnen scoren.

Whispering Pines

CD Baby

 

WYLIE & THE WILD WEST “Unwired” (Western Jubilee / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wie zijn dagelijkse portie C&W nog graag lekker puur geserveerd mag krijgen, is sinds jaar en dag aan het juiste adres bij Wylie Gustafson en zijn Wild West. Veel té grote hoeden, trouwe viervoeters, gezellige kampvuren… De beste man en zijn maats gaan op hun platen hoegenaamd geen enkel cliché uit de weg. En dat is een gegeven, waarmee ze wellicht evenveel muziekliefhebbers aan zich weten te binden als dat ze er ook effectief mee afstoten. Niet iedereen is immers gediend met zoveel ongebreidelde nostalgie. Maar goed, dat even terzijde valt op het muzikale vakmanschap van Gustafson en co maar bitter weinig aan te merken. Het is immers maar weinigen gegeven een oerconservatief genre als Country & Western op danig overtuigende wijze naar het hier en nu te vertalen als dat hier gebeurt. Op het in juli 2009 in het Western Jubilee Warehouse in Colorado Springs ingeblikte “Unwired” presenteren Gustafson (akoestische gitaar, bas en lead vocals), Ray Doyle (elektrische, bariton- en mandolinegitaren en harmony vocals), Rick Bryceson (drums en harmony vocals) en Scot Wilburn (elektrische en steelgitaar en fiddle) zich niet enkel als waardige erfgenamen van acts als Roy Rogers en de Sons Of The Pioneers, maar ook als uitstekende performers. Ze weten hun publiek te boeien met een bijzonder evenwichtige set, waarin naast eigen materiaal ondermeer ook covers van “Good-Bye Old Paint”, “Cowpoke”, “America The Beautiful”, “Cattle Call”, “Everyday” en “Girl On The Billboard” verwerkt zitten. Niet enkel C&W dus hier, maar ook een bescheiden prise gecountryfieerde rock & roll. Lees: niet enkel gemijmer, maar ook wat ritmische intermezzo’s. En dat werkt! (Voor deze jongen hier alvast toch…)

Wylie & The Wild West

Western Jubilee

Sonic Rendezvous

 

KASEY ANDERSON “Nowhere Nights” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Vanaf de eerste noten van “Bellingham Blues”, het op ingetogen wijze je trommelvliezen masserende openingsnummer van zijn nieuwe cd, besef je als luisteraar vrijwel meteen, dat singer-songwriter Kasey Anderson met “Nowhere Nights” wel eens voor de jackpot zou kunnen gaan. ’s Mans vierde album is immers zondermeer zijn beste tot op heden. De nadruk ligt daarbij regelmatig op een aardig intimistische aanpak. Rocken doet de man óók nog wel, maar dan enkel in “All Lit Up”, “Sooner/Later”, “Torn Apart”, “Nowhere Nights” en “Real Gone”. De overige nummers zijn zonder uitzondering aan het werk van Steve Earle ergens bij het begin van de jaren negentig herinnerende tragen, waarin de rauw-hees-tedere stem van Anderson zelf als vanouds de show mag stelen. In een productie van Eric “Roscoe” Ambel geeft de Amerikaan zich daarin naar eigen zeggen - daartoe gedreven door zijn vertrek uit zijn jarenlange thuishaven Bellingham - over aan “the things that people carry and the things they leave behind”. Waarvan akte! Onze luistertips: de hier al genoemde en ronduit zalige Americanaballade “Bellingham Blues”, “Home”, nog zo’n hoegenaamd briljante sleper, en “Real Gone”, de met de handrem op rockende afsluiter van het album. Dat laatste vormt het fraaie orgelpunt van een al even fraai geheel.

Kasey Anderson

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

EMITH “13 Seasons” (Fogbound Child)

(3,5****)

Voor we hun debuutalbum “13 Seasons” onder handen kregen, hadden wij eigenlijk nog nooit gehoord van het als Emith door het leven stappende duo bestaande uit zingende liedjesschrijfster Carol Ann Ives en haar metgezel Stevie Gurr. Dat tweetal presenteert op z’n visitekaartje een bijzonder aangenaam wegluisterende synthese van rootsy pop, folk, country en blues. Bij momenten extreem catchy van aard, elders eerder aan de introspectieve kant. Tot de eerste categorie mogen we zeker de springerige folk-pop van “High Sierra”, het redelijk nadrukkelijk met Americana flirtende en met wat zomers gitaarwerk afgewerkte “Empty Your Pockets”, het ontegensprekelijk onder de noemer country vallende “San Bernardino”, het ouderwets swingende “I Got My Baby” en het ingetogen (roots)rockende “Stuck In Stark Belief” rekenen. Tot de tweede zo ongeveer al het resterende songgoed hier. Daarvan bleven ons vooral het richting het folkgebeuren van de late sixties knipogende “Let’s Live For Today”, het op eerder lijzige wijze van de mooiste tijd van het jaar afscheid nemende “As The Summer Turns To Fall”, het jazzy ingekleurde “Over Before It Started” en de op erg mooie samenzang van beide protagonisten drijvende Beatles-cover “I’ll Follow The Sun” bij. Aanbevelen durven we dit op basis daarvan aan al wie houdt van The Kennedys en Aimee Mann en al wat oudere acts als Fleetwood Mac, The Mamas & The Papas en Simon & Garfunkel.

Emith

CD Baby

 

SLEEPY DRIVER “Steady Now” (Black Bell Productions)

(4,5*****)

“Steady Now” van het Canadese Sleepy Driver is nog eens wat je noemt een fantastisch debuut. Dat vijftal onder aanvoering van de ronduit geweldige zanger-songsmid Peter Hicks  combineert op zijn eersteling het beste van acts als Whiskeytown, The Jayhawks, Green On Red, Ryan Adams, Blue Rodeo en andere in dertien erg toegankelijke songs, die beurtelings onder de vlaggen alt. country en roots rock blijken thuis te horen. Gelijk van bij het gitaarzwangere openingsnummer “Like A Weapon” is het goed raak. Da’s het soort van nummer, dat je meteen al reikhalzend doet uitkijken naar alles wat nog komen moet. ’n Beetje Jayhawks, ’n beetje Neil Young ook wel, maar vooral een dijk van een song. Alt. country waar je wel moet van houden. Iets bezadigder gaat het er vervolgens aan toe in “Drowning In My Dreams”. Daarvoor mag de omschrijving twangy roots pop uit de kast. Gebracht op gruizig-bezadigde wijze à la een Dan Stuart. En met die twee songs is de toon zo’n beetje gezet. Grote gitaren stelen de show in het beklijvende “When The Lights Come On”, Mark Olson en Gary Louris en co blikken weer even om de hoek in het melancholische “Watch You Sleep”, “Lazy Eye” hikt nerveus rockend richting een flinke climax, “North Dakota” staat voor een moment van inkeer en “Architects” combineert op ingenieuze wijze de voornaamste elementen van roots rock en power pop met elkaar. Enfin, we zouden hier gewoon alle dertien nummers van “Steady Now” even de revue kunnen laten passeren, maar dat is niet echt nodig, want het voegt eigenlijk al lang niets meer aan de essentie van dit stukje toe. En dat is de loutere vaststelling, dat we hier echt wel met een fameuze plaat te maken hebben. Een album vol straffe melodieën en catchy hooks, dat bij ons op de plank een plaatsje ergens dicht in de buurt bij het beste van Whiskeytown en The Jayhawks zal krijgen. En dat alleen al zou als referentie eigenlijk ruimschoots moeten volstaan!

Sleepy Driver op MySpace

 

BRANDON RHYDER “Head Above Water” (Brandon Rhyder)

(3,5****)

Brandon Rhyder heeft zich de voorbije jaren beetje bij beetje tot een vaste waarde binnen het muziekgebeuren in de Lone Star State opgewerkt. Met “Head Above Water” is hij inmiddels ook alweer aan zijn zesde cd toe. En die bevestigt eigenlijk alleen maar enkele dingen, die we al wel langer wisten. Eén: dat Rhyder een prima songsmid en dito zanger is. En twee: dat hij anders is dan het gros van zijn Texaanse collega’s. Als je op een onbewaakt moment onverwacht iets van Rhyder hoort, dan weet je vrijwel meteen, dat je met iets van hem te maken hebt. En dat is iets, wat dezer dagen in Texas allesbehalve vanzelfsprekend is. Nogal wat van de muziek die vandaag de dag ginder gemaakt wordt, weet zich nog amper te onderscheiden. En Rhyder heeft bij ons dan ook een aardig streepje voor op heel wat van zijn concurrenten. Mocht u zich ondanks ons betoog hierboven nog afvragen waarom, dan nodigen wij u bij dezen uit, om “Head Above Water” eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat album trapt Rhyder af met het tegen een muur van rinkelende gitaren geschilderde rockertje “Rock Angel”, een nummer dat tekstgewijs vooral heel wat vrouwelijke luisteraars moeiteloos zal weten in te pakken. Vervolgens is er het aan een enigszins apart funky motiefje opgehangen “You Can Count On Me”, country rock met in koeien van letters voor het hoofd geschreven het woordje “Singlekandidaat!”. Song nummer drie, het na een langzame start helemaal open bloeiende “You Burn Me”, lijkt dan weer eerder voorbestemd om tot een concertfavorietje uit te groeien. Via het over een zich opdringend vertrek twijfelende “Like It Was The Last Time”, een soort van power ballad Lone Star State style, gaat het vervolgens langs een andere knappe trage, het een relatiebreuk bezingende “Last Swan Song” en het als een ode aan de eigen “All American”-kindertijd ergens in het Noordoosten van de eigen thuisstaat opgevatte “It’s The Country That Saves Me” gestaag richting hét absolute hoogtepunt van “Head Above Water”. En dat is wat ons betreft zondermeer het titelnummer ervan. In die ook thematisch als het hart van deze nieuwe van Rhyder te bestempelen schoonheid van een song mag zijn singer-songwriterkant even vol aan de bak. Geen wonder, dat producer Walt Wilkins dat liedje absoluut op de plaat wou. Van dat kaliber mag Rhyder er van ons op elke nieuwe plaat van ‘m meteen een handvol kwijt! Wat dan nog rest zijn het op bijzonder bezielde wijze de pijnlijke nasleep van een onvermijdelijke relatiebreuk bezingende “Ultimate Deceiver”, het met klaterende snaren bezaaide en tot luidkeels meezingen uitnodigende “I’ll Take You”, het na een moeilijk moment in hun huwelijk voor zijn vrouw geschreven en tot diep onder de huid gaande “You Like Me Again”, het zijn échte vrienden voor het opladen van zijn wel eens aardig leeg rakende “Battery” prijzende gelijknamige nummer, het vooral aanvankelijk in een wat apart atmosfeertje badende, aan het vlinders-in-de-buikgevoel horend bij een nieuwe liefde toegedichte rockertje “Breathe” en een ouderwets swingend verborgen bonusje in ragtime-stijl. Overigens niet de enige bonus hier, dat laatste nummer, want op een tweede schijfje presenteert Rhyder ons DVD-gewijs ook nog “The Making Of Heat Above Water”.

Brandon Rhyder

Lone Star Music

 

JON STRIDER “Fresh Tracks” (Jon Strider)

(3***)

“Fresh Tracks”, de nieuwe cd van Californiër Jon Strider, bevat een tiental radiovriendelijke (roots)popdeuntjes, waarvoor de beste man zelf graag de term “rhythm ’n folk” in de mond mag nemen. Songs, waarin hij zijn verhalen over liefde, daarmee haast onlosmakelijk verbonden hartzeer, hoop, vreugde en andere kwijt kan tegen een bij momenten zwaar naar het midden van de seventies lonkende muzikale achtergrond. Mooi, maar wat aan de brave kant allemaal. Het soort van plaat, dat je op een zwoele zomeravond wel eens als soundtrack gebruikt bij het buiten met gasten genieten van een goed gevulde tafel en aangename temperaturen. Prettig muzikaal behang, een beetje onopvallend voorbij schuifelend. Maar goed, ook daarvoor zal er ergens wel een publiek bestaan zeker? Wij van onze kant nemen vooralsnog genoegen met enkele songs van de songs van deze plaat op de iPod. “Good Ol’ Boy Gone Bad” bijvoorbeeld, dat dankzij wat bluesy gitaarwerk in positieve zin opvalt hier. Of openingsnummer “Apple Pie Song” vooral ook, een echte oorwurm van een popliedje, ontegensprekelijk klaar voor een bestaan als zomerhit. En misschien “Lazy Sunday Mornin’” ook nog wel, dat op mooie, enigszins jazzy wijze het op dat moment van de week wel vaker voorkomende lome gevoel weten te verklanken.

Jon Strider

 

YARDSALE “Knock Alley West” (Yardsale)

(3,5****)

Onder het motto “It’s only rock & roll but we like it” zouden we hier graag een stevige lans willen breken voor “Knock Alley West”, de nieuwe van het vanuit Louisville, Kentucky aan de weg timmerende vijfmanschap Yardsale. Op dat schijfje doen Kirk Kiefer, Jacob Lee, Chris Scott, Colin Garcia, Andrew Rhinehart en een stel gasten er hoegenaamd alles aan om country, rock en een combinatie van die twee in één en hetzelfde keurslijf te wringen. Het resultaat van die inspanningen is een retestrak geheel, dat meer dan eens herinneringen oproept aan de Stones ten tijde van “Exile On Main Street”. “Until I Can’t Remember” is zo bijvoorbeeld no nonsense rock van het soort, waarin ook de Black Crowes ooit wisten uit te blinken. Lekker vettig en ongemeen soulvol gebrald. “Porkcity Popcorn” biedt meer van dattum, maar dan wel gekruid met een flinke snuif twang, “Lost My Mind” belandt mede dankzij een lekkere harmonica-inleiding en een sfeervolle orgelachtergrond in Jayhawks-wateren,”Reflections” maakt intimistisch mijmerend zijn titel helemaal waar, “Happy In My Misery” is een lap HST-alt.-country, “The Bullet That You Dodge (Maybe Your Own)” blazersgewijs met R&B aangelengde roots rock, “Mississippi’s Flooding” overduidelijk door Katrina geïnspireerde apocalyptische Americana genre een Neil Young, “Fencepost” een dartel streepje traditioneel geschoolde country met een scherp randje, “Secondhand Girlfriend” spetterende rock & roll op z’n zuiders, “Slow Motion” een dot van een rootsy sleper, “Dream Of Amarillo” een ongegeneerd en bovenal ook op extreem aanstekelijke wijze met het erfgoed van wijlen Buck Owens dollende meezinger en “May The Lord Grant Me Peace” een sfeervolle tekstuele flirt met gospel. Je merkt het, lekker gevarieerd en daardoor knap verrassend, dit album. En als je daar nog aan toevoegt, dat de heren elkaar te allen tijde blindelings aanvoelen en -vullen, dan weet je, dat je hier zonder ook maar de geringste twijfel goed zit voor ruim zesendertig minuten rootsgenot van de bovenste plank.

Yardsale

CD Baby

 

NOËLLE HAMPTON “Thin Line” (T-Rex / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van Mark Hallman als producer op een plaat aantreffen volstaat voor ons ruimschoots om er onze aandacht er alvast voor even op te vestigen. Vooral door zijn werk met Eliza Gilkyson en Ani DiFranco geniet de beste man hier al een poosje enorm veel krediet. En volkomen terecht ook, zo blijkt ook nu maar weer eens naar aanleiding van “Thin Line”, de comebackplaat van Noëlle Hampton. Die stemgewijs een weinig aan Sheryl Crow herinnerende en ondertussen naar Austin verkaste Amerikaanse slaagt er onder het wakende oog van Hallman in om zo uiteenlopende invloeden als roots rock, indie en country op sfeervolle wijze tot één enkel geheel te versmelten. Het speelse “Blackwing Butterfly” doet zo iets heel moois met folk, country en cajun, het aan emoties rijke “Helpless Again” is fraaie Americana, “Safe From Love” erg radiogenieke pop, het door André Moran van wat subtiel twangend gitaarwerk voorziene “Waiting Game” al even nadrukkelijk naar media-aandacht hengelende rootspop, “Firecracker” heerlijk breed uitwaaierende dramatiek pur en “Danny” een heuse mini-Southern rock opera. Het album wordt afgesloten met de enige cover erop, een werkelijk oorstrelend mooie benadering van U2’s “Love Is Blindness”. Daarin toont Hampton als ze dat wil over evenveel soul te kunnen beschikken als pakweg een Shelby Lynne of een Allison Moorer.

Noëlle Hampton

Sonic Rendezvous

 

STEVE HOWELL “Since I Saw You Last” (Out Of The Past Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Zoals zoveel anderen voor hem werd Steve Howell al op heel jonge leeftijd zwaar beïnvloed door het gitaarspel van Mississippi John Hurt. De kennismaking met diens muziek zou de Texaan al op zijn dertiende met wat later de juiste toekomstplannen bleken opzadelen. En dat resulteerde in 2006, ruim veertig jaar later, in zijn plaatdebuut “Out Of The Past”. Dat album en de opvolger ervan uit 2008, “My Mind Gets To Ramblin’”, werden zowat overal ter wereld unaniem lovend onthaald. Howells relaxte manier van zingen en zijn tot in de puntjes verzorgde kunstjes op de akoestische vonden gretig aftrek in kringen van connoisseurs. En volkomen terecht ook! Iets wat ook zijn onlangs verschenen derde cd “Since I Saw You Last” weer bewijst trouwens. Twaalf nummers lang grossiert Howell daarop in heerlijk laid back gebrachte country blues en andere akoestische rootsmuziek. Het maakt van die derde van ‘m een plaat, waarop men zich voortdurend op het kruispunt tussen de muzikale hoogstandjes van knapen als een Guy Clark, een J.J. Cale, een Eric Clapton en de al genoemde Mississippi John Hurt waant. Eén heerlijk gevarieerd geheel is dat, waarop louter stilistisch gezien aardig veel kan en mag. Veel country blues hier uiteraard, maar terloops ook het nodige gestoei met andere stijlen als Americana, folk, jazz en rockabilly. “Downtown Blues” van Frank Stokes doet het zo bijvoorbeeld op een lijzige, wat aan J.J. Cale verwante blues groove, “Acadian Lullaby”, geleend van zijn buddy Jim Mize, is ingetogen Bayou Americana, het vooral in de uitvoeringen van Warren Smith en veel later Robert Gordon bekende “Red Cadillac & Black Moustache” is een menage à trois met in de hoofdrollen rockabilly, bluegrass en blues, “Farmer John” blijkt rootsy ingevulde rock & roll, “Charlie James” een heerlijk staaltje intimistisch fingerpickwerk, “I Won’t Cry” harkt voorzichtig terug naar de hoogdagen van het close harmony-zingen ergens medio de jaren vijftig, “Wild About My Lovin’” is gelijke delen akoestische blues en Americana en het aan het repertoire van Buddy Johnson ontleende “Since I Fell For You” een erg fraai jazzy slepertje. Opvallend daarbij: allemaal worden ze met één en dezelfde vanzelfsprekendheid gebracht. En precies dat gegeven is het ons inziens, dat “Since I Saw You Last” laat uitgroeien tot het soort van plaat, dat je enkel als artiest met de nodige jaren ervaring “on the road” achter de kiezen lijkt te kunnen maken. Warm aanbevolen!

Steve Howell

Sonic Rendezvous

 

JOHHNY CASH “American VI: Ain’t No Grave” (Mercury / Universal)

(4****)

Als we producer Rick Rubin geloven mogen, is “American VI: Ain’t No Grave” nu echt wel definitief de allerlaatste worp in de door Johnny Cash bij leven en welzijn met zoveel succes ingezette reeks “American Recordings”. En of we dat nu moeten betreuren, dan wel toejuichen, wij weten het eigenlijk niet goed meer. Feit is, dat onze belangstelling ervoor stilaan wel een beetje aan het wegebben was. Dat we met andere woorden niet langer met hangende pootjes zaten uit te kijken naar nog meer “postuum nieuws” van de Man In Black. Een geval van overkill heet zoiets. En dat is nooit echt goed. Zelfs niet als het gaat om een an sich best wel leuke plaat als deze. Net als op de voorgangers ervan staan ook op “Ain’t No Grave” weer voornamelijk akoestische covers van liedjes van anderen. Bij Sheryl Crow vond Cash zo bijvoorbeeld “Redemption Day”, van Kris Kristofferson leende hij “For The Good Times”, via Bob Dylan kwam hij bij “A Satisfied Mind” terecht, Tom Paxton was dan weer goed voor “Can’t Help Wonder Where I’m Bound”, de Sons Of The Pioneers voor “Cool Water”, Ed McCurdy voor het anti-oorlogsliedje “Last Night I Had The Strangest Dream” en Queen Lili’uokalani voor het exotische afscheidsmoment “Aloha Oe”. Zelf droeg Cash “I Corinthians: 15:55” bij, een liedje, dat hij tijdens zijn laatste levensjaren schreef. Meteen één van de allermooiste songs op een album, dat zich ondanks een dat nogal nadrukkelijk ontkennende titel laat beluisteren als een soort van zelf gerealiseerde grafrede. Cash op zijn spiritueelst, zijn best doend om in zijn laatste dagen de laatste resterende stukjes van de puzzel van een behoorlijk rijk gevuld leven op hun plaats te krijgen. Songgewijs hamert hij nog één laatste keer op het belang van mooie vriendschappen, vrede, geloof en andere. Met compleet gebroken stem keert hij het aardse bestaan finaal de rug toe, ons nog één laatste, bijzonder mooi souvenir gunnend.

Johnny Cash

 

LOS CENZONTLES WITH DAVID HIDALGO & TAJ MAHAL “American Horizon” (Los Cenzontles)

(5*****)

Ik heb een stukje van de hemel gezien! Of was het toch gewoon een eindje Amerikaanse einder misschien? Hoe dan ook, “American Horizon”, ons sujet voor vandaag, is een adembenemend mooie plaat. Deze “story of a place that is a place, but also a state of mind where people come from around the world to build their lives… to rise above” is wat je noemt hét ultieme rootsalbum. De makers ervan, het vanuit het noorden van Californië actieve Mexikaans-Amerikaanse rootsensemble Los Cenzontles, gaat er ten tweede male een samenwerking met de van Los Lobos bekende David Hidalgo op aan. Die Hidalgo en bluesgrootheid Taj Mahal zorgen voor een kruisbestuiving van de bij Los Cenzontles gebruikelijke traditionele Mexikaanse muziek en waarden met andere elementen uit het Amerikaanse muzikale erfgoed. “Sueños” en “No Work / No Hay Trabajo” krijgen zo bijvoorbeeld van Mahal een intraveneuze shot funk en blues toegediend, “La Luna” struint rond over een door Hidalgo aangeleverd Marc Ribot-gitaarmotiefje, “Voy Caminando” lijkt zó weggelopen van “La Pistola Y El Corazón” van De Wolven, “Overtime” is fulminant vibrante Latin rock, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Wat Los Cenzontles, Hidalgo, Mahal en anderen als een Kester Smith, een Cougar Estrada, een Pete Sears en een Tom Rozum hier afleveren is Mexicana roots pur. Muziekgeworden goud voor fortuinzoekers zoals u en ik, bepaald niet vies van een verrassing op z’n tijd. En zwaar aanbevolen derhalve aan al wie houdt van het werk van het eerder al genoemde collectiefje Los Lobos of Los Super Seven en Ry Cooder ook wel. En als we het dan toch al over die Cooder hebben: zeker ook niet te versmaden voor al wie indertijd “zijn” Buena Vista Social Club aandurfde, al hebben we hier dan ook over een totaal andere muzikale leefwereld. Weergaloze plaat!

Los Cenzontles

 

LEE HARVEY OSMOND “A Quiet Evil” (Latent Recordings)

(5*****)

Lee Harvey Osmond is de nieuwe liefdesbaby van Tom Wilson, je wellicht beter bekend als het brein achter het in de jaren negentig behoorlijk populaire Junkhouse en als 1/3 van de Canadese superformatie Blackie & The Rodeo Kings. Met Lee Harvey Osmond vond hij de ideale formule om op het even welk moment op om het even welke plaats aan de slag te kunnen. Het gaat hier immers om een soort van los-vastcollectief, dat het hem toelaat om al naargelang de nood zowel volledig in zijn eentje als met een variërende bezetting aan hem begeleidende muzikanten uit te pakken. Tot de kern van de groep mogen we ondermeer ex-Skydiggers-bassist Josh Finlayson, ex-Junkhouse-drummer Ray Farrugia, pedal steel-geweldenaar Aaron Goldstein en harmonicalegende Brent Titcomb rekenen. Voor hun ronduit meesterlijk debuut “A Quiet Evil” wisten zij zich echter geruggensteund door een aantal véél bekendere landgenoten. Met name ex-Skydiggers-kopstuk Andy Maize, Colin Linden en Cowboy Junkies-masterminds Margo en Michael Timmins steken zoveel meer dan alleen maar een handje toe. Vooral de inbreng van laatstgenoemde lijkt echt wel van levensbelang te zijn geweest. Hij zorgde immers niet enkel voor tal van uiterst geslaagde gitaarinterventies, maar tekende ook voor het produceren, opnemen en mixen van “A Quiet Evil”. En bovendien is zijn “Angels In The Wilderness” hier misschien wel dé primus inter pares. Sfeervoller laat Canadiana zich amper bedenken, zo lijkt ons. Schimmige gitaren en angeliek vocaal weerwerk van Margo Timmins stuwen Wilson daarin naar ongekende hoogten. Andere werkelijk sublieme momenten: het gevoelsmatig geen klein beetje aan het materiaal op de eerste soloplaat van Robbie Robertson herinnerende duo “The Love Of One” en “Lucifer’s Blues” – van David Wiffen – en de afsluitende Lou Reed-cover “I Can’t Stand It”. Stuk voor stuk prima voorbeelden van waar “A Quiet Evil” nu eigenlijk voor staat. En dat is een licht psychedelisch getint, bij momenten naar het experimentele overhellend en bovenal ook immer bijzonder atmosferisch meesterwerk, dat op onnavolgbare wijze het huwelijk voltrekt tussen roots en rock. Wilson en co bedienen zich van elementen uit pop, rock, folk, Americana en blues om tot een volstrekt uniek geheel te komen, dat beklijft  van de allereerste tot de allerlaatste tel. Onze luistertips: het hoger al even vermelde “Angels In The Wilderness” en het ook al met Margo Timmins gebrachte “I’m Going To Stay That Way”, een sleper die wat ons betreft zó naast het allerbeste van de Cowboy Junkies mag. Een echte moordplaat!

Lee Harvey Osmond

Latent Recordings

 

ZOE MUTH AND THE LOST HIGH ROLLERS “Idem” (Self-released / Sonic)

(4,5*****)

“You Only Believe Me When I’m Lying”, lazen we geïnteresseerd op het hoesje. En ondertussen gebeurde het al! Een zachtjes huilende pedal steel, wat subtiel mandolinegepingel en daaroverheen een heerlijke nieuwe countryvrouwenstem. Zalig gewoon! En lang duurde het dan ook niet, voor we compleet in de ban waren van het visitekaartje van Zoe Muth & The High Rollers. Recommended if you like Emmylou Harris, Iris DeMent en Lucinda Williams lazen we daarover ergens op het internet. En zo is het maar net. Net als die drie dames beschikt ook de in “of all places” Seattle geboren en getogen Muth over een markante, met tonnen twang en hartzeer beladen stem. En net als die drie lijkt ook zij niet echt nadrukkelijk een onderscheid te willen maken tussen traditionele country en Americana. In wat ze doet werd ze overduidelijk beïnvloed door genregrootheden als een Dolly Parton en een Tammy Wynette. Maar ook John Prine en de al genoemde Williams hebben allicht een grote rol in haar artistieke wording gespeeld. Zij het dan ook meer wat betreft het concipiëren van haar teksten. Haar hele ziel en zaligheid legt ze daarin. Ongelooflijk eigenlijk, dat de amper drieëntwintigjarige Muth al op zo jonge leeftijd tot een voldragen plaat van het kaliber van dit debuut in staat is. Het doet nu al het allerbeste voor haar toekomst verhopen. Maar ondertussen nemen we graag nog een poosje genoegen met deze ronduit fenomenale eersteling. De twaalf liedjes daarop raakten immers ergens diep in ons binnenste een gevoelige snaar. En terwijl die nog wat aan het natrillen is, willen we je dit schijfje van hier uit van ganser harte aanbevelen. Veel mooier hoor je ze immers nog maar zelden.

Zoe Muth & The Lost High Rollers op MySpace

Sonic Rendezvous

 

BASIA BULAT “Heart Of My Own” (Rough Trade / Konkurrent)

(3,5****)

De Canadese Basia Bulat weet op haar nieuwe CD “Heart Of My Own” heel mooi het midden te houden tussen pop, folk en Americana. Met haar omfloerste, her en der een weinig aan genregrootheden als een Tracy Chapman en Natalie Merchant herinnerende stem als haar voornaamste bondgenoot waadt ze doorheen twaalf veelal in melancholie grossierende eigen composities. Soms kiest ze daarin voor een eerder naar het naakte neigende, voorzichtig bij de banjogestuurde aanpak van acts als de Be Good Tanyas, de Wailin’ Jennys of Jolie Holland aanleunende modus operandi, waarin minder juist voor meer moet zorgen. Elders dompelt ze haar liedjes onder in een weldadig aandoend bad van haast barok overkomende strijkers of mogen het nodige koperwerk en instrumenten als gitaren, orgel en accordeon de al te opzichtige voegen van haar bouwwerk komen opvullen. Die werkwijze resulteert in een van de eerste tot de laatste noot bekorend werkstuk, dat het als geheel vooral van zijn volkomen natuurlijke elegantie en sfeerschepping moet hebben.

Basia Bulat

Rough Trade

Konkurrent

 

John Hiatt ”The Open Road” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat John Hiatt brengt op “The Open Road”, zijn negentiende studioplaat so far, zou je min of meer kunnen omschrijven als de perfecte tegenpool voor wat hij deed op de voorganger daarvan, het in 2008 verschenen en toen hier nog tot plaat van het jaar gebombardeerde “Same Old Man”. Dat nieuwe album blikte hij samen met zijn uit gitarist Doug Lancio, bassist Patrick O’Hearn en drummer Kenny Blevins bestaande vaste begeleidingsgroep in zijn eigen tot opnamestudio omgebouwde garage in. Het resultaat van die aanpak is een heerlijk rockend elftal aan liedjes, waarvoor Hiatt zich voornamelijk liet inspireren door het leven “on the road”. Omkijken zit er daarbij ditmaal echter helemaal niet in. Anders dan voorheen staat “coming home” absoluut niet centraal. Zodoende vindt Hiatt ons inziens met “The Open Road” tot op zekere hoogte aansluiting bij enkele van zijn leukste platen als “Bring The Family” uit ’87, “Slow Turning” uit ’88 en “Stolen Moments” uit ’95. Dat gebeurt uitermate melodieus rootsrockend in dingen als het titelnummer, “What Kind Of Man” en “Haulin’”, bluesy trekkend en stotend in het bijzonder sfeervolle “Like A Freight Train” en “My Baby”, flirtend met een twangy countrymotiefje in “Homeland”, ingetogen tekenend voor één van zijn beklijvendste slepers sinds “Have A Little Faith In Me” met “Wonder Of Love” of gewoon bekorend met Americana pur zoals in “Fireball Roberts”. Het maakt van “The Open Road” net als van vele van z’n voorgangers een nergens minder uitstekende plaat.

John Hiatt

New West Records

Sonic Rendezvous

 

LAURIE LEWIS “Blossoms” (Spruce And Maple Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

“How Can I Keep From Singing?” vraagt Laurie Lewis zich in het volledig a capella gebrachte openingsnummer van haar nieuwe cd af. En als zij zelf al geen redenen daartoe weet te verzinnen, wie zijn wij dan om er wél mee op de proppen te komen, he? Iets waar we overigens ook compleet geen behoefte toe voelen. Want Lewis is en blijft in onze ogen de ongekroonde koningin van het bluegrassgenre. In tegenstelling tot anderen als bijvoorbeeld een Alison Krauss en een Rhonda Vincent doet zij immers weinig tot helemaal geen toegevingen aan de commercie en blijft ze doorlopend gaan voor een van absolute puurheid getuigend geluid en dito imago. Ook op “Blossoms” weer. Al is dat zeker geen zuivere bluegrassplaat. Verre van zelfs. Van traditionele en iets eigentijdser aandoende bluegrass over enkele onverwachte folk- en jazzhybriden heen tot country op z’n authentiekst gaat Lewis ditmaal voor pure rootsmuziek. Acht van de veertien songs blijken daarbij originelen te zijn, waarin ze thema’s als vergiffenis, vergane liefde, de jachtigheid van het leven anno nu, de mentale wonden van door oorlogen getekende veteranen en andere verkent. Daarnaast covert ze ook nog Johnny Cash (“Train Of Love”), Kate Wolf (“Unfinished Life”), Kate MacLeod (“Lark In The Morning”), Mary Gibbons (“Tell Me True”) en een stel traditionals (het al genoemde “How Can I Keep From Singing?” en de instrumental “Beaver Creek”). Hulp kreeg Lewis daarbij als vanouds ook nu weer van een reeks heuse kleppers uit het genre. We noemen alleen al maar Darol Anger, Tom Rozum, David Grier, Nina Gerber, Todd Phillips, Brittany Haas, Tim O’Brien, Suzy Thompson, Roy Rogers, Kathy Kallick en de Burns Sisters en denken daarmee ons punt wel ruimschoots te hebben gemaakt. Hoe dan ook: dit is het zoveelste echte juweel op het actief van La Lewis en mocht je de kans schoon zien om haar tijdens haar nakende Europese tournee ergens te gaan bewonderen, dan moet je dat ons inziens ook zeker niet nalaten te doen.

Laurie Lewis

Sonic Rendezvous

 

ROSE COUSINS “The Send Off” (Old farm Pony Records)

(4****)

De vanuit Halifax, Nova Scotia actieve Canadese zingende liedjesschrijfster Rose Cousins ging voor haar nieuwe cd “The Send Off” in zee met de ook hier ondertussen al een aardige reputatie genietende producer Luke Doucet. En dat hoor je eraan ook! Doucet laat immers als naar goede gewoonte zijn eigen gitaar nadrukkelijk de klankkleur van het gebodene mee bepalen. En dat is op de keper beschouwd eigenlijk best wel een zegen voor Cousins. Haar liedjes profiteren immers ten volle van de regelmatig enigszins naar het atmosferische overhellende aanpak van Doucet. Dat is bijvoorbeeld gelijk al in openingsnummer “I Were The Bird” het geval. Dat klinkt als het ware als iets van Shawn Colvin onder handen genomen door Daniel Lanois. Noch pop, noch folk, noch Americana, maar iets midden daar tussen in. En dat geldt voor wel meer nummers hier. Zo bijvoorbeeld ook voor het door Doucet met wat priemender gitaarwerk opgewaardeerde “Maybe I Knew”, het nogal introverte “White Daisies”, de al even intimistisch ingevulde Ryan Roberts-cover “Lewis Lake”, het enigszins cinemascopisch aandoende titelnummer, het zich in weemoed wentelende “The Dancers” en het met de hulp van collega’s Kathleen Edwards en Melissa McLelland gebrachte “All The Time It Takes To Wait”. Andere koek zijn dan weer de tot pianoballade uitgewerkte Mary Margaret O’Hara-cover “I Don’t Care” en het aan het eigen nageslacht geadresseerde “Young Once”. Die songs vallen duidelijk onder de noemer (roots)pop. En ook het met country stoeiende “Sadie In The Kitchen” en het opnieuw met Edwards en McLelland ingezongen en bezadigd swingende “Celebrate” zijn nadrukkelijk anders dan de rest hier. Meteen ook het enige wat mindere moment vonden wij, dat laatste liedje, op een voor het overige werkelijk verbluffend mooie plaat, die we je alleen maar van ganser harte kunnen aanbevelen.

Rose Cousins

CD Baby

 

JESS KLEIN “Bound To Love” (United For Opportunity / ADA)

(4,5*****)

Dat deze schoonheid nog niet véél en véél bekender is, is en blijft voor ons één groot raadsel. Jess Klein is immers ronduit fantastisch. Ze schrijft heerlijke rootsy popliedjes en is daarenboven ook nog eens gezegend met een stem om u tegen te zeggen. Een winnende combinatie, zou je toch denken! Maar het écht grote succes bleef dus vooralsnog achterwege. En dus pakt Klein maar weer met een nieuwe, haar immense talenten andermaal ten volle bevestigende worp uit. Voor de productie daarvan liet ze Mark Addison en de ook op zo ongeveer alles wat snaren heeft prominent aanwezige Scrappy Jud Newcomb tekenen. Zij gidsen Klein ondermeer door het nerveuze, blazersgewijs met wat R&B bediende streepje roots rock “When The Time Comes”, het tegen een achtergrond van rinkelende gitaren een heel klein beetje aan Tom Petty herinnerende “Don’t Wanna Say It”, het bijzonder emotionele titelnummer – Een echte wolk van een Americana-trage! – en “I Just Want To Know Your Name”, een klaaglijk liedje dat zo van het repertoire van Lucinda Williams weggelopen lijkt. En dan zijn er nog de aanstekelijke rootspopdeun “Postcard”, waarvoor Freedy Johnston al handenklappend even voorbijkwam, de in duet met huisfavorietje Slaid Cleaves gebrachte ballade “Fool”, het op bijzonder verleidelijke wijze neergelegde “It Will Come To Me”, het apart twangende “Travelin’ Woman”, de bloedmooie sleper “Rosalie” en nog een handvol anderen! Klein en Texas, het werkt duidelijk, want dit is één lang uitgesponnen genot voor het oor! Een plaat, die je absoluut niet mag missen dus!

Jess Klein

 

FIXKES “Superheld” (Excelsior)

(3,5****)

Ook op “Superheld”, de tweede volwaardige langspeler van de Fixkes, zal al wie op zoek gaat naar een charts-rijpe opvolger voor “Kvraagetaan”, dé zomerhit van 2007, bedrogen aankomen. Een op vergelijkbare wijze het collectieve geheugen aansprekende lap summer fun staat ook hier immers weer niet op. Al zijn er met “Netniliefde” en “Just Lek In De Film” wél enkele songs aanwezig die qua groove aardig in dezelfde richting schuifelen. Maar “Superheld” moet het al bij al toch vooral hebben van zijn muzikale diversiteit: van lekker funky en met een streepje dialectrap opgeluisterd zoals in het titelnummer of “Plakijzer” tot op z’n G. Love’s met R&B flirtend zoals in “Hoekske Af”, van snedig rockend weer naar de eigen jeugd teruggrijpend zoals in “Rock ‘n’ Roll” tot lijzig zomers poppy genre een Jack Johnson zoals in het al genoemde “Netniliefde”, van enigszins bluesy zoals in het bezadigd zijn titel helemaal waar makende “LDVD-Blues” tot singer-songwritergewijs met een folky toets in het afsluitende “Tijger”. Die gedurfde verscheidenheid maakt ook van deze “moeilijke tweede” weer een tot ver buiten Stabroek genietbare plaat.

(“Superheld” zal vanaf 8 maart overal te lande verkrijgbaar zijn.)

Fixkes

Excelsior Recordings

 

ADAM CARROLL “Live At Flipnotics” (Adam Carroll)

(3,5****)

Vrij kort na “Hard Times”, zijn hier flink bejubelde samenwerking met Michael O’Connor, pakt Adam Carroll alweer met een nieuwe plaat uit. Ditmaal betreft het daarbij een leuk aandenken aan een optreden, dat de veel geprezen Texaanse troubadour ergens in 2009 in Austin afwerkte, meer bepaald in de intimistische omgeving van het Flipnotics Café. Hij werd daarbij door Scrappy Jud Newcomb op de gitaar bijgestaan. En diezelfde Newcomb tekende ook voor de productie. En dat levert een op z’n zachtst uitgedrukt interessant album op. Een album, waarop naast een flink stel klassiekers uit Carrolls repertoire en twee derden van zijn laatste plaat “Old Town Rock N Roll” (“Oklahoma Gypsy Shuffler”, “Highway Prayer”, “Home Again”, “Rice Birds”, “Black Flag Blues”, “Girl With The Dirty Hair”, “AFL CIO”, “South Of Town”, “Sno Cone Man” en andere) ook wat nieuwere nummers (“Billy Gibbons’ Beard”, “Let Me Go”) de revue passeren. Een album ook, dat je een goede indruk geeft van wat Carroll live zoal te bieden heeft. De man blijkt überhaupt zeer onderhoudend en doet zijn reputatie van Texaans antwoord op John Prine hier echt alle eer aan.

Adam Carroll

Lone Star Music

 

ELEVEN HUNDRED SPRINGS “This Crazy Life” (Smith Entertainment Group)

(3,5****)

En we houden de blikken hier nog even nadrukkelijk op de Lone Star State gericht. Met “This Crazy Life” met name, het nieuwe album van Eleven Hundred Springs. Dat als vanouds zalig gevarieerd countryrockende collectiefje zweert daarop opnieuw trouw aan een geluid overduidelijk schatplichtig aan genregrootheden als een Waylon Jennings, een Merle Haggard, een Willie Nelson, een Hank Williams en een Buck Owens. Op hun wat ons betreft zondermeer beste plaat tot op heden maken Matt Hillyer en co nogmaals overvloedig duidelijk, dat wie de o graag in z’n country terug wil bij hen aan het juiste adres is. Van het als een soort klaagzang over een leven onderweg opgevatte titelnummer tot het zijn titel alle eer aandoende “Honky Tonk Angels (Don’t Happen Overnight)”, van het jazzy “I’m In A Mellow Mood” tot de rockabilly van “High On The Town”,  van “I’ll Get On To Getting Over You Tomorrow”, een alleraardigste country shuffle, tot het op enigszins bluesy wijze “the horizontal mambo” verheerlijkende en door Dave Perez van de Tejas Brothers accordeongewijs flink opgewaardeerde “Straight To Bed” en alles wat daar tussenin gebeurt, dit valt zonder uitzondering onder de noemer “the real thing”. En daarvoor mag u ons zoals geweten altijd wel even komen wakker schudden.

Eleven Hundred Springs

Lone Star Music

 

JAMES KEELAGHAN “House Of Cards” (Borealis Records)

(4****)

James Keelaghan heeft ons door de jaren heen eigenlijk nog nooit ontgoocheld en dat doet hij ook nu weer niet. Meer zelfs nog, zijn nieuwe CD “House Of Cards” behoort zondermeer tot zijn allerbeste. En dat hoeft dan weer niet echt te verwonderen, als je weet, dat de Canadese bard voor heel wat van de tien songs daarop schrijfhulp kreeg van ondermeer Karine Polwart, David Francey, Rose Cousins en Lori Watson. Hij verkeerde met andere woorden in opperbest gezelschap en dat resulteert hier in tien fraaie, veelal eerder introverte folk & roots songs, waarin andermaal duidelijk wordt, dat Keelaghan een echte meester-verteller is. Zo vat hij in het titelnummer bijvoorbeeld op fraaie wijze samen, hoe makelaars en financiers met mooie beloften mee aan de basis konden liggen van de zware economische crisis van de voorbije maanden. “They sold you plastic, then took your ace, with suits and ties, and the joker’s face,” luidt het daarin terecht. Al wil hij dan ook weer niet alle schuld van “de onwetende burger” afschuiven. Dat blijkt ondermeer uit de veelzeggende woorden “We’d all get wealthy, but would we ever get wise?” Ook héél mooi: het geheel en al aan heimwee opgehangen “Safe Home” en “Since You Asked”, waarin op poëtische wijze wordt omgesprongen met het gevoel doorgaans voorafgaand aan elke stap in het onzekere, in het met vaste rituelen en gewoontes brekende. Dat gevoel belet velen die stap ook effectief te zetten en precies dat wil Keelaghan ons met dit liedje uit het hoofd praten. Om het met de lijfspreuk van zijn huidige werkgever samen te vatten: “The best in Canadian folk music!”

James Keelaghan

Borealis Records

 

MATT KEATING “Between Customers” (Kealon / Red Parlor Records)

(4****)

Deze knaap verloren we ondanks knappe platen als “Tell It To Yourself”, “Scaryarea” en “Killjoy” na de jaren negentig een beetje uit het oog. En dat was, als we mogen afgaan op het op zijn nieuwe plaat gebodene tenminste, niet zo’n verstandige zet van ons. Die nieuwe van ‘m, “Between Customers”, is zonder ook maar de minste twijfel zijn beste tot op heden. Het gaat er allemaal flink wat rustiger dan in het verleden op aan toe. Waar toen power pop en folk rock nog vrij nadrukkelijk het geluid van Keating bepaalden, zoekt die het op “Between Customers” meer in singer-songwriterwateren. En eigenlijk gaat ‘m dat gewoon een stuk beter af. Als referenties zouden we je Grant-Lee Phillips en Ron Sexsmith kunnen meegeven, maar of dat écht zinvol is? Sfeermatig zit Keating wel nogal eens in dezelfde hoek, maar voor ’t overige is en blijft hij toch vooral zichzelf. En dat is in de eerste plaats een bijzonder eloquent heerschap, dat als geen ander z’n weg met woorden weet. Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het als het ware op het lijf van de Cash van in zijn nadagen geschreven “Shipfull Of Holes”, het op ingetogen wijze de hand zowel richting country als folk uitstrekkende “Tree Lined Streets”, het met gebroken stem gebrachte “Go Down” of het dat stukje New Orleans na Katrina op treffende wijze als beeld gebruikende “Louisiana” en je zal het daarover ogenblikkelijk met ons eens zijn. Wat een weerzien! Nooit gedacht, dat we ooit nog eens een plaat van Keating op zoveel enthousiasme zouden onthalen. Maar ook dat bleek dus weer een vergissing van onzentwege.

Matt Keating

 

JOSH ABBOTT BAND “She’s Like Texas” (Pretty Darn Tough Records / Thirty Tigers)

(4****)

De Texaanse muziekscene werd de voorbije jaren als het ware overspoeld door een heuse vloedgolf aan interessante nieuwe acts. Vele daarvan traden op nogal nadrukkelijke wijze in de voetsporen van Reckless Kelly. Zo ook de Josh Abbott Band. Maar dat vijftal deed dat op danig overtuigende wijze, dat ze door velen ginder al een poosje als één van dé hotste acts van het moment worden beschouwd. En dat, afgaande op hun tweede CD “She’s Like Texas”, volkomen terecht ook. Op die door Erik Herbst geproduceerde opvolger van hun al in 2008 verschenen officiële debuutplaat “Scapegoat” grossieren Abbott en zijn kompanen immers in extreem aanstekelijke country rock en Americana Lone Star State style. De twaalf nummers erop zijn zonder uitzondering originelen, die gedragen door de aangenaam gruizige stem van Abbott zelve en het lekker strakke spel van zijn begeleiders in een oogwenk tot echte oorwurmen uitgroeien. Met name het samen met Kasey Musgraves ingezongen “Oh, Tonight”, het mede door een wel erg energieke banjobijdrage van Gerald Jones gedragen meezingertje “Brushy Creek”, de met veel vuur gebrachte single “All Of A Sudden”, het door Roger Creager en Trent Willmon van wat gastvocalen voorziene “End Of A Dirt Road” en het groovy “Road Trippin’” zijn sublieme staaltjes van alles waar goede Texaanse country ons inziens dezer dagen voor hoort te staan. We durven ‘m van hier uit dan ook nu al een bijzonder rooskleurige toekomst toe te dichten, deze Josh Abbott. En “She’s Like Texas” willen we je alleszins van harte aanbevelen.

Josh Abbott Band

Lone Star Music

 

TEX SMITH “Tex Smith” (Tex Smith)

(3***)

Tex Smith is wat je noemt nog eens een zuiver product van de Lone Star State. Op zijn onlangs verschenen titelloze eersteling manifesteert de beste man zich als een van veel markten thuis zijnde zingende songsmid. Zo stoeit hij voor “Foolish Lovesong” met een aanstekelijk rockabilly-ritme, valt “Don’t Leave Me Now” onder de noemer roots rock, waait doorheen “Amarillo She Did Wear”, “Esperanza” en “What Happened To California” een eerder traditionele C&W-wind, koppelt “Let’s Be Friends” roots pop aan Americana, is “Something” folky singer-songwritermateriaal en blijven “Baby, Please Don’t Wear Your Party Dress Tonight” en “Honky Tonk Parades”, zoals de titel van dat laatste dat al suggereert, netjes binnen de grenzen van het honky-tonkgenre. Smith en zijn begeleiders brengen dat alles lekker ruw en ongepolijst. En precies daardoor gaat het een stuk minder opvallen, dat de man niet echt met een grote stem gezegend is. Iets wat overigens allerminst stoort. Dit visitekaartje ontleent zijn charme juist grotendeels aan het feit, dat alles hier heel naturel is. Dit ís gewoon Tex Smith, te nemen of te laten…

Tex Smith

CD Baby

 

GIRLYMAN “Everything’s Easy” (Girlyman Inc.)

(3,5****)

Doris Muramatsu, Tylan Greenstein en Nate Borofsky stappen gezamenlijk door het leven als Girlyman. En dat doen ze al een poosje, want met “Everything’s Easy” is het Atlanta als uitvalsbasis gebruikende trio inmiddels al aan z’n vijfde album toe. Een hele mooie plaat trouwens, die worp. De drie hadden er op ons ogenblikkelijk zo ongeveer hetzelfde effect mee, als toen we voor het eerst “Fireflies” van Owl City hoorden. Het werd terstond weer een heel klein beetje zomer in ons hoofd. Iets wat een mens dezer dagen best wel gebruiken kan. En we lieten ons dan ook maar al te graag meevoeren op de bijzonder warm en comfortabel aandoende golven van mooi de gouden middenweg tussen folk en pop bewandelende deuntjes als “Tell Me There’s A Reason”, “Easy Bake Ovens”, “Could Have Guessed”, “Wherever You Keep” en andere. Deuntjes, volop profiterend van hoegenaamd loepzuiver harmonieerwerk, meer dan eens herinnerend aan gouden sixties acts als Simon & Garfunkel, The Mamas & Papas en de Beach Boys.  Deuntjes, gezegend ook met melodieën om u tegen te zeggen. Het soort van muziek, waarvoor je graag even lui achteroverleunt, de ogen sluit, om er enkele ogenblikken lang helemaal weg van de wereld met volle teugen van te genieten.

Girlyman

 

QUARTER MILE COMBO “Motels, Gas & Beer” (6Volt Records / Rhythm Bomb Records)

(4****)

Daar waar heel wat andere dezer dagen hun ziel aan rockabilly verkopende acts in hun pogingen om dat vooralsnog vooral met de jaren vijftig geassocieerde genre naar het hier en nu te vertalen stranden in schaamteloos epigonisme van één of meer van hun helden, slagen de vier van het Californische Quarter Mile Combo er gelijk al op hun debuut wonderwel in om aan datzelfde gegeven een behoorlijk vurige eigentijdse draai mee te geven. En dat doen ze dan nog eens met twaalf eigen liedjes ook. Songs, waarin zo goed als alle puzzelstukjes voortdurend keurig op hun plaats vallen. Met Nettie Hammar beschikt het kwartet dan ook over een fabelachtig goede vocaliste. Een soortement van Wanda Jackson voor het nieuwe millennium als het ware. Met niet enkel een geweldige stem, maar ook nog eens tonnen aan présence. En dan hadden we het nog niet over het supercoole gitaargeweld van Justin Barr, de fanatieke basbewerking van Todd Troublemaker en het quasi metronoomgestuurde drumgeroffel van Gary Daly. Met z’n allen verlenen zij aan deunen als het met een flinke shot honky-tonk kruisbestoven “Rodeo Show”, het over als naaldhakken in nood tegen je trommelvliezen tikkend slagwerk neergelegde “Cougar Mama”, het door extreem opzwepend gitaarwerk van Barr en de krolse stem van Hammar gedragen “Kitten” en het zijn titel swingend werkelijk alle eer aandoend “Knockout Punch” een zekere x-factor. En precies dat maakt van “Motels, Gas & Beer” de hippe plaat, die het is. Een plaat, waarin zeer velen zich zullen kunnen vinden. Een waar genot en dat heus niet enkel voor liefhebbers van rock & roll en rockabilly dus!

Quarter Mile Combo op MySpace

CD Baby

 

BROOKS WILLIAMS “Baby O!” (Red Guitar Blue Music)

(4****)

Voor de opnames van zijn ondertussen toch ook alweer zeventiende cd zakte de Amerikaanse zanger-gitarist Brooks Williams onlangs naar Groot-Brittannië af. Daar vond hij in de ondermeer van zijn werk met Jethro Tull bekende bassist David Goodier, pedal steeler PJ Wright, harmonicavirtuoos Keith Warmington en collega zingende liedjesschrijfster Helen Watson geschikte compadres voor het inblikken van een zevental nieuwe eigen songs en covers van “Grinnin’ In Your Face” van Son House, “Louis Collins” van Mississippi John Hurt, Mel Londons “Sugar Sweet”, Duke Ellingtons “I Got It Bad (And That Ain’t Good)” en de traditional “Amazing Grace”. De voor zijn werk met Seasick Steve geprezen Andy Bell leidde tijdens het opnameproces alles in goede banen en voor de productie tekende Williams zelf. Tot daar de feiten. Maar hoe zit het nu eigenlijk met de muziek op “Baby O!”? Wel, die is verre van kwaad. Integendeel zelfs! Williams maakt hier meer dan ooit duidelijk, waarom hij door velen gezien wordt als één der echte muzikale schatten van de States. Williams is een echte grootmeester op zo ongeveer alles wat snaren heeft en dat bewijst hij hier uitgebreid op de akoestische, de slide en de resonator. Nu eens zijn hart luchtend over een met de voet mee gestampte groove, dan weer zalig akoestisch bluesy of mijmerend rondwarend doorheen Americana-land, Williams bestrijkt op “Baby O!” nogal wat terrein. En misschien is dat wel juist één van de sterke kanten van deze nieuwe plaat van ‘m. Nergens krijgt verveling daardoor immers ook maar enige kans om toe te slaan. Je wordt met andere woorden voortdurend goed bij de les gehouden. En dat betekent dan weer, dat je pas echt ten volle gaat genieten van regelrechte muzikale hoogstandjes als het heerlijk intimistische, over de zachtjes huilende pedal steel van PJ Wright neergelegde streepje Americana “Last Chance Love”, het zomers loom gebrachte bluesje “Baby-O”, een werkelijk verbluffend mooie instrumentale versie van “Amazing Grace”, het meestampertje “Walk You Off My Mind” en andere. Wat kan die man spelen! Zalig gewoon! En al zeker als je weet, dat hij zijn virtuositeit voortdurend gewoon keurig ten dienste van de gebrachte liedjes stelt. Roots & blues in optima forma!

Brooks Williams

 

THE PLIMSOULS “Live - Beg, Borrow & Steal” (Alive Naturalsound Records)

(3,5****)

Zou het dit nu kunnen zijn, wat men verstaat onder jeugdsentiment? Een niet te stuiten opwelling van nostalgie en blijdschap naar aanleiding van een totaal onverwachte nieuwe release van een ooit als jeugdhelden gekoesterd stelletje rockers? Want dat was precies het gevoel, dat hier overheerste naar aanleiding van het nieuws, dat van The Plimsouls, de groep rond de later ook als singer-songwriter flink van zich doen sprekende Peter Case, een nieuwe plaat zou verschijnen. En al zeker omdat “Live - Beg, Borrow & Steal” – een handige woordspeling op het van “Everywhere At Once” bekende “Lie, Beg, Borrow And Steal” – werd opgenomen toen de groep creatief gezien net haar hoogtepunt bereikt had. We zeggen en schrijven 31 oktober 1981 in de vermaarde Whisky A Go Go op L.A.’s oude Sunset Strip. Case en kompanen rammen hyperkinetisch en rete-aanstekelijk doorheen een achttien songs tellende, met eigen klassiekers – “A Million Miles Away”, “Shaky City”, “Zero Hour”, “Hush Hush” en andere – en covers – ondermeer “Come On Now” van de Kinks, “New Orleans” van Gary US Bonds, “Dizzy Miss Lizzy” van Larry Williams, “Hey! Hey! Hey! Hey!” van Little Richard, “Run Run Run” en “Who Do You Love?” van Bo Diddley – doorspekte set, waarvan de adrenaline zo ongeveer met beken tegelijk afstroomt. Lekker rauw, lekker hoekig, de naweeën van de eerste punkgolf duidelijk nog niet helemaal verwerkt hebbend. Twee van de songs, met name “Hey! Hey! Hey! Hey!” en “New Orleans”, werden overigens gebracht samen met gelijkgestemde geesten The Fleshtones. Super materiaal is dit, waarin ondermeer power pop, (roots) rock, garage soul en R&B elkaar heel graag blijken te mogen. Ook na al die jaren nog… Een blij weerzien derhalve ook!

The Plimsouls op MySpace

 

ERIC BIBB “Booker’s Guitar” (Dixiefrog / Bertus)

(4****)

Vlak na een concert in Londen enkele jaren geleden werd Eric Bibb tijdens het signeren van cd’s door een al wat oudere fan van ‘m aangesproken. Of hij misschien geïnteresseerd was om wat te komen spelen op de National-gitaar, die ooit nog aan de legendarische Delta bluesman Bukka White toebehoord had? Het spreekt voor zich, dat Bibb zich zulks geen twee keer liet vragen. En van het één kwam meteen de volgende ochtend dan ook al het ander. En op termijn nog véél meer ook. Bukka’s gitaar leidde aanvankelijk immers tot één liedje en later tot een heel album. Een geheel, waarop Bibb een compleet eigen draai geeft aan Delta blues. Hij vertaalt dat aan het begin van de vorige eeuw aardig populaire genre als het ware naar het hier en nu. Zodoende quasi terloops zijn nauwe betrokkenheid erbij op indrukwekkende wijze onderlijnend. En dat leidt tot nogal wat echte pareltjes. Vooreerst natuurlijk het zijn lotgevallen in Engeland op die bewuste avond op ingetogen wijze bezegelende “Booker’s Guitar”. Dat ook effectief op White’s gitaar ingespeelde liedje is een echte beauty. Verhalende akoestische blues werkelijk op z’n allerbest. Andere topmomenten? Het met Grant Dermody op de harmonica gebrachte en op de schrijfselen van Deepak Chopra geïnspireerde “With My Maker I Am One”, het op doorleefde jazzy wijze naar de dramatische overstroming van de Mississippi in 1927 teruggrijpende “Flood Water”, het heerlijk relaxte, zijn titel werkelijk alle eer aandoende “Walkin’ Blues Again”, de mits enige goede wil als Americana te bestempelen instrumentale “Train To Aberdeen” en vooral ook uitzonderlijk knappe versies van de traditional “Wayfaring Stranger” en het aan het oeuvre van Blind Willie Johnson ontleende “Nobody’s Fault But Mine”, waarin de hier eerder al eens genoemde Dermody opnieuw erg nadrukkelijk aanwezig is. Dat soort van liedjes en andere maken van deze nieuwe schijf van Bibb andermaal een echte must-have.

Eric Bibb

Dixiefrog Records

 

MATT HARLAN “Tips & Compliments” (Berkalin / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Sommige platen moet je gewoon zelf gehoord hebben. Wat koop je er immers mee, als iemand je in een recensie ervan probeert te overtuigen van het feit, dat ze de perfectie benaderen? Dat ze zó goed zijn, dat je er nooit meer zonder zal willen. Enfin, wat we hier gewoon gelijk maar even duidelijk wilden stellen, is dat je “Tips & Compliments”, het studiodebuut van Matt Harlan, zo snel mogelijk zelf dient te gaan beluisteren. Wat die nog relatief jonge Texaanse singer-songwriter daarop brengt is immers zodanig goed, dat hij er zich wat ons betreft onmiddellijk een plaatje naast gevestigde waarden als een Guy Clark, een Steve Earle, een Robert Earl Keen en een Chris Knight mee verdient. Harlan is een echte meester-verteller! Van het soort, waar zelfs gereputeerde collega’s naar opkijken en er hun bewondering spontaan voor uitdrukken. Neem nu zoiets als het zacht countryrockend de drugs-gerelateerde teloorgang van een broer bezingende “Elizabethtown”. Dat is songgoed van dermate hoge kwaliteit, dat zo menig een zingende spitsbroeder van Harlan er ogenblikkelijk en zonder nadenken een hand voor zou afstaan. En liedjes van dat kaliber tref je hier wel meer aan. We noemen bijvoorbeeld ook nog de liefde op een hoogst aparte wijze benaderende road song “Skinny Trees Of Mississippi” en het sociaal geëngageerde “Waiting For Godot”. Harlan toont zich daarin even vaardig in het in woorden vatten van dingen als in het pennen van zijn verhalen. De werkelijkheid wordt zodoende als het ware nooit geweld aangedaan. Ze is nu eenmaal wat ze is. En we kunnen hier dan ook enkel in herhaling vallen en je blijven adviseren om dit door Rich Brotherton geproduceerde en met studioratten als Warren Hood, Marty Muse, Riley Osbourn, Tom Van Schaik en anderen ingespeelde visitekaartje zo snel mogelijk zelf te gaan proberen. Wedden, dat je er, als je het eenmaal geprobeerd zal hebben, nooit meer zonder zal willen? (Een vette knipoog is hier op zijn plaats…)

Matt Harlan

Sonic Rendezvous

 

JILL ANDREWS “Jill Andrews” (Liam Records)

(4****)

“Zo Mooi, Zo Blond En Zo Alleen”, de titel van een Vlaamse schlager, waarmee Jimmy Frey in 1968 zo menig een jong meisjeshart sneller deed slaan, maar dezer dagen óók het lot van Jill Andrews, die goed een jaar geleden immers een streep onder haar verleden besloot te trekken en zodoende het hoofdstuk Everybodyfields definitief afsloot. Die Andrews is nu terug met een zes tracks tellende E.P. onder eigen naam. En wat voor één! De bloedmooie Amerikaanse laat je als het ware meteen hunkerend naar meer achter. Van het in een mum van tijd van pianoballade tout court tot fraaie melancholische Americana open bloeiende “Worth Keeping” tot de haar verhuis van Johnson City naar Knoxville en de daarmee gepaard gaande aanpassingsproblemen bezingende sleper “City Noise”, van het atmosferische, speciaal voor een jeugdvriend gepende “A Way Out” tot de bedaarde countryeske roots pop van “Sweetest In The Morning”, van het verstilde “These Words” tot het ook al hartverscheurend mooie “Always Be Sorry”, alles klinkt hier even innemend. En Tift Merritt, Allison Moorer, Laura Cantrell, Suzie Ungerleider (Oh Susanna) en andere gelijkaardige zingende liedjesschrijfsters hebben er ons inziens aan deze Jill Andrews dan ook een te duchten concurrente bij. Echt bloedmooi allemaal!

Jill Andrews

CD Baby

 

SHELLEY KING “Welcome Home” (Lemonade Records)

(4,5*****)

“Welcome Home” staat voor een unieke samenwerking tussen Shelley King en drie leden van de onvolprezen Subdudes. Samen met John Magnie, Steve Amedee en Tim Cook levert ze een bij momenten echt adembenemend mooi album af. Een plaat, waarop je als het ware het beste van twee werelden geserveerd krijgt. Definitely Texas, maar evenzeer New Orleans. King schreef zeven van de elf songs erop nochtans in haar eentje. Enkel voor “How You Make Me Feel”, “I Can’t Make It Easy” en “Everything’s All Right” kreeg ze wat hulp van buitenaf van respectievelijk Floramay Holliday, John Magnie en Theresa Andersson. Tim Cook en Steve Strickland droegen dan weer “Asking Too Much” aan. Dat laatste is een uitermate fraaie R&B-sleper, waarin met name de soulvolle stem van King en het accordeon van John Magnie voortdurend tot tranen toe weten te bewegen. Een eerste van vele hoogtepunten hier. En daartoe behoren wat ons betreft zeker ook nog het op een ingetogen cajun-motiefje geborduurde “Everything’s All Right”, de op al even delicate wijze gebrachte Americana-deun “Summer Wine”, de moderne gospel van het titelnummer, de swingende, pianogestuurde rhythm & blues van “How You Make Me Feel”, de op z’n Bonnie Raitts gecroonde ballade “I Can’t Make It Easy” en het nadrukkelijk z’n pijlen richting New Orleans afvurende streepje soul “It’s Starting To Rain”, dat mede dankzij het ongemeen mooie harmonieerwerk van de heren Subdudes uitgroeit tot het absolute topmoment van dit van begin tot einde véél meer dan alleen maar overtuigende album. Niets minder dan een schoolvoorbeeld van een geslaagde gumbo van rootsy stijlen, dit pareltje. Doe er vooral je voordeel mee!

Shelley King

CD Baby

 

JAY HOLLIS “Jay Hollis” (Jay Hollis Music)

(2,5***)

Vanuit Wichita Falls, Texas bereikte ons enige tijd geleden het titelloze debuut van Jay Hollis. Nog eens een echte cowboy, die knaap. Een man met een verleden als bull rider namelijk. En dus vind je op die eersteling van ‘m ook bijna als vanzelfsprekend uitsluitend country terug. Nogal wat deuntjes met ogenschijnlijk commerciële bedoelingen overigens. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als de ballades “I Want To Live”, “Frozen Roses”, “Hypnotized” en “Second Chance”. Die ruiken waarschijnlijk nog net iets teveel naar Texas om er in Nashville en verre omstreken mee aan de bak te komen, maar toch! Het is allicht niet het soort van materiaal, waarmee je de gemiddelde lezer van deze pagina’s gelukkig maakt. Iets wat wellicht wél het geval is met het superswingende, nog duidelijk op de traditionele leest geschoeide “Honky Tonk Hall Of Fame”, het met een lekker rockend rootsy gitaartje en een met veel zwier gestreken fiddle onderbouwde “Six Pack Pretty” en het ook alleraardigst countryrockende “Devil Ain’t Got A Prayer”. Met meer van dattum hadden we Hollis met veel plezier een ster meer gegund. Maar dat zal dus voor een volgende keer zijn, vrezen we. Tot dan zullen fans van knapen als een Kevin Fowler, een Ed Burleson, een George Strait en een Alan Jackson hier allicht best wel het nodige plezier aan beleven.

Jay Hollis

 

KACI BOLLS “1929” (Olé) en “Live” (London Blü Records)

(3,5****) en (4****)

Met de swingende rootspopdeun “1929” leverde de jonge Kacey Bolls zopas één van dé markantste liedjes van de jongste maanden af. “Tonight we’ll party like it’s 1929,” zingt ze daarin, daarmee nogal nadrukkelijk verwijzend naar de hit “1999” van Prince. Een extreem positief deuntje, waarin Bolls ons in tijden van crisis aanmaant om precies dat te doen, wat haar landgenoten ook deden na de fameuze beurscrash van 1929. En dat is dus feesten. Feesten om je zorgen te vergeten! Alleen dat ene liedje al volstaat eigenlijk ruimschoots om Bolls tot een grote belofte uit te roepen. Maar er is meer. Zoveel meer! Op de E.P. “1929” bijvoorbeeld nog het op fraaie wijze melancholie onder woorden brengende “I Feel Blue”, de samen met Georgia Middleman en Jay Knowles gepende ballade “I Miss You” en het met Billy Crain gedeelde “Hide The Sun”. Op het in de Listening Room in Nashville, TN en het Lovett Auditorium in Murray, KY ingeblikte “Live” een volledig akoestisch gehouden, vijftien songs tellende sessieregistratie en een drietal bonus tracks. Naast de vier songs van de E.P. “1929” nog een dertiental verdere songhoogstandjes dus. Bolls profileert zich op dat album niet enkel als een geweldige liedjesschrijfster en dito zangeres in het kielzog van dames als een Shawn Colvin en een Mary Chapin Carpenter maar ook als een uitstekende entertainer. Je hoort, dat ze wat ze doet héél erg graag doet. Het maakt van haar het soort van artieste, dat een publiek zonder ook maar de minste moeite zal weten te boeien en geboeid te houden. Zowel met haar liedjes, als met de verhalen ertussen. Duidelijk een naam om te onthouden dus, deze Kaci Bolls!

Kaci Bolls

CD Baby “1929”

CD Baby “Live”

 

ADAM CARROLL & MICHAEL O’CONNOR “Hard Times” (Adam Carroll & Michael O’Connor)

(5*****)

Dit is wat ons betreft een vroege kandidaat voor de titel “plaat van het jaar” in de afdeling singer-songwriters. Deze samenwerking tussen de door ons al sinds jaar en dag op handen gedragen Texaanse vakman Adam Carroll en de vooral als sidekick van Slaid Cleaves, Susan Gibson en anderen bekende Michael O’Connor is in één woord indrukwekkend. Met elf kwalitatief zonder uitzondering bijzonder hoogstaande liedjes, naar eigen zeggen voornamelijk gewijd aan de Gulf Coast bevolkende losers, halen ze constant het niveau van de allergrootsten in het genre, zeg maar een John Prine, een Guy Clark of een Townes Van Zandt. Vijf daarvan schreven ze ook effectief samen, voor een zesde werd Gordy Quist van The Band Of Heathens mee aan tafel gevraagd, de overige vijf zijn eigen composities van Carroll en O’Connor. Enkele van de leukste momenten zijn wat ons betreft het tragikomische “Billy Gibbons’ Beard”, opgehangen aan het verhaal van een dronkaard met een “bar tab twice as long” als het object uit de titel, het zowel louter muzikaal gezien als inhoudelijk heel erg aan John Prine herinnerende titelnummer “Hard Times”, het thematisch de zaken hier goed samenvattende “Gulf Coast Losers” en het met een fraai streepje mondharmonica opgeluisterde “Tired Of Myself”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niet één enkel minder liedje op. Wat maakt dat elk van de boven dit stukje uitgereikte sterren dubbel en dik verdiend is.

Adam Carroll

Michael O’Connor

CD Baby

 

AUDREY AULD “Billabong Song” (Reckless Records)

(3***)

Voor de nieuwe van Audrey Auld mag de term tussendoortje weer eens even uit de kast. Het is immers een amper zes eenheden tellende collectie, waarmee ze tegemoet wil komen aan de vraag van haar fans om de Australische liedjes, die ze tijdens haar optredens wel eens te beste geeft, ook effectief te vereeuwigen. “Billabong Song” bevat zo akoestische versies van “Waltzing Mathilda”, zo ongeveer het alternatieve volkslied van haar land, van “And The Band Played Waltzing Mathilda” en van “Pub With No Beer” en “Camooweal” van Slim Dusty. Die covers vult ze aan met één eigen liedje, “Australia (Paint You A Picture)”, een publieke liefdesverklaring aan haar land van afkomst, en een lezing van “My Country”, een down under naar verluidt nogal populair gedicht van de hand van Dorothea Mackellar. Wel leuk allemaal, maar vooral toch ook maar weinig waar voor je zuurverdiende centen. En zoiets vinden wij dan jammer!

Audrey Auld

CD Baby

 

PETER GALLWAY “Manhattan Nocturne” (Gallway Bay Music)

(3,5****)

“Manhattan Nocturne”, de nieuwe van de dezer dagen vanuit Santa Barbara, California agerende Peter Gallway, is een heel erg mooie plaat geworden. Een plaat, waarmee wij in de toekomst, knus verscholen onder onze koptelefoon, met veel plezier nog zo menig een vermoeiende dag op het werk op sfeervolle wijze zullen uitluiden. “A collection of jazz songs about coming of age in Greenwich Village,” noemt de beste man het zelf. En daarmee slaat hij spijkers met koppen. “Manhattan Nocturne” verweeft op uiterst sfeervolle wijze elementen uit jazz, folk en pop tot één geheel, dat zich als uitermate geschikt voor de late uurtjes aandient. Met zijn wat wollig aandoende stem schildert Gallway twaalf lappen grootstadsidylle op het canvas van de nacht. Intimistisch gestoei op de eigen elektrische en een piano en gastbijdragen van Nate Birkey (trompet), William Gallison (harmonica), James Connolly (akoestische bas), Dean Sharp (drums) en Hat Check Girl-maatje Annie Gallup (backing vocals) zorgen daarbij voor de ideale soundtrack. Très joli! (En een aanrader voor al wie hield van Donald Fagens klassieker “The Nightfly”.)

Peter Gallway

CD Baby

 

K.D. LANG & THE RECLINES “A Truly Western Experience – 25th Anniversary Edition” (Bumstead Productions)

(3,5****)

Precies vijfentwintig jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat de ondertussen tot een heus genre-icoon uitgegroeide Canadese K.D. Lang debuteerde met “A Truly Western Experience”. Dat die verjaardag gevierd wordt met een in tal van formaten verkrijgbare box set luisterend naar de titel “Recollection”, was je wellicht niet ontgaan. Maar wist je ook, dat Langs al een poosje niet zo gemakkelijk meer verkrijgbare visitekaartje onlangs als “25th Anniversary Edition” compleet geremasterd opnieuw het daglicht zag? Is dus wel degelijk zo, hè. Naast de negen tracks van haar eersteling krijgen we daarop ook “Friday Dance Promenade” en “Damned Old Dog” van haar in 1983 verschenen debuutsingle, de demo “Burrs Under Your Saddle” en de live tracks “Hungry For Love”, “Johnny Get Angry” en “Mercy”. En alsof dat allemaal al niet volstond, biedt een tweede schijfje ook nog de video’s bij “Hanky Panky”, “Bopalena” en “Pollyann”. Mijlenver verwijderd allemaal van wat Lang tegenwoordig brengt, maar wel erg leuk! Het herinnert er je nog eens aan, waarom ze als jonge spring-in-’t-veld het (alternatiever ingestelde deel van het) countrywereldje indertijd stormenderhand wist in te nemen. Ook een kwart eeuw later klinkt haar eigenzinnige mix van traditionele country, swing, blues en rock & roll nog altijd even onweerstaanbaar. En die geweldige, ongemeen expressieve stem, haar handelsmerk eigenlijk, die was er ook toen al. Een blij weerzien met andere woorden, dit schijfje.

K.D. Lang

Bumstead Productions

CD Baby

 

T-MODEL FORD The Ladies Man” (Alive / Sonic Rendezvous)

(4****)

Op 22 juli 2008, kort na het beëindigen van een tournee, dook Mississippi-bluesman T-Model Ford de Planet Paul Studios in Wichita in om er een volledig akoestische plaat in te blikken. Op die manier hoopte hij voor één keer voor de volle 100% controle over de zaken te zullen hebben en houden. Een gemakkelijke job werd het derhalve voor de geluidsverantwoordelijken. Gewoon wat tape aan het rollen brengen en de dingen hun gangetje laten gaan. En zoiets levert dan een echte zaligheid van een plaat op… Heerlijk ongepolijste akoestische blues om duimen en vingers bij af te likken. Met een zich als een kind amuserende achtentachtigjarige(!) en zijn akoestische gitaar voortdurend in de hoofdrollen. Eén enkele namiddagsessie en een flask Jack Daniels volstonden om de elf songs op “The Ladies Man” voor de eeuwigheid vast te leggen. Onvoorstelbaar eigenlijk! Ford legt ongemeen veel gevoel in het gebrachte materiaal en vertelt quasi terloops ook enkele verhalen aan zijn veel jongere begeleiders. Dat waren respectievelijk Dustin Arbuckle (harmonica), Stefan Zillioux (gitaar), Aaron Moreland (gitaar), Martin Reinsel (percussie) en Starr Harris (percussie). Hopelijk voor ons blijft het niet bij deze ene keer! Dingen als “Sallie Mae”, “I Was Born In A Swamp”, “Two Trains” en andere kan je immers amper anders dan subliem noemen.

T-Model Ford

Sonic Rendezvous

 

ROBIN MOORE “My Momma’s People”(Robin Moore)

(3***)

Soms is er niet echt veel nodig om je van iemands capaciteiten te overtuigen. Neem nu zoiets als “My Momma’s People” van Robin Moore bijvoorbeeld. Amper vijf songs telt dat schijfje, maar dat was ruimschoots voldoende om ons al na één enkele beluistering over de streep te trekken. De liedjes van Robin en Tom Moore vallen onder de noemer Southern Gothic. Met een stem een weinig herinnerend aan die van de jonge Lucinda Williams als haar voornaamste bondgenoot concentreert Moore zich op het vertellen van verhalen, zoals haar “Momma’s People” haar dat ooit voordeden. Dat gebeurt tegen een muzikale achtergrond, die bij momenten nogal nadrukkelijk haar in Alabama liggende roots verraadt. Dat geldt zeker voor het aardig richting Southern rock overhellende “Northstar”. Een stuk beter vonden wij echter het met old-time stringband music en blues flirtende en door Greg Fuson van wat knap dobrowerk voorziene titelnummer, het door “Mister Bill” Harrison accordeongewijs van een shot cajun bediende “Hot Gravy & Ham” en vooral ook de sfeervolle Americana van “Marveline”. Dat laatste nummer mag wat ons betreft rustig de blauwdruk gaan vormen voor de muzikale toekomst van Moore. Het enige minpuntje op dit debuut vond wij openingsnummer “Geronimo”, omdat dat an sich niet eens zo slechte liedje een beetje dreigt te verzuipen in een wat al te rommelige productie.

Robin Moore Band

CD Baby

 

JOSH ROUSE “El Turista” (Bedroom Classics / ADA)

(3,5****)

Josh Rouse houdt duidelijk niet van muzikaal hokjesdenken. Voor elke nieuwe worp laat de beste man zich dezer dagen weer wat anders invallen. En dat betekent in het geval van “El Turista” een soort van kruisbestuiving tussen Braziliaanse ritmes en sfeertjes, zwoele jazz en z’n oude liefde folk. Vergelijkingen met albums als Paul Simons “The Rhythm Of The Saints” en “Contra” van het tegenwoordig volkomen terecht door velen stevig aan de borst gedrukte Vampire Weekend dringen zich daardoor onwillekeurig op. Vooral wat betreft de aanpak dan. Net als op die platen laten zich ook bij Rouse de grenzen tussen de diverse aangedane genres amper nog onderscheiden. Het is alsof je op een voorzichtig de hitte van een hoogzomerdag uitblazende vooravond door een Zuiders straatje kuiert en er de muziek uit diverse gelegenheden tegelijk over je heen geknepen krijgt, je kent dat wel. Een echte smeltkroes dus, maar dan wel een danig gesofisticeerde, dat je er duidelijk weer de hand van de meester in herkent. Net zoals dat ook op ondermeer “1972”, “Nashville” en “Subtitolo” al het geval was. Met als best bijblijvende momenten wat ons betreft het sensueel heupwiegende “Mesie Julian”, het qua ritmiek duidelijk bij de hoger al genoemde Paul Simon-plaat aansluitende “I Will Live On Islands” en vooral ook de ultieme terrasjespop van liefdesliedje “Sweet Elaine”. Als er zoiets als gerechtigheid bestaat, wordt dat laatste één van dé grote zomerhits van 2010.

Josh Rouse

 

RICH MCCULLEY “Starting All Over Again” (Rich McCulley)

(4****)

Het pad, dat de vanuit L.A. actieve Rich McCulley in de aanloop naar zijn vijfde cd diende af te leggen, voerde bepaald niet altijd over rozen. Zo zag hij op vrij korte tijd zowel zijn ex-liefje Amy Farriss als zijn schrijfmaatje Duane Jarvis overlijden. Twee mensen, die nog nauw bij de voorbereiding en de opnames van “Starting All Over Again” betrokken waren. En dat die schijf nogal wat zich in weemoed wentelende momenten bevat, is dan ook begrijpelijk. McCulley droeg het album niet enkel aan Farriss en Jarvis op, met het soulvolle, samen met Grant Langston gepende “Who’ll Hang The Moon (Song For DJ)” bevat het ook een heus muzikaal eerbetoon aan laatstgenoemde. Meteen één van de allermooiste momenten van de plaat, dat nummer. Al zijn er daarvan wel veel. We noemen bijvoorbeeld ook nog de gloedvolle rootsrock van “Dreams Tonight”, het volop van hechte harmonieën en rinkelend gitaarwerk profiterende “The Last Song”, het extreem catchy ingevulde “Tell Me, I’m Listening”, de met strijkers overladen, bijna Beatle-eske love gone wrong-ballade “Not The One”, het snedige, nogal nadrukkelijk met power pop flirtende “Falling Apart” en de afsluitende Americana popdeun “Starting All Over”. Met dat soort van goudeerlijke, vaak erg persoonlijke liedjes bewijst McCulley andermaal wat we hier al veel langer wisten. Met name dat hij een kanjer van een songsmid is, die eigenlijk al véél en véél langer een groot publiek verdient. Laat ons hopen, dat hij dat met “Starting All Over Again” eindelijk ook vinden zal.

Rich McCulley

 

VICKY EMERSON “Long Ride” (Vicky Emerson)

(4,5*****)

U houdt van Lucinda Williams, Patty Griffin en Shawn Colvin? Dan moet u beslist ook Vicky Emerson eens een luisterbeurt gunnen. Wat die vanuit New York aan de weg timmerende Amerikaanse op haar zevende plaat “Long Ride” presenteert, getuigt immers van een welhaast even grote klasse.  Met een stem uit de duizenden waadt ze doorheen negen haar als het ware door het leven zelf aangereikte songs. Ze vertaalt daarin vaak haar eigen ervaringen naar universele waarheden. En dat levert een soort van luistervoer op, dat wat ons betreft probleemloos naast dat van hoger genoemde dames mag staan. Zowel op tekstueel als op muzikaal vlak doet Emerson immers voortdurend grootse dingen. En de atmosferische Americana op “Long Ride” zal dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heel wat nieuwe zieltjes voor haar goede zaak gaan winnen. Het zou ons eigenlijk verwonderen, als ze op basis van deze fabelachtig mooie plaat niet snel zou worden opgepikt door een grote platenmaatschappij. En die zou dan haar uitzonderlijke talent uiteindelijk het brede platform kunnen aanbieden, dat het gewoon verdient. Liedjes als het intimistische, licht jazzy gekleurde “Lazy Day”, het majestueuze, sfeergewijs enigszins aan het werk van Daniel Lanois herinnerende “Into The Woods”, het op dromerig twangend gitaarwerk geënte “Winter Wind” of het melancholische, aan de weeën verbonden met een leven “on the road” gewijde titelnummer horen immers gewoon thuis in elk zichzelf respecterend (Americana)radioprogramma. En als dat niet zou blijken te kunnen, dan koopt u deze beauty toch gewoon lekker zelf zeker!

Vicky Emerson

CD Baby

 

CHRIS SCRUGGS “Anthem” (Cogent Records)

(3,5****)

Chris Scruggs is één van die knapen bij wie muziek echt in de genen lijkt te zitten. Zijn grootvader was immers banjolegende Earl Scruggs, zijn moeder singer-songwriter Gail Davies. Nogal logisch dus, dat de jonge Scruggs opgroeide in een zeer countryvriendelijk milieu. En dat legde hem vooralsnog geen windeieren. Zo belandde hij al op zeer jeugdige leeftijd bij BR549, waar hij zowel gitaar- als zangpartijen voor zijn rekening nam. En ook solo doet hij regelmatig van zich spreken. Zoals ook nu weer met het onverwacht heropduikende “Anthem”. Een plaat, waarvoor honky-tonk weliswaar nog het uitgangspunt vormde, maar ook niet meer dan dat. Dingen als het swingende “It Ain’t Right”, de ballade “Old Souls Like You And Me” of “Where The Wind Might Blow” vallen nog nadrukkelijk onder de noemer traditionele country, maar elders stoeit Scruggs ook gretig met invloeden van buitenaf. Zo waait door “Running From The Graveyard” bijvoorbeeld een frisse R&B-wind, heeft “Troubled Times” iets met rock & roll en lijken liedjes als “A Victim’s Song”, “Windows” en “Open Letter” zelfs beïnvloed door sixties Britpop. “The Open Road The Open Sky” is dan weer C&W-getint singer-songwritermateriaal en “Sing Your Tune” roots pop tout court. Aan variatie met andere woorden geen gebrek hier. En zo mogen wij het graag hebben! Zeker als het zo goed gedaan is als hier!

Chris Scruggs

CD Baby

 

BILL PRICE “With The Eye Of A Sceptic…” (Grass Magoops Records)

(3,5****)

“Wat is dat toch met verhalen?”, vraagt Bill Price zich op het hoesje van zijn nieuwe cd “With The Eye Of A Sceptic…” af. Of nog: “Waarom worden we er zo door aangetrokken? Waarom houden we ervan om ze te vertellen?” En hij meent het antwoord op die vragen ook wel te weten. “Eerst en vooral,” vindt hij, “kunnen verhalen ons heel wat over onszelf leren.” Ze verschaffen ons als het ware inzicht in ons eigen wezen. “Maar,” schrijft hij, “er is ook nog iets anders, wat ons erin aantrekt. Iets diepers eigenlijk. En dat is, dat we er onszelf door het vertellen van verhalen blijven aan herinneren, dat we leven. Verhalen helpen ons immers in contact te komen met anderen. En als we in contact komen met anderen, voelen we ons levend en wel.” Hij noemt verhalen derhalve een “currency of human contact”. En dat vinden wij best wel een interessante theorie, want het valt op de keper beschouwd amper te ontkennen, dat er heel wat waarheid in schuilt. Feit is, dat de wijze woorden van Price ons met meer dan gemiddelde belangstelling onder de koptelefoon deden duiken voor een beluistering van zijn nieuwe CD. En die stelde ook absoluut niet teleur. Zijn invulling van Americana bleek immers ook plaats te laten voor invloeden uit andere genres als pop, folk, jazz en rockabilly en op die manier garandeerde hij ons alvast in voldoende mate variatie. En dat Price ondanks de aanwezigheid van een voldragen band toch ging voor een volledig akoestisch gehouden geheel, dat vonden we eigenlijk ook al een pluspunt. Maar het merendeel van zijn sterren oogst hij wat ons betreft toch vooral met zijn… verhalen! Het creatieve brein achter The Brains Behind Pa bekoort in dertien “likely stories”, die vrijwel zonder uitzondering worden gekenmerkt door een straaltje hoop aan de horizon. En het mooist van allemaal vonden wij daarvan deze, waarin Stasia Demos al harmoniërend en Garry Bole op zijn accordeon voor de nodige ondersteuning kwamen zorgen. Dingen als “Hear Me Out” en “Waterfall #2”, om er zomaar voor de vuist weg twee te noemen. Aanbevelen willen we dit album tenslotte vooral aan liefhebbers van knapen als een Bob Dylan en een John Wesley Harding. Zeker het werk van die laatste vormt best wel een uitstekende referentie.

Bill Price

CD Baby

 

HEINRICH XIII AND THE DEVIL GRASS PICKERS “Devilgrass Country” (Chaos Productions)

(3,5****)

Ook in buurland Duitsland lopen er medemensen rond, die het niet zo hoog op hebben met de zogeheten hat acts en andere prefab-cowboys, die de voorbije jaren in Nashville het countrygebeuren domineerden. U gelooft ons niet? Dan moet u hoogdringend aan “Devilgrass Country” van Heinrich XIII & The Devilgrass Pickers. Dat op duizend exemplaren gelimiteerde debuut van Henric “Heinrich” Steuernagel (zang en akoestische gitaar), Christoph Kipper (drums en mandoline), Joscha “Puky” Pulkert (akoestische bas), Sergej Köhn (banjo) en Sascha Malfeld (elektrische en slidegitaren) staat voor dertien strepen “straight, true & hellbound country music”. Oftewel traditionele country en bluegrass gekruid met een gezonde dosis punkattitude. Vergelijkbaar met andere woorden met de muziek van gelijkgestemde geesten als Hank III, J.B. Beverley & The Wayward Drifters, de .357 String Band, Wayne Hancock, Those Poor Bastards en aanverwanten. Heerlijk rammelend spul, niet zelden fanatiek aangejaagd door Köhns als bezeten bepotelde banjo. In het merendeel der gevallen gaat het daarbij om eigen materiaal van de hand van frontman Steuernagel. Slechts voor een drietal songs liet die zich bijstaan door anderen. Sterkste momenten op dit visitekaartje “neo outlaw style”? Dat zijn wat ons betreft onmiskenbaar het hypernerveuze duo “He Loves Them Country” en “The Truth Through My Eyes”, het met gast Bob Wayne gedeelde “Fuck Y**” en het was gas terug nemende en met een dronken snik in de stem gebrachte “Whiskey Yodel No. 1”. Songs, die met een verbetenheid verwant aan die waarmee de Pogues indertijd het Britse folkgebeuren nieuw leven inbliezen, country anno nu intraveneus te lijf gaan. Lijkt ons een bandje, dat je absoluut eens live meegemaakt moet hebben! De rauwe energie spat hier immers echt van af. (By the way, het betreft hier eigenlijk gewoon de aanloop naar “The Dark”, het binnenkort te verschijnen échte debuut van de groep. “Devilgrass Country” herbergt een stel demo’s, een in 2009 verschenen promo, wat live-opnames en een stel songs, die “The Dark” net niet haalden.)

Heinrich XIII

CD Baby

 

KEVIN HIGGINS “Find Your Shine” (Little Train Records)

(4,5*****)

Met “Find Your Shine”, zijn zesde cd tot op heden, vindt Kevin Higgins wat ons betreft definitief aansluiting bij de allergrootsten der Texaanse singer-songwritergilde. Op die opvolger van “Dark Side Of The Barn” uit ’99, “Kerrville Mud” uit 2000, “Cosmic Dust Devils” uit 2001, “Gathering Dust” uit 2005 en “Change In The Weather” van drie jaar geleden kerft hij met bijna literaire precisie tien prachtsongs uit de bast van het leven van alledag. Op bijzonder eloquente wijze en tegen een voor de Lone Star State eerder atypische muzikale achtergrond verwoordt hij het leven vooral zoals het is. Zo verbloemt hij bijvoorbeeld in “West Texas Aggregate” de werkelijkheid absoluut niet. Harde tijden zijn nu eenmaal harde tijden, punt uit. En in het heerlijk droefgeestige “Curtains” blikt hij met pijn in het hart terug op de tijd, toen hij zich door alles en iedereen verlaten uit levensnoodzaak verplicht zag om zijn ouderlijk huis te verkopen. “The Levee Boys” hakt er dan weer behoorlijk diep in met als thema het abrupt verliezen van z’n jeugdige onschuld door toedoen van een niets ontziende volwassene. En “Kickaround Kid” werd gevoed door het observeren van de gevolgen, die heel wat scheidingen met zich meebrengen voor de er meestal sowieso al tegen hun zin mee geconfronteerde kinderen van de betrokkenen. Enfin, bepaald niet altijd even licht verteerbare kost hier dus. Maar Higgins is zo’n uitmuntende verteller, dat je toch met veel plezier de hele rit lang aan z’n lippen blijft hangen. En ook muzikaal gezien getuigt wat hij hier onder de productionele hoede van Stephen Doster brengt van uitzonderlijke klasse. Veel van de songs op “Find Your Shine” ademen een maar moeilijk te definiëren sfeer uit. Ze hebben als het ware iets atmosferisch over zich. Americana, folk en roots pop dat nog wél, maar Higgins geeft er toch een totaal eigen draai aan. Bloedmooi allemaal! En met speciale vermeldingen nog voor gastbijdragen van John Leon (pedal steel), Chip Dolan (orgel en accordeon) en Warren Hood (viool en mandoline). Zij tekenen als het ware voor “the finishing touch”.

Kevin Higgins

CD Baby

 

EMORY QUINN “Live At Gruene Hall” (Texas Entertainment Group)

(3,5****)

Het gaat allemaal razend snel voor het Texaanse viermanschap van Emory Quinn. De band werd amper drie jaar geleden opgericht en is met “Live At The Gruene Hall” inmiddels ook al aan z’n derde worp toe. Een logische volgende stap overigens, dat live-album, als je weet, dat Nathan “Emory” Rigney (gitaar, fiddle, mandoline, zang), Clint “Quinn” Bracher (lead vocals, gitaren, harmonica), Case Bell (bas, keyboards, zang) en Troy Rios (drums) zo’n 150 gigs per jaar afwerken. Dan besef je ook wel, dat je hier te maken hebt met een goed geoliede countryrockmachine Texas style. Het soort van groep, waarvan er in de Lone Star State dezer dagen wel meer actief zijn, zij het dan ook weinig met zoveel overgave als deze knapen. En met het materiaal van hun debuut “Letting Go” uit 2006 en het twee jaar later verschenen “The Road Company” houden ze bovendien ook al flink wat sterke songs achter de hand. Zo bleven ons vooral het breed uitzwaaiend rockende “Blue Gone”, met ronduit fantastisch elektrisch gitaarwerk van Nathan Rigney, het met een shot Tex-Mex overgoten “Downtown San Antone”, en de instant meezingbare eerste single van de plaat, “Whiskey In My Whiskey”, bij. Stuk voor stuk liedjes, die het in zich hebben om een menigte moeiteloos naar hun hand te zetten. Iets wat logischerwijze dan ook gebeurde, toen de groep in december van vorig jaar het legendarische Gruene Hall aandeed. Voor een uitverkochte zaal rechtvaardigden Bracher en kompanen met brio de al een poosje om hun bandje heersende hype. En dat heus niet alleen met feestnummers, zoals hoger genoemd drietal. Neen, die van Emory Quinn kunnen ook best hun mannetje staan als singer-songwriters. Dat bewijzen ze vooral in wat rustigere nummers als de fraaie afsluitende ballades “Dear London” en “The Road Company”. Met dat soort van songs doen ze ons nu al reikhalzend uitkijken naar hun volgende studioplaat, waarvoor de eerste werkzaamheden ook alweer voor maart gepland staan. Van een stel bezige bijen gesproken…

Emory Quinn

Lone Star Music

 

FLORENCE RAWLINGS “A Fool In Love” (Dramatico)

(4****)

Daar waar wat grotere platenlabels zich tot voor kort nog voor de voeten liepen om er toch zeker maar als eerste bij te zijn om de nieuwe Norah Jones of Katie Melua vast te leggen, heeft het er dezer dagen alle aanschijn van, dat ze allemaal hun eigen Amy Winehouse of Duffy willen binnendoen. Witte soulmadammen zijn momenteel erg hot, zoveel is onderhand wel duidelijk. En van die trend profiteert nu ook de nog piepjonge Britse Florence Rawlings mee. En hoe! Haar debuut “A Fool In Love” is een tegelijk commercieel leefbare én artistiek absoluut verantwoorde plaat geworden. Onder de productionele hoede van haar ontdekker Mike Batt toont ze zich een zangeres een Amy Winehouse, een Joss Stone of een Duffy meer dan waard. Die Batt is het overigens ook, die het gros van het gebrachte songmateriaal aanleverde. Al gunt hij Rawlings wel nog ruimschoots de kans om covergewijs te kennen te geven, dat ze haar klassiekers wel degelijk kent. Zo pakt ze bijvoorbeeld uit met bijzonder geïnspireerde interpretaties van Allen Toussaints “Riverboat”, Ike Turners “A Fool In Love”, Chuck Berry’s “Can’t Catch Me”, het vooral in de uitvoering van Gladys Knight & The Pips bekende “Take Me In Your Arms And Love Me” en het onderhand suf gecoverde “Wouldn’t Treat A Dog” (o.m. Bobby “Blue” Bland, Angela Strehli, The Nighthawks). Dat er daarbij geregeld een gezonde dosis R&B en blues haar geluid binnensluipt, maakt het alleen maar des te interessanter. Ons heeft ze met dit verbluffend knappe visitekaartje dan ook alvast volledig weten te overtuigen, de Britse schoonheid. Schrijf het maar op: gaan we beslist nog héél, héél veel van horen, van deze Florence Rawlings!

Florence Rawlings

Florence Rawlings op MySpace

Dramatico Records

 

JOHN LILLY “Live On Red Barn Radio” (John Lilly)

(3,5****)

Deze uitermate sympathieke kerel uit Charleston, West Virginia mag wat ons betreft zo het burgemeesterschap in Honkytonkstad ambiëren! Hij heeft jarenlang zo goed geluisterd naar en zo veel opgestoken van traditionele countrygrootheden, dat het ons absoluut niet zou verbazen, als men hem uiteindelijk vroeg of laat zelf tot dat rijtje zou durven te gaan rekenen. John Lilly’s benadering van country en Americana kan je immers amper anders omschrijven dan als “the real thing”. Wat hij brengt klinkt zó retro, zó authentiek, dat je hem niet vertrouwd zijnde met zijn werk desgevraagd gemakkelijk in een verkeerd decennium zou durven te plaatsen. Iets waarvoor je je dan overigens absoluut niet zou hoeven te schamen. Deze Lilly had immers met sprekend gemak mee gekund in zowel de jaren dertig en veertig  als de vroege fifties. En dat is des te opmerkelijker, als je weet, dat hij daartoe vooral een beroep doet op materiaal van eigen hand. Zo ook weer op zijn vijfde worp, “Live On Red Barn Radio”, zoals de titel al laat uitschemeren de registratie van één van z’n performances, inclusief interviewfragmenten, voor een radioprogramma down home. Daarop covert hij weliswaar Jimmie Rodgers’ “No Hard Times” en de traditionals “Groundhog” en “Johnny Don’t Get Drunk” en eigent hij zich ook Rod Stewarts “Gasoline Alley” toe, de resterende twaalf songs zijn andermaal uitsluitend originals. Al zou je dat dan ook niet meteen zeggen. Hier had immers net zo goed de handtekening van Hank Williams of Jimmie Rodgers onder kunnen prijken. Passioneel treedt Lilly in die liedjes in de – Nochtans grote! – voetsporen van die illustere voorgangers. Zijn zang en zijn gejodel voelen daarbij immer warm en authentiek aan en ook zijn gitaarspel laat amper iets te wensen over. Ook leuk: de verhalen, waarmee de man vakkundig zijn liedjes aaneenrijgt. Die verraden een uitstekende entertainer tout court. Voor zover dat nog nodig was na Lilly-classics als ‘Good News/Bad News”, “Broken Moon”, “Roadkill”, “Spirit (Bend Close To Me)” en “A Little Yodel Goes A Long Way”. Het album bevat daarnaast ook een tweetal nieuwe nummers: “This Old Knife” en “Tore Up From The Floor Up”. Mocht je nog niet met John Lilly hebben kennisgemaakt: any time’s a good time!

John Lilly

CD Baby

 

JOHN GIBBONS “Small Town Dance” (John Gibbons)

(3,5****)

John Gibbons is al ruim dertig jaar actief als zanger, gitarist en songwriter. Sinds de eeuwwisseling vormt hij zo bijvoorbeeld een trio met Karen McFeeters en Craig Anderson en met die laatste wil hij ook wel eens als duo aantreden. Geen wonder dan ook, dat we hen allebei aantreffen op “Small Town Dance”, het onlangs verschenen plaatdebuut van de beste man. Beiden tekenen ze voor wat harmonieerwerk en Anderson doet bovendien ook op de akoestische een duit mee in het zakje. De voornaamste gast hier is echter ontegensprekelijk Colin McCaffrey. Die verleende als producer aan dit visitekaartje absoluut een zekere meerwaarde. Zijn technische skills en bijkomende bijdragen op ondermeer fiddle, mandoline, bas, gitaar en piano complementeren Gibbons’ eigen kunstjes op het perfecte af. En daardoor klinkt “Small Town Dance” eigenlijk in het geheel niet als een eerste kennismaking. Gibbons bedient zich als een oude rot in het vak vaardig van elementen uit genres als folk, bluegrass en traditionele country om uiteindelijk tot een geheel eigen geluid te komen. Met een viertal covers van materiaal van anderen (o.m. een mooie vertolking van Richard Shindells “The Kenworth Of My Dreams”) en iets meer dan een handvol eigen liedjes laat hij een meer dan degelijke eerste indruk achter. Vooral met die eigen songs scoort hij hoog op onze appreciatiemeter. Het feit, dat hij zich daarin graag ontfermt over “de kleine verhaaltjes” van zijn eigen Vermont, maakt dat wat hij brengt zeer doorleefd en als dusdanig ook uitermate authentiek aanvoelt. En dat is natuurlijk een niet te onderschatten pluspunt. Onze luistertips: het knappe walsje “Pick Your Place Anne Marie” en het humoristisch ingevulde “Oh Well, AOL”.

John Gibbons

CD Baby

 

HANK SHIZZOE “Breather” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Thomas Erb is een hele grote! De sinds jaar en dag onder het pseudoniem Hank Shizzoe de Americanawereld verbazende Zwitser doet op z’n nieuwe worp “Breather” zo goed als alles zelf. Naast de zang, de productie en het aanleveren van het gros van de songs erop betekent dat concreet ook bijdragen op tal van gitaren, lap steel, bouzouki, ukelele, banjo, elektrische bas, piano, orgel en drums en het bijsturen van wat loops. Enkel Christophe Beck (drums), Michel Poffet (staande bas), Shirley Grimes (zang in “Shaker”) en Nico Erb (tamboerijn in “One Cup Of Coffee And A Cigarette”) zorgen voor enige inbreng van buitenaf. Maar veel meer dan de spreekwoordelijke puntjes op de i vormen hun bijdragen niet. Als “Breather” uitgroeit tot de fraaie plaat die het is, dan is dat toch vooral de verdienste van Shizzoe zelf. Die zorgt voortdurend voor voldoende variatie en vooral ook voor bakken aan sfeer. Dat doet hij zoals al gesteld voornamelijk met eigen materiaal. Maar niet uitsluitend dus. En als hij al aan het coveren gaat, dan kiest hij lang niet altijd voor de meest voor de hand liggende nummers. Of wat dacht je van het ooit nog door Adriano Celentano de eeuwigheid in geholpen “Svalutation” of Jacques Dutroncs “Et Moi Et Moi Et Moi”? Andere vreemde eenden in de bijt zijn David Lindley’s grappige “When A Guy Gets Boobs” en Jerry Irby’s “One Cup Of Coffee And A Cigarette”. Hoewel, vreemde eenden… Shizzoe eigent zich elk van de genoemde nummers schijnbaar moeiteloos toe en zorgt ervoor, dat ze perfect in zijn uit min of meer gelijke delen Americana, blues en rock bestaande muzikale mengvorm worden ingepast. Iets wat steeds weer tot uiterst interessante resultaten leidt. Hét absolute topmoment hier is voor ons echter één van ’s mans eigen liedjes. We hebben het dan over het vaagweg aan J.J. Cale herinnerende “Only In America”. Dat pakte ons met z’n relaxte groove meteen genadeloos in. Oók uitzonderlijk mooi: het aan lijzig snarenwerk en dito vocalen opgehangen “Split The Loot”.

Hank Shizzoe

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

ELLIS PAUL “The Day After Everything Changed” (Black Wolf Records)

(3,5****)

In de aanloop naar zijn nieuwe plaat “The Day After Everything Changed” beleefde singer-songwriter Ellis Paul eerder onverwacht allicht één van dé absolute hoogtepunten van zijn carrière. Het moet de beste man immers écht wel ontzettend deugd hebben gedaan om te constateren, dat zijn fans bepaald genereus ingingen op zijn verzoek om dat nieuwe album mee te helpen financiëren. In volle economische crisistijd kwamen zij met z’n allen met ruim 100.000 dollar over de brug om hun idool te steunen. Een hartverwarmend verhaal! En al even hartverwarmend klinkt Pauls nieuwe worp ook. Al dient daar wel meteen te worden aan toegevoegd, dat hij wat de muzikale invulling van de liedjes erop regelmatig flink richting Nashville lonkt. Misschien wel een gevolg van het feit, dat hij vijf van de vijftien songs hier samen met Kristian Bush van het aldaar redelijk succesvolle Sugarland schreef. Wat er ook van zij, folk(rock) kan je dit lang niet allemaal meer noemen. Wat ons uiteindelijk echter toch over de streep blijft trekken om Ellis Paul ook tot onze idolen te blijven rekenen, zijn ’s mans fantastische teksten en die heerlijk performante stem van ‘m. Zelfs iets als het extreem poppy ingevulde, je zou haast zeggen voor gebruik in grote stadions geconcipieerde “The Lights Of Vegas” klinkt dankzij Pauls bezielde voordracht aanvaardbaar. Iets wat overigens ook geldt voor andere, eveneens duidelijk over de nodige commerciële potentie beschikkende dingen als het door een speels betokkelde banjo en dito gitaren op sleeptouw genomen “Annalee” of het zacht rockende “River Road”. Op z’n best blijft Paul wat ons betreft echter duidelijk in het wat rustigere materiaal, als hij z’n arm om je schouder heen lijkt te slaan en je zijn verhalen als het ware influistert. Mooie voorbeelden daarvan zijn het een liefde in economisch moeilijke tijden bezingende “Rose Tattoo” en het titelnummer, waarin Paul het naar eigen zeggen heeft over mensen die voor een tweesprong in hun leven staan, nog onzeker over wat het lot hen brengen zal. Vooral dat laatste is een echte beauty. Daarin etaleert Paul weer de hand van een echte meester. Volgende keer weer graag meer van dattum als het even kan!

Ellis Paul

 

GRANT MOFF TARKIN “Long Lost Son” (Grant Moff Tarkin)

(4****)

Eind deze maand ergens verschijnt “The Honey & The Knife”, de nieuwe van Admiral Freebee. Een plaat, waaraan in de vaderlandse media naar alle waarschijnlijkheid maar amper te ontkomen zal vallen. Maar what about “Long Lost Son”, het tweede album van Grant Moff Tarkin? Zal men ook daar de nodige aandacht aan willen besteden? We vrezen het eerlijk gezegd niet. En dat is op de keper beschouwd doodjammer. Op die opvolger van “Quanah’s Hunting Day” uit 2008 wordt immers op bijzonder creatieve wijze omgesprongen met invloeden als Americana, folk, blues en indierock. Op sleeptouw genomen door de intimistische, bij momenten flink naar het ijle neigende zang van Julax schudt het viertal hier tien bijzonder fraaie songs uit de mouw. Daarin is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de verhalende, her en der aardig met het surrealistische flirtende teksten van diezelfde Julax en gitarist Huddie, waarin ze naar eigen zeggen op zoek gaan naar de mogelijkheden voor de menselijke ziel om de beperkingen van plaats, tijd en soort te overstijgen. Een soort van magisch realisme als het ware, waarin niets waar is en alles kan en mag. Wat het muzikale betreft klinkt wat daarbij uit de bus komt als een kruising tussen de Cowboy Junkies, Mazzy Star, Jesse Sykes & The Sweet Hereafter, Grant Lee Buffalo en Bettie Serveert. Bepaald niet de minste referenties! Maar verdiend zijn ze ons inziens hoe dan ook. Dit eclectisch opgevatte en van de eerste tot de laatste noot intrigerende geheel getuigt immers van internationale klasse. En die Julax, da’s gewoon één van de interessantste vrouwelijke stemmen in ons land überhaupt. Moest je dringend maar eens mee gaan kennismaken! Je zal het je absoluut niet beklagen!

Grant Moff Tarkin

Grant Moff Tarkin op MySpace

 

THE SALTY DOGS “Brand New Reason” (Max Recordings)

(4****)

“Brand New Reason” is na de EP “King Of Broken Hearts”, “The Salty Dogs And Friends” en “Autoharpoon” ook alweer de vierde worp van de onvolprezen Salty Dogs en ook ditmaal is het er weer vol op. Het vanuit Little Rock, Arkansas actieve viertal rond zanger-songsmid Brad Williams grossiert op die nieuwe schijf andermaal in heerlijk authentieke country(rock). Voor zeven van de acht songs op “Brand New Reason” tekende Williams weer zelf. Het achtste is een van een goed gedoseerde shot countryeske R&B bediende cover van de Chuck Berry-hit “Nadine”. Maar juist dat nummer vinden wij eigenlijk één van de mindere momenten hier. Neen, geef ons dan maar de aangeschoten bar room swing van “Old Folks Home”, het met terugwerkende kracht rebellerende “Rock And Roll Will Never Stay”, de twangy Americana van “Another Day In A Small Town”, de heerlijk met de heupen wiegende en volop naar Bakersfield lonkende honky-tonk van “Second Chance”, het ingehouden countryrockende “Words May Talk” of het over een eerder traditioneel ritme uitgesmeerde en van een lekkere harmonica-intro voorziene “Every Now And Then”. Daarin tonen Williams (zang en gitaren), drummer Bart Angel, bassist Brent LaBeau en gitarist Nick Devlin zich immers pas echt op hun best. Wat concreet betekent, dat ze zich in die songs presenteren als één van dé interessantste country acts van het moment tout court. En dat houdt op zijn beurt dan weer in, dat fans van knapen als een Dwight Yoakam, een Stan Martin, een Waylon Jennings en een Buck Owens hier eigenlijk gewoon absoluut niet aan voorbij kunnen.

The Salty Dogs

 

JASON & THE SCORCHERS “Halcyon Times” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Van een “retour de force” gesproken! De in 2008 door de Americana Music Association nog met een Lifetime Achievement Award bedachte Jason & The Scorchers knallen er op hun eerste nieuwe plaat in jaren op los als in hun beste dagen. Van de oorspronkelijke bezetting blijven weliswaar enkel nog Jason Ringenberg zelf en supergitarist Warner E. Hodges over, maar dat kan de pret absoluut niet drukken. In bassist Al Collins van de Stacie Collins Band en het Zweedse drumwonder Pontus Snibb vond men immers meer dan volwaardige vervangers voor Jeff Johnson en Perry Baggs. Die zorgen hier voor zo’n strakke backbeat, dat Ringenberg en Hodges zich weer volop kunnen concentreren op datgene waar ze ooit zo goed in bleken, te weten het voltrekken van het perfecte huwelijk tussen traditionele country en punk. En dan zijn er nog de bijdragen van “Honorary Scorchers” als Dan Baird, Ginger, Tommy Womack en oudgediende Baggs én de productionele hulp van Brad Jones. Om maar te zeggen, dat de condities voor “Halcyon Times” zo ongeveer ideaal waren. En dat is er verdomd aan te horen ook! Gelijk vanaf het retestrakke openingsnummer “Moonshine Guy / Releasing Celtic Prisoners” is het hier weer volop prijs. Naast country, rockabilly en punk duikt daarin voorwaar ook even voorzichtig de invloed van Ierse folk op. Via het een weinig bedaardere – Naar Scorchers-normen dan toch! – “Beat On The Mountain” gaat het vervolgens naar één van dé absolute prijsbeesten op “Halcyon Times”. Het als bezeten rockende “Mona Lee” zal ongetwijfeld snel gaan uitgroeien tot een uitgesproken favoriet op het live-repertoire van Ringenberg en co. En zo gaat het maar door! Via het stomende “Fear Not Gear Rot” over het verhalende “Mother Of Greed” tot het je al countryrockend alle hoeken van het canvas tonende “Gettin’ Nowhere Fast”, van het van een fraaie twaalfsnarige gitaarbijdrage en een geweldige tekst voorziene “Land Of The Free” tot het zijn titel alle eer aandoende “Twang Town Blues” en andere, Ringenberg en zijn maats laten er niet de minste twijfel over bestaan: ze zijn terug van weggeweest! En hoe! Als je dit na bijna dertig jaar in het vak nog kan opbrengen… Wow! (Releasedatum: 15 februari 2010.)

Jason & The Scorchers

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

CRACKER “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Op 23 oktober 2008 trad het Amerikaanse collectief Cracker in de Harmonie in het Duitse Bonn aan voor het WDR Rockpalast Crossroads Festival. Men bracht er een zeventien songs tellende set, goed voor zo’n anderhalf uur amusement van de bovenste plank. Naast zo ongeveer elke klassieker op het eigen repertoire, gaande van “Teen Angst”, “The World Is Mine”, “Euro-Trash Girl”, “Big Dipper”, “One Fine Day” en “The Riverside” tot “Seven Days”, passeerden daarbij ook flink wat nummers van de toen nog te verschijnen CD “Sunrise In The Land Of Milk And Honey” de revue. En dat concert wordt ons nu door Blue Rose Records integraal aangeboden. Enerzijds verspreid over 2 cd’s, anderzijds als videoregistratie op DVD. Voor wie de gig indertijd mocht meemaken een mooi aandenken aan een memorabele avond, voor alle anderen gewoon een prima live-album van een band, die niet altijd even duidelijk de grenzen tussen gitaarrock tout court en de meer rootsy variant daarop lijkt weten te liggen. Maar dat zal ons nogal eens worst wezen! Wij genieten in elk van beide gevallen met evenveel plezier van deze zowel wat het geluidstechnische als wat het visuele aspect betreft bijzonder verzorgde registratie, waarmee die van Blue Rose Records hun uitstekende reputatie wat dat betreft weer maar eens alle eer aandoen.

Cracker

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

BLUE MOON COWGIRLS “I Love You Honey” (Azalea City Recordings)

(3,5****)

De Blue Moon Cowgirls zijn strikt genomen vriendinnen Karen Collins, Ann Porcella en Lynn Healey, aangevuld met Ira Gitlin. De drie dames leerden elkaar zo’n tien jaar geleden kennen als gelijkgestemde muzikale geesten en trokken pas later gitarist Gitlin aan om wat ze voordien enkel in besloten kring brachten ook onstage te kunnen doen. Het resultaat is een potje volledig akoestisch gehouden country op z’n allerpuurst, gedragen door bij momenten werkelijk fenomenaal harmonieerwerk. Mocht hier nog van vinyl sprake zijn geweest, dan zouden we stellen, dat zo goed als uit elke door de naald gevoelde groef de liefde voor het gebrachte spat. Maar aangezien dat niet het geval is, houden we het er hier maar op, dat je wel écht heel erg van het countrygenre moet houden om er zó liefdevol als dat hier gebeurt mee om te kunnen springen. Het betreft daarbij weliswaar meestal covers van eerder als klassiek te bestempelen songgoed, maar dat kan de pret absoluut niet drukken. Collins, Porcella, Healey en Gitlin respectvol horen stoeien met dingen als “I Love You Honey” (Patsy Cline), “Until Then” (Ray Price), “The Likes Of You” (George Jones), “Weary Blues From Waiting” (Hank Williams), “Born To Be With You” (Sandy Posey) en “Happy Trails To You” (Sons Of The Pioneers) is immers een waar genot voor elk nog voor traditionele country vallend oor. En ook de enige original in het mandje, Collins’ “Goodbye Maria”, een streepje melancholische “border Americana” genre Tom Russell, is uit het juiste hout gesneden. Uit onze mond dan ook niets dan lovende woorden voor dit project. Het enige minpuntje vonden wij de met amper achttien minuten aan de eerder korte kant uitvallende lengte ervan.

Blue Moon Cowgirls

CD Baby

 

THREE DAY THRESHOLD “Straight Out Of The Barrel” (Three Day Threshold)

(4****)

Lekker zou het langst duren, aldus een bekend Nederlands spreekwoord. Maar dat zulks lang niet altijd het geval hoeft te zijn, blijkt maar weer eens duidelijk naar aanleiding van “Straight Out Of The Barrel”, de zevende van Bostonites Three Day Threshold. Kier Byrnes en zijn handlangers jagen er op dat schijfje in nauwelijks meer dan een half uur elf nieuwe nummers door. En lekker dat het allemaal is! De “Godfathers of the New England Alt.-Country Music Scene”, zoals ze wel eens liefdevol genoemd worden, lieten zich voor dat album inspireren door een hen na een optreden op een privéfeestje aangeboden bezoek aan de vermaarde distilleerderij Jim Beam. Sloten drank en daarmee nogal eens gepaard gaande verschijnselen derhalve in de teksten van de songs erop, die vrijwel zonder uitzondering onder de noemer “feel good music” vallen. Van de geweldige country rock van “Whiskey River” tot het lekker ranzige roadhouse-stampertje “My Favorite Titty Bar”, van het wat bedaardere “Barroom” tot het met enkele shots adrenaline, rock & roll en rockabilly opgewaardeerde “Little Luna”, van het een weinig op een zuidelijke rockleest geschoeide “Gator Farm” tot het eerder onder de noemer klassieke country vallende “Little Bit Lonesome”, van de ongemeen geinige dronkemansgospel van “Faithful, Faithful” tot het aan een rotvaart voortjakkerende “Atlas Blues”, van het zich van gelijke delen Cash en bluegrass bedienende “Coffee/Whiskey” tot het daar ook nog eens een dosis folkgevoel aan toevoegende “Leaving Of Liverpool” en het afsluitende en ook al extreem aanstekelijke “Jim Beam”, dit zijn wat ons betreft gewoon elf voltreffers op rij! Zo mogen wij onze alt. country dus graag hebben, zie!

Three Day Threshold

Three Day Threshold op MySpace

CD Baby

 

THE MIGHTY STEF “100 Midnights” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

The Mighty Stef wordt in zijn thuisland Ierland met enig gevoel voor overdrijving omschreven als van het beste wat dat land op muzikaal vlak te bieden had sinds U2. Een uitspraak, waarmee men de lat voor singer-songwrier Stefan Murphy wel erg hoog legt natuurlijk. En dan mag die Murphy al niet echt een groentje meer zijn, zulk een lofbetuiging ook effectief bewaarheden blijkt voor het ex-kopstuk van poppunkers de Subtonics naar onze bescheiden mening toch nog net iets té hoog gegrepen. Goed is hij al wel, maar zó goed (nog) niet. Murphy tracht op “100 Midnights” invloeden als Johnny Cash, Elvis Presley, Muddy Waters, de Stones, de Pogues en nog een handvol anderen tot iets geheel en al eigens samen te ballen. En stilistisch gezien bestrijkt hij daarop dan ook nogal wat terrein. Van pop over (garage)rock en gospel tot traditionele Ierse (folk)muziek en terug. Hulp is er daarbij onder andere van Shane MacGowan, met wie Murphy de enige cover hier deelt, een nogal eigenzinnige invulling van Townes Van Zandts “Waiting Around To Die”, en van Cait O’Riordain voor “Safe At Home”. Voor de productie tekenden Murphy zelf en ex-Pogues-manager Frank Murray.

The Mighty Stef

Sonic Rendezvous

 

SUSAN HICKMAN “Susan Hickman” (4L Clover / DMG)

(3***)

Beeldschone madammen en rootsy materiaal – doorgaans blijken die twee het niet al te best met elkaar te kunnen vinden, maar voor deze Susan Hickman maken we graag even een bescheiden uitzondering. De jonge Texaanse levert met haar titelloze debuutplaat immers een alleraardigst wegluisterend geheel af. Akkoord, wat ze doet helt dan wel regelmatig wat al té veel richting commerciële countrywateren af, de totaalindruk blijft wat ons betreft toch in orde. En dat heeft wellicht veel te maken met haar erg knappe zang. Hier en daar herinnert ze ons best wel een beetje aan de jonge Allison Moorer. En dat mag je rustig beschouwen als een serieus compliment. Voeg daar dan nog aan toe, dat Hickman voor haar materiaal een beroep deed op de expertise van schoon volk als een Bobby Pinson, een Brett James, een Mark Nesler, een Mila Mason en nog een handvol anderen, en dan weet je het wel. Hier wordt inderdaad commercieel succes nagestreefd, maar dan wel zonder daartoe de eigen roots volledig uit het oog te verliezen. Iets wat ook de afsluitende cover van de Gregg Allman-klassieker “Whipping Post” lijkt te willen onderlijnen. De soulvolle versie, die Hickman daarvan ten beste geeft, het zomers dartele “Sunday Paper”, het met een portie swing gekruide “Friday At The Latest” en de fraaie ballade “Wounded Heart” vonden wij overigens de mooiste nummers op deze door Doug Deforest geproduceerde eersteling.

Susan Hickman

CD Baby

 

JUSTIN EVANS “The Owls & The Hounds” (Cowboy Angel Music)

(4****)

Wij kregen hier de voorbije weken nogal wat goede tot ronduit uitstekende nieuwe singer-songwriter releases voor de kiezen, maar slechts zelden werden wij daardoor zó verrast als door “The Owls & The Hounds” van Justin Evans. Die ons voorheen totaal onbekende songsmid uit Georgia benadert het gegeven Americana immers op een als eerder apart te omschrijven wijze en kan daarbij beschikken over drie bepaald niet onderschatten troefkaarten. De eerste, die je daarvan bij het beluisteren van “The Owls & The Hounds” opvalt, is ’s mans ongemeen warme stem. Lekker diep, maar ondanks alle voorhanden zijnde gruis toch ook zijdezacht. Een in onze ogen goede referentie zou wat dat betreft Brandon Jenkins kunnen vormen. Vervolgens is er Evans’ delicate, louter dienende benadering van de akoestische gitaar. En tenslotte zijn er bovenal ook nog zijn songteksten, die niet zelden voorzichtig literaire trekjes vertonen. Met andere woorden, zo ongeveer alles klopt hier! Temeer daar Evans onder de productionele hoede van AJ Adams (Bloodkin, The Granfalloons) wat de stilistische invulling van zijn liedjes betreft bepaald geen risico’s schuwt. Het als eerbetoon aan die zwaar getroffen stad opgevatte “The Heart Of New Orleans” baadt zo bijvoorbeeld in een soort van ragtime sfeertje. En “Heart Of San Francisco” doet op zijn beurt iets moois met late night blues en jazz. “Blood And Whiskey” is dan weer erg fraaie, in steelklanken gedrenkte country rock, “Starlight Gown” een streepje in melancholie zwelgende Americana, “Poison Peaches” mede dankzij een fraaie fiddlebijdrage van David Blackmon (Widespread Panic) klassieke country met een zekere old-time feel en “Mercy Roadhouse” de twangy variant daarop. Het zijn slechts een handvol voorbeelden van uitstekende liedjes op een album tot aan de nok toe gevuld daarmee. En “The Owls & The Hounds” is wat ons betreft dan ook een aanrader van formaat!

Justin Evans op MySpace

Cowboy Angel Music

CD Baby

 

FLATCAR RATTLERS “Which Side Are You On?” (Shut Eye)

(4****)

Het wordt stilaan flink drummen in het kielzog van collectieven als de Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers en de Foghorn String Band. Steeds meer beginnende groepen voelen zich dezer dagen immers geroepen om het ooit a priori als oubollig versleten bluegrassgenre een flinke trap onder de kont te verkopen. Zo ook de Flatcar Rattlers. Dat uit liefst zes verschillende staten gerekruteerde zevental actief vanuit Austin, TX brengt naar eigen zeggen “Guerilla Grass”. Bij nader inzicht blijkt men daarmee te doelen op een ongecontroleerd om zich heen meppende kruisbestuiving van bluegrass met outlaw country en rock & roll. Een soort van old-time punk, gebracht op akoestische instrumenten! Wat ze doen bruist regelrecht van de energie en zal zich dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moeiteloos een weg weten te banen naar de harten van liefhebbers van de hoger al genoemde en aanverwante acts. Opmerkelijk is bovendien, dat men dat met uitsluitend eigen materiaal doet.

Flatcar Rattlers

CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home