CD-recensies februari 2015

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

TINY LEGS TIM “Stepping Up” - JOHNNY DOWD “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” - NDROMEDA “Into The Lazy Eye” - NICK EDWARD HARRIS “The Tall Trees” - OWL COUNTRY “Owl Country” - ASLEEP AT THE WHEEL “Still The King” - IAN SIEGAL “One Night In Amsterdam” - MYLES MANLEY “More Songs” - DAVID CORLEY “Available Light” - RODNEY RICE “Empty Pockets And A Troubled Mind” - POINT QUIET “Ways And Needs Of A Night Horse” - DAYNA KURTZ “Rise And Fall” - CHUCK PYLE “Cover Stories” - MADISON VIOLET “Year Of The Horse” - SARAH MCQUAID “Walking Into White” - CAMERON BLAKE “Alone On The World Stage” - 6 STRING DRAG “Roots Rock ‘N’ Roll” - HER & KINGS COUNTY “Raise A Little Hell” - BIBER HERRMANN “Grounded” - ALLISON MOORER “Down To Believing” - VANESSA PETERS “With The Sentimentals” - MATT WATTS “Songs From A Window” - THE PORTER DRAW “The Porter Draw” - RAINA ROSE - REBECCA LOEBE - SMOKEY & THE MIRROR “Three Nights Live” - HAT CHECK GIRL “At 2 In The Morning” - MARY’S LITTLE LAMB “Fortune & Chance” - AWNA TEIXEIRA “Wild One” - RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “Tombstone” - DERROLL ADAMS “Banjo Troubadour, A Live Recording” - DANNY SANTOS Y ¡LOS BLUEGRASS VATOS! “Hogtied” - JIM ED BROWN “In Style Again” - DIFTONG “The Rocket Swing” - ERIN HARPE & THE DELTA SWINGERS “Love Whip Blues” - THE BABOONS “Uptown And Back Again” - CODY CANADA & THE DEPARTED “HippieLovePunk” - WILLIE NILE “If I Was A River” - HAYSEED DIXIE “Hair Down To My Grass” - CANVAS BLANCO “Call Me Lucky Fat Or Skinny” - ROB ICKES & TREY HENSLEY “Before The Sun Goes Down” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - THE RIZDALES “Blue Ain’t The Word, A Tribute To The Music Of Ray Price” - THE UNTHANKS “Mount The Air” - YONDER “Graftings” - MIRIAM JONES “Between Green And Gone” - SWAMP DOGG “The White Man Made Me Do It” - NIKKI LANE “All Or Nothin’” - HERMAN BROCK JR. “The Old World” - SERPENTYNE “Myths & Muses” - SUNDAY WILDE “He Digs Me” - ROBERT JON & THE WRECK “Glory Bound” - ALLIGATOR GUMBO “Simmerin’” - JOHNNY FONTANE AND THE RIVALS “Lemme Tell Ya!” - 24 PESOS “Do The Right Thing” - GRETCHEN PETERS “Blackbirds” - CHRIS D. SMITH “A.D. 2014” - KATIE GARIBALDI “Follow Your Heart” - AMELIA CURRAN “They Promised You Mercy” - KELLY MCRAE “Easy On My Mind” - SHELLEY KING “Building A Fire” - JACK KEROWAX “Jack Kerowax” - JIM MALCOLM “The Corncrake” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Medicine” - RAY PRICE “Beauty Is… The Final Sessions” - ANNIE KEATING “Make Believing” - G2 “Mind Over Matter” - JASON MCNIFF AND THE LONE MALONES “God Knows Why We Dream” - TRAILHEAD “Leave Me To Learn” - DEADMAN “The Sound And The Fury” - RICHARD LINDGREN “Sundown On A Lemon Tree” - MATT ELLIS “The Greatest Escape” - SUZANNE JARVIE “Spiral Road” - CAITLIN CANTY “Reckless Skyline”

                                                  

                                                                                                                                                                               

TINY LEGS TIM “Stepping Up” (Sing My Title)

(4,5*****)

Niet dat het nog echt nodig was, maar Tiny Legs Tim bewijst met z’n ondertussen derde cd “Stepping Up” dat hij en niemand anders op dit eigenste ogenblik echt wel het allerbeste is wat ons land op bluesvlak te bieden heeft. Op die opvolger van het vrijwel unaniem extreem lovend onthaalde tweetal “One Man Blues” en “TLT” stampt de jonge Gentenaar enthousiast de laatste restjes deltaklei van z’n boots alvorens z’n blik op de toekomst te richten. Een toekomst die op de keper beschouwd duidelijk wat R&B-getinter blijkt dan het verleden. Zij het dan ook doorspekt met de nodige invloeden uit andere genres, maar daarover hier verderop meer.

Openingsnummer “Heart Of The City” werd zo bijvoorbeeld overduidelijk geconcipieerd met de blik op “Nawlinz". Echt een heerlijk staaltje van blues & roots, die intro tot net geen vijfenveertig minuten muzikaal topvermaak. Vervolgens gaat het via het bij nader inzicht nog wel wat aan TLT’s eerdere werk herinnerende stampertje “Stepping Up” richting het door gast Steven Troch bluesharpgewijs fameus opgewaardeerde streepje grootstadsboogie “I Got Something” en het ook al erg lekkere, volop naar “swamps” allerhande geurende “Keep Me Satisfied”.

“Next up” is “Big City Blues”. Niet die van Big Maceo, Wynonie Harris, Johnny Winter of anderen, maar een werkelijk magistrale TLT-original. Een trage, waarvan hier terstond zo ongeveer elke lichaamshaar rechtop ging staan. Klassiek spul, vraiment… Net als “Get It Back” eigenlijk, dat op z’n Sonny Landreths heel mooi het midden weet te houden tussen blues en bayou rock.

Hadden we dan nog niet gehad: het hypernerveuze, ons gevoelsmatig best wel wat aan Canned Heat herinnerende boogiebeest “Walk With The Devil”, de rete-aanstekelijke foot-tapper “So Long So Long”, het op hoogst bedaarde wijze op de eigen dood vooruitlopende “When I’m Gone” en het afsluitende “If & Why”. En dat laatste vonden wij hier tekstueel gezien misschien wel het allersterkste nummer van het lot. Bijzonder knap, hoe de door het leven lang niet altijd verwende jonge Vlaming de toekomst daarop positief ingesteld tegemoet durft te zien. “All the “if’s” and “why’s” don’t solve the storylines, “ houdt hij ons voor. “If you don’t look back in regret, you will be fine. (…) Like none of these things ever happened at all”.

Hoe “tiny” ook die beentjes, ze dragen wel een verdomd grote meneer… Chapeau!

Tiny Legs Tim

 

JOHNNY DOWD “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” (Mother Jinx Records)

(3,5****)

Johnny Dowd is eigenlijk altijd al wel een beetje een buitenbeentje geweest. Maar zó extreem als hier... De door ons ooit heel erg geapprecieerde Norman Bates van Roots Town is duidelijk niet meer. De Dowd van tegenwoordig is een gevaar voor zo ongeveer élk zich op z’n weg aandienend muziekgenre. Blinkend klieft het lemmet van zijn immer vervaarlijk ogende slagersmes hier quasi voortdurend doorheen de lucht. En welk vlees het daarbij in z’n kuip vindt, doet er eigenlijk niet eens toe. Het hogere doel van z’n brutale vilwerk blijft onveranderd vunzige rock & roll. Zo “weird” dat je er bij momenten als luisteraar moet voor opletten om niet de pedalen te verliezen… Intrigerend!

“That’s Your Wife On The Back Of My Horse”, die titel alleen al… Een betere aankondiging had dit door Dowd zo goed als in z’n dooie eentje gebaarde muzikale gedrocht zich niet kunnen wensen. Zelf haalt hij zo ongeveer alles wat er uit een elektrische gitaar, een bas en vooral ook keyboards te halen valt. Anna Coogan is zo nu en dan haar breekbare zelf bij het vertolken van wat ondersteunende zanglijnen, Mike Cook mag een lichtjes krankzinnige gitaarsolo ophoesten in het experimentele “Words Are Birds” en de tandem Mike Edmondson (keyboard) en Willie B (drums) duikt even op in coda “Teardrops”, maar dat is het dan ook qua vreemde inbreng. Bij het creëren van nieuw leven hoeft Frankenstein Dowd duidelijk niet teveel pottenkijkers in de buurt.

Wil je aan “That’s Your Wife On The Back Of My Horse”, wees dan vooral op je hoede! Expect the unexpected! In de donkere uithoeken van Dowds geest kan dezer dagen immers zo ongeveer alles. “A captivating combination of lo-fi meets high tech”, lazen we in het begeleidende schrijven en zo is het maar net. Bevreemdende klankexperimenten, “kick ass dirty rock”, electro, flarden funk en new wave, folky spul, je zegt het maar… Dowd draait z’n hand hier hoegenaamd nergens voor om. En de grens met (geniale) muzikale waanzin, die wordt zodoende almaar dunner.

Duidelijk niks voor op safe spelende watjes dus, dit “That’s Your Wife On The Back Of My Horse”… Zij kunnen Dowd maar beter braafjes uitwuiven, terwijl die er daarbij uitdagend zwaaiend met een gestrekte middenvinger in galop met hun wederhelft vandoor gaat…

(Op 10 april komt Dowd “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” live voorstellen in de N9 te Eeklo.)

(Releasedatum: 9 maart 2015.)

Johnny Dowd

 

NDROMEDA “Into The Lazy Eye” (Numoonlab Recordings)

(3,5****)

Ciska Ruitenberg is een al sinds het eind van de jaren negentig aan de weg timmerende artieste uit het Nederlandse Hoorn. Na jarenlange omzwervingen in genres als indierock en triphop bevond ze zich nog niet zo heel erg lang geleden plots tot op kniehoogte in door ons graag gefrequenteerde muzikale wateren. Onder het pseudoniem Ndromeda tekent ze op haar eerste volwaardige langspeler “Into The Lazy Eye” voor een enigszins bevreemdend aandoende mengvorm van elementen uit tal van rootsy muziekhoeken.

Als zangeres komt ze daarbij quasi voortdurend ongeveer even bezwerend uit de hoek als pakweg Joni Mitchell in haar nadagen, een Beth Orton of een Gillian Welch ook wel. Enigszins donker en sensueel tegelijk dus. Precies wat haar muziekjes nodig hebben. Noem het Americana, country noir dan wel trippy rootsmuziek, feit is, dat we hier te maken hebben met creaties met een bij momenten sterk filmisch karakter. Met het element sfeer gelijk vanaf de eerste noten duidelijk in “pole position”.

Voor ons werkte Ruitenbergs aanpak het best in het van een smakelijk bluesy randje voorziene “Little Shepherdess”, de oorstrelend mooie country noir ballad “Rag Dolls”, het op onderkoelde passie drijvende “You Crossed My Mind” en titelnummer “Into The Lazy Eye”. Maar we kunnen ons best wel voorstellen, dat u hier na enkele beluisteringen een stel totaal andere favorieten aan overhoudt.

Wat apart, maar wel héél mooi!

Ndromeda, Bandcamp

 

NICK EDWARD HARRIS “The Tall Trees” (Shifted Fiction Records)

(3,5****)

Bij wie er thuis materiaal op de plank prijkt van knapen als een Richard Thompson en een John Martyn zou er ook wel eens een welwillend oor kunnen worden aangetroffen voor de muziek van de Brit Nick Edward Harris. Die jonge Londenaar besloot een aantal jaren geleden om uiteenlopende redenen om z’n drukke thuishaven te verlaten en naar het verre Nieuw-Zeeland te verkassen. En daar vond hij bij nader inzicht juist alles wat hij nodig bleek te hebben om te kunnen groeien als artiest. In alle rust schaafde hij er z’n gitaartechniek bij, groeide gaandeweg als songwriter en werkte al buskend om geld in het bakje te krijgen ook aan z’n kunstjes als performer.

Bij zijn terugkeer in Engeland een flinke poos later was hij dan ook gewoon een beter artiest geworden. En zijn met wat hulp van onder meer Emma Gattrill van Sons Of Noel And Adrian en Ted Dwane van Mumford & Sons opgenomen debuutplaat “Chimera” van twee jaar geleden mocht mede als een gevolg daarvan bogen op flink wat lovende kritieken. Zodanig veel zelfs dat een nieuwe plaat niet al té lang kon uitblijven. En die is er nu dus ook effectief.

“The Tall Trees” werd ingeblikt met de eveneens vanuit Londen actieve Nick Trepka als producer. Twaalf nieuwe liedjes in akoestische folk(rock)stijl zijn het resultaat. Liedjes, die lang niet allemaal even gemakkelijk weghappen. Net als de eerder al genoemde tandem Thompson-Martyn blijkt immers ook Harris behoorlijk veeleisend voor zijn publiek. Vooral wat betreft het tekstuele aspect van z’n nummers dan.

Word je echter bereid gevonden om je langzaam te laten verleiden door dingen als het hypernerveuze, van de onderhuidse spanning erin levende “Calm Your Demons”, de intimistische folkpareltjes “Unarmed” en “Evening”, het wat Thompson-esk aandoende “The Horse Road”, het instrumentale “Moscow To Beijing” en andere, dan houd je aan “The Tall Trees” een flinke kluif over. Een album, dat je laagje per laagje kan gaan ontdekken. Een geheel, dat bij elke nieuwe luisterbeurt weer wat meer van z’n geheimen zal prijsgeven. Luistervoer voor gevorderden, zoiets…

Nick Edward Harris

 

OWL COUNTRY “Owl Country” (Owl Country Music)

(3,5****)

Owl Country is de naam van een nog gloednieuwe Americana act bestaande uit klassiek geschoolde violiste Yvette Holzwarth en songsmid Dan Imhoff. Die twee ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een liefdadigheidsevenement in de zomer van 2013. Sindsdien timmeren ze samen aan de muzikale weg. Ze schreven naar eigen zeggen een hele koker vol songs en daarvan belandden er uiteindelijk een tiental op hun enkele dagen geleden verschenen titelloze debuutplaat. En die blijken, aangevuld met een live gebrachte cover van Dylans “I Shall Be Released”, goed voor een alleraardigst visitekaartje.

Vol met verdomd fraaie, stemmige Americana. Gelijk van bij openingsnummer “Light Your Candle” vielen wij er hier voor. In dat zo op het eerste gezicht eerder simpele liefdesliedje viel ons meteen op, hoe mooi de stemmen van Holzwarth en Imhoff elkaar wel aanvullen. Onwillekeurig moesten we daarbij heel even terugdenken aan de Gillian Welch en David Rawlings van in hun begindagen. En dan hadden we het nog niet eens over het lentefrisse vioolgestoei van Holzwarth en de al even knappe finger style gitaarbenadering van Imhoff. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

Vervolgens loodsen de twee ons langs twee al even heerlijke, zij het wat donkerder ingevulde ballades, met name “Lost And Found” en “Atonement”. In beide horen we gast David Grisman bij momenten behoorlijk prominent assisteren op de mandoline. Via de opgewekte, door Holzwarth echt de sterren in gezongen countrydeun “Rusted Car” gaat het dan richting wat naar onze bescheiden mening hét absolute hoogtepunt van deze plaat zou moeten zijn, met name de door de legendarische Charlie Musselwhite van wat sfeervol mondharmonicawerk voorziene bluesy gospeldeun “Sacred Ground”.

Ook heel erg mooi is het meteen daaropvolgende “Creek”, opnieuw een wolk van een ballade met andermaal sirene Holzwarth in de hoofdrol. Dat echter ook Imhoff vocaal best z’n mannetje kan staan, maakt hij ons gelijk daarna in het louter muzikaal gezien perfect bij z’n voorganger aansluitende “Looking Waiting” duidelijk. De puntjes op de i zetten, heet dat dan zeker…

Resten er ons dan nog: de opgewekte uptempo bluegrassdeun “I Wanna Know You”, de hoger al even vernoemde Dylan-adaptatie, het ook al ongemeen sfeervolle “Dangerous World” en het afsluitende, heerlijk ouderwets aandoende pianowalsje “Windcatcher”.

RIYL: Dave Carter & Tracy Grammer, Gillian Welch & David Rawlings, Carrie Elkin & Danny Schmidt, Beansprouts.

Owl Country

 

ASLEEP AT THE WHEEL “Still The King” (Proper Records / Bertus)

(4,5*****)

“Still The King” is na het in 1993 verschenen “Tribute To The Music Of Bob Wills & The Texas Playboys” en het van een jaar of zes later daterende “Ride With Bob” al het derde eerbetoon van het ondertussen ook zelf tot een heus Texaans instituut uitgegroeide Asleep At The Wheel aan het adres van “The King of Western Swing”. En het concept daarbij is simpel. Ray Benson en de zijnen spelen in de ruime voetsporen van hun idolen uitvoerig ten dans en nodigen daarvoor zoveel mogelijk geïnteresseerde gasten uit.

En fijn is dat ze daarbij behoorlijk “breed” durven te gaan. Zowel verleden, heden als toekomst komen bij de keuze van hun muzikale partners aan bod. Zowel de wat commerciëlere countrysector als de veel meer rootsgeoriënteerde ook. En dat is wat ons betreft een alleen maar toe te juichen uitgangspunt. Zo stoten we “this time around” op de gastenlijst op de namen van Leon Rausch, Amos Lee, The Avett Brothers, Lyle Lovett, Merle Haggard, Emily Gimble, Kat Edmonson, Old Crow Medicine Show, Pokey LaFarge, Willie Nelson, The Quebe Sisters, The Del McCoury Band, The Time Jumpers, George Strait, Elizabeth Cook, Brad Paisley, Buddy Miller, Carrie Rodriguez, Robert Earl Keen, Jamey Johnson, The Devil Makes Three, Katie Shore, Tommie Emmanuel, Brent Mason, Billy Briggs, Shooter Jennings, Randy Rogers en Reckless Kelly.

Samen met hun gastheren serveren zij tweeëntwintig goede redenen om Wills ook in de komende jaren als de onomstreden koning van de Western swing te blijven koesteren. Bekende evenals al wat minder tot de verbeelding sprekende deunen van het repertoire van Wills en de zijnen vonden hun weg richting de mix. Van het door Willie Nelson en The Quebe Sisters zacht heupwiegend richting de sterren gecroonde “Navajo Trail” tot een samen met de onvolprezen Del McCoury en z’n band tot heerlijke bluegrass swing omgetoverd “Silver Dew On The Bluegrass Tonight”. Van een vurige vertolking van het wervelende “Tiger Rag” met die van Old Crow Medicine Show tot een opvallend knap “The Girl I Left Behind Me” met The Avett Brothers. Of het als leuke trage geserveerde “Faded Love” met Vince Gill, de lichtjes fantastische Dawn Landes en de overige Time Jumpers, het jazzy, met Lyle Lovett als een vis in het water agerende “Trouble In Mind” en “Time Changes Everything” met huisfavorietje Buddy Miller.

Ach, er vallen hier zoveel leuke dingen te vermelden. En nog een aantal andere daarvan willen we je zeker ook niet onthouden. “I Can’t Give You Anything But Love”, een zalig krols duetje tussen Kat Edmonson en Ray Benson, bijvoorbeeld al, de rete-swingende Pokey LaFarge-benadering van “What’s The Matter With The Mill” zeker ook, evenals een verrassende Robert Earl Keen in “Ding Dong Daddy From Dumas”, het z’n goede reputatie alle eer aandoend The Devil Makes Three in “Bubbles In My Beer” en de samenwerking met Shooter Jennings, Randy Rogers en die van Reckless Kelly voor het afsluitende titelnummer “Bob Wills Is Still The King”. Zelfs George Straits lezing van het onderussen stilaan suf gecoverde “South Of The Border (Down Mexico Way)” scoorde bij ons verrassend hoge punten.

“Celebrating The Music Of Bob Wills And His Texas Playboys” kreeg het geheel als ondertitel mee en da’s exact wat hier gebeurt ook. Eén groot feest wordt ermee gebouwd. En als er al één ding is waar wij niet vlug neen tegen zeggen, dan zijn het wel straffe feestjes als dit…

(Releasedatum: 2 maart 2015.)

Asleep At The Wheel, Proper Records

 

IAN SIEGAL “One Night In Amsterdam” (Nugene Records / Bertus)

(4,5*****)

Wie zei er daar ook alweer, dat het dezer dagen allesbehalve evident is om een plaat tot in de winkel te krijgen? De Britse bluesmaestro Ian Siegal zal het vast niet geweest zijn. Die jaagt zijn nog met elke release flink uitdijende fanschare dezer dagen integendeel net flink op kosten. Met “One Night In Amsterdam” is hij aan z’n derde plaat in amper tien maanden tijd toe. De eerste treffer van die hattrick was het in mei van vorig jaar verschenen “Man & Guitar”, ’s mans eind 2013 door de BBC in de Londense Royal Albert Hall ingeblikte eerste live-cd. Goed en wel een maand geleden was er dan het geweldige “The Picnic Sessions”, een samenwerkingsverband met Alvin Youngblood Hart, Cody & Luther Dickinson en Jimbo Matthus, en nu dus z’n eerste liveplaat mét band.

En die bestaat sinds eind 2013 uit jonge gitaargod Dusty Ciggaar, bassist Danny Van ’t Hoff en drummer Raphael Schwiddessen oftewel de Nederlandse Rhythm Chiefs. En dat drietal mag je wat ons betreft rustig als een godsgeschenk voor Siegal beschouwen. Want – Eerlijk is eerlijk! – zo goed als hier klonk hij eigenlijk nog nooit. En dat tot groot jolijt van allen die in april van vorig jaar de weg vonden richting de North Sea Jazz Club in Amsterdam.

Zij hoorden Siegal een nummer of drie ver in z’n set de avond perfect samenvatten: “We’re going to play some new songs, some old songs, and some songs by great heroes of mine, who were influences on me in my early days, back in the 1930s…” Met de glimlach natuurlijk, maar wel “spot on”!

Geopend werd er destijds met een werkelijk retestrakke versie van het je wellicht ook al wel van het fenomenale “Candy Store Kid” uit 2012 bekende “I Am The Train”. Een album dat onze man later nog eens even zal aandoen voor de ook al geweldige rootsy trage “Early Grace”. Maar voor we zover zijn, gebeurt er eerst nog heel wat anders.

Na “I Am The Train” funken Siegal en de zijnen zo door z’n eigen, van “Meat & Potatoes” geplukte classic “Brandy Balloon”, strutten ze soulvol doorheen “Kingdome Come” van “Broadside” uit 2009, alvorens met de zalige rocker “Writing On The Wall” van z’n landgenoot Harry Stephenson een eerste cover aan te snijden. De eerste van een reeksje, zo blijkt. Met de rootsy slow rocker “Temporary” van z’n maat Ripoff Raskolnikov en Tom Russells “Gallo Del Cielo” volgen er immers snel nog twee. En daarvan springt de tweede al bij al nog het meest in het oog, al was het alleen al maar omdat Siegal en co er ruim negen minuten en drieënveertig seconden lang een vette rootskluif aan blijken te hebben.

Afgesloten wordt er daarna met het van z’n debuut uit 2002 (“Standing In The Morning”) geplukte “Queen Of The Junior Prom”, de misschien wel via een ommetje langs de hardrockers van Nazareth bij de Everly Brothers geleende en wederom van de soul bulkende trage “Love Hurts” en het daar naar ons gevoel werkelijk perfect bij aansluitende en eveneens samen met Joël en Tess Gaerthé van Ashtraynutz gebrachte “Please Don’t Fail Me”.

Wie daarna nog wat meer op zou kunnen, kan zich middels een aan elke cd toegevoegde persoonlijke downloadcode ook nog gratis de bonus track “Hard Pressed” in huis halen. ’t Is maar dat je het weet…

(Releasedatum: 9 maart 2015.)

Ian Siegal, Nugene Records

 

MYLES MANLEY “More Songs” (Myles Manley)

(3***)

Onder het motto “kort maar krachtig” jagen we er hier vandaag snel ook nog even de EP “More Songs” van de vanuit Dublin actieve Brit Myles Manley door. Zes nummers, samen goed voor ruim een half uur gestoei met folk, pop en rock – Niet noodzakelijk in die volgorde! – vallen ons daarop ten deel.

Openingsnummer “Pay Me What I’m Worth” is een hypernerveuze, maar tegelijk o zo catchy kruisbestuiving van folk en pop. Je zou denken, dat als de juiste radiomakers hier hun schouders onder willen zetten, Manley wel eens zomaar een hit te pakken zou kunnen hebben.

Het daaropvolgende “January” is dan weer van geheel en al andere orde. In al z’n intimiteit deed het ons enkele tellen lang denken aan knapen als vader en zoon Buckley en Nick Drake. Snedig gerockt wordt er vervolgens in het wat ons betreft juist allesbehalve ordinaire “Ordinary Love” en al even snel opnieuw gas teruggenomen met het mooie, lekker weidse “I Love Her Family”. Het bedaarde, zich eigentijds folky aandienende “Grinding” en het even aparte, als sfeervolle “Slip Into The Sea” vervolledigen het voor ons al bij al net wat te onevenwichtig uitvallende geheel.

Myles Manley

 

DAVID CORLEY “Available Light” (Continental Record Services / V2)

(5*****)

2015 is zich nu al zo stilaan tot een echt Americana-topjaar aan het ontwikkelen. Nog geen twee maanden ver zijn we en het aantal uitzonderlijk knappe releases is al danig hoog opgelopen, dat we nu al durven te stellen, dat het straks aan het eind van de rit weer “one hell of a job” zal gaan worden om een enigszins representatieve jaarlijst samen te stellen. Eens benieuwd, of “Available Light” van de Amerikaan David Corley er uiteindelijk effectief in zal slagen om dat overzichtje te halen. Op dit moment durf ik nog volmondig te beweren van ja, maar op tien maanden tijd kan er natuurlijk nog veel veranderen…

Dat neemt echter niet weg, dat het debuut van die Corley echt een sublieme plaat is. Het soort van geheel waarvoor je eigenlijk zo goed als een volledig leven geleefd moet hebben om het überhaupt te kunnen maken. En precies dat blijkt bij onze man het geval. Op z’n drieënvijftigste heeft die al ruimschoots voldoende “godverdomse dagen op deze godverdomse bol” achter de kiezen voor een heuse eigen “grand cru”. Een door de Canadese multi-instrumentalist Hugh Christopher Brown geproduceerd songtiental, dat je als liefhebber van atmosferische bluesy roots rock na een eerste beluistering ervan compleet verbluft achterlaat. Tegen het canvas moet je gewoon...

Met een zo menig een de tabakshemel ingeholpen sigaret verradende ruwe baritonstem als z’n voornaamste bondgenoot krast Corley à la een Lou Reed, een Tom Waits en een Leonard Cohen z’n eigen zieleroerselen op die van jou. Z’n niet zelden behoorlijk poëtisch uitdraaiende woorden raken je als luisteraar echt tot diep in je wezen. En als je dan leest, dat Corley zelf een verwoede lezer is en zich onder meer liet inspireren door Joyce, Whitman, Blake en Rilke dan weet je gelijk ook waarom. Openingsnummer “Available Light”, het heerlijk atmosferische “Beyond The Fences”, het bedaarde “Easy Mistake”, het meteen daaropvolgende “Dog Tales” en andere, stuk voor stuk zalige lappen rootsmuziek zijn het resultaat.

Voor wie het graag wat meer mag zijn: deze Corley is je man! Zeker weten!

David Corley, Continental Record Services

 

RODNEY RICE “Empty Pockets And A Troubled Mind” (Moody Spring Music)

(4****)

Bijzonder zelfverzekerd lacht de sinds kort vanuit muziekmekka Austin aan een toekomst voor zichzelf timmerende jonge singer-songwriter Rodney Rice ons vanop het hoesje van zijn onlangs verschenen visitekaartje “Empty Pockets And A Troubled Mind” toe. Het is alsof hij er toen, tijdens het maken van die foto, achter z’n donkere zonnebrilglazen al vrij zeker van was, dat het allemaal wel zou gaan loslopen voor ‘m. En dat lijkt nu van langsom ook meer en meer te gebeuren ook. Met alvast de nummer-1-stek in de Freeform American Roots (FAR) Chart van de voorbije januarimaand tot gevolg. De zegen van heel wat voornamelijk Amerikaanse vaklui heeft hij met andere woorden  dus al. En daar mag nu ook die van ons bij.

Ook wij kunnen immers onze pret niet op met deze ergens in het kielzog van grote Texaanse voorbeelden als een Robert Earl Keen, een Houston Marchman, een Slaid Cleaves en een Kevin Deal actieve nieuwkomer. Met de veertien nummers op “Empty Pockets And A Troubled Mind” slaat Rice wat ons betreft een nagenoeg perfecte muzikale homerun. Vele daarvan kunnen immers bogen op een voor een nog zo jonge kerel behoorlijk flinke emotionele diepgang. En da’s iets wat uitnodigt tot net wat aandachtiger luisteren natuurlijk. Je wordt als het ware naar binnen gezogen in het door Rice bezongen wereldje. Je ziet wat hij zag, voelt wat hij voelde. Je maakt kennis met de mensen die hij op z’n weg ontmoette, bezoekt dezelfde plaatsen die ook hij aandeed.

Voor de productie van “Empty Pockets And A Troubled Mind” tekende lokale held Andre Moran. En hij hield de teugels zo te horen niet al te strak in handen tijdens de opnames ervan. Zodoende letterlijk alle ruimte latend aan de ruiggevooisde Rice, z’n mondharmonica en z’n akoestische en bekende en minder bekende gasten als Mark Hallman, Jason McKenzie, Haydn Vitera, Vanessa Lively, Andrew Pressman, Katy Rose Cox, Katie Cahn, Tyler Rice en Kim Deschamps.

Het resultaat is een duidelijk op organische wijze tot stand gekomen verzameling ballads en countryrockers, waarvoor wij maar wat graag nog eens de omschrijving “Alle Dertien Goed” zouden bovenhalen, ware het niet, dat het hier zoals hoger al even aangegeven om veertien songeenheden gaat. “Alle Veertien Goed” daarom maar zeker, met speciale vermeldingen voor het in duet met Vanessa Lively gebrachte anti-liefdesliedje “Break Your Heart”, de smeuïge rocker “Texas Moon”, het ons gevoelsmatig wel heel erg aan collega Slaid Cleaves herinnerende “Hills Of Carolina” en het afsluitende “You Don’t Know”, een streepje nu al klassieke trage Americana Texas style.

Hopelijk voor Rice raken z’n “Empty Pockets” hiermee snel gevuld en kan z’n “Troubled Mind” op die manier definitief achterwege worden gelaten…

Rodney Rice

 

POINT QUIET “Ways And Needs Of A Night Horse” (Continental Record Services / V2)

(5*****)

Vijf lange jaren verstreken er sinds het verschijnen van het naar zichzelf vernoemde debuut van het Nederlandse gezelschap Point Quiet. Tijd die men, afgaande op het op “Ways And Needs Of A Night Horse” gebodene, bepaald niet in ledigheid heeft doorgebracht. Net als z’n voorganger blijkt immers ook de nieuwe van Pascal Hallibert en de zijnen weer een echte voltreffer. Elf nummers en net geen veertig minuten lang nemen ze ons ook ditmaal weer op sleeptouw doorheen een muzikaal landschap, waarvoor naar believen de termen Americana dan wel country noir uit de kast mogen. Muziek, waarin vooral het sfeerelement van doorslaggevende betekenis blijkt. En dat is bepaald niet zelden heerlijk melancholisch van aard.

Met Halliberts wat klaaglijk aandoende stem, het daar prachtig bij kleurende harmonieerwerk en de viool van Simone Manuputty, de buitengewoon subtiele snarenbenadering van Jan van Bijnen en wat ingehuurde blazers doorgaans als richtingaangevende elementen. Men denke zo bijvoorbeeld aan enigszins vergelijkbare acts als Calexico, Grant-Lee Phillips, de Willard Grant Conspiracy of Tindersticks. Stuk voor stuk kleppers, waarvoor je als liefhebber van de op deze pagina’s behandelde muziekgenres allicht graag wat tijd vrijmaakt. En dat zou je derhalve ook eens voor Point Quiet moeten doen. Na één enkel “proevertje” is er gegarandeerd geen weg meer voor je terug…

Dingen als het onopvallend als de afhangende twijgen van een wilg onder invloed van een zacht briesje haarfijne golven door de vijver van je luisteraarsbewustzijn trekkende titelnummer, het onder meer met fijnbesnaard strijkwerk van Manuputty opgewaardeerde “Run All You Want”, het net wat vlottere “NY Or Not NY”, het elegische “The Man I Once Was”, de sfeervolle country-noirsleper “Trembling Stars”, de afsluitende instrumental “Maneras Y Necessidades” en andere zijn immers net als zoveel van Halliberts eerdere nummers van niets minder dan internationale klasse. Echte pareltjes! Zonder uitzondering bloedmooi!

Point Quiet, Continental Record Services

 

DAYNA KURTZ “Rise And Fall” (Kismet Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Voor het eerst proeven van “Rise And Fall”, de nieuwe van Dayna Kurtz, dat kwam voor ons zo ongeveer overeen met onverwachts heel even een stukje van de hemel mogen verkennen. Zó mooi… Woorden schoten ons bij momenten gewoon tekort om te beschrijven wat we hoorden…

Vooral het openingstweetal van de plaat is ronduit magistraal te noemen. Als je dingen als het country-soulwalsje “It’s How You Hold Me” en de in vergelijkbare buurten rondhangende trage “You’re Not What I Need (But You’re  All That I Want)” kan beluisteren zonder er tot in het diepst van je wezen door te worden geraakt, dan scheelt er iets met je… Echt! De namen van Otis Redding, James Carr, Dan Penn en Aretha Franklin helpen je bij het zoeken naar een geschikt ijkpunt een aardig eindje op weg!

Vervolgens is er wat Kurtz zelf al omschreef als haar “drinking song for the apocalyps”. Al bij al aardig penetrante gitaarklanken, een zich ongewoon opstandig presenterend accordeon en de meer gedeclameerde dan gezongen woorden van La Kurtz blijken daarin de barkeepers van dienst. Wedden, dat je op eenvoudig eenmalig verzoek ook graag een glas met hen mee zal drinken?

Geheel en al anders van aard is in het kielzog daarvan dan weer “If I Go First”. Noem het wat ons betreft maar atmosferische slow rock. Zoiets… Van een verkillende schoonheid, dat alleszins! Een soort van tussen hier en nu en hiernamaals verwoorde laatste liefdesbetuiging. Word je ogenblikkelijk helemaal stil van…

Dan volgen respecievelijk “Eat It Up”, “Yes, You Win” en “Far Away Again”. Het eerste van dat drietal herinnerde ons bij momenten best wel een beetje aan de behoorlijk opulent georkestreerde (folk)pop van het Britse collectiefje Everything But The Girl ten tijde van hun magistrale derde “Baby, The Stars Shine Bright”, het tweede bleek op zijn beurt opnieuw een streepje buitengewoon fijnzinnige country soul en het derde gewoon een wat apart ingevuld popliedje. De interactie tussen met name stem, piano en strijkers daarin, deed ons heel even de term “late night pop” overwegen.

Bij wijze van drievoudige uitsmijter bedient Kurtz ons daarna ook nog van het sfeerbevorderend van wat banjogewriemel voorziene old-time country-soulduo “A Few Confessions” en “You’ll Always Live Inside Of Me” met daartussen gewrongen het wat sacraal aandoende “The Hole”. Dat laatste schreef Kurtz dan ook over de bij het graven van een gat voor het begraven van het as van haar vader door haar geest dwalende gedachten. En ons deed het heel even weer denken aan de vermaarde woorden van Confucius: “Alles heeft zijn schoonheid, maar niet iedereen ziet haar.”

Kortom: “Rise And Fall” bevat wat ons betreft wederom tien nieuwe redenen om Kurtz nog wat steviger aan de borst te drukken dan we dat hier al sinds tijden deden. Onbegrijpelijk eigenlijk, dat deze geweldige artieste in haar thuisland Amerika nog niet dezelfde successen heeft kunnen laten optekenen als in heel wat delen van Europa. Maar goed, misschien brengt “Rise And Fall” daarin wel eindelijk verandering…

(Voor enkele release shows dichtbij huis kan je binnenkort terecht in de Nederlandse plaatsen Bad-Nieuweschans (20/03, Oude Remise), Oosterbeek (21/03, Concertzaal), Breda (22/03, Mezz) en Amsterdam (23/03, Paradiso).)

Dayna Kurtz, Lucky Dice Music

 

CHUCK PYLE “Cover Stories” (Zen Cowboy Records)

(4****)

De mooiste albums komen niet zelden eerder toevallig tot stand. Neem nu zo’n plaat als “Cover Stories”, de nieuwste van “Zen Cowboy” Chuck Pyle. Jarenlang al speelde die zoals zoveel anderen geregeld covers van liedjes van door hem zelf bewonderde artiesten. En geregeld werd er aan het eind van een opnamesessie ook wel eens zo’n deuntje ingeblikt. Maar tot op heden gebeurde daar dan eigenlijk niks mee. Ze bleven gewoon met z’n allen op de plank achter. En dat tot Pyle er op zekere dag in een onbewaakt moment met z’n vriend producer John McVey over praatte. Die was meteen zwaar geïnteresseerd en ging op zoek naar het opgenomen materiaal. En de rest laat zich dan wel raden, niet?

McVey was inderdaad zo enthousiast, dat vrijwel onmiddellijk wat studiotijd geboekt werd en een legertje muzikanten werd opgetrommeld. En “the rest”, aldus Pyle zelve, “is history”. Een stukje geschiedenis, dat je je sinds kort onder de vorm van een geweldige singer-songwriter-countryplaat ook effectief kan aanschaffen. Pyle toont hier immers vrijwel voortdurend een uitstekende smaak, een echt neusje voor geweldige songs. Zo covert hij met veel gevoel “Beaumont” van Hayes Carll, “Fearless Heart” van Lynn Miles, “Blanco River” en “Up And On My Way” van Walt Wilkins, “Now Everything Does” van het duo Lou & Peter Berryman, “Southern Music” van Russell Smith, “Forty Days Of Rain” van Jeff Talmadge, Charlie Chaplins evergreen “Smile” en “If I Was Jesus” van Chuck Cannon en Phil Madeira. En tussendoor mogen ook z’n eigen liedjes “Train Of Dreams”, “Good To Be Home” en “I Hear It’s Clear” even van stal. De twee laatste van dat trio schreef Pyle overigens met Larry Joe Taylor.

Om een lang verhaal kort te maken: wij zijn hier helemaal weg van “Cover Stories”. Het is het soort van plaat, dat we zonder ook maar enige vorm van voorbehoud durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van artiesten als een Guy Clark, een Keith Miles en een John Prine. En daarmee zou u eigenlijk genoeg moeten weten…

Chuck Pyle, CD Baby

 

MADISON VIOLET “Year Of The Horse” (India Media Group)

(2**)

Oei, oei, oei… Ze hebben tot onze grote spijt de onlangs op de EP “These Ships” ingeslagen koers dus ook effectief aangehouden, de Canadese schatjes van Madison Violet. Ver weg van de altijd weer door hun heerlijke samenzang gekenmerkte Americana, folk en akoestische pop van weleer gaan Brenley MacEachern en Lisa MacIsaac op hun nieuwe worp “Year Of The Horse” nadrukkelijk op zoek naar popsucces. Synthpopsucces meer bepaald. En – Eerlijk is eerlijk! – daar zaten we hier nu niet echt op te wachten! En wij allicht niet alleen…

De mooie stemmen van de twee zijn natuurlijk wel gebleven, maar tussen zoveel elektronisch geweld als hier vallen ze gewoon heel wat minder op. En hoe goed ook een aantal van de gebrachte deunen misschien wel mogen zijn, dit raakt ons gewoon niet meer zoals bijvoorbeeld wel nog de een jaar of twee geleden verschenen live-cd “Come As You Are Live”. Die raden we hier en nu nog altijd met heel veel enthousiasme aan (4****). Dat in de Kulturkirche in het Duitse Keulen ingeblikte concertmateriaal was immers rootsmuziek “vom Allerfeinsten”. Met een minimum aan instrumentale ondersteuning voor de vocale prachtprestaties van de tandem MacEachern-MacIsaac. Precies zoals het hoorde dus. Maar dit… Mja…

Aan potentiële hits absoluut geen gebrek hier. Dansvloeren zowat overal ter wereld lonken ondertussen reeds! Kassa, kassa? Zou best wel eens kunnen. En is de twee schonen op de keper beschouwd ook wel van ganser harte gegund. Maar ons verliezen ze hiermee wel (Definitief?) als luisterpubliek. Jammer…

Madison Violet, India Media

 

SARAH MCQUAID “Walking Into White” (Waterbug Records)

(3,5****)

Voor de opnames van haar vierde cd “Walking Into White” ruilde Sarah McQuaid gewoon het ene Cornwall voor het andere in. Om er te kunnen samenwerken met co-producers Jeremy Backofen (Frightened Rabbit, Felice Brothers) en haar neef Adam Pierce (Mice Parade, Tom Brosseau, Múm) verliet ze tijdelijk haar geadopteerde Britse thuishaven van die naam voor het gelijknamige stadje in Orange County, New York. Daar in de States ging de Engelse op zoek naar een compleet andere benadering van haar liedgoed. En die vond ze dus onder de vleugels van het normaliter niet in het folkwereldje actieve duo Backofen-Pierce. Dat tweetal slaagde erin om de intensiteit van haar live performances te vatten. Om haar wat ruwere kantje van tijdens die gigs ook op plaat te vereeuwigen. En om als dusdanig haar folkmateriaal ook voor een normalerwijze eerder voor pop en rock vallend publiek aantrekkelijk te maken.

Geopend wordt er met het in al z’n ijzigheid voorzichtig rillingen over je dan nog argeloze luisteraarslijf jagende “Low Winter Sun”. Vervolgens gaat het richting het met één vitale jump de sixties voor het hier en nu achter zich latende folkrockexperimentjke “Where The Wind Decides To Blow”, net als het ijle, meteen daaropvolgende “The Tide” en het titelnummer gebaseerd op de kinderboeken van Arthur Ransome.

“I Am Grateful For What I Have” blijkt op zijn beurt dan weer een klassieke allures vertonende akoestische gitaarinstrumental, “Sweetness And Pain I” het eerste van een in drie delen opgesplitst a cappella interludium, “Jackdaws Rising” een sfeervolle, met Adele Schulz en Martin Stansbury “three-part round” en “Yellowstone” een voorwaar zelfs even met een bedaard sambaritme flirtend niemendalletje. Uptempo single “The Silver Lining” kenden we hier al een poosje als een moment van pure klasse van McQuaid en het ingetogen, samen met Gerry O’Beirne, de producer van haar vorige drie albums, gepende “Leave It For Another Day”, haar benadering van Drapers “Canticle Of The Sun” en de afsluitende cover van folkicoon Ewan McColls “The First Time Ever I Saw Your Face” zijn al evenzeer intrigerende lappen eigentijds folkvlees.

Kort samengevat: “Walking Into White” is niet enkel McQuaids meest persoonlijke en emotionele plaat tot op heden, het is gewoon ook haar beste. En het zou ons dan ook geenszins verwonderen, mocht de door haar erop ingeslagen weg op termijn ook deze richting succes op wat grotere schaal blijken te zijn.

Sarah McQuaid, Waterbug Records

 

CAMERON BLAKE “Alone On The World Stage” (Silver Slant Records)

(5*****)

Wat mij betreft is het gewoon zonneklaar: als er dit jaar al een betere plaat dan Cameron Blake’s “Alone On The World Stage” verschenen is, dan moet ik ze nog horen. Echt compleet ondersteboven ben ik van de vijfde van die jonge Amerikaanse folkie. De ongekunstelde directheid van de twaalf nummers erop garandeert ruim negenenveertig minuten voor mij nu al als klassiek te bestempelen luistervoer.

Beïnvloed werd Blake daarvoor onder meer door wijlen Nick Drake. En diens vaak door serieuze vlagen van weemoed gevoede modus operandi laat zich derhalve ook op “Alone On The World Stage” regelmatig aanwijzen. Met name die van “Pink Moon”, zou ik zo zeggen, toen hij, zoals Cameron Blake hier, ook alles in z’n eentje deed. De eigen stem, een akoestische gitaar, een piano en een studio, meer niet…

Dat levert, zoals hier hoger reeds gesteld, ronduit beklijvende resultaten op. En of Blake het nu heeft over zo op het eerste gezicht eerder schijnbaar banale, in z’n eigen omgeving opgetekende feiten, dan wel over meer globale topics speelt daarbij zelfs absoluut geen rol. Het is zijn eigen, hoogst aparte manier om z’n onderwerpen te benaderen, die als het ware het cement tussen de losse song-stenen vormt. De niet altijd even evidente invalshoek, bedoelen we dan in de eerste plaats. Maar zeker ook de geweldige poëtische kracht van z’n teksten. Niet zelden heb je als luisteraar het gevoel te maken te hebben met gedichten, die pas op een later tijdstip tot liedjes zijn uitgegroeid. Iets wat voor “Welfare Street” zelfs effectief het geval is geweest, zo blijkt uit de door Cameron zelf in het cd-boekje bij z’n liedjes aangeleverde commentaren.

Laat je net als mij betoveren door bijna onwezenlijke schoonheden van nummers als het de fiscale problemen van de stad uit z’n titel als uitgangspunt voor stil protest gebruikende “Detroit”, het in het conflict tussen Israël en Palestina een dankbaar onderwerp vindende “Rise And Shine”, het zich met het op grote schaal gaan exploiteren van olie en alle directe en indirecte gevolgen daarvan inlatende “North Dakota Oil”, het aan tot gewetensvragen aanzettende liefdesleven van een vriend opgehangen “Wild Blue Garden”, het aan z’n eigen dochtertje Genevieve Elizabeth opgedragen “Ultrasound” en andere, je zal het je absoluut niet beklagen!

Cameron Blake

 

6 STRING DRAG “Roots Rock ‘N’ Roll” (Royal Potato Family / Bertus)

(4****)

Voor albums als dit vonden wij hier ooit eigenhandig de omschrijving “retour de force” uit. Gehoopt hadden we er eigenlijk al lang niet meer op en dus doet het ook eens zoveel deugd om de heren van 6 String Drag weer samen aan het musiceren te weten. Na zestien lange jaren op sterk water hebben ze met “Roots Rock ‘n’ Roll” alvast opnieuw een heel sterk teken van leven gegeven, deze in de jaren negentig van de vorige eeuw meermaals op zich attent gemaakt hebbende pioniers van de No Depression-beweging.

Kenny Roby (zang, gitaren en percussie), Scott Miller (diverse gitaren, waaronder de slide), Rob Keller (diverse bassen en zang) en Ray Duffey (drums en percussie) draaien met deze in een met Jason Merritt gedeelde productie opgenomen comebackplaat de klok gewoon zo’n vijfentwintig jaar terug. De twaalf door Roby ervoor aangeleverde songs herinneren je als luisteraar weer even aan al bij al nog een stuk eenvoudigere tijden. Aan de dagen, waarin de vinylplaat zo stilaan werd uitgewuifd, computers nog lang niet zo gebruiksvriendelijk waren als nu, de GSM en het internet net aan een bescheiden opmars begonnen waren en vooral ook gitaren nog volop regeerden.

En dat, beste vriendjes, doen ze ook hier weer. Hier en daar afgelost door wat sympathiek kopergeschetter dat wel, maar doorgaans zijn het echt wel de gitaren die je de weg wijzen. Richting melodieuze roots rock zoals openingsnummer “Drive Around Town”, het Cochran-eske “Happier Times” en het met heerlijk snarenwerk gelardeerde “Sylvia”, R&B-getinte rock & roll zoals “OOOEEOOOEEOOO” en “Kingdom Of Gettin’ It Wrong” of bedaarde Americana genre de semi-ballade “Give Up The Night”, muzikale “weirdo” “Me & My Disease”, sleper “Precious Things” en het bluesy “Choppin’ Block”. Met als allermooiste nummers wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel de op buitengewoon soulvolle wijze gebrachte tragen “Hard Times, High Times” en “I Miss The Drive-In”.

Welcome back, guys! Glad to have you around again!

6 String Drag, The Royal Potato Family

 

HER & KINGS COUNTY “Raise A Little Hell” (India Records)

(3,5****)

“Raise A Little Hell” is de wel zeer toepasselijke titel van een onlangs verschenen retrospectieve gewijd aan het oeuvre van Monique “HER” Staffile en haar maats van Kings County. Ruim achtenveertig minuten lang bouwen de blonde moordgriet en haar begeleiders hier een bruisend feestje. Vijftien nummers lang laten ze daarbij de grenzen tussen genres als country, bluegrass, Southern rock, rock & roll tout court en hip-hop compleet vervagen. En het resultaat van die lang niet altijd even subtiele inspanningen is bij momenten echt wel onweerstaanbaar! Wie een wild feestje op z’n tijd wel ziet zitten, leest daarom best nog een eindje verder!

Met uitzondering van de nadrukkelijk om een zee van brandende aanstekers smekende rockballade “Heavens Crashing Down”, het melodieuze “My Heart Can’t Take Anymore”, een duetje met de je misschien nog wel uit de entourage van countryster Tracy Lawrence bekende gitarist Rick Huckaby, en het wel heel erg naar de sixties lonkende “Oh My Darlin” zal hij hier zeer aan z’n trekken komen. De rest van “Raise A Little Hell” wordt immers voornamelijk beheerst door een kruisbestuiving van Southern rock, hip-hop en (new) country. Lekker funky met de kont schuddend zoals in “Deep In The Country”, eerder swampy zoals in het knappe “Where Did All The Money Go” of wel heel erg op een jong countrypubliek mikkend zoals in het naar ons gevoel ook buitengewoon radiogeniek aandoende tweetal “White Trash” en “Family Tree”.

Het best bevielen HER & Kings County ons echter in dingen als “Down In Dixie”, het van “If You Wanna Go To Heaven” van de Ozark Mountain Daredevils afgeleide titelnummer “Raise A Little Hell” en het ook al op hoogst aantrekkelijke wijze om zich heen schoppende “My Backyard”. Precies die nummers dus, waarin koning Southern rock nog redelijk ongegeneerd regeren mag.

“City country” noemen Staffile en de haren hun eigenzinnig brouwsel zelf. Iets wat wellicht in niet geringe mate te maken heeft met het feit, dat ze bij nader inzicht uit “of all places” Brooklyn afkomstig blijken. Maar laat die laatste wetenschap vooral je feestje niet vergallen, zouden we zo zeggen!

HER & Kings County, India Records

 

BIBER HERRMANN “Grounded” (Acoustic Music Records)

(4****)

Op de opvolger van zijn goed en wel vier jaar geleden verschenen laatste studioplaat “Love & Good Reasons” gaat Biber Herrmann resoluut voor een minimalistische aanpak. In een met z’n landgenoot Peter Finger gedeelde productie etaleert de Duitse singer-songwriter daarop in z’n dooie eentje veertien nummers lang zijn bepaald niet geringe kwaliteiten. Met zijn enigszins verweerd aandoende stem, een collectie prachtliedjes, wat gitaren, waaronder ook een Resonator, en z’n mondharmonica als enige hulpmiddelen toont hij op “Grounded” andermaal gewoon tot het allerbeste te behoren wat Europa op blues- en rootsvlak te bieden heeft.

Acht van de gebrachte nummers blijken daarbij van eigen makelij, een negende, de fraaie ballade “I Will Find You”, pende Herrmann samen met de hier ook zeer gesmaakte David Munyon, de overige vijf zijn covers van respectievelijk de Muddy Waters classic “Got My Mojo Working”, “Going Up The Country” van Canned Heat, Leadbelly’s “Good Morning Blues”, Bob Dylans “Maggie’s Farm” en Robert Johnsons “Kind Hearted Woman Blues”. Samen goed voor ruim meer dan een uur akoestische rootsmuziek van het werkelijk allerbeste soort. Voor veertien intimistische schoonheden van songs, waarvoor je als liefhebber van het genre maar wat graag je hart zal openstellen. Een geslaagde spagaat tussen traditie en heden. Virtuoos, soulvol, beklijvend!

Onze luistertips: het met een flinke snuif humor gekruide en Herrmanns kunstjes als finger style picker ten volle aan bod laten komende “Sweet Nun”, de eerder al even genoemde pracht-trage “I Will Find You” en de bij nader inzicht uit min of meer hetzelfde vaatje tappende ballade “Leaving Town Blues” en zeker ook het wat levendigere, absoluut niet met het net niet gelijknamige John Hiatt-nummer te verwarren “Have A Little Faith”.

Biber Herrmann, Acoustic Music Records

 

ALLISON MOORER “Down To Believing” (Proper Records / Bertus)

(5*****)

“Down To Believing” is ondertussen ook alweer Allison Moorers negende album. En zoals dat met de beste wijnen nu eenmaal gaat, is ook La Moorer er met de jaren alleen maar beter op geworden. In die mate zelfs, dat we haar nieuwe worp hier als haar voorlopig zonder meer beste durven te beschouwen. Buitengewoon krachtig is het hoe dan ook allemaal! En persoonlijker dan ooit tevoren zeker ook. Ten dele geboren uit twee recente serieuze tegenslagen in haar eigen leven. Haar tijdens het schrijfproces van veel van de liedjes erop nog volop te verwerken scheiding van collega-songsmid Steve Earle natuurlijk. En misschien nog wel meer het wrange lot dat het leven zelve zo’n twee jaar geleden voor haar zoontje John Henry in petto bleek te hebben. Moorer was er immers echt compleet ondersteboven van, toen bij haar spruit autisme werd vastgesteld.

Geen wonder dan ook, dat één van de pakkendste nummers op naar nieuwe langspeler precies aan die onthutsende diagnose ontsproot. We hebben het dan over de messcherpe countryrocker “Mama Let The Wolf In”, waarin Moorer zich tegen beter weten in verontschuldigt bij haar zoontje voor haar deel van de verantwoordelijkheid met betrekking tot waar hij voortaan verder door zal moeten. Een ander absoluut topmoment is titelnummer “Down To Believing”. In die soulvolle trage heeft Moorer het over de recente ontbinding van haar huwelijk met Steve Earle. Een relatie, waar ze naar eigen zeggen overigens absoluut geen spijt van heeft. Integendeel zelfs. “Hij leerde me heel wat,” aldus Moorer zelf daarover. Zeker met betrekking tot haar grote passie, het schrijven van liedjes. Het verstilde “Blood” gaat dan weer over die andere bepalende factor in haar leven, haar “grote zus” (Shelby Lynne). Over onvoorwaardelijk van iemand houden en er altijd met open armen voor klaarstaan. Iets wat zich gezien hun tragische voorgeschiedenis samen perfect verstaan laat.

Voor de productie van “Down To Believing” viel Moorer net als voor “The Hardest Part” uit 2000 terug op haar oude maatje, gitarist Kenny Greenberg. En die wist net als voor dat geweldige album het beste uit z’n vriendin te puren. Hij laat haar knallen zoals in het veelzeggend getitelde “I’m Doing Fine” en het ook al erg vinnige duo “Like It Used To Be” en “I Lost My Crystal Ball”, maar gunt zo nu en dan zeker ook haar rootsy kant een gepaste uitlaatklep zoals met het voorzichtig hitgevoelige “Back Of My Mind” of met broeierige afsluiter “Gonna Get It Wrong”. En dan hadden we het nog niet over het atmosferische, z’n titel meer dan waarmakende “Thunderstorm/Hurricane”, Moorers bijzonder geslaagde cover van de Creedence Clearwater Revival-hit “Have You Ever Seen The Rain” en de perfect de niet zelden bruisende sfeer van het zuiden van de States vattende roots ‘n’ roll van “Tear Me Apart”.

“Ik ben trotser op deze liedjes dan op eender welk dat ik eerder schreef.” Je hoort het artiesten naar aanleiding van een nieuwe plaat wel eens vaker verkondigen, maar Moorer mag het in tegenstelling tot velen die haar daarin voorgingen wat ons betreft wél. De dertien songs op “Down To Believing” blijken immers evenveel juweeltjes, voorbestemd tot het achterlaten van kleine krasjes op de ziel van iedereen met een stel tot luisteren bereide oren aan z’n hoofd.

Een verplichte aanschaf plegen wij zoiets hier te noemen…

Allison Moorer, Proper Records

 

VANESSA PETERS “With The Sentimentals” (Vanessa Peters)

(4****)

Het moge ondertussen al wel een poosje duidelijk zijn: Vanessa Peters heeft ontegensprekelijk iets met Europa. Met het Italiaanse trio Ice Cream On Mondays leverde de in Dallas, Texas geboren en getogen Amerikaanse eerder al een drietal “Europese” (groeps)albums af en met het in het Deense Kopenhagen gevestigde Americana-gezelschap doet ze er daar nu nog eentje bij. En wat voor één! Die door haar wederhelft Rip Rowan geproduceerde liedjescollectie weet echt van de eerste tot de laatste seconde te bekoren.

De tien songs ervan werden opgenomen tijdens twee verschillende sessies, eentje in april van vorig jaar en eentje in oktober, maar dat hoor je er absoluut niet aan. “Vanessa Peters With The Sentimentals” blijkt op de keper beschouwd integendeel net één heel erg coherent geheel. Een plaat, die je als luisteraar spelenderwijze inpakt door haar warmbloedigheid. Sfeer was duidelijk een sleutelwoord “this time around”. Dat menen we hier tenminste te mogen afleiden van het behoorlijk atmosferische karakter van nogal wat van de gepresenteerde liedjes.

Neem nu zoiets als openingsnummer “Pacific Street”. Gitarist M.C. Hansen ontlokt daarin aan z’n elektrische klanken, die als gestaag op een hete plaat tikkende waterdruppels lijken te verdampen en dat liedje vrijwel ogenblikkelijk in iets van een waas hullen. Voeg daar de beurtelings een weinig aan die van Mary Chapin Carpenter en die van Aimee Mann herinnerende stem van Peters zelve en een knappe songtekst aan toe en je houdt gelijk een prachtdeuntje in handen. Het eerste van een hele reeks, zoals in de volgende eenenveertig minuten uitvoerig blijken zal. Net wat popgetinter dan in het verleden misschien, maar dat kan de pret wat ons betreft absoluut niet drukken. We vonden het juist heel mooi om te horen, hoe Peters en haar Deense kompanen hier een evenwicht weten te vinden tussen Americana, folk, pop en rock.

Dingen als het zachtjes twangende “Call You All The Time”, de ongemeen sfeervolle rootspopschoonheden “Big Time Underground” en “Mostly Fictions”, de intense ballade “The Choice”, het wat meer richting rockwateren wegdrijvende “Fickle Friends” en andere daar naadloos bij aansluitende songs verdienen zonder uitzondering een groot publiek. Eigenlijk vormen ze samen ontegensprekelijk Peters’ beste plaat tot op heden. Dat belooft dus nog voor de toekomst!

Vanessa Peters

 

MATT WATTS “Songs From A Window” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

“Songs From A Window” is de wederom uitstekende derde langspeler van de al op z’n negentiende in Antwerpen neergestreken en daar blijven hangen Amerikaanse songsmid Matt Watts. De elf liedjes erop verraden andermaal een gedegen kennis van en een diepgaand respect voor de folktraditie. Maar Watts zorgt er wel te allen tijde voor, dat z’n liedjes ook anno 2015 leefbaar blijven. In al hun naaktheid herinneren ze je als luisteraar meermaals aan de jonge Dylan, Leonard Cohen en Nick Drake. En da’s bepaald schoon volk, toch?

Daarbij slechts gewapend met zijn enigszins breekbaar aandoende stem en een akoestische gitaar en her en der even bijgestaan door Guido Op de Beeck (basgitaar) en Joan Giménez Flores (slidegitaar) weet Watts elf nummers lang te vervoeren. Hij profileert zich als een echte meester-verteller van verhalen. Eentje die opzettelijk een intimistische setting lijkt te hebben uitgekozen, omdat een zulke nu eenmaal aanzet tot aandachtiger luisteren. Meer door minder, zoiets… En dat pakt hier doorgaans fantastisch uit. Je hangt quasi voortdurend aan ’s mans lippen. En bijna letterlijk ook. Bij momenten lijkt het immers, alsof hij je gewoon ergens van in een hoekje van je eigen living toezingt.

Onze onverbintelijke luistertips: het Dylan-eske protestliedje “Leonard Peltier”, het bluesy “Orphans” en de ingetogen beauty “Unkind”.

Matt Watts, Starman Records

 

THE PORTER DRAW “The Porter Draw” (The Porter Draw)

(4****)

Als er al één ding is, waarmee je mij serieus snel op mijn paard krijgen kan, dan zijn het wel de vaak mijlenver uit elkaar liggende releasedata van albums in de States en in Europa. Nu begrijp ik best wel, dat artiesten graag willen, dat hun tournees of optredens in een bepaalde regio samenvallen met het uitkomen van hun nieuwe plaat. Maar waar ik absoluut niet bij kan, is dat hier een plaat wordt uitgebracht die in de States bijna een jaar geleden het daglicht zag en daar ondertussen reeds aan een opvolger toe is. Ik denk dan specifiek aan het naar zichzelf vernoemde “The Porter Draw”, de derde cd van dat bandje uit Albuquerque, New Mexico. Een fantastische plaat, daar niet van, maar ondertussen wel reeds oud nieuws, aangezien met “More Trouble” via de Bandcamp-pagina van de groep sinds enkele dagen reeds een nieuw album verkrijgbaar is. In door het internet gedomineerde tijden zou het, als je het mij vraagt, eigenlijk niet meer mogen kunnen…

Maar goed: “The Porter Draw” is, zoals hoger al even aangegeven, een fantastische plaat en verdient onze aandacht dus nog wel. Ze staat immers boordevol alternatieve country van het type dat zo ongeveer elke liefhebber van het genre zou moeten kunnen aanspreken. Een negental ijzersterke eigen songs worden erop gekoppeld aan een ook al buitengewoon knappe cover van de Springsteen-hit “I’m On Fire”. En wat daarbij steeds weer opvalt, is dat de heren duidelijk hun geschiedenis kennen. De traditie wordt zo goed als nergens uit het oog verloren, maar krijgt hier wel een hoogst aanstekelijke facelift mee. Catchy alt-country songs met geregeld een uitschuiver richting bluegrassvriendlijkere oorden zijn aan de orde van de dag. Met daarbij opvallende rollen voor de elkaar werkelijk uitstekend aanvullende vocalisten Russell Pyle (gitaar en zang) en Joshua Gingerich (gitaar, harmonica, mandoline en zang). Ben Wood (banjo), Dandee Fleming (bas) en Joey Gonzales (drums en percussie) vervolledigen het groepsplaatje.

Liefhebbers van klassieke acts als Whiskeytown, Wilco, Son Volt en aanverwanten moeten hier beslist even naar luisteren! Dingen als het ingehouden twangy “Judgment Day”, het nadrukkelijk met bluegrass flirtende “Softened Soil”, het aardig uitgelaten “County Lines”, het ingetogen (country)rockende “Out On The Highway”, het ongemeen sfeervolle “One More Night” en andere zullen bij hen vast in goede aarde vallen.

“The Porter Draw” is momenteel via het “name your price”-principe beschikbaar via de Bandcamp-pagina van de heren. Hun nieuwe worp “More Trouble” kost daar ook amper $5.00. Voor de prijs moet je het dus al zeker niet laten…

The Porter Draw, Bandcamp

 

RAINA ROSE - REBECCA LOEBE - SMOKEY & THE MIRROR “Three Nights Live” (Goose Creek Music And Entertainment)

(4,5*****)

Het project “Three Nights Live” herbergt met Raina Rose, Rebecca Loebe en Smokey & The Mirror maar liefst drie uitstekende Americana acts. Het album vormt als het ware een samenvatting van drie aan het eind van 2013 in het zuiden van de States afgewerkte optredens. Meer bepaald gigs in McGonigel’s Mucky Duck in Houston, The Cactus Cafe in Austin en The Blue Door in Oklahoma City. Bij liefhebbers van het betere luisterlied stuk voor stuk hoog aangeschreven “venues”.

Het afgewerkte programma bestond daarbij voornamelijk, maar lang niet uitsluitend uit eigen materiaal. Zo wordt er bijvoorbeeld geopend met een werkelijk oorstrelend mooie versie van “These Days” van Jackson Browne en afgesloten met een al even pakkende lezing van het je vast ook wel in de uitvoering van Smokey Robinson & The Miracles bekende “Tracks Of My Tears”. En tussendoor moeten ook “California Stars” van Jeff Tweedy, Jay Bennett en Woody Guthrie - En hier gebracht als deel van een medley met de Loebe-compositie “Marguerita”! - , “Dublin Blues” van Guy Clark en “Loretta” van wijlen Townes Van Zandt nog eraan geloven.

Voorts stoten we enkel nog op eigen materiaal, waaronder nog enkele exclusiviteitjes. Rebecca Loebe’s vertederende “Lie” is bijvoorbeeld nog nagelnieuw en ook het soulvolle “Goodnight Lorena” van de Hembrees (Smokey & The Mirror) en de full-band-versie van Raina Rose’s “Act Of God” zal u elders vergeefs zoeken. En laat dat nu toch net drie van de echte topmomenten van “Three Nights Live” zijn zeker…

Van Rose horen we verderop ook nog het prachtige “Swing Wide The Gates” en de ook al zeer mooie ballade “Bluebonnets”, van Loebe het fraaie duo “California” en “The Chicago Kid” en van Bryan en Bernice Hembree “Somewhere In The Middle”, “Rag And Bone” en “St. Alban’s Day”. Samen met het al eerder opgesomde songmateriaal goed voor net geen uur buitengewoon geslaagd Americana-vertier. “Live music” van de bovenste plank! In een productie van Rebecca Loebe zelve ook overigens.

Warm aanbevolen!

(Vanaf eind mei zal Rebecca Loebe ook weer in de buurt zijn voor een aantal optredens. In ons land doet ze vooralsnog enkel Lontzen aan, in Nederland onder meer Den Bosch, Lage Vuursche, Ter Aar, Eindhoven, Spijkerboor, Middelburg, Vlierden en Volendam. Een lijstje, dat ongetwijfeld nog wel met enkele data uitgebreid zal worden!)

Raina Rose, Rebecca Loebe, Smokey And The Mirror, Goose Creek Music And Entertainment

 

HAT CHECK GIRL “At 2 In The Morning” (Gallway Bay Music)

(4****)

Ik heb hier nog maar zelden een album mogen bespreken, waarvan de vlag de lading zozeer dekte als deze van “At 2 In The Morning” van het duo Hat Check Girl. De titel van die ondertussen toch ook alweer vijfde worp samen van Peter Gallway en Annie Gallup blijkt immers bepaald niet willekeurig gekozen. In de liner notes wordt ons meteen duidelijk gemaakt, waar het tijdens de opnames van de elf songs erop allemaal om draaide: twee stemmen en twee instrumenten. “The way we would play these songs at 2 in the morning.”

En Gallway imponeert daarbij eens te meer met z’n heerlijke goudbruine stem en z’n subtiele snarenbenadering. In de van hem ondertussen welbekende stijl tovert hij voortdurend op zowel de akoestische, als de elektrische gitaar. Gallup van haar kant beperkt zich niet enkel tot engelachtige gezongen bijdragen en wat spielereien op tal van gitaren, ze mag waar nodig ook graag de banjo, de lap steel of de dobro bovenhalen.

Het resultaat? Een album, dat wij hier nog vaak met veel plezier op het in zijn titel voorgestelde tijdstip zullen tot ons nemen. Een album, dat ons vooral sfeermatig regelmatig deed terugdenken aan het werk van Joni Mitchell en in iets mindere mate ook Leonard Cohen. Je zal er hoegenaamd geen noot teveel op horen. Alles lijkt op het voortdurend rond het thema “connection” draaiende “At 2 In The Morning” zo z’n redenen te hebben. Zelfs de stiltes lijken functioneel. Ze accentueren als het ware het net uitgesprokene. Prachtig gewoon!

Als we hier nog snel enkele luistertips mogen geven, dan wel deze: het door de Texaanse songsmid Eric Taylor geïnspireerde openingsnummer “Texas”, het met een vertederende melodie gezegende en door Gallup gedragen “Three Wives” en het over sec banjogepingel en ijzige gitaarklanken uitgestreken resumé van een zo te horen weinig bevredigend liefdesleven “Leaving”.

Mocht u het ondertussen nog niet begrepen hebben: in het gezelschap van Gallway en Gallup is minder effectief meer. Prachtplaat!

Hat Check Girl

 

MARY’S LITTLE LAMB “Fortune & Chance” (Mary’s Little Lamb)

(4****)

Goede wijn behoeft naar verluidt geen krans, maar toch… Met Mary’s Little Lamb heeft Vlaanderen er een alternatief countrygezelschap bij om trots op te zijn. Wat dat zestal uit Keerbergen op z’n debuutplaat “Fortune & Chance” presteert, getuigt immers van grote, grote klasse. Met elf eigen nummers en een verdomd eigenzinnige cover van het door Leon Payne gepende, maar al bij al vooral in de uitvoering van de grote Hank Williams bekende “Lost Highway” laten Bart Hendrickx (zang, gitaar en banjo), Bert Cuypers (contrabas en basgitaar), Mike Van Daele (drums en percussie), Bart Geens (cornet en bugel), Michaël De Weerdt (cornet) en Sander Augustynen (trombone) er niet de minste twijfel over bestaan: hier staat een groep waar we nog heel veel plezier aan zullen gaan beleven.

Zo ongeveer alles op dit visitekaartje doet nu al volop hunkeren naar meer. Zo is er om te beginnen bijvoorbeeld de heerlijke zang van kopstuk Hendrickx. Het is absoluut niet overdreven om te stellen, dat er wat Cash door diens aderen stroomt. Iets wat vooral in de wat tragere nummers op “Fortune & Chance” behoorlijk opvalt. We denken dan bijvoorbeeld aan de omineuze sleper “Lift The Curse” of aan het donkere, met Jorunn Bauweraerts van Laïs gebrachte afsluitende duet “Don’t Let The Day Break”.

De jonge Cash blijkt verder ook geregeld nadrukkelijk aanwezig in de aan heel wat van de liedjes hier ten grondslag liggende ritmes. Zo is het bijvoorbeeld heel erg moeilijk om naar dingen als openingsnummer “Pariah” en het meteen daaropvolgende en met swingende blazers opgewaardeerde “Sugar Coat” te luisteren zonder ogenblikkelijk aan de Tennessee Two te gaan denken. Maar het siert die van Mary’s Little Lamb dat ze niet blijven steken in louter epigonisme, want – Laat dat vooral duidelijk zijn! – daarvan is hier absoluut geen sprake. Je in ons land aan alternatieve country en americana wagen houdt quasi per definitie in terugvallen op Amerikaanse voorbeelden. Maar dat hoeft geen minpunt te zijn, zolang je maar creatief met die invloeden om weet springen. En daarin tonen Bart Hendrickx en zijn maats zich echte meesters. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de schitterende trage “It Can’t Go Wrong” en je zal meteen weten wat we daarmee bedoelen. Ritmegewijs denk je aan Cash, subtiel blaaswerk verwijst op zijn beurt dan weer naar Calexico en tal van andere elementen herinneren aan de soundtrack bij zo menig een klassieke western uit onze jeugd. Echt bloedmooi! En geen wonder dan ook, dat het door de makers van de Eén-reeks De Ridder reeds werd opgepikt voor de soundtrack van hun tweede seizoen.

En als we het hier dan toch al hebben over de filmische kwaliteiten van de muziek van Mary’s Little Lamb, dan kunnen we zeker ook niet voorbij aan het tweetal “The Outlaw” en “Mirage”. Het eerste hengelt mede door een alweer zalige blazersbijdrage nadrukkelijk naar een stek op de soundtrack van een spaghettiwestern genre die van wijlen Sergio Leone, het tweede blijkt een tot de verbeelding sprekende instrumental, die je als luisteraar op sleeptouw neemt doorheen de verzengende hitte van de één of andere niets ontziende woestijn.

In “Little Worries” gaat het vervolgens ook even de jazzy toer op, ”Cursed City” is een op een even simpele als aanstekelijke melodie geënte streep old school country en in “Fire In The Core” mag het bluesverleden van enkele van de bandleden heel even een woordje mee komen spreken. Eén van dé absolute hoogtepunten van het geheel blijkt aansluitend nog “A Long Way From Home”. Gedane dingen nemen geen keer, leren we weer maar eens uit die ongemeen sfeervolle, bij momenten nogal excentriek uitgevallen “creeper”.

’t Is dat die van Calexico met The Barr Brothers al een voorprogramma blijken te hebben voor hun eraan komende Europese tournee, wij hadden er anders wel eentje geweten…

Mary’s Little Lamb

 

AWNA TEIXEIRA “Wild One” (Lucky Dice Music)

(3,5****)

“Wild One” is de opvolger van het ondertussen zo’n twee jaar geleden verschenen “Where The Darkness Goes”, het solodebuut van Awna Teixeira. De naam van die Canadese met Portugese roots zal bij de meesten wellicht nog wel een belletje doen rinkelen vanwege haar gesmaakte bijdrage aan het project Po’ Girl.

Op “Wild One” doet Teixeira het met elf eigen liedjes. Veelal behoorlijk persoonlijk van aard. En niet zelden geworteld in haar eigen leven. Een heel mooi voorbeeldje daarvan is ontegensprekelijk “Blue Heart On Your Sleeve”. In die fraaie ballade vraagt Teixeira immers om onze aandacht voor geestelijke ziektes. Een onderwerp, dat haar heel nauw aan het hart ligt, omdat haar eigen oma er al jaren mee worstelt. En hoe nauw dan wel, dat bewijst wel het feit dat ze een deel van de inkomsten van haar op stapel staande tournee doorheen Nederland zal doneren aan De Jutters, een locale organisatie, die zich inzet om hulp te bieden aan mensen met psychische klachten.

Andere momenten van vertederende schoonheid hier: het buitengewoon sfeervolle titelnummer, de liefdesliedjes “Little Ghost Of A Whale” en “Away We Go”, het voor het pasgeboren dochtertje van haar vrienden Allison Russell en Jeremy Lindsay van Birds Of Chicago geschreven “The Light In You” en vooral ook “In The Wintertime”. Dat schreef Teixeira ter nagedachtenis aan een goede vriend, die jarenlang met een depressie worstelde. Door erin gebruik te maken van spreekwoorden afkomstig uit diverse Native American-talen verleent ze aan dat liedje een nog net wat specialer gevoel dan aan heel wat andere hier.

Samen met Dave MacKinnon tekende Awna Teixeira ook zelf voor de productie van “Wild One”. En op de gastenlijst ervan treffen we verder onder meer ook nog de namen van Suzie “Oh Susanna” Ungerleider en JT & The Clouds-toetsenist Drew Lindsay aan.

In maart trekt Awna Teixeira voor een reeks optredens doorheen Nederland. Meer info daaromtrent vind je hier.

Awna Teixeira, Lucky Dice Music

 

RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “Tombstone” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ondertussen al ruim meer dan een kwart eeuw lang staat hij garant voor desert rock van het werkelijk allerbeste soort, deze Rich Hopkins. Hijzelf (zang en gitaren) en zijn anno 2015 verder ook nog uit wederhelft Lisa Novak (zang, gitaar en percussie), Jon Sanchez (gitaren, sitar, keyboards, synthesizer en harmonica) en George Duron (drums) bestaande Luminarios ploegen op het onlangs verschenen “Tombstone” doorheen twaalf nieuwe liedjes, waarvan de overgrote meerderheid van het eerder beenharde type blijkt. En in dat opzicht is het ook echt wel de opvolger van voorganger “Buried Treasures” geworden. Ook die plaat verkende immers al uitgebreid terug Hopkins’ stevigere kant.

In een met Lars Goransson gedeelde productie en met waar nodig bijkomende studiohulp van bassisten Duane Hollis, Paul Beebe en George Reiff, gitaristen Larry Cooper en Damon Barnaby en drummer Alan Anderson knallen Hopkins en co hier als in hun beste momenten. De nieuwe songs, waaronder zonder uitzondering de naam Hopkins prijkt, al dan niet in combinatie met die van Novak en/of Sanchez, gaan naar aloude Hopkins-traditie ook nu weer graag op de wat grotere vraagstukken van het leven in. Met onder meer moraal, waarden en deugden meermaals als leidraad.

Tussen de behoorlijk catchy uitgevallen opener, het gelijk maar alle gitaarsluizen openzettende “Don’t Worry”, en de voor het geheel enigszins atypische afsluiter, het aan Novaks moeder, de je misschien wel van haar rol binnen de Southernaires bekende Leona Novak, opgedragen alternatieve countrywalsje “Leona’s Waltz” – Gezongen door haar toenmalige “band mate” Arnold Parker! – gebeurt er rijkelijk veel interessants. Met name het ook al aardig radiogenieke, door een werkelijk meesterlijke riff van Sanchez gedragen “Everything”, het bijna voortdurend door liefst drie elektrische gitaren aangejaagde titelnummer, het melodieuze “Home Of The Brave” en het monumentale, een aardig eind richting de acht minuten uitdeinende “Top Of The World” bevielen ons werkelijk uitstekend.

Straffe kost!

Rich Hopkins & The Luminarios, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DERROLL ADAMS “Banjo Troubadour, A Live Recording” (LP + CD) (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

Met “Banjo Troubadour, A Live Recording” krijgt de een groot deel van zijn leven in ons land doorgebracht hebbende Amerikaanse folklegende Derroll Adams vijftien jaar na z’n dood postuum een muzikaal gedenkteken. En eigenlijk had men daarvoor geen beter moment kunnen uitkiezen. Nooit was de banjo hier immers zo populair als nu. Onder invloed van acts als Mumford & Sons, de Avett Brothers en aanverwanten lijkt ons land meer dan ooit klaar voor een rootsmuziekboom.

Het betreft hier een tiental door de Belgische openbare omroep – Toen nog gewoon BRT! – gemaakte live-opnames. Vier daarvan werden op 28 februari 1973 ingeblikt tijdens de “Troubadoursavond” in de Aula van het Maria-Theresiacollege in Leuven. Meer bepaald de door Adams zeer onderhoudend ingeleide traditional “Darling Corey”, de zijn vaardige vingers op de vijfsnarige banjo alle ruimte latende eigen compositie “The Sky” en twee verdere overgeleverde stukken, te weten “Blue Ridge Mountain” en “900 Miles”. De overige zes stukken zijn een weinig jonger. Zij werden in april 1980 door Omroep Antwerpen vereeuwigd tijdens de elfde editie van de Country Evening in de plaatselijke zaal Elckerlyc. Afgetrapt wordt er met een werkelijk van de vitaliteit bruisende versie van “Rich & Rambling Boy” van A.P. Carter en verderop stoten we ook nog op Jimmie Rodgers’ “Muleskinner Blues”, Woody Guthrie’s “Ain’t Got No Home In This World Anymore” en overgeleverde stukken als “Columbus Georgia”, “Freight Train Blues” en “Wildwood Flower”.

Tien liedjes, die als u het ons vraagt uitermate geschikt zijn om Adams te introduceren bij een potentieel nieuw publiek. De combinatie van ’s mans gloedvolle voordracht, zijn kwaliteiten als verteller, zijn vingervlugge behandeling van zijn banjo en zijn rootsvriendelijke, nadrukkelijk in bluegrass en old-time country en folk gewortelde songkeuze zijn immers ook zoveel jaren na datum nog steeds serieuze troeven. Maar overtuigt u zich daarvan vooral zelf! U zal het zich absoluut niet beklagen!

“Banjo Troubadour, A Live Recording” wordt op donderdag 19 februari aanstaande omstreeks 20.00 u voorgesteld in Den Hopsack aan de Grote Pieter Potstraat 24 te Antwerpen. Voor meer info verwijzen we je hier graag naar de webstek van Den Hopsack: www.denhopsack.be. Al willen we toch nog snel even meegeven, dat er onder meer een mini-concert met bekende mystery guests met een hart voor Derroll Adams op het programma staat.

(Releasedatum: 16 februari.)

Derroll Adams, Starman Records

 

DANNY SANTOS Y ¡LOS BLUEGRASS VATOS! “Hogtied” (Brambus Records)

(4****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten, dat we de Texaanse songsmid Danny Santos hier al sinds tijden een warm hart toedragen. Met albums als “Sinners & Saints”, “Headaches & Heartaches”, “Say You Love Me Too” en het vorig jaar verschenen “This Old World” wist hij ons in het verleden eigenlijk steeds weer op onze wenken te bedienen. En dat is ook met het nieuwe “Hogtied” überhaupt weer niet anders. Al is dat dan ook een totaal andere plaat geworden dan we van Santos door de jaren heen gewoon zijn geraakt.

Op “Hogtied” belijdt de songsmid immers zijn aangeboren voorliefde voor het bluegrassgenre. Samen met Eddie Collins (akoestische gitaar, banjo, mandoline en staande bas), Wes Green (mandoline en harmony vocals) en Seymour Guenther (staande bas en harmony vocals) oftewel ¡Los Bluegrass Vatos! troont hij ons daarop doorheen acht eigen composities, een viertal deuntjes van de hand van z’n gelegenheidssecondanten Eddie Collins en Wes Green en twee ondertussen onder de noemer “Public Domain” terug te vinden liedjes (“Sittin’ On Top Of The World” en “Rider”).

Santos’ benadering van dit voor hem nieuwe gegegeven verschilt vooral daarin van de doorsneebluegrassplaat, dat hij vrijwel nergens verbergen kan, dat hij van nature uit een singer-songwriter is. Iemand die graag mag focussen op het inhoudelijke van een liedje, iemand met een voor het genre eigenlijk net wat te rauwe stem. Zie voor een vergelijkbaar verhaal bijvoorbeeld ook de bluegrassplaten van collega’s Fred Eaglesmith en Robert Earl Keen.

Maar goed, laat dat vooral geen punt van kritiek lijken, want dat is het zeer zeker niet. Het verleent integendeel juist dat extra iets aan dit geheel, wat veel bluegrassalbums missen. En verhalen als dat over de het door “l’amour” versnelde einde van de outlaw uit de titel ervan bezingende “Billy The Kid Died For Love”, het zich ook al met de liefde inlatende “Any Kind Of Love” en al wat oudere dingen op Santos’ repertoire als daar zijn “Josephine”, “Hungry For Love”, “Tellin’ Me Things I Need Her To” en “Before You Turn Around And Go” vonden hier dan ook een graag tot luisteren bereid oor. En her en der opduikende instrumentaaltjes als “Snake Eyes”, “The Night Watchman” en “Hobo’s Hubub” namen we er al bij al ook graag bij als geslaagde muzikale intermezzo’s.

Dit hoeft wat ons betreft absoluut niet tot iets eenmaligs beperkt te blijven!

Danny Santos, Brambus Records

 

JIM ED BROWN “In Style Again” (Plowboy Records)

(3,5****)

Als we het hier over Jim Ed Brown hebben, dan hebben we het over echte “country royalty”. Met zijn zussen Maxine en Bonnie scoorde hij onder de naam The Browns al in de jaren vijftig tal van grote hits, waaronder “I Heard The Bluebirds Sing”, “Scarlet Ribbons” en de millionseller “The Three Bells”. En later zou hij het ook in z’n eentje en gekoppeld aan Helen Cornelius verre van kwaad doen. Dingen als “Pop A Top”, “Southern Loving”, “Morning”, “I Don’t Want To Have To Marry You” en “Lying In Love With You” zouden zo bijvoorbeeld gekende leerstof mogen zijn. Vooral dan het eerste liedje van dat vijftal.

En die Jim Ed Brown is sinds kort weer helemaal terug van weggeweest. Ruim drie decennia was het ondertussen geleden, dat hij nog eens een soloplaat inblikte, maar met “In Style Again” is het eindelijk weer zover. En het is een heel erg fijne geworden ook. Liefhebbers van traditionele country zullen er een vette kluif aan hebben.

Mooi, hoe in de dertien liedjes erop eigenlijk alle haltes uit ’s mans omvangrijke carrière weer even worden aangedaan. Openingsnummer “When The Sun Says Hello To The Mountain” – Hier vooral bekend als “The French Song” in de Franstalige uitvoering ervan uit 1964 door de Canadese Lucille Starr! – blijkt zo een hernieuwde samenwerking met z’n zus Bonnie, “Tried And True”, een samenwerking met Vince Gill, grijpt terug naar de hoogdagen van het honky-tonkgenre en de klassieke sleper “Don’t Let Me Cross Over” koppelt Brown opnieuw aan z’n voormalige duetpartner Helen Cornelius.

En ook tussen al die nummers door en erna valt er hier heel wat te genieten. Zo zijn er bijvoorbeeld het als een stijlvolle, Don Williams-achtige ballade verpakte titelnummer, het zachtjes swingende “Watching The World Walking By”, het met The Whites gedeelde en heel erg “seventies” aandoende “You Again”, het enigszins jazzy uit de hoek komende “Older Guy”, liefdesliedje “Laura (Do You Love Me)” en de aan een wat ons betreft met betrekking tot de binnenkort tachtig wordende Brown compleet overbodige vraag opgehangen afsluiter “Am I Still Country?”.

Voor de productie van “In Style Again” tekende Don Cusic. Studiohulp was er voor Brown naast van de al genoemde gasten onder meer ook nog van Michael Baker (gitaar), Glen Duncan (gitaar, mandoline en viool), John Hobbs (piano en orgel), John McTigue (drums), Dave Roe (bas) en Chris Scruggs (gitaar en pedal steel).

Jim Ed Brown, Plowboy Records

 

DIFTONG “The Rocket Swing” (Come Undone Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Voor de opnames van z’n vierde cd, het naar een door z’n vader van een versleten zijspan van een motorfiets gefabriceerde en wel wat van een raket hebbende schommel uit zijn jonge jaren vernoemde “The Rocket Swing”, zakte de Nederlandse songsmid Diftong naar het verre Canada af. Naar Nova Scotia meer bepaald. In een productie van Dale Murray en bijgestaan door tal van lokale muzikanten, waaronder verder onder meer ook nog Christina Martin, nam hij er de tien liedjes van de opvolger van het twee jaar geleden verschenen “Holy Bones” op.

En vonden we dat hier al een goede plaat, dan vinden we “The Rocket Swing” gewoon nog een heel stuk beter. Een echt groeibriljantje eigenlijk. Een album, dat je met elke nieuwe beluistering ervan weer wat meer naar binnen zuigt. Tot de nok toe gevuld met werkelijk puntgave Americana opgetrokken uit min of meer gelijke delen folk, country en rock. En bovenal ook gezegend met erg knappe teksten. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het banjogestuurde en aan de woorden van legende Dylan Thomas opgehangen “Dying Of The Light”, waarin onze protagonist ons oproept ons leven vooral ook tot het einde toe echt te blijven leven. Of het volledig akoestisch gebrachte niemendalletje “Jubilee” ook. In het gezelschap van Christina Martin maakt Diftong ons daarin deelachtig aan de weg richting z’n eigen zilveren huwelijksjubileum. Knap, hoe hij je met een voorzet uit z’n persoonlijke levenssfeer telkens ertoe weet aan te zetten om ook over die van jezelf na te gaan denken.

Andere veritabele prachtsongs hier: het door Dale Murray van lekker wegrockend gitaarwerk voorziene “Vintage Van”, het als een ogenblikkelijk tot kippenvel aanleiding gevende ballade verpakte titelnummer, het old-timey “A Storyville Blue Note” en het afsluitende, wat ons betreft aardig radiovriendelijk uitgevallen “One For The Road”. Maar eigenlijk staat op “The Rocket Swing” gewoon niets minders op, hoor! ’t Is een plaat, waar Diftong terecht fier op mag zijn.

Diftong, Sonic Rendezvous

 

ERIN HARPE & THE DELTA SWINGERS “Love Whip Blues” (Vizztone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Veel aanstekelijker dan dit worden ze mijns inziens niet (meer) gemaakt. Al dagenlang nu begeleiden deze Erin Harpe en haar Delta Swingers me op weg naar m’n werk en terug. Bijzonder knap, hoe de vanuit Boston actieve Amerikaanse en haar band op hun debuutalbum “Love Whip Blues” Missississippi delta blues kruisbestuiven met tal van andere genres, als daar zijn onder meer funk, soul en reggae.

Het resultaat van hun noeste arbeid is regelrecht onweerstaanbaar. Gelijk van bij het openingstweetal, hun “signature song” “The Delta Swing” en het door een extreem catchy mondharmonicaatje aangejaagde titelnummer, is het volle bak prijs. “Delta swing” indeed! Zo swingend als de spreekwoordelijke tiet. En eigen nummers bovendien ook nog eens. Twee van de vier hier zoals later blijken zal. Voor het overige een trits redelijk unieke interpretaties van materiaal van anderen. We noemen in dat verband onder anderen Willie Brown, William Moore, Lucille Bogan en “good old” John Prine. Van die laatste brengt Harpe op buitengewoon funky wijze de klassieker “Angel From Montgomery”. Nooit vermoed, dat daar zo’n catchy dansdeuntje – Delta country soul? – achter schuilging eigenlijk…

Andere absoluut ook niet te versmaden momenten hier: een hypernerveuze lezing van Willie Browns “Future Blues”, het soulvolle, door Harpe samen met haar secondanten Richard Rosenblatt en Jim Countryman gepende en op buitengewoon subtiele wijze van een reggae-ondertoontje voorziene “Good Luck Baby” en het lang niet enkel met een veelzeggende titel gezegende “Virtual Booty Blues”. Nummers als deze en andere maken van Erin Harpe en haar kompanen een collectiefje om in de toekomst nauwlettend in de gaten te houden. Gaan we ongetwijfeld nog heel veel goeds van en over horen!

Erin Harpe & The Delta Swingers, Vizztone, Sonic Rendezvous

 

THE BABOONS “Uptown And Back Again” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(5*****)

Vijf sterren? Yep! Abso-zeker-weten-luut! Deze derde van The Baboons is immers gewoon ronduit verbluffend. Wat het Turnhoutse bandje op “Uptown And Back Again” presteert, mag wat mij betreft zonder nadenken naast het beste van The Blasters in hun hoogdagen. Dit is – Om het met de woorden van good old Dave Alvin zelve te omschrijven! – “American music” van het werkelijk allerbeste soort. Een dermate “spicy gumbo” van rock & roll, R&B, country en blues, dat zelfs de meest luie kont er spontaan van aan het shaken zal gaan.

Gelijk van bij openingsnummer “Let Me Be”, werkelijk rete-aanstekelijke New Orleans style R&B, hebben Arthur De Winter en de zijnen je als luisteraar stevig bij je nekvel. En lossen zullen ze je pas ruim drieënveertig minuten later weer, als ze met “No Way Out” een fameus laatste salvo hebben afgevuurd. Johnny Cash onder de steroïden, zoiets. En eindelijk een opvolger voor hun “hit” “Drinkin’ Gasoline”.

Tussentijds zijn er echter nog elf andere kostelijkheden de revue gepasseerd. Om te beginnen het ook al geweldige titelnummer, een moddervette kruisbestuiving van “Diddley” rock & roll, rockabilly en R&B. Een echt “monster”! Vervolgens zijn er de onder meer door leadgitarist Kristof Koyens met een tot de verbeelding sprekende snarenbijdrage richting exotischer oorden gestuwde rock & roll-hybride “Where Do You Get Your Love”, de ondertussen als eerste single uitgebrachte countryrocker “Devil Moon”, de bluesy “late night creeper” “Rain”, de nadrukkelijk een plaatsje in het kielzog van de legendarische Blasters opzoekende rock & roll-opstoot “Texas Sun” en “I’m Just A Fool To Care”, de enige cover op “Uptown And Back Again”, een prima versie van die zalige R&B-trage van de hand van Neville Brother Art.

In de schemerzone tussen roots rock, rock & roll en R&B stoten we vervolgens op de gelijk tot een fanatiek potje meemuilen uitnodigende stamper “Hard To Cool Down”. Gegarandeerd een toekomstige live-favoriet, dat nummer. “Deepest Shade Of Blue” zou op zijn beurt dan weer wonderen moeten kunnen verrichten in de ether. ’n Beetje country, ’n beetje soul, ’n beetje rock & roll, wie zegt er daar nu in godsnaam nee tegen? En al zeker, wanneer het zo knap midtempo gebracht wordt als hier. Resten dan nog: de schokschouderend je dag kleurende twangy rockers “She’s Sweet” en “Hangin’ On” en het streepje muziekgeworden verleiding “Love U Right Tonight”, met De Winter op z’n allerzwoelst.

The Baboons, Starman Records

 

CODY CANADA & THE DEPARTED “HippieLovePunk” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“HippieLovePunk”, de derde van ex-Cross Canadian Ragweed-kopstuk Cody Canada en z’n Departed, blijkt na het naar ons gevoel net wat té zwaar uitgevallen “Adventus” gelukkig weer een terugkeer naar vertrouwde Red Dirt-wateren. En we durven er aardig wat geld om te verwedden, dat het merendeel van de fans van de groep dat ook alleen maar zal toejuichen.

Aan fijne momenten op “HippieLovePunk” alvast hoegenaamd geen gebrek. We noemen in dat verband onder meer graag het met de Braun-broertjes van Reckless Kelly en Micky & The Motorcars gebrachte streepje Texaanse country “All Nighter”, het ongemeen soulvolle “Stay”, de sfeervolle, wat desolaat aandoende americanatrage “Maker”, de gitaarzwangere (roots)rockers “Comin’ To Me” en “Boss Of Me” en country soul beauty “Easy”. Zes van de twaalf hier gebrachte nummers, want achter afsluitertje “All Nighter” blijkt er nog een fraaie, op het hoesje nergens vermelde ballade verborgen te zitten.

Onze conclusie: zonder de op “Adventus” nog nadrukkelijk aanwezige Seth James zijn Cody Canada & The Departed gewoon beter (af).

Cody Canada & The Departed, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

WILLIE NILE “If I Was A River” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Op “If I Was A River” toont cultfiguur Willie Nile zich ruim meer dan een half uur lang van z’n intiemste kant. De tien liedjes daarop breken op behoorlijk radicale wijze met z’n gebruikelijke “modus operandi”. Geen door gitaren allerhande gedomineerde rock & roll hier, maar voornamelijk ballades. Ballades, waarvoor Nile voor de gelegenheid voorwaar zelfs even achter de piano plaatsnam. Die van The Record Plant in New York met name. Dezelfde Steinway, die hij ook al eens bespelen mocht in 1980, in de nacht dat niet eens zoveel verderop John Lennon van het leven beroofd werd.

Tien songs staan er in totaal op “If I Was A River”. Het merendeel daarvan eerder spaarzaam gearrangeerd. Met oog vooral voor het liedje en z’n in vocale topvorm verkerende uitvoerder. Naast Nile waren bij de uitvoering ervan enkel Steuart Smith, David Mansfield en Frankie Lee betrokken. Voor de piekfijne productie tekenden Stewart Lerman en onze man zelve.

Schrijfhulp kreeg Nile voor een vijftal van z’n nieuwe liedjes van de eerder al even genoemde Frankie Lee en een enkele keer ook van de vermaarde Danny Kortchmar. Met die laatste schreef hij de thematisch “op de jaren van verstand” ingaande prachtballade “I Can’t Do Crazy (Anymore)”, naar onze bescheiden mening één van dé absolute hoogtepunten op “If I Was A River”. Naast onder meer ook nog het titelnummer, het aardig dramatisch gebrachte “Lost”, het net wat speelsere “Goin’ To St. Louis” en het afsluitende moment van grandeur “Let Me Be The River”.

Ontegensprekelijk anders dan anders…

Willie Nile, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

HAYSEED DIXIE “Hair Down To My Grass” (Hayseed Dixie Records)

(4****)

Grote kunst is wat die van Hayseed Dixie nu al bijna anderhalf decennium lang serveren zeer zeker niet, maar who cares? Hun “rockgrass” blijkt doorgaans zo rete-aanstekelijk van aard, dat je er als luisteraar graag bij vergeet, dat het indertijd voor de vier eigenlijk allemaal gewoon als een gimmick begon. U herinnert zich vast ook nog wel het hilarische verhaal over de crash van wijlen Bon Scott van AC/DC ergens diep in de Appalachen en de door enkele lokale muzikanten uit Deer Lick Holler in zijn wagen aangetroffen albums van AC/DC. “Rather fine country music…”

En ook de rest van het verhaal is wellicht genoegzaam bekend. Met hun combinatie van covers in bluegrass/mountain music style van rockklassiekers en originele songs groeiden John “Barley Scotch” Wheeler (gitaar, fiddle en zang), Jake Bakesnake (bas en harmony vocals), Hippy Joe Hymas (mandoline en harmony vocals) en Johnny Butten (banjo en harmony vocals) “in no time” zowat overal ter wereld uit tot graag geziene podiumgasten. En ook hun plaatverkoop liegt er bepaald niet om. Van hun vijftien sedert 2001 verschenen platen gingen er allemaal samen ruim meer dan een half miljoen over de toonbank.

En het zou ons absoluut niet verbazen, mochten er ook van hun nieuwe worp weer flink wat exemplaren worden gesleten. Daarop buigen de vier zich “this time around” over een twaalftal stadionrockgiganten. Respectievelijk over “Don’t Stop Believin’” van Journey, “Eye Of The Tiger” van Survivor, “The Final Countdown” van Europe, “We’re Not Gonna Take It” van Twisted Sister, “Summer Of 69” van Bryan Adams, “Pour Some Sugar On Me” van Def Leppard, “Dude Looks Like A Lady” van Aerosmith, “Livin’ On A Prayer” van Bon Jovi, “Wind Of Change” van de Scorpions (In “heiße-Kartoffel-Duits” gebracht als “Wind der Veränderung”!), “We Are The Road Crew” van Motörhead, “Comfortably Numb” van Pink Floyd en “Don’t Fear The Reaper” van Blue Öyster Cult.

Het feit, dat je het gros van die liedjes al door en door kent, maakt dat ook “Hair Down To My Grass” op de keper beschouwd weer een zeer toegankelijke plaat blijkt. Eentje waarop weer alles aanwezig is, wat voor velen van Hayseed Dixie zo’n lekker groepje maakt. Die wat aparte, boertige “punky” houding van de heren, hun – Dat zou je bij zoveel muzikaal geweld bijna durven te vergeten! – bepaald niet te onderschatten instrumentale vaardigheden, hun prima samenzang en vooral ook hun expliciete bereidheid tot een heerlijk wild feestje.

Dat ze vooral nog lang mogen mogen, zouden we zo zeggen!

Hayseed Dixie

 

CANVAS BLANCO “Call Me Lucky Fat Or Skinny” (Roomservicemusic)

(4****)

Van een aangename verrassing gesproken! De debuutlangspeler van het Nederlandse Canvas Blanco is er meteen eentje om te hebben en een leven lang intens van te houden. Wat de in Urk geboren en getogen Jozua Koffeman (Lorrainville, How To Throw A Christmas Party) (zang , diverse gitaren, klarinet, percussie en programming) en zijn maats Arjan de Wit (zang, akoestische gitaren, autoharp, hakkebord, klankschaal en programming), Robbert Deurloo (drums, cymbalen, percussie en ocean drum) en Ruben Bekx (double bass, elektrische bas en harmonium) daarop brengen is op z’n zachtst uitgedrukt hoogst origineel. Bepaald verfrissend ook.

En al noemt men zelf acts als Wilco, Sixteen Horsepower, Calexico, Sparklehorse en Grant Lee Buffalo als muzikale invloeden, dit klinkt toch vooral als Canvas Blanco. Een nog volslagen maagdelijk canvas wordt hier laagje per laagje gehuld in de warmste klankkleuren. Zo’n drie kwartier lang word je als luisteraar zodoende meegetroond richting een “wereld van verbeelding en verwondering”. Americana? Ja, maar dan wel met een zeker urbaan randje. Klassiek van aard bijna. Zoals de kwaliteitspop van landgenoten de Nits dat bijvoorbeeld ook wel heeft. “Volwassen ‘Europicana’ met kwajongensstreken”, aldus de band zelf.

Onze, zoals steeds, onverbintelijke luistertips: het geweldig aanstekelijke, nog net wat nadrukkelijker dan vele andere nummers hier op de klassieke leest geschoeide openingsnummer “Burning Just Fine”, het filmische “City Of Catharines”, het met een zweem exotisme opgewaardeerde en daardoor iets bepaald bezwerends over zich hebbende “The Lost Dutchman Mine” en het ingetogen “Promised Land”.

Een eersteling, die wat ons betreft meteen volop naar meer smaakt. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkopen Koffeman en de zijnen hiervan flink wat exemplaren en trappen ze er de deur naar een stralende toekomst meteen wagenwijd mee open. Het weze hen van ganser harte gegund!

Canvas Blanco, Bandcamp

 

ROB ICKES & TREY HENSLEY “Before The Sun Goes Down” (Compass Records / Music & Words)

(4****)

De naam Rob Ickes zou je met name als liefhebber van het bluegrassgenre al een poosje bekend moeten zijn. De beste man geldt immers als één van de allerbesten als het gaat over het bespelen van de dobro. Of de naam van z’n maatje Trey Hensley al evenveel bellen doet rinkelen durven we hier echter luidop te betwijfelen. Die Hensley staat immers pas aan het begin van z’n carrière. Ickes werkte voor het eerst met hem samen tijdens de opnamen van een nummer voor de jongste van Blue Highway. Gecharmeerd als hij was door de youngster nodigde hij hem meteen uit voor enkele live gigs. En van het één kwam dan vervolgens het ander. En het ander is in dit geval een eerste plaat samen.

Op dat album, het onlangs verschenen “Before The Sun Goes Down”, blijken de taken zeer goed omlijnd. Ickes nam naast de dobro- en lap-steelpartijen her en der wat baritonvocalen voor zijn rekening, Hensley zong lead en deed z’n ding op zowel akoestische als elektrische gitaren. In een eigen productie en in het gezelschap van onder meer Mike Bub (bas), John Gardner (drums en percussie), Andy Leftwich (fiddle), Aubrey Haynie (eveneens fiddle), Ron Block (banjo), Pete Wasner (piano) en Dan Tyminski, Shawn Lane, John Randall Stewart en Suzanne Cox (allen zang) tackelen ze dertien liedjes. Eén enkele eigen compositie slechts, met name de knappe Hensley-americanadeun “My Way Is The Highway”. Voorts een drietal voor de richting die het hier uitgaat behoorlijk representatief blijkende interpretaties van Merle Haggard-songs (“I’d Rather Be Gone”, “Workin’ Man Can’t Get Nowhere Today” en “When My Last Song Is Sung”) en covers van nummers van het repertoire van respectievelijk bluegrasslegende Jimmy Martin (“Before The Sun Goes Down”), songsmid Bobby Starnes (“Lightning” en “More Than Roses”), Billy Joe Shaver (“Georgia On A Fast Train”), Stevie Ray Vaughan (het als “bluesgrass” verrassende “Pride And Joy”), steelgitaargrootheid Buddy Emmons (de wervelende instrumental “Raisin’ The Dickens”), “King of Western Swing” Bob Wills (“Misery”), Bill Monroe’s Bluegrass Boys (“Little Cabin Home On The Hill”) en Waylon Jennings (“There Ain’t No Good Chain Gang”).

Samen goed voor net geen vijfenveertig minuten traditionele country en bluegrass van de werkelijk bovenste plank. Met Hensley als zanger ondanks z’n nog piepjonge leeftijd al behoorlijk nadrukkelijk in de voetsporen van genre-iconen als “The Hag” en “The Possum” tredend. Niet te geloven eigenlijk, dat we hier te maken hebben met een prille twintiger.

Onder anderen Merle Haggard zelve en Marty Stuart outten zich al als fans. Die laatste noemde Trey Hensley respectvol “the real deal”. Een bijzonder mooi compliment van iemand met een dergelijke staat van verdienste. En daar sluiten wij ons hier graag bij aan. Hensley en Ickes betoveren op “Before The Sun Goes Down” immers vrijwel voortdurend. Schijnbaar moeiteloos evoceren zij het ene moment de hoogdagen van het countrygenre om het andere vervolgens kniediep doorheen bluegrasswateren te waden. Heerlijk gewoon! En wat de instrumentale invulling betreft ook echt tot in de puntjes toe verzorgd.

Niets minder dan verplichte kost als je het ons vraagt voor iedereen die al van country hield toen country nog gewoon country was.

Rob Ickes, Trey Hensley, Compass Records, Music & Words

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Op til zijnde gigs: Cowboy Up, Waardamme (B) (05/02), Grasnapolsky, Uddel (NL) (06/02), Muziekcafé, Helmond (NL) (07/02), De Piek, Vlissingen (NL) (26/04), Q-Bus, Leiden (NL) (27/04), Patronaat, Haarlem (NL) (15/05), N9, Eeklo (B) (16/05) en Bluegrass Festival, Hoogeveen (NL) (17/05).

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

THE RIZDALES “Blue Ain’t The Word, A Tribute To The Music Of Ray Price” (The Rizdales)

(4****)

De één z’n dood… ‘t Is dat we de vanuit London, Ontario actieve Rizdales hier al sinds tijden een warm hart toedragen en weten, dat de geest van wijlen countrylegende Ray Price eigenlijk altijd al wel een beetje doorheen hun werk rondgewaard heeft, want anders zouden we de nieuwe worp van die Canadezen wellicht geheel en al anders benaderd hebben dan dat nu het geval is.

Als frontlui-echtelieden Tom en Tara Dunphy en hun muzikale metgezellen ons in de liner notes van “Blue Ain’t The Word” laten weten, dat ze op 16 december 2013 naar aanleiding van het overlijden van hun idool even helemaal van de kaart zijn geweest, dan klinkt dat in onze oren echter heel aannemelijk. Net zo aannemelijk als het aan die gevoelens vastgeknoopte besluit om zich bij wijze van ultiem eerbetoon aan Ray Price een hele langspeler lang over diens werk te buigen. “This album is about our roots and it’s our way to honour the man and the music that influenced us beyond measure,” luidt het in dat verband deemoedig.

En dus waagde men zich aan interpretaties van respectievelijk “I’ll Be There (If You Want Me)” (Tot tweemaal toe!), “City Lights”, “Falling Falling Falling”, “The Other Woman (In My Life)”, “For The Good Times”, “Crazy Arms”, “Bright Lights And Blonde Haired Women”, “You Done Me Wrong”, “Don’t You Ever Get Tired Of Hurting Me”, “Night Life”, “My Shoes Keep Walking Back To You”, “Touch My Heart”, “You Just Don’t Love Me Anymore” en “Don’t Let The Stars Get In Your Eyes”. Interpretaties, stuk voor stuk getuigend zowel van een diep respect voor Price en z’n muziek als van een ver doorgedreven muzikaal vakmanschap. Zo goed, dat je het er als liefhebber van traditionele country bij momenten even heel warm vanbinnen van krijgt.

Zowel fans van de betreurde Price zelf als deze van vandaag de dag nog actieve acts als Dale Watson, The Derailers, The Mavericks en andere zullen hier naar alle waarschijnlijkheid hun pret absoluut niet mee op kunnen!

Rizdales

 

THE UNTHANKS “Mount The Air” (Rabble Rouser Music)

(5*****)

“Mount The Air” is de eerste studioplaat van The Unthanks sinds het net geen vier jaar geleden verschenen en erg lovend onthaalde “Last”. Ruim twee van de tussenliggende jaren gingen er met het maken van de opvolger van dat album voorbij. “It had to be perfect, you know.” En dat werd het ook. Volstrekt uniek en “bloody perfect”. Al zullen er misschien nog wel enkele draaibeurten meer nodig blijken om dat ten volle te beseffen. Dit is immers één van die gehelen, die maar met mondjesmaat al hun geheimen lijken te willen prijsgeven.

“Mount The Air” werd door Rachel en Becky Unthank, toetsenist-producer Adrian McNally en de rest van hun kompanen in hun eigen studio, een speciaal daartoe omgebouwde graanschuur in Northumberland, ingeblikt. Het album bevat voor het eerst geschreven bijdragen van elk van de vijf leden van de groep. “Nach wie vor” vormen in elk van die nummers uiteraard de oorstrelende gezangen van de Unthanks het stralende middelpunt van de belangstelling. Maar er valt hier nog zoveel meer te beleven, te ontdekken. Ruim een uur lang zijn we als luisteraar getuige van stuk voor stuk beklijvende kleinoden, die steeds verder weg lijken te willen dwalen van het folkuitgangspunt van weleer.

Zo kan je in het ruim tien minuten bestrijkende openingsnummer, de titeltrack “Mount The Air”, amper voorbij aan Miles Davis en Gill Evans in hun “Sketches Of Spain”-periode echoënde momenten. En dat in bepaald niet geringe mate wellicht door de werkelijk overheerlijke koperbijdrage van trompettist Tom Arthurs. Bij het legendarische Blue Note zouden ze wellicht niet weigerachtig hebben gestaan tegenover materiaal van dit kaliber! Prachtig, hoe je laagje voor laagje richting een absolute climax wordt geleid!

Vervolgens gaat het via het verkilde, nog net wat meer met het op “Last” gebrachte verwante “Madam”, een werkelijk ijselijk mooie pianoballade, richting het perfect daarop aansluitende, met strijkers overladen “Died For Love” en het in al zijn ijlheid voorwaar even voorzichtig hitgevoelige “Flutter”.

“Magpie” is op zijn beurt dan weer een sterk staaltje van (quasi) a capella gebrachte moderne folk, het op het achttiende-eeuwse verhaal van Thomas Corams gelijknamige hospitaal geënte “Foundling” een heerlijk, wat orkestraler benaderd luisterliedje en “Last Lullaby” een haar titel hoegenaamd alle eer aandoende, eerste door Rachel Unthank geschreven bijdrage.

Dienen dan nog verkend te worden: “Hawthorn”, “For Dad”, “The Poor Stranger” en “Waiting”, vier verdere volstrekt unieke schoonheden van songs, waarvan met name het door violiste Niopha Keegan voor haar enkele jaren geleden overleden Ierse vader gepende “For Dad” voor het nodige kippenvel zal blijven zorgen.

Nog geen maand ver in het nieuwe jaar is dit er alweer eentje voor onze volgende jaarlijst!

(“Mount The Air” verschijnt op 9 februari aanstaande!)

The Unthanks

 

YONDER “Graftings” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Die van het Zweedse rootskwartet Yonder mogen zichzelf graag omschrijven als een groepje in de weer met folk, blues en old-time. Maar daarmee doen ze hun eigenzinnige “Scandicana” zelf eigenlijk veel te weinig eer aan. Door die drie termen in de mond te nemen zet je een potentieel publiek zelfs deels op het verkeerde been. Yonder moet je je immers vooral voorstellen als een soort van muzikaal anachronisme. Een vertaling van wat ooit volop deugdelijk is gebleken naar het hier en nu.

En daarin tonen zanger-songsmid Mats Qwarfordt en de zijnen zich hier tien nummers lang echte grootmeesters. Zowel in eigen materiaal, als in vertolkingen van overgeleverde dingen als “In The Pines”, “He Arose From The Dead”, “Jack O’Diamond” en Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean”. Qwarfordt tekent daarbij niet enkel voor de ons tegelijk wat aan Neil Young en Billy Joe Shaver herinnerende zangpartijen, maar ook voor wat gesmaakte bijdragen op mondharmonica, Peter “de Ry Cooder van het Noorden” af Ugglas doet het op tal van gitaren en zingt her en der ook een mondje mee, multi-instrumentalist Mats Persson doet hetzelfde, springt te gepasten tijde bij op de mandoline en verzorgt ook de percussie en Björn Lundquist ten slotte hanteert de “double bass”.

Met een fijn streepje mondharmonica en wat subtiel achtergelaten gitaaraccentjes wordt “Graftings” balladegewijs ingezet met het mooie “First Big Love”. Vervolgens gaat het via een bepaald grimmig aandoende vertolking van de traditional “In The Pines” en het op met een nadrukkelijk naar Sonny Landreth verwijzende snarenpartij geënte “He Arose From The Dead” opnieuw richting enkele eigen nieuwe songs. De eerste daarvan, “Wedding”, is een verstilde instrumentale, waarin met name af Ugglas en Persson zich binnen de grenzen van het liedje helemaal mogen uitleven. Het folky “Nothing Is Permanent” sluit daar vervolgens perfect op aan, alvorens met “You Will Know” meer bluesy land wordt aangedaan. Een ijzingwekkend mooie versie van Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean”, een al even geslaagde benadering van de traditional “Jack O’Diamond” en twee verdere eigen liedjes, de akoestische bluestrage “Lay Here By My Side” en het quasi uitsluitend van diep liefdesleed levende “Oh Rose”, vervolledigen een wat ons betreft de perfectie aardig dicht benaderend songtiental.

Een zoveelste prachtworp van “huis van vertrouwen” Rootsy!

Yonder, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

MIRIAM JONES “Between Green And Gone” (Miriam Jones Music)

(3,5****)

Miriam Jones is een na aardig wat omzwervingen in de Engelse universiteitsstad Oxford neergestreken Canadese zingende liedjesschrijfster met een behoorlijk nadrukkelijke voorliefde voor rootsmuziek “American style”. En al geniet ze hier te lande vooralsnog dan ook nauwelijks naambekendheid, met haar nieuwe worp “Between Green & Gone” is ze allang niet meer aan haar proefstuk toe. Als we gemakshalve alle op haar Bandcamp-pagina opgelijnde releases even mogen optellen, is haar nieuwste reeds haar zevende.

En dat door de je misschien wel van z’n werk met onder anderen het hitgroepje Fairground Attraction en Billy Bragg bekende Simon Edwards geproduceerde geheel is echt wel een prima plaat geworden. Volledig gevuld met eigen songs, die een zeer sterke schrijvershand verraden. Duidelijk de hand van iemand die zelf met enige regelmaat graag een boek ter hand nemen mag. Songs met een zeker literair karakter. Maar bovenal liedjes met een ziel. Soulvol rootsy op z’n Bonnie Raitts. Profiterend van een immer gloedvolle stem en een stel duidelijk hun weg op een setje snaren wetende vingers.

Wij kenden haar voor dit “Between Green & Gone” nog niet, maar zijn na knappe liedjes als “Missed You”, “Don’t Be Hard On Me”, “All Over”, “Stay”, “Train”, “Cracks” en andere wel graag bereid tot wat inhaallessen van mevrouw Jones. Een hoogst aangename ontdekking, zeg dus maar.

Miriam Jones

 

SWAMP DOGG “The White Man Made Me Do It” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het kleine Amerikaanse label Alive Naturalsound Records pakte de voorbije jaren reeds herhaaldelijk uit met heruitgaven van oude soulplaten, die ontstonden onder de vleugels van Jerry Williams, Jr. oftewel Swamp Dogg. We herinneren ons zo uit het blote hoofd onder meer worpen van Sandra Phillips, Z.Z. Hill, Doris Duke en uiteraard ook Swamp Dogg zelf.

Blijkt nu, dat die rereleases eigenlijk gewoon een soort van voorzet waren op het doelpunt dat er nog aan zat te komen. Een volstrekt nieuwe plaat van de “Dogg” himself! We hadden er eerlijk gezegd absoluut geen rekening meer mee gehouden, dat we dat genoegen ooit nog zouden smaken. We zouden het met onze ondertussen al aardig grijsgedraaide exemplaren van “Total Destruction To Your Mind” en “Rat On!” moeten blijven doen. Dachten we…

Maar nu is er dus “The White Man Made Me Do It”. En daarop blijkt veteraan Williams voorwaar in prima doen. Handig heen en weer laverend tussen voornamelijk in de vroege seventies verankerd zittende funkopstootjes en Southern soul van het zuiverste water zoekt hij meer dan een uur lang aansluiting bij zijn beste werk. En regelmatig slaagt hij nog in dat opzet ook. Met name het met heel z’n hebben en houden schuddende funky titelnummer, het extreem catchy, onopvallend met een snuif reggae gekruide “Hey Renae”, een geweldige, op z’n zuiders ingevulde cover van de Sam Cooke classic “You Send Me”, het heerlijk bluesy gekleurde “Let Me Be Wrong” en de ronduit schitterende, eigenlijk gewoon nu al klassieke soulsleper “That’s What Lonesome Is” wisten ons gelijk bij onze eerste beluistering van “The White Man Made Me Do It” al onverbiddelijk te vloeren. Later zouden onder meer ook nog het als vintage R&B aangereikte “Your Cash Ain’t Nothing But Trash”, de lome instant-meezinger “Yeah, Yeah, Yeah, Yeah”, het van een veelzeggende titel voorziene “Where Is Sly”, het bij schrijversduo Leiber-Stoller geleende “Smokey Joe’s Café” en afsluiter “If That Ain’t The Blues Nothing Is” ons hetzelfde kunstje flikken. Al bij al een blij weerzien dus met deze wat in het vergeetboek geraakte “soullegende”.

En dan hadden we het nog niet eens over het ook al niet te versmaden toetje gehad. Op een bijkomend schijfje wordt ons immers ook een bescheiden dwarsdoorsnede van “Swamp Dogg’s Soul & Blues Collection” aangeboden, met naast werk van de beste man zelf (“Fuck The Bomb Stop The Drugs”, “Synthetic World” en “My Life Ain’t Nothing But A Blues Song”) ook nog pareltjes van Sandra Phillips (“Rescue Me”), Lightning Slim (“Good Morning Heartaches”), Irma Thomas (“In Between Tears”), Charlie Whitehead (“Read Between The Lines”), Z.Z. Hill (“It Ain’t No Use”), Doris Duke (“To The Other Woman (I’m The Other Woman)”) en Wolfmoon (“What Is Heaven For”). Zalig!

Swamp Dogg, Alive Naturalsound, Sonic Rendezvous

 

NIKKI LANE “All Or Nothin’” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

Eigenlijk is het gewoon ronduit ergerlijk te noemen, dat men je als Europeaan meer dan een half jaar lang laat wachten op een officiële release hier van een album als dit. Welke overwegingen er ook aan de grondslag van die beslissing mogen liggen. Ik denk, dat zo ongeveer elke rechtgeaarde liefhebber van Americana ondertussen ook al wel een poosje geleden importpaden bewandeld moet hebben om zich alvast van een exemplaartje van dit topgeheel te verzekeren. Het zou me in elk geval niet verwonderen, mocht dat zo zijn!

Voor alle anderen is dit vooralsnog een verplichte aanschaf. Veel origineler dan deze Nikki Lane kom je ze immers niet al te vaak meer tegen. En wat de Amerikaanse op de door Dan Auerbach van The Black Keys geproduceerde opvolger van haar debuut “Walk Of Shame” uit 2011 doet, smaakt wat mij betreft nog net wat nadrukkelijker naar meer dan die nochtans ook al uitstekende voorganger. “There’s lots of talk of misbehaving and moving on,” aldus Lane zelf over het inhoudelijke aspect van de twaalf nummers erop en da’s uiteraard wel spek naar onze bek. En al zeker als het daarbij dan ook nog eens blijkt te gaan om de weerspiegeling van aardig turbulente momenten in het recente leven van de getalenteerde chanteuse zelf.

Als een soort van kruising tussen Wanda Jackson in haar hoogdagen en de jonge Dolly Parton wervelt Lane hier van de ene moordsong naar de andere. Love it, really! Heerlijk, hoe ze hier retro country koppelt aan invloeden als Phil Spector, de poppareltjes van het vermaarde huis Brill in New York en zelfs punkrock. Moet je gewoon van houden…

“Any day or night time, it’s always the right time. It’s always the right time to do the wrong thing.” Aan die twee eerste regels van openingsnummer “Right Time” zullen we bij het beluisteren van “All Or Nothin’” nog regelmatig terugdenken. Sfeervol countryrockend laat La Lane daarin immers nadrukkelijk verstaan, dat “she’s up to no good”. Dat we, als we op zoek zouden zijn naar een braaf meisje, maar beter elders ons heil kunnen gaan zoeken… Goed om weten…

Vervolgens gaat het via de heerlijke, voorzichtig Spectoriaanse trage “Right Time” richting de ons aanvankelijk qua ritmiek even aan iets van de Clash herinnerende rocker “I Don’t Care”, de ongemeen soulvolle sleper “You Can’t Talk To Me Like That”, het welhaast in de twangy gitaarklanken verzuipende “Seein’ Double” en het niet enkel samen met Dan Auerbach geschreven, maar ook gebrachte “Love’s On Fire”. Groovy titelnummer “All Or Nothin’”, het nadrukkelijk met (swamp) rock flirtende “Sleep With A Stranger”, de “Dolly goes soul” van “Man Up”, de eerder traditioneel opgevatte ballade “Out Of My Mind”, het rustieke “Wild One” en het afsluitende “Want My Heart Back” vervolledigen al even stijlvol het plaatje.

Zoals hier hoger al even gesteld: wat mij betreft absoluut een verplichte aanschaf!

Nikki Lane, New West Records

 

HERMAN BROCK JR. “The Old World” (Herman Brock Jr.)

(5*****)

Mijn platenboer zal het allicht niet echt graag horen, maar eigenlijk ben ik best wel een serieuze voorstander van het crowdfunding-principe. Zo menig een album ontstond reeds mede dankzij een bescheiden voorschotje van mijnentwege. Je moet het gewoon zo zien: je bestelt de nieuwe plaat van een artiest gewoon net wat vroeger dan normaal rechtstreeks bij deze laatste zelf. En betalen doe je er enkel voor, als je idool zijn vooropgestelde doel ook effectief bereikt en tot het maken van die plaat overgaat. Wat heb je er dus aan te verliezen? Niets toch? Je gunt artiesten op deze manier gewoon wat meer financiële ademruimte en zorgt ervoor, dat ze zich in alle rust kunnen concentreren op datgene waar ze zo goed in zijn. En dat leidt dan vaak tot werkelijk verbluffende resultaten.

Neem nu “The Old World”, het nieuwe album van de Nederlander Herman Brock Jr. Ik vraag me af, of hij die nieuwe schijf even oogverblindend had kunnen presenteren als nu, mochten hem via crowdfunding langs Voordekunst niet de nodige fondsen in de schoot zijn gevallen. Een buitengewoon fraai ogend hardcover-boekwerkje vormt als het ware de kers op een sowieso al niet te versmaden muzikale taart. Daarin vind je naast tekst en uitleg bij het project en elk van de liedjes uiteraard ook alle songteksten terug. En informatie over alle bij “The Old World” betrokkenen. En dat zijn er nogal wat. Maar daarover hier wat verderop meer.

“The Old World” blijkt een over meerdere jaren heen ontstaan bluegrassgeheel, geïnspireerd door tal van grootmeesters van het genre, maar vooral toch door “The Mountain”, het lichtjes fantastische album dat Steve Earle in 1999 met de Del McCoury Band inblikte. Het zette Herman Brock Jr. ertoe aan om ook zelf te gaan dromen van een bluegrassplaat. Eentje vervaardigd in “The Old World” met muzikanten van daar. In de eerste plaats met de beste bluegrassband van Nederland, The Blue Grass Boogiemen. Maar uiteraard ook met z’n eigen bands The Brockettes en The Bluegrass Bunch en met andere gasten als Joost van Es (fiddle), Janos Koolen (mandoline), Jeroen Schmohl (dobro), Laurens Joensen (mandoline), David Buyle (fiddle), Peter de Smet (dobro) en z’n vader, Herman Brock Sr.

“Ik had het idee om iets te doen met verhalen van vroeger uit de streek van waar ik ben opgegroeid,” aldus Brock zelf over z’n nieuwe worp. “De titel ‘The Old World’ gaat over iemand die zijn heil gaat zoeken in Amerika. Mijn opa en mijn vader vertelden vroeger dat in de jaren '20 veel mensen uit Zeeland met de boot naar Amerika gingen om een beter leven te vinden. En dan vertelde mijn opa dat er mensen terug kwamen met pakken geld. Ze hadden keihard moeten werken, maar ze hadden wel een beter leven dan ze hier hadden achtergelaten. Dat intrigeerde mij als klein mannetje al. Verschillende nummers op het album zijn tekstueel op dit thema gebaseerd, weer andere teksten zijn meer persoonlijk of gaan over Zeeuwse legendes, zoals het nummer ‘Flyin’ Dutchman’s Curse’, dat verhaalt over Willem van der Decken alias de Vliegende Hollander, die volgens de overleveringen in mijn thuishaven Terneuzen zou hebben gewoond.”

Openingsnummer “Gather Around The Mike” zou je daarbij kunnen zien als een soort van beginselverklaring. Met z’n allen rond één enkele microfoon vliegt men er op werkelijk wervelende wijze in. Vervolgens is er het een pak bedaarder aandoende titelnummer. Minstens evenveel Americana als bluegrass, dat liedje, dat zich focust op een verhaal uit “the old days”. Met het alweer van de “joie de vivre” barstende “My Old Hometown” gunt Brock ons vervolgens een blik op zijn houding met betrekking tot altijd maar weer reizen en daarna weer naar huis terug mogen keren en “Love Me Still” is een veritabel pareltje van een “love gone wrong song”. Veel tastbaarder kan je verdriet ons inziens amper weergeven.

En geen bluegrassplaat zonder een instrumental natuurlijk! In dit geval het ook al ronduit geweldige “Harvest Time”, dat er met z’n inventieve tempoveranderingen daadwerkelijk in slaagt om het tegen oogsttijd bij momenten best wel jachtige boerenbestaan perfect te vatten. Je moet het maar doen!

“Cold Wind Risin’” is vervolgens een echt wel heerlijk authentiek aandoende bijdrage van Herman Brock Sr., “Good Times” verklankt op gepaste wijze de hyperpositieve boodschap erin en “The Ladder” blijkt een mooi staaltje van storytelling op z’n Guy Clarks of Tom T. Halls. En dan hadden we het nog niet over het sprankelende, “en passant” behoorlijk nadrukkelijk naar Jimmie Rodgers verwijzende jodelbluesje “Old World Boy”, de speed-ode aan het onderwerp uit haar titel “Diversity”, de door het leven zelve geïnspireerde “toe-tapper” “Other Side Of The Creek” en de ongemeen sfeervolle ballade “Stranger”. Of over “Never Let The Money Drag You Down”, nog een Herman Brock Sr.-song, het omineuze, aan de legende van z’n streekgenoot Willem van der Decken opgehangen “Flying Dutchman’s Curve”, “Brock’s Breakdown”, een verdere instrumentale, en “Live Your Life (To The Limit)”, de Brocks levensmotto in een catchy riedel vangende afsluiter van het geheel.

Als je het ons vraagt: een ronduit monumentaal pakket! Die ene bluegrassplaat, die dit jaar zeker haar weg richting je collectie zou moeten vinden…

Herman Brock Jr.

 

SERPENTYNE “Myths & Muses” (Serpentyne Music)

(3,5****)

“Myths & Muses” is het tweede album van het Britse Serpentyne. Dat door de bekoorlijke Maggie-Beth Sand en multi-instrumentalist Mark Powell aangevoerde gezelschap streeft in z’n werk een fusie van traditionele (volks)muziek met elementen uit moderne dans en rock na.

Werd op het eerste album van de groep, “Stella Splendens”, nog gewoon uit het Latijn, het Occitaans en het Oudengels ontleend traditioneel song- en tekstmateriaal van een eigen arrangement voorzien, dan kiest men op deze nieuwe duidelijk voor een wat eigenzinnigere aanpak. De eigen inbreng werd alvast beduidend groter. Eigen lyrics en deunen als aanvulling op nieuw ontdekte traditionals, met als rode draad quasi voortdurend “sterke vrouwen”. Vrouwelijke krijgers en andere muzen, die doorheen de geschiedenis velen wisten te inspireren.

Kenmerkend voor de muziek van Serpentyne zijn naast de bezwerende sirenenzang van Sand vooral de niet zelden pulserende ritmes die de songs voortstuwen. De combinatie van eigengereide percussie, grillige soundscapes en subtiele en minder subtiele verwijzingen naar een lang vervlogen verleden maakt van “Myths & Muses” een hoogst intrigerend geheel. Een lang niet altijd even gemakkelijk te kraken noot ook, die veel van haar geheimen pas na enkele beluisteringen prijs gaat geven.

File under: Medieval World Folk Rock. Aan te bevelen wat ons betreft vooral aan liefhebbers van acts als het Duitse Faun, onze eigen Laïs, Omnia, Blowzabella, Steeleye Span, de Medieval Babes en Loreena McKennit.

Serpentyne

 

SUNDAY WILDE “He Digs Me” (Untouchable Productions)

(4****)

Ergens vanuit het noorden van Ontario bereikte ons enkele dagen geleden de vierde soloplaat van de ons voordien volslagen onbekende Sunday Wilde. Een bluesplaat, die zelfs de meest verstokte liefhebber van Americana evenmin onberoerd zal laten. Dertien songs en evenveel redenen tot een complete overgave aan haar werk serveert de Canadese liedjesschrijfster ons daarop immers. Tien daarvan blijken eigen schrijfsels. Enkel haar vertolking van de country classic “I Fall To Pieces”, het lekker “mean” uit de hoek komende “Black Mountain Blues” en de afsluitende a capella gospeldeun “Walk With Me” vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Gelijk van bij het eerste nummer, het wat richting roots pop overhellende titelnummer, had Wilde ons stevig bij ons nekvel. Die stem! Wow! Grote madammen als een Bessie Smith, een Billie Holiday en een Earth Kitt sprongen ons spontaan even voor de geest. En dat was dan nog maar het begin! Het klaaglijke, z’n heil in meer jazzy wateren zoekende “Sunday’s Midnight Blues”, de onder meer door machtig saxwerk van Jimmy Wallace voortgestuwde “dirty blues” van “Handle Me”, het ons qua atmosfeer best wel wat aan het klassieke “St. James Infirmary” herinnerende “Show Me Mercy”, de knappe trage “Nobodies Fault” (Nooit geweten, dat je dat zo schreef…), de ook al buitengewoon sfeervolle schuifelaar “Destitution Blues”, het rockabilly-bluesopstootje “I Can’t Believe” en andere, stuk voor stuk lekkere songs volgden, net geen drieënvijftig minuten lang.

Genoeg alvast om ons meer dan nieuwsgierig te maken naar alles wat we voor “He Digs me” zoal gemist hadden. Het in 2007 samen met Reno Jack uitgebrachte “Black Pearls Of Wisdom”, Wilde’s van twee jaar later daterende solodebuut “Broken String Of Pearls”, “What Man!? Oh That Man!!” uit 2011 en “He Gave Me A Blue Nightgown” uit 2012 staan vanaf nu op ons verlanglijstje.

Sunday Wilde

 

ROBERT JON & THE WRECK “Glory Bound” (Robert Jon & The Wreck)

(3,5****)

Wat gaat het allemaal bijzonder snel voor deze vijf Amerikaanse knapen! Amper 24 maanden geleden, in februari 2013 meer bepaald, besloten ze zich te wagen aan een muzikaal avontuur samen. Nauwelijks een half jaar later imponeerden ze Jan en alleman met hun door de gerenommeerde Warren Huart geproduceerde debuutplaat, de EP “Rhythm Of The Road”, en trokken ze ook reeds op een uitgebreide tournee doorheen de States. Een tournee, die hen naast enkele prestigieuze lokale awards in de categorieën blues en rock vooral ook een zeer toegewijde schare aan fans opleverde. Fans, die hun pret wellicht niet op zullen kunnen met de tien nieuwe songs op het binnenkort te verschijnen album “Glory Bound”.

Opnieuw was het de je wellicht ook wel van zijn werk met onder anderen Aerosmith bekende Huart die voor de productie tekende. En hij zag dat het ook ditmaal weer allemaal goed was! “Live off the floor” werd een handvol nieuwe nummers ingeblikt, die op hun best herinneren aan de Black Crowes in hun hoogdagen, aan het al genoemde Aerosmith en aan het legendarische Lynyrd Skynyrd ook wel. Kopstuk Robert Jon Burrison toont zich daarin een ongemeen soulvolle rockstrot. Samen met Kristopher Butcher tekent hij daarnaast ook voor het gitaarwerk. Ook heel erg bepalend voor het groepsgeluid is verder vooral ook toetsenist Maggiora. Samen met bassist Nick Phakpiseth en drummer Andrew Espantman completeert hij het kwintet.

Onze luistertips: het er gelijk als een speer vandoor gaande openingsnummer “The Devil Is Your Only Friend”, het veelzeggend getitelde en wel heel erg “Crowes” aandoende “Blame It On The Whiskey”, de warmbloedige Southern slow rocker “Cold Night”, het vrijwel doorlopend heftig aan z’n kettingen snokkende “Steppin’” en het zich ingehouden funky aandienende, maar bovenal ook heel erg radiovriendelijke “Let Her Go”.

Binnenkort naar verluidt ook te genieten op Europese podia, deze vijf, maar daarover hier te gepasten tijde meer!

Robert Jon And The Wreck

 

ALLIGATOR GUMBO “Simmerin’” (Monophon / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Hoe goed die van Alligator Gumbo wel zijn in wat ze doen, moge enkel en alleen al blijken uit het feit dat ze door The French Cajun Music Association in Lafayette reeds voor elk van hun beide platen voor “Le Prix D’Hors de Nous” – de jaarlijks uitgereikte prijs voor de beste cajunmuziek niet afkomstig uit Louisiana dus – in aanmerking werden genomen. Een heus huzarenstukje, als u het ons vraagt, voor een band afkomstig uit “of all places” het Zuiden van… Zweden.

Maar Johan Larsson (zang, gitaar en “petit fer”), Thor Ahlgren (zang, accordeon en doedelzak), Leif Eriksson (gitaar), Fred Sörensson (fiddle) en Dan Englund (akoestische bas) blijken zo verdomd gepassioneerd in alles wat ze op de opvolger van het goed en wel twee jaar geleden verschenen “Lacassine Special” – “Simmerin’” bedoelen we dan natuurlijk! – doen, dat je het zelfs met de beste wil van de wereld amper nog van in Louisiana zelf vervaardigd spul onderscheiden kan. Cajun traditionals worden erop afgewisseld met enkele eigen, perfect bij diezelfde traditie aansluitende originelen (“Cold Cajun” en het werkelijk wervelende “Le Long Voyage”). Met als voertaal hetzelfde pittige mondje Frans, dat in het verleden ook al zo menig een lokale muzikale gumbo op smaak bracht. En uiteraard ook met de nodige strikt instrumentale intermezzo’s. Dat hoort op een cajunplaat nu eenmaal zo. (Al is de doedelzakbijdrage in “Happy One-step” natuurlijk wel nadrukkelijk een voorbeeld van de wel degelijk ook in ruime mate aanwezige eigen inbreng van de heren hier.)

Echt, hierop valt niets, maar dan ook echt helemaal niets af te dingen! De songkeuze laat amper wat te wensen over, de zang klopt werkelijk als een bus en het accordeon- en fiddlegestoei, dat is voorwaar vrijwel voortdurend om duimen en vingers van af te likken. Tussen openingsnummer “Eunice One-Step” en het afsluitende “Madeleine” is het ruim negenendertig minuten genieten geblazen op z’n Creools. Eén groot feest dus!

Allons danser, mes amis!

Alligator Gumbo, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JOHNNY FONTANE AND THE RIVALS “Lemme Tell Ya!” (Wanted Men Recordings)

(4****)

Eén van dé grote voordelen van schrijven over muziek is dat er je op regelmatige basis kostelijkheden in de schoot worden geworpen, die anders gegarandeerd aan je aandacht zouden ontsnapt zijn. Neem nu zo’n plaat als “Lemme Tell Ya!” van Johnny Fontane And The Rivals. Eerlijk is eerlijk: een buitengewoon lekker bluesrocktwaalftal als dat zou ik uit eigen beweging zeker niet in Zwitserland zijn gaan zoeken. Die verdomde vooroordelen ook altijd, he…

Maar goed, “to the point”! Johnny Fontane And The Rivals zijn zanger-gitarist Tom Marcozzi, toetsenist Philipp Lüdi, bassist Christian Spahni en drummer Lukas Zürcher, vier zich als het maffiawereldje de rug toegekeerd hebbende Siciliaanse halfbroers presenterende Zwitsers, die met hun eerste studioplaat echt spijkers met koppen slaan. Twaalf tot in de puntjes toe verzorgde eigen composities, bulkend van de catchy gitaarriffs, serveren de heren daarop. Het ene moment buitengewoon wervelend, compleet onder stoom als het ware, het andere juist zalig soulvol en ingetogen. De ballade “Life Is Beautiful” en het met Justina Lee Brown gedeelde “This Ain’t Mississippi” zijn twee klassevoorbeelden van dergelijke wat rustigere songs. In het eerste imponeert met name kopstuk Marcozzi met onwaarschijnlijk subtiel gitaarwerk, in het tweede trekt Brown op al even magistrale wijze vocaal alle registers open.

Andere gasten die we op “Lemme Tell Ya!” tegen het lijf lopen zijn de je misschien wel van zijn werk voor onder anderen Alice Cooper en UFO bekende gitarist Vinnie Moore, die de leadpartijen in de sleper “Tell Me” voor zijn rekening neemt, en bluesharpvirtuoos Marco Pantherra, die het afsluitende “Steam Train” letterlijk mee helpt onder stoom te krijgen.

Onze lievelingen op “Lemme Tell Ya!” zijn naast het al genoemde slowtje “This Ain’t Mississippi” vooral de wervelende bluesrocker “Black Cadillac”, de met lekkere blazers opgewaardeerde en mede daardoor volop met R&B flirtende eerste single “Hands On You” en het bepaald funky uit de hoek komende “Like A Real Man”.

Zouden zomaar eens kunnen uitgroeien tot één van de festivalzomersensaties van 2015, deze stijlvol ogende Zwitsers. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Johnny Fontane And The Rivals

 

24 PESOS “Do The Right Thing” (Cadiz / Bertus)

(4****)

Julian Burdock en de zijnen zijn “back”. En hoe! Op de opvolger van het net geen drie jaar geleden verschenen “When The Ship Goes Down” illustreren de vier Londenaars andermaal hun hoogst eigenzinnige visie op de blues anno 2015. Invloeden als Sly Stone, James Brown, The Meters, Albert Collins, Freddie King, Howlin’ Wolf, Jimi Hendrix, Cream, de Stones en anderen misten hun doel duidelijk niet. En het resultaat is in één woord weer onweerstaanbaar.

Heerlijk funky bij momenten, zoals in het ons op de één of andere manier ook wel wat aan de Peppers herinnerende openingsnummer “Step Back”, het meteen daaropvolgende en met een enigszins aparte intro gezegende “Won’t Lie Down”, het titelnummer en het buitengewoon groovy “The Good Lord Did”. Ongemeen sfeervol ook, zoals in het de laatste restjes deltaklei verwoed van zich af stampende “Rise Up”, de mooie trage “Need Somebody” en het ook al bepaald niet van de soul gespeend gebleven “If You Want It”. Of net er al rockend een flinke lap op gevend, zoals in het hypernerveuze “Clap Hands”, het ferm slidend ingezette “Night Train” of catchy afsluiter “Boom Boom”.

Wie zich nog mocht afvragen, waarom dit viertal vaak als één van dé interessantste Engelse blues acts van de laatste jaren überhaupt genoemd wordt, vindt hier andermaal tien goede redenen om een dergelijke bewering ogenblikkelijk en zonder ook maar de minste schroom bij te treden! Binnenkort ongetwijfeld ook weer graag geziene gasten op zo menig een bluesfestival, deze vier knapen!

24 Pesos

 

GRETCHEN PETERS “Blackbirds” (Scarlet Letter Records / Proper Records)

(5*****)

Voor wie daar na het lichtjes fantastische “Hello Cruel World” van zo’n twee jaar geleden überhaupt nog behoefte aan zou hebben, levert Gretchen Peters op haar eraan komende album “Blackbirds” tien nieuwe bewijsstukken van haar onmiskenbare talent als songwriter. In een met Doug Lancio en Barry Walsh gedeelde productie serveert ze haar wat mij betreft zonder meer allerbeste album tot op heden. En tal van gerenommeerde gasten passeerden dan ook de revue, toen ze de liedjes erop in Nashville inblikte. Jimmy LaFave, Jason Isbell, Kim Richey, Suzy Bogguss, Jerry Douglas en Will Kimbrough moeten daarvan zowat de voornaamsten geweest zijn. Ander opvallend gegeven: Peters schreef heel wat van de liedjes op “Blackbirds” samen met haar maatje Ben Glover. En ook dat heeft haar zeker geen windeieren gelegd.

Gelijk van bij het vrijwel meteen een zeker gevoel van onbehagen achterlatende openingsnummer “Blackbirds” is het prijs. Traag rockend liet Peters daarmee bij mij een schier onuitwisbare indruk achter. Echt wel een groots nummer, dat liedje! En lang niet het enige in zijn soort hier, zoals al snel blijken zou… Ook het behoorlijk seventies aandoende en me herhaaldelijk best wel wat aan folkicoon Joni Mitchell herinnerende “Pretty Thing”, de aardig viriel uit de hoek komende countryrocker “When All You Got Is A Hammer”, de buitengewoon fijnzinnige pianoballade “Jubilee” en “When You Comin’ Down”, een ontwapenend mooi Americana-duetje met Jimmy LaFave, mochten wat mij betreft zo op het lijstje met “blijvertjes”. En dan had ik het nog niet eens over al die andere schoonheden van songs als “Everyhting Falls Away”, “The House On Auburn Street”, “Black Ribbons”, “Nashville” en “The Cure For The Pain”!

Ik weet het wel, het jaar is nog maar een paar dagen oud, maar toch dacht ik voor het eerst alweer aan mijn volgende jaarlijstje. Het zou me absoluut niet verbazen, mocht dit nieuwe album van Gretchen Peters daarin straks een behoorlijk prominente rol gaan vervullen. Een goede verstaander heeft daaraan meer dan genoeg, lijkt me…

Gretchen Peters, Proper Records

 

CHRIS D. SMITH “A.D. 2014” (One Drop Music Generation)

(3,5****)

Onze eerste “mannenplaat” van 2015 verscheen eigenlijk al een poosje geleden. In de tweede helft van het jaar uit de titel ervan meer bepaald. Maar dat hield ons dus niet tegen om er vooralsnog ons licht over te laten schijnen. “A.D. 2014”, na het goed en wel een jaar of drie geleden verschenen “Words” de tweede langspeler van Kapellenaar Chris D. Smith, is immers een hoogst interessante rootsworp van eigen bodem. De elf liedjes erop rolden zonder ook maar één enkele uitzondering uit de pen van Smith zelve. En die toont daarin vooral, dat hij zijn ogen graag de kost geven mag. Z’n inspiratie voor zo menig een nummer vond hij immers in het leven van alledag.

Aan de basis van het met een flinke snuif reggae gekruide “Hard Times” lag zo bijvoorbeeld de recente economische crisis, titelnummer “A.D. 2014”, een met de verbetenheid van Bob Dylan en Neil Young in hun beste dagen om zich heen schoppende rocker, werd geënt op de aanslepende onlusten in het Midden-Oosten de Krim, en het ons volop aan “The Boss” en z’n E Street Band herinnerende “Italian Girls” gaat over, wel ja, Italiaanse zomers en de vele schone madammen aldaar.

Wat de muzikale invulling van “A.D. 2014” betreft gaat Smith lekker ruim. Na de Heartland rock en de reggae van het al genoemde tweetal (“Italian Girls” en “Hard Times”) gaat het via een potje smeuïge bluesrock (“Tell Me”) en een soulvol rootsy popliedje (“Gates Of Love”) richting het groots opgevatte, je als luisteraar aardig wat hoeken van het rockcanvas van dichtbij tonende “Old Friend” en het bij momenten echt wel nadrukkelijk de Stones ergens bij het begin van de seventies evocerende “Rock ‘N’ Roll Addict”. “Mose Grove” blijkt meteen aansluitend daarop dan weer een streepje buitengewoon warmbloedige Americana en over het echt wel ijzersterke titelnummer hadden we het hier hoger al. Resten dan nog: het poppy liefdesliedje “Coat Made Of Love”, het bedaard countryeske “Catchin’ The Sun” en de afsluitende reprise van het titelnummer.

Al bij al een prima songelftal. Door Smith (zang, gitaren, bas, keyboards, klavecimbel, harmonica en percussie) ingeblikt met Bart Delacourt (bas en backing vocals), Tim Coenen (drums, gitaren, bas, percussie en backing vocals), Tom Vanstiphout (gitaren, pedal steel en slide), Little Chris Van Nauw (gitaren), Niels Verheest (keyboards, Hammond), Nils De Caster (viool) en Carlo Willems (klokkenspel, vibrafoon). Voor de productie tekende hijzelf.

En een pluim hier ten slotte ook nog voor de knappe cover van “A.D. 2014”. Het fraaie schilderij daarop is van de hand van niemand minder dan Sam Dillemans. Een echte “eyecatcher” noemen ze zoiets…

Chris D. Smith

 

KATIE GARIBALDI “Follow Your Heart” (Living Dream Music)

(3,5****)

Vanuit San Francisco bereikte ons onlangs “Follow Your Heart”, het ondertussen ook alweer zevende album van de van daaruit actieve Katie Garibaldi. En die doet het op haar nieuwste met dertien eigen nieuwe liedjes, waarvan de meeste in het teken blijken te staan van de goede raad uit de titel ervan. Volg altijd en overal je hart, drukt Garibaldi ons hier meermaals op dat laatste. In goede zowel als kwade dagen, blijkt dat immers veelal de juiste weg.

Voor het uitdragen van zoveel positivisme bedient de schone Amerikaanse zich van een soort van mengvorm van (doorgaans) akoestische pop, country en folk rock. In haar entourage spreekt men gemakkelijkheidshalve van Americana. En van sprankelende, memorabele melodieën ook. Wij houden het hier echter gewoon op goed in het gehoor liggende deuntjes. Bij momenten een beetje te braaf van aard om onze aandacht continu vast te houden, maar wel mooi.

Als sterkste liedjes noteerden we het zich mede door een gloedvolle bijdrage op de pedal steel van Max Butler meteen knus tussen de oren nestelende titelnummer, de fraaie, Garibaldi’s bepaald niet onaanzienlijke vocale capaciteiten ook al alle eer aandoende ballade “Holding On”, het groovy, zowaar even bedaard (country)rockende “Love The Hell Out Of You”, het vrijwel ogenblikkelijk door z’n wat desolaat aandoende geluid opvallende “Whispers & Rumours” en het na enkele beluisteringen buitengewoon catchy uitvallende Americana-niemendalletje “Vegas”.

Katie Garibaldi

 

AMELIA CURRAN “They Promised You Mercy” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Naar een nieuwe plaat van Amelia Curran is het hier al sinds haar debuut “War Brides” uit 2008 altijd wel een beetje uitkijken. Met dat album, opvolger “Hunter, Hunter” uit 2009 en “Spectators” uit het najaar van 2012 baande de jonge Canadese liedjesschrijfster zich immers een weg tot diep in ons luisteraarshart. Voor ons was ze echt één van dé revelaties van de voorbije tien jaar. Een ongelooflijk talent, dat we gelijk vanaf onze eerste kennismaking ermee zonder schroom aan elke liefhebber van andere grote dames als Lucinda Williams en Mary Gauthier durfden aan te bevelen. Ook nu nog!

Al gaat Curran op haar nieuwe worp in een productie van de tegenwoordig goed in de markt liggende Michael Phillip Wojeweda dan ook nadrukkelijk voor een wat massavriendelijker geluid. Heel wat van de elf liedjes erop blijken op de keper beschouwd zelfs behoorlijk radiovriendelijk. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag het zich fris als een lentebriesje aandienende rootspopblijvertje “Somebody Somewhere”, het ingehouden, zich bij elke nieuwe luisterbeurt wat dieper in je onderbewustzijn vastschroevende “I Am The Light”, het loom, maar wel buitengewoon catchy rockende “Never Say Goodbye” en het in deze optiek met een wel bijzonder toepasselijke titel gezegende “Song On The Radio”. Samen met andere tot in de puntjes verzorgde songschoonheden als de trage “Time, Time”, het bedaarde, ons van opzet een weinig aan Suzanne Vega herinnerende “The Reverie”, popjuweeltje “The Matador” en afsluiter “You’ve Changed” wat ons betreft meer dan redenen genoeg om onverwijld tot de aanschaf van dit kleinood over te gaan.

Een mooie stem, scherpzinnige, door de zangeres zelf in de nasleep van behoorlijk donkere dagen niet zelden cathartisch ingevulde teksten, muzikaal gezien tot in de puntjes uitgewerkte liedjes, voor ons hoeft het echt niet meer te zijn…

Amelia Curran, Blue Rose Records

 

KELLY MCRAE “Easy On My Mind” (Kelly McRae Songs)

(4****)

Met “Easy On My Mind”, het binnenkort te verschijnen nieuwe album van de bekoorlijke Amerikaanse Kelly McRae, slaan we hier op bijzonder subtiele wijze de pagina van het voorbije jaar om. We laten het om uiteenlopende redenen lang niet altijd tot vrolijkheid uitnodigende 2014 voorzichtig achter ons met zes nieuwe prachtliedjes van de al sinds 2011, in de aanloop naar “Brighter Than The Blues”, samenwerkende muzikale tandem McRae-Castelein. Een samenwerking, die de zangeres en haar vaste gitarist ondertussen overigens ook al tot in Europa aardig wat lofzangen opleverde. En dat meer dan terecht ook.

Het materiaal voor haar nieuwe worp schreven McRae en Matt Castelein in een hutje ergens diep in de Smoky Mountains in North Carolina. En de rust die ze daar vonden straalt bijna als vanzelfsprekend ook van het merendeel van hun nieuwe songs af. Zo menig een trage beauty is het resultaat. Van de beklijvende ballade “Fairweather” tot het licht jazzy aanvoelende titelnummer, van het door Geoff Queen dobrogewijs aan wat meer glans geholpen schuifelaartje “Full Cup” tot het met name door McRae’s fraaie sirenenzang erin wat richting folk overhellende “So Fine” en het bij nader inzicht gewoon uit datzelfde vaatje tappende afsluitertje “At The Feet Of Love”, het zijn zonder uitzondering echte heerlijkheden van songs.

En dat laatste geldt zeker ook voor het enige nummer, dat we tot nog toe nog niet vermeld hadden, met name het zachtjes swingende “Stay Close To Me”. De enige reden, waarom dat wat langer op z’n beurt wachten moest, is het daarin net wat hoger liggende tempo. Het is ontegensprekelijk ook het meest “country” nummer van het geheel.

“Easy On My Mind” werd opgenomen in de Ramble Creek-studio’s in Austin, TX. Voor de verfijnde productie ervan tekende Britton Beisenherz.

(Releasedatum: 27 januari 2015.)

Kelley McRae

 

SHELLEY KING “Building A Fire” (Lemonade Records)

(4,5*****)

Net als z’n voorganger, het goed en wel een jaar of vier geleden ook al samen met John Magnie, Tim Cook en Steve Amedée van de Subdudes ingeblikte “Welcome Home”, is ook Shelley Kings zevende weer een echte moordplaat geworden. En de titel ervan is wat ons betreft dan ook zeer op z’n plaats. “Building A Fire” indeed! De knappe Texaanse etaleert hier andermaal twaalf songs lang welk een vocaal oertalent ze wel is. Beter kom je ze naar onze bescheiden mening dezer dagen niet al te vaak meer tegen…

“Building A Fire” is wat je noemt een roots-totaalpakket. Het beste van meerdere werelden onder één dak. Je hoort hier zo bij herhaling bijvoorbeeld zowel Austin, New Orleans als Muscle Shoals in terug. Van bluesy ballades en gospeleske momenten tot zydeco en met country flirtende swamp pop, maar vooral tonnen aan soul zijn je deel! Met tal van nagenoeg onweerstaanbare eigen deunen als hoogtepunten. Als daar zijn bijvoorbeeld de heerlijk relaxte, zo ongeveer meteen tot meezingen uitnodigende rootspopdeun “The Ones You Don’t See Coming”, het onder meer door de fiddle van gast Warren Hood nadrukkelijk richting country-oorden gestuwde “1940’s Eyes”, het bedaard rockend een wel heel erg positieve boodschap uitdragende “Hard Times Are No Match For Sweet Dreams” of het gevoelige, vrijwel ogenblikkelijk door de geweldige samenzang erin opvallende “Moonlight”.

Van de twaalf deunen hier komen er overigens maar liefst tien uit de koker van King zelf. Eentje daarvan, het buitengewoon sensueel aan de man gebrachte “Things You Do”, schreef ze samen met collega Floramay Holliday, de rest gewoon in haar dooie eentje. Enkel de prachtige sleper “I Know I’ve Been Changed” en het “groovy” “When I Go Away” blijken vreemde eenden in de songbijt. Het eerste – Moderne gospel van het beklijvendste soort! – is op voortreffelijke wijze naar het hier en nu vertaald traditioneel songgoed, voor het tweede ging King in de leen bij de vermaarde Larry Campbell.

Voor de productie tekende King samen met de tandem Magnie-Amedée weer zelf. En aangevuld met Marvin Dykhuis en Sarah Brown vormde dat drietal ook de “core group” bij het tot stand komen van “Building A Fire”. Muzikale gasten als de al genoemde Warren Hood, Cindy Cashdollar, Carolyn Wonderland, Taylor Tesler, Robert Cline Jr., Russell Mefford, Billy Hunley en Tim Cook deden de rest. Al bleef hun rol veelal toch eerder beperkt.

Shelley King

 

JACK KEROWAX “Jack Kerowax” (St. Cait Record Company)

(3,5****)

Het mag hier dan ook nog maar hun debuutplaat betreffen, de truken van de foor hoeven we de vier youngsters van Jack Kerowax duidelijk al niet meer te leren. Die groepsnaam alleen al! Zelfs de aandacht van Beat Generation-boegbeeld Jack Kerouac zelf zouden ze er ergens ver daarboven wel eens heel even mee getrokken kunnen hebben! En al bijna even opvallend is de verpakking, waarin zingende songsmid Johnny Beauford en de zijnen ons hun eersteling aanreiken. Geen rooskleurige brilglazen immers voor de het zwart-wit-frontje van dat geheel sierende schone, maar wel gele. Het levert een hoogst apart plaatje op, moet ik zeggen.

En dat kan je eigenlijk ook wel stellen met betrekking tot de muziek op “Jack Kerowax”. De tien liedjes daarop slaan immers op aantrekkelijke wijze een brug tussen enerzijds Americana en anderzijds pop. Het ene moment blijkt daarbij de ene pool net wat zwaarder door te wegen, het andere moment de andere, maar interessant blijft het te allen tijde. En met bovendien ook enkele echte oorwurmen als resultaat! Met name het gitaargewijs her en der (subtiel) naar “Sweet Jane” van de Velvet Underground verwijzende “Huck Finn’s Hideout” en het moody “Fever” verdienen wat mij betreft die omschrijving nadrukkelijk. Verdere zeer “lekkere stukken”: het aanstekelijke, met een fraai streepje mondharmonica en wat saloon-stijl piano opgewaardeerde countryrockertje “Moonshine Barber”, eerste single “Ten Year War”, mooie trage “Violet” en het wel zeer radiogenieke “popdondertje” “Bliss”.

Niet meteen typisch Texaans spul, dit, maar als je het mij vraagt je aandacht wel meer dan waard! En al zeker als je, zoals de grote Kerouac indertijd zelve, vooral wordt aangetrokken door het onbekende.

Jack Kerowax

 

JIM MALCOLM “The Corncrake” (Beltane Records)

(4****)

Ik betrapte er mezelf onlangs op, dat ik daar waar het folk betreft nogal eens graag richting vrouwelijke singer-songwriters wil afdwalen. Kate Rusby, Emily Smith, Cara Dillon, Mary Black, Nancy Kerr, Eliza Carthy,… Aan vrouwelijk talent hoegenaamd geen gebrek in mijn persoonlijke collectie. Iets wat van de mannelijke collega’s van deze dames helaas niet gezegd kan worden… Eigenlijk is er maar één grote uitzondering op die regel en da’s de Schotse troubadour Jim Malcolm. Die is hier goed vertegenwoordigd. En dat allicht om exact dezelfde redenen als die vrouwelijke collega’s. Net als hen is Malcolm naast een prima songsmid immers vooral een fantastische vertolker. Met zijn prachtige stem was hij in het verleden al verantwoordelijk voor zo menig een pijl dwars doorheen dit luisteraarshart hier. De warme gloed die ervan afstraalt is gewoon hemels.

En veel meer nog dan in ’s mans eigen materiaal valt dat op in z’n vertolkingen van klassiek Schots songgoed. Dat mochten we voor het eerst nadrukkelijk vaststellen op z’n vorig jaar verschenen elfde album “Still”. Daarop waagde Malcolm zich, daartoe aangezet door z’n ondertussen helaas overleden Amerikaanse vriend Brent Rutherford, onder meer aan vertolkingen van Schotse klassiekers als “The Baron O Brackley”, “Erin Go Bragh”, “Jock O Hazeldean”, “Pills Of White Mercury”, “Queen Amang The Heather”, “Bonnie Woodhall” en “McPherson’s Rant”. En het resultaat van dat “labour of love” was naar onze bescheiden mening van een werkelijk adembenemende schoonheid. “Still” was een plaat, die je ook aan doorgaans niet echt folkminnende muziekliefhebbers durfde aan te bevelen.

En dat geldt misschien nog wel net iets meer voor Malcolms zopas verschenen nieuwe cd “The Corncrake”. Da’s als het ware het logische verlengstuk van “Still”. Met opnieuw elf veritabele songschoonheden als verkoopsargumenten voor het recentere werk van Malcolm erbij. Traditionals als “The Merchant’s Son”, “The Bonny Earl O’ Moray”, “Clerk Saunders”, “Tattie Jock”, “Kelvin’s Purling Stream”, “The Echo Mocks The Corncrake”, “My Mary”, “The Cruel Mither”, “When I First Came To Caledonia” en “Twa Recruitin’ Sergeants” werden samen met echtgenote Susie (Heerlijk harmonieerwerk!), Pete Clark (fiddle), Marc Duff van Capercaillie (fluiten en bodhrán), Scooter Muse (banjo) en Dave Watt (keyboards en melodica) op vaardige wijze klaargestoomd voor een geïnteresseerd publiek anno nu. Malcolm (gitaren, harmonica’s, percussie en zang) en z’n wederhelft betoveren daarbij vrijwel voortdurend met hun stemmen. En het zou ons dan ook geenszins verwonderen als de beste man bij de volgende uitreiking van de Scots Trad Music Awards andermaal met de hoofdvogel zou gaan lopen. Dit is allemaal zó uitnodigend! Echt uitermate geschikte muziek voor de tijd van het jaar! Je krijgt het er immers ogenblikkelijk heel erg warm van vanbinnen…

Een echt “thing of beauty” en om het met de woorden van de grote John Keats te zeggen dus ook “ a joy for ever.” Warm aanbevolen!

Jim Malcolm

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Medicine” (Magnolia Music)

(4****)

Ik mag ‘m wel, de dezer dagen vanuit Nashville actieve zingende songsmid Drew Holcomb. Samen met z’n uit z’n vrouw Ellie (zang en gitaar), Nathan Dugger (gitaar en keyboards) en Rick Bringfield (bas) bestaande band The Neighbors grossiert hij al ruim tien jaar lang in bijzonder lekker in het gehoor liggende Americana. Het ene moment aardig poppy, het andere juist ongemeen soulvol. Nu eens eerder introspectief, dan weer rockend als de besten. Onder het motto “Music is Medicine” kan bij Holcomb veel.

Met het leven van alledag als een schijnbaar schier onuitputtelijke bron van inspiratie schildert Holcomb hier in een met de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Josh Rouse, Ben Folds en KD Lang bekende Joe Pisapia gedeelde productie een twaalftal uitermate fraaie miniatuurtjes. Onder meer thema’s als het huwelijk, vriendschap, loyaliteit, geloof en vervreemding komen daarbij tekstgewijs aan bod.

Enkele van de wat ons betreft meest beklijvende momenten zijn de volgende prachtliedjes: het z’n titel in al z’n eenvoud echt wel helemaal waarmakende openingsnummer “American Beauty”, het zich buitengewoon laidback gaandeweg tot een echte oorwurm ontwikkelende “Here We Go”, het heerlijk bezield gebrachte trage tweetal “Avalanche” en “You’ll Always Be My Girl” en vooral ook de gloedvolle, ergens in de buurt van The Boss en z’n E Street Band strandende Heartland rocker “The Last Thing We Do”.

“Medicine” zal pas eind januari van volgend jaar in de winkels komen te liggen. Je kan het album via Holcombs eigen webshop echter nu al voorbestellen en dat levert je dan als extraatje meteen ook de EP “Live From Tennessee” op. En er is nog meer: bij wijze van voorsmaakje op hun nieuwe worp bieden Holcomb en co momenteel via het onvolprezen NoiseTrade gratis voorganger “Good Light” aan. Ook een prima plaat!

Drew Holcomb And The Neighbors

 

RAY PRICE “Beauty Is… The Final Sessions” (Amerimonte Records)

(3,5****)

Met “Beauty Is… The Final Sessions” wordt ons de kans geboden om op gepaste wijze afscheid te nemen van één van de allerbeste countryzangers ooit. Want dat was hij ontegensprekelijk, de op 16 december van vorig jaar in z’n thuisstaat Texas aan alvleesklierkanker overleden Ray Price. Met die werkelijk monumentale stem van ‘m als z’n voornaamste bondgenoot reeg hij jarenlang de hits aan elkaar. “Crazy Arms”, “For The Good Times”, “I Won’t Mention It Again”, “The Same Old Me”, “Invitation To The Blues”, “I’ve Got A New Heartache”, “Who’ll Be The First”, “Make The World Go Away”, “My Shoes Keep Walking Back To You”, “You Done Me Wrong”, “Heartaches By The Number”, ach, het lijstje is schier eindeloos… En zo ook ons respect voor de beste man eigenlijk. Als Price zong, dan zwegen we. En dan genoten we vooral ook! En dat doen we nu nog één laatste keer…

Met ‘s mans amper twee maanden voor z’n dood ingeblikte laatste opnamen met name. Die werden in oktober 2013 onder de productionele hoede van de grote Fred Foster in diverse studio’s in Nashville ingeblikt. Twaalf nummers in totaal, waarin Price nog één laatste keer echt mag schitteren. Niet zelden behoorlijk nostalgisch van aard, zoals we dat bijvoorbeeld ook kennen van de laatste platen van wijlen Johnny Cash. Titels als “No More Songs To Sing”, “An Affair To Remember” (Een duetje met Martina McBride!), “Among My Souvenirs”, “I Wish I Was 18 Again” en andere spreken wat dat betreft boekdelen. Price wist wel degelijk, dat zijn aardse dagen zo goed als geteld waren. Hij neemt zelfs daadwerkelijk afscheid van zijn fans in een persoonlijke boodschap op het hoesje van de plaat: “I’m going to be just fine. Don’t worry about me. I’ll see you again one day.” En weg was hij…

Ons achterlatend met z’n door “Beauty Is…” nog net wat rijker dan voorheen gevulde muzikale testament. De warmte afstralend van liedjes als het met Vince Gill gedeelde “Beauty Lies In The Eyes Of The Beholder”, de pianoballade “This Thing Of Ours”, het fraai gecroonde “I Can See You With My Eyes Closed”, de met heel mooi akoestisch gitaarwerk gelardeerde trage “It Always Will Be”, “Until Then”, een bedaard, maar nadrukkelijk op Texaanse dansvloeren mikkende tweede samenwerking met Vince Gill, het al eerder even genoemde “I Wish I Was 18 Again” en zowat alle andere hier maakt afscheid nemen van Price wat makkelijker en tegelijk net ook heel moeilijk. Iemand die dit allemaal nog kan, hadden we immers graag nog wat langer in ons midden gehouden..

Warm aanbevolen!

Ray Price

 

ANNIE KEATING “Make Believing” (Annie Keating)

(4,5*****)

Een nieuw album van Annie Keating is altijd wel weer iets om naar uit te kijken. Dat zou u ondertussen eigenlijk al moeten weten. De Amerikaanse behoort na goed en wel tien jaar activiteit immers ontegensprekelijk in de bovenste schuif der zich met Americana inlatende vrouwelijke singer-songwriters thuis. Ergens heel dicht in de buurt van grote madammen als een Lucinda Williams, een Patty Griffin, een Gillian Welch, een Rosanne Cash en anderen. Die status heeft ze zich wat ons betreft met name met de drie laatste van haar vijf al eerder verschenen platen, “Belmont”, “Water Tower View” en “For Keeps”, meer dan verdiend. Daarop ontbolsterde Keating tot iemand om in de toekomst echt rekening mee te gaan houden. Knappe zangpartijen erop koppelend aan ijzersterke liedjes veegde ze met die drie schijven elk aanvankelijk nog mogelijk gebleven restje aan twijfel resoluut van de tafel.

En met haar nieuwe worp, het medio januari van volgend jaar te verschijnen “Make Believing”, doet ze daar zelfs nog een schepje bovenop. Dat is immers een bescheiden meesterwerk. “Thrills!” belooft de achterzijde van het hoesje ervan nogal opzichtig en die krijgen we dan ook. Songgewijs met name. Met de ene veritabele beauty na de andere. Want hoe moet je dingen als “Coney Island”, “Sunny Dirt Road”, “I Want To Believe”, “Foxes”, “Know How To Fall”, “One Good Morning” en heel wat andere hier anders noemen? Echte schoonheden zijn het. Liedjes, die je al na één enkele beluistering absoluut niet meer wil missen!

Vooral dan het zich over een hoogst aangenaam schuifelritme gestaag richting het luisteraarshart voortbewegende “Coney Island”, het wat ons betreft echt perfect de sfeer uitgaand van het erin bezongen onderwerp capterende “Sunny Dirt Road”, het nerveus rockende “I Want To Believe”, het qua sound best wel wat richting Daniel Lanois’ werk met Emmylou Harris overhellende “Foxes” en het bij nader inzicht behoorlijk zomers opgevatte “Sink Or Swim”. Maar we zullen het hier voor alle duidelijkheid toch nog maar eens even herhalen: zoeken naar ook maar één enkel minder moment zal je hier vergeefs doen. Ook het volop van z’n eerder introverte natuur levende “Just Up Ahead”, het met een dosis twangy opgewektheid opgewaardeerde “Know How To Fall”, het voorzichtig wat richting bluegrass overhellende “One Good Morning”, de ballads “Lost Girls” en “Still Broken” en het afsluitende “If You Want To Fly” zijn immers echte prachtdeunen.

De eerste echte aanrader voor 2015 is hiermee meteen alweer een feit.

Annie Keating

 

G2 “Mind Over Matter” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Mind Over Matter”, na “Where All The Grass Grows” uit 2007 en “Untapped Roots” van zo’n vier jaar geleden het ondertussen toch ook al derde album van het Zweedse vijfmanschap G2, hinkt een beetje op twee gedachten. Voor de roots van dat onder de productionele auspiciën van de onder meer om zijn werk met Alison Krauss, Della Mae, T Bone Burnett, Tim O’Brien en Darrell Scott al veelvuldig geprezen Erick Jaskowiak in Nashville opgenomen songelftal dienen we nog wel af te zakken richting het traditionele bluegrassgegeven, maar het moge tegelijk van meet af aan ook al duidelijk zijn, dat hier toch nog wel wat meer leeft ook. Daardoor wellicht mede geïnspireerd door het recente succes van acts als Mumford & Sons en aanverwante doen Christoffer Olsson en de zijnen hier wat ons betreft een meer dan verdienstelijke poging om het genre ook voor jongere generaties muziekliefhebbers wat aantrekkelijker te maken.

Ze zorgen alleszins voor flink wat meer popappeal. En net als bij het genoemde Britse gezelschap gebeurt dat niet zelden door aan de banjo (Jens Koch) en de mandoline (Erik Igelström) een behoorlijk prominente rol toe te dichten. Luister bij gelegenheid maar eens naar liedjes als “In The Light Of Day”, “Green Pastures”, de Sarah Siskind-cover “How Hard To Be True” en “My Weary Heart” en je zal allicht meteen begrijpen wat we daarmee precies bedoelen.

Anderzijds zijn er echter ook nog voldoende momenten die het rechtvaardigen om “Mind Over Matter” aan doorgewinterde bluegrassfans aan te bevelen. Het wervelende “Move On” is er zeker zo één, het ons bij nader inzicht best wel wat aan Ricky Skaggs herinnerende “You Search You Find” ook, en niet te vergeten, het buitengewoon sfeervolle, bij de Zweedse folkband Väsen geleende instrumentaaltje “Lindblad”. Dat laatste vormt met de eerder al genoemde Siskind-compositie en “Something On The Wind” van het duo Jon Weisberger en Jeremy Garrett (Infamous Stringdusters) meteen ook de volledige vreemde inbreng op “Mind Over Matter”, dat voor de rest uitsluitend nummers van de hand van Christoffer Olsson en een enkele keer ook Erik Igelström bevat.

G2, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JASON MCNIFF AND THE LONE MALONES “God Knows Why We Dream” (Tombola Records)

(3,5****)

Ondertussen al ruim een decennium lang schrijf ik op min of meer regelmatige basis mijn mening over muziekjes neer. En ik denk in eer en geweten te mogen stellen, dat er in die lange periode maar weinig platen geweest zijn, die mij op de keper beschouwd zó diep hebben weten te raken als het me in 2003 door Jason McNiff bezorgde “Nobody’s Son”. Ook nu nog belandt dat album met enige regelmaat in de cd-speler. En ook nu nog weet het me in al zijn eenvoud keer op keer volop te bekoren. Net als het in 2011 verschenen “April Cruel” trouwens, dat in dat jaar heus niet zomaar in de jaarlijst van Ctrl. Alt. Country belandde.

En ik durf dan ook te zeggen, dat ik met iets meer dan gemiddelde interesse heb zitten wachten op “God Knows Why We Dream”, het nieuwe album van de Britse songsmid met roots in Polen en Ierland. Wat daarop meteen opvalt, is dat het eigenlijk om een soort van “team effort” gaat. McNiff schreef weliswaar nog alle dertien nummers erop zelf, maar hij liet er zich vast voor bijstaan door de Lone Malones. Te weten de in haar huidige thuishaven Londen veelgevraagde Poolse violiste Basia Bartz, de onder meer ook van Ahab bekende drummer Neil Marsh en bassist John Nicholls.

Samen tekenen zij voor een aangenaam gevarieerd, maar al bij al toch wat minder beklijvend werkstuk dan de hoger genoemde voorgangers. In een productie van Nicholls worden flink wat roots-straatjes aangedaan. Gaande van alternatieve country en Americana (het hypernerveuze “Heart Of A Poet” en het voorzichtig richting bluegrass overhellende “Coming Back To Life”) over eigentijdse folk (opener “The Picture”, titelnummer “God Knows Why We Dream” en het verstilde “Sicily”) tot roots(y) pop en rock (het melodieze mijmerdeuntje “Green”, “Brockdish” en “Shy Truth”).

De primus inter pares is wat mij betreft het met subtiel koperblaaswerk op smaak gebrachte “A Different Word”. Dat laatste mag wat mij betreft zo mee op het lijstje met McNiffs glansdaden “so far”. Het is het soort van warmbloedig popdeuntje, dat je op druilerige najaarsnamiddagen maar wat graag als soundtrack om je heen weet.

Jason McNiff & The Lone Malones

 

TRAILHEAD “Leave Me To Learn” (Timezone)

(4***)

Het is niet voor het eerst, dat we hier een lans breken voor de vanuit Oost-Berlijn actieve zingende songsmid Tobias Panwitz. Onder de nom de plume Trailhead stal die ondertussen zowat anderhalf jaar geleden ons hart met z’n tweede langspeler “Bodies In The Basement”. Met een uitgelezen selectie uiterst melodieuze Americana- en rootspopliedjes met “een zekere hang naar de jaren zestig en zeventig” wist hij ons toen meteen voor zijn zaak te winnen.

En het is dan ook met het nodige plezier, dat we hier en nu vaststellen, dat Panwitz ons op z’n nieuwe worp “Leave Me To Learn” uitgebreid van meer van hetzelfde meent te moeten bedienen. Muzikale referentiepunten blijven ook nu weer dertien nummers lang Crowded House, Ron Sexsmith en Jackson Browne. Allicht niet geheel toevallig drie hier bij Ctrl. Alt. Country ook zeer graag geziene en gehoorde gasten. Net als die acts bedient ook Panwitz zijn publiek graag van intelligente, goed in het gehoor liggende luisterdeuntjes met lange houdbaarheidswaarde.

Echte uitschieters zal je mede daardoor op “Leave Me To Learn” niet aantreffen. De plaat scoort naar onze bescheiden mening vooral als geheel goed. Je zal met plezier ook deze nieuwe muzikale road trip weer helemaal uitzitten. Terwijl ergens diep in Panwitz’ binnenste de nood aan stabiliteit een aardig robbertje uitvecht met z’n van nature uit rusteloze ziel ontstaan quasi “en passant” tal van muzikale delicatessen. Muziekjes, zoals wij ze maar wat graag wat meer uit de luidsprekers van onze radio zouden horen schallen. Muziekjes, die ons op de één of andere manier volop herinneren aan veel eenvoudigere tijden… Een aanradertje!

Trailhead, Bandcamp

 

DEADMAN “The Sound And The Fury” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(2,5***)

Dit moet voor mij persoonlijk zowat dé afknapper van het jaar zijn… Met zijn zevende langspeler vloert Steven “Deadman” Collins zichzelf wat mij betreft zo goed als volledig. Weinig of niets herinnert hier immers nog aan de knappe Americana en roots rock, die de beste man in een nog niet zo heel erg lang vervlogen verleden onder meer vergelijkingen opleverden met groten der aarde als een Dylan, een Van Morrison, The Band en anderen.

Gelijk van bij openingsnummer “The Sound And The Fury” verandert hij het muzikale geweer resoluut van schouder. Daarin gaat de klok immers nadrukkelijk op rock. Messcherpe, maar vooral ook heel erg luide gitaren dicteren daarin overduidelijk de wet. En dat is ook zo in het meteen daaropvolgende duo “No Sugar” en “The Rich Man And The Poor Man”.

Wat verderop gaat het er weliswaar weer wat rustiger aan toe, maar het rootselement blijft veelal toch erg ver te zoeken. “Is This The World We Want?” laat zich zo bijvoorbeeld onderverdelen in het vakje indie pop en het vervolgens vanuit een behoorlijk dreigend aandoende achtergrond opduikende “Ozymandias” blijkt op de keper beschouwd meer soundscape dan liedje. Wel knap: het bedaarde tweetal “Raise Up!” en “Catch Me If I Should Fall” en het me van ondertoon een weinig aan U2 in z’n rustigere momenten herinnerende “I Will Tremble”. Daarin schuilt mits het nodige promotiewerk naar mijn gevoel zelfs een bescheiden hitje!

Deadman, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

RICHARD LINDGREN “Sundown On A Lemon Tree” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ontgoochelen deed de Zweedse singer-songwriter Richard Lindgren ons in het verleden eigenlijk nog nooit. En dat doet hij ook ditmaal weer niet. Voor “Sundown On A Lemon Tree” liet hij zich bij nader inzicht inspireren door “la bella Italia”. Heel wat van het materiaal op die nieuwe van ‘m schreef hij zelfs ter plaatse, toen hij er tijdens het voorbije voorjaar tourde.

Daarnaast bevat het album met een herinterpretatie van de Stephen Foster classic “Hard Times”, een onder meer door de knappe interactie tussen piano en akoestische bas erin heerlijk dronken aandoende, wat jazzy versie van Jimmie Rodgers’ “My Blue Eyed Jane”, een hoogst aparte, zelfs deels in het Italiaans gebrachte uitvoering van de Dean Martin evergreen “Return To Me” en een pakkende lezing van de Ierse traditional “Danny Boy” ook flink wat covers. Nummers, die in het verleden live en onder de douche al wel vaker nuttig waren gebleken, aldus Lindgren zelf daarover.

Maar dé echte snoepjes, dat zijn hier toch vooral weer Lindgrens eigen nieuwe liedjes. Met voorop het ons best wel wat aan het materiaal van gerespecteerde collega’s als een Joe Henry en een Steve Forbert herinnerende titelnummer, de prachtige pianoballade “If I Ever Walked Away” en het verstilde, bijna pijnlijk mooie “Hobo And Marina”.

Het wordt eigenlijk hoog tijd, dat deze man eens wat meer platen begint te verkopen! Veel beter worden singer-songwriters dezer dagen immers niet al te vaak meer gemaakt…

Richard Lindgren, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

MATT ELLIS “The Greatest Escape” (Krow Pie)

(3,5****)

Matt Ellis is al een poosje een graag geziene gast ten huize Ctrl. Alt. Country. Of beter nog: een graag gehoorde. Steeds opnieuw weet de ondertussen al bijna tien jaar in Californië woonachtige Australische singer-songwriter bij ons de juiste snaar te raken. Met zijn rauw-hees-tedere stem als z’n voornaamste bondgenoot strooit hij nu al vijf albums lang driftig met rootsrock-kleinoden met hoge houdbaarheidsfactor in het rond. Rock, country en folk vormen in zijn vaardige (schrijvers)handen een onlosmakelijk verbonden drie-eenheid, die steevast richting ook wel eens door knapen als Neil Young, Tom Petty, Paul Westerberg en Ryan Adams gefrequenteerde regionen leidt. Ook nu weer.

Grootste verschil met voorganger “Births, Deaths & Marriages” uit 2010 is het zo goed als volledig ontbreken van een muzikale gastenlijst “this time around”. Voor “The Greatest Escape” deed Ellis immers een beroep op de groep muzikanten, die hem sinds de promotieronde voor zijn vorige plaat steeds trouw is gebeleven. Josh Norton (diverse gitaren en backing vocals), Fernando Sanchez (drums en percussie), Tim Walker (pedal steel en elektrische gitaar), Grant Fitzpatrick (bas) en zijn vrouw Vavine Tahapeni (zang) met name. Aangevuld met toetsenist Nick Luca, bijkomende bassist Sean Rogers (double bass), een enkele keer de elektrische gitaar van Naim Amor en wat additionele percussie door Winston Watson een meer dan degelijke voedingsbodem voor de twaalf er ons op aangereikte nieuwe songs, zo blijkt.

Goed voor een op de keper beschouwd weer wat ruwer geluid dan op ’s mans recentere worpen. En heel af en toe best ook wel wat schatplichtig aan de voor opnameoord Tucson zo kenmerkende atmosfeer. Op z’n best is Ellis daarbij naar onze bescheiden mening met name in de wat rustiger uitgevallen tracks. We denken dan bijvoorbeeld aan het nogal dromerig uit de hoek komende “Texas Sky” en aan de fraaie “alt.-country wailer” “Seven Years At Sea”. Maar zeker ook niet te versmaden zijn voorts ook nog het hoogst aangenaam “voorbijtwangende” “I Know A Killer”, de aardig Youngiaans aandoende eerste single “On The Horizon” en het eerder ook al als ommekantje van deze laatste aangeboden danklied “Thank You Los Angeles”.

Matt Ellis

 

SUZANNE JARVIE “Spiral Road” (Suzanne Jarvie)

(4****)

Suzanne Jarvie? Nog nooit van gehoord… Dat was mijn eerste reactie, toen mij gevraagd werd, of ik misschien geïnteresseerd was om wat te schrijven over het album “Spiral Road” van die vanuit Toronto actieve Canadese. Geïntrigeerd door het verhaal achter die plaat ging ik echter toch in op het verzoek. En gelukkig maar ook! “Spiral Road” blijkt immers één van dé aangenaamste verrassingen van het nu bijna voorbije kalenderjaar.

Jarvie bleek op de keper beschouwd met het voorliggende album pas aan haar debuut toe. Geruime tijd schoof ze haar zich tijdens haar jongere jaren voorzichtig aandienende muzikale aspiraties aan de kant voor een rol als advocate, echtgenote en liefhebbende moeder van vier kinderen. Een bewuste keuze voor een min of meer stabiel leven als antidotum voor de morele schade opgelopen op haar veertiende, toen haar eigen ouders op pijnlijke wijze uit elkaar gingen. Maar dat laatste zou al snel niet de enige kwalijke verrassing blijken, die het leven zelve voor de Canadese in petto had. Zo moest haar jongste zoon bijvoorbeeld nog voor hij twaalf werd tot tweemaal toe een open hartoperatie ondergaan. En haar oudste werd zelfs nog harder getroffen door het lot. Die kwam na een stevige val van een trap immers in een diep coma terecht en geruime tijd zag het er naar uit, dat hij zijn onfortuinlijke tuimelperte niet zou overleven. Ik hoef u allicht niet te vertellen, dat het leven van Suzanne Jarvie hierdoor serieus op z’n kop kwam te staan. Het verdriet om en de zorg voor haar zoon gingen haar bestaan begrijpelijkerwijze tijdelijk zo goed als volledig bepalen. En vrijwel gelijktijdig met diens wonderbaarlijke genezing zou ook de grote ommezwaai waaraan we haar eersteling te danken hebben er komen. Quasi uit het niets was er plots de zin en inspiratie voor een eerste liedje. En één werden er al snel meer. Met haar eigen ervaringen tijdens de voorbije zwarte dagen als een schier onuitputtelijke bron van inspiratie zette Jarvie het op een cathartisch schrijven. Het resultaat: een collectie wonderschone, diep ontroerende, op het pijnlijke af persoonlijke liedjes.

Liedjes, waarvoor Jarvie zich ondermeer liet inspireren door het werk van wijlen Gram Parsons en Emmylou Harris samen. En Americana, traditionele country, bluegrass, pop en rock vormen er alvast de voornaamste bestanddelen van. In een productie van Hugh Christopher Brown en met een heus “dream team” aan lokale topmuzikanten als diezelfde Brown, Gregor Beresford, Rob Bertola, Burke Carroll, Tim Bovaconti, Eric Schenkman, Tony Scherr, Jason Mercer, Mickey Raphael, Christian Doscher en Elijah, John en James Abrams te harer beschikking nam Jarvie voor haar visitekaartje elf van haar eigen liedjes op. En die zijn echt zonder uitzondering van een beklijvende schoonheid.

Luister bij gelegenheid maar eens naar het door de legendarische Holmes Brothers van fraaie backing vocals voorziene openingsnummer “Before And After”. Je zal ons daarna allicht zeer snel in onze mening bijtreden… Dat zich tekstueel met een mogelijk nakend einde inlatende Americana-kleinood zou op het repertoire van de grote Emmylou Harris immers absoluut niet hebben misstaan. Zelfs een zekere stemgelijkenis met de countrydiva laat zich daarin bij nader inzicht aanwijzen. Ook onwaarschijnlijk mooi: het zich op z’n Neil Youngs over het mysterie van het voorbije genezingsproces buigende titelnummer en het heerlijk weemoedig gebrachte alt-country-walsje “2458”. Hoegenaamd nergens heb je in nummers van dat kaliber het gevoel te maken te hebben met een debutante. Wel integendeel! Dit klinkt zo af allemaal… Ongelooflijk! Jarvie bedwelmt je als het ware met haar ongemeen performante stem, ze betovert nog net wat meer met haar indringende teksten en wat de muzikale invulling van het geheel betreft werd, zoals eerder al even aangekaart, ook absoluut niets aan het toeval overgelaten.

Neem het daarom maar van ons aan: liedjes als het hoger al genoemde drietal, het ingehouden rockende “ontwaakliedje” “Never Gonna Stop”, de vertederende (country)ballade “Tears Of Love”, de knappe rootspopdeun “Enola Gay”, het op geheel natuurlijke wijze enkele flarden uit Charlie Chaplins “Smile” in zich integrerende “Shrieking Shack” en andere wil je absoluut niet missen!

Suzanne Jarvie

 

CAITLIN CANTY “Reckless Skyline” (Caitlin Canty)

(4,5****)

Wie op vrijdag 5 december naar de N9 in Eeklo denkt af te zakken om er het optreden van singer-songwriter Jeffrey Foucault en z’n gelegenheidssecondant Billy Conway (drummer van de legendarische alternatieve rockband Morphine) bij te wonen, doet er goed aan om daar vooral tijdig te arriveren. Het voorprogramma dat beide heren met zich meebrengen valt immers ook absoluut niet te versmaden. Dat menen we tenminste te mogen afleiden van hetgeen we te horen kregen op de binnenkort te verschijnen derde cd van Caitlin Canty. “Reckless Skyline” heet die en hij is werkelijk tot de nok toe gevuld met topmateriaal. Americana van het allerbeste soort!

Foucault tekende voor de productie ervan. En zelf stond hij ook in voor heel wat backing vocals en bijdragen op tal van gitaren. Billy Conway drumde, de je misschien wel uit de entourage van Booker T bekende Jeremy Moses Curtis bepotelde de bas, Eric Heywood deed z’n ding op de pedal steel en de elektrische, Harris Paseltiner op de cello, Kate Lorenz droeg wat zangpartijen bij en Matt Lorenz ten slotte stond in voor de afwerking van het geheel op harmonium, piano, banjo en fiddle. Tot zover het personeelsaspect van “Reckless Skyline”.

Een soort van bescheiden all-star team dus, dat Canty op haar nieuwe plaat naar tot dusver ongekende hoogten stuwt. Gelijk van bij het bezwerende openingsnummer “Get Up” weet je het al: hier staat iets speciaals te gebeuren. Wellustig woelt Canty’s sensuele altstem daarin tussen door Heywoods pedal steel kleurgegeven muzikale lakens rond. We kregen het er hier de eerste keer gelijk al even heel erg warm van… En dat zou niet de laatste keer zijn ook! Ook het op een onthaast R&B-motiefje geënte “True”, het door omineus tromgeroffel ingeleide slow-rockertje “One Man”, de schitterende ballade “My Love For You Will Not Fade” en het op bedaarde, maar buitengewoon knappe wijze met het gegeven Americana omspringende “The Brightest Day”, om er maar enkele te noemen, zijn echte plaatjes van songs. Met als stralende middelpunt van de belangstelling telkens weer de iets magisch over zich hebbende zang van Canty. Als Canty zingt, luister je. Zo simpel is het! Geen ontkomen aan…

Haar ook al ijzersterke teksten doen de rest. Ook in de overige nummers hier, zoals de ingehouden rockende, samen met Matt Lorenz gepende Americana-deun “Enough About Hard Times”, het eerder bluesy ingevulde “Wore Your Ring”, het schokschouderend (roots)rockende “My Baby Don’t Care”, het in al z’n eenvoud bezwerende “Southern Man”, het tekstgewijs aan deze collectie haar titel verlenende folkdeuntje “I Never” en afsluiter “Cold Habit”. De enige cover hier is er één van Neil Youngs “Unknown Legend”. En ook die bezorgde ons zowat terstond het nodige kippenvel.

Derhalve alvast maar met stip genoteerd in onze agenda: 5 december, N9, Eeklo, Foucault, Conway en Canty. Zou u ook moeten doen! U zal er zich allicht Canty’s officieel pas op 20 januari van volgend jaar verschijnende nieuwe nog ruimschoots voor de winkeldatum kunnen aanschaffen. En ook dat zou u eigenlijk ook moeten doen! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Caitlin Canty

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home