CD-recensies augustus 2015

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

RONNIE FAUSS “Built To Break” - THE PALOMINOS “Sweet Misery” - DANIEL ROMANO “If I’ve Only One Time Askin’” - STEVIE AGNEW & HURRICANE ROAD “Bad Blood & Whiskey” - WATKINS FAMILY HOUR “Watkins Family Hour” - TRAILHEAD “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” - THE TEXAS HORNS “Blues Gotta Hold Me” - HOLLIS BROWN “3 Shots” - LEFT LANE CRUISER “Dirty Spliff Blues” - DIVERSE ARTIESTEN “1995-2015 / 20 Years Blue Rose Records” - THE DOMESTIC BUMBLEBEES “Cheater” - THE STATESBORO REVUE “Jukehouse Revival” - BILLY PRICE & OTIS CLAY “This Time For Real” - THE DESLONDES “The Deslondes” - SONNY LANDRETH “Bound By The Blues” - MARJAN DEBAENE “The Sound Of The Beat” - RICKIE LEE JONES “The Other Side Of Desire” - ANNIE GALLUP “Ghost” - LINDSAY FERGUSON “Chameleon” - ADAM CARROLL “Let It Choose You” - JEFF PLANKENHORN “Live At The Saxon Pub” - HOGJAW “Rise To The Mountains” - ANDY SHAUF “The Bearer Of Bad News” - SPUYTEN DUYVIL “The Social Music Hour Vol. 1” - GORDIE TENTREES “Less Is More” - LEE PALMER “Like Elway” - BROCK ZEMAN “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” - JOHN COINMAN “Already Are” - EILEN JEWELL “Sundown Over Ghost Town” - DANNY & THE CHAMPIONS OF THE WORLD “What Kind Of Love” - AD VANDERVEEN “Presents Of The Past / Requests Revisited” - BEN REEL “7th - DONNA ULISSE “The Songwriter In Me, The Demo Recordings” - ALECTRO “School Of Desire” - THE WYNNTOWN MARSHALS “The End Of The Golden Age” - GIANT SAND “Heartbreak Pass” - DAR WILLIAMS “Emerald” - GUY VERLINDE “Better Days Ahead” - THE BLACK SORROWS “Endless Sleep” - SHELBY LYNNE “I Can’t Imagine” - ELLIOTT MURPHY “Aquashow Deconstructed” - DARRELL SCOTT “10 - Songs Of Ben Bullington” - ELISA WAUT “Portraits And Landscapes” - BOB WAYNE “Hits The Hits” - BOH FOI TOCH “Sòh!” - THE PORTER DRAW “Sets” - KAURNA CRONIN “Glass Fool” - MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” - ANNIE LOU “Tried And True” - GREAT LAKE SWIMMERS “A Forest Of Arms” - ELIZA CARTHY & TIM ERIKSEN “Bottle” - DANNY SCHMIDT “Owls” - THE BOXMASTERS “Somewhere Down The Road” - PHARIS & JASON ROMERO “A Wanderer I’ll Stay” - DIVERSE ARTIESTEN “Folk Awards 2015” - KIMMIE RHODES “Cowgirl Boudoir” - TROUT STEAK REVIVAL “Brighter Every Day” - THE RUBBER KNIFE GANG “Broken Lines” - KEVIN DEAL “Nothing Left To Prove” - ROCKY VOTOLATO “Hospital Handshakes” - RANI ARBO & DAISY MAYHEM “Violets Are Blue” - THE WESTIES “West Side Stories” - ALICE DIMICELE “Swim” - THE  BOOM BAND “The Boom Band” - THE WHIGS “Modern Creation” - NEW MADRID “Sunswimmer” - DIVERSE ARTIESTEN “Stockfisch Records, Closer To The Music, Volume 5” - MARLA BLUMENBLATT “Sag Einfach Ja” - WELDON HENSON “Honky Tonk Frontier” - GREG TROOPER “Live At The Rock Room” - THE HIGH LINE RIDERS “Bumping Into Nothing” - JESSE MALIN “New York Before The War” - JJ GREY & MOFRO “Ol’ Glory” - JOEL RAFAEL “Baladista” - THE KENNEDYS “West” - MALCOLM HOLCOMBE “The RCA Sessions” - AMERICAN AQUARIUM “Wolves” - DIVERSE ARTIESTEN “Signature Sounds 20th Anniversary Collection, Rarities From The Second Decade” - THE FOGHORN STRINGBAND “Devil In The Seat” - THE PINE HILL PROJECT “Tomorrow You’re Going” - DUNDERHEAD “Dunderhead” - ANDREW MAXWELL MORRIS “Well Tread Roads” - SHOUTIN’ RED “Introducing: Shoutin’ Red” - NEW RISING SUN “We’re All Coming Home” - WRINKLE NECK MULES “I Never Thought It Would Go This Far” - HANS THEESSINK & TERRY EVANS “True & Blue” - BAND OF RUHKS “Band Of Ruhks” - JOE PUG “Windfall” - WILL HOGE “Small Town Dreams” - ROB LYTLE “A Hypocrite Of Heart And Hope” - ROBIN ADAMS “The Garden” - TOM RUSSELL “The Rose Of Roscrae” - POKEY LAFARGE “Something In The Water” - PAUL BRADY AND HIS BAND “The Vicar St. Sessions Vol. 1”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                                         

RONNIE FAUSS “Built To Break” (Normaltown Records / PIAS)

(4****)

Net als z’n in 2012 verschenen vorige, “I Am The Man You Know I’m Not”, is ook Ronnie Fauss’ nieuwe worp “Built To Break” weer een ontzettend lekkere plaat geworden. Zelfverzekerder dan ooit knalt de Texaanse laatbloeier op die nieuwe van ‘m doorheen elf verse songs. Tien van eigen hand, de elfde, het beklijvende, nogal opzichtig naar de Johnny Cash classic “Ring Of Fire” verwijzende anti-liefdesliedje “Song For Zula”, geleend bij Matt “Phosphorescent” Houck.

Op dat “Built To Break” biedt Fauss ons eigenlijk bijna doorlopend het beste van twee werelden. Enerzijds etaleert hij weer ruim achtendertig minuten lang z’n bewonderenswaardige kunstjes als songsmid geschoeid op die o zo typische Lone Star State-leest. Anderzijds kruidt hij z’n twangy song-oogst ditmaal rijkelijk met rock & roll. In die mate zelfs, dat wij hier geregeld even moesten denken aan acts als de Replacements, de Bottle Rockets, Whiskeytown en de Old 97’s. En dat vinden wij tot nader order nog altijd excellent gezelschap.

Trouwens, over de Old 97’s gesproken, het kopstuk van die groep, de onvolprezen Rhett Miller, geeft ‘m hier ook zelf flink mee van jetje in de jachtige trucking song “Eighteen Wheels”, wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Built To Break”. Samen met onder meer het enigszins punky opgevatte “Another Town”, het ook al bijzonder lekker wegrockende “A Natural End”, het door de ons voorheen volslagen onbekende Camille Cortinas van erg fijne backing vocals voorziene rustpuntje “The Big Catch”, het in duet met Jenna Paulette gebrachte Americana-meestampertje “Never Gonna Last” en de wervelende alt.-country sing-along “I’m Sorry Baby (That’s Just The Way It Goes)”.

Nice one, Mr. Fauss! A very nice one indeed…

Ronnie Fauss, Normaltown Records

 

THE PALOMINOS “Sweet Misery” (Randm Records)

(4****)

Hoe dicht kan je het werk van de legendarische Buck Owens en z’n Buckaroos benaderen zonder zelf die naam te dragen? Heel dicht klaarblijkelijk! Dat leert ons althans “Sweet Misery”, het eerste volwaardige album van de vanuit het Californische Chula Vista actieve viertal The Palominos. Net als op de voorganger ervan, de twee jaar geleden verschenen mini “Come On In”, regeert op die nieuwe schijf van zanger Lance Hawkins en de zijnen vintage country. En bij voorkeur vintage country Bakersfield style dan nog. Country van het type, waarmee in grote delen van de States ooit hele jukeboxen gevuld werden. Country rijk aan twang!

Vijftien tracks en ruim drie kwartier lang roepen met name Hawkins en z’n secondant op gitaar Thomas Zurek ongegeneerd de Buckster en Don Rich in herinnering. Vijftien nummers lang onderlijnen ze dat retro absoluut geen vies woord hoeft te zijn. Maar je hoeft ons wat dat betreft niet zomaar op ons woord te geloven, hoor! Probeer zelf bij gelegenheid maar eens dit hele album uit te luisteren zonder daarbij een krimp te geven! Stilzitten is hier hoegenaamd geen optie… Dingen als “Hello”, “I Don’t Care Why You’re Cryin’”, “No One’s Gonna Love You Like I Do”, “Folding Money” en vele andere swingen echt als de spreekwoordelijke tiet!

Samen met de nieuwe schijven van Dale Watson en Daniel Romano ons inziens zo ongeveer van het beste wat het countrygenre dezer dagen te bieden heeft!

The Palominos, Bandcamp, Randm Records

 

DANIEL ROMANO “If I’ve Only One Time Askin’” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Ik denk, dat ik net m’n “plaat van het jaar” gehoord heb… “If I’ve Only One Time Askin’” heet ze en ze is van de jonge Canadees Daniel Romano. Die had me al eens midscheeps weten te raken met voorganger “Come Cry With Me” en flikt dat kunstje nu spelenderwijze opnieuw met z’n nieuwe worp. Dat moet immers zo ongeveer de allerbeste countryplaat zijn, die ik hier sinds de begindagen van Ctrl. Alt. Country al mocht bespreken. Ik weet het nu wel zeker: muzikale perfectie bestaat wel degelijk…

Presenteerde Romano zich op de cover van z’n vorige nog als een in de tijd verloren geraakt ver achterneefje van countryicoon Porter Wagoner, dan valt hij in z’n muziek vandaag de dag toch eerder op andere illustere voorbeelden terug. Met name voorgangers in de late sixties en vroege seventies lijken diepe sporen op ‘m te hebben nagelaten. En in de eerste plaats Gram Parsons dan. En all things countrypolitan ook wel. Vooral die laatste term kwam me met betrekking tot nogal wat liedjes op “If I’ve Only One Time Askin’” spontaan voor de geest. Iets waaraan het veelvuldig voorkomen van bijna steeds weer wollig warm aandoende strijkers en al even prominent aanwezige steelklanken allicht niet geheel en al vreemd zal zijn. Net als de o zo markante bariton croon van de man zelve overigens.

Romano’s vierde is op de keper beschouwd wel geen countryplaat pur sang. Daarvoor dwaalt de Canadese hipster immers wat al te graag ook in andere straatjes rond. Americana, singer-songwriter, pop, folk, het komt hier op de één of andere manier allemaal wel ergens aan bod. Maar de ondertoon is en blijft er als je het mij vraagt toch nadrukkelijk één van country. En van het eerder klassieke type zelfs. Maar dan wel met dat zekere je ne sais quoi, waardoor het ook anno nu allemaal prima te verkopen blijft.

Mijn luistertips: de vanuit een echt tot de rand toe met strijkers gevuld muzikaal bad richting de sterren gecroonde afrekening met een ontrouwe wederhelft “I’m Gonna Teach You”, het licht onderkoeld gebrachte, daar quasi perfect bij aansluitende “Old Fires Die”, het zacht swingende “Strange Faces”, de nu al klassieke streep traag honky-tonkvertier “All The Way Under The Hill”, de ook al waanzinnig mooie trage “The One That Got Away (Came Back Today)”, het even grappige, als tragische en terloops best wel een weinig aan de verhalende stijl van John Prine herinnerende “Two Word Joe” en zeker ook het geweldige titelnummer.

Daniel Romano, New West Records

 

STEVIE AGNEW & HURRICANE ROAD “Bad Blood & Whiskey” (Skimmin’ Stone Records)

(4,5*****)

Songsmid Stevie Agnew pakte voor ons zopas uit met één van dé platen van de zomer van 2015 so far. Die opvolger van z’n twee jaar geleden verschenen debuutalbum “Wreckin’ Yard” nam de Schot tussentijds op met z’n nieuwe begeleidingsgroep Hurricane Road. Een winnende combinatie, zo blijkt!

De dertien songs op “Bad Blood & Whiskey” zijn immers zonder uitzondering van het absoluut niet te versmaden type. Zich comfortabel nestelend ergens tussen Americana, country, folk en Heartland rock zullen ze zo menig een liefhebber van het betere lied probleemloos over de streep weten te trekken. De doorleefde “stories of love, war, passion, personal struggle and moonshine” van Agnew en z’n drummer Chris Smith zijn echte blijvertjes, dat weet je als geïnteresseerde al na één enkele beluistering zeker. Werkelijk alles valt erin op z’n plaats. De gruizig-hese voordracht van de beste man zelf vormt een eerste serieus pluspunt, z’n samenzang met pianiste Elaine Shorthouse, Ali Bell en anderen zeer zeker ook, net als het samenspel met z’n gehele band überhaupt eigenlijk. Werkelijk alles wordt hier ruim zesenveertig minuten lang in het werk gesteld om het liedje te laten floreren. En zo hoort het natuurlijk gewoon ook.

Zwakkere momenten troffen we op “Bad Blood & Whiskey” absoluut niet aan. En hier favorietjes beginnen aanwijzen wordt dan ook een uiterst precaire bedoening. Maar we wagen het er toch maar even op en noemen in één en dezelfde adem onder meer graag de ons voorzichtig aan de Eagles op de top van hun kunnen herinnerende countryrockballade “I Don’t How To Leave Her”, het daar perfect bij aansluitende, wat meer richting Americana overhellende “Take Me Home With You”, de swampy rocker “Moonshine”, de sublieme pianoballade “Drunk On You Again” en het al even sfeervolle “Bad Blood”.

Stevie Agnew & Hurricane Road, CD Baby

 

WATKINS FAMILY HOUR “Watkins Family Hour” (Family Hour Records / Thirty Tigers / Bertus)

(4****)

De naam Watkins Family Hour dook voor het eerst op in 2002. Zo’n dertien jaar geleden is het ondertussen inderdaad reeds, dat het je ongetwijfeld ook wel van Nickel Creek bekende tweetal Sean en Sara Watkins onder die noemer begon met z’n gesmaakte maandelijkse muzikale bijeenkomsten in Los Angeles’ club Largo at the Coronet. En nu is er voor het eerst ook een tastbare weerslag daarvan. Samen met Fiona Apple, Benmont Tench, Don Heffington, Greg Leisz en Sebastian Steinberg vereeuwigde het duo als de Watkins Family Hour immers elf covers van materiaal van anderen. En ik moet zeggen: ik ben een onvoorwaardelijke fan daarvan!

Gelijk van bij de door Sara Watkins gezongen adaptatie van Robert Earl Keens “Feelin’ Good Again” was ik al verkocht eigenlijk. Dat vond ik echt top-Americana! En dat bleek dan nog maar het topje van de ijsberg! Met een door Watkins en Apple gedeelde, lijzige vertolking van Harlan Howards “Where I Ought To Be” en een door haar broer Sean gedragen lezing van Roger Millers “Not In Nottingham” – Je vast ook wel bekend uit de Disney classic “Robin Hood”! – gaat het op hetzelfde elan verder richting een fraaie cover van de Fleetwood Mac-deun “Steal Your Heart Away”, een door Benmont Tench met een ware rokersstem gebracht “Prescription For The Blues” en een opnieuw door Sean Watkins bezield “Going Going Gone” van Bob Dylan. En daarmee zitten we nog maar goed halverwege!

Ook de traditional “Hop High”, het door George Jones grootgemaakte “She Thinks I Still Care”, het echt wel geweldige country-drinklied “The King Of The 12 Oz. Bottles”, Gordon Lightfoots “Early Morning Rain” en “Brokedown Palace” van de Grateful Dead moeten er nog aan geloven. Met zang van in die volgorde Sara Watkins, Sebastian Steinberg, Don Heffington en andermaal tweemaal Sara Watkins.

Zoals hoger al even gesteld: top-Americana dus!

Watkins Family Hour

 

TRAILHEAD “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” (Requa Records)

(3,5****)

Met een titel als “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” laat je bij nader inzicht eigenlijk nog maar weinig aan de verbeelding over. Dat nieuwe album van geboren en getogen Berliner Tobias Panwitz is immers inderdaad niks meer of niks minder dan een volledig akoestische uitvoering van ’s mans vorig jaar verschenen laatste album. En zelf noemt hij het dan ook “a companion to ‘Leave Me To Learn’”. Dezelfde liedjes, maar dan anders belicht. Gebracht, zoals hij ze ook live brengt, akoestisch en solo dus. Met de eigen stem, een piano, een gitaar en een ukelele als z’n enige bondgenoten.

En ook in die context blijven z’n “intelligente, goed in het gehoor liggende luisterdeuntjes met lange houdbaarheidswaarde” ons bekoren. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat wij onze singer-songwriters zo eigenlijk gewoon het liefst mogen hebben. Ontdaan van alle (overbodige) franje nodigen liedjes ons inziens immers pas echt tot aandachtig luisteren uit. En laat dat nu net hun doel zijn!

Moet je wel van houden!

RIYL: Jackson Browne, Joseph Parsons en Ron Sexsmith.

Trailhead

 

THE TEXAS HORNS “Blues Gotta Hold Me” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Blazers Mark ‘Kaz’ Kazanoff, John Mills en Adalberto ‘Al’ Gomez hebben hun sporen al ruimschoots verdiend. Vele jaren lang al duiken ze te pas en te onpas op, veelal in de rugdekking van anderen. Zo waren ze onder meer al in de weer samen met echte top acts als een Bonnie Raitt, een Buddy Guy, een Dr. John, Los Lobos, Los Lonely Boys en de Allman Brothers, om er maar enkele te noemen. Vreemd eigenlijk, dat het zo lang geduurd heeft, alvorens de drie ook eens met een eigen album uitpakten. Maar goed, het wachten daarop is met “Blues Gotta Hold Me” nu dus definitief voorbij. Liefhebbers van een lekker potje horn-driven blues op z’n tijd weten bij dezen meteen wat er hun te doen staat!

Zij worden met “Blues Gotta Hold Me” getrakteerd op een lekker gevarieerd geheel, bestaande uit min of meer gelijke delen aan originelen en covers. Tot de eerste categorie behoren onder meer het jachtige, door gasten Anson Funderburg en Nick Connolly op respectievelijk gitaar en B-3 mee onderbouwde “Soul Stroll”, John Mills’ “Kick Me Again”, het door good old W.C. Clark van tonnen jump soul voorziene “Cold Blooded Lover” en Kazanoffs z’n titel alle eer aandoende instrumental “Rippin’ And Trippin’”. In de laatste categorie vallen vooral het samen met Marcia Ball uit het grote songbook van Dave Bartholomew geplukte “Go On Fool”, een jazzy lezing van Percy Mayfields “Lost Mind”, een knappe uitvoering van diens naamgenoot Curtis’ classic “People Get Ready” en een uitermate swingend “Caldonia” op.

Voor de productie van al dat moois tekenden The Horns zelf. En essentiële bijstand was er naast van alle hoger al genoemden ook nog van ritmetandem Derek O’Brien (gitaar) en Barry ‘Frosty’ Smith (drums) en speciale gasten Roscoe Beck en Johnny Nicholas.

VizzTone Label Group

 

HOLLIS BROWN “3 Shots” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het heeft er op “3 Shots” werkelijk alle aanschijn van, dat die van Hollis Brown volop mikken op promotie naar de hoogste klasse van het Americana-veld. Zo ongeveer alles op die opvolger van “Ride On The Train” en hun tip of the hat aan het adres van de Velvet Underground “Hollis Brown Gets Loaded” ademt ambitie. En ontegensprekelijk ook een veel avontuurlijkere aanpak dan voorheen. Iets wat door de heren overigens ook in het geheel niet ontkend wordt. “We wanted a bigger drum sound, bigger guitars and a bigger record in general,” aldus zanger-gitarist Mike Montali dienaangaande. Iets waar ze onder de productionele auspiciën van Don DiLego wat ons betreft met brio in geslaagd zijn. Met een aangenaam gevarieerd geheel tot gevolg.

Openingsnummer “Cathedral” is zo bijvoorbeeld een over zo goed als z’n gehele duur tussen akoestisch en elektrisch twijfelende streep vlotte indie folk pop, in het geval van titelnummer “3 Shots” zouden we zelfs van pop of rock tout court durven te gewagen, het ruim de kaap van de zeven minuten rondende “John Wayne” lijkt aanvankelijk een aan een spaghetti western ontleend klaagliedje te zullen worden maar ontpopt zich ergens halverwege tot een heuse killer rock song, het daaropvolgende “Rain Dance” werd opgebouwd rond een liggen gebleven rhythm track van wijlen Bo Diddley en met “Sandy” belanden we oerplotseling zelfs even in Muscle Shoals-soulterritorium.

“Sweet Tooth” blijkt vervolgens dan weer toegankelijke rock van het soort dat bij warme temperaturen zoals die van de voorbije dagen uitstekend tot zijn recht komt, “Death Of An Actress” is een redelijk klassiek uitgevallen en derhalve ook behoorlijk radiovriendelijk uit de hoek komende ballad, “Highway 1” een uitermate sympathiek, met Americana-buitenbeentje Nikki Lane gebracht countryrockduet en “Wait For Me Virginia” een ons tegelijk aan de Stones in hun hoogdagen en zo menig een klassieke Southern rock act herinnerende beauty.

Hadden we dan nog niet gehad: het geheel en al akoestisch gebrachte en deels in het Spaans gezongen “Mi Amor” en afsluiter “The Ballad Of Mr. Rose”, een op werkelijk grootse wijze naar The Band op z’n top verwijzende “valse trage”, waarin ergens tussen country en roots rock pure schoonheid zomaar voor het oprapen lijkt te liggen. Saving the best for last noemen ze zoiets in de States

Hollis Brown, Blue Rose Records

 

LEFT LANE CRUISER “Dirty Spliff Blues” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Dirty Spliff Blues” is inmiddels ook alweer het vijfde album van het vanuit Fort Wayne, Indiana actieve collectiefje Left Lane Cruiser, maar wel hun allereerste als trio. Van dienst blijken daarbij ditmaal naast kopstuk Freddy Joe Evans IV (gitaar, orgel, zang) ook Joe Bent (bas, besnaard skateboard, zang) en Pete Dio (drums, trash). Met z’n drieën knallen zij hier door een tiental songs waarvan de grote meerderheid op eerder spontane wijze ontstond tijdens soundchecks voor optredens van hun liefst negen maanden durende jongste tournee doorheen de States en Europa. Freddy J IV vat het zelf als volgt samen: “After a long drive, we would get to the club. Burn one down. Fuckin’ jam at soundcheck. Then we had a new tune. It went on like that for a while. This album was written entirely under the guidance and influence of marijuana. No dirty spliffs (joints with a mix of tobacco and pot) were used in the making of this record.”

Als de bad-ass blues songs van het trio bij momenten een behoorlijk trippy indruk nalaten, dan heeft dat dus wel degelijk zo z’n redenen. Net als de titel van het album trouwens ook en het fraaie artwork ervan. Tussen de hennepbladeren door lezen we titels als “Tres Borrachos”, “Elephant Stomp”, “Whitebread N’ Beans”, “Tangled Up In Bush”, “Heavy Honey”, “Dirty Spliff Blues”, “Cutting Trees”, “All Damn Day”, “Skateboard Blues” en “She Don’t Care”. En dat blijken bij nader inzicht vlaggen voor absoluut niets aan het toeval overlatende ladingen hard driving gitaarzwangere elektrische blues. Met front and center de schreeuwerige oerzang en de machtige gitaaruithalen van Evans. Wat een beest is die man toch!

“Dirty Spliff Blues” is nog stukken beter dan Left Lane Cruiser’s vorige “Slingshot” en ook die vonden we al heel erg goed! Kan je nagaan…

Left Lane Cruiser

 

DIVERSE ARTIESTEN “1995-2015 / 20 Years Blue Rose Records” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het Duitse Blue Rose Records bestaat dezer dagen precies twintig jaar en dat zullen we geweten hebben ook. De ene na de andere interessante actie toverden labelbaas Edgar Heckmann en de zijnen de voorbije maanden reeds uit hun hoge hoeden tevoorschijn. Het was bijna om gek van te worden, zoveel voordeel kon je ermee doen…

En sinds kort is er nu ook een blijvend aandenken aan dat jubileum. Met name een tot de nok toe gevulde dubbelaar met daarop een overzicht over twee decennia gepassioneerd bezig zijn met muziek. Met op één schijfje het verleden en op het andere het hier en nu, “Past” en “Present” dus. Op het eerste betekent dat net geen negenenzeventig minuten lang genieten van materiaal van acts als Steve Wynn, The Brandos, The Band Of Heathens, Cracker, Todd Thibaud, Alejandro Escovedo, de Nitty Gritty Dirt Band, de Continental Drifters, Gov’t Mule, Iain Matthews, The Bottle Rockets, Big In Iowa, Julian Dawson, Jason Isbell & The 400 Unit, Jason & The Scorchers, Elliott Murphy, Joseph Parsons en Tom Gillam. Op het tweede stoten we achtereenvolgens op David Grissom, Paul Thorn, Micky & The Motorcars, Walter Salas-Humara, Blue Rodeo, Poco, Matthew Ryan, Willie Nile, Los Lonely Boys, Kelley Mickwee, Shooter Jennings, NQ Arbuckle, James McMurtry, Rich Hopkins & Luminarios, Reckless Kelly, Cody Canada & The Departed en Hank Shizzoe.

En zoals dat met dergelijke verzamelaars wel eens vaker het geval blijkt, heb je als liefhebber uiteraard hier en daar wel een bedenking bij de materiaalkeuze. Had er bijvoorbeeld niet wat meer exclusief materiaal op gekund? En van die act had je al bij al toch liever dat liedje gezien… En die act, moest die er niet ook op hebben gestaan? (Een Leeroy Stagger bijvoorbeeld…) Maar op de keper beschouwd kan je hier eigenlijk alleen maar gelukkig mee zijn. Waar vind je voor amper een euro of zeven immers nog zoveel goeds op een kluitje? Juist, ja…

Blue Rose Records

 

THE DOMESTIC BUMBLEBEES “Cheater” (Enviken Records)

(4****)

Op zondag 12 juli aanstaande zullen de Domestic Bumblebees het festivalterrein aan de Poeyelheide in Gierle ongetwijfeld flink op z’n kop zetten, als ze er aantreden voor de editie 2015 van Sjock. Met hun energieke brouwsel bestaande uit elementen uit rock & roll, R&B, blues en country houden ze daartoe wat ons betreft alvast alle troeven in handen. De “10 tunes for good and bad times” van hun zopas verschenen vierde worp “Cheater” onderstrepen dat andermaal uitgebreid.

Aan een rotvaart razen de drie Zweden uit de buurt van Stockholm daarin door het leven, daarbij resoluut mikkend op de benen van zo menig een argeloze voorbijganger. Zanger-gitarist Daniel Kordelius, bassist Tobias Einestad en drummer-percussionist Johan Svensson gijzelen hun luisteraars hier net geen half uur lang met wild fifties style entertainment vaardig vertaald naar het hier en nu. Tussen de recht-toe-recht-aan-rock van openingsnummer “Blue Lover” en hun afsluitende adaptatie van de AC-DC classic “Rocker” levert dat zo menig een catchy swingmoment op.

Van de er stevig op los hamerende rootsy rock & roll van titelnummer “Cheater” en “Crying Over You” en het lekker melodieuze “Mathilda” tot het tegen een aanstekelijk gitaartje aanhikkende swingertje “It’s Me Again”, van de wervelende pianogestuurde R&B van “No Matter What” en de radiovriendelijke blik achterom “Summer Nights” tot een net niet de bocht uitgaande vertolking van Goree “Little T-Bone” Carters “Rock Awhile” en de knappe pubrocker “Sweet Sin”, je krijgt hier hoegenaamd niet één reden tot klagen!

The Domestic Bumblebees, Enviken Records

 

THE STATESBORO REVUE “Jukehouse Revival” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Hoe in godsnaam een geweldige plaat als “Ramble On Privilege Creek” opvolgen? Dat was this time around dé uitdaging voor songsmid Stewart Mann en de zijnen. Een opdracht, waarin ze – Om maar gelijk met de deur in huis te vallen! – met brio slagen. Veel meer nog dan die voorganger is hun derde worp immers een bescheiden Texaans meesterwerkje.

Met de blik bijna voortdurend ongegeneerd op de seventies gericht serveren Mann en co een elftal buitengewoon smakelijke roots & roll-kostelijkheden. Klassieke country rock, Texaanse roadhouse-toestanden en soul genre Muscle Shoals regeren nadrukkelijk op “Jukehouse Revival”. En dat in uitsluitend eigen composities. Al is het wel zo, dat Stewart Mann (zang, gitaar en harmonica), z’n broer Garrett (gitaar en backing vocals) en maatje Kris Schoen (drums) geregeld ook anderen bij zich aan de schrijftafel dulden. Voor de ongemeen soulvolle Southern rocker “Undone” was dat bijvoorbeeld de je ongetwijfeld ook wel van Band Of Heathens bekende Gordy Quist, voor de swingende bayou-barfavoriet “Tallahassee” Adam Hood en voor de melodieuze country rock beauty “Satisfied” de hier al sinds tijden erg graag geziene en vooral ook gehoorde Ted Russell Kamp.

Verdere zeker te onthouden juweeltjes op “Jukehouse Revival”: de zich behaaglijk in pedal steel-klanken wentelende klasse-trage “Go Down Slow”, het ook al met Quist gepende en best wel aan The Band in z’n hoogdagen herinnerende “Last Ramble”, het groove-gewijs bij momenten wat richting Tony Joe White overhellende “Bedroom Floor” en vooral ook het bedaard swingende “Roll On Mama”. Met liedjes van dat kaliber mag je hier altijd graag even komen binnenvallen.

Voor mij persoonlijk dan ook één van dé platen van het moment, dit schijfje! Ga ik echt nog heel veel plezier aan beleven…

The Statesboro Revue, Blue Rose Records

 

BILLY PRICE & OTIS CLAY “This Time For Real” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Als ik tussen alle dagdagelijkse Americana-beslommeringen door weer eens toe ben aan wat anders, dan mag ik me bij voorkeur graag aan een potje soul wagen. Southern soul met name. En dus is Otis Clay hier ook een graag geziene gast. Zo iemand, naar wiens platen hier altijd wel een beetje wordt uitgekeken.

En dat was ook ditmaal weer niet anders. En al zeker niet, omdat ik wist, dat Clay voor z’n nieuwe worp in zee was gegaan met z’n maatje Billy Price. Twee geweldige zangers op een kluitje samen, dat moest wel het nodige vuurwerk opleveren! En zo geschiedde ook! Twaalf nummers lang betokkelen de twee in een productie van Duke Robillard gevoelvol de snaren van elke voor soul openstaande ziel. En net geen vijftig minuten lang levert dat echt hoogtepunt na hoogtepunt op.

Ik noem er hier maar enkele. Het zomers warme, door Mark Earley en Doug Woolverton van fraai koperwerk voorziene “Somebody’s Changing My Sweet Baby’s Mind” bijvoorbeeld. De fraaie tegeltrekker “I’m Afraid Of Losing You” zeker ook. De knappe Holland-Dozier-Holland-vertolking “Don’t Leave Me Starving For Your Love”. En vooral ook “Tears Of God”. Dat kennen we natuurlijk allemaal van Los Lobos. Maar geloof me, zo aangrijpend als hier, zo onwaarschijnlijk mooi, hoorde u het nog nooit. Een kippenvelmomentje!

Een dikke, dikke aanrader, deze samenwerking tussen de heren Price en Clay. Hopelijk de eerste in een reeks van vele!

Billy Price, Otis Clay, VizzTone Label Group

 

THE DESLONDES “The Deslondes” (New West / ADA Warner Music)

(5*****)

Ondertussen zowat een jaar of drie geleden debuteerde dit vijftal, toen nog als Sam Doores + Riley Downing & The Tumbleweeds, met het album “Holy Cross Blues”. Op zoek naar een wat hipper aandoende naam kwam men weinig later echter uit bij The Deslondes. Naar een straat in hun thuishaven New Orleans. Heel toepasselijk eigenlijk. Zeker gezien het feit dat hun muziek een onwaarschijnlijke smeltkroes aan stijlen is, bedoelen we dan. Past als dusdanig echt wel uitstekend bij de Crescent City.

Op “debuut” “The Deslondes” kan het voortdurend echt alle kanten uit. Onder de noemer Americana leven Sam Doores (zang en gitaar), Riley Downing (eveneens zang en gitaar), Dan Cutler (zang en bas), John James Tourville (zang, pedal steel en fiddle) en Cameron Snyder (zang en percussie) zich uit als kleine snotters op een onbewaakt moment in een snoepwinkel. Elk met hun eigen geschreven en gezongen bijdragen. En precies dat maakt het allemaal nog net wat specialer.

Eerste single “Fought The Blues And Won” klinkt zo bijvoorbeeld als John Prine meets Fats Domino. Heerlijk lijzige pianogestuurde R&B met hoog meezing-gehalte moet je maar denken. Vervolgens gaat het via een streepje aanstekelijk twangende country (“Those Were (Could’ve Been) The Days”) en een met fijn mondharmonicawerk ingeleide rootstrage (“Heavenly Home”) richting een volgend absoluut hoogtepunt. Want dat is het veelzeggend getitelde “Less Honkin’ More Tonkin’” ontegensprekelijk. Stil blijven zitten blijkt daarbij zo goed als onmogelijk.

“Low Down Soul” is vervolgens een schoolvoorbeeld van hoe country soul eigenlijk gewoon altijd zou moeten klinken, “The Real Deal” heeft nadrukkelijk rock & roll roots ergens diep in de sixties, “Still Someone” slaat schijnbaar moeiteloos een brug tussen roots pop, soul en country, “Time To Believe In” lijkt wel weggelopen uit de één of andere spaghetti western en “Louise” is bedaarde meezing-country. En dan is er nog de afsluitende hattrick bestaande uit “Simple And True”, “Same Blood As Mine” en “Out On The Rise”. Het eerste een dijk van een rootsy soultrage, het tweede een zomers loom staaltje prachtcountry en de afsluiter een al even geweldige pianoballade.

Als er al zoiets bestaat als een kruispunt tussen John Prine, The Band, Woody Guthrie, Hank Williams, Townes Van Zandt en Fats Domino, dan zou dit aardig dicht in de buurt moeten komen. Een echte moordplaat is het alleszins!

(The Deslondes touren tijdens de maanden augustus en september doorheen de Lage Landen. Op 19 september doen ze daarbij de N9 in Eeklo aan, één dag later is het de beurt aan het Leffingeleuren-festival in Oostende.)

The Deslondes, New West Records

 

SONNY LANDRETH “Bound By The Blues” (Provogue / Mascot Label Group)

(4,5*****)

Met de opvolger van z’n goed en wel drie jaar geleden verschenen laatste album, het volledig instrumentale “Elemental Journey”, slaat slide-maestro Sonny Landreth andermaal spijkers met koppen. En de titel, die blijkt daarbij allesbehalve misplaatst. Veel meer dan in ‘s mans recente verleden is het daadwerkelijk weer de blues die hier regeert. Gebracht in een klassieke triobezetting, met naast Landreth zelve verder enkel nog bassist David Ranson en drummer Brian Brignac aan boord.

Met z’n drieën tackelen de heren onder meer klassiek spul van Robert Johnson, Elmore James, Skip James en Willie “Big Bill” Broonzy. De andere vijftig procent van “Bound By The Blues” worden bestreken door Landreth-originelen. Eentje daarvan, te weten de beklijvende instrumental “Fire Blues”, blijkt bij nader inzicht een nadrukkelijke hommage aan het adres van één van ’s mans eigen helden, de ondertussen een klein jaar geleden overleden Johnny Winter. Wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Bound By The Blues”. Om niet te zeggen hét absolute hoogtepunt überhaupt. Al blijft zeker ook het titelnummer wat dat betreft nog wel een poosje in de running. In die de verbindende krachten van het genre lovende, wat kalmere prachtdeun laat Landreth de blues prachtig stranden op de oevers van pop en rock. Het maakt van dat liedje gelijk een uitermate geknipte kandidaat voor veelvuldig radiogebruik. De drie overige eigen composities zijn het swampy “The High Side”, de bedaarde roots rocker “Where They Will” en het afsluitende “Simcoe Street”, een gespierde instrumentale Delta-bluesvariant.

Gecoverd worden respectievelijk Robert Johnsons “Walkin’ Blues” en “Dust My Broom”, de heerlijk soulvolle Elmore James-sleper “It Hurts Me Too”, het moddervette “Cherry Ball Blues” van diens naamgenoot Skip James en Big Bill Broonzy’s “Key To The Highway”.

Tien nummers lang beleven we Landreth op “Bound By The Blues” echt in bloedvorm. Meesterlijk slidend solliciteert hij hier meer dan ooit naar een goed gevulde zomerfestivalkalender. En eigenlijk is dit gewoon ook één van z’n allerbeste albums tot op heden tout court. Een aanrader van formaat!

Sonny Landreth, Mascot Label Group

 

MARJAN DEBAENE “The Sound Of The Beat” (Superjane Music)

(3,5****)

Precies twintig jaar zal het volgend jaar geleden zijn, dat Marjan Debaene op haar zeventiende debuteerde met het knappe “Growing Pains”. De eerste steen meteen van een op de keper beschouwd niet meteen als alledaags te omschrijven carrière. Daarvoor doet de al een poosje vanuit Leuven actieve Vlaamse de dingen nu eenmaal te graag her way. Totaal onafhankelijk dus. Wat er concreet op neerkomt, dat ze zich door niemand haar werktempo laat opleggen. Ze maakt platen, wanneer het háár uitkomt, wanneer het materiaal daartoe in háár ogen voldoende gerijpt is. En dat hoor je eraan ook!

Met “The Sound Of The Beat” is Debaene pas aan haar vierde worp toe. Na het hoger al genoemde “Growing Pains” verschenen in 1999 en 2006 respectievelijk ook nog “Humanoid” en “Wolfish Times”. En daarna was het voor de liefhebbers van haar werk vooral lang, lang wachten geblazen. Negen jaar om precies te zijn. Veel té lang eigenlijk… Maar goed, we gaan hier vooral geen potje beginnen te klagen, want dat verdient Debaene op basis van de kwaliteit van haar nieuwste absoluut niet. Met de twaalf liedjes daarop kunnen we er zelfs weer een poosje tegen…

Het door co-producer Alex Brackx banjogewijs bij momenten een flink eind richting Americana gepushte “Sun’s Glow” markeert wat ons betreft meteen een uitstekende start. Een goed voorteken, zo zal al snel blijken… “The Sound Of The Beat” blijkt immers tot de nok toe gevuld met songdelicatessen. Van het lentefrisse folkpopniemendalletje “voor hem die altijd op haar wacht” “On The Road” tot het lang door een straffe basgitaarbijdrage van Bert Embrechts gedomineerde “I Want It All Back”, van de mooie, aan het verstrijken der seizoenen opgehangen ballade “Oh My God” tot het verhalend sterke “The Sarajevo Tunnel”, van de zich ons inziens nu al als dé geknipte singlekandidaat aandienende, ons terloops best wel wat aan KT Tunstall herinnerende catchy folkrockstamper “It’s About To Go Down” tot het de onophoudelijke zoektocht naar het eigen beloofde land vereeuwigende “The Road To Wonderland”, de “schone liekes” volgen elkaar hier aan ijltempo op.

En pas op, dan hadden we het nog niet eens over een paar van de allerschoonsten! Zoals “The State Of Absurd” bijvoorbeeld. In die heerlijke trage lijkt Debaene bedaard verzet tegen onze maatschappij anno nu tussen de regels door te willen koppelen aan de dwingende oproep om vooral toch maar weer te gaan genieten van de kleine dingen des levens. Of “The Ghost Of Seville” ook. Andermaal een verhalend hoogstandje, waarin Debaene zelf pianogewijs een vergelijkbaar sfeertje weet te evoceren als de Nederlandse popmeesters van The Nits indertijd in hun classic “Sketches Of Spain”.

Afgesloten wordt er met een drietal catchy poprockdeunen. In het ongemeen radiogenieke “The Wild West” blikt de in Ieper geboren Debaene al mijmerend terug op de “velden van haar eigen jeugd”, in het al even aanstekelijke titelnummer roept ze ons op om ons vooral ongedwongen te laten leiden door het leven zelf en het als bonusje meegeleverde “Hoping For A Miracle” kende je misschien ook nog wel als een single uit 2010.

Baby Jef mag dus best trots zijn! De tijdens het ontstaan van “The Sound Of The Beat” nog onderweg zijnde youngster zal ooit hopelijk tot het besef komen, dat hij onbewust een bevoorrechte getuige was bij het tot stand komen van een speciaal geheel. Een prima plaat zonder meer.

Marjan Debaene

 

RICKIE LEE JONES “The Other Side Of Desire” (The Other Side Of Desire Music / Bertus)

(4****)

Voor velen zal de naam Rickie Lee Jones wellicht voor eeuwig en altijd verbonden blijven met haar in 1979 op de wereld losgelaten eerste hit “Chuck E.’s In Love”. En dat zou an sich niet eens zo erg zijn, ware het niet, dat voor té velen hun kennis van het repertoire van die Jones daar meteen ook ophoudt. En da’s ondertussen zestien albums diep in haar carrière niets minder dan doodzonde, want Rickie Lee Jones is wat je noemt een echte rasartieste: een geweldige zangeres en een al even briljante songsmid.

Eentje die graag experimenteren mag bovendien ook. Dat blijkt maar weer eens op haar door John Porter (Roxy Music, The Smiths, Billy Bragg) en Mark Howard geproduceerde nieuwe worp “The Other Side Of Desire”. Op die opvolger van de collectie rockcovers “The Devil You Know” uit 2012 versmelt La Jones als het ware helemaal met haar nieuwe thuishaven New Orleans. Ver weg van de West Coast wordt ze helemaal één met haar nieuwe omgeving. Dat valt nog niet echt op in openingsnummer “Jimmy Choos”. Dat hier al voor een brede glimlach goed bevonden catchy rootspopliedje vormt als het ware de springplank naar the real stuff. En daarmee bedoelen we dan dingen als het z’n titel bepaald niet gestolen hebbende “Valtz de Mon Pere (Lovers’ Waltz)”, een traditioneel countrywalsje op z’n Emmylou’s, “J’ai Connais Pas”, een nadrukkelijk op het muzikale erfgoed van de grote Fats Domino geënte streep R&B New Orleans style, de niets minder dan briljante pianoballade “Christmas In New Orleans”, het op de één of andere vreemde manier bepaald funky aandoende “Haunted” en de late night ballad “Juliette”.

Zo hoorde u Rickie Lee Jones echt nog nooit!

Rickie Lee Jones

 

ANNIE GALLUP “Ghost” (Gallway Bay Music)

(4****)

Goed en wel een jaar of vijf geleden viel Annie Gallup als een blok voor het spel van de je wellicht ook wel van z’n bijdragen aan de Punch Brothers bekende fiddler Gabe Witcher. Voor haar meteen het startsein om een reeks liedjes te gaan schrijven in functie van diens fenomenale spel. Om het met haar eigen woorden te zeggen: “Songs to wrap his soaring, blistering, tender, compelling and exquisite sound around.” En negen stuks daarvan vinden we nu, aangevuld met covers van de ooit ook al door Steve Young richting eeuwigheid gezongen Utah Phillips-compositie “Rock Salt And Nails” en Dougie MacLeans folkpareltje “Caledonia”, op haar nieuwe album “Ghost” terug.

Voor dat door haarzelf en haar Hat Check Girl-partner Peter Gallway ( string bass en backing vocals) geproduceerde geheel nodigde Gallup niet enkel de al genoemde Gabe Witcher (fiddle) uit, maar ook David West (mandoline, dobro en National Steel) en Anna Abbey (backing vocals). Zelf nam ze naast de zangpartijen ook gitaar, six-string banjo, dobro en ukelele voor haar rekening.

En dat mag ze wat ons betreft nog doen. Haar tiende soloplaat is immers ontegensprekelijk haar beste so far. Gelijk van bij het eerder traditioneel opgevatte folkdeuntje “Diamond Ring” is het volop prijs. Heel knap, hoe de stem van Gallup en de fiddle van Witcher elkaar daarin vinden en complementeren. A match made in Heaven! En dat blijkt verderop nog meermaals! Onder meer in het desolate, quasi terloops aan het album z’n titel verlenende “Ghost Town Kite”, de ingetogen Americana beauty “West Memphis, Arkansas”, het epische “The Battle Of Brooklyn”, het ook daadwerkelijk aan haar virtuoze Bad Livers-banjocollega met die naam gewijde “Danny Barnes” en het ons voorwaar even een weinig aan Eliza Gilkyson in haar beste momenten herinnerende “Raised By Wolves”. Echt heel erg mooi allemaal!

Annie Gallup

 

LINDSAY FERGUSON “Chameleon” (Busted Flat Records)

(3,5****)

Voor de productie van haar inmiddels derde album “Chameleon” deed de Canadese Lindsay Ferguson een beroep op de diensten van haar landgenoot Brock Zeman. En daarmee wist ze weliswaar onbedoeld alvast onze aandacht te trekken. Die Zeman is hier immers zowat kind aan huis.

Op de opvolger van haar beide eerste platen “Sound” en “Monkeys Under Stars” grossiert Ferguson negen nummers lang in catchy pop- en rockdeunen, die nu eens wél, dan weer niet de uitbreiding roots voor zich dulden. Eentje daarvan schreef ze samen met de al genoemde Zeman, met name de heerlijke poppy Americana-deun “Ships”. Eén cover verder ook. Meer bepaald de overgeleverde folk beauty “Donal Og”. In die net niet volledig a capella gebrachte afsluiter wordt pas echt duidelijk over welk een ongelooflijk performante Ferguson wel beschikt. Da’s wat ons betreft een echt kippenvelmomentje.

Andere hier zeer gesmaakte Ferguson-kleinoden: de op een wat vreemde manier aanstekelijk werkende, alleszins meteen volop de aandacht trekkende opener “Untangle”, het ook al bepaald vriendelijke popdondertje “Chameleon” en de mooie, al fluitend ingeleide valse trage “Doors & Heartbeats”.

Aan “Chameleon” werkten naast Ferguson zelf (zang) en Brock Zeman (onder meer akoestische gitaar, bas, orgel, piano, tamboerijn, loops en drum & synth programming) verder ook nog Blair Hogan (orgel, elektrische gitaar, loops, synth, bas en mandoline), Steve Foley en Jamie Kronick (beiden drums), Dylan Roberts (tamboerijn en percussie), Marc Rochon (harmonica), Taylor Rankin (viool) en Jofo (rap) mee.

Lindsay Ferguson, Busted Flat Records

 

ADAM CARROLL “Let It Choose You” (Gypsy Shuffler Music)

(5*****)

Er zijn dus toch nog zekerheden in het leven! Dat weten we na het beluisteren van “Let It Choose You”, de nieuwe van Adam Carroll wel zeker. De Texaanse songsmid, van wie her en der beweerd wordt dat hij één van Austins best bewaarde geheimen zou zijn, staat naar goede gewoonte immers garant voor een lading onvervalste top-Americana.

Twaalf songs lang bewijst hij ook ditmaal weer over een uitzonderlijk oog voor songzwangere alledaagse situaties te beschikken. Voeg daar nog zijn al even exceptioneel taalgevoel en dito zin voor melodie aan toe en er kon op de keper beschouwd eigenlijk nog maar weinig fout lopen. En al zeker als je dan ook nog eens leert, dat aan zo menig een nummer voor “Let It Choose You” aardig gereputeerde vrienden van Carroll meeschreven. We noemen in dat verband graag de namen van Michael O’Connor, Owen Temple, Brian Rung, Michael Waters, Jordan Minor en Jeff Plankenhorn.

En ook wat betreft het tijdens de opnamen ervan gebezigde personeel zitten we met “Let It Choose You” goed. Een veel betere crew dan deze bestaande uit Lloyd Maines, Bukka Allen, Riley Osbourn, Pat Manske, Mark “Speedy” Gonzales en Christian Carroll had Carroll zich eigenlijk amper kunnen wensen. De al genoemde Maines tekende trouwens ook nog present voor de productie.

Twaalf songs, twaalf hoogtepunten, da’s ons uiteindelijke verdict. Geen wonder, dat men deze knaap zo graag met schoon volk als een Townes Van Zandt, een John Prine en een Robert Earl Keen vergelijken mag…

Onze zoals steeds volkomen onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Bernadine”, het hartverscheurende “Tears In My Gumbo” en het op een heerlijk authentiek aandoend traditioneel swingend countrypatroontje geënte “Old Child Country Star”. Voor elk van die drie deunen mag wat ons betreft de eretitel primus inter pares nog eens uit de kast.

Adam Carroll

 

JEFF PLANKENHORN “Live At The Saxon Pub” (Lounge Side Records)

(3,5****)

Superproductief zouden we hem nu niet meteen durven te noemen, deze Jeff Plankenhorn, met amper drie soloplaten op z’n actief. Maar dat heeft natuurlijk wel zo z’n redenen. De in Austin gehuisveste zingende songsmid heeft zich de voorbije jaren immers herhaaldelijk in de kijker gespeeld als gewaardeerde sidekick voor anderen. Denk bijvoorbeeld al maar zijn rol aan de zijde van collega Eliza Gilkyson, om er zomaar lukraak eentje uit te pikken. “Plank”, zoals hij door nogal wat collega’s liefdevol wordt genoemd, is nu eenmaal een zeer veelzijdige multi-instrumentalist. Met als specialiteit, zoals allicht genoegzaam bekend, de dobro.

Het zopas van ‘m verschenen “Live At The Saxon Pub” is de opvolger van “The Speed Of Hope” van zo’n jaar of vier geleden. En als er al één ding is, wat die concertregistratie aantoont, dan is het wel, dat Plankenhorn niet gemakkelijk voor één enkel muzikaal gat te vangen valt. In het gezelschap van toetsenist Phil Redmond, bassist Yoggie en drummer Brannen Temple fietst hij hier immers tien nummers lang vaardig heen en weer tussen een veelheid aan genres. Tien nummers, waaronder uiteraard ook enkele covers. Bij funkinstituut Parliament werd zo “Handcuffs” binnengedaan, bij wijlen Stephen Bruton vond Plankenhorst het ongemeen soulvolle “Trip Around The Sun” en onder het moody “Cold Turkey” prijkte tot onze grote verbazing niet de naam van de grote John Lennon, maar wel die van Anthony David Harrington. Weer wat bijgeleerd dus…

Van de uit de eigen koker stammende nummers schreef Plankenhorst er heel wat samen met anderen. Met de ook hier graag geziene Ray Wylie Hubbard bijvoorbeeld al het blues & roots twosome “Loser Blues” en “Forgiven”, met Matt Sever het in min of meer dezelfde wateren ronddobberende “Cockeyed” en met Ryan Krebs het drietal “I Doubt It”, “Someday” en “Headstrong”. Het eerste een onvervalste pot gitaarzwangere bluesrock, de twee andere kortstondige flirts met zomerse reggaeritmes.

Voor de productie van “Live At The Saxon Pub” tekende Plankenhorn gezien zijn status op dat vlak uiteraard zelf.

Jeff Plankenhorn

 

HOGJAW “Rise To The Mountains” (Swamp Jaw Bea Music)

(4****)

Hogjaw is een naar een kleine, vrijwel meteen door z’n hoogst aparte naam opvallende gemeenschap in Arkansas vernoemd Amerikaans rockcollectiefje dat al sinds 2007 flink aan de weg timmert. Het uit J.B. Jones (rockstrot pur sang en gitaar), Jimmy Rose (leadgitaar en backing vocals), Elvis D (bas) en Kwall (drums en backing vocals) bestaande viertal bracht tussen 2008 en 2013 in eigen beheer al vier albums uit: “Devil In The Details” (2008), “Ironwood” (2010), “Sons Of The Western Skies” (2012) en “If It Ain’t Broke” (2013). Met andere woorden, met het zopas op de wereld losgelaten “Rise To The Mountains” is men ondertussen al aan nummer vijf toe. En die vijfde, beste vrienden, vinden wij hier een verdomd lekkere plaat.

Tien nummers lang illustreren Jones en co hier, waarom ze ondertussen in grote delen van de States en Europa een graag geziene live act zijn. In het grensgebied tussen (Southern) rock, blues en country geven ze hem echt wel serieus van jetje. Met “a boogie sound that can tear paint off the wall”, om het met de gevleugelde woorden van het pershulpje van dienst te formuleren, nodigen de vier heren hun luisteraars uitgebreid uit tot het hanteren van de luchtgitaar.

Songs als titelnummer “Rise To The Mountain”, eerste single “Where Have You Gone”, het wervelende “Over Before You Know It” en vele andere hier zouden bezoekers van zo menig een zomerfestival een flinke adrenalineopstoot moeten kunnen bezorgen. Met als main attractions de werkelijk fenomenale, hoger ook al even geroemde pipes van zanger J.B. Jones en de onwaarschijnlijk vaardige vingers van gitarist Jimmy Rose.

Great stuff!

Hogjaw

 

ANDY SHAUF “The Bearer Of Bad News” (Party Damage Records / Tender Loving Empire)

(4****)

Wie houdt van het werk van acts als wijlen Elliott Smith, Ron Sexsmith en Fleet Foxes zal zich beslist ook geen buil vallen aan “The Bearer Of Bad News” van de jonge Canadees Andy Shauf. Diens niet zelden rond de thema’s liefde en berouw cirkelende “soft tales with strong bones” sluiten immers vrijwel naadloos aan bij het werk van genoemde acts. Tedere verleiders zijn het. Liedjes, die je met zachte hand mee naar binnen tronen in het fascinerende universum van Shauf.

De elf deunen op “The Bearer Of Bad News” hebben op de keper beschouwd eigenlijk gewoon iets volstrekt tijdloos over zich. Een prachtstem, dito songteksten en betoverende melodieën vinden er hun delicate voedingsbodem in. En dingen als het voorzichtig luchtige “Hometown Hero”, het ongemeen sfeervolle “I’m Not Falling Asleep”, de op dramatische wijze een overspelsituatie bezegelende murder ballad “Wendell Walker” en de afsluitende pianoballade “My Dear Helen” verdienen wat ons betreft dan ook een zeer ruim publiek.

Wie haalt er deze knaap snel eens naar ons land?

Andy Shauf

 

SPUYTEN DUYVIL “The Social Music Hour Vol. 1” (Spuyten Duyvil)

(3,5****)

Spuyten Duyvil is de naam van een me tot voor kort volslagen onbekend zestal vernoemd naar een buurt in de Bronx in hun eigen thuishaven New York City. In een productie van Joe Iadanza leverde dat collectiefje onlangs nochtans al z’n derde cd af. Naar eigen zeggen op te vatten als a love letter to Harry Smith’s “Anthology Of American Music”, dat werkstuk. En het bestaat dan ook zo goed als uitsluitend uit herinterpretaties van traditionals opgediept uit die vermaarde rootsmuziekbijbel.

En opvallend daarbij is met name de buitengewoon hechte manier waarop er wordt gemusiceerd. Kopstukken Beth Jamie Kaufman (Wat een stem!) en Mark Miller en hun kornuiten voelen en vullen elkaar werkelijk perfect aan. En dat zorgde op zijn beurt bij mij als luisteraar voor een lekker warm gevoel vanbinnen. Het maakte het op de keper beschouwd verdomd gemakkelijk om mee te gaan in Spuyten Duyvils nochtans eigenzinnige vertaling van al dat muzikale erfgoed naar het hier en nu. Vintage, ja. Oubollig, absoluut niet.

Met name dingen als “Keep Your Skillet Good And Greasy”, “Daniel”, “Barbara Allen”, “Reno Factory”, “The Cruel War” en het met gaste Dena Miller gedeelde “Make Me A Pallet” bleven me bij. Om het met onze Waalse medemens te zeggen: “Très sympa!”

Spuyten Duyvil

 

GORDIE TENTREES “Less Is More” (Buckaroo Records / Continental Record Services)

(4****)

Gordie Tentrees is wat je noemt een storyteller pur sang. Het soort van songsmid waarvoor je bij gelegenheid maar wat graag even alles aan de kant zet. Keer op keer weer weet de Canadees met z’n liedjes te beklijven. En dat is met het elftal op z’n door z’n gereputeerde landgenoot Bob Hamilton geproduceerde jongste weer niet anders. Dat van de veelzeggende titel “Less Is More” voorziene zesde album van de beste man is misschien zelfs wel z’n allerbeste so far. De vergelijkingen met knapen als een John Prine, een Fred Eaglesmith en in iets mindere mate ook een Bob Dylan mogen er wat ons betreft zeker weer voor uit de kast.

Het strafste staaltje van Tentrees’ kunnen is ditmaal naar ons gevoel het bepaald Dylan-esk aandoende “Somebody’s Child”. Dat schreef hij in april 2013 kort nadat hij getuige was van de bomaanslagen tijdens de marathon van Boston. De geruime tijd onbeantwoord gebleven vraag of zijn vrouw, één van de vele duizenden deelnemers aan dat evenement, al dan niet de aankomstlijn gehaald had, liet begrijpelijkerwijze diepe sporen na.

Bijna even aangrijpend is vervolgens ‘s mans sprankelende ode aan het adres van z’n onfortuinlijke landgenote Jessica Frotten. Zo’n beetje het Canadese equivalent van onze eigenste Marieke “Wielemie” Vervoort, die buitengewoon moedige rolstoelatlete. Verdere standouts op “Less Is More”: het zich bijna onopvallend een weinig richting bluegrass ontrollende en en passant met het onderwerp liefde dollende “Keno City”, het aan de verhalen van diverse “helden van alledag” opgehangen “Broken Hero” en het op werkelijk hartverwarmende wijze op uit hun rol vallende vaders inzingende “Deadbeat Dad”. En dan vergaten we bijna nog het in Nederland gepende titelnummer. Dat schreef Tentrees nadat hij de nacht had doorgebracht in een bed waarin ook de grote Townes Van Zandt kort voor z’n dood nog geslapen had.

Enige vreemde in de bijt is op “Less Is More” het door collega’s Mary Gauthier en Kerri Powers aangedragen “Camelot Hotel”, je wellicht ook al wel bekend van het album “Filth & Fire” van de eerste van dat tweetal. Dat liedje krijgt van Tentrees een nagenoeg perfect bij de rest hier aansluitende vertolking mee.

Gordie Tentrees, CRS

 

LEE PALMER “Like Elway” (On The Fly Music)

(3,5****)

Voor Lee Palmer gaat het de jongste jaren plots allemaal wel heel erg snel. Na een leven gevuld met muziek debuteerde de beste man in 2013 uiteindelijk met de concertregistratie “One Take: Live At Canterbury”. De vele positieve feedback daarop gaf vervolgens al heel snel aanleiding tot een opvolger. Die verscheen nauwelijks een jaar later met “60 Clicks”. En nu is er met “Like Elway” dus ook al een derde van de Canadese singer-songwriter, die ons stemgewijs soms een heel klein beetje herinnert aan z’n Amerikaanse collega Bob Cheevers.

Met dat nieuwe album onderstreept Palmer andermaal vooral de stelling, dat hij niet gemakkelijk te categoriseren is. Met een eigenzinnige mix van elementen uit genres als country, folk, Americana, blues en jazz bestrijkt hij immers nogal wat rootsterrein. En dus blijkt de ondertitel van “Like Elway” achteraf gezien ook best wel gerechtvaardigd. Daarin heeft Palmer het met betrekking tot z’n nieuwe materiaal immers over “an original collection of roots music”. Van de accordeongewijs met wat bayou spice opgewaardeerde rootsy rocker “Rockin’ This Chair” over de mooie, ergens tussen roots pop en country strandende pianoballade “Life’s A Mess”, het lijzige, überhaupt behoorlijk jazzy uitgevallen “Those Winter Blues” en het zacht swingende “Lonely At The Top” tot de door gaste Mary McKay van wat fraaie vocale ondersteuning voorziene talking country blues van het titelnummer, van het door Roly Platt op de mondharmonica ingeleide en ook verder onderbouwde “This Feels Like One Of Those Days” tot het volop van mooi ingetogen accordeonwerk van Lance Anderson profiterende “Maybe That’s Why”, het zijn heil nadrukkelijk in een rock groove zoekende “Have A Wonderful Life” en catchy afsluiter “Axe To Grind”, negen zeker onder die vlag passende ladingen levert hij er ons mee af. De ene eerder serieus, de andere juist heel lichtvoetig. Variatie op elk vlak troef, moet je maar denken.

Voor de productie van “Like Elway” tekende Palmer zelf samen met z’n maatje Elmer Ferrer. En op de gastenlijst stootten we naast op de namen van de al genoemde Mary McKay en Roly Platt ook op die van Joaquin Nunez, die bijdragen leverde op cajon en wat percussie-instrumenten.

Lee Palmer

 

BROCK ZEMAN “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” (Busted Flat Records)

(4****)

Ik mag mezelf graag zien als een fan van het eerste uur van Brock Zeman. Gelijk al van bij “Cold Winter Comes Back” uit 2003 en het daaropvolgende “Songs From The Mud” uit 2005 zat ik op de eerste rij voor die Canadese songsmid. Steeds weer wist hij me door de jaren heen te charmeren met z’n liedjes en z’n verhalen. Vooral de wat rustigere dan. Daarmee vond hij wat mij betreft z’n eigen stekje ergens heel dicht in het kielzog van groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Steve Earle.

Ondertussen zijn we elf albums diep in ’s mans carrière aanbeland en vallen bij het beluisteren van z’n nieuwe worp eigenlijk vrijwel meteen twee dingen op. Enerzijds kan je er absoluut niet naast luisteren, dat hij tekstueel nog steeds op een bijzonder hoog niveau acteert. Anderzijds valt echter vooral zijn shift naar andere muzikale wateren op. Met de tien liedjes op “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” lijkt Zeman nadrukkelijk een water ruimer publiek te willen aanspreken. Zonder zichzelf daarvoor compleet te verloochenen lonkt hij daarop net geen drieënveertig minuten lang naar wat meer erkenning. En als er al zoiets als rechtvaardigheid bestaat, dan zal hij die met z’n nieuwe songgoed oogsten ook.

Van het meer gesproken dan gezongen op de eigen creatieve werkzaamheden ingaande titelnummer tot het zachtjes rockende “Walking In The Dark”, van het wat grimmig aandoende alternatieve popdeuntje “Sweat” tot de een stuk radiovriendelijkere alternatieven daarop “Don’t Think About You Anymore” en “Little Details”, van de heerlijke rootsy rocker “Some Things Stay” tot de al even aansprekende pianoballade “10 Year Fight”, het voorzichtig funky uit de hoek komende “Drop Your Bucket” en het afsluitende tweetal “Dead Mans Shoes” en “Everybody Loves Elvis”, het blijken immers weer stuk voor stuk bijzonder lekkere liedjes. Minder rootsy dan voorheen, dat zeker, maar wel minstens nog even goed.

Brock Zeman, Busted Flat Records

 

JOHN COINMAN “Already Are” (Cavalier Recordings)

(3,5****)

Wel, wel, wel… Dat was al een poosje geleden! Van maart 2005 meer bepaald. Toen lieten we ons hier nog behoorlijk positief uit over “Songs From The Modern West”, de door Teddy Morgan geproduceerde laatste soloplaat van John Coinman, die – Zo zou weinig later blijken! – titelgewijs al een hint bevatte richting ’s mans eigen toekomst. Na die plaat cijferde Coinman zichzelf immers jarenlang weg voor een rol in de rugdekking van acteur Kevin Costner. Hij was zo’n beetje de drijvende kracht achter diens haar naam aan Coinmans laatste album ontlenende begeleidingsgroep Modern West. Vijf platen nam hij daarmee ondertussen ook reeds op. En niets lijkt erop te wijzen, dat het bij die vijf zal blijven ook. Of het zou Coinmans eigen onlangs verschenen zesde soloplaat moeten zijn dan.

Op die elf nieuwe liedjes van eigen hand bevattende worp laat de Amerikaan horen de voorbije jaren op muzikaal vlak flink geëvolueerd te zijn. In het gezelschap van Blair Forward (bas), Larry Cobb (drums, harmony vocals), Neil Harry (pedal steel), Peter McLaughlin (akoestische gitaren, harmony vocals), Teddy Morgan (productie, elektrische en akoestische gitaren, harmony vocals), Jon Coleman (keyboards) en de je wellicht ook van Twilight Hotel bekende Brandy Zdan (harmony vocals) vaart hij daarop immers vrijwel doorlopend een meer (roots)rockende koers. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik dat nu niet meteen een echte verbetering vind. Ik mis bij nader inzicht het wat meer gevarieerde karakter van eerder genoemde voorganger.

Wat echter niet wegneemt, dat je me met liedjes van het kaliber van “Oklahoma City”, “Five Minutes From America”, “Hey Man What About You” of de behoorlijk persoonlijk uitgevallen trage “Trusted Friend” altijd nog mag komen lastigvallen. Meer nog, die doen me nu alweer reikhalzend uitkijken naar Coinmans volgende doortocht doorheen Europa in oktober van dit jaar.

John Coinman, Cavalier Recordings

 

EILEN JEWELL “Sundown Over Ghost Town” (Signature Sounds)

(4,5*****)

Heeft eigenlijk nog nooit echt ontgoocheld, deze Eilen Jewell, en dat doet ze ook ditmaal weer absoluut niet. “Sundown Over Ghost Town”, haar inmiddels vijfde studioplaat onder eigen vlag, streelt andermaal twaalf nummers lang uitgebreid de zinnen. Die stem alleen al! Zachter dan het zachtste fluweel! Van een ontwapenende sensualiteit ook. Mooier worden ze eigenlijk gewoon niet meer gemaakt…

In het gezelschap van Jason Beek (drums, percussie en zang), Mavis Beek (zang), Steve Fulton (Hammond, Wurlitzer en zang), Jack Gardner (trompet), Jake Hoffman (pedal steel), de onvolprezen Jerry Miller (elektrische gitaar en mandoline) en Johnny Sciascia (staande bas) schildert Jewell hier in de schemerzone tussen country, folk en roots rock ruim zevenendertig minuten lang weer de mooiste miniatuurtjes. Soms heerlijk onderkoeld twangend zoals in het aan haar thuishaven Boise in Idaho gewijde streepje country noir “My Hometown” of het met leuk koperwerk gelardeerde “Rio Grande”, maar veelal toch in eerder rustige modus. Bedaarde singer-songwriter Americana genre openingsnummer “Worried Mind”, “Hallelujah Band” en “Half-Broke Horse” overheerst op “Sundown Over Ghost Town”. De ene keer wat meer overhellend richting traditionele dan wel alternatieve country (“Needle & Thread” en “Down The Road”), de andere richting Americana (de moordballade “Some Things Weren’t Meant To Be”), country rock (“Pages”), ja zelfs jazz en blues (“Here With Me”).

Thematisch worden door Jewell this time around onder meer de geboorte van haar eerste kindje en haar recente terugkeer naar het hoger al even vermelde Boise aangekaart. Twee gebeurtenissen, die haar, afgaande op de eraan ontsproten fraaie muziekjes, duidelijk heel erg veel deugd hebben gedaan.

Eilen Jewell, Signature Sounds

 

DANNY & THE CHAMPIONS OF THE WORLD “What Kind Of Love” (Loose Music / Bertus)

(4,5*****)

Met “What Kind Of Love”, de ondertussen toch ook alweer vijfde studioplaat van Danny & The Champions Of The World, knallen we de deur naar de zomer nu hopelijk eindelijk definitief wagenwijd open. Danny George Wilson en de zijnen zorgen nu alvast tien nummers lang voor de zo ongeveer perfecte soundtrack daarbij. Laat ze dus maar komen, die schier eindeloze zonovergoten dagen…

Met hun catchy mix van elementen uit soul, alternatieve country en rootsy folk rock slaan oud Grand Drive-kopstuk Wilson en z’n kampioenen hier voortdurend spijkers met koppen. Met als centraal thema nogal wat verschillende, niet zelden eerder onverwachte facetten van “l’amour” serveren ze echt de ene veritabele oorwurm na de andere. Ons daarbij her en der herinnerend aan ander schoon volk als een Southside Johnny, een Boz Scaggs, een Nils Lofgren, een Willy DeVille en een Jimmy LaFave.

Onwaarschijnlijk eigenlijk, dat Wilson een Brit is, z’n muziek is immers echt door en door Amerikaans. Mocht je daarvan na ook al geweldige eerdere albums als “Danny And The Champions Of The World”, “Streets Of Our Time”, “Hearts & Arrows”, “Stay True” en de live-dubbelaar “Live Champs” van vorig jaar nog overtuigd moeten worden, dan kan dat bijvoorbeeld met behulp van volgende luistersuggesties.

Wij gingen immers compleet overstag voor het met uitermate fijne blazers opgewaardeerde streepje soulvolle rock “Clear Water”, het tegen een met Motown flirtende beat neergelegde “Precious Cargo”, het hoegenaamd niets met de gelijknamige PIL-deun te maken hebbende countrysoul-kleinood “This Is Not A Love Song”, het onder meer met sprankelend gitaarwerk en dito koortjes echt wel schaamteloos om radioaandacht bedelende “Can I Change My Mind” en het zachtjes even aan de grote Eddie Hinton refererende slepertje “What Kind Of Love”.

Wie nog om een ideetje voor z’n zomerfestival verlegen zou zitten: deze Wilson is uw man!

Danny & The Champions Of The World, Loose Music

 

AD VANDERVEEN “Presents Of The Past / Requests Revisited” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Heel wat van Ad Vanderveens al wat oudere albums zijn al een poosje niet meer verkrijgbaar. Dat gegeven en het feit dat z’n fans tijdens optredens toch steeds weer naar nummers van die platen bleven vragen, deden onze noorderbuur ertoe besluiten om een aantal van die songs opnieuw op te nemen. “Requests Revisited” dus. Meer bepaald de songs “First Feeling”, “Anchor”, “Blues So Bad”, “Emigrant Family”, “The Moment That Matters”, “Well Of Wonder”, “Soul Power”, “Wonders Of The World”, “Driftwood”, “Still Now” en de als lang uitgesponnen hidden bonus track aangeboden Personnel-classic “Water Under The Bridge”. “Het voelt bijna alsof ik mezelf cover,” aldus Vanderveen zelf (zang, gitaren, harmonica, bas, percussie en autoharp) over de oogst van z’n noeste arbeid samen met René Kaaij (drums, bas, piano, Hammond, accordeon, percussie en zang), Kersten DeLigny (zang en percussie), Jim Morrison (viool), Karen Joy McCoy (viool), Maaike Peterse (cello), Timon van Heerdt (mandoline), Rob van Duuren (pedal steel) en Dimitri Vlaanderen (percussie).

Tijdens de looptijd van “Requests Revisited” groeiden echter ook een heleboel nieuwe nummers. En ook die werden door Vanderveen ingeblikt. Zij het dan wel op een iets andere manier. Met een akoestisch combo in een klein theater zonder publiek meer bepaald. En die aanpak resulteerde bijna als vanzelfsprekend in een meer vintage aandoend (akoestisch) rootsgeluid. Met als absolute uitschieter wat ons betreft het door gaste Lynn Miles van wat fraaie harmony vocals voorziene “The Future Has Changed”. Gedachten aan Neil en Nicolette waren hier daarbij even niet al te ver weg…

Eigenlijk gewoon het beste van twee werelden, deze knappe dubbelaar… Enerzijds ideaal als opstapje voor allen die nog niet vertrouwd waren met Vanderveens wat oudere werk, anderzijds gewoon ook een prima nieuwe plaat. Waar wacht u eigenlijk nog op?

Ad Vanderveen, Blue Rose Records

 

BEN REEL “7th” (B. Reel Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De ster van Ben Reel is duidelijk rijzende. “7th”, zijn wel heel erg toepasselijk getitelde nieuwe, zou als u het ons vraagt wel eens ‘s mans definitieve doorbraak kunnen gaan betekenen. En die verdient de Ierse songsmid wat ons betreft ook volop. Met het ook al vrijwel unaniem lovend onthaalde “Darkness & The Light” van een jaar of twee geleden pakte hij ons al eens genadeloos in en dat doet hij met die zevende worp spelenderwijze opnieuw.

Heerlijk gewoon, hoe de beste man daarop uit een veelheid aan stijlen toch een samenhangend geheel met een eigen smoelwerk weet te puren. Rock, soul, blues, Americana, folk, country,… U zegt het maar! Reel staat hier eigenlijk open voor zo ongeveer alles. Net geen vierenvijftig minuten lang fietst hij behendig tussen tal van stijlen heen en weer. En dat levert en passant nogal wat beklijvende momenten op.

We noemen er hier alvast enkele. Openingsnummer “Lucky Streak” bijvoorbeeld meteen al. Dat blijkt immers een werkelijk rete-aanstekelijk rootsrockdeuntje. En het meteen daaropvolgende “One Of These Days” doet bijna op z’n Mellencamps iets heel moois tussen country en rock. Oorwurm “Say” op zijn beurt moet het dan weer hebben van een behoorlijk sixties aandoende vibe, “Reflection Of The Blues” flirt zonder schroom met het genre uit z’n titel en “Back On The Road” is Heartland rock van het betere soort.

Verder ook nog als ronduit uitstekend te bestempelen: het soulvol een aardig eindje wegrockende “Meant To Be”, de sfeervolle alternatieve countrysleper “Many A Time”, het sympathieke stampertje “Gimme Some Room”, de ook al van de soul bulkende trage “Given It All” en de daar perfect bij aansluitende pîanoballade “Coming Around Again”.

Echt een heerlijke plaat! Zo ongeveer de ideale soundtrack voor een hopelijk lange en hete zomer.

Ben Reel

 

DONNA ULISSE “The Songwriter In Me, The Demo Recordings” (Hadley Music Group)

(3,5****)

Sinds haar geslaagde overstap naar het bluegrassgenre nu zo’n jaar of acht geleden is ook de ster van Donna Ulisse als songsmid almaar helderder gaan stralen. Onder meer Claire Lynch, Diana Jones, Doyle Lawson & Quicksilver en de Del McCoury Band bedienden zich de voorbije jaren maar wat graag van haar liedjes. Dat gegeven en het feit, dat ze ook als instructrice van songwriting workshops een erg graag geziene gaste werd, zetten Ulisse er vorig jaar toe aan om met een eerste eigen boek uit te pakken.

Dat laatste is opgevat als een soort van eerbetoon aan de kracht van verbeelding, werd gekruid met nogal wat persoonlijke anekdotes en is ook bepaald genereus bij het verstrekken van inzichten voor het schrijven van liedjes. En als een soort van toetje bevatte het ook de teksten van vierentwintig liedjes van Ulisse, bedoeld naar eigen zeggen vooral om de lezer ervan in te wijden in rijm, metrum en songstructuur. En aan die collectie songs werd nu ook een nieuwe cd besteed. Opgenomen als het ware als demo’s, eerder schaars geïnstrumenteerd dus. Met als doel “to truly showcase the song”. En het moet gezegd, dat leidt hier tot bij momenten echt wel verbluffend mooie resultaten. Veel meer dan de akoestische gitaren van Glen Duncan, Kenny Smith of Tony King is er doorgaans niet nodig om nachtegaaltje Ulisse volop te laten schitteren. Een occasioneel opduikende banjo of fiddle en de vrijwel alomtegenwoordige harmonies van Rick Stanley even buiten beschouwing gelaten dan.

Heel wat van de liedjes op “The Songwriter In Me” belandden eerder al wel op andere releases van Ulisse. Deren doet dat echter niet echt, aangezien het daarbij om instrumentaal gezien wél flink in het pak gestoken versies ging, terwijl hier, zoals eerder al gesteld, juist de naakte schoonheid van de liedjes centraal staat. Een aantal van de overige deuntjes mogen we, aldus Ulisse zelve, al zien als een soort van voorbode op een binnenkort te verschijnen nieuwe cd.

RIYL: Emmylou Harris, Dolly Parton, Claire Lynch, Alison Krauss.

Donna Ulisse

 

ALECTRO “School Of Desire” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Alectro, nooit van gehoord,” zegt u? Troost u, u bent wellicht lang niet de enige. Ook wij bijvoorbeeld al fronsten de wenkbrauwen flink bij het horen van die naam. We verwachtten er om eerlijk te zijn zelfs allesbehalve een rootscollectiefje achter. En toch blijkt dat het geval. Nu ja, een collectiefje, een duo eigenlijk. Een duo bestaande uit veteranen Jeff Eyrich en Steve Kirkman. En vooral de naam van die eerste zou wél een belletje moeten doen rinkelen. Als producer was die Eyrich immers mee verantwoordelijk voor enkele albums, waarvan u er vast wel één of meer op de plank heeft staan. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “The Hard Line” van The Blasters, “Everywhere At Once” van The Plimsouls, “The Las Vegas Story” van de Gun Club, “Long Gone Dead” van Rank & File en “Proof Through The Night” van T-Bone Burnett. Meer dan genoeg, lijkt ons, om uw aandacht serieus mee aangewakkerd te hebben…

Samen met z’n maatje Steve Kirkman, een veelgevraagd gitarist en producer, trekt hij op “School Of Desire” aardig wat registers open. Probeert u het zich maar eens voor te stellen… Je houdt van surfgitaren, de spaghetti western soundtracks van Ennio Morricone, Duane Eddy twang, blues, country, rock & roll en wel meer en dat moet dan allemaal onder één en hetzelfde muzikale dak. Zó en niet anders klinkt “School Of Desire”! Als één lange weirde trip langsheen alle mogelijke muzikale voorkeuren van het duo Eyrich en Kirkman. En als het even kan vaak zelfs liefst meerdere in één en hetzelfde nummer.

Negen eigen nummers van beide betrokkenen worden op “School Of Desire” afgewisseld met covers van “Hard Travelin’” van Woody Guthrie en “Tobacco Road” van John D. Loudermilk, u allicht beter bekend in de uitvoering van The Nashville Teens.

Hoogst apart allemaal, maar allicht juist ook mede daardoor heel aantrekkelijk!

Alectro, Blue Rose Records

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “The End Of The Golden Age” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Album nummer drie ondertussen toch ook alweer voor het vanuit het Schotse Edinburgh de wereld op regelmatige basis een weinig opvrolijkende collectiefje The Wynntown Marshals. En net als z’n beide voorgangers, “Westerner” uit 2009 en “The Long Haul” van zo’n jaar of vier later, is ook die derde worp weer een erg knap geheel geworden. Een geheel, dat in zich het beste van twee werelden tracht te verenigen. Eén lange stoelendans tussen de Schotse roots van kopstuk Keith Benzie en de zijnen en hun nadrukkelijke voorliefde voor all things Americana als het ware. Lekker, lekker, lekker!

Catchy rootsy rock songs als het behoorlijk sixties aandoende “There Was A Time”, het voorwaar zelfs even nadrukkelijk met power pop flirtende “Dead Flowers”, het met Hannah Elton-Wall van The Redlands Palomino Company gebrachte “Red Clay Hill” en het in al zijn vinnigheid de Replacements-fan in ons vrijwel probleemloos in vervoering brengende “Better Than Yesterday” worden op “The End Of The Golden Age” afgewisseld met wat meer ingetogen momenten als het op beeldige wijze op een stukgelopen relatie terugkomende “Being Lazy”, “The Girl On The Hill”, een prachtig requiem voor een veel te jong overleden vriend, en het echt ongemeen sfeervolle “Idaho”.

En daarnaast zijn er natuurlijk ook nog de voor de Marshals ondertussen zo’n beetje typisch geworden verhalende liedjes. Onder die vlag horen this time around onder meer het licht psychedelische “Metagama” en het klaaglijke “Moby Doll” thuis.

Als u het ons vraagt echt wel een uitstekende plaat, deze nieuwe van Benzie en co.

The Wynntwon Marshals, Blue Rose Records

 

GIANT SAND “Heartbreak Pass” (New West Records / ADA Warner Music)

(3,5****)

Op 21 mei aanstaande is Howe Gelb weer eens in het land. Met Giant Sand doet hij dan meer bepaald Het Depot in Leuven aan. En in afwachting daarvan is er nu alvast reeds het de dertigste verjaardag van die band bezegelende “Heartbreak Pass”.

Voor de productie daarvan tekende Gelb zelf. En dat was wellicht geen kwaad idee. Zijn experimenteerdrift kent op “Heartbreak Pass” als vanouds immers weer absoluut geen grenzen. Zelf vindt hij dat de plaat mede daardoor eigenlijk in drie volumes uiteenvalt. Het eerste daarvan noemt hij “a loud and lucky abandon, as if there’s no choice”, het tweede valt eerder onder de noemer Americana, het derde is bedoeld voor “late night musings”.

Inblikken deed Gelb “Heartbreak Pass” met de dezer dagen uit Thøger Lund, Gabriel Sullivan, Brian Lopez, Jon Villa, Peter Dombernowsky, Nikolaj Heyman, Anders Pedersen, Iris Jakobsen en Asger Christian bestaande line-up van Giant Sand. Naast usual suspects op de gastenlijst als Maggie Björklund (pedal steel) en Lonna Beth Kelly (zang) waren vooral zij het, die Gelbs ideeënrijkdom naar iets tastbaars hielpen verklanken. Nu ja, aan gasten anders ook geen gebrek, hoor! Zo merkten we en passant onder meer ook nog bijdragen van Jason Lytle van Grandaddy, Steve Shelley van Sonic Youth, Grant-Lee Phillips, de Italiaanse groep Sacri Cuori, onze noorderburen van The Common Linnets, PJ Harvey-maatje John Parish en oud Sand-drummer Winston Watson op.

Zeker geen gemakkelijke plaat, dit. Al is ze naar Gelb-normen eigenlijk al bij al nog redelijk toegankelijk.

Onze onverbintelijke luistertips: de echt wel héél erg lekkere garagerocker “Hurtin’ Habit”, de fraaie, met Ilse Delange in een opvallende gastrol ingeblikte alternatieve countrysleper “Man On A String” en ingetogen beauty “Eye Opening”.

Giant Sand, New West Records

 

DAR WILLIAMS “Emerald” (Bread & Better Music / Bertus)

(4****)

Ik zou nu, na amper een paar luisterbeurten, al zo ver durven te gaan, om “Emerald”, de ondertussen veertiende volwaardige langspeler van de Amerikaanse Dar Williams, als haar allerbeste tot op heden te bestempelen. Haar meest ambitieuze so far is het hoe dan ook. Een vlugge blik op de werkelijk tot de rand toe gevulde gastenlijst volstaat allicht al om je daarvan te overtuigen. Vrienden als een Richard Thompson, een Courtney Jaye, een Jonny Polonsky, een Jill Sobule, een Jim Lauderdale, de Hooters, de Milk Carton Kids en Lucy Wainwright Roche en haar moeder Suzzy werden door Williams graag bereid gevonden om een handje toe te komen steken tijdens het realiseren van haar nieuwe worp. En dat vertaalde zich uiteindelijk naar net geen drie kwartier folk pop van het betere soort.

Van het met name door de lap steel van Josh Kaler en de harmony vocals van Courtney Jaye flink opgewaardeerde sfeerstukje “Something To Get Through” tot het met onder meer Jonny Polonsky en Jill Sobule op nagenoeg onweerstaanbare wijze recht richting het object uit z’n titel gecatapulteerde “FM Radio”, het ijle “Empty Plane” of het met Richard Thompson gasterend op de elektrische gebrachte titelnummer, van het samen met Jim Lauderdale gepende en ook in duet met deze laatste gebrachte streepje poppy country soul “Slippery Slope” tot het op ongemeen catchy wijze op liefdestwijfels ingaande “Here Tonight”, de heerlijke ballade “Girl Of The World”, het met de wonderlijke Milk Carton Kids gedeelde “Mad River”, het met Suzzy en Lucy Wainwright Roche een aardig eindje richting de sterren gezongen “Weight Of The World”, het zachtjes twangende “Johnny Appleseed”, gebracht met de je ongetwijfeld ook nog wel van hun wereldhit “Satellite” uit 1987 bekende rockband The Hooters, en de afsluitende late night piano ballad “New York Is A Harbor”, je zal je hier als luisteraar echt hoegenaamd geen moment lang vervelen.

Knappe teksten verpakt in puntgave liedjes, gebracht door een zangeres met een fantastisch mooie stem, begeleid door louter topmuzikanten, zeg nu zelf, wat kan een mens zich nog meer wensen? Niet echt veel, toch…?

Dar Williams

 

GUY VERLINDE “Better Days Ahead” (Parsifal / DixieFrog / Bertus)

(4****)

Nu al zo’n zeven jaar lang verbaast Vlaming Guy Verlinde keer op keer opnieuw zowel vriend als vijand met z’n platen. Als Lightnin’ Guy nam hij in diezelfde periode liefst zeven albums op, vertegenwoordigde ons land op de prestigieuze European Blues Challenge en speelde als solo act dan wel met z’n Mighty Gators het dak van zo menig een binnen- en buitenlandse zaal eraf. Het leverde hem in eigen contreien alvast de eretitel van “hardest working blues artist” überhaupt op.

Maar die vlag dekt eigenlijk al lang niet meer de gehele lading van Verlinde. Z’n eerste liefde, het bluesgenre, is al even niet langer z’n enige vlam. En als dusdanig valt z’n recente naamsverandering dan ook perfect te duiden. Vond hij het ooit nog een noodzaak om onder een ogenblikkelijk met de blues vereenzelvigd alias aan de slag te gaan, dan acht hij nu de tijd rijp om met een veel ruimer rootspakketje naar z’n eigen naam terug te keren. En dus prijkt op het hoesje van z’n achtste album so far gewoon Guy Verlinde en niet langer Lightnin’ Guy.

Prima plaat overigens, die achtste. Elf nieuwe Verlinde-liedjes staan erop, goed voor net geen drieënveertig minuten blues- en rootsmuziek van de bovenste plank. In een productie van Gert Jacobs en met als special guests Luc Alexander (elektrische gitaar), Steven Troch (blues harp), Patrick Cuyvers (Hammond), Wladimir Geels (bas), Frederik Van den Berghe (drums en percussie) en Gertjan Van Hellemont en Cleo Janse (Backing vocals) houdt onze man je met sprekend gemak de hele rit lang bij de les. Van bij de met een over een fusée beenharde gitaargestuurde bluesrock gedrapeerde positieve boodschap “Better Days Ahead” over het sympathieke, ons voorzichtig een weinig aan Sonny Landreth herinnerende rootsrockopdondertje “Heaven Inside My Head” en de zwaar op de harp van Troch en de twin guitars van Verlinde zelve en Alexander leunende “doordouwer” “Wild Nights” tot en met de lieflijke afsluitende ballade “Don’t Tell Me That You Love Me”, het kan gewoon niet anders, hier moet je wel van houden!

Laat je net als ons volledig inpakken door dingen als de zeer radiovriendelijk verpakte, bijna speels opgevatte levensles “The One”, het Verlinde echt wel volledig op het lijf geschreven bluesrocksalvo “Feel Alive”, het bezwerende, zich nu al als gegarandeerde toekomstige publiekslieveling profilerende “Release Yourself From Fear” (Die Resonator! Heerlijk gewoon!), de soulvolle trage “Call On Me” of het al schokschouderend flink wat R&B in zich opzuigende “Learnin’ How To Love You”, je zal het je allerminst beklagen! Songs van dat kaliber maken van “Better Days Ahead” voor elke vaderlandse blues- en rootsliefhebber ontegensprekelijk een verplichte aanschaf.

Guy Verlinde

 

THE BLACK SORROWS “Endless Sleep” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De Australische Black Sorrows waren ooit één van mijn absolute lievelingsbands. Met name hun in respectievelijk 1988 en 1990 verschenen albums “Hold On To Me” en “Harley And Rose” heb ik echt grijsgedraaid. In het gezelschap van het (toen nog) achtkoppige collectief rond zanger-songsmid Joe Camilleri voelde ik me indertijd zo ongeveer in de zevende rootshemel. Liedjes als “The Chosen Ones”, “The Crack-Up”, “Chained To The Wheel”, “In The Hands Of The Enemy”, “Hold On To Me”, “Glorybound”, “Harley And Rose”, “Never Let Me Go”, “Hold It Up To The Mirror” en vele andere, ik mag ze tot op de dag van vandaag nog steeds heel erg graag horen. Meer nog, als je me zou verplichten een lijstje met mijn tien “eilandplaten” op te stellen, dan zou er daar van het genoemde tweetal zeker eentje tussen zitten. Om maar te zeggen…

Op een gegeven moment werd het hier echter heel erg stil rond de Black Sorrows. Later leerde ik, dat het de extreme vliegangst van band leader Joe Camilleri was geweest, die hen zowat volledig van de Europese radar had doen verdwijnen. In eigen land bleven de Sorrows al die tijd echter wel actief. En dus mogen we hier en nu ook niet echt van een comeback spreken. Veeleer van een nieuwe poging om Europa in te pakken. Iets wat kan omdat Camilleri ondertussen volledig van “z’n schrik om van de grond te gaan” verlost zou zijn.

Het eerste hernieuwde teken van leven is een uit de songcollecties “Endless Sleep” en “One More Time” bestaande dubbelaar. De eerste een verzameling covers van nummers van artiesten die voor het helpen vormgeven van de muziek van Camilleri en co van cruciaal belang zijn geweest, de tweede een na al die jaren als ideaal ruggensteuntje te bestempelen terugblik op het verleden van de groep. Onder meer de haltes JJ Cale (“Devil In Disguise”), Lou Reed (“Dirty Boulevard”), Blind Willie McTell (“God Don’t Like It”), Big Maybelle (“That’s A Pretty Good Love”), Warren Zevon (“Excitable Boy”), Jody Reynolds (“Endless Sleep”), Hank Williams (“I’m So Lonesome I Could Cry”), Skip James (“Hard Time Killin Floor”), John Coltrane (“Lonnie’s Lament”), Gil Scott-Heron (“Better Days Ahead”), Mississippi Fred McDowell (“61 Highway”), King Floyd (“Baby Let Me Kiss You”), Willy DeVille (“Story Book Love”) en Eddie Hinton (“Just Like The  Fool That I Was”) worden op cd1 aangedaan. Verrassend genoeg niet Van Morrisson, de man met wie Camilleri in het verleden vooral stemgewijs meer dan eens werd vergeleken.

Op het tweede schijfje een soort van best of the Black Sorrows met achtereenvolgens “Lucky Charm”, “Lovers’ Story”, “Hold On To Me”, “Life’s Sad Parade”, “Chosen Ones”, “Snake Skin Shoes”, “Country Girls”, “Ain’t Love The Strangest Thing”, “Harley & Rose”, “Dear Children”, “Little Murders”, “Daughters Of Glory” en “A Fool And The Moon”. Leuk! Als “kennismaking met” dan wel als “geheugenopfrissertje”, dat mag je voor jezelf uitmaken…

Om je een idee te vormen van het geluid van de Sorrows volstaat het indien nodig om je het kruispunt tussen elk van de hoger genoemde invloeden in te beelden. Pop, (roots) rock, blues, funk, R&B, jazz, country, folk, je zegt het maar, Camilleri en co draaien de hand hier echt zo goed als nergens voor om…

The Black Sorrows, Rootsy

 

SHELBY LYNNE “I Can’t Imagine” (Rounder Records / Universal Music)

(5*****)

Er lijkt dezer dagen maar geen einde te willen komen aan de gestage stroom aan lichtjes fantastische platen. Er gaat hoegenaamd geen week voorbij, of er belanden hier wel een paar albums op de schrijftafel, die we zonder verpozen toevoegen aan de check list voor onze “definitieve tien” van 2015, straks aan het einde van het jaar. “I Can’t Imagine”, de zopas verschenen nieuwe van de als immer geweldige Shelby Lynne, is de volgende in het ondertussen al fameus lang geworden rijtje. Geen twijfel over mogelijk! Haar dertiende volwaardige langspeler behoort immers ontegensprekelijk tot het allerbeste op het repertoire van Lynne. Te situeren ergens in de buurt van haar eigen all-time classic “I Am Shelby Lynne” uit 2000!

Tien liedjes telt Lynne’s debuut voor huis van vertrouwen Rounder Records. Twee daarvan schreef ze samen met Ron Sexsmith, twee met Pete Donnelly (Figgs, NRBQ), eentje met haar producersrechterhand Ben Peeler, de rest gewoon in haar eentje. En er zitten verdorie nogal wat klassiekertjes in spe tussen! Van de werkelijk bloedmooie poëtische roots pop van openingsnummer “Paper Van Gogh” tot het al even fantastische streepje Southern soul dat “Back Door Front Porch” is, van het broeierige, in zo ongeveer dezelfde R&B-wateren als collega’s Bonnie Raitt en Susan Tedeschi actieve “Sold The Devil (Sunshine)” tot het op een bedaarde zuiderse rock groove leunende “Down Here”, van de met Ron Sexsmith gepende sensuele soulopstoot “Love Is Strong” tot de bezwerende schuifel-Americana van “Better”, van de door Leni Stern van een enigszins exotisch aandoende intro voorziene sleper “Following You” tot het afsluitende titelnummer en andere, je zal hier echt vergeefs op ook maar één enkel teken van zwakte zitten wachten.

Net geen eenenveertig minuten lang onderstreept La Lynne andermaal een heel “grote madam” te zijn. En ik zou dit album dan ook voor geen geld in de wereld meer willen missen!

Shelby Lynne

 

ELLIOTT MURPHY “Aquashow Deconstructed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ruim tweeënveertig jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat Elliott Murphy debuteerde. In 1973 was dat, met het ook nu nog altijd van harte aan te bevelen “Aquashow”. Een eersteling die wat ons betreft alle indertijd gespuide lovende kritieken volop verdiende.

Nu, op z’n toch ook al zesenzestigste, waagt de meester-songsmid zich aan een complete herinterpretatie van het bewuste album. Een beslissing naar eigen zeggen vooral ingegeven door het feit dat een aantal van de songs erop nog steeds vast deel uitmaken van z’n live-repertoire. Dingen als de klassieker “Last Of The Rock Stars”, het met name gevoelsmatig voorzichtig Bowie-eske “How’s The Family” en het heerlijk rockende “White Middle Class Blues”. Deze en andere songs worden op “Aquashow Deconstructed” op intrigerende wijze naar het hier en nu geloodst. Voorzien van compleet nieuwe arrangementen worden ze klaargestoomd voor een tweede leven. Murphy zelve (zang, diverse gitaren en piano’s en harmonica) en z’n vaste secondant Olivier Durand (gitaar, mandoline en dobro) tekenen naar goede recente gewoonte voor het leeuwendeel van het werk. Maar ook Murphy’s zoon Gaspard is behoorlijk nadrukkelijk van de partij. Hij tekende immers voor de productie en gaf terloops eveneens acte de présence op respectievelijk gitaar, bas, keyboards en wat percussie-instrumenten. Tom Daveau op drums, David Gaugué op cello en Thomas Roussel op viool doen de rest.

Of Murphy hier veel nieuwe fans mee zal winnen, ik durf het luidop te betwijfelen, maar verliezen zal hij er zeker ook geen mee. “Aquashow Deconstructed” is immers gewoon een zoveelste parel aan z’n kroon. Niets minder dan een instant classic voor z’n doorgewinterde volgelingen.

Elliott Murphy, Blue Rose Records

 

DARRELL SCOTT “10 - Songs Of Ben Bullington” (Full Light Records)

(5*****)

Zoals zoveel anderen maakten ook wij pas na de veel te vroeg gekomen dood van Ben Bullington kennis met het werk van die werkelijk fenomenaal goede singer-songwriter. Achtenvijftig mocht hij helaas maar worden, maar met de albums “Two Lane Highway”, “White Sulphur Springs”, “Satisfaction Garage”, “Lazy Moon” en “Ben Bullington” zorgde hij voor een nalatenschap die hem op termijn wellicht een roep zal gaan bezorgen van het kaliber van die van een Townes Van Zandt, een Blaze Foley of een Guy Clark. The kind of stuff that legends are made of, zeg maar. En da’s iets wat nogal wat van ‘s mans collega’s al wel langer leken te beseffen ook. Onder anderen Mary Chapin Carpenter, Rodney Crowell en Darrell Scott droegen hem echt op handen.

En die laatste pakt nu, zo’n anderhalf jaar na de dood van Bullington, uit met wat je zou kunnen omschrijven als het ultieme eerbetoon aan een vriend. Een album, dat eigenlijk al was ingezet nog voor het overlijden van de songsmid uit Colorado. In de laatste drie maanden van diens leven was Scott hem immers iPhone-opnamen van door hemzelf ingezongen interpretaties van zijn liedjes beginnen te sturen. Naar eigen zeggen om Bullington een ander perspectief op z’n songs te gunnen. “To hear songs with 1 degree of separation – like you’re hearing someone else’s songs.” Helaas zou hij er niet veel voordeel meer uit puren.

Eén zo’n opname, een gezien Bullingtons tragische einde toch nog net wat pakkender uitvallende lezing van “I’ve Got To Leave You Now”, sluit “10” af. Het einde van net geen tweeënvijftig minuten van het allermooist denkbare muzikale vertier. Tien liedjes gevangen in hun naakte essentie. Ingeblikt over een tijdsspanne van drie dagen in de studio van Dirk Powell in Breaux Bridge, Louisiana en gewoon bij de beste man thuis. Met Scott enkel en alleen terugvallend op z’n eigen soulvolle stem en een minimum aan instrumentarium. We noemen onder meer wat geleende gitaren van onder anderen Ben Bullington zelve, Guy Clark en Christine Balfa, een banjo van Dirk Powell, enkele piano’s, een pedal steel en een staande bas.

“The One I’m Still Thinking About”, “Born In ‘55”, “Lone Pine”, “Thanksgiving 1985”, “Green Heart”, “His Chosen Time”, “Sage After Rain” en “In The Light Of Day” krijgen zo een liefdevolle beurt mee. Een in Texas ingeblikte live-versie van “Country Music, I’m Talking To You” vervolledigt het geheel.

“Ben’s songs are timeless,” aldus Scott zelve in de liner notes van “10”. “I loved getting right in the middle of these songs and offering my best – these songs are great songs: period.” En wie zijn wij dan om dat tegen te spreken, hè? Wij kunnen eigenlijk alleen nog maar beamen door hierbij aan “10” gelijk de status van ernstige kandidaat voor de titel “Album van het Jaar” te verlenen. Een album voor de eeuwigheid, hoe dan ook…

Darrell Scott

 

ELISA WAUT “Portraits And Landscapes” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

Oude liefde roest niet. Allez, da’s toch wat ze zeggen, hé. Zelfs tegen mensen als ondergetekende. Mensen met al meer dan voldoende levenskilometers op hun teller om die stelling doorgaans met een flinke korrel zout te durven nemen. Maar als het over Elisa Waut gaat, dan ben ik graag eens even niet zo sceptisch. Dan denk ook ik welwillend terug aan het verleden. Aan nagenoeg onweerstaanbare popdeunen als “Four Times More”, “After Today”, “Vanilla”, “We Sail Home Together” en andere, aan prachtalbums als “Commedia”, “Bloom Boom”, “Wood Nymph Blonde” en wel meer. Dat waren nog eens tijden!

U heeft het ondertussen al wel begrepen: het uit de ravissante Elsje Helewaut, haar broer Hans en haar levensgezel Chery Derycke bestaande Brugse trio was hier tussen 1985 en 1998 een bepaald graag geziene gast. Toen hield de groep na een eerdere tussenstop plots ogenschijnlijk definitief op te bestaan. Tot nu, that is. Want zo ongeveer out of the blue mogen we anno 2015 plots toch nog nieuw materiaal van Elisa Waut begroeten. En verdomd goed materiaal nog ook. Het allicht mooiste compliment dat je de drie met betrekking tot de twaalf nieuwe liedjes erop maken kan, is dat veel van het materiaal nagenoeg naadloos aansluit bij wat ze in hun topdagen brachten.

Noem het wat ons betreft maar pop met een gouden randje. Nogal nadrukkelijk mikkend op een al wat rijper publiek. Soms zweverig, soms luchtig. Behoorlijk sensueel bij momenten ook. Al hoeft dat natuurlijk niet echt te verwonderen met een stem als die van Elsje. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker! Ook zoveel jaren later nog! Zeventien om precies te zijn! Een geslaagde wedergeboorte in elk opzicht.

Eerste single “Blossom” kende u ondertussen misschien al wel. Als amuse kon dat nummer zeker tellen. Terugdenken aan de Elisa van weleer mocht, al zullen er ook best wel wat geweest zijn die dat catchy kleinood maar wat graag in hetzelfde hoekje als veel van het materiaal van Hooverphonic hadden ondergebracht. Iets waaraan het überhaupt nogal weelderig uitgevallen arrangeerwerk van Hans Helewaut zeker niet vreemd geweest zal zijn. En da’s hier zo goed als een constante. Hans tekende overigens ook voor de productie van het geheel.

Vervolgens is er het onderweg ergens aan het album zijn titel schenkende “Portrait”. Opnieuw een streepje vintage Elisa Waut. En ook hier weer aan sfeer absoluut geen gebrek. En ook dat blijkt verderop zoveel als een constante. Want of we het nu hebben over het bedrieglijk lichthartige “Come Back To Me”, het onder een subtiel laagje eigentijdse soul bedolven “The Key”, het op de één of andere manier wat klassiek uitvallende “How Many Stars?”, de wat ons betreft gedroomde singlekandidaten “Why Must Things Come To An End?” en “I Don’t Want To Get Hurt” of één van de dan nog resterende prachtdeunen hier, één ding hebben ze zonder uitzondering gemeen, ze baden echt in de sfeer.

Laat ons vooral hopen, dat het hier geen eenmalige reünie betreft…

Elisa Waut, Starman Records

 

BOB WAYNE “Hits The Hits” (People Like You Records)

(3,5****)

Daartoe vooral geïnspireerd door de magistrale “American Recordings” van wijlen Johnny Cash waagt Bob Wayne zich op zijn nieuwe worp voor het eerst aan covers van het materiaal van anderen. Vooral pop- en rockdingen passeren daarbij de revue. Waar wijlen The Man In Black in z’n nadagen veelal koos voor een sobere akoestische aanpak, gaat Wayne op “Hits The Hits” echter voor een full band-benadering. En dat in onvervalste outlaw style uiteraard.

Zo worden achtereenvolgens Led Zeppelin (“Rock And Roll”), Adele (“Skyfall”), Guns N’ Roses (“Sweet Child O’ Mine”), de Stones (“Sympathy For The Devil”), Eric Clapton/Bob Marley (“I Shot The Sheriff”), Gnarls Barkley (“Crazy”), de Red Hot Chili Peppers (“Under The Bridge”), Imagine Dragons (“Radioactive”), de Beatles (“Come Together”), Rihanna (“Disturbia”), The Offspring (“The Kids Aren’t Alright”), Meghan Trainor (“All About That Bass”) en Ozzy Osbourne (“Crazy Train”) door de country-mangel gehaald. En met door de band genomen best wel sympathieke resultaten ook. Daarbij natuurlijk volop profiterend van de vanzelfsprekend grote mate van herkenning, maar dat geeft wat ons betreft hoegenaamd niet.

Wij waren zo bijvoorbeeld heel erg te spreken over de twangy boom-chicka-boom-versie van Adele’s Bond-hitje “Skyfall”, de met origineel banjo- en fiddlewerk opgewaardeerde lezing van “Sweet Child O’ Mine” van Axl Rose en co, een overduidelijk met Cash voor ogen neergelegd “Sympathy For The Devil” en de als een klassieke country train song aangeboden metal classic “Crazy Train” van Ozzy Osbourne.

Ideaal spul als je het ons vraagt om tijdens de zich stilaan weer aandienende zomer goed gevulde festivalweides in no time mee naar z’n hand te zetten! Jawel, neem het maar van ons aan, deze Bob Wayne zal tijdens de maanden juli en augustus ongetwijfeld nog uitgebreid van zich doen spreken…

Bob Wayne

 

BOH FOI TOCH “Sòh!” (BFT)

(4****)

Ik maak me sterk, dat ik één van de weinige Belgische fans van het eerste uur van het dit jaar z’n vijfentwintigjarige jubileum vierende Boh Foi Toch moet zijn. En daar ben ik best wel blij om ook. Niet omwille van het feit dat ik één van de enigen ben, wel omdat ik er al sinds het debuut van de heren, het al in ’92 verschenen “Zeet De Jongs”, en het geweldige, van een goed jaar later stammende “Veur Pauwen En Poeten” bij ben. Ik heb het me echt nog geen moment beklaagd. Met hun aanstekelijke gumbo van onder meer zydeco, Tex-Mex, folk en rock en hun uit het leven in de Achterhoek gegrepen dialectteksten bleken die van Boh Foi Toch voor mij door de jaren heen echte blijvertjes. Dingen als “’t Hundjen”, “Laot Mi-j Gaon”, “’t Montferland”, “Balkenbri-j”, “Deerntjen” en andere, ik hoor ze nu nog net zo graag als meer dan twintig jaar geleden.

En ik durf er eigenlijk flink wat om te verwedden, dat nogal wat van de dertien nieuwe nummers op “Sòh!”, het zopas verschenen zevende album van de dezer dagen uit Hans Keuper (harmonica, gitaar en zang), Han Mali (drums, percussie en zang), Paul Kemper (gitaar en zang) en Willem Te Molder (bas en zang) bestaande groep, een even lang leven beschoren zal blijken. Gelijk het eerste nummer al is weer zo’n typisch catchy Boh Foi Toch-niemendalletje. Op vaardige wijze het beste uit twee werelden – met name rock en Tex-Mex – combinerend wordt daarin bijzonder treffend een coup de foudre bezongen. ’t Is meteen alweer een beetje zomer…

Vervolgens gaat het via het door het “pensorgel” van Hans Keuper gedragen en met de tong diep in de wang geplant ongedierteproblemen in de tuin bezingende “Roepen Op De Moos” en het liefdevol een eindje rondwalsende “Draej, Draej” richting een volgend absoluut hoogtepunt. Quasi op z’n Rowwen Hèzes rockt “Mien Gouvernante” vrolijk rondstuiterend richting de status van toekomstige live-favoriet.

Als tegengewicht voor al dat vrolijks kan het bluesy “Herman” al tellen. Hoe de immer twijfelende protagonist uit dat liedje er zelfs al met een pakje geldbiljetten op zak toch niet in slaagt om onder het juk van z’n huwelijk vandaan te komen spreekt echt wel tot de verbeelding. En dan is het met “Anita” opnieuw volop feest. Ook van die passionele Tex-Mex-meezinger weet je nu al bijna zeker, dat hij het zeer goed zal gaan doen tijdens de nakende optredens van de band.

Volgen dan nog: het bedaard met een R&B-motiefje stoeiend een al bijna zekere liefdestoekomst bedeesd toch nog maar even voor zich uit schuivende “Later Wal”, het ergens tussen blues, zydeco en rock op tegelijk enigszins tragische en ongemeen grappige wijze, de toekomst van zo menig een ouderling bezingende “Olde Keerls Blues”, de Dylan-cover “Een Nacht” (van “On A Night Like THis” van “Planet Waves” meer bepaald), de sfeervolle ballade “Drieven”, het knap een nog niet helemaal verteerde liefdesbreuk als uitgangspunt gebruikende “Wat Za’k Now”, het verhalende “Streupers” en de fraaie folky afsluiter “’t Mooiste Wied Weg”.

Onze conclusie: als een potje dialect op z’n tijd en een lekker feestje geen bezwaar voor je vormen, dan is dit echt wel een aanrader van jewelste.

Boh Foi Toch

 

THE PORTER DRAW “Sets” (Download only!)

(3,5****)

Het gaat er echt wel razend snel aan toe daar in het muzikale universum van The Porter Draw. Nauwelijks twee maanden na “More Trouble” presenteren de alternatieve countryrockers uit Albuquerque, New Mexico ons met “Sets” alweer een… euh,… nieuwe set. Ditmaal tot de nok toe gevuld met covers van eigen favorieten. En daarvan hadden er bij nader inzicht ook flink wat op onze persoonlijke voorkeurslijst gekund.

Afgetrapt wordt er met een geslaagde cover van Steve Earle’s “Copperhead Road”. Vervolgens gaat het via Jerry Reeds oorwurm “East Bound And Down” richting het je vast ook wel van Wilco’s “Summer Teeth”-album bekende “Via Chicago”, Ray Wylie Hubbards in bepaalde delen van de States zo goed als onsterfelijke “Redneck Mother”, Joe Ely’s al bijna even legendarische “Me And Billy The Kid” en Brandi Carlile’s “Hard Way Home”. Daarmee zitten we quasi halverwege “Sets”.

Verderop moeten onder meer ook nog het ons vooral in een uitvoering van Ricky Skaggs bekende “(Hallelujah) I’m Ready (To Go)”, Waylon Jennings’ classic “Good Hearted Woman”, J.D. Crowe’s “Old Home Place”, het bij Gillian Welch geleende “The Way It Goes” en Townes Van Zandts “White Freightliner Blues” eraan geloven. En dan hadden we het nog niet over hét klapstuk hier, een echt wel geweldige countryrockuitvoering van de Green Day-hit “When I Come Around”.

Gewoon een heel lekker plaatje, dit! Niks nieuws onder de Americana-zon, maar dat hoeft ook niet altijd…

The Porter Draw Bandcamp

 

KAURNA CRONIN “Glass Fool” (Songs & Whispers)

(3,5****)

“Glass Fool” wordt aangekondigd als het eigenlijke langspeeldebuut van de Australische zingende songsmid Kaurna Cronin. Eerder verschenen van de beste man immers enkel wat EP’s en singles, pas later verzameld op het naar zichzelf vernoemde “Kaurna Cronin”. We hebben het dan over het an sich ook best al wel aardige drieluik “Pistol Eyes”, “Feathers” en “Goodbye To You”.

Hier en nu willen we evenwel vooral focussen op ’s mans nieuwe worp. Die blijkt bij nader inzicht immers hoogst interessant. Je hebt er heus geen twee luisterbeurten voor nodig om er de vele voordelen van in te gaan zien. Cronin weet op zeer aantrekkelijke wijze elementen uit genres als folk, Americana, pop en rock met elkaar te versmelten. Veelal uitsluitend akoestisch, regelmatig ook met een indie-randje gebracht. Kortom deze Cronin is het soort van singer-songwriter dat vroeg op laat ook hier ten lande op de planken zou moeten kunnen belanden. Echt wel ideaal Radio 1-voer, als je het ons vraagt!

Enkele voorbeelden, wou je? Wel, er is om te beginnen al de catchy eerste single “Inside Your Town Is Inside Your Head”. Nerveus zomert het in dat met leuk koperwerk opgewaardeerd “popdondertje” al een beetje. Zalig liedje gewoon! En van dat soort staan er op “Glass Fool” wel meer. Zo noemen we bijvoorbeeld graag ook nog het ergens tussen Paul Simon, Owl City en Vampire Weekend strandende “The Kind Of Woman I Need”, het met een leuk streepje mondharmonica en een intrigerende tekst gezegende “Everybody’s Still Somebody’s Fool”, het zich sympathiek “oe-hoe-end” vrijwel meteen een permanent stekje tussen ‘s mens trommelvliezen verwervende “Still I Fall” en het bedaard twangende “Gone Is The Ever Unknown”.

Redelijk verslavend werkend spul eigenlijk. Je wordt er in elk geval zo goed als ogenblikkelijk happy van…

Kaurna Cronin

 

MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” (Yep Roc)

(4****)

“This Side Of Jordan”, het twee jaar geleden verschenen vorige album van het Amerikaanse duo Andrew Marlin en Emily Frantz, ook wel Mandolin Orange, bleek een echte voltreffer. De twee uit North Carolina wisten met die tweede cd zo ongeveer wereldwijd de aandacht op zich te vestigen. En dat terecht ook! Met hun aanstekelijke mengvorm van elementen uit genres als folk, country en bluegrass sloegen ze wat ons betreft immers spijkers met koppen. En een prominent stekje in het kielzog van onder anderen dat andere duo, Gillian Welch en David Rawlings, moest dan ook kunnen, vonden wij.

En dat vinden we nu nog steeds. En alleen nog maar meer eigenlijk. Want ook “Such Jubilee”, de nieuwe worp van het tweetal, is weer van een werkelijk ontwapenende schoonheid. Echt alles klopt eraan. Er zijn in de eerste plaats natuurlijk de weergaloze stemmen van Marlin en Frantz, die elkaar op zulke fraaie wijze aanvullen. En ook op hun instrumenten, respectievelijk akoestische gitaren, mandoline en fiddle, kunnen de twee naar ons gevoel amper iets verkeerd doen. Maar hét verkoopsargument nummer één blijven nach wie vor toch de fantastische liedjes van het duo. Vooral die niet zelden wat droefgeestig aandoende kleinoden zijn het, die het hem voor ons doen. Ze vertederen, maar zetten geregeld ook aan tot nadenken. En ook dat vinden wij alleen maar een pluspunt.

Neem nu zoiets als “Blue Ruin”. Hoe men daarin omspringt met de gevoelens opgeroepen door het in december 2012 door de 20-jarige Adam Lanza in de Sandy Hook Elementary School in Newtown, Connecticut aangerichte bloedbad spreekt tot de verbeelding. Een veel mooiere verklanking van de roep om een strengere wapenwetgeving in de States kunnen we ons eigenlijk amper voorstellen.

Andere absolute beauties hier: het voorzichtig de zomer al een weinig aankondigende bluegrasskleinood “Old Ties And Companions”, het onder meer door het prachtige harmonieerwerk erin opvallende “Little World” en de knappe ballads “Rounder” en “Of Which There Is No Like”.

In hun thuisland zal hier wellicht andermaal veelvuldig de uitdrukking “Highly recommended!” voor van stal worden gehaald. En daar kunnen ook wij ons best wel in vinden.

Mandolin Orange

 

ANNIE LOU “Tried And True” (Annie Lou Music)

(4,5*****)

Duizenden albums passeerden hier de voorbije jaren recensiegewijs al de revue. En ik lieg echt niet, als ik zeg, dat ik “Big Dream” en “Trouble”, twee liedjescollecties van de Canadese Anne Louise Genest tot het selecte clubje van de allermooisten daarvan reken. Ik maakte eerder toevallig kennis met haar muziek, toen Ctrl. Alt. Country nog in z’n kinderschoenen stond. En meteen was ik compleet weg van haar songs. Maar na die twee albums werd het plots heel stil rond Genest. Zo leek het althans. Tot ik er enkele jaren later al bijna even toevallig achter kwam, dat ze gewoon niet langer onder haar volledige naam opnam en optrad, maar onder de nieuwe vlag Annie Lou.

En daaronder verscheen zopas al haar derde cd. Na het naar zichzelf vernoemde “Annie Lou” uit 2009 en “Grandma’s Rules For Drinking” van drie jaar later is het nu de beurt aan het door Andrew Collins geproduceerde “Tried And True”. Opnieuw een overheerlijke collectie akoestische rootsmuziekdelicatessen, grotendeels van eigen makelij. Tien van de dertien liedjes schreef Genest immers zelf. De overige drie zijn respectievelijk het door producer Collins aangedragen en op fraai banjowerk van Genest zelve geënte “My Good Captain”, het aan de songcatalogus van de legendarische Hazel Dickens ontleende “It’s Hard To Tell The Singer From The Song” en een lentefrisse lezing van de traditional “Weary Prodigal”.

En met Hazel Dickens viel meteen ook al de naam van één van de artiesten, waarmee Genest regelmatig vergeleken wordt. Met die Dickens maar bijvoorbeeld ook met Kate en Anna McGarrigle, de Be Good Tanyas, Gillian Welch, Iris DeMent en Emmylou Harris. En dat zijn vergelijkingen die niet enkel kunnen tellen, maar wat mij betreft ook absoluut terecht zijn.

Genest betovert hier met een weergaloos amalgaam van old-time mountain music, traditionele country, bluegrass en de Appalachen-variant daarop. Muziek, waarin eenvoud nog volop regeert. Zowel wat betreft de instrumentale invulling van haar liedjes, als wat betreft het tekstuele aspect ervan houdt de Canadese het doorgaans simpel. Daarbij ondersteund door een bescheiden legertje aan uitermate vakbekwame landgenoten op onder meer akoestische gitaar, banjo, mandoline, fiddle, pedal steel, staande bas en drums buigt ze zich songgewijs over levens geleefd op de buiten in haar land.

Ingetogen schoonheden van songs als het titelnummer, het walsje “Roses Blooming” en het zachtjes swingende “Haunted” worden daarbij afgewisseld met wat uitgelatener spul als het door de fiddle van Trent freeman aangejaagde “In The Country”, het zonnige bluegrassriedeltje “Sally At The Crossroads” en het al even sprankelende “Envy Won’t Leave Me Be”.

Wat mij betreft opnieuw ontegensprekelijk een aanrader van formaat, deze nieuwe collectie van Genest. Het soort van plaat waarvan je eigenlijk nu al weet, dat je ze altijd zal blijven koesteren als iets heel dierbaars.

Annie Lou

 

GREAT LAKE SWIMMERS “A Forest Of Arms” (Nettwerk / V2)

(4****)

“A Forest Of Arms” is ondertussen al album nummer zes voor Tony Dekker en de zijnen. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik het één van hun beste vind ook. Een heerlijk gevarieerd geheel alleszins. En een plaat die voorganger “New Wild Everywhere” eigenlijk zowat ogenblikkelijk doet vergeten.

Gelijk van bij het over een exotisch ritme gedrapeerde en met leuk kopergeschetter opgewaardeerde “Something Like A Storm” hadden Dekker en co me aandachtig bij de les. En daar zouden ze me vervolgens net geen eenenveertig minuten lang ook houden. Van het überhaupt wat ijl aandoende rootspopjuweeltje “Zero In The City” tot het ook al extreem catchy “Shaking All Over”, van het moody “Don’t Leave Me Hanging” over het soulvol rockende “One More Charge At The Red Cape”, het op zomers lijzige wijze aan een mens voorbij trekkende “I Was A Wayward Pastel Bay” en het mede door een banjobijdrage eraan wat meer folk(pop)georiënteerde “A Bird Flew Inside The House” tot het afsluitende “Expecting You”, van verveling was hier echt hoegenaamd geen moment sprake. Wel integendeel!

En “A Forest Of Arms” horen komt wat mij betreft dan ook bijna zeker overeen met “A Forest Of Arms” ook kopen! Probeer het maar eens, je zal wel zien…

Great Lake Swimmers

 

ELIZA CARTHY & TIM ERIKSEN “Bottle” (Navigator Records / Proper Music)

(3,5****)

“Bottle” is de titel van de hoogst intrigerende eerste samenwerking tussen Eliza Carthy en Tim Eriksen. Geen van beiden echt onbekenden meer hier natuurlijk. Zij goed voor een lekker potje hardcore Anglicana op z’n tijd, hij van zijn kant voor de Amerikaanse tegenhanger daarvan. En een heuse clash of cultures kondigde zich vooraf dan ook aan. Maar achteraf bekeken valt het allemaal nogal mee. Als er al één ding is dat “Bottle” ten volle aantoont, dan is het wel, dat de Britse en Amerikaanse folktradities elkaar zeer goed aanvullen kunnen.

Het album bruist als het ware van de passie en de energie. En long time friends Carthy en Eriksen vullen elkaar stemgewijs op zonderling mooie wijze aan. Net als de hier volop aanwezige elektrische gitaargeluiden en de aan meer traditionele instrumenten ontlokte klanken eigenlijk. Eriksens donkerbruine grom en Carthy’s vertrouwde engelenzang, ze lijken bij nader inzicht wel voor elkaar geboren.

Je gelooft ons niet? Luister dan bijvoorbeeld maar eens naar het door het duo in een soort van hanengevecht tussen elektrische gitaar en fiddle gedropte “Buffalo”, het mede door subliem snarenwerk ongemeen sfeervol uitpakkende “Logan’s Lament”, het wat traditioneler uitgewerkte “Castle By The Sea”, het volledig a capella gebrachte “May Song” en andere. Dertien songs lang zal je er echt niet omheen kunnen, dat de stemmen van onze twee protagonisten, hoe eigenaardig dat aanvankelijk misschien ook moge lijken, wel degelijk heel erg complementair zijn.

Een duootje van Britse folk en Americana, overgoten met een pittig punky sausje, het bleek een gerecht dat ons best wel wat sterren waard was.

Eliza Carthy, Tim Eriksen, Navigator Records

 

DANNY SCHMIDT “Owls” (Live Once Records)

(4****)

Een nieuwe plaat van Danny Schmidt is wat ons betreft altijd weer iets om naar uit te kijken. Dat was al zo bij elk van z’n zes voorgaande albums en dat is zeker ook weer het geval voor “Owls”, ’s mans eerdaags te verschijnen nieuwe worp. Naar onze bescheiden mening zonder meer één van z’n meest intrigerende so far.

Voor “Owls” ging de Texaanse songsmid in zee met de gerenommeerde David Goodrich. Onder de productionele auspiciën van die onder meer om z’n werk met Jeffrey Foucault, Peter Mulvey en Chris Smither geroemde veelkunner blikte hij z’n zevende in de Fire Station Studios in San Marcos live off the floor in. Mee van de partij waren daarbij verder ook Mike Meadows (drums en percussie), Andrew Pressman (bas), Lloyd Maines (steelgitaar), Keith Gary (piano) en wederhelft Carrie Elkin, Daniel Thomas Phipps en Ali Holder (harmony vocals). Zelf betokkelde Schmidt ook een gitaar en ook Goodrich deed hetzelfde als hij toevallig even niet achter de knoppen of de piano zat.

Het resultaat is een heerlijk organisch aandoend geheel, dat meteen opvalt door z’n wat moody aandoend karakter. Een geheel dat niet enkel liefhebbers van het materiaal van grootmeesters als een Leonard Cohen, een Bob Dylan, een Townes Van Zandt en een Dave Carter zou moeten kunnen aanspreken, maar ook die van “jonge helden” als een Josh Ritter en een Damien Rice. En met name dan de eerste van dat tweetal.

In veel van de liedjes op “Owls” draait het rond eigenheid. En rond transformatie ook wel. En dat vanuit een soort van alwetend of op z’n minst alziend perspectief. Dat van de uil op de achterzijde van het mooie digipack, waarin “Owls” aan de man wordt gebracht als het ware, die vanaf z’n eigen tak de wereld wijs overschouwt. Muzikale schattenjagers gezegend met het nodige geduld zullen er andermaal een flinke kluif aan hebben. Al zullen ze er wel hun tijd voor moeten nemen. Schmidts teksten hebben immers vaak iets bepaald esoterisch over zich. Ze geven lang niet al hun geheimen zomaar zonder slag of stoot prijs. En dan blijkt het wel handig, als je ze ook even mee kan lezen. Zelfs al moet je daarvoor dan wel kort ’s mans webstek bezoeken, want een booklet wordt wellicht om economische redenen niet met de cd meegeleverd.

Danny Schmidt

 

THE BOXMASTERS “Somewhere Down The Road” (101 Ranch Records)

(4,5*****)

Hier heb ik echt maar één woord voor: zalig! Een veel sterker staaltje van pretentieloos vermaak verwacht ik dit jaar echt niet meer tegen te komen.

Gelijk van bij de eerste tonen van openingsnummer “Sometimes There’s A Reason” was ik al verkocht. Wat rinkelen die gitaren weer lekker! En die stemmen ook! Wow! Het gruis van die van Billy Bob en daar dan die van de rest al harmoniërend overheen… Ik zei het al: zalig! En het goede nieuws is, dat Thornton en z’n maatjes Teddy Andreadis, J.D. Andrew en Brad Davis dat fantastische niveau hier en nu liefst twee cd’s lang weten vol te houden.

En dat in tegenstelling tot eerder nu ook uitsluitend met eigen nummers. Waren het op voorgangers “The Boxmasters” en “Modbilly” nog vooral hun even eigenzinnige als aanstekelijke covers van het materiaal van anderen die de aandacht trokken, dan trekken Bud Thornton en de zijnen hier op compositorisch vlak werkelijk alle registers open. Met tweeëntwintig knappe originele lappen “modbilly” tot gevolg. Rootsy pop en rock, rijk aan twang, duidelijk met een zekere hang naar het verleden. Klinkend als een Buck Owens of een Dwight Yoakam jammend met de Beatles en de Byrds.

Echt een dikke, dikke aanrader!

The Boxmasters

 

PHARIS & JASON ROMERO “A Wanderer I’ll Stay” (Borealis Records)

(5*****)

Wie het lange wachten op nieuw werk van Gillian Welch en David Rawlings maar niks vindt, zou zich bij wijze van verstrooiing het nieuwe album van de vanuit Horsefly, BC actieve tandem Pharis en Jason Romero eens moeten aanschaffen. Dat inmiddels al derde album van het duo biedt wat ons betreft immers een zo goed als zekere garantie op luisterplezier van de allerhoogste orde.

Net als op het in 2011 verschenen “A Passing Glimpse” en het van twee jaar later stammende “Long Gone Out West Blues” charmeren de twee daarop met een aan lang vervlogen tijden refererend geluid. Vroege country, old-time, blues en bluegrass zijn hun ding, zoveel is duidelijk. Maar net als Welch en Rawlings weten ook de Romero’s dat gegeven op onnavolgbare wijze naar het hier en nu te vertalen.

En als hun voornaamste troeven daarbij zouden we hier graag hun werkelijk vlekkeloze samenzang, hun ronduit geweldige liedjes en hun daar amper voor onderdoende snarenbijdragen willen naar voren schuiven. In een met David Travers-Smith gedeelde productie en met her en der een handje hulp van Josh Rabie (fiddle), John Hurd (bas), Marc Jenkins (pedal steel) en Brent Morton (drums) duwen de Romero’s hier twaalf nummers lang de deur naar de rootshemel op een kier.

Acht daarvan zijn eigen composities. We noemen in dat verband onder meer het op bedaarde wijze een rusteloos hart aan het woord latende titelnummer, het aan uitermate lentefris banjogetokkel opgehangen “Ballad Of Bill”, het werkelijk magistrale, door Pharis richting de sterren gecroonde “There’s No Companion”, het old-timey, z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “New Lonesome Blues” en het nagenoeg perfect daarbij aansluitende “Lonesome & I’m Going Back Home”.

Vreemde eenden in de bijt zijn de Charley Willis-compositie “Goodbye Old Paint”, het bij Billy Mayhew geleende en door Marc Jenkins op erg fraaie wijze op de pedal steel onderbouwde “It’s A Sin To Tell A Lie”, de zacht swingende Luke Jordan-cover “Cocaine Blues” en het afsluitende “The Dying Soldier” van Buell Kazee.

Hoe dan ook van het allermooiste dat 2015 tot op heden al te bieden had!

Pharis & Jason Romero, Borealis Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Folk Awards 2015” (Proper Music Distribution)

(4****)

‘t Is weer die tijd van het jaar! Vanavond (22 april) vindt in het Wales Millennium Centre in Cardiff voor de zestiende opeenvolgende keer de uitreiking van de prestigieuze BBC Radio 2 Folk Awards plaats. En naar goede gewoonte gaat die jaarlijkse hoogmis van het Britse folkgebeuren ook nu weer gepaard met een fraaie het gebeuren zo ongeveer perfect illustrerende compilatie.

Verspreid over twee schijfjes worden ons ruim zevenentwintig liedjes aangeboden. Het betreft daarbij voornamelijk sleutelnummers van de recente releases van flink wat voor een award genomineerden. Met voorop nogal wat eerder traditioneel opgevat spul van onder anderen mooie Cara Dillon (“Moorlough Mary” van haar knappe laatste cd “A Thousand Hearts”), Martin & Eliza Carthy, Greg Russell & Ciaran Algar, Cruinn (het etherische, werkelijk bloedmooie “Manus Mo Rùin”), The Furrow Collective en Stick In The Wheel. En vanzelfsprekend natuurlijk ook flink wat fraai verhalend liedgoed. In die context noemen we hier graag de bijdragen van nachtegaaltje Nancy Kerr, Peggy Seeger, Julie Fowlis, Naomi Bedford, Jez Lowe en The Young’uns.

Wie houdt van instrumentaal werk komt allicht volop aan z’n trekken bij de contributies van harmonicavirtuoos Will Pound en z’n band, Kathryn Tickell & The Side en de tandem Sam Sweeney & Rob Harbron. Hipsters zullen dan weer vooral opgetogen zijn om ook het duo Josienne Clark & Ben Walker, de Martin Green-Becky Unthank-samenwerking “I Saw The Dead”, de Welshe sensatie 9Bach en good old Loudon Wainwright III op de compilatie aan te treffen.

En ook de toekomst krijgt z’n stekje op het geheel. De vier laatste tracks van cd twee blijken immers gereserveerd voor genomineerden voor de 2015 BBC Radio 2 Young Folk Award. Het betreft daarbij uitsluitend artiesten tussen de zestien en de eenentwintig jaar oud, live vereeuwigd tijdens de jongste editie van het Young Folk Award Weekend. Schots erfgoed komt daarbij aan bod middels het opgewekte “Charlie/Waterfall” van Talisk, werkelijk heerlijk harmonieerwerk bij het naar eigen zeggen door acts als Fleet Foxes, The Staves en James Taylor beïnvloede trio Wildwood Kin en een fijne neus voor een al even fijn liedje bij supertalent Roseanne Reid. Liefhebbers van Americana zullen ten slotte wellicht vallen als een blok voor het met piekfijn banjowerk opgewaardeerde “Pretty Fair Maid In Her Garden” van het uit Reuben en Tabitha Agnew bestaande duo Cup O’Joe.

Folk leeft daar aan de andere kant van het Kanaal, zoveel blijkt hier andermaal weer eens duidelijk!

BBC Radio 2 Folk Awards 2015, Proper Music Distribution

 

KIMMIE RHODES “Cowgirl Boudoir” (Sunbird Records)

(3,5****)

In een poging om zelf met een omschrijving van het door haar op haar nieuwe album “Cowgirl Boudoir” gebodene op de proppen te komen sprak Kimmie Rhodes onlangs over “a retro-cowgirl-hippie-chick musical experiment”, over het schrijven en zingen van songs die traditionele countrygeluiden koppelen aan invloeden reikend van de jaren zestig tot ergens in de jaren tachtig.

Een opzet waarvoor ze uiteraard ook weer kon rekenen op de nodige hulp van Gabe. Die schreef aan flink wat van de liedjes mee, tekende voor de productie en bespeelde en passant ook nog tal van instrumenten, waaronder gitaren, elektrische sitar, mandoline, ukelele en keyboards. Een andere belangrijke betrokkene was Johnny Goudie. Ook hij schreef mee aan enkele songs. Eentje droeg hij zelfs zelf aan en zong het ook samen met Rhodes in. Openingsnummer “I Am Falling” meer bepaald. Daarnaast horen we hem ook terug in “Having You Around”. En dat niet enkel met een gezongen bijdrage, maar ook met wat kunstjes op piano en akoestische gitaar.

Anderen die Rhodes hielpen bij het realiseren van “Cowgirl Boudoir” waren onder meer Glen Fukunaga (bas), Dony Wynn (drums en percussie), Tommy Spurlock (steelgitaar en dobro), Stephano Intelisano (keyboards) en Jolie Goodnight (backing vocals). Met z’n allen zorgden zij voor een van zo goed als elke vorm van opwinding verstoken gebleven muzikale achtergrond, waartegen Rhodes naar goede gewoonte uitgebreid vocaal schitteren kan. Iets waaraan zelfs het gegeven dat haar stem met de jaren alsmaar kwetsbaarder geworden is amper iets veranderen kan. Wars van alle trends en modes doet de Texaanse hier voortdurend volslagen ongedwongen haar eigen ding. En ze maakt zo het soort van plaat die je eigenlijk alleen maar maken kan met voldoende levenskilometers op je teller.

Nogal wat ballades trekken op “Cowgirl Boudoir” aan je voorbij. Maar ook in midtempo kan er het één en ander. Soms al wat meer popgetint, zoals in het eveneens met Johnny Goudie vertolkte “Having You Around Me”, maar doorgaans toch vooral country of op z’n minst country-esk. Zachtjes twangend, swingend of walsend. Gefluisterd soms bijna.

Een heel mooi geheel!

Kimmie Rhodes        

 

TROUT STEAK REVIVAL “Brighter Every Day” (Trout Steak Revival)       

(4****)

Trout Steak Revival is een vijf man sterk eigentijds bluegrasscollectiefje actief vanuit Denver, Colorado. Het kwintet bestaande uit Steve Foltz (mandoline, gitaar en zang), Casey Houlihan (bas en zang), Travis McNamara (banjo, piano en zang), Bevin Foley (fiddle en zang) en Will Koster (gitaar, dobro en zang) is met het door Chris Pandolfi van The Infamous Stringdusters geproduceerde “Brighter Every Day” inmiddels al aan z’n derde cd toe. Eerder verschenen immers ook reeds hun titelloze debuutplaat (2010) en de opvolger daarvan, “Flight” (2012).

Na die tweede plaat ging het met de carrière van de groep alleen maar steil bergop. Met als voorlopige hoogtepunt ontegensprekelijk het winnen van de 2014 Telluride Bluegrass Festival Band Competition. Da’s immers een serieuze adelbrief, die men je nooit meer kan afnemen. Een adelbrief, waardoor zo menig een eerder gesloten gebleven deur plots wel voor je blijkt open te gaan. Onder meer ook die van Ctrl. Alt. Country…

En de vraag is maar, wie daar nu eigenlijk het gelukkigst om moet zijn, die van Trout Steak Revival dan wel wijzelf. Want – Om een lang verhaal meteen maar een flink stuk korter te maken! – “Brighter Every Day” is een ronduit heerlijk te noemen album. Werkelijk alles klopt eraan. Het songmateriaal is van een werkelijk uitzonderlijk hoog niveau, de zang, zowel de solopartijen als het harmonieerwerk, al evenzeer en dan hadden we het nog niet eens over het instrumentale aspect van het geheel. De vijf blijken stuk voor stuk echte kanjers op hun instrumenten, maar cijferen zich waar nodig graag even weg voor het te bereiken resultaat. En dat is wat ons betreft alleen maar lovenswaardig.

En wij zouden je dan ook durven aan te raden, om er vooral niet te lang mee te wachten om je net als ons te laten betoveren door dingen als het zomerse, door de banjo van McNamara op sleeptouw genomen “Union Pacific”, het al even sprankelende duo “Get A Fire Going” en “Oklahoma”, stralend titelnummer “Brighter Every Day”, de instrumental “Sierra Nevada” en andere. Je zal ons nog heel dankbaar gaan zijn voor die goede raad, geloof ons daarin vrij…

Trout Steak Revival, CD Baby

 

THE RUBBER KNIFE GANG “Broken Lines” (The Rubber Knife Gang)

(3,5****)

Het vanuit Cincinnati, Ohio al flink wat jaren aan de weg timmerende trio The Rubber Knife Gang is één van de vele acts die dit jaar tijdens het derde weekend van juni acte de présence zullen geven op het Muddy Roots Europe Festival in Oostkamp. En in afwachting van hun gig aldaar presenteren de drie ons nu bij wijze van voorsmaakje alvast hun nieuwe cd. Hun derde al, na het al in 2008 verschenen “A Rubber Knife Life” en het van zo’n jaar of vijf geleden daterende “Drivin’ On”.

En dat “Broken Lines” blijkt een prima plaat ergens in de schemerzone tussen (alt.-)country, folk, bluegrass, pop en rock. Een plaat, die we – aldus de heren zelf vooraf – graag mochten aanbevelen aan liefhebbers van het materiaal van acts als Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers, de Punch Brothers, Trampled By The Turtles en Greensky Bluegrass. En daar valt nu, ondertussen toch alweer enkele luisterbeurten verder, best wel wat voor te zeggen ook. Net als genoemde acts springen immers ook Hank (Henry Becker – gitaar, banjo, bas en zang), Willy (Todd Wilson – mandoline, gitaar, ukelele en zang) en John (John Oaks – staande bas, gitaar en zang) bijzonder creatief met hun invloeden om. En net als hen lijken ze op de één of andere manier wel voorbestemd om vroeg of laat een wat groter publiek aan te gaan spreken. Iets wat wellicht in grote mate valt toe te schrijven aan hun alternatieve benaderingswijze van hun veelal traditionele invloeden.

In een productie van Robert Fugate dist het drietal hier een bijzonder smakelijk twaalfgangenmenu op. Een menu uitsluitend bestaande uit eigen nummers. Songs geënt op zich meteen knus tussen je oren nestelende melodieën. En bovendien blijken ook de teksten ervan meer dan alleen maar de moeite waard. En dat is uiteraard ook aardig meegenomen. Maar wat ons op de keper beschouwd het meest aansprak in het gros van de nummers van The Rubber Knife Gang, da’s toch de manier waarop ze bijna voortdurend balanceren op het slappe koord tussen de hoger al genoemde genres. Heerlijk gewoon!

“Broken Lines” bevat mede daardoor eigenlijk zo’n beetje voor elk wat wils. Het ene moment wordt er resoluut gemikt op dansgrage benen, het andere zet men je aan tot enkele tellen luidkeels meelallen of integendeel juist in alle stilte een eindje wegmijmeren. Enkele van onze lievelingsgangen: de door een hypernerveuze banjo op gang getrokken eerste single “Bringing The Rain”, het fris als een lentebriesje aan een mens voorbij trekkende “Siren Serenade”, het zich vervolgens als een zeer knappe rootspopdeun tout court aandienende “Draw The Line”, het ingetogen titelnummer en vooral ook “House On Fire”, waarin banjogewijs quasi en passant ook wat oriëntaalse muzikale elementen naar binnen worden gesmokkeld.

The Rubber Knife Gang

 

KEVIN DEAL “Nothing Left To Prove” (Kevin Deal)

(4****)

“Nothing Left To Prove” heet de nieuwe van Kevin Deal en zo is het wat ons betreft ook maar net. Tien albums diep in z’n carrière heeft de Texaanse songsmid hier inderdaad al lang niets meer te bewijzen. Platen als “Honky Tonks-N-Churches”, “Kiss On The Breeze”, “The Lawless”, “Roll” en “There Goes The Neighborhood”, om er maar enkele te noemen, zijn ten huize Ctrl. Alt. Country stuk voor stuk graag geziene gasten. En datzelfde lot lijkt in de nabije toekomst ook weggelegd voor ’s mans recentste worp.

Met z’n aangenaam gruizige stem en z’n vaardige pen uiteraard ook ditmaal weer als z’n voornaamste bondgenoten neemt Deal ons hier mee op een trip langsheen twaalf nieuwe songkostelijkheden. Ingetogen verhalend countryspul van het genre van het titelnummer, “On The Outside Looking In”, “Why Bad Things” en “Stand And Deliver”, maar evengoed wat uitgelatener materiaal. De countryrocker “Let Them Horses Run”, het hoogst aanstekelijke, en passant met flink wat Keltisch folkgevoel opgezadelde “The Irish Bands Are In America” en de catchy Tex-Mex-spielerei “Mucho Trabajo Y Poco Dinero” zijn daarvan uitstekende voorbeelden.

Zo klinkt voor ons de Lone Star State dus op z’n best!

Kevin Deal, CD Baby

 

ROCKY VOTOLATO “Hospital Handshakes” (Glitterhouse Records)

(4****)

“Hospital Handshakes”, Rocky Votolato’s eerste nieuwe plaat in drie jaar tijd, is er niet zomaar één. Z’n achtste markeert immers ’s mans glorieuze comeback na de wellicht donkerste periode uit z’n bestaan. Kort na het verschijnen van voorganger “Television Of Saints” was het fout met hem beginnen gaan. Z’n tot dan toe schier onuitputtelijk lijkende liedjesbron kwam plots volkomen droog te staan. Een extreem geval van writer’s block, zeg maar, van creatieve droogte. Zo erg, dat het zelfs pijn ging doen om überhaupt nog met muziek bezig te zijn. En een flinke depressie was dan ook het gevolg. Een depressie, die er onze man zelfs toe aanzette om de muziek volledig de rug toe te keren. Voorlopig tenminste, zoals in de zomer van 2014 blijken zou.

Votolato had tussentijds hulp gezocht en was langzaam weer uit het dal waarin hij zich bevond gekropen. De liedjes kwamen plots ook weer. En met hen laaide ook ’s mans passie voor muziek weer helemaal op. In nauwelijks drie maanden tijd schreef Votolato ruimschoots voldoende materiaal voor twee albums. Daarmee toog hij vervolgens richting The Hall of Justice in z’n thuishaven Seattle. Richting dezelfde studio dus, waar hij in 2003 met “Suicide Medicine” al één van z’n succesvolste platen had ingeblikt. En net als toen trok hij ook ditmaal weer de je wellicht ook van Death Cab For Cutie bekende Chris Walla als producer aan.

En die Walla kreeg een Votolato in topvorm te zien. Heel erg gefocust, gewapend met een collectie ijzersterke songs, waarin het verwerken van zijn eigen recente verleden het centrale thema bleek. Het verwerken van een trauma, het overwinnen van een depressie, het vinden van een echte zin in het leven, het zijn slechts enkele van de vele, behoorlijk zware aangekaarte thema’s op “Hospital Handshakes”, dat ondanks alles uiteindelijk toch een positieve indruk achterlaat. Votolato blijkt immers goed geplaatst om te beseffen, dat ergens aan de horizon uiteindelijk altijd wel een verlossend lichtje brandt. Je moet het alleen willen zien ook…

Bij het inblikken van “Hospital Handshakes” kreeg Votolato de nodige studiohulp van een behoorlijk indrukwekkende schare aan lokale muzikanten. Zijn je van The Blood Brothers bekende broer Cody sprong bij op elektrische gitaar en een enkele keer ook bas, Eric Corson van The Long Winters hanteerde diezelfde bas overal elders, Andy Lum van Craft Spells drumde, producer Walla leverde tal van toetsenbijdragen en zorgde voor wat soundscapes, Casey Foubert van Pedro The Lion kwam langs voor enkele interventies op tamboerijn, kick drum en elektrische gitaar en de ons voorheen volslagen onbekende Alexandra Niedzialkowski zorgde her en der voor wat backing vocals.

Het resultaat van dat alles is een lekker gevarieerd muzikaal geheel dat wat ons betreft zo langs het allerbeste van Votolato mag. Met quasi voortdurend als stralend middelpunt van de belangstelling zoals ook in het verleden altijd al ’s mans warme, van de passie overlopende stem. Werkelijk excellent in als eerder ingetogen te bestempelen stukken als openingsnummer “Boxcutter”, titeltrack “Hospital Handshakes” en het atmosferische “Sawdust & Shavings”, maar evengoed een te duchten wapen in wat meer op het element rock focussende tracks als “The Hereafter”, het hyperkinetische “White-Knuckles” en “Rumi”.

Een kingsize dosis indie folk rock van de bovenste plank is het logische gevolg. Materiaal dat je zonder ook maar de minste bedenking durft aan te bevelen aan fans van schoon volk als een Paul Westerberg – En bij uitbreiding natuurlijk ook The Replacements! – en een Ryan Adams. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Rocky Votolato, Glitterhouse Records

 

RANI ARBO & DAISY MAYHEM “Violets Are Blue” (Signature Sounds)

(4****)

Album nummer vijf toch ook alweer voor Rani Arbo en haar maats. En wat voor één! De vanuit New England actieve schone en haar string band vieren dit jaar hun vijftienjarig artiestenbestaan samen en dat zullen we geweten hebben ook. Dat ze tot de origineelsten in hun genre behoorden, dat wisten we natuurlijk al wel langer, maar hier doen ze er voor de gelegenheid toch nog een flinke schep bovenop!

Gelijk van bij openingsnummer “Heart Of The World” voel je als luisteraar al, dat Arbo ditmaal weer net dat ietsje meer haar best gedaan heeft. Echt een heerlijk liedje is dat! Het fundament ervoor vormt een zowel door de vermaarde Bo Diddley beat als door West-Afrikaanse muziekvormen beïnvloede drum groove. Aangevuld met uitermate subtiele bijdragen op gitaar en lap steel hét ideale muzikale decorum voor Arbo’s ontboezemingen over een liefde. De liefde, die in heel wat van haar verschijningsvormen überhaupt zowat de rode draad doorheen “Violets Are Blue” vormt. Wat aan bassist Andrew Kinsey met betrekking tot het gebrachte liedgoed alvast de ad rem-bedenking ontlokte, dat we hier te maken hebben met “suikervrije liefdesliedjes”. Zoet dus, maar niet té, he…

En met aan hoogtepunten wat ons betreft alvast allerminst een gebrek. Van het lentefrisse, met twangend gitaarwerk van Anand Nayak en een fijne mandolinebijdrage van Joe Walsh opgewaardeerde “Down By The Water” en het lijzige rootspopniemendalletje “Keep It In Mind” tot het ook al met een flinke knipoog richting pop aan de man gebrachte “Walk Around The Wheel”, het onder meer door Andrew Kinsey’s banjogepingel heel erg old-timey aandoende “You Should See Me Now” en het swingende, door prominente gast Dirk Powell accordeongewijs van een cajuntoets voorziene “Swing Me Down”, van de met een soort van rootsy soulgevoel besprenkelde versie van May Erlewine’s “I Love This City” en het daar perfect bij aansluitende desolate folky luisterliedje “Piece Of Land” tot het sexy “Over And Over”, het enigszins bedaard, maar o zo lekker swingende “I’m Satisfied With You”, het andermaal wat pop met z’n country vermengende “If I’m One” en het afsluitende “Sweet And The Bitter”, we vonden het eigenlijk gewoon allemaal even goed.

Warm aanbevolen derhalve dan ook, deze vijfde op het actief van Arbo en de haren.

Rani Arbo & Daisy Mayhem, Signature Sounds

 

THE WESTIES “West Side Stories” (Pauper Sky Records)

(5*****)

Succesauteur Stephen King noemde z’n landgenoot Michael McDermott ooit “één van de beste songschrijvers ter wereld en misschien zelfs wel het grootste onontdekt gebleven rock & roll-talent van de voorbije twintig jaar”. Welnu, ik moet zeggen, ik ben geneigd om de beste man daarin tot op zekere hoogte te volgen. Als ik het goed heb, dan is McDermott met het met The Westies gepresenteerde “West Side Stories” inmiddels al aan zijn tiende worp toe. En zo ongeveer alle schijfjes die daarvan bij me op de plank belandden zijn werkelijk uitstekend. Met name naar “Last Chance Lounge” uit 2000 en “Ashes” uit 2004 grijp ik regelmatig graag nog eens terug. En dat nieuwe “West Side Stories” mag je wat mij betreft gelijk al aan dat lijstje toevoegen. Dat is immers ontegensprekelijk ’s mans allerbeste plaat tout court. Nu al een klassieker! Van het allerbeste wat het tot nu toe nochtans bepaald niet bloedarme 2015 al voor ons in petto had!

In de schemerzone tussen Americana, folk en pop slaan McDermott en de zijnen hier tien songs lang spijkers met koppen. Op werkelijk ongemeen sfeervolle wijze klauwen ze daarin naar een van langsom lelijkere wereld. Verlies, verraad, het schier eindeloze gevecht tegen de spreekwoordelijke bierkaai, het zijn slechts enkele voorbeelden van daarbij terloops de revue passerende thema’s. Echt vrolijk word je er op de keper beschouwd dus niet echt van, maar dat hoeft natuurlijk ook niet…

Minstens even belangrijk als McDermotts poëtische beslommeringen is de verpakking waarin ze ons worden aangereikt. Dat de man een geweldige stem had, dat wisten we natuurlijk al wel een poosje, maar stralen zoals hier deed ze naar onze bescheiden mening eigenlijk nog nooit! En dat is allicht in niet geringe mate mee de verdienste van z’n hem vocaal buitengewoon fraai ondersteunende wederhelft Heather Horton (ook fiddle) en z’n begeleiders, The Westies. Lex Price (bas en elektrische gitaar in het nummer “Devil”), Joe Pisapia (elektrische gitaar), Ian Fitchuk (drums en piano), John Deaderick (piano), Fred Eltringham (drums in “Devil”) en Daniel Tashian (elektrische gitaar in “Devil”) zorgen immers voor een muzikaal decorum zoals McDermott zich dat allicht altijd al wel gedroomd had. Ongemeen sfeervol, bij momenten op het etherische af, alleszins beklijvender dan ooit.

Je gaat hierbij onwillekeurig denken aan groten der aarde als een Bruce Springsteen en een Elliott Murphy. En dat zou ik nu niet bepaald slecht nieuws durven te noemen. Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan wordt McDermott dankzij deze plaat binnen afzienbare tijd een rijke mens. Het weze hem bij dezen van hieruit alvast van ganser harte gegund!

The Westies

 

ALICE DIMICELE “Swim” (Alice Otter Music)

(4****)

“Swim”, het ondertussen toch ook al dertiende album in eigen beheer van Alice DiMicele, zou je gemakshalve kunnen omschrijven als een soort van roots-totaalpakketje. Maar zelfs die an sich best al wel ruime vlag dekt de gehele lading dan nog niet. DiMicele gaat immers nog breder. In haar veelal met de termen groove folk en acoustic soul aangeduide muziek gaat de Amerikaanse hoegenaamd geen bron uit de weg. Folk, jazz, funk, Americana, rock, soul,… Je zegt het maar!

En dan helpt het natuurlijk wel een flink eind vooruit, als je over een stem zo machtig als die van DiMicele beschikt. Je weet wel, het soort van pipes, waarvoor geen rivier te diep, geen berg te hoog is… Huiveringwekkend goed gewoon! Eén enkele beluistering van “Swim” zal allicht wel volstaan om ons ogenblikkelijk in die stelling bij te treden.

Van het gospeleske “Soul Fly Free” en de ons een weinig aan Joni Mitchell in haar nadagen herinnerende jazzy herwerking van “If I Could Move The World” van eerder album “Naked” tot de zacht rockende Americana van “Open Road”, de aanstekelijke milieubewuste roots pop van “Old Life Back”, het uitermate fragiel gebrachte “Inside” en de met wat Tex-Mex-getoeter gekruide alternatieve country van “When Jane Rides Scout”, stuk voor stuk zijn het ijzersterke liedjes. Net als de resterende vier trouwens. Ook het van de ingehouden spanning levende groove folk-deuntje “Schoolhouse”, funky titelnummer “Swim”, de ballad “This Love” en DiMicele’s Grateful Dead-cover “Ripple” konden meteen op onze ongebreidelde sympathie rekenen.

Onder meer Bill Payne van Little Feat, Vince Herman van Leftover Salmon, Bonnie Paine en Daniel Rodriguez van Elephant Revival, toetsenist Skip Edwards, vioolvirtuoos Darrel Anger, snarenwonder Jeff Pevar en trompettist Mikey Stevens werkten aan het tot stand komen van “Swim” mee. Voor de uitermate geslaagde productie ervan tekende DiMicele zelf.

Alice DiMicele

 

THE BOOM BAND “The Boom Band” (Boom Recordings / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Coincidence is God’s way of being anonymous,” liet de Amerikaanse schrijfster Laura Pedersen zich ooit ontvallen en als ze met die uitspraak ook al is het maar een heel klein beetje gelijk heeft, dan lacht er momenteel ergens ver daarboven eentje al z’n tanden wagenwijd bloot. Een puur toeval was het immers, waaraan we de Britse blues-supergroep The Boom Band te verdanken hebben. De je onder meer van z’n bijdragen aan de Snowy White Blues Project en aan The Motives bekende gitarist Matt Taylor en z’n drummende collega Steve Rushton (Imelda May, Jeff Beck) doodden na een festival in Zwitserland samen wat tijd en spraken daar en toen af om eenmaal terug in hun thuisland samen een gelegenheidsgroep op te starten. Iets wat ze gelukkig voor ons niet vergaten! Want aangevuld met Jon Amor van The Hoax (gitaar en zang), jong talent Marcus Bonfanti (gitaar en zang), Mark Butcher (gitaar en zang), Paddy Milner (keyboards en zang) en Scott Wiber (bas) kwam er wel iets heel speciaals uit de bus! Een band, die überhaupt maar weinig gemeen heeft met andere bands…

Werkelijk iedereen eet hier bijna voortdurend z’n patatje mee! Zonder uitzondering alle betrokkenen dragen songs aan. Zowel Matt Taylor, Marcus Bonfanti, Marcus Butcher, Jon Amor, als Paddy Milner zingen lead. De eerste vier, die doen het bovendien ook nog eens alle vier prominent op gitaar. Klinkt zo op het eerste gehoor als nogal wat volk op een kluitje, niet? En dus was onze grootste vrees vooraf dan ook, dat we op den duur door de bomen – Lees: het oeverloze gesoleer! – het bos niet meer zouden gaan zien. Maar dat valt achteraf gezien echt reuze mee.

Op het titelloze debuut van The Boom Band regeert doorgaans immers het liedje. Niet wat alle bij het project betrokkenen in hun eentje kunnen is hier belangrijk, maar wel tot wat ze samen in staat zijn. En dat blijkt nogal wat. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het lome, het laatste woord van z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Favour Bank Shuffle”, het behoorlijk dirty uit de hoek komende bluesje “Diamonds In The Rust”, het over hoegenaamd z’n gehele lengte in de soul badende “Under The Skin”, de zalige bedaarde rootsy Bonfanti-Gilbert-compositie “When You Come Home”, de glorieuze Southern rocker “We Can Work Together” en de prachtige, door Jon Amor gezongen Ray LaMontagne-cover “You Can Bring Me Flowers”.

En met dat laatste liedje belandden we gelijk ook bij de aan de “Deluxe Edition” van het album toegevoegde bonus tracks. Vier in totaal. Allemaal akoestisch gebracht. Met als werktitel “The Boom Guitars”. Het betreft daarbij covers van de door het treintje Amor-Bonfanti-Butcher-Taylor van een nieuw arrangement voorziene traditional “Nobody’s Fault But Mine”, de hoger al vermelde LaMontagne-compositie en Steve Winwoods “Can’t Find My Way Home” en een werkelijk bloedmooie herwerking van het openingsnummer van de plaat, “We Can Work Together”.

Gaan we, als het God belieft, binnenkort op zo menig een zomerfestival nog het nodige plezier aan beleven, aan deze Boom Band! Op 2 mei aanstaande treden de heren alvast aan op Moulin Blues in het Nederlandse Ospel.

The Boom Band

 

THE WHIGS “Modern Creation” (New West Records / ADA Warner Music)

(4****)

Goed en wel een jaar geleden verscheen hij al in de States, deze “nieuwe” van The Whigs. En nu ziet die heerlijke schijf dus eindelijk ook hier officieel het daglicht. Waarom we er zo lang op hebben moeten wachten? Joost mag het weten, want dit is echt wel een heel dikke plaat. Rock & roll met een hoofdletter R. Live off the floor ingeblikt onder de hoede van de je wellicht ook van z’n werk met onder anderen Wilco, Tom Petty en Matthew Sweet bekende Jim Scott in diens PLYRZ Studio in Valencia, California. Gewoon lekker met z’n drieën samen in één enkele ruimte en proberen je live sound zo dicht mogelijk te benaderen, zoiets…

Met als resultaat een tot de rand toe gevulde trog krachtvoer voor rockgrage (feest)varkens als ondergetekende. Voor mensen die in de late sixties en vroege seventies graag wat Who en Stones voorgeschoteld kregen. Mensen, die goed en wel een decennium later bij wijze van verjongingskuur met veel plezier zo menig een punkwatertje doorzwommen. Die in de jaren tachtig aandachtig ronddwaalden doorheen de Paisley underground. Mensen, die ook de prille Kings Of Leon wel wisten te pruimen. Kortom: liefhebbers van een lillende lap niks ontziende rock & roll op z’n tijd. Van vanuit de één of andere garage lekker om zich heen schoppende herrie met aandacht voor het liedje. Voor hen is deze vijfde van The Whigs bestemd.

Wat ons betreft verplichte kost: het titelgewijs meteen zo’n beetje als een soort van leidmotief te beschouwen en ons heel erg aan de Replacements herinnerende rockopdondertje “You Should Be Able To Feel It”, het omineuze, door de donderende drums van Julian Dorio aangejaagde “Asking Strangers For Directions”, het rete-catchy, als het ware op z’n blote knieën om luid meebrullen smekende “Hit Me”, het middels messcherpe gitaaruithalen en een hyperkinetisch ritme elke mogelijke weerstand ook al ogenblikkelijk aan flarden rijtende “Friday Night”, het ondanks weer erg nadrukkelijk aanwezig snarenwerk toch aardig melodieus uit de hoek komende “She Is Everywhere” en de al was het ook maar enkele tellen lang rust predikende powerpop-oorwurm “Too Much In The Morning”.

Zoals hoger al even aangestipt: een dikke, dikke plaat! Een mens zou er verdomme zomaar bij vergeten, dat hij stilaan een dag ouder aan het worden is….

The Whigs, New West Records

 

NEW MADRID “Sunswimmer” (Normaltown Records / ADA Warner Music)

(2,5***)

New Madrid – Vooral niet te verwarren met de Britse New Madrids! – is een uit Phil McGill (zang en gitaar), Graham Powers (gitaren en zang), Ben Hackett (bas en zang) en Alex Woolley (drums en percussie) bestaand viertal uit Athens, GA dat met het zopas verschenen “Sunswimmer” ondertussen al aan z’n tweede cd toe is. “Yardboat”, het in 2012 in eigen beheer op de wereld losgelaten debuut van de heren, oogstte toen nogal wat lovende commentaren. Maar onze eerlijkheid gebiedt ons hier te bekennen, dat die plaat indertijd volledig aan onze aandacht ontsnapte. Wat we erover weten, is wat we er naar aanleiding van het verschijnen van deze tweede over lazen. En dat is bijvoorbeeld dat ze onder de hoede van David Barbe, je ook wel bekend van zijn werk voor onder anderen de Drive-By Truckers en Deerhunter, werd ingeblikt.

Geen wonder dan ook, dat we diens naam ook op deze nieuwe worp van de groep aantreffen. Een worp, waarmee de vier ongetwijfeld weer heel wat bijval zullen gaan oogsten. En met name in wat alternatiever ingestelde kringen dan. Wij kunnen het ons alvast heel goed voorstellen, dat men zich daar vingers en duimen zal gaan aflikken bij het geëxperimenteer van McGill en co. Hun doorgaans behoorlijk wazig aandoende soundscapes zijn als het ware gefundenes Fressen voor wie voortdurend op zoek is naar weer maar wat nieuws. En al zeker als wat (ellenlange) psychedelische spielereien daarbij moeten kunnen.

Zelf zijn we hier niet echt kapot van. Maar ja, underwater-psych-rock behoort hier dan ook niet meteen tot wat je noemt de dagelijkse kost…

New Madrid

 

DIVERSE ARTIESTEN “Stockfisch Records, Closer To The Music, Volume 5” (Stockfisch Records)

(3***)

Label samplers… Eigenlijk waren het ooit vooral handige dingen voor radiojongens. Niks was immers zo gemakkelijk als lekker veel muziek op één enkel schijfje. En van allemaal verschillende artiesten dan nog…

Maar ja, de tijden veranderen. En dat doen ze nog elke dag wat sneller, zo lijkt het wel. En die radiojongens? Die gaan natuurlijk ook met hun tijd mee en doen dezer dagen zo ongeveer alles digitaal. En dus is het stellen van de nodige vragen bij een label sampler als het onderwerp van deze bespreking allicht gerechtvaardigd. Je kan je bijvoorbeeld afvragen, wat men er precies mee wil bereiken. Wij zouden het alvast niet weten… Wil men er ons nieuwe producten mee leren kennen, zei u? Nu ja, daar bestaan tegenwoordig toch wel andere middelen voor, niet? Daar hoeven we ons heus geen label samplers meer voor aan te schaffen… Een bescheiden dagelijks ommetje op het internet volstaat daartoe ruimschoots. Waarom dus nog verzamelaars à la deze? U mag het ons altijd even komen uitleggen…

Maar goed, we willen hier ook niet al té negatief gaan doen, he. Op “Closer To The Music Volume 5” van het onvolprezen Duitse Stockfisch Records blijkt er bij nader inzicht immers nogal wat goede muziek voorhanden. Materiaal, dat veelal thuis blijkt te horen onder de ruime hoofdingen singer-songwriter en folk. Veelal, maar niet uitsluitend. De laatste drie tracks bijvoorbeeld mogen rustig in het bakje met klassieke muziek. We hebben het dan over de bijdragen van het La Folia Barockorchester (“Vivaldi – L’inverno – Largo”), The Spirit Of Gambo (“The Silver Swan”) en de Chinese zangeres Song Zuying (“A Riverside Town”).

Verder vooral veel spul van onlangs door Stockfisch Records op de wereld losgelaten albums en ook enkele deuntjes van binnenkort nog bij het label te verschijnen platen. Tot de eerste categorie behoren songs van Allan Taylor, Steve Strauss, The Greater Good, David Roth, Brooke Miller, Paul Stephenson, Carl & Parissa, David Munyon, Paul O’Brien en Ranagri. Tot de voor muzikale ontdekkingsreizigers beduidend interessantere tweede liedgoed van de intrigerende Noorse Kerstin Blodig (“Fause Fause” van het op stapel staande “Out Of The Woods”), de gerenommeerde Carrie Newcomer (“Sparrow” van haar titelloze volgende), gitaarvirtuoos Don Ross (“Simple Thought” van “Black Chandelier”) en good old Tony – “Is this the way to Amarillo?” – Christie, die samen met de muzikanten van Ranagri voorwaar een heel album met traditionele Ierse songs vulde (“Carrickfergus” van “Ranagri Feat. Tony Christie”).

Kortom: een plaat vol fijne luistermuziekskes, vooral interessant voor mensen met een schrijnend gebrek aan zoektijd die nog niet echt veel materiaal van “huis van vertrouwen” Stockfisch Records op de plank hebben staan. En uiteraard ook nu weer aangeboden in het van de Duitsers bekende en geliefde hybrid-super-audio-cd-formaat.

Stockfisch Records

 

MARLA BLUMENBLATT “Sag Einfach Ja” (AdP Records / AL!VE)

(2,5***)

Met haar vorige langspeler, haar werkelijk grandioze debuutplaat “Immer die Boys”, wist de in Wenen als kind van Macedonische ouders opgegroeide Marla Blumenblatt ons met één enkele, op de keper beschouwd veel te breed ingezette tackle genadeloos te vloeren. Heerlijk gewoon, hoe ze op dat album de late jaren vijftig naar het hier en nu wist te vertalen. En in het Duits dan nog! Als een soort van eigentijdse uitvoering van legendarische fatale madammen als een Caterina Valente, een Connie Francis en een Wanda Jackson gaf ze quasi terloops aan het begrip vintage een totaal eigen draai mee. Met veelal rete-catchy liedjes als “Cornetto”, “Gartenpavillion”, “Lichter von Berlin”, “Gängsterbraut”, “Gefühle zeigen ist nicht sexy”, “Verliebt aber allein”, titelnummer “Immer die Boys”, “Was kann ich dafür” en nog een handvol andere had ze er hier al na één enkele luisterbeurt een fan voor het leven bij. Dachten we…

Maar nu, kort na het ontvangen van haar nieuwe worp “Sag einfach ja”, zien we ons verplicht die mening toch een weinig te nuanceren. De vijf nummers daarop breken immers behoorlijk radicaal met wat Blumenblatt op haar eersteling deed. Hier lijkt plots alles in het teken te staan van een frontale aanval op liefst zoveel mogelijk hitlijsten tegelijk. Gelijk van bij het an sich best wel aanstekelijke titelnummer wordt je als luisteraar duidelijk gemaakt, dat je met je verwachtingen naar aanleiding van “Immer die Boys” op je honger zal gaan blijven zitten. Dat door aardig repetitief blaaswerk aangejaagde niemendalletje lonkt immers al behoorlijk nadrukkelijk richting dance charts. En dat blijkt later al evenzeer het geval voor het met elementen ontleend aan respectievelijk hip-hop en R&B stoeiende tweetal “Alles für den guten Swag” en “Großstadtcowboys”. Voor dat laatste kwam zelfs Deutsch-Rapper Eko Fresh even voorbij.

“Mein Ding” sluit op zijn beurt dan weer wel een beetje aan bij Blumenblatts recente verleden. Da’s namelijk een lekker (hitgevoelig) rockertje, waarin het retro-element nog niet helemaal naar de achtergrond verdrongen werd. En dat kan aanvankelijk met ongeveer evenveel recht worden gezegd over het afsluitende “Hast du heute schon getanzt”. Maar de sympathiek ten dans uitnodigende surfgitaarklanken van de eerste paar tellen daarvan worden mede onder invloed van de inbreng van rapper Olexesh al snel tot een figurantenrol in alweer een R&B-deuntje veroordeeld. Jammer…

Nu gunnen wij schone Blumenblatt van ganser harte het nodige succes, maar als het niet meteen zou lukken… Bij een nieuwe schijf à la “Immer die Boys” staan we graag terug op de eerste rij!

Marla Blumenblatt

 

WELDON HENSON “Honky Tonk Frontier” (Hillbilly Renegade Records)

(4****)            

Ruim vier jaar na “One Heart’s Gone” mogen we eindelijk weer eens nieuw plaatwerk begroeten van neo-traditionalist Weldon Henson. De sympathieke Texaan met de lekker warme baritonstem schrijft met het toepasselijk getitelde “Honky Tonk Frontier” schijnbaar onvermoeibaar verder aan z’n eigen al in 2008 met “Tryin’ To Get By” aangevatte en de volgende jaren met “Trouble For Me” (2009) en het al genoemde “One Heart’s Gone” (2011) verder uitgediepte succesverhaal. Met tien nieuwe songs van eigen hand en een cover van Don Singletons “Hey, Bottle Of Whiskey” geeft hij er ons alvast weer aardig wat redenen bij om hem stevig aan de borst te drukken.

In een met de gerenommeerde tandem Tommy Detamore en Ricky Davis gedeelde productie en met de nodige studio-hand-en-spandiensten van diezelfde Davis op pedal steel en dobro, Trey Kincade op bas, Ronnie Huckaby op piano en Eric C. Hughes op drums presenteert Henson hier een set die al het in het verleden al over hem geschreven goede alleen maar bevestigt. De man bewijst elf nummers lang niet enkel over een heerlijke countrystem te beschikken maar bovendien en vooral ook een fijn deuntje in de vingers te hebben en een aardig eindje op zowel akoestische als elektrische gitaren uit de voeten te kunnen. Nogal wat typische traditionele onderwerpen komen daarbij tekstueel aan bod. Met voorop natuurlijk de nodige drank en hartzeer. Zoals in het in het verleden ook al door Gary Stewart getackelde “Hey, Bottle Of Whiskey”, het binnenkort wellicht sierlijk over zo menig een plaatselijke hardhouten dansvloer heen swingende “I Need Wine” en de twangy rocker “Heartache Game”. Met liedjes van dat kaliber zou Weldon Henson zich spelenderwijze een plaatsje tussen het materiaal van knapen als een Dale Watson, een Dwight Yoakam, een Kevin Fowler en een Alan Jackson in je collectie moeten kunnen verwerven.

Van het ook al van een veelzeggende titel voorziene “Honky Tonk Feels Right” en het eerder bedaard aan de man gebrachte “Looking For My Break” tot de door Ricky Davis in steelklanken ondergedompelde tragen “Not A Home” en “The Score”, het toepasselijkerwijze met z’n vrouw Brooklyn gedeelde swingertje “Hey Baby, Can You Help Me”, de knappe countryrockers “Trying To Pretend” en “That Look” en het gelijk door z’n uitermate positieve ingesteldheid opvallende “Just Believe”, ruim achtendertig minuten lang serveert Henson hier wat wij feel good country zouden willen noemen. Muziek, waarbij we de komende weken, maanden, jaren nog regelmatig graag een flesje zullen kraken…

Weldon Henson

 

GREG TROOPER “Live At The Rock Room” (52 Shakes Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Precies op tijd om de honger naar het bijwonen van één van de optredens van z’n op stapel staande tournee doorheen de Lage Landen nog wat aan te scherpen pakt de Amerikaanse singer-songwriter Greg Trooper uit met een nieuwe live-cd. “Live At The Rock Room” is al de derde in het rijtje. Eerder verblijdde de beste man ons immers ook al met het tweetal “Between A House And A Hard Place, Live At Pine Hill Farm” (2002) en “The BackShop Live” (2006). Gelukkige bezitters van op z’n minst één van die twee albums of zij die al wel eens een gig van Trooper meepikten kennen hem niet enkel als een begenadigd zanger en dito songsmid maar ook en vooral als een rasentertainer. Als iemand die z’n publiek ook tussen z’n liedjes door weet te boeien.

En dat brengt ons meteen bij één van de pluspunten van ’s mans nieuwe worp: met name het feit dat men ook een aantal van die intro’s tot z’n liedjes voor het eindproduct weerhouden heeft. Ze geven het geheel alleen nog maar meer kleur. Voor zover nog nodig natuurlijk! Want het songmateriaal van “Live At The Rock Room” alleen al zou eigenlijk ruimschoots moeten volstaan. De nadruk van de set ligt uiteraard op liedjes van Troopers twee laatste platen “Upside-Down Town” en “Incident On Willow Street”. Van de eerste van dat tweetal dist hij en passant het lichtjes fantastische “They Call Me Hank”, “Might Be A Train” en “We’ve Still Got Time” op. Van de tweede met “All The Way To Amsterdam”, “Good Luck Heart”, “Mary Of The Scots In Queens”, “Everything’s A Miracle”, “The Land Of No Forgiveness”, “One Honest Man” en “Amelia” liefst zeven eenheden. Van eerdere platen als “Floating” en “Make It Through This World” krijgen we daarnaast de “klassiekertjes” “Inisheer”, “This I’d Do” en “Don’t Let It Go To Waste” en als kers op de taart is er ook nog één volslagen nieuw nummer. Dat is de verstilde parel “Broken Man”, de pakkende verklanking van het verborgen verdriet van een man op jaren.

Bij het vertolken van al dat moois kon Trooper daar in het verre Austin terugvallen op de muzikale kunstjes van secondanten Chip Dolan en Jack Saunders. Dolan deed het op accordeon en keyboard, Saunders van zijn kant op contrabas en beiden zongen ze her en der ook een mondje mee. En dat leidt tot bij momenten ronduit verbluffend mooie resultaten. Trooper klinkt hier eigenlijk gewoon soulvoller dan ooit! En dat wil al iets zeggen, als je weet dat zelfs een collega als Steve Earle zich ooit liet ontvallen ’s mans stem al een poosje te begeren…

Greg Trooper, Lucky Dice Music

 

THE HIGH LINE RIDERS “Bumping Into Nothing” (Blue Rose  Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)   

Na een radiostilte van goed en wel 18 jaar duiken The High Line Riders als het ware vanuit het niets plots terug op. The wie, vroeg u? The High Line Riders. Het rootsrockbandje uit New York, dat ons ooit singer-songwriter Ed Pettersen opleverde, remember? Nu ja, mocht er ondertussen nog steeds geen belletje zijn gaan rinkelen, dan maakt dat eigenlijk ook niet zo heel erg veel uit. Genieten kan je van nieuwe worp “Bumping Into Nothing” immers ook zonder de nodige voorkennis van het bandverleden.

Wat valt er allemaal te weten? Wel om te beginnen bijvoorbeeld, dat je de Riders dient te gaan zoeken in zo ongeveer dezelfde hoek als de Bottle Rockets, de Brandos, de Del Lords en de Drive-By Truckers. Die van de roots rock en alternatieve country geleverd met het bindende advies “Crank It Up!” dus. Muziek, waarin de gitaren zo goed als nooit om aandacht dienen te bedelen.

En voorts lijkt het ons zeker ook wel interessant om mee te geven, dat de band naast Ed Pettersen (zang en gitaren) verder ook nog gitarist Gary Goodlow, drummer Pete Abbott, bassist David Santos en de je misschien wel van zijn werk met Jason Molina bekende steelgitarist Mike “Slo Mo” Brenner in haar rangen telt. En dat Pettersen niet enkel alle twaalf de liedjes voor “Bumping Into Nothing” aandroeg, maar en passant ook nog even tekende voor de productie ervan. En op die manier dus ook medeverantwoordelijk werd voor het binnen de lijntjes kleuren van gasten als Jen Gunderman, Freddy Holm, Henning Kvitnes, Ida Jenshus, Freedy Johnston, Chuck Mead, The Farewell Drifters, Joanna Smith en Wendy Moten.

Opvallendste momenten van een überhaupt opvallend coherent geheel zijn wat ons betreft de met good old Freedy Johnston gedeelde melancholische gitaarrocker “Everytime It Rains”, de twee versies van het knappe “Cold Comfort” met ditmaal opvallende bijrollen voor de Noorse tandem Henning Kvitnes en Ida Jenshus, de met de onvolprezen Farewell Drifters ten gehore gebrachte shouter “Janey”, het als een bluesy klaagliedje verpakte eerbetoon aan de man uit z’n titel “Jason Molina’s Blues”, de heerlijk melodieuze, meteen tot luidkeels meebrullen uitnodigende rocker “You Can’t Get There From Here” en het meteen daaropvolgende en er ook perfect bij aansluitende “I Don’t Think About When You Were Mine” (met Chuck Mead) en zeker ook niet te vergeten, de fraaie, met zalige jengelgitaartjes en dito ondersteunende zang van Joanna Smith opgewaardeerde trage “I’m Where You Where”.

Wedden, dat het allemaal ruimschoots volstaan zal om onverwijld op zoek te gaan naar een exemplaartje van “Somewhere South Of Here”, de al in 1997 verschenen enige eerdere plaat van de groep? Die kwam er overigens nog onder de naam Ed Pettersen & The High-Line Riders. (Het kan maar helpen bij het zoeken…)

The High Line Riders, Blue Rose Records

 

JESSE MALIN “New York Before The War” (Velvet Elk / One Little Indian)

(4****)

Goed en wel vijf jaar na z’n laatste worp, het in 2010 verschenen “Love It To Life”, meldt Jesse Malin zich op ronduit indrukwekkende wijze terug met “New York Before The War”. ’s Mans batterijen zijn na die best wel lang uitgevallen carrière-time-out duidelijk weer goed geladen.

En “New York Before The War” kon daardoor uitgroeien tot een wat we zouden durven noemen aangenaam gevarieerd klinkend geheel. Met als inzet een wat moody aandoende pianoballade die gaandeweg aanzwelt tot iets van een bedaarde rocker. “The Dreamers” is dat. Vervolgens gaat het via de met een catchy baslijn meteen met de deur in huis vallende power pop van “Addicted” en de op messcherpe gitaren geënte Stones-y rock & roll van “Turn Up The Mains” richting een volgend absoluut hoogtepunt. Want dat is “Oh Sheena” wat ons betreft echt wel ontegensprekelijk. Heerlijke catchy stuff! Ons nerveus rockend best wel wat aan Paul Westerberg en de Replacements in hun hoogdagen herinnerend. Iets wat overigens voor wel meer nummers hier geldt. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag ook nog de regelrechte oorwurm “Boots Of Immigration” en het bij momenten meer gesproken dan gezongen “Deathstar”.

Een ander absoluut niet te omzeilen referentiepunt blijkt zoals in het verleden al wel vaker Ryan Adams. Zowel bij de knappe atmosferische tragen “She’s So Dangerous” en “I Would Do It For You”, als bij het zomers-melancholische Americana-intermezzo “The Year That I Was Born” en het hyperkinetisch voorbij razende “Freeway” gleden de gedachten hier onwillekeurig in die richting af. En dat zouden we nu niet meteen slecht nieuws willen noemen.

De drie dan nog resterende nummers zijn “Beat Up”, een streepje countryrock van het lekkerdere soort, “She Don’t Love Me Now”, een onder meer middels een soortement reggaemotiefje en soulvolle blazers schaamteloos naar radioaandacht hengelend lentefris rootsrockopstootje, en het afsluitende “Bar Life”, dat na een begin als ingetogen pianoballade onderweg plots iets bepaald Springsteen-esks over zich krijgt.

Al bij al best wel een blij weerzien!

Jesse Malin, One Little Indian

 

JJ GREY & MOFRO “Ol’ Glory” (Provogue / Mascot Label Group)

(4****)

Negen albums diep in hun carrière mogen we er stilaan wel van uitgaan, dat JJ Grey & Mofro geen onbekenden meer voor je zijn. En mocht dat toch nog het geval zijn: now’s as good a time as any om een serieus inhaalmanoeuvre in te zetten. Daartoe aangevuurd door “Ol’ Glory” bijvoorbeeld, het onlangs verschenen nieuwe album van het combo uit Jacksonville.

Twaalf nummers lang bewijzen songsmid Grey en de zijnen daarop andermaal tot het allerbeste te behoren wat er anno 2015 op soulvlak te rapen valt. Gelijk van bij het radiogenieke, je heupwiegend mee terug naar de vroege seventies tronende Southern soul-opdondertje “Everything Is A Song” is het weer goed prijs! Dan al weet je als luisteraar “I’m in for a real treat!” En een lekker gevarieerde bovendien ook nog, zo zal al snel blijken.

Zo is er meteen na die zuiders soulvolle opener al een pareltje van geheel andere orde. Met de ongemeen sfeervolle sleper “The Island” belanden we immers even volop in Americana-land, om vervolgens via het door gast Derek Trucks van wat fameus slidewerk voorziene “Every Minute” een aardig eindje over het slappe koord gespannen tussen Southern rock, soul en R&B te worden meegeloodst. Het funky “A Night To Remember” valt op zijn beurt dan weer op door z’n zalige groove en “Light A Candle” blijkt van de soul bulkend bluesy één-tegel-materiaal. En van funky gesproken: ook het sexy met de kont schuddende “Turn Loose” doet het in die sector werkelijk uitstekend.

De tweede helft van “Ol’ Glory” wordt ingezet met het op spannende wijze soul met rock verbindende “Brave Lil’ Fighter” en bevat verder ook nog het aardig swampy getinte “Home In The Sky”, het zeker gitaargewijs even wat richting Jimi Hendrix overhellende “Hold On Tight”, het beklijvende, de nadruk enkele tellen lang wat meer op het tekstuele aspect vestigende “Tic Tac Toe”, het lekker swingende titelnummer en de bij nader inzicht enigszins country-esk opgevatte afsluiter “The Hurricane”.

Wat ons betreft andermaal twaalf prima redenen om JJ Grey en de zijnen stevig aan de borst te drukken. (En om ze, als het even kan, voor wat zomerfestivals naar hier te halen!)

JJ Grey & Mofro, Mascot Label Group

 

JOEL RAFAEL “Baladista” (Inside Recordings)

(4****)

Als singer-songwriter Joel Rafael hier te lande al enige bekendheid geniet, dan is dat in eerste instantie te wijten aan “Woodey” en “Woodyboye”, de twee aan het liedgoed van wijlen Woody Guthrie gewijde projecten, waarmee hij respectievelijk in 2003 en twee jaar later van zich deed spreken. Twee erg mooie albums! Waar die platen de aandacht echter niet op vestigden, waren de eigen vaardigheden als songsmid van Rafael. En dat doet ’s mans nieuwste wat ons betreft gelukkig weer wel.

“Baladista” is ondertussen ook alweer Rafaels negende album. En op die opvolger van het in 2012 verschenen “America Come Home” blijkt de man in zeer goeden doen. Met de tien knappe ballades erop viert hij als het ware zijn gouden jubileum als performer. Het moest dus ook wel goed zijn…

Voor de productie van het geheel tekende Rafael samen met z’n vrouw Lauren zelf. Voor het inspelen ervan deed hij een beroep op collega’s Greg Leisz (elektrische gitaren, dobro en pedal steel), James “Hutch” Hutchinson (bas), John Inmon en Terry “Buffalo” Ware (elektrische gitaren in de Hedy West-cover “500 Miles”). Zelf hanteerde hij de akoestische en een mondharmonica en nam hij plaats achter de piano. Het resultaat is even simpel als doeltreffend.

In de tien liedjes op “Baladista” omarmt Rafael als vanouds het leven zelve. Met z’n fraaie momenten, maar zeker ook met z’n mindere. En tot die laatste mag je wellicht ook ’s mans in eerste single “Old Portland Town” beschreven lotgevallen rekenen. Daarin heeft hij het onder meer over z’n eigen arrestatie in het kader van een razzia bedoeld om zich aan hun legerdienst onttrekkende outlaws tot de orde te roepen.

Nog zo’n prachtig moment is het met de je van z’n werk voor de Eagles bekende Jack Tempchin gepende “Love’s First Lesson”. Die eerste les is als we Rafael en z’n maatje geloven mogen “a broken heart”. Alleen een gebroken hart weet immers “how it is to lose”.

En dan hadden we het nog niet over dingen als het vertederende, aan een gemiste liefdeskans gewijde “She Had To Go”, het je in moeilijke momenten een groot hart onder de riem stekende “Baby Let It Go” of het werkelijk schitterende “El Bracero”. In dat laatste horen we Rafael echt op z’n best. Daarin buigt hij zich over het lot van de vele Mexicaanse arbeiders, die in 1942 opnieuw richting de States werden gelokt. Aan de door de Tweede Wereldoorlog gecreëerde nood aan handwerkers moest nu eenmaal worden voldaan. Zelfs een wettelijk kader werd ervoor voorzien. Mishandeling en uitbuiting op grote schaal zouden op korte termijn helaas het gevolg blijken.

Verder ook nog heel erg mooi: de levenslessen vervat in “Sticks And Stones” en “The Good Samaritan”. Met Rafael quasi terloops op zoek naar het goede in elk van ons.

Een geheel als dit kan je eigenlijk alleen maar warm aanbevelen! En dat is bij dezen meteen ook gebeurd!

Joel Rafael, Inside Recordings

 

THE KENNEDYS “West” (The Kennedys)

(4****)

Pete en Maura Kennedy vieren in 2015 hun twintigjarig samenzijn als duo. Zowel op privé- als op muzikaal vlak overigens. En dat vieren, dat doen ze dan ook in stijl. Van elk van beiden zal er dit jaar nog een nieuwe soloplaat verschijnen, maar er is vooreerst natuurlijk hun nieuwe bandproject “West”. En da’s een verdomd lekkere plaat geworden. Een plaat, die door haar erg gevarieerde invulling op de keper beschouwd veel weg heeft van een “Kennedys-best of”. Maar dat is het nadrukkelijk niet. Het betreft hier immers wel degelijk dertien nieuwe liedjes. Alleen passeren daarin zo ongeveer alle invloeden de revue, waaraan het tweetal zich de voorbije twee decennia terloops blootgesteld wist.

Titelnummer “West” is zo bijvoorbeeld een fraai streepje twangy Americana in de voetsporen van “Woody, Willie, Hemingway & Steinbeck down the highway that ends where the sun sets”, “Elegy” op zijn beurt een fraaie, aan het folkrockgebeuren van de late sixties refererende ode aan het adres van wijlen Dave Carter en “Sisters Of The Road” een ons tegelijk wat aan The Byrds en Sandy Denny herinnerend staaltje “vrouwvriendelijkheid”. Via het licht psychedelisch getinte “Signs” belanden we vervolgens achtereenvolgens in de fijne countrydeun “Jubilee Time”, het nogal nadrukkelijk bij de tijdloze liedjes van Buddy Holly aansluiting zoekende niemendalletje “Locket”, de lichtvoetige, door hemelse samenzang tussen onze twee protagonisten gekenmerkte Americana van “Southern Jumbo” en het aan een kortverhaal van B.D. Love opgehangen en door Pete van wat lekker sitarwerk voorziene “Black Snake, White Snake”.

Richting de laatste rechte lijn van “West” gaat het aansluitend daarop met het wel bijzonder levenslustige “Bodhisattva Blues” en het heerlijk rockende, terloops met een flinke prise Chuck Berry gekruide “Travel Day Blues”. Die twee songs gaan de enige twee niet-Kennedy-nummers op het album vooraf, met name een heel erg doorleefde lezing van John Stewarts “The Queen Of Hollywood High” en het door John Wicks van The Records speciaal voor het duo gepende potje twaalf-snarenplezier “Perfect Love”. En het misschien wel beste wordt naar goede gewoonte bewaard voor het laatst. Met “Good, Better, Best” sluiten Pete en Maura immers in ingetogen Everly Brothers-modus af.

Prachtplaat!               

The Kennedys

 

MALCOLM HOLCOMBE “The RCA Sessions” (Proper / Bertus)

(5*****)

Malcolm Holcombe had het zich veel gemakkelijker kunnen maken. Hij had twee decennia aan plaatmateriaal ook eenvoudigweg kunnen compileren op een soortement best of-album. Maar dat deed de beste man dus niet. Voor z’n jubileumplaat putte hij weliswaar uit het materiaal van elk van z’n elf eerdere releases, maar alle weerhouden liedjes werden vervolgens wel keurig opnieuw ingeblikt. Dat gebeurde in het najaar van 2014 in de legendarische RCA Studios in Nashville.

Samen met Jared Tyler (dobro, elektrische gitaar, lap steel en zang), David Roe Rorick (staande bas), Tammy Rogers (fiddle, mandoline en zang), Ken Coomer (drums en percussie), Jelly Roll Johnson (harmonica) en Siobhan Maher-Kennedy en Maura O’Connell (beiden zang) interpreteert Holcombe hier dingen als “Who Carried You”, “Mister In Morgantown”, “I Feel Like A Train”, “Doncha Miss That Water”, “The Empty Jar”, “Butcher In Town”, “To Drink The Rain”, “Early Mornin’”, “I Never Heard You Knockin’”, “I Call The Shots”, “My Ol Radio”, “Goin’ Home”, “Down The River”, “Pitiful Blues” en “A Far Cry”. De enige volstrekt nieuwe deun is het met Jelly Roll Johnson in steun opgenomen live-favorietje “Mouth Harp Man”. Daardoor meteen ook één van de meest opvallende bijdragen van het geheel.

Al willen we hier zeker ook niet nalaten om “My Ol Radio” en “A Far Cry” een speciale vermelding mee te geven. Het eerste omwille van de zalige vocale rugdekking van de bekoorlijke Siobhan Maher-Kennedy erin, het tweede omwille van de prominente vocale rol die de onvolprezen Maura O’Connell erin vervullen mag. Door de bijdragen van beide dames krijgen die nummers toch nog net dat ietsje meer.

Opvallend is overigens ook, dat men bij het registreren van het materiaal heeft geprobeerd om ook echt alle aspecten van Holcombe’s live performances te vereeuwigen. Wat concreet betekent, dat we hem hier zowel in z’n dooie eentje, geflankeerd door z’n vaste maatje Jared Tyler als met een heuse band aan het werk horen en zien.

Horen én zien inderdaad, want het door Ray Kennedy en Brian Brinkerhoff geproduceerde “The RCA Sessions” bestaat uit een cd én een dvd. Ideaal dus als aandenken aan een gig van de man of misschien ook wel juist als surrogaat daarvoor. Hoe dan ook van het allerbeste wat zich vandaag de dag in de schemerzone tussen Americana, folk en blues vinden laat. Holcombe is wat ons betreft één van de allerbeste Americana singer-songwriters überhaupt. En met z’n "schuurpapieren” stem bovendien ook één van de meest markante, binnen het genre actieve figuren.

Malcolm Holcombe

 

AMERICAN AQUARIUM “Wolves” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met “Wolves” breien de onverbeterlijke BJ Barham en de zijnen eindelijk een vervolg aan “Burn. Flicker. Die.”, hun ondertussen dik twee jaar geleden verschenen, door Jason Isbell geproduceerde laatste studioplaat. En wat voor een vervolg! Dit is ons inziens het soort van plaat, waarmee je binnen afzienbare tijd ook op wat grotere schaal wat zou moeten kunnen betekenen. Een bescheiden classic, zeg maar.

“An ode to last calls, lost love and long horizons”, aldus de schrijvende medemens van dienst bij hun platenlabel Blue Rose Records. En die paar woorden vatten alvast het inhoudelijke aspect van “Wolves” zeer goed samen. Wat betreft het muzikale valt dan weer meteen op, dat Barham en co ditmaal hebben gekozen voor een wat meer open aanpak. En precies daar lagen natuurlijk ook hun kansen. Door niet langer uitsluitend op de Americana-goegemeente te focussen worden ze eensklaps ook een pak aantrekkelijker voor een ruimdenkend indie-publiek. En wie weet, tot wat dat op termijn allemaal leiden kan…

Maar goed, laat het ons maar eens even hebben over de tien songs op “Wolves”. Daarvan zijn er bij nader inzicht nogal wat die zich nog het best laten omschrijven als bedaarde, van de ingehouden spanning erin levende (roots)rockertjes. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “Southern Sadness”, “Wichita Falls” en “Old North State”. Het “hoekige” “Ramblin’ Ways” is op zijn beurt dan weer een onverholen flirt met pop en rock, titelnummer “Wolves” doet iets heel moois met een eigentijds countryrockgegeven en het afsluitende “Who Needs A Song” eist nadrukkelijk een stekje onder de hoofding red-dirt southern rock op. Heerlijk nummer gewoon, dat laatste! En dat geldt dan weer zeker ook voor de atmosferische sleper “Man I’m Supposed To Be”. Da’s misschien wel het allerbeste nummer van de tien hier. Het heeft iets bepaald Springsteen-esks over zich. Enkel de beurtelings door een banjo en een elektrische gitaar aangejaagde catchy countryrocker “Losing Side Of Twenty-Five” vormt wat dat betreft voor ons serieus te nemen concurrentie.

Enfin, om een lang verhaal kort te maken: vooral niet te lang over nadenken, gewoon snel toevoegen aan je collectie, deze achtste van American Aquarium. Het zou immers zot zijn, om wat straks ongetwijfeld één van dé platen van het jaar zal blijken om wat voor reden dan ook te laten liggen…

American Aquarium, Blue Rose Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Signature Sounds 20th Anniversary Collection, Rarities From The Second Decade” (Signature Sounds)

(4****)

Het vanuit het Amerikaanse Northampton, Massachusetts actieve Signature Sounds bestaat dit jaar precies twintig jaar en dat zullen we met z’n allen geweten hebben ook! Zo’n gelegenheid laat je immers niet zomaar voorbijgaan…

Bij wijze van gigantische verjaardagstaart schotelt men ons een in achttien keurige deeltjes aangesneden anniversary collection voor. En de ondertitel van dat geheel blijkt bij nader inzicht echt wel veelzeggend. Aan rariteiten op dit album immers absoluut geen gebrek! Liefst elf van de achttien ons aangeboden nummers kunnen onder de hoofding previously unreleased. Zes andere verschenen eerder enkel op schaars 45-toeren-vinyl of op EP, “Violent Love” van Sweet & Lowdown Featuring Miss Tess & Rachael Price maakte deel uit van het in 2008 verschenen download only album met dezelfde titel. Samengevat: de kans op overlappingen met materiaal reeds in je bezit is hier aan de eerder kleine kant.

En aan muzikale schatten bovendien absoluut geen gebrek! Het heerlijk jazzy rootsdeuntje “Lovesick Red Stick Blues” van Aoife O’Donovan en haar maatjes van Crooked Still is er zo zeker eentje. Evenals het door Jeffrey Foucault met de hulp van Jennifer Condos, Billy Conway, Kris Delmhorst, Eric Heywood en de legendarische Van Dyke Parks ingeblikte alternatieve countryrammelaartje “Real Love” en het uitermate swingende, van de single “Be Back Home” van The Sweetback Sisters geplukte titelnummer. Of de knappe, echt wel ongemeen soulvolle roots pop van “What I’m Doing Here” van Lake Street Dive, het lentefris sprankelende folkrockgeweld van “Such Great Heights” van Joy Kills Sorrow en het qua ritmiek ogenschijnlijk enigszins op traditionele field hollers geënte “No Shortcuts” van Heather Maloney & Darlingside.

En dan hadden we het nog niet over een hele reeks hoogst interessante covers. Als daar zijn de tot haar naakte essentie herleide Peter Mulvey-lezing van Randy Newmans klassieker “Lonely At The Top”, Eilen Jewells ronduit heerlijke versie van Stonewall Jacksons “Why I’m Walkin’”, Barnstars bluegrass-benadering van Joni Mitchells “Carey”, Caroline Herrings met veel respect voor het origineel vertolkte uitvoering van Kate Wolfs “Here In California” en het door Zoe Muth en haar Lost High Rollers bij legende Dock Boggs gevonden en z’n titel de nodige eer aandoende “Country Blues”.

Voorts ook nog materiaal van Parsonsfield (het atmosferische “Moonshiner”), Winterpills (de radiogenieke rockdeun “A Tree In The Lung”), Chris Smither (een niet eerder verschenen versie van zijn eigen “Drive You Home Again”), de Sacred Shakers (een rete-aanstekelijke uitvoering van het ondertussen als public domain opgeborgen “Samson & Delilah”), Kris Delmhorst (de verstilde, maar net niet in je oor gefluisterde beauty “If This Ain’t Heaven”) en Rani Arbo & Daisy Mayhem (het met de blik ergens op het swingende midden van de vorige eeuw gericht gebrachte “I’m Satisfied With You”).

Afgesloten wordt er met een als hidden bonus track opgediste commercial voor het label.

Signature Sounds

 

THE FOGHORN STRINGBAND “Devil In The Seat” (The Foghorn Stringband)

(4****)

The Foghorn Stringband is een uit Caleb Klauder (mandoline, fiddle en zang), Stephen “Sammy” Lind (fiddle, banjo en zang), Reeb Willms (gitaar en zang) en Nadine Landry (staande bas en zang) bestaand viertal uit Portland, Oregon, dat zich klaarblijkelijk tot doel heeft gesteld old-time string band music te allen prijze ook in de eenentwintigste eeuw in leven te houden. En als daartoe een enigszins aan het punkgenre in zijn kinderschoenen verwante attitude nodig blijkt, dan zullen we die krijgen ook! Dat was al zo op hun in 2003 verschenen eersteling “Rattlesnake Tidal Wave” en dat is door de jaren heen eigenlijk altijd wel zo gebleven.

Op “Devil In The Seat”, het inmiddels zesde album van de groep – als we tenminste het in 2010 onder de benaming The Foghorn Trio verschenen “Sud de la Louisiane” mogen meerekenen – dartelen Klauder en Landry en co doorheen zestien stukken die we zonder uitzondering elders al wel eens eerder hebben gehoord. Maar dat mag de pret absoluut niet drukken! Van het openingsnummer, een van de joie de vivre bijna uit zijn voegen barstende uitvoering van de traditional “Stillhouse”, tot de afsluitende, via een ommetje langs Steve Green op het repertoire van de groep belande David Russell Hamblen-instrumental “Chadwell’s Station” is dit muziek waar je zo ongeveer terstond vrolijk van wordt. Muziek, waarin virtuositeit het nadrukkelijk moet afleggen tegen frisheid en spelvreugde. En zo hoort het eigenlijk gewoon ook.

Van een werkelijk ontwapenende schoonheid vonden wij onder meer het van Hazel Dickens en Alice Gerrard geleende en ook hier meerstemmig gebrachte “Mining Camp Blues”, het als vanouds wervelende “Columbus Stockade Blues”, het ook al ongekend vingervlug vertolkte “Old Molly Hare”, het ogenschijnlijk absoluut niet kapot te krijgen en ook hier weer schitterende “Henry Lee”, het je wellicht ook al wel in de uitvoering van The Carter Family bekende “John Hardy” en een zeer fraaie lezing van Garry Harrisons “Jailbreak”. Ach, op de keper beschouwd eigenlijk gewoon alles. Je zou bij het beluisteren hiervan bijna gaan wensen, dat je de klok kon terugdraaien naar de eerste helft van de vorige eeuw… Maar ja, echt nodig is dat nu ook weer niet, hè… We hebben immers altijd nog de Foghorn Stringband om ons te gepasten tijde op onze wenken te komen bedienen!

“Devil In The Seat” is net als z’n voorgangers “Rattlesnake Tidal Wave”, “Reap What You Sow”, “Weiser Sunrise”, “Boombox Squaredance” en “Sud de la Louisiane” weer een regelrechte aanrader. Maar dat had u ondertussen al wel begrepen zeker?

The Foghorn Stringband

 

THE PINE HILL PROJECT “Tomorrow You’re Going” (Signature Sounds)

(5*****)

“Tomorrow You’re Going” is typisch zo’n gevalletje van een geheel groter uitvallend dan de som van z’n verschillende delen. Want hoe goed ook de platen van Richard Shindell en Lucy Kaplansky voor eigen rekening, zo mooi als hun eerste samen zijn ze wat ons betreft niet. Dit hier benadert gewoon de perfectie! En als dusdanig vormt het ook het ideale geschenk terug voor de velen, die ervoor zorgden, dat de twee middels een Kickstarter-campagne nog binnen de vierentwintig uur de door hen vooropgestelde som van $40,000 wisten te vergaren. Meer nog: afgeklokt werd er met $85,000 op meer dan het dubbel! Moet je als artiest wel een heel goed gevoel aan overhouden…

En zullen wij u eens iets vertellen? Wij zijn er nu al 100% zeker van, dat elke backer die er in de aanloop naar dit project geld voor over had om Shindell en Kaplansky deze plaat samen te weten maken ook bij een volgende fundraising-campagne enthousiast weer met centen zal staan te zwaaien. Wellicht zal de groep “steuners” er na “Tomorrow You’re Going” zelfs nog flink wat groter op worden. Het zou na zo’n prachtplaat eigenlijk alleen maar logisch zijn ook…

Dat de stemmen van Shindell en Kaplansky elkaar op wonderbaarlijke wijze aanvullen, dat wisten we al van eerdere samenwerkingen op elkaars platen en van hun bijdrage aan Cry Cry Cry, het trio met verder ook nog Dar Williams, waarmee ze in ’98 één, ook al heel erg mooi album afleverden. En dat ze allebei een heel mooi liedje in de vingers hebben, was ons evenmin vreemd. Maar op nieuwe pennenvruchten van eigen hand moeten we op dit door Larry Campbell geproduceerde geheel niet rekenen. Waarom precies niet, weten wij ook niet, maar “Tomorrow You’re Going” bevat effectief uitsluitend covers van materiaal van anderen. Goed gekozen covers, dat gelukkig wel.

We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag “Lately” van de onvolprezen Greg Brown, “Wichita” van ons aller Gillian Welch, “Missin You” van Little Feat en “Rain Just Falls” van David Halley. Of ook wat onverwachtere keuzes als U2’s “Sweetest Thing” en “I Live On A Battlefield” van de schrijverstandem Paul Carrack en Nick Lowe. Liedjes, die door het duo zonder ook maar de minste uitzondering spelenderwijze het eigen muzikale universum worden binnengeloodst. Liedjes, die in veel gevallen behoorlijk radiovriendelijk blijken ook.

Niet enkel liefhebbers van het eerdere werk van het duo Shindell-Kaplansky, maar zeker ook die van het recente oeuvre van Buddy & Julie Miller, Gillian Welch & David Rawlings, Emmylou Harris en Rodney Crowell en aanverwanten zullen hier hun pret absoluut niet mee op kunnen. Wat ons betreft één van dé muzikale hoogtepunten van 2015 so far!

The Pine Hill Project, Signature Sounds

 

DUNDERHEAD “Dunderhead” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wie houdt van een portie sprankelende eigentijdse bluegrass op z’n tijd is bij het Zweedse Dunderhead – Voorheen nog Angelina Darland and the Moonshine Brothers! – nadrukkelijk aan het juiste adres. Dat sinds januari 2013 vanuit Göteborg aan de weg timmerende vijftal rond de ravissante Angelina Lundh heeft werkelijk alles om het op zeer korte termijn te gaan maken. Een mening, waarin wij overigens duidelijk niet alleen staan. Dat bewijst het feit dat ze op de jongste uitgave van het European World Of Bluegrass Festival in het Nederlandse Voorthuizen met de hoofdvogel aan de haal gingen wellicht op afdoende wijze.

Een toch wel opvallend gegeven is dat die van Dunderhead het op hun debuut meteen uitsluitend met eigen materiaal doen. En dat blijkt werkelijk ijzersterk. Zowel de pennenvruchten van frontvrouwe Angelina Lundh als die van mandolinevirtuoos Mikael Grund zullen zo menig een Amerikaanse collega ogenblikkelijk het schaamrood op de wangen jagen. En ook hun met collega’s Anders Ternesten (banjo en reso-gitaar), Jimmy Hermansson (leadgitaar en backing vocals) en Carl Karlsson (staande bas) gebrachte vertolkingen ervan zullen gegarandeerd monden gaan doen openvallen aan de andere kant van de oceaan. Veel beter kan je dit immers amper doen.

Mooie Lundh reserveert hiermee wat ons betreft zelfs met stip een eigen stekje in het kielzog van gerespecteerde vrouwelijke collega’s als een Alison Krauss, een Rhonda Vincent, een Claire Lynch en aanverwanten. Zo goed, vraagt u? Zo goed indeed!

Dunderhead, Rootsy

 

ANDREW MAXWELL MORRIS “Well Tread Roads” (Andrew Maxwell Morris)

(3,5****)

Scoren met een plaat boordevol knappe rootsmuziekjes, we zien het Jef Vermassen nog niet meteen doen… Maar het kan dus wel degelijk, he! Dat bewijst de in Australië geboren maar ondertussen al een poosje in Engeland wonende strafpleiter Andrew Maxwell Morris met z’n debuut “Well Tread Roads”.

De tien liedjes daarop weerspiegelen enerzijds duidelijk ’s mans voorliefde voor vooral in de seventies populaire acts als James Taylor, Jackson Browne en The Eagles, maar anderzijds toch ook een zekere hang naar Americana, folk en pop anno nu. Veelal bedient hij zich daarbij van eerder melancholisch aandoende melodieën. En da’s eigenlijk maar logisch ook, want die kleuren nu eenmaal het best bij z’n best wel wat aparte stem. Deed ons bij momenten een heel klein beetje denken aan die van Paul Buchanan van The Blue Nile.

Sfeervolle miniatuurtjes zijn het, waarin niet zelden onbeteugelde verlangens een centrale rol blijken te spelen. Verlangens naar vriendschap, liefde, een thuis en andere. Met als voor ons mooiste exponenten het sterk filmisch aandoende titelnummer, de werkelijk sublieme pianoballade “In A Heartache” en het in al z’n verkillende eenvoud al even beklijvende “Friday Night”.

Een typische groeiplaat eigenlijk.

Andrew Maxwell Morris

 

SHOUTIN’ RED “Introducing: Shoutin’ Red” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

Op haar debuutplaat “Introducing: Shoutin’ Red” doet de jonge Zweedse Felicia Jangard Nielsen twaalf nummers lang haar uiterste best om te klinken als een eigentijdse versie van bluesgrootheid Memphis Minnie. Een opzet, waar ze an sich best wel goed in slaagt ook. In een productie van lokale jazzdrumheld Bosse Skoglund kronkelt ze zich stemgewijs tot diep in de voetsporen van haar legendarische voorbeeld.

De vraag is alleen maar: wie zat er echt te wachten op een zoveelste reeks covers van dingen als “Geordie”, “I Look Down The Road And I Wonder”, “Hesitation Blues”, “Seven Dark Strangers”, “Statesboro Blues”, “Frankie And Albert” en andere. Zeker in tijden, waarin het slechts enkele muisclicks vergt om je de originelen toe te eigenen…

Laten we het hier dus maar houden op een verdienstelijke poging om wat klassieke en minder klassieke akoestische blues- en folkdeunen van een laagje stof te ontdoen. Wat daarbij in het voordeel van de vierentwintigjarige Zweedse pleit zijn haar knappe stem en dito gitaarspel.

Shoutin’ Red, Rootsy

 

NEW RISING SUN “We’re All Coming Home” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(3,5****)

New Rising Sun is een jong bandje van eigen bodem, dat op hoogst creatieve wijze een brug weet te slaan tussen in essentie toch behoorlijk van elkaar verschillende muziekgenres als folk, country, blues en rock. Met als gevolg een compleet eigen smoelwerk, een sound als geen ander. “We’re All Coming Home” is al het derde album van de uit Dries Bongaerts (zang, gitaar, banjo), David Hermans (elektrische gitaar, mondharmonica), Diego Faes (bas, contrabas), Sandro Rossi (toetsen, viool) en Tim Caramin (drum) bestaande groep. Hoog tijd dus voor een nadere kennismaking, vonden wij.

En die beviel ons, om maar meteen met de deur in huis te vallen, bijzonder goed! De grote meerderheid der songs op “We’re All Coming Home” valt op door z’n geweldige maturiteit. We kennen heel wat buitenlandse acts die zonder aarzelen een moord zouden begaan voor veritabele prachtliedjes als “The Day My Love For You Will Die”, “Sad Sad World”, “Diggin’ Me A Hole” en andere. Hoe grenzen tussen genres daarin vrijwel voortdurend onopvallend vervagen spreekt tot de verbeelding.

In “The Day My Love For You Will Die” lijkt het zo bijvoorbeeld wel, alsof Nick Cave de old-time country-toer op wil. Maar dan wel met een ommetje langs de blues. En in “We’re All Coming Home” herkenden wij zowel elementen uit alternatieve country als uit gypsy folk. Iets waar de inzet van een banjo en een fiddle wellicht niet geheel vreemd aan zullen zijn.

Het lichtjes fantastische “Diggin’ Me A Hole” is op zijn beurt ingetogen Americana van het werkelijk allerbeste soort, “On Our Way” zouden we durven te omschrijven als een banjogeleide folkrockexcursie, “Stranger In The Night” als een rootsy rockballade en het meteen daaropvolgende “Easy Diamonds” als de rockende variant daarop. Lekker Ribot-esk gitaartje trouwens, in dat laatste!

Resten dan nog: het door z’n haast Youngiaanse urgentie opvallende protestliedje “Sad Sad World”, het onthaaste verlengstuk daarvan “40 Years In The Desert”, de sfeervolle trage “Stay Away From Me” en de na een wat terughoudende intro compleet openbarstende folk rock beauty “Wait”.

New Rising Sun, Starman Records

 

WRINKLE NECK MULES “I Never Thought It Would Go This Far” (Lower 40 Records)

(4****)                

Zwarte katten moet je te allen tijde mijden. Ze brengen je immers niks anders dan ongeluk. Dat wil althans het er rond bestaande bijgeloof. Maar daar trekken wij ons met z’n allen lekker niks van aan natuurlijk… Al was het alleen al maar, omdat we ons vooral de alweer uitstekende nieuwe van de Wrinkle Neck Mules niet door de neus willen laten boren. Want op het frontje daarvan prijkt… Yep, een vervaarlijk ogende zwarte kat!

De dertien tracks op het titelgewijs natuurlijk nadrukkelijk op het eigen langdurige groepsbestaan alluderende “I Never Thought It Would Go This Far” werden in een met Rob Evans gedeelde productie vorig jaar in mei tijdens een in totaal amper acht dagen in beslag nemende sessie analoog ingeblikt. En het valt gelijk op, dat nogal wat van de nieuwe songs daarop behoorlijk bedaard uitvallen. Je zou kunnen stellen, dat de nadruk in vergelijking met voorganger “Apprentice To Ghosts” wat verschoven is van roots rock naar alternatieve country. En ik moet zeggen, mij bevalt die shift best wel.

Duidelijk Americana-georiënteerde songs als het mede door het lekkere toetsenwerk van gast Mark Goldstein erin door een soulvol randje opvallende “Mustang Island”, het onder meer banjogewijs z’n roots vet onderlijnende “Bury My Gold” en de aanstekelijke opener “Whistlers & Sparklers” scoorden vrijwel meteen zeer hoog op mijn persoonlijke appreciatiemeter. En op de keper beschouwd deden eigenlijk ook de resterende tien deunen dat wel. Van de knappe alternatieve countryslepers “Beehive” en “Release The Reins” en het voorzichtig het tempo wat opdrijvende “Heaven’s High” tot het ons best wel wat aan huisfavorietje Frog Holler – Hoe zou het nog met die groep zijn? – herinnerende “Token”, van het wél een aardig eindje wegrockende “Sugar Bowl” en het meteen daarna gelijk ook weer flink gas terugnemende “Never Was The Bird” tot het met old-time country en rock tegelijk flirtende “Undertaker’s Song”, van het gloedvolle duo “Days Don’t End” en “Tropical Depression” tot afsluiter “The Line’s Been Drawn”, ik zou hier echt wel durven te spreken van “alle dertien goed”.

Meer nog: voor mij behoren de Wrinkle Neck Mules na dit “I Never Thought It Would Go This Far” meer dan ooit tot het allerbeste wat het alternatieve countrygenre dezer dagen (nog) te bieden heeft. Dit horen is het gegarandeerd ook kopen… U bent bij dezen gewaarschuwd!

Wrinkle Neck Mules

 

HANS THEESSINK & TERRY EVANS “True & Blue” (Blue Groove / Music & Words)

(4****)

Na twee eerdere studioplaten samen is er nu ook het eerste live-album van het duo Hans Theessink en Terry Evans. En sta mij toe om het te zeggen: ik heb daar echt wel naar uitgekeken. Met hun twee vorige worpen samen, het met Ry Cooder in de buurt ingeblikte “Delta Time” en het werkelijk magistrale “Visions” van ondertussen toch ook al zo’n jaar of zeven geleden, hadden de beide heren mij immers genadeloos gevloerd. Dat zijn allebei platen waar je als blues & roots aficionado geregeld graag naar terug blijft grijpen. Ware beauties!

En ook “True & Blue” zal hier de komende dagen, weken, maanden en jaren ongetwijfeld een dergelijk lot beschoren gaan blijken. Dat vorig jaar in de Weense Metropol ingeblikte geheel illustreert misschien nog wel mooier dan zijn voorgangers, hoe goed Theessink en z’n Amerikaanse vriend elkaar wel aanvoelen, aanvullen ook. Met z’n tweetjes live, zonder geruststellend vangnet om op terug te vallen voor als het even fout mocht gaan, stelen ze hier op compleet ongedwongen wijze ruim zeventig minuten lang de show.

Geopend wordt er met de fraaie Theessink-compositie “Demons” van het album “Visions”. De eerste van een reeks van zes nummers van de Nederlander die de revue zullen passeren. Ook de werkelijk zalige tragen “Vicksburg Is My Home” en “Shelter From The Storm”, het met een fijn streepje mondharmonica opgewaardeerde “Delta Time”, het sympathiek schokschouderend wat richting R&B overhellende “I Need Money” en het ritmisch al even sterke “Tears Are Rolling” moeten er wat verderop immers nog aan geloven.

Tussendoor zijn er covers van onder meer Leadbelly’s “Bourgeois Blues”, J.B. Lenoirs “Talk To Your Daughter”, Robert Johnsons “Cross Road Blues” en de onder andere door The Five Keys de eeuwigheid ingezongen Billy Hill classic “The Glory Of Love”. En van “Gotta Keep Moving” ook, een nummer dat Evans ooit nog samen met z’n maatje Bobby King en hun beschermheer Ry Cooder pende.

Twee elkaar op uitzonderlijk mooie wijze complementerende stemmen, twee gitaren en een mondharmonica, meer was er duidelijk niet nodig om ze daar in het verre Wenen één van de avonden van hun leven te bezorgen. Het was er voorzichtig even kloppen op de poorten van de blueshemel. Met een gezonde dosis soul(gevoel) als welgekomen surplus. Echt enig mooi allemaal!

Hans Theessink, Terry Evans, Music & Words

 

BAND OF RUHKS “Band Of Ruhks” (101 Ranch Records)

(4,5*****) 

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: dit is een werkelijk van de eerste tot de laatste noot hoogst genietbare bluegrassplaat! Maar ja, het betreft hier dan ook niet de minsten, he. Bij nader inzicht hebben we hier immers te maken met een soort van reünie van de Lonesome River Band in z’n hoogdagen. Het van The Rambling Rooks onlangs tot Band Of Ruhks omgedoopte trio waarmee we hier geconfronteerd worden bestaat immers uit niemand minder dan Ronnie Bowman (zang, slaggitaar), Don Rigsby (zang, mandoline, mandola, altviool) en Kenny Smith (zang, gitaren).

En dat door de wol geverfde drietal zingt en speelt hier ruim dertien nummers lang de pannen van het spreekwoordelijke dak. Geflankeerd door gerenommeerde en minder gerenommeerde gasten als de grote Ralph Stanley himself (gezongen intro tot de nu al klassieke eerste single “Coal Mining Man”, een nummer dat Bowman schreef samen met collega Mark Collie), Lee Ann Womack (tenorzang in het moody “Rendezvous With Danger”), bassisten Alan Bartram en Bary Bales, banjovirtuozen Rob McCoury, Scott Vestal, Ron Stewart en Justin Moses (ook resonator), fiddlers Stuart Duncan en Jimmy Van Cleave, resonatorgitaristen Rob Ickes en Jimmy Stewart, drummer-percussionist Chris Brown, accordeonist Jeff Taylor (ook penny whistle) en Eamon McLoughlin (strings) leveren de drie een album af, dat zowel bij halsstarrig aan tradities vasthoudende liefhebbers van het bluegrassgenre als bij de toekomst meer open-minded tegemoet kijkende volgelingen ervan zou moeten kunnen aanslaan.

Werkelijk alles lijkt immers te kloppen op het daardoor zeer gestroomlijnd aandoende “Band Of Ruhks”. Het samenspel tussen de heren onderling en hun gasten is nergens minder dan sprankelend. Waarbij wel onmiddellijk dient te worden opgemerkt, dat elke vorm van virtuositeit hier voortdurend volledig ten dienste van het liedje komt te staan. De samenzang dan maar? Ook die blijkt hier werkelijk hemels!

Net als het gros van de gebrachte liedjes trouwens ook. Onder zes van de dertien daarvan prijkt ook de naam van “mooizinger” Bowman. Hem mag je dus zeker de spilfiguur van de Band Of Ruhks noemen. Verder nog een trits liedjes speciaal voor de gelegenheid aangedragen door anderen en onder meer ook covers van de Leon Payne-klassieker “Lost Highway” en de Ierse evergreen “Danny Boy”.

Wat ons betreft zonder meer een aanrader van formaat, dit “debuutalbum”!

Band Of Ruhks

 

JOE PUG “Windfall” (Loose Music)

(4****)

Het kan verkeren… Leek het er eind 2013 nog op, dat we Joe Pug voorgoed aan het verliezen waren, dan slaat die nu, amper anderhalf jaar later, keihard terug. De Texaanse songsmid slaagde er de voorbije maanden immers in om in z’n persoonlijke leven weer alles op een rijtje te krijgen en vond zodoende meteen ook weer de voor z’n artistieke bestaan broodnodige innerlijke rust terug. En dat resulteert hier en nu in een alweer uitstekende nieuwe plaat.

En geen wonder eigenlijk, dat er daarop een behoorlijk centrale rol weggelegd blijkt voor het thema weerstand bieden. Je kan als songsmid je eigen leven nu eenmaal niet helemaal wegvlakken als het gaat om het creëren van nieuw materiaal. Vandaar dat we hier zowel worden geconfronteerd met wat citaten ontleend aan de recente, wat donkerdere pagina’s uit de dagboeken van Pug als met de eerste straaltjes nieuw zonlicht in z’n leven. Met een op stapel staand huwelijk als het voorlopige hoogtepunt.

Tenzij je het van de artistieke kant bekijkt natuurlijk. Dan zou dat de opvolger van “Messenger” uit 2010 en “The Great Despiser” van zo’n twee jaar later moeten zijn uiteraard. Een plaat, waarop Pug het louter muzikaal gezien her en der over een totaal andere boeg gooit. En dat leverde hem recentelijk onder meer al vergelijkingen op met collega’s als een Josh Ritter, een Richard Buckner, een Ryan Adams, een M. Ward en een Mark Erelli. Schoon gezelschap dus!

Duane Lundy tekende voor de bijzonder subtiele productie van “Windfall”. Hij begeleidde Pug doorheen een tiental veelal eerder melancholiek aandoende liederen. Introspectie blijkt daarbij een sleutelwoord. En daarbij hoort natuurlijk een zo bescheiden mogelijk gehouden akoestisch instrumentarium. Al hoorden we hier en daar ook wel even een elektrische gitaar.

Nogal wat ballades op “Windfall” dus, maar toch ook enkele “vreemde eenden in de bijt”. Het bedaard countryrockende “Burn And Shine” is er zo bijvoorbeeld al eentje. En ook “The Measure” wel, al gaat Pug ook daarmee zeker niet meteen de bocht uit gaan.

Onze lievelingsmomenten op “Windfall”: de heerlijke, door Pat Sansone (Autumn Defense, Wilco) van wat fraai toetsenwerk voorziene trage “If Still It Can’t Be Found”, het “moody” “Veteran Fighter” en vooral ook de ondertussen naar verluidt al tot live-favorietje uitgegroeide sleper “Oh My Chesapeake”.

Kort samengevat: alweer een prima plaat, deze derde volwaardige langspeler van Joe Pug.

Joe Pug, Loose Music

 

WILL HOGE “Small Town Dreams” (Cumberland Records)

(4****)

Met het nummer “Strong” van z’n vorige cd “Never Give In” scoorde de sympathieke Will Hoge negen albums diep in z’n carrière totaal onverwacht een knoeperd van een hit. En dat heeft hier zo z’n gevolgen! Je moet het ijzer smeden als het heet is, moet de beste man gedacht hebben en dus ging hij voor een op de keper beschouwd behoorlijk commercieel aandoend geheel.

Voor de productie tekende hij in tegenstelling tot voor z’n jongste drie platen niet zelf, maar huurde hij de je misschien ook wel van z’n werk met Marc Broussard en Eric Paslay bekende Marshall Altman in. En die laat hem hier heerlijk knallen! Elf nummers lang flirt Hoge met hitlijsten allerhande. En dat kan ook haast niet anders, als je weet dat hij het gros van de nummers op “Small Town Dreams” schreef samen met collega’s als Gary Allan, Chris Stapleton, Adam Hood, Jessi Alexander, Eric Paslay, Tommy Lee James, Brett Beavers en anderen.

De vanuit Nashville actieve Hoge noemt z’n tiende zelf z’n meest representatieve plaat so far. Ze zou niet enkel tonen wie hij als artiest is, maar vooral ook waar hij vandaan komt. En dat verklaart meteen helemaal het inhoudelijke aspect van een aantal van de nummers erop. Zo is er bijvoorbeeld de geweldige, samen met Jessi Alexander en Tommy Lee Jones gepende eerste single “Middle Of America”. Doet een beetje denken aan John Mellencamp ten tijde van z’n klassieker “Jack & Diane”, die zalige rocker. Als dat geen monsterhit wordt, tja dan weten wij het ook niet meer…

En met materiaal van dat kaliber blijkt “Small Town Dreams” op de keper beschouwd echt tot de nok toe gevuld. Openingsnummer “Growing Up Here” lijkt zo bijvoorbeeld weggelopen van het repertoire van Tom Petty, “They Don’t Make ‘Em Like They Used To” is een zaligheid van een achteromkijkende ballad en “Better Than You” geeft zo menig een Texaanse countryrockster anno nu het nakijken. “Little Bitty Dream” blijkt op zijn beurt dan weer een vertederend rustpuntje, “Guitar Or A Gun” klinkt net zo verontrustend als z’n titel dat a priori al doet vermoeden en “All I Want Is Us Tonight” zou wel eens een stralende toekomst als stadionrockhymne tegemoet kunnen gaan. De pianoballade “Just Up The Road”, het sympa bar-rockend aan eerdere Hoge-platen herinnerende “Desperate Times”, het atmosferische “The Last Thing I Needed” en het er gelijk als bezeten vandoor gaande “’Til I Do It Again” vervolledigen aansluitend een wat ons betreft quasi perfect songelftal.

“The last time I do it, ‘til I do it again”? Hoge hoeft er voor ons echt niet al te lang mee te wachten…

Will Hoge

 

ROB LYTLE “A Hypocrite Of Heart And Hope” (Heart And Hope Music)      

(3,5****)               

Na jaren van “leven in z’n wagen” besloot de Amerikaanse singer-songwriter Rob Lytle ergens rond de eeuwwisseling om er tijdelijk het bijltje bij neer te leggen. De volgende veertien jaren van zijn bestaan zou hij zich met volle overgave op de liefde van z’n leven storten. Z’n huwelijksleven en z’n nog jonge familie werden vanaf dat moment z’n full-time-prioriteiten. Tot hij ergens laat in 2009 plots opnieuw last kreeg van de “liedjesmicrobe”. Met een jaar of twee later zelfs een plaats in de finale van de prestigieuze Kerrville Folk Festival Songwriting Competition tot gevolg. En pas echt culminerend in de prima onthaalde cd “You. Must. Stop.” nog in datzelfde jaar. Lytle’s carrière als artiest stond meteen keurig terug op de rails.

En dus moest er ook wel een vervolg komen. Act twee van z’n muzikale wedergeboorte, zeg maar. En die is er nu met het door de gerenommeerde Thomm Jutz geproduceerde “A Hypocrite Of Heart And Hope”. Daarop presenteert Lytle ons tien uit de bast van het leven zelve gesneden eigen liedjes, die zijn reputatie van eloquente woordkunstenaar hoegenaamd alle eer aandoen. In het gezelschap van de eerder al genoemde Jutz (gitaren), Mark Fain (bas), Barry Walsh (toetsen), Lynn Williams (drums en percussie), Terry Crisp (pedal steel) en Britt Savage en Peter Cronin (harmony vocals) schuift hij geduldig aan in het rijtje met enigszins vergelijkbare singer-songwriters als een John Gorka, een Terence Martin, een Jeff Talmadge en anderen. U weet wel, dat van schrijvers van doorgaans innemende liedjes met op de koop toe prachtige gebronsde stemmen. Schrijvers, doorgaans actief in de schemerzone tussen folk en Americana.

En daar vond Lytle voor ons dingen als het uit pure liefde opgetrokken “Come South”, het bedaard rockend de lente inluidende “The Way We Used To Love”, de prachtige, wel heel erg persoonlijke pianoballade “Mother, Can You Hear Me?” en het al even verbluffend mooie streepje verhalende country “Drunk Girl”. Met name dat laatste is een echt blijvertje. Met op de achtergrond de zachtjes jammerende pedal steel van Crisp gaat onze man daarin op zoek naar een dronken meid voor één nacht. Echt mooi hoeft ze niet eens te zijn. Wat goedlachs gezelschap tot de volgende morgen volstaat ruimschoots, dank u…

Rob Lytle

 

ROBIN ADAMS “The Garden” (Backshop Records)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n nieuwe langspeler “The Garden” op m’n schrijftafel belandde eigenlijk nog nooit iets gehoord had van Robin Adams. De vanuit Glasgow naar verluidt al een flinke poos aan de weg timmerende songsmid was er effectief drie albums lang in geslaagd om zich aan het zicht van m’n nochtans immer actieve radar te onttrekken. En over z’n eerdere worpen “Down To Reverie” uit 2008 en “Be Gone” en “Robin Adams’ Train Crash Choir” uit 2011 hoef je me dan ook niks te vragen. Die moet ik zelf dringend nog gaan ontdekken.

Dringend, omdat ’s mans nieuwe worp “The Garden” me ondertussen wél ergens midscheeps geraakt heeft met alle gevolgen van dien. Ik werd echt overdonderd door het liedjestiental daarop. Liedjes, die me in al hun eenvoud herinnerden aan groten der aarde als een Nick Drake, een Bert Jansch en een John Martyn. Knapen, die Adams, met uitzondering van laatstgenoemde, ook zelf opsomt als inspiratiebronnen trouwens. Naast onder meer ook nog John Fahey, Neutral Milk Hotel, Arthur Rimbaud en Vincent van Gogh.

En met name die laatste liet zwaar z’n stempel achter op “The Garden”. Nogal wat van de liedjes erop baseren zich voor hun inhoud immers op het leven en de dood van de vermaarde schilder. Het merendeel ervan is thematisch in de weer met de immer in én met z’n bestaan worstelende artiest. Iets wat Adams en van Gogh zo op het eerste gezicht tot op zekere hoogte met elkaar lijkt te verbinden.

En ook met betrekking tot z’n modus operandi heeft Adams duidelijk gehandeld met van Gogh in het achterhoofd. Hij nam “The Garden” immers volledig op in z’n eigen slaapkamer. Met uitzicht op de tuin uiteraard. (Of waar dacht je dat die titel vandaan kwam?) Hij benaderde z’n liedjes zoals Van Gogh z’n schilderijen. Ze moesten als het ware het moment van hun ontstaan in zich vangen.

Het resultaat zijn tien wel heel erg persoonlijk ingevulde luisterliedjes. Liedjes, die aan een minimum aan instrumentale begeleiding genoeg hebben om je als luisteraar keer op keer opnieuw te blijven bekoren. Veel meer dan een akoestische gitaar en occasioneel een mondharmonica blijkt daarvoor niet nodig. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “things of beauty” als het titelnummer, de single “Holy Smoke”, “Keep Me”, “Troubled Skies” of “Right To Run”. Van liedjes als deze zou de oude Keats ongetwijfeld gezegd hebben, dat ze “a joy forever” waren…

Robin Adams op MySpace

 

TOM RUSSELL “The Rose Of Roscrae” (Proper Records / Bertus)

(4,5*****) 

Van een ambitieus project gesproken! Songsmid Tom Russell ziet de dingen hier wel heel erg groots… Tweeënvijftig tracks, goed voor net geen honderd vijftig minuten entertainment van het betere soort. Voor z’n derde “folk opera” heeft de Amerikaan duidelijk alle registers opengetrokken. “The Man From God Knows Where” uit 1999 en “Hotwalker” van een jaar of tien geleden hebben er hiermee een aardig in het oog springende opvolger bij.

Via het verhaal van een Ierse jongen die ergens aan het eind van de negentiende eeuw naar de States reist om er cowboy te worden biedt “The Rose Of Roscrae” ons een uitermate boeiende kijk op de geschiedenis van het Amerikaanse Westen en van traditionele cowboy- en folkmuziek. En daarvoor passeren nogal wat bekende namen de revue. Een veritabele “who’s who” aan Americana-iconen trekt hier voorbij. We noemen in dat verband onder meer Jimmie Dale Gilmore, David Olney, Johnny Cash, Joe Ely, Augie Meyers, Fats Kaplin, Moses Clear Rock Platt, Gretchen Peters, Walt Whitman, Ramblin’ Jack Elliott, Jack Hardy, David Massengill, Tex Ritter, A.L. Lloyd, Finbar Furey, Sourdough Slim, Blackie Farrell, Ross Knox, Glenn Orhlin, Pat Russell, John Trudell, Thad Beckman, Maura O’Connell, Eliza Gilkyson, Ana Gabriel, Ian Tyson, Bonnie Dobson, Lead Belly, Guy Clark, Dan Penn, Gurf Morlix en Pat Manske. En ook het je vast nog wel van Russells vorige cd “Aztec Jazz” bekende Norwegian Wind Ensemble is weer van de partij. Voor de door Mats Hålling gearrangeerde en met Jimmie Dale Gilmore gebrachte ouverture tot “The Rose Of Roscrae” met name.

De term chef d’oeuvre is hiervoor wel op z’n plaats, menen we. Niet enkel het concept, het verhaal en de uitgebreide lijst met betrokkenen spreken immers geweldig aan, maar ook nogal wat van de en passant ten gehore gebrachte liedjes. Iets als dit hoorden we eigenlijk gewoon nog nooit! Eén lange luistertrip zonder weerga is het! Ga er maar eens goed voor zitten… Het loont!

Tom Russell, Proper Records

 

POKEY LAFARGE “Something In The Water” (Rounder Records)

(4****)

“Amerikanen houden ervan om zichzelf opnieuw uit te vinden, maar helemaal weg van de plaats waar je vandaan komt raak je nooit,” aldus Pokey LaFarge. “En in een geglobaliseerde wereld als die van nu zijn er, denk ik, zelfs bepaalde delen van onze regionale identiteit waar we maar beter halsstarrig kunnen aan vasthouden, die we maar beter kunnen koesteren.” Het verklaart meteen ten volle, waarom het Amerikaanse Middenwesten – The Midwest klinkt echt zoveel beter… - zo’n essentiële rol speelt in z’n muziek. En met name dan op z’n nieuwe worp “Something In The Water”. De vanuit St. Louis actieve LaFarge groeide er immers op. En vooral ook: hij genoot er zijn muzikale vorming.

Voor dat nieuwe album riep LaFarge de productionele hulp in van de hier te lande vooral om z’n werk met JD McPherson bekende Jimmy Sutton. En die gidste hem op buitengewoon vaardige wijze doorheen een twaalftal nieuwe songs. Enkele daarvan, met name de intimistische inleiding tot de kunst van het verleiden “When Did You Leave Heaven” en het echt wel rete-swingend gebrachte “All Night Long”, zijn herinterpretaties van oude blues standards. Het leeuwendeel van de songs zijn echter nieuwe LaFarge-originelen. En die blijken naar ondertussen goede gewoonte lang niet allemaal onder één en dezelfde hoed te vangen. Elementen uit vroege jazz, ragtime, country blues, Western swing en nog wel meer genres vinden allemaal wel ergens hun weg naar de bijzonder smaakvolle muzikale gumbo van LaFarge.

Titelnummer “Something In The Water” blijkt zo een erg lekkere stijloefening in gypsy swing, “Wanna Be Your Man” is ragtime van de werkelijk bovenste plank en “Underground”, een even gewaagde als geslaagde hybride van jazz en retro rock, lijkt inderdaad bestemd tot een lang leven in de kontreien uit z’n titel. Het gevoelige “Cairo, Illinois” is vervolgens dan weer spek naar de bek van de crooner in LaFarge, “Actin’ A Fool” lijkt verwekt tijdens een heet nachtje gestoei met Western swing en voor de fraaie ballade “Goodbye, Barcelona” mag de vlag “exotica” even worden uitgerold. Het akoestische countrybluesje “Far Away”, het met name blazersgewijs wat zomerse R&B in zich naar binnen smokkelende “The Spark”, het wel heel erg nadrukkelijk richting Bob Wills-territorium uitwijkende “Bad Girl” en het wervelende “Knocking The Dust Off The Rust Belt Tonight” – Hét absolute prijsbeest hier! – mogen de feestelijkheden op gepaste wijze afsluiten.

Pokey LaFarge            

 

PAUL BRADY AND HIS BAND “The Vicar St. Sessions Vol. 1” (Proper Records / Bertus)

(3,5****)

In het najaar van 2001, in oktober om precies te zijn, stonden Paul Brady en z’n band liefst drieëntwintig keer op een rij op de planken van het legendarische Vicar St. in Dublin. An sich al een hele prestatie, maar die verbleekt nog bij het zien van de vele namen van bekende collega’s die indertijd voor een speciaal gastoptreden voorbijkwamen. En met de nieuwe cd van de Ierse troubadour krijgen we een eerste fraai aandenken daaraan.

Daarop bevinden zich bij nader inzicht maar een drietal nummers die de brave man gewoon zelf ten beste geeft. Dat zijn respectievelijk openingsnummer “I Want You To Want Me”, “The Soul Commotion” en het ook al heel erg soulvolle “Believe In Me”. In alle andere voor het geheel weerhouden tracks zijn het vooral Brady’s gasten, die even de vocale hoofdrol voor zich opeisen.

De donkerbruine grom en de uit duizenden herkenbare gitaar van ex-Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler mogen zo bijvoorbeeld de sfeer bepalen in het fraaie “Baloney Again”, Gavin Friday en z’n secondant Maurice “The Man” Seezer geven acte de présence voor de ook na al die jaren nog hemels klinkende popdeun “Nobody Knows” en de immer opvallende Sinéad O’Connor waadt a capella doorheen “In This Heart”. Van Morrison levert dan samen met Brady naar ons gevoel hét absolute hoogtepunt van de plaat met een werkelijk van de Keltische soul bulkende vertolking van “Irish Heartbeat”. En ook Bonnie Raitt is naar goede gewoonte in prima doen in het in duet met haar gastheer gebrachte “Not The Only One” en het beleefd wereldwijs rockende “The World Is What You Make It”.

Bijzonder aangenaam verrast werden we vervolgens dan weer door de bijdrage van Curtis Stigers. Die brengt in een tot het absolute minimum gereduceerde setting van een akoestische gitaar en een piano samen met Brady de bloedmooie, door hemzelf samen met Beth Nielsen Chapman geschreven ballade “Don’t Go Far”. En wat te denken van de doortocht van tienermeisjesidool Ronan Keating hier? Ook die kleurt keurig binnen de lijntjes van het geheel met een krachtige vertolking van “The Long Goodbye”. Net als de lichtjes fantastische Eleanor McEvoy, die met Brady ter ondersteuning aan de piano een huiveringwekkend schone vertolking van haar eigen “Last Seen October 9th” uit de mouw schudt.

Afgesloten wordt er met een Bob Dylan-cover. Met het Brady werkelijk op het lijf geschreven “Forever Young” met name. En daarvoor weet hij zich in wel zeer goed gezelschap! Want zeg nu zelf, met Mary Black, Moya Brennan en Maura O’Connell samen op de bühne mogen staan, wat kan een mens zich nog meer wensen? Niet veel, lijkt ons…

Alhoewel… Laat die volgende volumes maar vlug komen!

Paul Brady, Proper Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home