CD-recensies januari 2015

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

CANVAS BLANCO “Call Me Lucky Fat Or Skinny” - ROB ICKES & TREY HENSLEY “Before The Sun Goes Down” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - THE RIZDALES “Blue Ain’t The Word, A Tribute To The Music Of Ray Price” - THE UNTHANKS “Mount The Air” - YONDER “Graftings” - MIRIAM JONES “Between Green And Gone” - SWAMP DOGG “The White Man Made Me Do It” - NIKKI LANE “All Or Nothin’” - HERMAN BROCK JR. “The Old World” - SERPENTYNE “Myths & Muses” - SUNDAY WILDE “He Digs Me” - ROBERT JON & THE WRECK “Glory Bound” - ALLIGATOR GUMBO “Simmerin’” - JOHNNY FONTANE AND THE RIVALS “Lemme Tell Ya!” - 24 PESOS “Do The Right Thing” - GRETCHEN PETERS “Blackbirds” - CHRIS D. SMITH “A.D. 2014” - KATIE GARIBALDI “Follow Your Heart” - AMELIA CURRAN “They Promised You Mercy” - KELLY MCRAE “Easy On My Mind” - SHELLEY KING “Building A Fire” - JACK KEROWAX “Jack Kerowax” - JIM MALCOLM “The Corncrake” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Medicine” - RAY PRICE “Beauty Is… The Final Sessions” - ANNIE KEATING “Make Believing” - G2 “Mind Over Matter” - JASON MCNIFF AND THE LONE MALONES “God Knows Why We Dream” - TRAILHEAD “Leave Me To Learn” - DEADMAN “The Sound And The Fury” - RICHARD LINDGREN “Sundown On A Lemon Tree” - MATT ELLIS “The Greatest Escape” - SUZANNE JARVIE “Spiral Road” - CAITLIN CANTY “Reckless Skyline” - DIVERSE ARTIESTEN “An Americana Christmas” - THE BALHAM ALLIGATORS “Bayou-Degradable” - SLOWFOX “Black Dog” - ERIC DEVRIES “Close To Home” - STEVE HILL “Solo Recordings Volume 2” - STONEY LARUE “Aviator” - HILLSTOMP “Portland, Oregon” - LIEVEN TAVERNIER “Wintergras” - SHANNON LYON “The Lights Behind” - THE CONTENDERS “Meet The Contenders” - THE SOUVENIRS “I Ain’t Happy Yet” - KARYN ELLIS “More Than A Hero” - ERIC BIBB “Blues People” - HANDSOME JACK “Do What Comes Naturally” - MATTHEW RYAN “Boxers” - ALEX HIGHTON “Nobody Knows Anything” - YOUNG & RUSTY “Back Road Love” - LEWIS & LEIGH “Night Drives EP” - MIRACULOUS MULE “Blues Uzi” - THE BLOODHOUNDS “Let Loose!” - JP HARRIS AND THE TOUGH CHOICES “Home Is Where The Hurt Is” - M. LOCKWOOD PORTER “27” - RACHAEL SAGE “Blue Roses” - LUKE TUCHSCHERER “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” - NELL ROBINSON “The Rose Of No-Man’s Land” - SLOWMAN “Happy Boy” - JAMES WILLIAMSON “Re-Licked” - DICK LEMASTERS “One Bird, Two Stones” - ELIOT BRONSON “Eliot Bronson” - POPA CHUBBY “I’m Feelin’ Lucky” - JAMES HAND “Stormclouds In Heaven” - LOST IMMIGRANTS “An Americana Primer: Vol. 3” - ANTHONY D’AMATO “The Shipwreck From The Shore” - MARTIN CARR “The Breaks” - THE PARSON RED HEADS “Orb Weaver” - THE MASTERSONS “Good Luck Charm” - THE LOST BROTHERS “New Songs Of Dawn And Dust” - TREML SCHUIER RILL “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll” - PIETER SIMONS “Lang Gezwegen” - PALADINS “More Of The Best Of Vol. I” - PARSONS THIBAUD “Eden” - PAUL THORN “Too Blessed To Be Stressed” - KENN MORR BAND “Afterimage” - MURALI CORYELL “Restless Mind” - GAL HOLIDAY AND THE HONKY TONK REVUE “Last To Leave” - LANEY JONES “Golden Road” - FAYSSOUX “I Can’t Wait” - CHRISTINE ALBERT “Everything’s Beautiful Now”

                                                  

                                                                                                                                                                               

CANVAS BLANCO “Call Me Lucky Fat Or Skinny” (Roomservicemusic)

(4****)

Van een aangename verrassing gesproken! De debuutlangspeler van het Nederlandse Canvas Blanco is er meteen eentje om te hebben en een leven lang intens van te houden. Wat de in Urk geboren en getogen Jozua Koffeman (Lorrainville, How To Throw A Christmas Party) (zang , diverse gitaren, klarinet, percussie en programming) en zijn maats Arjan de Wit (zang, akoestische gitaren, autoharp, hakkebord, klankschaal en programming), Robbert Deurloo (drums, cymbalen, percussie en ocean drum) en Ruben Bekx (double bass, elektrische bas en harmonium) daarop brengen is op z’n zachtst uitgedrukt hoogst origineel. Bepaald verfrissend ook.

En al noemt men zelf acts als Wilco, Sixteen Horsepower, Calexico, Sparklehorse en Grant Lee Buffalo als muzikale invloeden, dit klinkt toch vooral als Canvas Blanco. Een nog volslagen maagdelijk canvas wordt hier laagje per laagje gehuld in de warmste klankkleuren. Zo’n drie kwartier lang word je als luisteraar zodoende meegetroond richting een “wereld van verbeelding en verwondering”. Americana? Ja, maar dan wel met een zeker urbaan randje. Klassiek van aard bijna. Zoals de kwaliteitspop van landgenoten de Nits dat bijvoorbeeld ook wel heeft. “Volwassen ‘Europicana’ met kwajongensstreken”, aldus de band zelf.

Onze, zoals steeds, onverbintelijke luistertips: het geweldig aanstekelijke, nog net wat nadrukkelijker dan vele andere nummers hier op de klassieke leest geschoeide openingsnummer “Burning Just Fine”, het filmische “City Of Catharines”, het met een zweem exotisme opgewaardeerde en daardoor iets bepaald bezwerends over zich hebbende “The Lost Dutchman Mine” en het ingetogen “Promised Land”.

Een eersteling, die wat ons betreft meteen volop naar meer smaakt. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkopen Koffeman en de zijnen hiervan flink wat exemplaren en trappen ze er de deur naar een stralende toekomst meteen wagenwijd mee open. Het weze hen van ganser harte gegund!

Canvas Blanco, Bandcamp

 

ROB ICKES & TREY HENSLEY “Before The Sun Goes Down” (Compass Records / Music & Words)

(4****)

De naam Rob Ickes zou je met name als liefhebber van het bluegrassgenre al een poosje bekend moeten zijn. De beste man geldt immers als één van de allerbesten als het gaat over het bespelen van de dobro. Of de naam van z’n maatje Trey Hensley al evenveel bellen doet rinkelen durven we hier echter luidop te betwijfelen. Die Hensley staat immers pas aan het begin van z’n carrière. Ickes werkte voor het eerst met hem samen tijdens de opnamen van een nummer voor de jongste van Blue Highway. Gecharmeerd als hij was door de youngster nodigde hij hem meteen uit voor enkele live gigs. En van het één kwam dan vervolgens het ander. En het ander is in dit geval een eerste plaat samen.

Op dat album, het onlangs verschenen “Before The Sun Goes Down”, blijken de taken zeer goed omlijnd. Ickes nam naast de dobro- en lap-steelpartijen her en der wat baritonvocalen voor zijn rekening, Hensley zong lead en deed z’n ding op zowel akoestische als elektrische gitaren. In een eigen productie en in het gezelschap van onder meer Mike Bub (bas), John Gardner (drums en percussie), Andy Leftwich (fiddle), Aubrey Haynie (eveneens fiddle), Ron Block (banjo), Pete Wasner (piano) en Dan Tyminski, Shawn Lane, John Randall Stewart en Suzanne Cox (allen zang) tackelen ze dertien liedjes. Eén enkele eigen compositie slechts, met name de knappe Hensley-americanadeun “My Way Is The Highway”. Voorts een drietal voor de richting die het hier uitgaat behoorlijk representatief blijkende interpretaties van Merle Haggard-songs (“I’d Rather Be Gone”, “Workin’ Man Can’t Get Nowhere Today” en “When My Last Song Is Sung”) en covers van nummers van het repertoire van respectievelijk bluegrasslegende Jimmy Martin (“Before The Sun Goes Down”), songsmid Bobby Starnes (“Lightning” en “More Than Roses”), Billy Joe Shaver (“Georgia On A Fast Train”), Stevie Ray Vaughan (het als “bluesgrass” verrassende “Pride And Joy”), steelgitaargrootheid Buddy Emmons (de wervelende instrumental “Raisin’ The Dickens”), “King of Western Swing” Bob Wills (“Misery”), Bill Monroe’s Bluegrass Boys (“Little Cabin Home On The Hill”) en Waylon Jennings (“There Ain’t No Good Chain Gang”).

Samen goed voor net geen vijfenveertig minuten traditionele country en bluegrass van de werkelijk bovenste plank. Met Hensley als zanger ondanks z’n nog piepjonge leeftijd al behoorlijk nadrukkelijk in de voetsporen van genre-iconen als “The Hag” en “The Possum” tredend. Niet te geloven eigenlijk, dat we hier te maken hebben met een prille twintiger.

Onder anderen Merle Haggard zelve en Marty Stuart outten zich al als fans. Die laatste noemde Trey Hensley respectvol “the real deal”. Een bijzonder mooi compliment van iemand met een dergelijke staat van verdienste. En daar sluiten wij ons hier graag bij aan. Hensley en Ickes betoveren op “Before The Sun Goes Down” immers vrijwel voortdurend. Schijnbaar moeiteloos evoceren zij het ene moment de hoogdagen van het countrygenre om het andere vervolgens kniediep doorheen bluegrasswateren te waden. Heerlijk gewoon! En wat de instrumentale invulling betreft ook echt tot in de puntjes toe verzorgd.

Niets minder dan verplichte kost als je het ons vraagt voor iedereen die al van country hield toen country nog gewoon country was.

Rob Ickes, Trey Hensley, Compass Records, Music & Words

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Op til zijnde gigs: Cowboy Up, Waardamme (B) (05/02), Grasnapolsky, Uddel (NL) (06/02), Muziekcafé, Helmond (NL) (07/02), De Piek, Vlissingen (NL) (26/04), Q-Bus, Leiden (NL) (27/04), Patronaat, Haarlem (NL) (15/05), N9, Eeklo (B) (16/05) en Bluegrass Festival, Hoogeveen (NL) (17/05).

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

THE RIZDALES “Blue Ain’t The Word, A Tribute To The Music Of Ray Price” (The Rizdales)

(4****)

De één z’n dood… ‘t Is dat we de vanuit London, Ontario actieve Rizdales hier al sinds tijden een warm hart toedragen en weten, dat de geest van wijlen countrylegende Ray Price eigenlijk altijd al wel een beetje doorheen hun werk rondgewaard heeft, want anders zouden we de nieuwe worp van die Canadezen wellicht geheel en al anders benaderd hebben dan dat nu het geval is.

Als frontlui-echtelieden Tom en Tara Dunphy en hun muzikale metgezellen ons in de liner notes van “Blue Ain’t The Word” laten weten, dat ze op 16 december 2013 naar aanleiding van het overlijden van hun idool even helemaal van de kaart zijn geweest, dan klinkt dat in onze oren echter heel aannemelijk. Net zo aannemelijk als het aan die gevoelens vastgeknoopte besluit om zich bij wijze van ultiem eerbetoon aan Ray Price een hele langspeler lang over diens werk te buigen. “This album is about our roots and it’s our way to honour the man and the music that influenced us beyond measure,” luidt het in dat verband deemoedig.

En dus waagde men zich aan interpretaties van respectievelijk “I’ll Be There (If You Want Me)” (Tot tweemaal toe!), “City Lights”, “Falling Falling Falling”, “The Other Woman (In My Life)”, “For The Good Times”, “Crazy Arms”, “Bright Lights And Blonde Haired Women”, “You Done Me Wrong”, “Don’t You Ever Get Tired Of Hurting Me”, “Night Life”, “My Shoes Keep Walking Back To You”, “Touch My Heart”, “You Just Don’t Love Me Anymore” en “Don’t Let The Stars Get In Your Eyes”. Interpretaties, stuk voor stuk getuigend zowel van een diep respect voor Price en z’n muziek als van een ver doorgedreven muzikaal vakmanschap. Zo goed, dat je het er als liefhebber van traditionele country bij momenten even heel warm vanbinnen van krijgt.

Zowel fans van de betreurde Price zelf als deze van vandaag de dag nog actieve acts als Dale Watson, The Derailers, The Mavericks en andere zullen hier naar alle waarschijnlijkheid hun pret absoluut niet mee op kunnen!

Rizdales

 

THE UNTHANKS “Mount The Air” (Rabble Rouser Music)

(5*****)

“Mount The Air” is de eerste studioplaat van The Unthanks sinds het net geen vier jaar geleden verschenen en erg lovend onthaalde “Last”. Ruim twee van de tussenliggende jaren gingen er met het maken van de opvolger van dat album voorbij. “It had to be perfect, you know.” En dat werd het ook. Volstrekt uniek en “bloody perfect”. Al zullen er misschien nog wel enkele draaibeurten meer nodig blijken om dat ten volle te beseffen. Dit is immers één van die gehelen, die maar met mondjesmaat al hun geheimen lijken te willen prijsgeven.

“Mount The Air” werd door Rachel en Becky Unthank, toetsenist-producer Adrian McNally en de rest van hun kompanen in hun eigen studio, een speciaal daartoe omgebouwde graanschuur in Northumberland, ingeblikt. Het album bevat voor het eerst geschreven bijdragen van elk van de vijf leden van de groep. “Nach wie vor” vormen in elk van die nummers uiteraard de oorstrelende gezangen van de Unthanks het stralende middelpunt van de belangstelling. Maar er valt hier nog zoveel meer te beleven, te ontdekken. Ruim een uur lang zijn we als luisteraar getuige van stuk voor stuk beklijvende kleinoden, die steeds verder weg lijken te willen dwalen van het folkuitgangspunt van weleer.

Zo kan je in het ruim tien minuten bestrijkende openingsnummer, de titeltrack “Mount The Air”, amper voorbij aan Miles Davis en Gill Evans in hun “Sketches Of Spain”-periode echoënde momenten. En dat in bepaald niet geringe mate wellicht door de werkelijk overheerlijke koperbijdrage van trompettist Tom Arthurs. Bij het legendarische Blue Note zouden ze wellicht niet weigerachtig hebben gestaan tegenover materiaal van dit kaliber! Prachtig, hoe je laagje voor laagje richting een absolute climax wordt geleid!

Vervolgens gaat het via het verkilde, nog net wat meer met het op “Last” gebrachte verwante “Madam”, een werkelijk ijselijk mooie pianoballade, richting het perfect daarop aansluitende, met strijkers overladen “Died For Love” en het in al zijn ijlheid voorwaar even voorzichtig hitgevoelige “Flutter”.

“Magpie” is op zijn beurt dan weer een sterk staaltje van (quasi) a capella gebrachte moderne folk, het op het achttiende-eeuwse verhaal van Thomas Corams gelijknamige hospitaal geënte “Foundling” een heerlijk, wat orkestraler benaderd luisterliedje en “Last Lullaby” een haar titel hoegenaamd alle eer aandoende, eerste door Rachel Unthank geschreven bijdrage.

Dienen dan nog verkend te worden: “Hawthorn”, “For Dad”, “The Poor Stranger” en “Waiting”, vier verdere volstrekt unieke schoonheden van songs, waarvan met name het door violiste Niopha Keegan voor haar enkele jaren geleden overleden Ierse vader gepende “For Dad” voor het nodige kippenvel zal blijven zorgen.

Nog geen maand ver in het nieuwe jaar is dit er alweer eentje voor onze volgende jaarlijst!

(“Mount The Air” verschijnt op 9 februari aanstaande!)

The Unthanks

 

YONDER “Graftings” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Die van het Zweedse rootskwartet Yonder mogen zichzelf graag omschrijven als een groepje in de weer met folk, blues en old-time. Maar daarmee doen ze hun eigenzinnige “Scandicana” zelf eigenlijk veel te weinig eer aan. Door die drie termen in de mond te nemen zet je een potentieel publiek zelfs deels op het verkeerde been. Yonder moet je je immers vooral voorstellen als een soort van muzikaal anachronisme. Een vertaling van wat ooit volop deugdelijk is gebleken naar het hier en nu.

En daarin tonen zanger-songsmid Mats Qwarfordt en de zijnen zich hier tien nummers lang echte grootmeesters. Zowel in eigen materiaal, als in vertolkingen van overgeleverde dingen als “In The Pines”, “He Arose From The Dead”, “Jack O’Diamond” en Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean”. Qwarfordt tekent daarbij niet enkel voor de ons tegelijk wat aan Neil Young en Billy Joe Shaver herinnerende zangpartijen, maar ook voor wat gesmaakte bijdragen op mondharmonica, Peter “de Ry Cooder van het Noorden” af Ugglas doet het op tal van gitaren en zingt her en der ook een mondje mee, multi-instrumentalist Mats Persson doet hetzelfde, springt te gepasten tijde bij op de mandoline en verzorgt ook de percussie en Björn Lundquist ten slotte hanteert de “double bass”.

Met een fijn streepje mondharmonica en wat subtiel achtergelaten gitaaraccentjes wordt “Graftings” balladegewijs ingezet met het mooie “First Big Love”. Vervolgens gaat het via een bepaald grimmig aandoende vertolking van de traditional “In The Pines” en het op met een nadrukkelijk naar Sonny Landreth verwijzende snarenpartij geënte “He Arose From The Dead” opnieuw richting enkele eigen nieuwe songs. De eerste daarvan, “Wedding”, is een verstilde instrumentale, waarin met name af Ugglas en Persson zich binnen de grenzen van het liedje helemaal mogen uitleven. Het folky “Nothing Is Permanent” sluit daar vervolgens perfect op aan, alvorens met “You Will Know” meer bluesy land wordt aangedaan. Een ijzingwekkend mooie versie van Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean”, een al even geslaagde benadering van de traditional “Jack O’Diamond” en twee verdere eigen liedjes, de akoestische bluestrage “Lay Here By My Side” en het quasi uitsluitend van diep liefdesleed levende “Oh Rose”, vervolledigen een wat ons betreft de perfectie aardig dicht benaderend songtiental.

Een zoveelste prachtworp van “huis van vertrouwen” Rootsy!

Yonder, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

MIRIAM JONES “Between Green And Gone” (Miriam Jones Music)

(3,5****)

Miriam Jones is een na aardig wat omzwervingen in de Engelse universiteitsstad Oxford neergestreken Canadese zingende liedjesschrijfster met een behoorlijk nadrukkelijke voorliefde voor rootsmuziek “American style”. En al geniet ze hier te lande vooralsnog dan ook nauwelijks naambekendheid, met haar nieuwe worp “Between Green & Gone” is ze allang niet meer aan haar proefstuk toe. Als we gemakshalve alle op haar Bandcamp-pagina opgelijnde releases even mogen optellen, is haar nieuwste reeds haar zevende.

En dat door de je misschien wel van z’n werk met onder anderen het hitgroepje Fairground Attraction en Billy Bragg bekende Simon Edwards geproduceerde geheel is echt wel een prima plaat geworden. Volledig gevuld met eigen songs, die een zeer sterke schrijvershand verraden. Duidelijk de hand van iemand die zelf met enige regelmaat graag een boek ter hand nemen mag. Songs met een zeker literair karakter. Maar bovenal liedjes met een ziel. Soulvol rootsy op z’n Bonnie Raitts. Profiterend van een immer gloedvolle stem en een stel duidelijk hun weg op een setje snaren wetende vingers.

Wij kenden haar voor dit “Between Green & Gone” nog niet, maar zijn na knappe liedjes als “Missed You”, “Don’t Be Hard On Me”, “All Over”, “Stay”, “Train”, “Cracks” en andere wel graag bereid tot wat inhaallessen van mevrouw Jones. Een hoogst aangename ontdekking, zeg dus maar.

Miriam Jones

 

SWAMP DOGG “The White Man Made Me Do It” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het kleine Amerikaanse label Alive Naturalsound Records pakte de voorbije jaren reeds herhaaldelijk uit met heruitgaven van oude soulplaten, die ontstonden onder de vleugels van Jerry Williams, Jr. oftewel Swamp Dogg. We herinneren ons zo uit het blote hoofd onder meer worpen van Sandra Phillips, Z.Z. Hill, Doris Duke en uiteraard ook Swamp Dogg zelf.

Blijkt nu, dat die rereleases eigenlijk gewoon een soort van voorzet waren op het doelpunt dat er nog aan zat te komen. Een volstrekt nieuwe plaat van de “Dogg” himself! We hadden er eerlijk gezegd absoluut geen rekening meer mee gehouden, dat we dat genoegen ooit nog zouden smaken. We zouden het met onze ondertussen al aardig grijsgedraaide exemplaren van “Total Destruction To Your Mind” en “Rat On!” moeten blijven doen. Dachten we…

Maar nu is er dus “The White Man Made Me Do It”. En daarop blijkt veteraan Williams voorwaar in prima doen. Handig heen en weer laverend tussen voornamelijk in de vroege seventies verankerd zittende funkopstootjes en Southern soul van het zuiverste water zoekt hij meer dan een uur lang aansluiting bij zijn beste werk. En regelmatig slaagt hij nog in dat opzet ook. Met name het met heel z’n hebben en houden schuddende funky titelnummer, het extreem catchy, onopvallend met een snuif reggae gekruide “Hey Renae”, een geweldige, op z’n zuiders ingevulde cover van de Sam Cooke classic “You Send Me”, het heerlijk bluesy gekleurde “Let Me Be Wrong” en de ronduit schitterende, eigenlijk gewoon nu al klassieke soulsleper “That’s What Lonesome Is” wisten ons gelijk bij onze eerste beluistering van “The White Man Made Me Do It” al onverbiddelijk te vloeren. Later zouden onder meer ook nog het als vintage R&B aangereikte “Your Cash Ain’t Nothing But Trash”, de lome instant-meezinger “Yeah, Yeah, Yeah, Yeah”, het van een veelzeggende titel voorziene “Where Is Sly”, het bij schrijversduo Leiber-Stoller geleende “Smokey Joe’s Café” en afsluiter “If That Ain’t The Blues Nothing Is” ons hetzelfde kunstje flikken. Al bij al een blij weerzien dus met deze wat in het vergeetboek geraakte “soullegende”.

En dan hadden we het nog niet eens over het ook al niet te versmaden toetje gehad. Op een bijkomend schijfje wordt ons immers ook een bescheiden dwarsdoorsnede van “Swamp Dogg’s Soul & Blues Collection” aangeboden, met naast werk van de beste man zelf (“Fuck The Bomb Stop The Drugs”, “Synthetic World” en “My Life Ain’t Nothing But A Blues Song”) ook nog pareltjes van Sandra Phillips (“Rescue Me”), Lightning Slim (“Good Morning Heartaches”), Irma Thomas (“In Between Tears”), Charlie Whitehead (“Read Between The Lines”), Z.Z. Hill (“It Ain’t No Use”), Doris Duke (“To The Other Woman (I’m The Other Woman)”) en Wolfmoon (“What Is Heaven For”). Zalig!

Swamp Dogg, Alive Naturalsound, Sonic Rendezvous

 

NIKKI LANE “All Or Nothin’” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

Eigenlijk is het gewoon ronduit ergerlijk te noemen, dat men je als Europeaan meer dan een half jaar lang laat wachten op een officiële release hier van een album als dit. Welke overwegingen er ook aan de grondslag van die beslissing mogen liggen. Ik denk, dat zo ongeveer elke rechtgeaarde liefhebber van Americana ondertussen ook al wel een poosje geleden importpaden bewandeld moet hebben om zich alvast van een exemplaartje van dit topgeheel te verzekeren. Het zou me in elk geval niet verwonderen, mocht dat zo zijn!

Voor alle anderen is dit vooralsnog een verplichte aanschaf. Veel origineler dan deze Nikki Lane kom je ze immers niet al te vaak meer tegen. En wat de Amerikaanse op de door Dan Auerbach van The Black Keys geproduceerde opvolger van haar debuut “Walk Of Shame” uit 2011 doet, smaakt wat mij betreft nog net wat nadrukkelijker naar meer dan die nochtans ook al uitstekende voorganger. “There’s lots of talk of misbehaving and moving on,” aldus Lane zelf over het inhoudelijke aspect van de twaalf nummers erop en da’s uiteraard wel spek naar onze bek. En al zeker als het daarbij dan ook nog eens blijkt te gaan om de weerspiegeling van aardig turbulente momenten in het recente leven van de getalenteerde chanteuse zelf.

Als een soort van kruising tussen Wanda Jackson in haar hoogdagen en de jonge Dolly Parton wervelt Lane hier van de ene moordsong naar de andere. Love it, really! Heerlijk, hoe ze hier retro country koppelt aan invloeden als Phil Spector, de poppareltjes van het vermaarde huis Brill in New York en zelfs punkrock. Moet je gewoon van houden…

“Any day or night time, it’s always the right time. It’s always the right time to do the wrong thing.” Aan die twee eerste regels van openingsnummer “Right Time” zullen we bij het beluisteren van “All Or Nothin’” nog regelmatig terugdenken. Sfeervol countryrockend laat La Lane daarin immers nadrukkelijk verstaan, dat “she’s up to no good”. Dat we, als we op zoek zouden zijn naar een braaf meisje, maar beter elders ons heil kunnen gaan zoeken… Goed om weten…

Vervolgens gaat het via de heerlijke, voorzichtig Spectoriaanse trage “Right Time” richting de ons aanvankelijk qua ritmiek even aan iets van de Clash herinnerende rocker “I Don’t Care”, de ongemeen soulvolle sleper “You Can’t Talk To Me Like That”, het welhaast in de twangy gitaarklanken verzuipende “Seein’ Double” en het niet enkel samen met Dan Auerbach geschreven, maar ook gebrachte “Love’s On Fire”. Groovy titelnummer “All Or Nothin’”, het nadrukkelijk met (swamp) rock flirtende “Sleep With A Stranger”, de “Dolly goes soul” van “Man Up”, de eerder traditioneel opgevatte ballade “Out Of My Mind”, het rustieke “Wild One” en het afsluitende “Want My Heart Back” vervolledigen al even stijlvol het plaatje.

Zoals hier hoger al even gesteld: wat mij betreft absoluut een verplichte aanschaf!

Nikki Lane, New West Records

 

HERMAN BROCK JR. “The Old World” (Herman Brock Jr.)

(5*****)

Mijn platenboer zal het allicht niet echt graag horen, maar eigenlijk ben ik best wel een serieuze voorstander van het crowdfunding-principe. Zo menig een album ontstond reeds mede dankzij een bescheiden voorschotje van mijnentwege. Je moet het gewoon zo zien: je bestelt de nieuwe plaat van een artiest gewoon net wat vroeger dan normaal rechtstreeks bij deze laatste zelf. En betalen doe je er enkel voor, als je idool zijn vooropgestelde doel ook effectief bereikt en tot het maken van die plaat overgaat. Wat heb je er dus aan te verliezen? Niets toch? Je gunt artiesten op deze manier gewoon wat meer financiële ademruimte en zorgt ervoor, dat ze zich in alle rust kunnen concentreren op datgene waar ze zo goed in zijn. En dat leidt dan vaak tot werkelijk verbluffende resultaten.

Neem nu “The Old World”, het nieuwe album van de Nederlander Herman Brock Jr. Ik vraag me af, of hij die nieuwe schijf even oogverblindend had kunnen presenteren als nu, mochten hem via crowdfunding langs Voordekunst niet de nodige fondsen in de schoot zijn gevallen. Een buitengewoon fraai ogend hardcover-boekwerkje vormt als het ware de kers op een sowieso al niet te versmaden muzikale taart. Daarin vind je naast tekst en uitleg bij het project en elk van de liedjes uiteraard ook alle songteksten terug. En informatie over alle bij “The Old World” betrokkenen. En dat zijn er nogal wat. Maar daarover hier wat verderop meer.

“The Old World” blijkt een over meerdere jaren heen ontstaan bluegrassgeheel, geïnspireerd door tal van grootmeesters van het genre, maar vooral toch door “The Mountain”, het lichtjes fantastische album dat Steve Earle in 1999 met de Del McCoury Band inblikte. Het zette Herman Brock Jr. ertoe aan om ook zelf te gaan dromen van een bluegrassplaat. Eentje vervaardigd in “The Old World” met muzikanten van daar. In de eerste plaats met de beste bluegrassband van Nederland, The Blue Grass Boogiemen. Maar uiteraard ook met z’n eigen bands The Brockettes en The Bluegrass Bunch en met andere gasten als Joost van Es (fiddle), Janos Koolen (mandoline), Jeroen Schmohl (dobro), Laurens Joensen (mandoline), David Buyle (fiddle), Peter de Smet (dobro) en z’n vader, Herman Brock Sr.

“Ik had het idee om iets te doen met verhalen van vroeger uit de streek van waar ik ben opgegroeid,” aldus Brock zelf over z’n nieuwe worp. “De titel ‘The Old World’ gaat over iemand die zijn heil gaat zoeken in Amerika. Mijn opa en mijn vader vertelden vroeger dat in de jaren '20 veel mensen uit Zeeland met de boot naar Amerika gingen om een beter leven te vinden. En dan vertelde mijn opa dat er mensen terug kwamen met pakken geld. Ze hadden keihard moeten werken, maar ze hadden wel een beter leven dan ze hier hadden achtergelaten. Dat intrigeerde mij als klein mannetje al. Verschillende nummers op het album zijn tekstueel op dit thema gebaseerd, weer andere teksten zijn meer persoonlijk of gaan over Zeeuwse legendes, zoals het nummer ‘Flyin’ Dutchman’s Curse’, dat verhaalt over Willem van der Decken alias de Vliegende Hollander, die volgens de overleveringen in mijn thuishaven Terneuzen zou hebben gewoond.”

Openingsnummer “Gather Around The Mike” zou je daarbij kunnen zien als een soort van beginselverklaring. Met z’n allen rond één enkele microfoon vliegt men er op werkelijk wervelende wijze in. Vervolgens is er het een pak bedaarder aandoende titelnummer. Minstens evenveel Americana als bluegrass, dat liedje, dat zich focust op een verhaal uit “the old days”. Met het alweer van de “joie de vivre” barstende “My Old Hometown” gunt Brock ons vervolgens een blik op zijn houding met betrekking tot altijd maar weer reizen en daarna weer naar huis terug mogen keren en “Love Me Still” is een veritabel pareltje van een “love gone wrong song”. Veel tastbaarder kan je verdriet ons inziens amper weergeven.

En geen bluegrassplaat zonder een instrumental natuurlijk! In dit geval het ook al ronduit geweldige “Harvest Time”, dat er met z’n inventieve tempoveranderingen daadwerkelijk in slaagt om het tegen oogsttijd bij momenten best wel jachtige boerenbestaan perfect te vatten. Je moet het maar doen!

“Cold Wind Risin’” is vervolgens een echt wel heerlijk authentiek aandoende bijdrage van Herman Brock Sr., “Good Times” verklankt op gepaste wijze de hyperpositieve boodschap erin en “The Ladder” blijkt een mooi staaltje van storytelling op z’n Guy Clarks of Tom T. Halls. En dan hadden we het nog niet over het sprankelende, “en passant” behoorlijk nadrukkelijk naar Jimmie Rodgers verwijzende jodelbluesje “Old World Boy”, de speed-ode aan het onderwerp uit haar titel “Diversity”, de door het leven zelve geïnspireerde “toe-tapper” “Other Side Of The Creek” en de ongemeen sfeervolle ballade “Stranger”. Of over “Never Let The Money Drag You Down”, nog een Herman Brock Sr.-song, het omineuze, aan de legende van z’n streekgenoot Willem van der Decken opgehangen “Flying Dutchman’s Curve”, “Brock’s Breakdown”, een verdere instrumentale, en “Live Your Life (To The Limit)”, de Brocks levensmotto in een catchy riedel vangende afsluiter van het geheel.

Als je het ons vraagt: een ronduit monumentaal pakket! Die ene bluegrassplaat, die dit jaar zeker haar weg richting je collectie zou moeten vinden…

Herman Brock Jr.

 

SERPENTYNE “Myths & Muses” (Serpentyne Music)

(3,5****)

“Myths & Muses” is het tweede album van het Britse Serpentyne. Dat door de bekoorlijke Maggie-Beth Sand en multi-instrumentalist Mark Powell aangevoerde gezelschap streeft in z’n werk een fusie van traditionele (volks)muziek met elementen uit moderne dans en rock na.

Werd op het eerste album van de groep, “Stella Splendens”, nog gewoon uit het Latijn, het Occitaans en het Oudengels ontleend traditioneel song- en tekstmateriaal van een eigen arrangement voorzien, dan kiest men op deze nieuwe duidelijk voor een wat eigenzinnigere aanpak. De eigen inbreng werd alvast beduidend groter. Eigen lyrics en deunen als aanvulling op nieuw ontdekte traditionals, met als rode draad quasi voortdurend “sterke vrouwen”. Vrouwelijke krijgers en andere muzen, die doorheen de geschiedenis velen wisten te inspireren.

Kenmerkend voor de muziek van Serpentyne zijn naast de bezwerende sirenenzang van Sand vooral de niet zelden pulserende ritmes die de songs voortstuwen. De combinatie van eigengereide percussie, grillige soundscapes en subtiele en minder subtiele verwijzingen naar een lang vervlogen verleden maakt van “Myths & Muses” een hoogst intrigerend geheel. Een lang niet altijd even gemakkelijk te kraken noot ook, die veel van haar geheimen pas na enkele beluisteringen prijs gaat geven.

File under: Medieval World Folk Rock. Aan te bevelen wat ons betreft vooral aan liefhebbers van acts als het Duitse Faun, onze eigen Laïs, Omnia, Blowzabella, Steeleye Span, de Medieval Babes en Loreena McKennit.

Serpentyne

 

SUNDAY WILDE “He Digs Me” (Untouchable Productions)

(4****)

Ergens vanuit het noorden van Ontario bereikte ons enkele dagen geleden de vierde soloplaat van de ons voordien volslagen onbekende Sunday Wilde. Een bluesplaat, die zelfs de meest verstokte liefhebber van Americana evenmin onberoerd zal laten. Dertien songs en evenveel redenen tot een complete overgave aan haar werk serveert de Canadese liedjesschrijfster ons daarop immers. Tien daarvan blijken eigen schrijfsels. Enkel haar vertolking van de country classic “I Fall To Pieces”, het lekker “mean” uit de hoek komende “Black Mountain Blues” en de afsluitende a capella gospeldeun “Walk With Me” vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Gelijk van bij het eerste nummer, het wat richting roots pop overhellende titelnummer, had Wilde ons stevig bij ons nekvel. Die stem! Wow! Grote madammen als een Bessie Smith, een Billie Holiday en een Earth Kitt sprongen ons spontaan even voor de geest. En dat was dan nog maar het begin! Het klaaglijke, z’n heil in meer jazzy wateren zoekende “Sunday’s Midnight Blues”, de onder meer door machtig saxwerk van Jimmy Wallace voortgestuwde “dirty blues” van “Handle Me”, het ons qua atmosfeer best wel wat aan het klassieke “St. James Infirmary” herinnerende “Show Me Mercy”, de knappe trage “Nobodies Fault” (Nooit geweten, dat je dat zo schreef…), de ook al buitengewoon sfeervolle schuifelaar “Destitution Blues”, het rockabilly-bluesopstootje “I Can’t Believe” en andere, stuk voor stuk lekkere songs volgden, net geen drieënvijftig minuten lang.

Genoeg alvast om ons meer dan nieuwsgierig te maken naar alles wat we voor “He Digs me” zoal gemist hadden. Het in 2007 samen met Reno Jack uitgebrachte “Black Pearls Of Wisdom”, Wilde’s van twee jaar later daterende solodebuut “Broken String Of Pearls”, “What Man!? Oh That Man!!” uit 2011 en “He Gave Me A Blue Nightgown” uit 2012 staan vanaf nu op ons verlanglijstje.

Sunday Wilde

 

ROBERT JON & THE WRECK “Glory Bound” (Robert Jon & The Wreck)

(3,5****)

Wat gaat het allemaal bijzonder snel voor deze vijf Amerikaanse knapen! Amper 24 maanden geleden, in februari 2013 meer bepaald, besloten ze zich te wagen aan een muzikaal avontuur samen. Nauwelijks een half jaar later imponeerden ze Jan en alleman met hun door de gerenommeerde Warren Huart geproduceerde debuutplaat, de EP “Rhythm Of The Road”, en trokken ze ook reeds op een uitgebreide tournee doorheen de States. Een tournee, die hen naast enkele prestigieuze lokale awards in de categorieën blues en rock vooral ook een zeer toegewijde schare aan fans opleverde. Fans, die hun pret wellicht niet op zullen kunnen met de tien nieuwe songs op het binnenkort te verschijnen album “Glory Bound”.

Opnieuw was het de je wellicht ook wel van zijn werk met onder anderen Aerosmith bekende Huart die voor de productie tekende. En hij zag dat het ook ditmaal weer allemaal goed was! “Live off the floor” werd een handvol nieuwe nummers ingeblikt, die op hun best herinneren aan de Black Crowes in hun hoogdagen, aan het al genoemde Aerosmith en aan het legendarische Lynyrd Skynyrd ook wel. Kopstuk Robert Jon Burrison toont zich daarin een ongemeen soulvolle rockstrot. Samen met Kristopher Butcher tekent hij daarnaast ook voor het gitaarwerk. Ook heel erg bepalend voor het groepsgeluid is verder vooral ook toetsenist Maggiora. Samen met bassist Nick Phakpiseth en drummer Andrew Espantman completeert hij het kwintet.

Onze luistertips: het er gelijk als een speer vandoor gaande openingsnummer “The Devil Is Your Only Friend”, het veelzeggend getitelde en wel heel erg “Crowes” aandoende “Blame It On The Whiskey”, de warmbloedige Southern slow rocker “Cold Night”, het vrijwel doorlopend heftig aan z’n kettingen snokkende “Steppin’” en het zich ingehouden funky aandienende, maar bovenal ook heel erg radiovriendelijke “Let Her Go”.

Binnenkort naar verluidt ook te genieten op Europese podia, deze vijf, maar daarover hier te gepasten tijde meer!

Robert Jon And The Wreck

 

ALLIGATOR GUMBO “Simmerin’” (Monophon / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Hoe goed die van Alligator Gumbo wel zijn in wat ze doen, moge enkel en alleen al blijken uit het feit dat ze door The French Cajun Music Association in Lafayette reeds voor elk van hun beide platen voor “Le Prix D’Hors de Nous” – de jaarlijks uitgereikte prijs voor de beste cajunmuziek niet afkomstig uit Louisiana dus – in aanmerking werden genomen. Een heus huzarenstukje, als u het ons vraagt, voor een band afkomstig uit “of all places” het Zuiden van… Zweden.

Maar Johan Larsson (zang, gitaar en “petit fer”), Thor Ahlgren (zang, accordeon en doedelzak), Leif Eriksson (gitaar), Fred Sörensson (fiddle) en Dan Englund (akoestische bas) blijken zo verdomd gepassioneerd in alles wat ze op de opvolger van het goed en wel twee jaar geleden verschenen “Lacassine Special” – “Simmerin’” bedoelen we dan natuurlijk! – doen, dat je het zelfs met de beste wil van de wereld amper nog van in Louisiana zelf vervaardigd spul onderscheiden kan. Cajun traditionals worden erop afgewisseld met enkele eigen, perfect bij diezelfde traditie aansluitende originelen (“Cold Cajun” en het werkelijk wervelende “Le Long Voyage”). Met als voertaal hetzelfde pittige mondje Frans, dat in het verleden ook al zo menig een lokale muzikale gumbo op smaak bracht. En uiteraard ook met de nodige strikt instrumentale intermezzo’s. Dat hoort op een cajunplaat nu eenmaal zo. (Al is de doedelzakbijdrage in “Happy One-step” natuurlijk wel nadrukkelijk een voorbeeld van de wel degelijk ook in ruime mate aanwezige eigen inbreng van de heren hier.)

Echt, hierop valt niets, maar dan ook echt helemaal niets af te dingen! De songkeuze laat amper wat te wensen over, de zang klopt werkelijk als een bus en het accordeon- en fiddlegestoei, dat is voorwaar vrijwel voortdurend om duimen en vingers van af te likken. Tussen openingsnummer “Eunice One-Step” en het afsluitende “Madeleine” is het ruim negenendertig minuten genieten geblazen op z’n Creools. Eén groot feest dus!

Allons danser, mes amis!

Alligator Gumbo, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JOHNNY FONTANE AND THE RIVALS “Lemme Tell Ya!” (Wanted Men Recordings)

(4****)

Eén van dé grote voordelen van schrijven over muziek is dat er je op regelmatige basis kostelijkheden in de schoot worden geworpen, die anders gegarandeerd aan je aandacht zouden ontsnapt zijn. Neem nu zo’n plaat als “Lemme Tell Ya!” van Johnny Fontane And The Rivals. Eerlijk is eerlijk: een buitengewoon lekker bluesrocktwaalftal als dat zou ik uit eigen beweging zeker niet in Zwitserland zijn gaan zoeken. Die verdomde vooroordelen ook altijd, he…

Maar goed, “to the point”! Johnny Fontane And The Rivals zijn zanger-gitarist Tom Marcozzi, toetsenist Philipp Lüdi, bassist Christian Spahni en drummer Lukas Zürcher, vier zich als het maffiawereldje de rug toegekeerd hebbende Siciliaanse halfbroers presenterende Zwitsers, die met hun eerste studioplaat echt spijkers met koppen slaan. Twaalf tot in de puntjes toe verzorgde eigen composities, bulkend van de catchy gitaarriffs, serveren de heren daarop. Het ene moment buitengewoon wervelend, compleet onder stoom als het ware, het andere juist zalig soulvol en ingetogen. De ballade “Life Is Beautiful” en het met Justina Lee Brown gedeelde “This Ain’t Mississippi” zijn twee klassevoorbeelden van dergelijke wat rustigere songs. In het eerste imponeert met name kopstuk Marcozzi met onwaarschijnlijk subtiel gitaarwerk, in het tweede trekt Brown op al even magistrale wijze vocaal alle registers open.

Andere gasten die we op “Lemme Tell Ya!” tegen het lijf lopen zijn de je misschien wel van zijn werk voor onder anderen Alice Cooper en UFO bekende gitarist Vinnie Moore, die de leadpartijen in de sleper “Tell Me” voor zijn rekening neemt, en bluesharpvirtuoos Marco Pantherra, die het afsluitende “Steam Train” letterlijk mee helpt onder stoom te krijgen.

Onze lievelingen op “Lemme Tell Ya!” zijn naast het al genoemde slowtje “This Ain’t Mississippi” vooral de wervelende bluesrocker “Black Cadillac”, de met lekkere blazers opgewaardeerde en mede daardoor volop met R&B flirtende eerste single “Hands On You” en het bepaald funky uit de hoek komende “Like A Real Man”.

Zouden zomaar eens kunnen uitgroeien tot één van de festivalzomersensaties van 2015, deze stijlvol ogende Zwitsers. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Johnny Fontane And The Rivals

 

24 PESOS “Do The Right Thing” (Cadiz / Bertus)

(4****)

Julian Burdock en de zijnen zijn “back”. En hoe! Op de opvolger van het net geen drie jaar geleden verschenen “When The Ship Goes Down” illustreren de vier Londenaars andermaal hun hoogst eigenzinnige visie op de blues anno 2015. Invloeden als Sly Stone, James Brown, The Meters, Albert Collins, Freddie King, Howlin’ Wolf, Jimi Hendrix, Cream, de Stones en anderen misten hun doel duidelijk niet. En het resultaat is in één woord weer onweerstaanbaar.

Heerlijk funky bij momenten, zoals in het ons op de één of andere manier ook wel wat aan de Peppers herinnerende openingsnummer “Step Back”, het meteen daaropvolgende en met een enigszins aparte intro gezegende “Won’t Lie Down”, het titelnummer en het buitengewoon groovy “The Good Lord Did”. Ongemeen sfeervol ook, zoals in het de laatste restjes deltaklei verwoed van zich af stampende “Rise Up”, de mooie trage “Need Somebody” en het ook al bepaald niet van de soul gespeend gebleven “If You Want It”. Of net er al rockend een flinke lap op gevend, zoals in het hypernerveuze “Clap Hands”, het ferm slidend ingezette “Night Train” of catchy afsluiter “Boom Boom”.

Wie zich nog mocht afvragen, waarom dit viertal vaak als één van dé interessantste Engelse blues acts van de laatste jaren überhaupt genoemd wordt, vindt hier andermaal tien goede redenen om een dergelijke bewering ogenblikkelijk en zonder ook maar de minste schroom bij te treden! Binnenkort ongetwijfeld ook weer graag geziene gasten op zo menig een bluesfestival, deze vier knapen!

24 Pesos

 

GRETCHEN PETERS “Blackbirds” (Scarlet Letter Records / Proper Records)

(5*****)

Voor wie daar na het lichtjes fantastische “Hello Cruel World” van zo’n twee jaar geleden überhaupt nog behoefte aan zou hebben, levert Gretchen Peters op haar eraan komende album “Blackbirds” tien nieuwe bewijsstukken van haar onmiskenbare talent als songwriter. In een met Doug Lancio en Barry Walsh gedeelde productie serveert ze haar wat mij betreft zonder meer allerbeste album tot op heden. En tal van gerenommeerde gasten passeerden dan ook de revue, toen ze de liedjes erop in Nashville inblikte. Jimmy LaFave, Jason Isbell, Kim Richey, Suzy Bogguss, Jerry Douglas en Will Kimbrough moeten daarvan zowat de voornaamsten geweest zijn. Ander opvallend gegeven: Peters schreef heel wat van de liedjes op “Blackbirds” samen met haar maatje Ben Glover. En ook dat heeft haar zeker geen windeieren gelegd.

Gelijk van bij het vrijwel meteen een zeker gevoel van onbehagen achterlatende openingsnummer “Blackbirds” is het prijs. Traag rockend liet Peters daarmee bij mij een schier onuitwisbare indruk achter. Echt wel een groots nummer, dat liedje! En lang niet het enige in zijn soort hier, zoals al snel blijken zou… Ook het behoorlijk seventies aandoende en me herhaaldelijk best wel wat aan folkicoon Joni Mitchell herinnerende “Pretty Thing”, de aardig viriel uit de hoek komende countryrocker “When All You Got Is A Hammer”, de buitengewoon fijnzinnige pianoballade “Jubilee” en “When You Comin’ Down”, een ontwapenend mooi Americana-duetje met Jimmy LaFave, mochten wat mij betreft zo op het lijstje met “blijvertjes”. En dan had ik het nog niet eens over al die andere schoonheden van songs als “Everyhting Falls Away”, “The House On Auburn Street”, “Black Ribbons”, “Nashville” en “The Cure For The Pain”!

Ik weet het wel, het jaar is nog maar een paar dagen oud, maar toch dacht ik voor het eerst alweer aan mijn volgende jaarlijstje. Het zou me absoluut niet verbazen, mocht dit nieuwe album van Gretchen Peters daarin straks een behoorlijk prominente rol gaan vervullen. Een goede verstaander heeft daaraan meer dan genoeg, lijkt me…

Gretchen Peters, Proper Records

 

CHRIS D. SMITH “A.D. 2014” (One Drop Music Generation)

(3,5****)

Onze eerste “mannenplaat” van 2015 verscheen eigenlijk al een poosje geleden. In de tweede helft van het jaar uit de titel ervan meer bepaald. Maar dat hield ons dus niet tegen om er vooralsnog ons licht over te laten schijnen. “A.D. 2014”, na het goed en wel een jaar of drie geleden verschenen “Words” de tweede langspeler van Kapellenaar Chris D. Smith, is immers een hoogst interessante rootsworp van eigen bodem. De elf liedjes erop rolden zonder ook maar één enkele uitzondering uit de pen van Smith zelve. En die toont daarin vooral, dat hij zijn ogen graag de kost geven mag. Z’n inspiratie voor zo menig een nummer vond hij immers in het leven van alledag.

Aan de basis van het met een flinke snuif reggae gekruide “Hard Times” lag zo bijvoorbeeld de recente economische crisis, titelnummer “A.D. 2014”, een met de verbetenheid van Bob Dylan en Neil Young in hun beste dagen om zich heen schoppende rocker, werd geënt op de aanslepende onlusten in het Midden-Oosten de Krim, en het ons volop aan “The Boss” en z’n E Street Band herinnerende “Italian Girls” gaat over, wel ja, Italiaanse zomers en de vele schone madammen aldaar.

Wat de muzikale invulling van “A.D. 2014” betreft gaat Smith lekker ruim. Na de Heartland rock en de reggae van het al genoemde tweetal (“Italian Girls” en “Hard Times”) gaat het via een potje smeuïge bluesrock (“Tell Me”) en een soulvol rootsy popliedje (“Gates Of Love”) richting het groots opgevatte, je als luisteraar aardig wat hoeken van het rockcanvas van dichtbij tonende “Old Friend” en het bij momenten echt wel nadrukkelijk de Stones ergens bij het begin van de seventies evocerende “Rock ‘N’ Roll Addict”. “Mose Grove” blijkt meteen aansluitend daarop dan weer een streepje buitengewoon warmbloedige Americana en over het echt wel ijzersterke titelnummer hadden we het hier hoger al. Resten dan nog: het poppy liefdesliedje “Coat Made Of Love”, het bedaard countryeske “Catchin’ The Sun” en de afsluitende reprise van het titelnummer.

Al bij al een prima songelftal. Door Smith (zang, gitaren, bas, keyboards, klavecimbel, harmonica en percussie) ingeblikt met Bart Delacourt (bas en backing vocals), Tim Coenen (drums, gitaren, bas, percussie en backing vocals), Tom Vanstiphout (gitaren, pedal steel en slide), Little Chris Van Nauw (gitaren), Niels Verheest (keyboards, Hammond), Nils De Caster (viool) en Carlo Willems (klokkenspel, vibrafoon). Voor de productie tekende hijzelf.

En een pluim hier ten slotte ook nog voor de knappe cover van “A.D. 2014”. Het fraaie schilderij daarop is van de hand van niemand minder dan Sam Dillemans. Een echte “eyecatcher” noemen ze zoiets…

Chris D. Smith

 

KATIE GARIBALDI “Follow Your Heart” (Living Dream Music)

(3,5****)

Vanuit San Francisco bereikte ons onlangs “Follow Your Heart”, het ondertussen ook alweer zevende album van de van daaruit actieve Katie Garibaldi. En die doet het op haar nieuwste met dertien eigen nieuwe liedjes, waarvan de meeste in het teken blijken te staan van de goede raad uit de titel ervan. Volg altijd en overal je hart, drukt Garibaldi ons hier meermaals op dat laatste. In goede zowel als kwade dagen, blijkt dat immers veelal de juiste weg.

Voor het uitdragen van zoveel positivisme bedient de schone Amerikaanse zich van een soort van mengvorm van (doorgaans) akoestische pop, country en folk rock. In haar entourage spreekt men gemakkelijkheidshalve van Americana. En van sprankelende, memorabele melodieën ook. Wij houden het hier echter gewoon op goed in het gehoor liggende deuntjes. Bij momenten een beetje te braaf van aard om onze aandacht continu vast te houden, maar wel mooi.

Als sterkste liedjes noteerden we het zich mede door een gloedvolle bijdrage op de pedal steel van Max Butler meteen knus tussen de oren nestelende titelnummer, de fraaie, Garibaldi’s bepaald niet onaanzienlijke vocale capaciteiten ook al alle eer aandoende ballade “Holding On”, het groovy, zowaar even bedaard (country)rockende “Love The Hell Out Of You”, het vrijwel ogenblikkelijk door z’n wat desolaat aandoende geluid opvallende “Whispers & Rumours” en het na enkele beluisteringen buitengewoon catchy uitvallende Americana-niemendalletje “Vegas”.

Katie Garibaldi

 

AMELIA CURRAN “They Promised You Mercy” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Naar een nieuwe plaat van Amelia Curran is het hier al sinds haar debuut “War Brides” uit 2008 altijd wel een beetje uitkijken. Met dat album, opvolger “Hunter, Hunter” uit 2009 en “Spectators” uit het najaar van 2012 baande de jonge Canadese liedjesschrijfster zich immers een weg tot diep in ons luisteraarshart. Voor ons was ze echt één van dé revelaties van de voorbije tien jaar. Een ongelooflijk talent, dat we gelijk vanaf onze eerste kennismaking ermee zonder schroom aan elke liefhebber van andere grote dames als Lucinda Williams en Mary Gauthier durfden aan te bevelen. Ook nu nog!

Al gaat Curran op haar nieuwe worp in een productie van de tegenwoordig goed in de markt liggende Michael Phillip Wojeweda dan ook nadrukkelijk voor een wat massavriendelijker geluid. Heel wat van de elf liedjes erop blijken op de keper beschouwd zelfs behoorlijk radiovriendelijk. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag het zich fris als een lentebriesje aandienende rootspopblijvertje “Somebody Somewhere”, het ingehouden, zich bij elke nieuwe luisterbeurt wat dieper in je onderbewustzijn vastschroevende “I Am The Light”, het loom, maar wel buitengewoon catchy rockende “Never Say Goodbye” en het in deze optiek met een wel bijzonder toepasselijke titel gezegende “Song On The Radio”. Samen met andere tot in de puntjes verzorgde songschoonheden als de trage “Time, Time”, het bedaarde, ons van opzet een weinig aan Suzanne Vega herinnerende “The Reverie”, popjuweeltje “The Matador” en afsluiter “You’ve Changed” wat ons betreft meer dan redenen genoeg om onverwijld tot de aanschaf van dit kleinood over te gaan.

Een mooie stem, scherpzinnige, door de zangeres zelf in de nasleep van behoorlijk donkere dagen niet zelden cathartisch ingevulde teksten, muzikaal gezien tot in de puntjes uitgewerkte liedjes, voor ons hoeft het echt niet meer te zijn…

Amelia Curran, Blue Rose Records

 

KELLY MCRAE “Easy On My Mind” (Kelly McRae Songs)

(4****)

Met “Easy On My Mind”, het binnenkort te verschijnen nieuwe album van de bekoorlijke Amerikaanse Kelly McRae, slaan we hier op bijzonder subtiele wijze de pagina van het voorbije jaar om. We laten het om uiteenlopende redenen lang niet altijd tot vrolijkheid uitnodigende 2014 voorzichtig achter ons met zes nieuwe prachtliedjes van de al sinds 2011, in de aanloop naar “Brighter Than The Blues”, samenwerkende muzikale tandem McRae-Castelein. Een samenwerking, die de zangeres en haar vaste gitarist ondertussen overigens ook al tot in Europa aardig wat lofzangen opleverde. En dat meer dan terecht ook.

Het materiaal voor haar nieuwe worp schreven McRae en Matt Castelein in een hutje ergens diep in de Smoky Mountains in North Carolina. En de rust die ze daar vonden straalt bijna als vanzelfsprekend ook van het merendeel van hun nieuwe songs af. Zo menig een trage beauty is het resultaat. Van de beklijvende ballade “Fairweather” tot het licht jazzy aanvoelende titelnummer, van het door Geoff Queen dobrogewijs aan wat meer glans geholpen schuifelaartje “Full Cup” tot het met name door McRae’s fraaie sirenenzang erin wat richting folk overhellende “So Fine” en het bij nader inzicht gewoon uit datzelfde vaatje tappende afsluitertje “At The Feet Of Love”, het zijn zonder uitzondering echte heerlijkheden van songs.

En dat laatste geldt zeker ook voor het enige nummer, dat we tot nog toe nog niet vermeld hadden, met name het zachtjes swingende “Stay Close To Me”. De enige reden, waarom dat wat langer op z’n beurt wachten moest, is het daarin net wat hoger liggende tempo. Het is ontegensprekelijk ook het meest “country” nummer van het geheel.

“Easy On My Mind” werd opgenomen in de Ramble Creek-studio’s in Austin, TX. Voor de verfijnde productie ervan tekende Britton Beisenherz.

(Releasedatum: 27 januari 2015.)

Kelley McRae

 

SHELLEY KING “Building A Fire” (Lemonade Records)

(4,5*****)

Net als z’n voorganger, het goed en wel een jaar of vier geleden ook al samen met John Magnie, Tim Cook en Steve Amedée van de Subdudes ingeblikte “Welcome Home”, is ook Shelley Kings zevende weer een echte moordplaat geworden. En de titel ervan is wat ons betreft dan ook zeer op z’n plaats. “Building A Fire” indeed! De knappe Texaanse etaleert hier andermaal twaalf songs lang welk een vocaal oertalent ze wel is. Beter kom je ze naar onze bescheiden mening dezer dagen niet al te vaak meer tegen…

“Building A Fire” is wat je noemt een roots-totaalpakket. Het beste van meerdere werelden onder één dak. Je hoort hier zo bij herhaling bijvoorbeeld zowel Austin, New Orleans als Muscle Shoals in terug. Van bluesy ballades en gospeleske momenten tot zydeco en met country flirtende swamp pop, maar vooral tonnen aan soul zijn je deel! Met tal van nagenoeg onweerstaanbare eigen deunen als hoogtepunten. Als daar zijn bijvoorbeeld de heerlijk relaxte, zo ongeveer meteen tot meezingen uitnodigende rootspopdeun “The Ones You Don’t See Coming”, het onder meer door de fiddle van gast Warren Hood nadrukkelijk richting country-oorden gestuwde “1940’s Eyes”, het bedaard rockend een wel heel erg positieve boodschap uitdragende “Hard Times Are No Match For Sweet Dreams” of het gevoelige, vrijwel ogenblikkelijk door de geweldige samenzang erin opvallende “Moonlight”.

Van de twaalf deunen hier komen er overigens maar liefst tien uit de koker van King zelf. Eentje daarvan, het buitengewoon sensueel aan de man gebrachte “Things You Do”, schreef ze samen met collega Floramay Holliday, de rest gewoon in haar dooie eentje. Enkel de prachtige sleper “I Know I’ve Been Changed” en het “groovy” “When I Go Away” blijken vreemde eenden in de songbijt. Het eerste – Moderne gospel van het beklijvendste soort! – is op voortreffelijke wijze naar het hier en nu vertaald traditioneel songgoed, voor het tweede ging King in de leen bij de vermaarde Larry Campbell.

Voor de productie tekende King samen met de tandem Magnie-Amedée weer zelf. En aangevuld met Marvin Dykhuis en Sarah Brown vormde dat drietal ook de “core group” bij het tot stand komen van “Building A Fire”. Muzikale gasten als de al genoemde Warren Hood, Cindy Cashdollar, Carolyn Wonderland, Taylor Tesler, Robert Cline Jr., Russell Mefford, Billy Hunley en Tim Cook deden de rest. Al bleef hun rol veelal toch eerder beperkt.

Shelley King

 

JACK KEROWAX “Jack Kerowax” (St. Cait Record Company)

(3,5****)

Het mag hier dan ook nog maar hun debuutplaat betreffen, de truken van de foor hoeven we de vier youngsters van Jack Kerowax duidelijk al niet meer te leren. Die groepsnaam alleen al! Zelfs de aandacht van Beat Generation-boegbeeld Jack Kerouac zelf zouden ze er ergens ver daarboven wel eens heel even mee getrokken kunnen hebben! En al bijna even opvallend is de verpakking, waarin zingende songsmid Johnny Beauford en de zijnen ons hun eersteling aanreiken. Geen rooskleurige brilglazen immers voor de het zwart-wit-frontje van dat geheel sierende schone, maar wel gele. Het levert een hoogst apart plaatje op, moet ik zeggen.

En dat kan je eigenlijk ook wel stellen met betrekking tot de muziek op “Jack Kerowax”. De tien liedjes daarop slaan immers op aantrekkelijke wijze een brug tussen enerzijds Americana en anderzijds pop. Het ene moment blijkt daarbij de ene pool net wat zwaarder door te wegen, het andere moment de andere, maar interessant blijft het te allen tijde. En met bovendien ook enkele echte oorwurmen als resultaat! Met name het gitaargewijs her en der (subtiel) naar “Sweet Jane” van de Velvet Underground verwijzende “Huck Finn’s Hideout” en het moody “Fever” verdienen wat mij betreft die omschrijving nadrukkelijk. Verdere zeer “lekkere stukken”: het aanstekelijke, met een fraai streepje mondharmonica en wat saloon-stijl piano opgewaardeerde countryrockertje “Moonshine Barber”, eerste single “Ten Year War”, mooie trage “Violet” en het wel zeer radiogenieke “popdondertje” “Bliss”.

Niet meteen typisch Texaans spul, dit, maar als je het mij vraagt je aandacht wel meer dan waard! En al zeker als je, zoals de grote Kerouac indertijd zelve, vooral wordt aangetrokken door het onbekende.

Jack Kerowax

 

JIM MALCOLM “The Corncrake” (Beltane Records)

(4****)

Ik betrapte er mezelf onlangs op, dat ik daar waar het folk betreft nogal eens graag richting vrouwelijke singer-songwriters wil afdwalen. Kate Rusby, Emily Smith, Cara Dillon, Mary Black, Nancy Kerr, Eliza Carthy,… Aan vrouwelijk talent hoegenaamd geen gebrek in mijn persoonlijke collectie. Iets wat van de mannelijke collega’s van deze dames helaas niet gezegd kan worden… Eigenlijk is er maar één grote uitzondering op die regel en da’s de Schotse troubadour Jim Malcolm. Die is hier goed vertegenwoordigd. En dat allicht om exact dezelfde redenen als die vrouwelijke collega’s. Net als hen is Malcolm naast een prima songsmid immers vooral een fantastische vertolker. Met zijn prachtige stem was hij in het verleden al verantwoordelijk voor zo menig een pijl dwars doorheen dit luisteraarshart hier. De warme gloed die ervan afstraalt is gewoon hemels.

En veel meer nog dan in ’s mans eigen materiaal valt dat op in z’n vertolkingen van klassiek Schots songgoed. Dat mochten we voor het eerst nadrukkelijk vaststellen op z’n vorig jaar verschenen elfde album “Still”. Daarop waagde Malcolm zich, daartoe aangezet door z’n ondertussen helaas overleden Amerikaanse vriend Brent Rutherford, onder meer aan vertolkingen van Schotse klassiekers als “The Baron O Brackley”, “Erin Go Bragh”, “Jock O Hazeldean”, “Pills Of White Mercury”, “Queen Amang The Heather”, “Bonnie Woodhall” en “McPherson’s Rant”. En het resultaat van dat “labour of love” was naar onze bescheiden mening van een werkelijk adembenemende schoonheid. “Still” was een plaat, die je ook aan doorgaans niet echt folkminnende muziekliefhebbers durfde aan te bevelen.

En dat geldt misschien nog wel net iets meer voor Malcolms zopas verschenen nieuwe cd “The Corncrake”. Da’s als het ware het logische verlengstuk van “Still”. Met opnieuw elf veritabele songschoonheden als verkoopsargumenten voor het recentere werk van Malcolm erbij. Traditionals als “The Merchant’s Son”, “The Bonny Earl O’ Moray”, “Clerk Saunders”, “Tattie Jock”, “Kelvin’s Purling Stream”, “The Echo Mocks The Corncrake”, “My Mary”, “The Cruel Mither”, “When I First Came To Caledonia” en “Twa Recruitin’ Sergeants” werden samen met echtgenote Susie (Heerlijk harmonieerwerk!), Pete Clark (fiddle), Marc Duff van Capercaillie (fluiten en bodhrán), Scooter Muse (banjo) en Dave Watt (keyboards en melodica) op vaardige wijze klaargestoomd voor een geïnteresseerd publiek anno nu. Malcolm (gitaren, harmonica’s, percussie en zang) en z’n wederhelft betoveren daarbij vrijwel voortdurend met hun stemmen. En het zou ons dan ook geenszins verwonderen als de beste man bij de volgende uitreiking van de Scots Trad Music Awards andermaal met de hoofdvogel zou gaan lopen. Dit is allemaal zó uitnodigend! Echt uitermate geschikte muziek voor de tijd van het jaar! Je krijgt het er immers ogenblikkelijk heel erg warm van vanbinnen…

Een echt “thing of beauty” en om het met de woorden van de grote John Keats te zeggen dus ook “ a joy for ever.” Warm aanbevolen!

Jim Malcolm

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Medicine” (Magnolia Music)

(4****)

Ik mag ‘m wel, de dezer dagen vanuit Nashville actieve zingende songsmid Drew Holcomb. Samen met z’n uit z’n vrouw Ellie (zang en gitaar), Nathan Dugger (gitaar en keyboards) en Rick Bringfield (bas) bestaande band The Neighbors grossiert hij al ruim tien jaar lang in bijzonder lekker in het gehoor liggende Americana. Het ene moment aardig poppy, het andere juist ongemeen soulvol. Nu eens eerder introspectief, dan weer rockend als de besten. Onder het motto “Music is Medicine” kan bij Holcomb veel.

Met het leven van alledag als een schijnbaar schier onuitputtelijke bron van inspiratie schildert Holcomb hier in een met de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Josh Rouse, Ben Folds en KD Lang bekende Joe Pisapia gedeelde productie een twaalftal uitermate fraaie miniatuurtjes. Onder meer thema’s als het huwelijk, vriendschap, loyaliteit, geloof en vervreemding komen daarbij tekstgewijs aan bod.

Enkele van de wat ons betreft meest beklijvende momenten zijn de volgende prachtliedjes: het z’n titel in al z’n eenvoud echt wel helemaal waarmakende openingsnummer “American Beauty”, het zich buitengewoon laidback gaandeweg tot een echte oorwurm ontwikkelende “Here We Go”, het heerlijk bezield gebrachte trage tweetal “Avalanche” en “You’ll Always Be My Girl” en vooral ook de gloedvolle, ergens in de buurt van The Boss en z’n E Street Band strandende Heartland rocker “The Last Thing We Do”.

“Medicine” zal pas eind januari van volgend jaar in de winkels komen te liggen. Je kan het album via Holcombs eigen webshop echter nu al voorbestellen en dat levert je dan als extraatje meteen ook de EP “Live From Tennessee” op. En er is nog meer: bij wijze van voorsmaakje op hun nieuwe worp bieden Holcomb en co momenteel via het onvolprezen NoiseTrade gratis voorganger “Good Light” aan. Ook een prima plaat!

Drew Holcomb And The Neighbors

 

RAY PRICE “Beauty Is… The Final Sessions” (Amerimonte Records)

(3,5****)

Met “Beauty Is… The Final Sessions” wordt ons de kans geboden om op gepaste wijze afscheid te nemen van één van de allerbeste countryzangers ooit. Want dat was hij ontegensprekelijk, de op 16 december van vorig jaar in z’n thuisstaat Texas aan alvleesklierkanker overleden Ray Price. Met die werkelijk monumentale stem van ‘m als z’n voornaamste bondgenoot reeg hij jarenlang de hits aan elkaar. “Crazy Arms”, “For The Good Times”, “I Won’t Mention It Again”, “The Same Old Me”, “Invitation To The Blues”, “I’ve Got A New Heartache”, “Who’ll Be The First”, “Make The World Go Away”, “My Shoes Keep Walking Back To You”, “You Done Me Wrong”, “Heartaches By The Number”, ach, het lijstje is schier eindeloos… En zo ook ons respect voor de beste man eigenlijk. Als Price zong, dan zwegen we. En dan genoten we vooral ook! En dat doen we nu nog één laatste keer…

Met ‘s mans amper twee maanden voor z’n dood ingeblikte laatste opnamen met name. Die werden in oktober 2013 onder de productionele hoede van de grote Fred Foster in diverse studio’s in Nashville ingeblikt. Twaalf nummers in totaal, waarin Price nog één laatste keer echt mag schitteren. Niet zelden behoorlijk nostalgisch van aard, zoals we dat bijvoorbeeld ook kennen van de laatste platen van wijlen Johnny Cash. Titels als “No More Songs To Sing”, “An Affair To Remember” (Een duetje met Martina McBride!), “Among My Souvenirs”, “I Wish I Was 18 Again” en andere spreken wat dat betreft boekdelen. Price wist wel degelijk, dat zijn aardse dagen zo goed als geteld waren. Hij neemt zelfs daadwerkelijk afscheid van zijn fans in een persoonlijke boodschap op het hoesje van de plaat: “I’m going to be just fine. Don’t worry about me. I’ll see you again one day.” En weg was hij…

Ons achterlatend met z’n door “Beauty Is…” nog net wat rijker dan voorheen gevulde muzikale testament. De warmte afstralend van liedjes als het met Vince Gill gedeelde “Beauty Lies In The Eyes Of The Beholder”, de pianoballade “This Thing Of Ours”, het fraai gecroonde “I Can See You With My Eyes Closed”, de met heel mooi akoestisch gitaarwerk gelardeerde trage “It Always Will Be”, “Until Then”, een bedaard, maar nadrukkelijk op Texaanse dansvloeren mikkende tweede samenwerking met Vince Gill, het al eerder even genoemde “I Wish I Was 18 Again” en zowat alle andere hier maakt afscheid nemen van Price wat makkelijker en tegelijk net ook heel moeilijk. Iemand die dit allemaal nog kan, hadden we immers graag nog wat langer in ons midden gehouden..

Warm aanbevolen!

Ray Price

 

ANNIE KEATING “Make Believing” (Annie Keating)

(4,5*****)

Een nieuw album van Annie Keating is altijd wel weer iets om naar uit te kijken. Dat zou u ondertussen eigenlijk al moeten weten. De Amerikaanse behoort na goed en wel tien jaar activiteit immers ontegensprekelijk in de bovenste schuif der zich met Americana inlatende vrouwelijke singer-songwriters thuis. Ergens heel dicht in de buurt van grote madammen als een Lucinda Williams, een Patty Griffin, een Gillian Welch, een Rosanne Cash en anderen. Die status heeft ze zich wat ons betreft met name met de drie laatste van haar vijf al eerder verschenen platen, “Belmont”, “Water Tower View” en “For Keeps”, meer dan verdiend. Daarop ontbolsterde Keating tot iemand om in de toekomst echt rekening mee te gaan houden. Knappe zangpartijen erop koppelend aan ijzersterke liedjes veegde ze met die drie schijven elk aanvankelijk nog mogelijk gebleven restje aan twijfel resoluut van de tafel.

En met haar nieuwe worp, het medio januari van volgend jaar te verschijnen “Make Believing”, doet ze daar zelfs nog een schepje bovenop. Dat is immers een bescheiden meesterwerk. “Thrills!” belooft de achterzijde van het hoesje ervan nogal opzichtig en die krijgen we dan ook. Songgewijs met name. Met de ene veritabele beauty na de andere. Want hoe moet je dingen als “Coney Island”, “Sunny Dirt Road”, “I Want To Believe”, “Foxes”, “Know How To Fall”, “One Good Morning” en heel wat andere hier anders noemen? Echte schoonheden zijn het. Liedjes, die je al na één enkele beluistering absoluut niet meer wil missen!

Vooral dan het zich over een hoogst aangenaam schuifelritme gestaag richting het luisteraarshart voortbewegende “Coney Island”, het wat ons betreft echt perfect de sfeer uitgaand van het erin bezongen onderwerp capterende “Sunny Dirt Road”, het nerveus rockende “I Want To Believe”, het qua sound best wel wat richting Daniel Lanois’ werk met Emmylou Harris overhellende “Foxes” en het bij nader inzicht behoorlijk zomers opgevatte “Sink Or Swim”. Maar we zullen het hier voor alle duidelijkheid toch nog maar eens even herhalen: zoeken naar ook maar één enkel minder moment zal je hier vergeefs doen. Ook het volop van z’n eerder introverte natuur levende “Just Up Ahead”, het met een dosis twangy opgewektheid opgewaardeerde “Know How To Fall”, het voorzichtig wat richting bluegrass overhellende “One Good Morning”, de ballads “Lost Girls” en “Still Broken” en het afsluitende “If You Want To Fly” zijn immers echte prachtdeunen.

De eerste echte aanrader voor 2015 is hiermee meteen alweer een feit.

Annie Keating

 

G2 “Mind Over Matter” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Mind Over Matter”, na “Where All The Grass Grows” uit 2007 en “Untapped Roots” van zo’n vier jaar geleden het ondertussen toch ook al derde album van het Zweedse vijfmanschap G2, hinkt een beetje op twee gedachten. Voor de roots van dat onder de productionele auspiciën van de onder meer om zijn werk met Alison Krauss, Della Mae, T Bone Burnett, Tim O’Brien en Darrell Scott al veelvuldig geprezen Erick Jaskowiak in Nashville opgenomen songelftal dienen we nog wel af te zakken richting het traditionele bluegrassgegeven, maar het moge tegelijk van meet af aan ook al duidelijk zijn, dat hier toch nog wel wat meer leeft ook. Daardoor wellicht mede geïnspireerd door het recente succes van acts als Mumford & Sons en aanverwante doen Christoffer Olsson en de zijnen hier wat ons betreft een meer dan verdienstelijke poging om het genre ook voor jongere generaties muziekliefhebbers wat aantrekkelijker te maken.

Ze zorgen alleszins voor flink wat meer popappeal. En net als bij het genoemde Britse gezelschap gebeurt dat niet zelden door aan de banjo (Jens Koch) en de mandoline (Erik Igelström) een behoorlijk prominente rol toe te dichten. Luister bij gelegenheid maar eens naar liedjes als “In The Light Of Day”, “Green Pastures”, de Sarah Siskind-cover “How Hard To Be True” en “My Weary Heart” en je zal allicht meteen begrijpen wat we daarmee precies bedoelen.

Anderzijds zijn er echter ook nog voldoende momenten die het rechtvaardigen om “Mind Over Matter” aan doorgewinterde bluegrassfans aan te bevelen. Het wervelende “Move On” is er zeker zo één, het ons bij nader inzicht best wel wat aan Ricky Skaggs herinnerende “You Search You Find” ook, en niet te vergeten, het buitengewoon sfeervolle, bij de Zweedse folkband Väsen geleende instrumentaaltje “Lindblad”. Dat laatste vormt met de eerder al genoemde Siskind-compositie en “Something On The Wind” van het duo Jon Weisberger en Jeremy Garrett (Infamous Stringdusters) meteen ook de volledige vreemde inbreng op “Mind Over Matter”, dat voor de rest uitsluitend nummers van de hand van Christoffer Olsson en een enkele keer ook Erik Igelström bevat.

G2, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JASON MCNIFF AND THE LONE MALONES “God Knows Why We Dream” (Tombola Records)

(3,5****)

Ondertussen al ruim een decennium lang schrijf ik op min of meer regelmatige basis mijn mening over muziekjes neer. En ik denk in eer en geweten te mogen stellen, dat er in die lange periode maar weinig platen geweest zijn, die mij op de keper beschouwd zó diep hebben weten te raken als het me in 2003 door Jason McNiff bezorgde “Nobody’s Son”. Ook nu nog belandt dat album met enige regelmaat in de cd-speler. En ook nu nog weet het me in al zijn eenvoud keer op keer volop te bekoren. Net als het in 2011 verschenen “April Cruel” trouwens, dat in dat jaar heus niet zomaar in de jaarlijst van Ctrl. Alt. Country belandde.

En ik durf dan ook te zeggen, dat ik met iets meer dan gemiddelde interesse heb zitten wachten op “God Knows Why We Dream”, het nieuwe album van de Britse songsmid met roots in Polen en Ierland. Wat daarop meteen opvalt, is dat het eigenlijk om een soort van “team effort” gaat. McNiff schreef weliswaar nog alle dertien nummers erop zelf, maar hij liet er zich vast voor bijstaan door de Lone Malones. Te weten de in haar huidige thuishaven Londen veelgevraagde Poolse violiste Basia Bartz, de onder meer ook van Ahab bekende drummer Neil Marsh en bassist John Nicholls.

Samen tekenen zij voor een aangenaam gevarieerd, maar al bij al toch wat minder beklijvend werkstuk dan de hoger genoemde voorgangers. In een productie van Nicholls worden flink wat roots-straatjes aangedaan. Gaande van alternatieve country en Americana (het hypernerveuze “Heart Of A Poet” en het voorzichtig richting bluegrass overhellende “Coming Back To Life”) over eigentijdse folk (opener “The Picture”, titelnummer “God Knows Why We Dream” en het verstilde “Sicily”) tot roots(y) pop en rock (het melodieze mijmerdeuntje “Green”, “Brockdish” en “Shy Truth”).

De primus inter pares is wat mij betreft het met subtiel koperblaaswerk op smaak gebrachte “A Different Word”. Dat laatste mag wat mij betreft zo mee op het lijstje met McNiffs glansdaden “so far”. Het is het soort van warmbloedig popdeuntje, dat je op druilerige najaarsnamiddagen maar wat graag als soundtrack om je heen weet.

Jason McNiff & The Lone Malones

 

TRAILHEAD “Leave Me To Learn” (Timezone)

(4***)

Het is niet voor het eerst, dat we hier een lans breken voor de vanuit Oost-Berlijn actieve zingende songsmid Tobias Panwitz. Onder de nom de plume Trailhead stal die ondertussen zowat anderhalf jaar geleden ons hart met z’n tweede langspeler “Bodies In The Basement”. Met een uitgelezen selectie uiterst melodieuze Americana- en rootspopliedjes met “een zekere hang naar de jaren zestig en zeventig” wist hij ons toen meteen voor zijn zaak te winnen.

En het is dan ook met het nodige plezier, dat we hier en nu vaststellen, dat Panwitz ons op z’n nieuwe worp “Leave Me To Learn” uitgebreid van meer van hetzelfde meent te moeten bedienen. Muzikale referentiepunten blijven ook nu weer dertien nummers lang Crowded House, Ron Sexsmith en Jackson Browne. Allicht niet geheel toevallig drie hier bij Ctrl. Alt. Country ook zeer graag geziene en gehoorde gasten. Net als die acts bedient ook Panwitz zijn publiek graag van intelligente, goed in het gehoor liggende luisterdeuntjes met lange houdbaarheidswaarde.

Echte uitschieters zal je mede daardoor op “Leave Me To Learn” niet aantreffen. De plaat scoort naar onze bescheiden mening vooral als geheel goed. Je zal met plezier ook deze nieuwe muzikale road trip weer helemaal uitzitten. Terwijl ergens diep in Panwitz’ binnenste de nood aan stabiliteit een aardig robbertje uitvecht met z’n van nature uit rusteloze ziel ontstaan quasi “en passant” tal van muzikale delicatessen. Muziekjes, zoals wij ze maar wat graag wat meer uit de luidsprekers van onze radio zouden horen schallen. Muziekjes, die ons op de één of andere manier volop herinneren aan veel eenvoudigere tijden… Een aanradertje!

Trailhead, Bandcamp

 

DEADMAN “The Sound And The Fury” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(2,5***)

Dit moet voor mij persoonlijk zowat dé afknapper van het jaar zijn… Met zijn zevende langspeler vloert Steven “Deadman” Collins zichzelf wat mij betreft zo goed als volledig. Weinig of niets herinnert hier immers nog aan de knappe Americana en roots rock, die de beste man in een nog niet zo heel erg lang vervlogen verleden onder meer vergelijkingen opleverden met groten der aarde als een Dylan, een Van Morrison, The Band en anderen.

Gelijk van bij openingsnummer “The Sound And The Fury” verandert hij het muzikale geweer resoluut van schouder. Daarin gaat de klok immers nadrukkelijk op rock. Messcherpe, maar vooral ook heel erg luide gitaren dicteren daarin overduidelijk de wet. En dat is ook zo in het meteen daaropvolgende duo “No Sugar” en “The Rich Man And The Poor Man”.

Wat verderop gaat het er weliswaar weer wat rustiger aan toe, maar het rootselement blijft veelal toch erg ver te zoeken. “Is This The World We Want?” laat zich zo bijvoorbeeld onderverdelen in het vakje indie pop en het vervolgens vanuit een behoorlijk dreigend aandoende achtergrond opduikende “Ozymandias” blijkt op de keper beschouwd meer soundscape dan liedje. Wel knap: het bedaarde tweetal “Raise Up!” en “Catch Me If I Should Fall” en het me van ondertoon een weinig aan U2 in z’n rustigere momenten herinnerende “I Will Tremble”. Daarin schuilt mits het nodige promotiewerk naar mijn gevoel zelfs een bescheiden hitje!

Deadman, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

RICHARD LINDGREN “Sundown On A Lemon Tree” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ontgoochelen deed de Zweedse singer-songwriter Richard Lindgren ons in het verleden eigenlijk nog nooit. En dat doet hij ook ditmaal weer niet. Voor “Sundown On A Lemon Tree” liet hij zich bij nader inzicht inspireren door “la bella Italia”. Heel wat van het materiaal op die nieuwe van ‘m schreef hij zelfs ter plaatse, toen hij er tijdens het voorbije voorjaar tourde.

Daarnaast bevat het album met een herinterpretatie van de Stephen Foster classic “Hard Times”, een onder meer door de knappe interactie tussen piano en akoestische bas erin heerlijk dronken aandoende, wat jazzy versie van Jimmie Rodgers’ “My Blue Eyed Jane”, een hoogst aparte, zelfs deels in het Italiaans gebrachte uitvoering van de Dean Martin evergreen “Return To Me” en een pakkende lezing van de Ierse traditional “Danny Boy” ook flink wat covers. Nummers, die in het verleden live en onder de douche al wel vaker nuttig waren gebleken, aldus Lindgren zelf daarover.

Maar dé echte snoepjes, dat zijn hier toch vooral weer Lindgrens eigen nieuwe liedjes. Met voorop het ons best wel wat aan het materiaal van gerespecteerde collega’s als een Joe Henry en een Steve Forbert herinnerende titelnummer, de prachtige pianoballade “If I Ever Walked Away” en het verstilde, bijna pijnlijk mooie “Hobo And Marina”.

Het wordt eigenlijk hoog tijd, dat deze man eens wat meer platen begint te verkopen! Veel beter worden singer-songwriters dezer dagen immers niet al te vaak meer gemaakt…

Richard Lindgren, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

MATT ELLIS “The Greatest Escape” (Krow Pie)

(3,5****)

Matt Ellis is al een poosje een graag geziene gast ten huize Ctrl. Alt. Country. Of beter nog: een graag gehoorde. Steeds opnieuw weet de ondertussen al bijna tien jaar in Californië woonachtige Australische singer-songwriter bij ons de juiste snaar te raken. Met zijn rauw-hees-tedere stem als z’n voornaamste bondgenoot strooit hij nu al vijf albums lang driftig met rootsrock-kleinoden met hoge houdbaarheidsfactor in het rond. Rock, country en folk vormen in zijn vaardige (schrijvers)handen een onlosmakelijk verbonden drie-eenheid, die steevast richting ook wel eens door knapen als Neil Young, Tom Petty, Paul Westerberg en Ryan Adams gefrequenteerde regionen leidt. Ook nu weer.

Grootste verschil met voorganger “Births, Deaths & Marriages” uit 2010 is het zo goed als volledig ontbreken van een muzikale gastenlijst “this time around”. Voor “The Greatest Escape” deed Ellis immers een beroep op de groep muzikanten, die hem sinds de promotieronde voor zijn vorige plaat steeds trouw is gebeleven. Josh Norton (diverse gitaren en backing vocals), Fernando Sanchez (drums en percussie), Tim Walker (pedal steel en elektrische gitaar), Grant Fitzpatrick (bas) en zijn vrouw Vavine Tahapeni (zang) met name. Aangevuld met toetsenist Nick Luca, bijkomende bassist Sean Rogers (double bass), een enkele keer de elektrische gitaar van Naim Amor en wat additionele percussie door Winston Watson een meer dan degelijke voedingsbodem voor de twaalf er ons op aangereikte nieuwe songs, zo blijkt.

Goed voor een op de keper beschouwd weer wat ruwer geluid dan op ’s mans recentere worpen. En heel af en toe best ook wel wat schatplichtig aan de voor opnameoord Tucson zo kenmerkende atmosfeer. Op z’n best is Ellis daarbij naar onze bescheiden mening met name in de wat rustiger uitgevallen tracks. We denken dan bijvoorbeeld aan het nogal dromerig uit de hoek komende “Texas Sky” en aan de fraaie “alt.-country wailer” “Seven Years At Sea”. Maar zeker ook niet te versmaden zijn voorts ook nog het hoogst aangenaam “voorbijtwangende” “I Know A Killer”, de aardig Youngiaans aandoende eerste single “On The Horizon” en het eerder ook al als ommekantje van deze laatste aangeboden danklied “Thank You Los Angeles”.

Matt Ellis

 

SUZANNE JARVIE “Spiral Road” (Suzanne Jarvie)

(4****)

Suzanne Jarvie? Nog nooit van gehoord… Dat was mijn eerste reactie, toen mij gevraagd werd, of ik misschien geïnteresseerd was om wat te schrijven over het album “Spiral Road” van die vanuit Toronto actieve Canadese. Geïntrigeerd door het verhaal achter die plaat ging ik echter toch in op het verzoek. En gelukkig maar ook! “Spiral Road” blijkt immers één van dé aangenaamste verrassingen van het nu bijna voorbije kalenderjaar.

Jarvie bleek op de keper beschouwd met het voorliggende album pas aan haar debuut toe. Geruime tijd schoof ze haar zich tijdens haar jongere jaren voorzichtig aandienende muzikale aspiraties aan de kant voor een rol als advocate, echtgenote en liefhebbende moeder van vier kinderen. Een bewuste keuze voor een min of meer stabiel leven als antidotum voor de morele schade opgelopen op haar veertiende, toen haar eigen ouders op pijnlijke wijze uit elkaar gingen. Maar dat laatste zou al snel niet de enige kwalijke verrassing blijken, die het leven zelve voor de Canadese in petto had. Zo moest haar jongste zoon bijvoorbeeld nog voor hij twaalf werd tot tweemaal toe een open hartoperatie ondergaan. En haar oudste werd zelfs nog harder getroffen door het lot. Die kwam na een stevige val van een trap immers in een diep coma terecht en geruime tijd zag het er naar uit, dat hij zijn onfortuinlijke tuimelperte niet zou overleven. Ik hoef u allicht niet te vertellen, dat het leven van Suzanne Jarvie hierdoor serieus op z’n kop kwam te staan. Het verdriet om en de zorg voor haar zoon gingen haar bestaan begrijpelijkerwijze tijdelijk zo goed als volledig bepalen. En vrijwel gelijktijdig met diens wonderbaarlijke genezing zou ook de grote ommezwaai waaraan we haar eersteling te danken hebben er komen. Quasi uit het niets was er plots de zin en inspiratie voor een eerste liedje. En één werden er al snel meer. Met haar eigen ervaringen tijdens de voorbije zwarte dagen als een schier onuitputtelijke bron van inspiratie zette Jarvie het op een cathartisch schrijven. Het resultaat: een collectie wonderschone, diep ontroerende, op het pijnlijke af persoonlijke liedjes.

Liedjes, waarvoor Jarvie zich ondermeer liet inspireren door het werk van wijlen Gram Parsons en Emmylou Harris samen. En Americana, traditionele country, bluegrass, pop en rock vormen er alvast de voornaamste bestanddelen van. In een productie van Hugh Christopher Brown en met een heus “dream team” aan lokale topmuzikanten als diezelfde Brown, Gregor Beresford, Rob Bertola, Burke Carroll, Tim Bovaconti, Eric Schenkman, Tony Scherr, Jason Mercer, Mickey Raphael, Christian Doscher en Elijah, John en James Abrams te harer beschikking nam Jarvie voor haar visitekaartje elf van haar eigen liedjes op. En die zijn echt zonder uitzondering van een beklijvende schoonheid.

Luister bij gelegenheid maar eens naar het door de legendarische Holmes Brothers van fraaie backing vocals voorziene openingsnummer “Before And After”. Je zal ons daarna allicht zeer snel in onze mening bijtreden… Dat zich tekstueel met een mogelijk nakend einde inlatende Americana-kleinood zou op het repertoire van de grote Emmylou Harris immers absoluut niet hebben misstaan. Zelfs een zekere stemgelijkenis met de countrydiva laat zich daarin bij nader inzicht aanwijzen. Ook onwaarschijnlijk mooi: het zich op z’n Neil Youngs over het mysterie van het voorbije genezingsproces buigende titelnummer en het heerlijk weemoedig gebrachte alt-country-walsje “2458”. Hoegenaamd nergens heb je in nummers van dat kaliber het gevoel te maken te hebben met een debutante. Wel integendeel! Dit klinkt zo af allemaal… Ongelooflijk! Jarvie bedwelmt je als het ware met haar ongemeen performante stem, ze betovert nog net wat meer met haar indringende teksten en wat de muzikale invulling van het geheel betreft werd, zoals eerder al even aangekaart, ook absoluut niets aan het toeval overgelaten.

Neem het daarom maar van ons aan: liedjes als het hoger al genoemde drietal, het ingehouden rockende “ontwaakliedje” “Never Gonna Stop”, de vertederende (country)ballade “Tears Of Love”, de knappe rootspopdeun “Enola Gay”, het op geheel natuurlijke wijze enkele flarden uit Charlie Chaplins “Smile” in zich integrerende “Shrieking Shack” en andere wil je absoluut niet missen!

Suzanne Jarvie

 

CAITLIN CANTY “Reckless Skyline” (Caitlin Canty)

(4,5****)

Wie op vrijdag 5 december naar de N9 in Eeklo denkt af te zakken om er het optreden van singer-songwriter Jeffrey Foucault en z’n gelegenheidssecondant Billy Conway (drummer van de legendarische alternatieve rockband Morphine) bij te wonen, doet er goed aan om daar vooral tijdig te arriveren. Het voorprogramma dat beide heren met zich meebrengen valt immers ook absoluut niet te versmaden. Dat menen we tenminste te mogen afleiden van hetgeen we te horen kregen op de binnenkort te verschijnen derde cd van Caitlin Canty. “Reckless Skyline” heet die en hij is werkelijk tot de nok toe gevuld met topmateriaal. Americana van het allerbeste soort!

Foucault tekende voor de productie ervan. En zelf stond hij ook in voor heel wat backing vocals en bijdragen op tal van gitaren. Billy Conway drumde, de je misschien wel uit de entourage van Booker T bekende Jeremy Moses Curtis bepotelde de bas, Eric Heywood deed z’n ding op de pedal steel en de elektrische, Harris Paseltiner op de cello, Kate Lorenz droeg wat zangpartijen bij en Matt Lorenz ten slotte stond in voor de afwerking van het geheel op harmonium, piano, banjo en fiddle. Tot zover het personeelsaspect van “Reckless Skyline”.

Een soort van bescheiden all-star team dus, dat Canty op haar nieuwe plaat naar tot dusver ongekende hoogten stuwt. Gelijk van bij het bezwerende openingsnummer “Get Up” weet je het al: hier staat iets speciaals te gebeuren. Wellustig woelt Canty’s sensuele altstem daarin tussen door Heywoods pedal steel kleurgegeven muzikale lakens rond. We kregen het er hier de eerste keer gelijk al even heel erg warm van… En dat zou niet de laatste keer zijn ook! Ook het op een onthaast R&B-motiefje geënte “True”, het door omineus tromgeroffel ingeleide slow-rockertje “One Man”, de schitterende ballade “My Love For You Will Not Fade” en het op bedaarde, maar buitengewoon knappe wijze met het gegeven Americana omspringende “The Brightest Day”, om er maar enkele te noemen, zijn echte plaatjes van songs. Met als stralende middelpunt van de belangstelling telkens weer de iets magisch over zich hebbende zang van Canty. Als Canty zingt, luister je. Zo simpel is het! Geen ontkomen aan…

Haar ook al ijzersterke teksten doen de rest. Ook in de overige nummers hier, zoals de ingehouden rockende, samen met Matt Lorenz gepende Americana-deun “Enough About Hard Times”, het eerder bluesy ingevulde “Wore Your Ring”, het schokschouderend (roots)rockende “My Baby Don’t Care”, het in al z’n eenvoud bezwerende “Southern Man”, het tekstgewijs aan deze collectie haar titel verlenende folkdeuntje “I Never” en afsluiter “Cold Habit”. De enige cover hier is er één van Neil Youngs “Unknown Legend”. En ook die bezorgde ons zowat terstond het nodige kippenvel.

Derhalve alvast maar met stip genoteerd in onze agenda: 5 december, N9, Eeklo, Foucault, Conway en Canty. Zou u ook moeten doen! U zal er zich allicht Canty’s officieel pas op 20 januari van volgend jaar verschijnende nieuwe nog ruimschoots voor de winkeldatum kunnen aanschaffen. En ook dat zou u eigenlijk ook moeten doen! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Caitlin Canty

 

DIVERSE ARTIESTEN “An Americana Christmas” (New West / Warner Music)

(3,5****)

Ik hou niet zo van Kerstmis. Het “schone” gevoel erachter, tot daaraan toe. Maar het totaal opgefokte van die eindejaarsdagen, bah… De bijna letterlijk zichtbare eurotekens in zo menig een stel voor de gelegenheid overvriendelijke handelaarsogen, de obligatoire lichtjes overal, constant melige muziek in de ether, neen, dank u, voor mij hoeft het echt niet…

Maar goed, misschien houdt u er wel van. Misschien vindt u het zelfs wel allemaal fantastisch! En wie ben ik dan om u uw pretje te willen ontzeggen. Neen, neen, doet u maar… Misschien heb ik zelfs nog wel een goede tip voor u! Ook als liefhebber van Americana heeft u immers recht op de best mogelijke Kerstmis. En misschien heb ik daarvoor wel dé ideale soundtrack. Het album “An Americana Christmas” meer bepaald. Dat koppelt zes gloednieuwe kerstliedjes aan een stel al wat oudere.

Tot die laatste categorie behoren “Everything Is Cool” van John Prine, “The First Noel” van Emmylou Harris, “The Gifts They Gave” van wijlen Johnny Cash, “Run Run Rudolph” van Dwight Yoakam, “Must Be Santa” van Bob Dylan, “Everybody Deserves A Merry Christmas” van Ronnie Fauss, “Seasons Of My Memory” van Max Gomez, “Les Trois Cloches” van Ben Keith (met Neil en Pegi Young), “Here It Is Christmas Time” van de Old 97’s en het fameuze “Christmas Must Be Tonight” van The Band.

Speciaal voor de gelegenheid ingeblikte “goodies” zijn er van respectievelijk Luther Dickinson van de North Mississippi Allstars, aanstormende talenten Valerie June, Nikki Lane en Robert Ellis, de Canadees Corb Lund en het Nederlandse succesduo The Common Linnets. Ilse DeLange en Waylon, zo’n beetje de vreemde eenden in de (Amerikaanse) bijt hier, leveren met “At Christmas Time” een mooi, absoluut niet uit de toon vallend rootsy popliedje af.

Net als haar Nederlandse collega’s koos ook schone Nikki Lane voor een eigen origineeltje. Haar upbeat “Falalaalove Ya” werkt met z’n aparte retro feel bepaald verslavend. (Nooit gedacht, dat ik dat ooit over een kerstliedje zou komen te verkondigen…) Voor mij absoluut hét hoogtepunt van “An Americana Christmas”!

Valerie June, Luther Dickinson en Robert Ellis gaan op hun beurt dan weer voor nieuwe vertolkingen van bestaand materiaal. Eerstgenoemde perst uit de traditional “Winter Wonderland” een hypernerveus twangertje, Dickinson bedient het ondertussen ook al zo ongeveer suf gecoverde “Hark! The Herald Angels Sing” verrassenderwijze grotendeels instrumentaal van een dosis Southern soul en youngster Ellis eigent zich Willie Nelsons eindejaarsfavorietje “Pretty Paper” op verbazend knappe wijze helemaal toe. “Just Me And These Ponies (For Christmas This Year)” van Corb Lund ten slotte, is een nogal melig uitgevallen en derhalve ook helemaal niet aan mij bestede lap C&W. (Van Lund had ik eerlijk gezegd wel wat beters verwacht.)

New West Records

 

THE BALHAM ALLIGATORS “Bayou-Degradable” (Proper / Bertus)

(4****)

De al wat oudere jongeren onder ons zullen zich de Balham Alligators vast nog wel herinneren als het Londense zootje ongeregeld, dat onder aanvoering van Geraint Watkins vanaf het midden van de jaren tachtig met z’n exuberante mix van cajun, zydeco, swamp pop, country, rock & roll, R&B en blues zo menig een feestje leven inblies. Met als lijfspreuk “Laissez les bon-temps rouler” waren de Gators een klein decennium lang in zowat heel Europa graaggeziene podiumgasten.

Vreemd eigenlijk, dat er jarenlang amper iets van dit collectiefje op cd verkrijgbaar was. Je zou nochtans denken, dat er voor rootsmuziek van dit kaliber altijd al wel een publiek heeft bestaan. Maar goed, het Britse Proper Records zet hier en nu met de knappe dubbelaar “Bayou-Degradable” in één klap heel veel recht. Dat album blijkt immers een samenvatting van de albums “The Balham Alligators” uit ’87, “Life In The Bus Lane” uit ’88, “Live At The Half Moon” (aka “Live Alligators”) uit ’90 en “Gateway To The South” uit ’96. En met uitzondering van de liedjes van dat laatste schijfje blijkt het daarbij effectief uitsluitend te gaan om materiaal, dat hier voor het eerst op cd belandt.

Doe er vooral je voordeel mee!

Proper Records

 

SLOWFOX “Black Dog” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

We hebben het hier al wel eens vaker verkondigd: echt veel is er niet nodig om ons even heel erg gelukkig te maken. Neem nu zo’n album als “Black Dog” van de jonge Zweedse Sofia Henricsson. Amper zes liedjes staan er op die derde van de onder de schuilnaam Slowfox actieve schone, maar da’s ruimschoots voldoende om hier weer een smile van oor tot oor te veroorzaken. Net zoals dat ook al bij voorgangers “Like The Birds” en “Oh My” het geval was.

Op “Black Dog” bewijst Henricsson andermaal, dat het ook in de schaduw van dames als Gillian Welch, Margo Timmins en Patty Griffin best aangenaam toeven zijn kan. Met die fraaie misthoorn van een stem van ‘r trekt ze net geen twintig minuten lang diepe voren doorheen Americana-braakland. Van het op ingehouden wijze een zekere hang naar countryrock etalerende en met een fraai streepje mondharmonica opgewaardeerde “It’ll Come To Me” tot de buitengewoon catchy eerste single “Missing You”, van de heerlijk “naakt” gebrachte ballade “I Wish I Was” tot het uitermate radiogenieke rootsniemendalletje “Oh My”, van het door de ons volslagen onbekende, hier ook op de akoestische gitaar aanwezige Oskar Nordenqvist aangedragen en bij momenten best wel wat naar bluegrass overhellende “Dear Desire” tot de sfeervolle, aan het album ook z’n titel verlenende afsluiter “Black Dog Waltz”, wat ons betreft zijn het echt stuk voor stuk ijzersterke liedjes.

Slowfox, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

ERIC DEVRIES “Close To Home” (CRS)

(4,5*****)

Zeven lange jaren na zijn uitstekende tweede cd “Sweet Oblivion” pakt Eric Devries eindelijk weer eens met nieuw werk uit. En da’s wat ons betreft heel goed nieuws! Die onder de productionele hoede van “veelkunner” BJ Baartmans in diens studio Wild Verband in Boxmeer opgenomen schijf behoort immers tot het allerbeste wat ons door de jaren heen vanuit Nederland al bereikte op Americana-vlak. Het is een plaat waarop nu eens werkelijk alles klopt. Van de eerste tot de laatste seconde beklijvend!

Van de veertien nummers erop is er hoegenaamd niet één dat uit de toon valt. En je bent als luisteraar dan ook al snel geneigd om te gaan denken, dat Devries, mocht hij deze plaat in de States hebben gemaakt, in no time in één en dezelfde adem zou worden genoemd met genregrootmeesters als een Rodney Crowell, een Guy Clark, een Townes Van Zandt en aanverwanten. Of dat niet een beetje overdreven is, vraagt u? Hoegenaamd niet! Maar overtuigt u zich daarvan vooral zelf door veritabele songschoonheden als het zich op speelse wijze in zelfbeklag wentelende “Anything But What I Am”, catchy titelnummer “Close To Home”, het op intimistische wijze erop wijzende dat er effectief twee nodig zijn voor een geslaagd liefdestango’tje “Different Stations”, het überhaupt heel erg Amerikaans aandoende “In This Country” en het melancholische, dit jaar gelukkig niet erg van toepassing zijnde “November In The Rain” op een onbewaakt moment tot u te nemen. Geloof ons vrij, u zal het zich absoluut niet beklagen!

En mocht er tegen alle verwachtingen in toch nog wat extra’s nodig blijken om u helemaal over de streep te trekken, dan houdt Devries nog twee erg leuke verrassingen in petto. Een eerste is een werkelijk verbluffend mooie versie van de u in de uitvoering van z’n oorspronkelijke maker Gilbert O’Sullivan wellicht ook ooit al betoverd hebbende hit “Nothing Rhymed”. Eigenlijk is Devries’ versie gewoon nog mooier dan het origineel dat al was. (En dat mag u uit mijn mond als een serieus compliment beschouwen. Ik vond die O’Sullivan in z’n hoogdagen immers een prima singer-songwriter.) En dan hadden we het nog niet over surprise nummer twee! Da’s wat ons betreft gewoon hét kippenvelmoment tout court van “Close To Home”. We hebben het dan over de in duet met de onvolprezen Anna Coogan gebrachte en als bloedmooie ballade verpakte smeekbede “One More Try”. Als ook dat nummer u onberoerd zou laten, bent u hoogdringend aan een doktersbezoek toe… Het hart, weet u wel…

Eric Devries, CRS

 

STEVE HILL “Solo Recordings Volume 2” (No Label Records)

(4****)

Wat vrijwel onmiddellijk opvalt bij een eerste beluistering van “Solo Recordings Volume 2” van de Canadese singer-songwriter Steve Hill is de ongelooflijke intensiteit van het materiaal erop. Net als z’n voorgangers “Solo Recordings Volume 1” en “Solo Recordings Volume 1 ½” werd die nieuwe van ‘m dan ook weer compleet “live off the floor” ingeblikt. En dat komt met name z’n eigen materiaal ten goede. Acht liedjes van het eerder donkere soort, die her en der best wel wat herinneren aan onze eigenste Lightnin’ Guy. Net als hem blijkt Hill een zogeheten “triple threat”: een echte dijk van een zanger, een bij momenten heerlijk gemeen uit de hoek komende gitarist én op de koop toe ook nog eens een prima songsmid.

Zo mogen wij onze blues dus graag, zie! Heerlijk kaal, al even rauw, “straight to the bone” gewoon! “In your face” zoals in het tergend traag en middels machtig slidewerk het album voor geopend verklarende “Still Got It Bad”, het lekker rockende “Slim Chance”, het ongemeen sfeervolle “The Collector” of de ronduit geweldige Little Walter-cover “Hate To See You Go”.

Niet de enige cover hier trouwens, dat nummer: ook Muddy Waters’ “I Want You To Love Me” en “Simple Things” van huisfavorietje Ray Bonneville moesten eraan geloven. Dat laatste is samen met de knappe trage “Better” en afsluiter “Long Road” één van de weinige echte rustpuntjes hier.

Al bij al verdomd straf spul! En Hill mag er wat ons betreft dan ook rustig nog enkele volumes aan toevoegen.

Steve Hill

 

STONEY LARUE “Aviator” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

‘t Is maar dat je er duidelijk zijn beide handen op onderscheiden kan, anders zou je gezworen hebben, dat Stoney LaRue voor de cover van zijn nieuwe cd “Aviator” voor een selfie opteerde. Bijzonder zelfverzekerd kijkt hij daarop in de lens z’n eigen toekomst tegemoet. En dat mag ook! ’s Mans vierde studioplaat is er immers één van het zich meteen knus tussen je oren nestelende soort. Eén enkele luisterbeurt en je bent gegarandeerd verkocht! Allez, het zou ons toch op z’n minst zeer verbazen, mocht dat niet het geval zijn…

De in Texas geboren en getogen maar ondertussen toch al een aardige poos in Oklahoma verblijvende LaRue combineert op z’n nieuwste immers het beste van een aantal werelden. Enerzijds heeft hij zich duidelijk laten inspireren door tal van songsmeden uit zijn geboortestaat – En dan bedoelen we zowel de al wat ouderen als deze van recentere generaties! Van Merle en Willie tot Robert Earl Keen, Pat Green en anderen, zeg maar… -, anderzijds is er natuurlijk ook de voor de hand liggende link met de zogeheten Red Dirt country scene van z’n nieuwe thuishaven. “Aviator” laveert daardoor behendig heen en weer tussen genres als country, folk en roots rock. Nu eens ligt de klemtoon meer op het ene element, dan weer eerder op het andere. Lekker is en blijft het te allen tijde. En dat heeft naar ons gevoel veel zoniet alles te maken met LaRue’s manier van zingen. Heerlijk relaxt, bij momenten meer vertellend dan zingend maakt hij ons deelachtig aan wat hij tekstgewijs zo al allemaal kwijt wil. Het resultaat is een ruim vijfenvijftig minuten durend en veertien tracks bevattend geheel, waarvoor de term “laid-back” doorgaans zeer op z’n plaats blijkt.

Onze “plats préférés” daarbij: het echt heerlijk weidse openingsnummer “One And Only”, het lijzig voorbij schuifelende “’Til I’m Moving On”, het met buitengewoon okselfris snarenwerk opgewaardeerde titelnummer, de aan Merle Haggard opgedragen ballade “Natural High” en de machtig rockende bonustrack “Studio A Trouble Time Jam”.

Vermelden we tot slot nog even, dat Frank Liddell en Mike McCarthy tekenden voor de productie van “Aviator”, dat Mando Saenz medeverantwoordelijk was voor het schrijven van dertien van de veertien nummers erop en dat met Glenn Worf, Fred Eltringham, Jerry Roe, Randy Scruggs, Oran Thornton, Glen Duncan, Josh Grange, Jim Hoke, Aubrie Sellers en diezelfde Mando Saenz bepaald ook niet de minsten er hun medewerking aan verleenden.

Stoney LaRue, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

HILLSTOMP “Portland, Oregon” (Fluff & Gravy Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Portland, Oregon”, het naar hun thuishaven vernoemde vijfde album van Henry Kammerer (zang, gitaren en banjo) en John Johnson (percussie, orgel en zang) oftewel Hillstomp bevat tien lappen blues & roots van het betere soort.

Hypernerveus, zoals het de feestelijkheden al rockend voor geopend verklarende “Santa Fe Line”, net niet helemaal in trance een eindje wegbluesend, zoals het heerlijk hortend en stotend gebrachte “Life I Want”, of “eigentijds old-timey”, zoals het met name banjogewijs op niets minder dan de sterren mikkende “Undertow”. Een enkele keer ook aardig laid-back, zoals in een louter groovegewijs wel wat aan JJ Cale herinnerende lezing van de traditional “The Cuckoo”. Een Cale die, afgespeeld op het verkeerde toerental, ook wel zou kunnen doorgaan als rolmodel voor het er al bij al aardig monotoon in hakkende, “Side A” afsluitende “15 White Horses”.

“Side B” wordt vervolgens op boeiende wijze op gang getrapt met “Henry Oh My Henry”, een streep hyperaanstekelijke, banjogestuurde Delta trance blues, waarvoor zo menig een minder begenadigde collega allicht maar wat graag een pact met de duivel zou hebben gesloten. De ongemeen sombere trage “Crowhurst”, het wederom zo goed als compleet door Kammerers banjo gedragen stampertje “Don’t Come Down”, het bij nader inzicht net wat radiovriendelijker dan de rest hier gepresenteerde “Reason To Leave” en de furieus slidend onversaagd op het luisteraarshart mikkende afsluiter “Meet Me At The Bottom” doen de rest.

Wat ons betreft zonder al te veel na te denken aan te bevelen aan liefhebbers van het werk van onder meer Mofro, de Black Keys, de Flat Duo Jets, RL Burnside en uiteraard ook de White Stripes.

Hillstomp, Sonic Rendezvous

 

LIEVEN TAVERNIER “Wintergras” (Coast To Coast)

(5*****)

Als u mij straks, aan het eind van het jaar, zal confronteren met de vraag van welke Belgische plaat ik in 2014 het meest heb genoten, dan is de kans vrij groot dat het antwoord daarop “Wintergras” van Lieven Tavernier zal luiden. De Gentse songsmid staat al jarenlang garant voor kwaliteit en overtreft naar onze bescheiden mening met z’n nieuwe worp zichzelf nog maar eens. Op de opvolger van het ook al bloedmooie, met de United Brassband afgeleverde “De Fanfare Van Honger En Dorst” van zowat een jaar geleden tovert hij echt parel na parel uit z’n hoge hoed.

Titelnummer “Wintergras” claimt zo bijvoorbeeld ongegeneerd een plaatsje naast Tavernier-klassiekers als “Eerste Sneeuw”, “De Verdwenen Karavaan” en “De Fanfare Van Honger En Dorst”. In een productie van Yves Meersschaert en volop profiterend van buitengewoon fraai akoestisch snarenwerk van Bruno Deneckere en Gijs Hollebosch weet hij daarin quasi terloops een “pijn die niet meer weggaat” in woorden te vatten. In al z’n herfstigheid echt huiveringwekkend mooi.

Deneckere (akoestische gitaar) en Hollebosch (Weissenborn, mandoline, akoestische gitaar en akoestische slidegitaar) waren overigens lang niet de enige prominente studio-betrokkenen. Ook de hier hoger al even genoemde Yves Meersschaert (piano en Hammond), Klaas Delvaux (cello), Mario Vermandel (contrabas) en Peter De Bosschere (drums) deden een meer dan gewaardeerde duit in het zakje. En dan hadden we het nog niet over de je allicht ook wel van hun werk aan de zijde van Stef Kamil Carlens bekende zusjes Eva en Kapinga Ghysels en Belpop-guru Jean-Marie Aerts. De sporadische elektrische gitaarbijdragen van die levende legende vormen hier als het ware de “icing on the cake”.

Laat je net als ons verleiden door veritabele songschoonheden als “La Belle Dame Sans Merci”, “Zij Vlecht De Lente In Haar Haar”, “In De Dagen Van Mijn Duisternis” en andere en ervaar aan den lijve, waarom ingewijden Taverniers naam zo graag in één adem met die van monumenten als een Leonard Cohen, een John Prine en een Bob Dylan mogen uitspreken. Ook op zijn liedjes blijkt een houdbaarheidsdatum sinds jaar en dag volstrekt overbodig. Hoe hij in het beklemmende “La Belle Dame Sans Merci” achteloos op de klippen van een genadeloze geliefde strandt, zal binnen honderd jaar nog net zo tot de verbeelding spreken als nu. En ook het ondanks alle kommer en kwel ergens ver in de verte nog het verlossende licht ontwarende luisterjuweeltje “In De Dagen Van Mijn Duisternis” heeft ontegensprekelijk datzelfde tijdloze over zich. Ach, eigenlijk gewoon alles hier. Van het door de laatste woorden van Emily Dickinson geïnspireerde “De Schoonheid Van De Mist” tot het op wonderlijke wijze met het gegeven eenzaamheid omspringende “Geen Kwaje Vriend”, van het al even zonderbare pleidooi voor verdraagzaamheid “Tijden Van Angst” tot integer afscheidsliedje “In Toscane”. Met een speciale vermelding tot slot wat ons betreft nog voor “Zij Vlecht De Lente In Haar Haar”. Veel mooier dan het daarin gebeurt kan je een (gevoel van) liefde maar amper verwoorden, zo lijkt ons.

Voor schoonheden van platen als deze werd ooit de term meesterwerk bedacht. Maak ze dan ook vooral tot de uwe…

Lieven Tavernier

 

SHANNON LYON “The Lights Behind” (Busted Flat Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Shannon Lyon is in onze contreien natuurlijk al lang geen onbekende meer. De Canadese songsmid, die zelfs een poosje in het zuiden van Nederland woonde, verblijdde ons de voorbije jaren al zo vaak met uitstekende platen, dat we nieuw materiaal van ‘m eigenlijk al lang niet meer helemaal onbevooroordeeld benaderen. Het zou eigenlijk niet mogen, maar toch… Lyon ontgoochelt nu eenmaal nooit.

En al helemaal niet met z’n nieuwste worp. Dat onder de productionele hoede van Rob Szabo grotendeels in z’n eigen thuisstudio in de wildernis van British Columbia ingeblikte geheel zouden we hier zelfs als één van z’n allerbeste platen überhaupt durven te bestempelen. Ruim zeventien nummers lang herinnert Lyon er ons op “The Lights Behind” weer aan, waarom we hem eigenlijk altijd al stevig aan de borst hebben gedrukt. Daartoe aangespoord door Szabo putte hij voor dat album uit zowat z’n gehele oeuvre. Gloednieuwe nummers worden erop aangevuld met al wat oudere van ondertussen veelal nog maar moeilijk of helemaal niet meer verkrijgbare eerdere platen. Goed voor een echte droom van een collectie van een man die daar in z’n thuisland, ver weg van alle drukte, eindelijk echt rust lijkt te hebben gevonden.

Warmbloedige uptempo Americana wordt op “The Lights Behind” afgewisseld met rootsy popluisterliedjes, die je als luisteraar niet zelden herinneren aan minder gecompliceerde tijden. Samen met Lyon zelf drukken we als het ware op de reset-knop van het leven. En ’s mans eigen herinneringen, zowel de mooie als de minder mooie, vormen daarbij doorgaans de voedingsbodem voor het tekstmateriaal.

Echt wel een ijzersterk geheel met wat ons betreft niet meteen uitschieters die het verdienen om hier apart vermeld te worden. Maar als u lang genoeg zou blijven aandringen, dan zou uiteindelijk misschien toch de titel “Cornerstone” vallen. Als Lyon daarin zingt “Give me a bible and my guitar, sing you a song that will take you far, into my life, I’ve been there before”, dan klinkt dat wat ons betreft immers niet enkel zeer geloofwaardig, maar vooral ook ontwapenend mooi.

Shannon Lyon, Lucky Dice Music

 

THE CONTENDERS “Meet The Contenders” (The Contenders)

(4****)

Aan hun proefstuk zijn Jay Nash en Josh Day met “Meet The Contenders” allerminst toe. Beiden kunnen ze integendeel reeds terugblikken op een flink gevulde carrière als artiest. En vooral Nash leek de voorbije jaren ook goed op weg richting een doorbraak op wat grotere schaal. Iets wat hij met geslaagde liedjesverzamelingen als “Diamonds And Blood”, “Of The Woods” of recent nog “Letters From The Lost” wat ons betreft overigens al lang verdiende ook.

“Meet The Contenders” is echter wel hun eerste plaatgeworden wapenfeit samen. Met die EP bezegelen ze nu ook officieel hun gemeenschappelijke liefde voor eenzelfde muziek. Een liefde, die er hen al in 2012 toe aanzette om voor het eerst te gaan samenwerken. En daar mogen we met z’n allen blij om zijn ook! De stemmen van Nash en Day vullen elkaar immers op wonderbaarlijke wijze aan. En de door de twee samen afgeleverde liedjes blijken echte juweeltjes. Amper vijf zijn het er, maar die volstaan wel ruimschoots om hier en nu al volop het verlangen naar meer aan te wakkeren.

Afgetrapt wordt er met het ingetogen “The Contender”. Dat streepje kwaliteits-Americana tapt tegelijk uit de vaatjes country, folk en pop en ontleent wellicht mede daaraan z’n hoegenaamd onweerstaanbare charme.Vervolgens verraadt het ook al eerder bedaard aan de man gebrachte “Maybe, Katy” naar onze bescheiden mening voorzichtig een zekere voorliefde voor The Band. Ook al komt dat liedje op de keper beschouwd uiteindelijk wel vervaarlijk dicht in de buurt van wat dezer dagen in Nashville bedrieglijkerwijze voor country doorgaat. Dan volgt met het verhalende “Lincoln 1958” hét absolute hoogtepunt van dit debuut. Heel even waan je je als luisteraar bij die verstilde parel in het land waar koning Bruce al een poosje met vaste hand regeert. Resten dan nog: het op bijzonder soulvolle wijze poppy uit de hoek komende “Back In Time” en “Long Way Down”, een rootsy rockertje, dat in een wat rechtvaardigere wereld dagelijks ongetwijfeld meermaals uit radio’s “all over the map” zou komen knallen.

Kan bij wijze van visitekaartje absoluut tellen!

The Contenders, Jay Nash

 

THE SOUVENIRS “I Ain’t Happy Yet” (The Souvenirs Music)

(5*****)

Het uit Salt Lake City, Utah afkomstige drietal The Souvenirs is een nog zo goed als onbeschreven blad. En een eerste zoektocht naar wat meer informatie nadat ik op Bandcamp compleet van de sokken werd geblazen door hun werkelijk magistrale debuutplaat “I Ain’t Happy Yet” leverde dan ook amper iets op. The Souvenirs zijn Kiki Sieger, Marie Bradshaw en Corinne Gentry. Dat was het zo ongeveer. Voorts bleef het canvas volledig blank.

En daarom laten we de muziek op hun visitekaartje ook maar gewoon voor zichzelf spreken. Die blijkt immers volstrekt uniek. Met klassieke country weliswaar nog duidelijk als uitgangspunt, maar verder vooral met een geheel eigen smoelwerk. Geworteld in old-time roots music, maar er verder vooral op gericht om dat oude gegeven op geheel en al eigen wijze te vertalen naar het hier en nu. En in dat opzicht heel even wat raakvlakken vertonend met tot op zekere hoogte vergelijkbare acts als Gillian Welch en de Be Good Tanyas. Raakvlakken, meer niet. De dames Sieger, Bradshaw en Gentry imponeren immers net door hun volstrekt unieke aanpak.

Met name hun samenzang is quasi voortdurend van een bijna onaards te noemen schoonheid. Met de mond echt wagenwijd opengesperd van verbazing bleven wij na ons allereerste luisterrondje achter. En ook nu nog komt er bij elke nieuwe luisterbeurt kippenvel kijken. Veel dichter kan je muzikale perfectie naar onze bescheiden mening maar amper benaderen. En het feit dat dit ook nog eens voornamelijk met eigen materiaal gebeurt, pleit alleen nog maar meer in het voordeel van deze drie jonge schonen. Enkel “Brain Cloudy Blues” van de tandem Bob Wills-Tommy Duncan, “Are You Having Second Thoughts” van Paul Craft en Jim Lauderdale en de door Merl Kilgore en June Carter gepende Johnny Cash classic “Ring Of Fire” vormen uitzonderingen op die regel.

De in totaal vijftien nummers op “I Ain’t Happy Yet” werden begin dit jaar onder de productionele hoede van Ryan Tanner en Jay William Henderson “live off the floor” (!!!) ingeblikt in The Sound Emporium in Nashville. Betrokken bij het project waren daarbij naast het trio zelf en Tanner (piano, accordeon, banjo en percussie) verder ook nog Brian Thurber (drums en percussie), Dan Buehner (diverse akoestische gitaren en piano), Dylan Schorer (akoestische en elektrische gitaren, pedal en lap steel en banjo), Mark Smith (diverse mandolines en elektrische gitaar), Tyler Lambourne (staande bas) en Ryan Shupe (fiddle). En zij verdienen hoegenaamd zonder uitzondering een dikke pluim. Zij hebben er immers met z’n allen mee voor gezorgd dat dit volkomen organisch tot stand gekomen geheel zo onwaarschijnlijk af klinkt.

Net geen vierenvijftig minuten lang word je als luisteraar door “I Ain’t Happy Yet” met zachte hand uit de sleur van alledag weggeleid. Herinneringen aan weleer, aan een op de keper beschouwd toch heel wat gezapiger z’n gangetje gaand leven tieren welig. Sehnsucht dient zich onwillekeurig aan. En diep vanbinnen mag je dan wel weten, dat er al lang geen weg terug meer is, deze hemelse muziek zet er je telkens weer toe aan om dat even met klem te gaan ontkennen.

Nu al een certitude voor mijn top 10 van het jaar!

The Souvenirs, Bandcamp

 

KARYN ELLIS “More Than A Hero” (Mathilde’s Home Productions)

(3,5****)

Aan de vooravond van enkele optredens in ons land mochten we onlangs van de vanuit Canada actieve liedjesschrijfster Karyn Ellis haar jongste album “More Than A Hero” ontvangen. Na de EP “Bird” uit 2003, “Hearts Fall” uit 2005 en “Even Though The Sky Was Falling” uit 2009 al haar vierde. En net als die voorgangers ook weer meer dan de moeite waard.

In een met de hier onder meer van z’n samenwerking met Ron Sexsmith bekende Don Kerr gedeelde productie presenteert Ellis op “More Than A Hero” een elftal nieuwe liedjes, die zich beurtelings laten vangen onder de hoeden (roots) pop, indie folk en in wat mindere mate ook Americana. Doorgaans van het behoorlijk aanstekelijke of op z’n minst toch gemakkelijk toegankelijke type en derhalve ook uitermate geschikt voor veelvuldig radiogebruik. Dingen als het buitengewoon catchy, vrijwel meteen tot luidkeels meezingen uitnodigende rootspop-opdondertje “You’ll Do Anything”, het gevoelsmatig wat richting swampy wateren afdrijvende “River”, de knappe ballades “Rust” en “Cosmic Cowboy”, het spelenderwijze met Suzanne Vega in haar beste dagen mee kunnende folkpopjuweeltje “Pretty Little Soldier”, het intimistische luisterliedje “How The Tiger Lost Her Roar” en andere wil je echter vooral ook zelf in huis hebben. Voor in geval als ze op die radio weer eens niet blijken mee te willen…

Op woensdag 3 december kan je Karyn Ellis live gaan bewonderen in Gent (Anarchistisch Centrum Assez, Sparrestraat, Gent – 21.00 u.).

Karyn Ellis, CD Baby

 

ERIC BIBB “Blues People” (Dixiefrog / Bertus)

(3,5****)

Eric Bibbs nieuwe plaat mogen we met z’n allen zien als een soort van dubbel eerbetoon. Enerzijds hoopt de beste man er het legendarische gedachtegoed van wijlen Martin Luther King weer wat meer mee onder de aandacht te brengen, anderzijds richt hij zijn pijlen op allen die aan de basis lagen van het door hem vertolkte genre, de originele “bluesmensen” dus. Bij wijze van herinnering aan “who and where the music comes from” vertelt Bibb hier voornamelijk verhalen over zogeheten “African Americans”.

En daarbij mocht hij rekenen op nogal wat hulp van buitenaf. Voor het buitengewoon groovy openingsnummer “Silver Spoon” schoof zo bijvoorbeeld labelmaatje Popa Chubby mee aan. En voor Bibbs cover van Guy Davis’ “Chocolate Man” kwam ook deze laatste zelf graag even langs. Het resultaat is een heerlijk staaltje old-time blues en één van de allerbeste nummers op “Blues People” überhaupt. Opvallende gasten zijn verder zeker ook The Blind Boys Of Alabama. Zij maken hun opwachting in liefst twee nummers. Samen met J.J. Milteau in het erg bezielde gospelnummer “I Heard The Angels Singin’” en met de grote Taj Mahal en huisfavorietje Ruthie Foster in de sfeervolle trage “Needed Time”.

Het soulvolle duo “Chain Reaction” en “Remember The Ones” mag op zijn beurt dan weer rekenen op gastbijdragen van respectievelijk producer Glen Scott en Linda Tillery. En dan is er nog het zowel muzikaal als thematisch gezien een brug met Zuid-Afrika slaande “Home”. Daarin is het collega Andre De Lange die met Bibb de strijd van de Amerikaanse zwarten weet te linken aan deze van hun lotgenoten in dat in het verleden zo vaak in een negatief daglicht staande land. En tenslotte mogen we uiteraard ook Leyla McCalla’s bijdrage aan het ingetogen “Where Do We Go” hier niet vergeten te vermelden.

Enfin, u heeft natuurlijk al lang begrepen, dat het hier om een behoorlijk ambitieus project gaat. En anderzijds toch ook weer gewoon “vintage Bibb” eigenlijk, aangezien die hier naar goede gewoonte opteert voor een behoorlijk eclectische aanpak met “front & centre” tussen al dat gastgewoel gewoon die fantastische goudbruine blues- en soulstem van ‘m zelf.

Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het eerder al even genoemde “Chocolate Man”, het je als aandachtige luisteraar compleet verweesd achterlatende “Rosewood”, het ook al heel erg pakkende “Home” en het funky, een weinig aan de immer geweldige Staple Singers herinnerende “Dream Catchers”, waarvoor ook Harrison Kennedy en alweer Ruthie Foster even kwamen opdraven.

Eric Bibb, Dixiefrog

 

HANDSOME JACK “Do What Comes Naturally” (Alive Naturalsound records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Do What Comes Naturally” is de ondertussen toch ook alweer derde volwaardige langspeler van het vanuit Lockport, New York actieve Handsome Jack. En voor hun stijl en geluid duiken Jamison Passuite, Joe Verdonselli, Phil Allport, Chad Salmeri en een handjevol gasten daarop andermaal een flink eind terug in de tijd. Naar de late jaren zestig, vroege jaren zeventig meer bepaald, toen dit soort van gestoei met blues, boogie en rock een tijdje lang behoorlijk hot was. Nieuw is wat de vier hier doen dus zeker niet, aanstekelijker echter des te meer. Lekker groovy alleszins. En bij voorkeur in mid-tempo neergelegd.

Termen als blues of boogie rock blijken op de keper beschouwd als passend hokje misschien net wat te klein. Namen als Canned Heat, Humble Pie, Cream en de J. Geils Band bieden dan hulp. Al klinken die dan weer net wat te gedateerd om er ook Handsome Jacks al bij al toch wel wat modernere aanpak mee te vatten.

Enfin, voor liefhebbers van een dosis relaxte boogie of blues rock – Laat het ons hier daar toch maar op houden! – is dit hoe dan ook “the right thing”. En al zeker dingen als het heerlijk hypnotisch voorbij groovende “Dry Spell”, het in al z’n soulvolle eenvoud voorwaar zelfs even wat richting Van Morrison en Them overhellende “Leave It All Behind”, het lekker wegrockende “Between The Lines” en het afsluitende “Wasted Time”.

Handsome Jack, Alive Naturalsound records, Sonic Rendezvous

 

MATTHEW RYAN “Boxers” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Matt Ryan… Tiens, maakt die ook platen dan? Aan de kanten van Brugge zal je die vraag als Americana-liefhebber wel eens vaker te horen krijgen. Maar de volledige naam van deze Matt Ryan, beste vriendjes, schrijven we met twee t’s. Die van de Australische goalie van Club Brugge – Ook een zeer sympathieke mens trouwens… - telt er maar één. En terwijl die laatste er vooral op uit is om anderen het scoren te beletten, is het er onze held net om begonnen dat zoveel mogelijk te doen. Scoren op muzikaal vlak dan. En liefst zo snel mogelijk ook… Want – Eerlijk is eerlijk! – echt rijk zal hij tot op heden van zijn creaties nog niet zijn geworden. En da’s doodjammer, want deze Ryan is echt wel een kanjer van een songsmid. Überhaupt een artiest “pur sang”.

‘s Mans missie “this time around”: het maken van een lekker luide, heerlijk rammelende rockplaat. En daartoe zakte hij vorige winter af naar de Applehead Studios in Woodstock, New York. Samen met producer-multi-instrumentalist Kevin Salem, gitarist Brian Fallon van The Gaslight Anthem, zijn vaste bassist Brian Bequette en de je misschien wel van platen van de Black Crowes en Rich Robinson bekende drummer-percussionist Joe Magistro blikte hij er “live off the floor” elf nieuwe songs in, die naar eigen zeggen vaak klinken als “Crazy Horse meets early Replacements with nods to more recent bands like the National”. En in die omschrijving zit wel wat in. Zeker de vergelijking met Paul Westerberg en de Replacements vind ik erg toepasselijk. Al zou ik eerder zeggen die van ten tijde van “Pleased To Meet Me”, “Don’t Tell A Soul” en “All Shook Down”. Met name de afwisseling van lekker knallende rockers en “rauw-hees-tedere” ingetogen momenten en Ryans schuurpapieren zang duwden me in die denkrichting. Beide blijken trouwens ook echt wel essentieel voor ’s mans veelal de grens tussen hoop en frustratie verkennende songteksten. Andere aanknopingspunten nog: Ryan Adams, Jesse Malin en “The Boss”. Bepaald geen slechte buurt om in rond te hangen, als u het mij vraagt!

Enkele van de vele topmomenten hier: het op passionele wijze z’n titel volledig waarmakende “An Anthem For The Broken”, het door Tracy Bonham op een later tijdstip van een streepje viool voorziene rustpuntje “Then She Threw Me Like A Hand Grenade”, de zich tegen een bepaald dreigend aanvoelende achtergrond van drumgedonder aftekenende deluxe-rocker “God’s Not Here Tonight”, titelnummer “Boxers” en het nadrukkelijk richting Westerberg en de “Mats” overhellende ingehouden rockertje “Suffer No More”.

Van hieruit warm aanbevolen!

Matthew Ryan, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

ALEX HIGHTON “Nobody Knows Anything” (Gare Du Nord)

(5*****)

In november 2012 lieten we ons hier al eens heel erg lovend over de Britse songsmid Alex Highton uit. Liefst vijf sterren hadden we toen veil voor ’s mans debuutalbum “Woodditton Wives Club”. “Een klassieke singer-songwriterplaat,” noemden we dat. Een uitspraak, waar we ook nu, ondertussen toch ruim twee jaar later, nog altijd met volle overtuiging achter staan.

En ook al het overige goede wat we over die plaat al noteerden willen we hier naar aanleiding van Hightons nieuwe worp graag nog eens even herhalen, vanwege nog steeds uitgebreid van toepassing. Namen als Nilsson, Ray Davies en Nick Drake mogen wat ons betreft nog steeds als ijkpunten voor zijn muziek uit de kast. Al moeten we ditmaal zeker ook Paddy McAloon (Prefab Sprout), Sufjan Stevens, de Beach Boys en Steely Dan even vermelden. Viel “Woodditton Wives Club” al op door z’n weelderige klankkleur, dan doet “Nobody Knows Anything” dat immers nog veel meer. Gedurfder is wat Highton ditmaal doet alleszins. Hij legde zichzelf bij het opnemen van z’n nieuwe schijf allerminst beperkingen op. En dat bracht op ook!

Breekbare folky popliedjes worden afgewisseld met gewaagde, compleet onvoorspelbare spielereien. In die mate zelfs, dat je aandacht voor zijn teksten er soms wat onder gaat lijden. En dat is an sich best wel jammer te noemen, aangezien Hightons geworstel met alle mogelijke dezer dagen over het leven zelve verkondigde waarheden zeer boeiend luistermateriaal oplevert.

Wat ons betreft ontegensprekelijk één van de allerbeste platen van 2014!

Alex Highton

 

YOUNG & RUSTY “Back Road Love” (Motherlotus Records)

(3,5****)

Ook vandaag plaatsen we hier weer een duo in de kijker. Het tweetal Young & Rusty meer bepaald. Rusty Nelson en Sue Young dus. Allebei voor eigen rekening al een flinke poos actief in de muziek, maar sinds 2010 ook samen. En dat resulteerde onlangs met “Back Road Love” ook in een eerste release samen. Eerder bescheiden nog, want het blijkt daarbij immers te gaan om een amper zes songs tellend en in precies eenentwintig minuten afklokkend geheel.

Een EP dus, geproduceerd door de gerenommeerde Bradley Kopp. En die vult de stemmen en akoestische gitaren van Young en Nelson verder ook aan met bijdragen op zowel tal van gitaren, bas, dobro als wat percussie-instrumenten. Enkel Richard Bowden (fiddle) en Chip Dolan (accordeon) mochten voorts ook nog mee op “de familiefoto”. Dolan van zijn kant voorzag het heerlijk nostalgische luisterliedje “Where The Ferryboat Used To Run” van een best wel wat mediterraan aandoende accordeonachtergrond, Bowden liet z’n instrument spreken in titelnummer “Back Road Love”, in de lentefrisse ode aan de eigen wederhelft “I Feel Joy” en het afsluitende “Later Than It Seems”.

Stuk voor stuk fraaie luisterliedjes, zonder uitzondering duidelijk folkgeoriënteerde Americana, gedragen voornamelijk door twee stemmen die elkaar zeer mooi aanvullen. Zes nummers die je eigenlijk onwillekeurig doen terugdenken aan, doen terugverlangen naar tijden toen alles nog zoveel simpeler was. Eenvoud als levende schoonheid. Zo zou Hazrat Inayat Khan het allicht hebben samengevat.

Young & Rusty, CD Baby

 

LEWIS & LEIGH “Night Drives EP” (Lewis & Leigh)

(3,5****)

Lewis & Leigh, dat is een duo bestaande uit twee bijzonder getalenteerde, maar tot voor kort vooral voor eigen rekening aan de weg timmerende Amerikaanse youngsters, met name Al Lewis en Alva Leigh. Hem kent u misschien al wel van albums als “In The Wake” uit 2011, “Our Lines Remain” uit 2012 en “Battles” en “Live At St. Pancras Old Church” van vorig jaar, haar mogelijk van haar titelloze debuut uit 2009, van het leuke, overigens nog steeds als download via Noisetrade verkrijgbare “In Nashville” uit 2012 en “Modern Love Songs” van eerder dit jaar. Maar nu doken ze dus ook voor het eerst samen een studio in. En het resultaat – Dat moet gezegd! – mag absoluut gehoord worden.

Meteen in openingsnummer “What Is There To Do”, één van de drie door de twee speciaal voor de gelegenheid gepende liedjes, wordt duidelijk waar hun sterktes liggen. Naast het heerlijke pedal steel-spel van BJ Cole en de daar absoluut niet voor onderdoende (twangy) gitaarbijdrage van Mike McEvoy is het immers vooral de prachtige samenzang van Lewis en Leigh die het hem daarin voor ons doet. Heerlijk gewoon, hoe ze elkaar aanvullen! Je zou op den duur haast familiebanden gaan vermoeden…

En ook de twee andere eigen deunen zijn echte schoonheden van songs. Zo mogen wij onze Americana dus graag hebben, zie! “Anchor Line” is een veritabel pareltje van een ballade. En ook het daaropvolgende “All Night Drive” valt te situeren aan de eerder ingetogen kant van het Americana-spectrum. Met afwisselend de stemmen van elk van beide betrokkenen wat meer op het voorplan of wederom zalig harmoniërend. Dat smaakt wat ons betreft echt wel volop naar meer! En meer betekent in dit geval nog één enkel liedje. Meer bepaald de je wellicht ook wel van de fantastische Wilco-dubbelaar “Being There” uit ’96 bekende Jeff Tweedy-compositie “Say You Miss Me”, hier heruitgevonden als volbloed-pianoballade. Wat melig misschien, maar wel héél mooi!

Zoals hier hoger al even gesteld: meer van dattum graag!

Lewis & Leigh

 

MIRACULOUS MULE “Blues Uzi” (Bronze Rat / V2)

(3,5****)

Na een naar zichzelf vernoemde 10’’ uit 2011 en het ronduit verpletterende “Deep Fried” van ergens rond dezelfde tijd vorig jaar is de EP “Blues Uzi” ondertussen al het derde teken van leven van het vooral door de broers Patrick en Michael J Sheehy aangejaagde Anglo-Ierse neo-bluescollectiefje Miraculous Mule. En net als z’n beide voorgangers blijkt ook dit weer een heuse muzikale splinterbom. Je zal toevallig maar in de buurt zijn als ze afgaat…

Gelijk van bij het openingssalvo, het de blues als een meute uitgelaten wolven aanvallende en compleet verscheurende titelnummer weet je wat er je hier als luisteraar boven het hoofd hangt. Na die buitengewoon furieuze aanslag op je trommelvliezen glijd je met het moody “Highway Sound” allicht graag even mee af richting best wel wat aan Jimi Hendrix in z’n hoogdagen herinnerend vaarwater om vervolgens met “I Don’t Do Nobody Nothin’” getracteerd te worden op een streep op de keper beschouwd behoorlijk hypnotisch werkende lome bluesrock. Aansluitend daarop is er dan het op nummers van respectievelijk Blind Willie Johnson en Rev. Sister Mary Nelson gebaseerde, maar door Michael J Sheehy van een nieuwe tekst voorziene duo “City Of Refuge” en “Judgement”. Het eerste een al even bezwerend uitpakkend staaltje aan eigentijdse gospelblues, het tweede een duidelijk in dezelfde hoek gevonden banjogestuurde “old-time anno nu” belerende vinger-in-de-lucht . Resten dan nog: een wat aparte soulvolle benadering van de traditional “Motherless Child” en het al van hun titelloze debuut-mini bekende tweetal “Wayfaring Stranger” en “I Know I’ve Been Changed”, dat hier zodoende aan z’n cd-debuut toekomt.

Geen wonder, dat Michael J Sheehy Miraculous Mule het beste noemt, wat hem ooit overkwam. “I know I’m doing something right,” aldus nog de beste man in dezelfde context en echt wel overschot van gelijk heeft hij daarmee alvast wat ons betreft…

Miraculous Mule

 

THE BLOODHOUNDS “Let Loose!” (Alive Natural Sound / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Het vanuit L.A. al sinds 1994 serieus aan de weg timmerende Alive Natural Sound Records is zich de voorbije maanden steeds nadrukkelijker gaan profileren als “a roots music force to be reckoned with”. Met acts als Hollis Brown, Lonesome Shack, Left Lane Cruiser en recent nog powerpopmonument Paul Collins scoorde men in ons boekje alvast zeer hoog. En dat gebeurt nu andermaal met “Let Loose!” van The Bloodhounds. Wat een plaat is me dat, zeg! Beter worden ze naar onze bescheiden mening gewoonweg niet meer gemaakt!

The Bloodhounds spelen een nadrukkelijk op tal van sixties-modellen geënte hyperaanstekelijke hybride van R&B, blues en rock & roll. An sich niets nieuws natuurlijk, ware het niet dat Aaron “Little Rock” Piedraita (leadzang en elektrische en akoestische gitaren), Branden Santos (elektrische, akoestische en slidegitaren, mondharmonica en zang), Johnny Santana (bas, banjo, mondharmonica en zang) en Mark Schafler (drums, washboard, percussie, mondharmonica, kazoo en zang) dat bijna doorlopend doen met een eigentijdse punkattitude en zo nu en dan ook met voorzichtige uitlopers richting Latin. Dat gegeven en de wetenschap, dat de vier afkomstig zijn uit East LA, doen een mens onwillekeurig terugdenken aan de prille dagen van Los Lobos. Net als het debuut van dat nooit meer echt uit ons hart verdwenen collectiefje vloerde ook de door de gerenommeerde Arthur Alexander geproduceerde eersteling van The Bloodhounds ons meteen volledig. Eén groot feest is het! Twaalf nummers lang, het ene al machtiger dan het andere. Forget about The Strypes en consorten! Die waren goed, maar dit is gewoon véél en véél beter…

Waag je bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens aan het de jonge Stones met gemak achter zich latende streepje stuiterende R&B dat “Indian Highway” is, aan het in diezelfde hoek actieve en na een wat bedaard aandoende intro door een scheurende mondharmonica en al even meedogenloze gitaren bij momenten compleet ontsporende “Wild Little Rider”, aan het omineus een eindje voor zich uit rockende “Saint Dee”, aan het net niet volledig akoestich gehouden (blues & roots) niemendalletje “Dusty Bibles & Silver Spoons”, aan de echt wel ongemeen catchy garagerocker “Crackin’ Up”, aan het bezwerende “They Call’m The LSC”, aan het burlesk-speelse tussendoortje “Hey Lonnie”, aan deluxe-rockertje “Security” en andere en je zal net als ons allicht met een zware verslaving opgezadeld achterblijven.

Killer stuff!

The Bloodhounds, Alive Natural Sound Records, Sonic Rendezvous

 

JP HARRIS AND THE TOUGH CHOICES “Home Is Where The Hurt Is” (Cow Island Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als je als nog volop naar naambekendheid hengelende jonge artiest je eigen webstek ilovehonkytonk.com durft te noemen, dan ben je in onze ogen sowieso uit het juiste hout gesneden. Dan moet je immers daadwerkelijk wel ontzettend veel van dat genre houden. Een combinatie met je eigen naam erin ware immers zoveel gemakkelijker geweest en al zeker veel aanlokkelijker… Maar niet besteed aan JP Harris dus! Die speelt country en dat mogen we weten ook! Meer nog: hij leeft country.

Voor de opnamen van “Home Is Where The Heart Is”, na het al zo’n twee jaar geleden verschenen “I’ll Keep Calling” z’n tweede cd, vond Harris samen met z’n Tough Choices, een bende erg onderlegde muzikale jonge locals, tijdelijk een onderkomen in Ronnie’s Place, je allicht beter bekend als de eigen studio van Ronnie Milsap in Nashville. Daar blikten ze in een productie van Harris zelve, z’n gitarist Adam Meisterhans en geluidstechnicus Justin Francis tien nieuwe liedjes in. Tien songs van de hand van Harris zelve. Tien songs, die verraden, dat Harris in z’n nog redelijk jonge leven – Hij is er pas 31! – al aardig wat muzikaal opgravingswerk achter de kiezen heeft. Bij het horen van nogal wat van die liedjes ga je als luisteraar immers onwillekeurig terugdenken aan één of ander groot voorbeeld dat Harris is voorafgegaan.

Bij het heerlijk swingend gebrachte openingsnummer “Give A Little Lovin” gingen wij hier zo bijvoorbeeld onmiddellijk denken aan de jonge George Jones en z’n al even onweerstaanbare “Love Bug”, bij het fiddle-zwangere “A Breaking Heart” dwaalden onze gedachten af richting Ray Price, bij de knappe ballade “South Oklahoma” dan weer eerder tot bij Marty Robbins. Doorheen “Old Love Letters” waart vervolgens ontegensprekelijk de outlaw-geest van Waylon Jennings rond, “Truckstop Amphetamines” leeft van een mood à la Kris Kristofferson en voor een potje onvervalste Bakersfield twang genre “One For Every Day” zou de grote Buck Owens zich zeker niet hebben geschaamd. Enfin, aan groten die hun sporen op Harris hebben achtergelaten dus duidelijk geen gebrek. Maar – En dat is belangrijk! – we hebben het dus wel degelijk alleen maar over sporen. Harris is immers allesbehalve een epigoon. Hij gebruikt wat hij zelf graag hoort en kookt uit die veelheid aan ingrediënten gewoon z’n eigen overheerlijke potje.

Met dank ook aan gasten als Chance McCoy, Nikki Lane en Steve Berlin. De zanger-gitarist van Old Crow Medicine Show blijkt überhaupt behoorlijk nadrukkelijk aanwezig met respectievelijk harmonieerwerk en bijdragen op akoestische en elektrische gitaren en fiddle. Steve Berlin van zijn kant geeft ‘m flink van jetje op z’n sax in het afsluitende en flink met R&B en rock & roll flirtende “Young Women And Old Guitars” en rijzende ster Lane verzorgt samen met de ons niet bekende dames Shelly Colvin en Ashley Wilcoxson wat koortjes.

JP Harris And The Tough Choices, Cow Island Music, Sonic Rendezvous

 

M. LOCKWOOD PORTER “27” (Black Mesa Records)

(4****)

“27” heet de opvolger van “Judah’s Gone”, het in juli van vorig jaar verschenen debuut van de jonge Amerikaanse songsmid M. Lockwood Porter. En die bevestigt daarmee hoegenaamd alle goeds wat al ten tijde van die voorganger over hem geschreven werd. Op z’n zevenentwintigste lijkt hij er helemaal klaar voor om net als Wilco, Ryan Adams, Neil Young en Bruce Springsteen, namen die in het verleden al wel eens genoemd werden als referentiepunten om zijn werk te situeren, te gaan meespelen op een wat hoger niveau. Van “27” straalt alvast eenzelfde tijdloosheid af, als van veel van de werken van precies die acts.

Porter presenteert zich op “27” als een behoorlijk poëtisch ingestelde verteller van verhalen, die niet echt lijkt te willen kiezen tussen Americana, indie folk en “straight-up” rock. Iets waarvan we in een nog niet zo heel erg ver verleden ook Ryan Adams al meermaals mochten verdenken. Met nauwelijks een kwart van zijn leven achter de rug kreeg bij Porter in de aanloop naar “27” een gevoel van desillusie stilaan de bovenhand. Was het dat maar…? Je kent dat gevoel vast ook wel! Ergens heel veel van verwachten en dan zwaar ontgoocheld moeten vaststellen, dat je hoop eigenlijk al die tijd vergeefs was… Dat gevoel en de naweeën van een stukgelopen relatie gingen voor een groot stuk de ondertoon van “27” bepalen. Enerzijds stoten we hier volop op de in een dergelijke case te verwachten melancholische buien, anderzijds echter ook op diepgewortelde gevoelens van opstandigheid.

Ruim achtendertig minuten lang laveert Porter handig tussen die twee gevoelspolen heen en weer. En dat blijkt in totaal goed voor tien topdeuntjes. Van de knappe rockballade “I Know You’re Gonna Leave Me” tot het de je van Big Star bekende protagonist van dat liedje lovende “Chris Bell”, van het alvast qua ritmiek z’n titel volledig waarmakende en “en passant” hier en daar een weinig naar Springsteen geurende “Restless” tot het zomers lome relatieliedje “Secrets”, van de atmosferische trage “Mountains” tot het bedaard rootsrockende “Different Kind Of Lonely”, van het wild rockend om zich heen schoppende “You Only Talk About Your Band” tot de alweer geweldige ballade “There To Here”, van het zo op het eerste gehoor op puur cynisme drijvende indie-popriedeltje “Love Me Like I’m Not Around” tot het akoestische afsluitertje “Couer d’Alene”, naar ook maar één enkel minder moment blijkt het hier vergeefs zoeken.

M. Lockwood Porter, Bandcamp

 

RACHAEL SAGE “Blue Roses” (MPress Records)

(4,5*****)

Ondertussen bijna twintig jaar en elf albums ver in haar carrière is de vanuit New York actieve zingende liedjesschrijfster Rachael Sage om voor ons volstrekt onverklaarbare redenen nog steeds  niet echt een “household name” aan deze kant van de Atlantische Oceaan. En dat terwijl ze eigenlijk gewoon in elk opzicht met de allerbesten mee kan. Sage is een geweldige songsmid, een uitstekende pianiste en bovenal ook een dijk van een zangeres. De aan het ongelooflijke grenzende lenigheid van haar stem doet ons telkens weer vol bewondering opkijken. Nu meer dan ooit eigenlijk!

“Blue Roses”, de nieuwe Sage, is immers een lichtjes fantastisch geheel geworden! Doorheen de dertien als vanouds op zonderlijke wijze invloeden uit zowel folk, pop, rock als klassieke muziek in zich verenigende liedjes erop loopt als rode draad het gegeven, dat elke enkeling een zekere impact op het leven, het lot van anderen hebben kan. Eigenlijk vormen ze met z’n allen gewoon één openlijke smeekbede om meer empathie. Een bepaald schoon uitgangspunt, niet?

Voor de productie van “Blue Roses” tekende Sage samen met de onder meer ook van z’n werk met Johnny Winter bekende John Shyloski zelf. Voor verdere studiobegeleiding viel ze ditmaal niet enkel terug op haar eigen tourbandje The Seguins, maar ook op schoon volk bekend uit de entourages van onder anderen Bruce Springsteen, Hall & Oates, Patti Smith, Rufus Wainwright, Garland Jeffreys, Ian Hunter en Daft Punk.

Opvallendste gaste is echter zeker folkicoon Judy Collins. In duet met haar brengt Sage een tot een ronduit fantastische pianoballade herwerkt “Helpless” van Neil Young. Een ontwapenend mooie afsluiter voor een al even ontwapenend mooi album, dat we van hier uit vooral aan fans van artiestes als Shawn Colvin, Sarah McLachlan, Rickie Lee Jones en Patty Griffin zouden willen aanbevelen. Zij zullen naar alle waarschijnlijkheid hun pret niet op kunnen bij ware songschoonheden als het werkelijk huiveringwekkend mooie titelnummer, het zich ook al met het thema transformatie inlatende “Wax”, het z’n titel zelfs muzikaal helemaal waarmakende “Misery’s Grace”, het al even gracieuze “Skywriting” en andere. Echt prachtig, hoe Sage’s woorden, haar stem en haar pianospel elkaar daarin steeds weer weten aan te vullen.

Iemand zou er dringend eens werk van moeten maken om met een doosje exemplaren van “Blue Roses” langs de kantoren van alle Radio 1-producers te lopen! Na een weekje in “heavy rotation” aldaar zouden er hier voor Sage wel eens heel veel deuren open blijken te kunnen gaan. Schoonheid is immers, om het met de woorden van de Griekse wijsgeer Aristoteles te zeggen, een betere hulp dan alle aanbevelingsbrieven...

Rachael Sage

 

LUKE TUCHSCHERER “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” (The Little Red Recording Company)

(4****)

De maand oktober had dit jaar al heel wat bijzonder aangename verrassingen voor ons in petto, maar “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense”, het solodebuut van de je misschien al wel van de Britse groep The Whybirds bekende zingende songsmid Luke Tuchscherer, willen we hier toch bij de allerbesten van dat lot onderverdelen. Tuchscherer, bij The Whybirds onder meer al verantwoordelijk voor schoonheden van songs als “Morning Light”, “Foolish Heart” en “The Crow’s Caw”, verkent met zijn eersteling voor eigen rekening een andere kant van zichzelf. Het akoestische krijgt daardoor redelijk nadrukkelijk de bovenhand op dat naar een werk van Charles Bukowski vernoemde geheel.

Onder de productionele hoede van Tom Peters nam Tuchscherer twaalf liedjes van eigen hand op, die hem pardoes tot in het kielzog van acts als de jonge Steve Earle, de Ryan Adams van in z’n begindagen en Thad Cockrell dreven. Niet zelden heel erg persoonlijk van aard. Maar ook sociale commentaren schuwt de Brit zeker niet. En zelfs aan het vertellen van echte verhalen waagt hij zich her en der ook.

Wat onze favorieten waren, wou je weten? Welnu, dat zijn in eerste instantie vooral het ergens tussen pure lust en berouw gedijende overspelliedje “(Lord Knows) I’m A Bad Man”, de buitengewoon lekker swingende countrydeun “When Day Is Done”, het bedaard twangende “Three Long Days” en zeker ook het ogenschijnlijk de ons zo stilaan te wachten staande “zwarte jaren” voorspellende “Hold On”. Maar – Eerlijk is eerlijk! – stel me morgen die vraag opnieuw en ik som je wellicht enkele van de acht resterende liedjes op. Want eigenlijk vind ik “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” gewoon één ijzersterk geheel. Americana van het allerfijnste soort! Tegelijk heel erg melodieus én inhoudelijk sterk.

En een aanrader van formaat derhalve dan ook!

Luke Tuchscherer

 

NELL ROBINSON “The Rose Of No-Man’s Land” (Compass Records)

(4****)

Americana-laatbloeiertje Nell Robinson pakt uit met haar meest prestigieuze project tot op heden. In een productie van de voor zijn werk voor anderen almaar meer onder de lovende woorden bedolven Joe Henry liet ze zich voor “The Rose Of No-Man’s Land” inspireren door ruim 250 jaar aan familiegeschiedenis. Vandaar ook de ondertitel “An American Family’s Musical Journey From The American Revolution To The Present”. Brieven, verhalen, gedichten, liedjes, Robinson liet voor het in kaart brengen van de (oorlogs)ervaringen van haar voorouders hoegenaamd geen enkele zich op haar weg aandienende bron ongebruikt. En dat leidt uiteindelijk dan ook quasi als vanzelfsprekend tot een heerlijk authentiek aanvoelend geheel.

Een geheel, waarin ze zich andermaal kan doen gelden als een bijzonder straffe zangeres. Iets wat haar in het verleden al meermaals vergelijkingen opleverde met groten der aarde als een Hazel Dickens, een Emmylou Harris, een Dolly Parton en een Patsy Cline. En dat zal ook ditmaal weer niet anders gaan zijn, geloof ons vrij! Met haar kristalheldere stem streelt Robinson immers voortdurend de zinnen. Bluegrass, country, Americana dan wel folk, het gaat haar allemaal even goed af. Ze laat met haar engelengezang de grenzen tussen die stijlen bij nader inzicht zo goed als volledig vervagen.

En ze stond er ditmaal overigens ook niet helemaal alleen voor. Dat de gerenommeerde Joe Henry bereid werd gevonden om het project in goede banen te leiden vermeldden we hoger al, dat ook Ramblin’ Jack Elliott, Kris Kristofferson, John Doe, Jim Nunally, schrijfster Maxine Hong Kingston en actrice Kathy Baker een aanzienlijke duit in het zakje kwamen doen nog niet. En dan hadden we het nog niet over kanjers van muzikanten als een Zach Harmon, een Greg Leisz, een Craig Eastman, een David Piltch, een Levon Henry en een Keith Little. Zij zorgen voor het muzikale decorum, Robinson doet de rest!

Tal van traditionals en songs van onder anderen Bill Monroe, Luther Presley, Rodney Crowell, Johnny Cash, Mel Tillis en Guy Clark passeren zo de revue. Naast diverse gesproken passages. Enkele brieven, een gedicht en een verhaal vormen als het ware het cement tussen de stenen der liedjes.

De muzikale schattenjagers onder jullie weten daarmee allicht genoeg…

Nell Robinson, Compass Records

 

SLOWMAN “Happy Boy” (Slowman)

(4****)

Dat de Zweed Svante “Slowman” Törngren een fantastische singer-songwriter is, dat wisten we natuurlijk al wel langer, maar met z’n derde album overtreft hij toch echt wel onze stoutste verwachtingen! Wat een mooie plaat is dat geworden, zeg! Vol met bijzonder aangenaam wegluisterende pop- en rockliedjes met her en der ook nadrukkelijk enige rootsinslag. Mochten dit de States zijn, dan zouden we wellicht spreken over AOR, zich voornamelijk op een publiek van volwassenen richtende rockmuziekjes. Een vlag die deze liedjeslading ons inziens grotendeels wel dekt.

Törngren toont zich in heel wat van de hier gebrachte deuntjes een meester in het verklanken van gevoelens. Grote zowel als kleine. En niet zelden herinnert hij daarbij aan de één of andere gerenommeerde vakcollega. Van Elliott Murphy tot Bruce Springsteen, van Steve Forbert tot Ray Davies, van Warren Zevon tot Bruce Hornsby of Willy DeVille, allemaal passeerden ze bij het beluisteren van “Happy Boy” in onze gedachten wel even de revue. En dat zou ik nu niet meteen slecht nieuws durven te noemen.

Van de heerlijke, buitengewoon catchy uit de hoek komende Heartland rock van “Time” tot de al even mooie pianoballade “Nothing To Pretend”, van het enkele tellen lang op een bluesy golf surfende “Into Gold” tot het hoegenaamd perfecte popdeuntje “Little Berlin”, van de ook al voor veelvuldig gebruik op Radio 1 geschikte en ons volop aan het recentere werk van opper-Kink Ray Davies herinnerende trage “Every Heart Is Crying” tot het voorwaar heel even voorzichtig jazzy aandoende titelnummer en alles wat dan nog volgen moet, dit is echt zonder uitzondering klasse-spul!

In een rechtvaardige wereld zou Svante Törngren na dit album met een gerust gemoed kunnen gaan rentenieren…

Slowman

 

JAMES WILLIAMSON “Re-Licked” (Leopard Lady Records)

(3***)

Tussen twee tournees door doken James Williamson, Steve Mackay, Mike Watt en Toby Dammit, de huidige live-incarnatie van de legendarische Stooges, eerder dit jaar samen de studio in om er een reeks liedjes in te blikken, die Williamson zo’n veertig jaar eerder samen met Iggy Pop had geschreven als materiaal voor de opvolger van hun classic “Raw Power”. Door gebrek aan een platendeal bleven die songs echter gewoon jarenlang op de plank liggen. Hier en daar belandde er ondertussen wel eens eentje op een bootleg, maar van een officiële release was er tot voor kort überhaupt geen sprake.

Maar daarin komt er dus nu verandering! Met “Re-Licked” bieden Williamson en co ons niet enkel die tien voor de opvolger van “Raw Power” bestemde liedjes, maar bovendien ook nog eens een reeks van een zestal “B-sides and Bonus Alternate Tracks” aan. In totaal zestien nummers, waarvoor ze telkens de hulp van de één of andere bekende of minder bekende zanger of muzikant inriepen. Voor het nogal nerveus uit de startblokken schietende openingsnummer “Head On The Curve” werd zo Dead Kennedys-kopstuk Jello Biafra opgetrommeld, de bluesy “valse trage” “Open Up And Bleed” en bonusje “Gimme Some Skin” worden gebracht met Carolyn Wonderland en het zich heftig shakend een weg naar je benen banende “Scene Of The Crime” werd gereserveerd voor Bobby Gillespie van Primal Scream. Onder het buitengewoon groovy “She Creatures Of The Hollywood Hills” prijkt vervolgens ook de naam Ariel Pink, voor het al bij al nogal “spooky” aandoende “Til The End Of The Night” mocht men rekenen op bijdragen van Alison Mossheart van The Kills en Dead Weather en het furieuze “I Gotta Right” leeft zo goed als volledig bij de gratie de onnavolgbare Lisa Kekaula van The BellRays. In barrockertje “Pinpoint Eyes” waart dan weer Joe Cardamone van The Icarus Line rond, voor het snedige “Wild Love” tekenden Mark Lanegan en opnieuw Alison Mossheart mee, voor het lichtjes geweldige “Rubber Leg” kreeg men Ron Young van Little Caesar op bezoek en voor het bij momenten aardig psychedelisch getinte “I’m Sick Of You” op zijn beurt dan weer Mario Cuomo van The Orwells. Voor de nog resterende bonussen gaven elk om beurt Nicke Andersson van de Zweedse garagerockgroep The Hellacopters (“Cock In My Pocket”), opnieuw Lisa Kekaula (“Heavy Liquid”), The Richmond Sluts (“Wet My Bed”), Gary Floyd van The Dicks (nogmaals “Cock In My Pocket”) en James George Thirlwell aka Clint Ruin of Foetus (“Rubber Leg”) acte de présence.

Een line-up die naar onze bescheiden mening veel indrukwekkender uitpakt dan het op “Re-Licked” gebodene zelf. Dat had op ons alleszins lang niet dezelfde impact als “Raw Power” indertijd. Maar ja, we zijn ondertussen dan ook al heel wat meer gewoon geraakt… Laat ons zeggen: goed, maar ook niet meer dan dat.

James Williamson

 

DICK LEMASTERS “One Bird, Two Stones” (Dick Le Masters)

(3,5****)

In het volop van geweldig gitarenwerk profiterende openingssalvo van “One Bird, Two Stones”, het ronduit grootse “Big Ol’ Buick”, gooit Texaan Dick LeMasters meteen één van z’n voornaamste troeven op tafel. Die best wel wat richting ZZ Top in z’n beste momenten afdwalende blues rock beauty vormt als het ware het ideale vehikel voor ’s mans vingervlugge snarenbehandeling. Een echte “guitar slinger” dus! Maar eveneens een uitstekende zanger en songsmid. Iets wat de beste man in de ons dan nog resterende tien songs overvloedig bewijzen zal.

“River Blues” bijvoorbeeld is een majestueus als de erin bezongen rivier aan je voorbij glijdende lap bluesplezier, “Pestilence & Locusts” vervolgens een op dezelfde leest als veel van het werk van Neil Young & Crazy Horse geschoeide deluxe-gitaarrocker en “Lightning From A Clear Blue Sky” een streepje onvervalste Texaanse Americana storytelling. “Three Fifty Seven” zoekt met name harmonicagewijs dan weer nadrukkelijk bluesoorden op, “Last Time I Saw You” blijkt klassiek, qua mood best wel wat aan Dylans “Knockin’ On Heaven’s Door” verwant singer-songwriterspul en het gitaarzwangere “Power In The Snake” rockte ons net niet volledig ondersteboven. Wachten dan nog op een kennismaking: het zich behoorlijk complexloos een plaatsje in de galerij der grote Texaanse songs opeisende “The Wages Of Sin”, het vertederende trage bluesniemendalletje “Need Your Lovin’, het zo goed als volledig aan tastbaar liefdesverdriet opgehangen “Held On Too Long” en het bij wijze van afsluiting weer een vet potje bluesrockende titelnummer.

LeMasters nam “One Bird, Two Stones” in z’n thuisstaat op in het gezelschap van collega-songsmid Douglas Greer, drummer Adam King en mondharmonicaspeler Dan Moser. Met die Greer was hij trouwens ook al enkele keren te bewonderen in Europa. Ten tijde van diens gesmaakte “Just A Man” was dat. En een nieuwe tournee met Greer lijkt ook al in de maak voor het stilaan nakende 2015. Als die straks met z’n nieuwe worp “Baja Louisiana” uitgepakt zal hebben, hebben ze immers allebei weer een goede reden om de oversteek naar rootsmuziekminnende delen van Europa nog eens te maken. Wij zullen er dan alvast graag bij zijn!

Dick LeMasters, CD Baby

 

ELIOT BRONSON “Eliot Bronson” (Saturn 5 Records)

(5*****)

Wat een beauty! Geen wonder, dat de recentelijk onder meer ook al voor z’n werk met Jason Isbell, Sturgill Simpson, Nikki Lane en Rival Sons geprezen Dave Cobb onmiddellijk toehapte, toen Eliot Bronson hem een van een muziekje ter kennismaking vergezeld mailtje stuurde met de vraag om z’n nieuwe plaat te produceren. Je voelt als het ware meteen, dat je hier met “een speciale” te maken hebt. Iemand die het nadrukkelijk in zich heeft om het heel erg ver te gaan schoppen.

Bronson blijkt hier immers niet enkel een briljante tekstdichter en een poëet van het zuiverste soort, maar vooral ook een echte dijk van een zanger! Heerlijk hoog durft hij te gaan! Hartverscheurend mooi gewoon! En wat het allemaal nog net dat beetje specialer maakt, is dat het Bronson zo verdomd gemakkelijk lijkt af te gaan. Alsof hij er niet de minste moeite hoeft voor te doen! Amper een week kostte het hem om de tien liedjes van “Eliot Bronson” te vereeuwigen. Met dank vooral aan Cobb voor het zalige atmosferische geluid daarvan. Al mag de rol van de andere bij het project betrokkenen in die context zeker ook niet worden onderschat. Naast Bronson (zang, akoestische gitaar, piano en harmonica) en Cobb (akoestische gitaar en percussie) zelve waren ook Brett Hartley (resonator- en elektrische gitaar en lap steel), Chris Powell (drums en percussie), Adam Gardner (bas, piano en mellotron), Mike Webb (keyboards en mellotron) en Kristen Rogers (zang) mee van de partij en dus medeverantwoordelijk voor één van de naar onze bescheiden mening gaafst klinkende platen van 2014 so far.

Laat je verleiden door intense ingetogen songschoonheden als “Nothing Like Me”, “You Wouldn’t Want Me If You Had Me”, “Time Ain’t Nothin’”, “Never Been A Friend Of Mine”, “Sleep On It” en “Baltimore” en wat uitbundiger spul à la “Comin’ For Ya North Georgia Blues” en “New Pain” en noteer “Eliot Bronson” vervolgens – Net als ons! – nu al even voor je eindejaarlijstje. Bronson verdient dat echt wel! Zijn in prachtliedjes gegoten poëtische overpeinzingen vormen hoe dan ook een echte aanwinst voor elke zichzelf respecterende platencollectie. En dan plakten we daar voor één keer bewust eens niet het woordje Americana voor…

Eliot Bronson

 

POPA CHUBBY “I’m Feelin’ Lucky” (Dixiefrog / Bertus)

(4****)

Snelle kopers van “I’m Feelin’ Lucky”, het nieuwe album van Ted “Popa Chubby” Horowitz, mogen rekenen op een heuse traktatie. Om z’n eerste vijfentwintig jaar op de planken te vieren voegt de olijke dikkerd aan z’n nieuwe album in beperkte oplage immers de bonus-cd “25 Years!” toe. Met daarop een tiental zeldzame tracks, voornamelijk uit zijn pre-Popa Chubby-tijd. Met acts als Bloodclot (hardcore punk), Noxcuse (hardcore punk) en City Opus with Joe Lobelle (soul) en in z’n eentje (pop, rock, funk en blues). Uitzondering op de regel en als dusdanig ook vreemde eend in de bijt blijkt het afsluitende, in 2013 met Street Docs ingeblikte “Popa Chubby Is An Old Ass Man”, een heuse hap blues rap. Door een manifest gebrek aan coherentie op de keper beschouwd eigenlijk vooral leuk als curiosum, dit bonusje.

Persoonlijk ben ik echter veel meer in mijn nopjes met het eigenlijke nieuwe album van Horowitz zelf, “I’m Feelin’ Lucky”. Dat is immers weer een bijzonder lekker plaatje geworden! Gelijk van bij het met de blik op z’n Robert Crays op het Zuiden gerichte “Three Little Words” ben ik graag mee. “Play this loud for best results!” Graag volg ik vanaf hier dat onder het lijstje met de gebrachte tracks geuite streepje advies. En met resultaat ook! Want wat knalt dat funky titelnummer plots machtig uit de boxen! En wat rockt het met collega-snarenwonder Mike Zito gepende en ook gebrachte “Rock On Bluesman” weer messcherp! Een heuse hattrick als opener, alstublieft! En dat blijkt vervolgens alleen nog maar het begin! Via het wervelende, met een gezonde dosis swing opgewaardeerde “One Leg At A Time” gaat het aansluitend aan een rotvaart richting het moddervette, z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Rollin’ And Tumblin’” en het heerlijk soulvolle, in duet met de lichtjes fantastische Dana Fuchs gebrachte “Come To Me”. Pas voor “Save Your Own Life” gaat de voet even van het gaspedaal. Dat blijkt immers traditionele bluesrock van het eerder lome, bij nader inzicht behoorlijk bezwerende type. En dan is er plots het naar hit ruikende “I’m A Pitbull (Nothin’ But Love)”. Een buitengewoon radiogenieke, bijna gerapte ode aan z’n naar eigen zeggen beste vriend, z’n pitbull. Resten dan nog: de ongemeen sfeervolle trage “Too Much Information” en het op aangepaste wijze de feestelijkheden uitluidende “The Way It Is”.

Prima plaatje, Ted! Op die manier mag je er van ons graag nog 25 jaar bij doen!

Ter ondersteuning van de release van “I’m Feelin’ Lucky” doet Popa Chubby binnenkort ook weer de Lage Landen aan. En Venlo (22-11: Royal Irene), Verviers (26-11: Spirit of 66), Amstelveen (27-11: P60), Drachten (28-11: Iduna), Vlissingen (29-11: De Piek) en Utrecht (30-11: De Helling) mogen dan rekenen op een tussenstop van de man.

Popa Chubby, Dixiefrog Records

 

JAMES HAND “Stormclouds In Heaven” (DJP Productions)

(4****)

Als groot liefhebber van hardcore country ben ik altijd weer zeer in mijn nopjes, als er weer eens wat nieuws van James “Slim” Hand komt aanwaaien. Sinds mijn eerste kennismaking met zijn muziek in 1999 heeft die Texaan me eigenlijk nog nooit ontgoocheld. Zowel “Shadows Where The Magic Was”, “Live At The Saxon Pub”, “Evil Things”, “The Truth Will Set You Free”, “Shadow On The Ground” als “Mighty Lonesome Man” waren en zijn hier nog steeds graag gehoorde gasten. Elk van die albums had mijns inziens heel wat te bieden aan wie net als mij altijd wel een boontje zal blijven hebben voor traditioneel geschoolde countrymuziekjes. En onder meer Willie Nelson, Kris Kristofferson, Ray Price en Ray Benson van Asleep At The Wheel outten zich bijvoorbeeld ook al als fans.

“Stormclouds In Heaven”, Hands nieuwste, toont hem nu van een enigszins andere kant dan gebruikelijk. Dat in een productie van Deborah J Perry samen met klasbakken als Brennen Leigh, Speedy Sparks, Lisa Pankratz, Cindy Cashdollar, Floyd Domino, Earl Poole Ball, Jason Roberts en anderen opgenomen geheel bevat immers een veertiental voornamelijk in gospel gedrenkte, nieuwe Hand-originelen. Niet zelden op smaak gebracht met wat bluegrassflair en al bij al lekker gevarieerd van ritmiek. Het ene moment volop uitnodigend tot het meestampen van catchy melodieën zoals die van het titelnummer, “Why O Why” en “The Devil Ain’t No Quitter”, het andere volop zwelgend in de melancholie. En daarbij uiteraard weer volop herinnerend aan genregroten als een Hank Williams, een Ernest Tubb en zeker ook een Lefty Frizzell.

Maar laat je door dat laatste zinnetje vooral niet afschrikken: James Hand is en blijft tot nader order immers ontegensprekelijk één van de meest authentieke, binnen het huidige countrygebeuren actieve talenten. Dat staat voor mij na “Stormclouds In Heaven” meer dan ooit als een paal boven water.

James Hand

 

LOST IMMIGRANTS “An Americana Primer: Vol. 3” (Lo-Fi Tofu Records)

(3,5****)

Deel drie in de zich ondertussen al over ruim twee jaar uitstrekkende triptiek “An Americana Primer” van het sympathieke Texaanse collectiefje Lost Immigrants. Het negende album trouwens al van James Dunning en de zijnen sinds “Waiting On Judgment Day”, hun in 2006 verschenen debuutplaat. En een verdomd sterke ook!

In een productie van de ook voor alle songs tekenende Dunning en Aaron Hass worden net als op het vorige volume ook ditmaal weer zeven nieuwe liedjes opgedist. Dunning neemt daarin de leadzang en diverse akoestische en elektrische gitaren voor z’n rekening. Chad Stewart van zijn kant tekende voor het drumwerk en wat backing vocals, Eric McGinnis was de bassist van dienst, Ryan Pool leverde bijdragen op orgel en piano, Blake Brownlee zorgde voor wat bijkomend elektrisch gitaargestoei en CC Cross en Marco Street verleenden de nodige vocale hand-en-spandiensten.

Het resultaat: een jong Texas op het lijf geschreven potje eigentijdse Americana. Nu eens heerlijk rockend, dan weer eerder ingetogen, maar immer soulvol. Met hier en daar wat red dirt aan de boots, zeg maar. Deed ons op de keper beschouwd dan ook best wel wat denken aan enigszins vergelijkbare acts als Reckless Kelly en Micky & The Motorcars. Met Dunning als bijzonder straffe lijsttrekker. Zijn schuurpapieren voordracht betekent naar onze bescheiden mening een fameus surplus voor het totaalgeluid van de groep.

Als leukste momenten noteerden wij het hyperaanstekelijke, duidelijk op luidkeels meelallende fans mikkende stampertje “Gimme A Holiday”, de zich flink wat ingetogener aandienende, heerlijk soulvolle nieuwe single “Love Love Love” en de vinnige alternatieve countryrocker “I Can’t Be Trusted With A Heart Like Yours”. Maar ook het op vurig gitaarwerk geënte “Reaching Out”, “valse trage” “Cry Me A River Blues”, power ballad “Straight To The Grave” en slowtje “Angel Wings” zijn eigenlijk bepaald niet te versmaden.

Lost Immigrants, CD Baby

 

ANTHONY D’AMATO “The Shipwreck From The Shore” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Zo’n twee jaar geleden al deed de jonge Amerikaan Anthony D’Amato hier voor het eerst van zich spreken. Als voorprogramma van Israel Nash Gripka meer bepaald. Onder meer de vaste klanten van de N9 in Eeklo waren toen al getuige van een hoogst origineel aanstormend talent. D’Amato die indertijd met “Paper Back Bones” in eigen beheer net z’n tweede langspeler had afgeleverd, werd er door zo menig een bezoeker als een flinke tip voor de toekomst genoteerd.

En gelijk hadden ze! Dat onderstreept D’Amato met z’n nieuwste, het zopas bij New West Records verschenen “The Shipwreck From The Shore”, met verve. Met de tien liedjes daarop vindt hij een eigen niche ergens op het kruispunt tussen Mark “E” Everett (eels), Connor Oberst (Bright Eyes) en Sufjan Stevens. Ergens tussen pop, rock en folk dus.

’s Mans deuntjes blijken op de keper beschouwd zonder uitzondering extreem catchy, maar ze hebben ook altijd wel iets van een scherp randje. En het orkestrale schuwt hij er bij momenten al helemaal niet in. D’Amato houdt duidelijk van geluidjes. Zij bepalen mee de “mood” van zijn liedjes. Zoals de kleurrijke glasramen in een kerk onder invloed van de zon als het ware.

Onze luistertips: het met licht vervormde stem gebrachte stampertje “Was A Time”, het een al even verslavende indruk nalatende “Back Back Back” en het bij voorbaat met een serieuze kans op falen rekening houdende relatieliedje “If It Don’t Work Out”. Dat laatste zouden wij hier zelfs een geknipte single-kandidaat durven te noemen.

Anthony D’Amato, New West Records

 

MARTIN CARR “The Breaks” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het kan verkeren! Bredero wist het al en voormalig Boo Radleys-gitarist Martin Carr nu ook. Raakte hij z’n tweede soloplaat eerst aan de straatstenen niet kwijt, dan zorgde het sinds jaar en dag vanuit de Duitse havenstad Hamburg actieve Tapete Records zomaar “out of the blue” alsnog voor de door Carr zo gegeerde doorbraak. En da’s maar goed ook, want als er al één ding is, dat de beste man ons op de opvolger van z’n solodebuut “Ye Gods And Little Fishes” duidelijk maakt, dan is het wel dat hij bij de Boo Radleys nog lang niet al zijn kruit verschoten had. Het tegendeel lijkt zelfs eerder waar!

“The Breaks” bevat gewoon heel wat van ’s mans allerbeste liedjes tot op heden. Indie-popdeuntjes van het werkelijk allerbeste soort. Het ene al beter dan het andere! Een kennismakingsrondje verdienen zo wat ons betreft zeker het zich als heel erg zomers aandienende en ons in al z’n aanstekelijkheid een beetje aan de Blow Monkeys herinnerende “The Santa Fe Skyway”, het ook al ongemeen zwierige, door de eigen harde godsdienstige opvoeding geïnspireerde “St. Peter In Chains”, het ingetogen “Mainstream” en het herfstige “Mountains”. Net als de met één voet stevig in sixties beat pop geworteld zittende oorwurm “Senseless Apprentice”, de mooie trage “I Don’t Think I’ll Make It” en titelnummer “The Breaks” zijn dat stuk voor stuk liedjes, waarmee je ons elke dag opnieuw graag enkele keren lastig mag komen vallen.

Een comeback van formaat noemen wij zoiets dan…

Martin Carr, Sonic Rendezvous

 

THE PARSON RED HEADS “Orb Weaver” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Jezelf blootstellen aan “Orb Weaver” van The Parson Red Heads heeft iets van een reis doorheen de tijd. Terug naar de late jaren zestig, vroege jaren zeventig met name en dat aan het handje van een viertal dat duidelijk zijn klassiekers kent. Cosmic country rock ja, maar evengoed met uitstapjes in andere richtingen. Met vrijwel doorlopend heerlijke jengel- of wijd uitwaaierende gitaren en veel al even fijn harmonieerwerk. De Byrds wezen alleszins als referentiepunten genoemd, maar zeker ook acts als Gram Parsons en de Flying Burrito Brothers, Crosby, Stills, Nash & Young, de Pure Prairie League en Poco.

Klinkt zo op het eerste gehoor misschien als muziek voornamelijk bestemd voor oude zakken, maar dat is het dus zeker niet. Daarvoor zorgen naast de knappe eigentijdse productie van Scott McCaughey van The Minus 5 vooral ook uitschieters richting de eighties en de hoogdagen van het Paisley popgebeuren en later ook het zich van onder de vleugels van het veel geloofde magazine No Depression langzaam ontvouwende nieuwe alternatieve countrywezen. De liedjes van Evan Way en Sam Fowles zijn vrijwel zonder uitzondering sterk te noemen, de muzikale invulling ervan is dat zeker ook en vooral wat betreft de vocale prestaties erin mag je zelfs rustig spreken van een echte glansprestatie.

Very West Coast indeed! En verduiveld lekker ook! Mag wat ons betreft zo onder de “w” van “Wow!”, deze derde van The Parsons Red Heads!

The Parson Red Heads, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

THE MASTERSONS “Good Luck Charm” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

“Good Luck Charm” is na het al in 2011 verschenen “Birds Fly South” de tweede langspeler samen van het vanuit Brooklyn actieve musicerende echtpaar Chris Masterson en Eleanor Whitmore. En net als z’n door critici zowat overal ter wereld letterlijk onder de superlatieven bedolven voorganger is ook dit album weer een echt juweeltje. Weer ga je bij het beluisteren ervan vrijwel voortdurend terugdenken aan andere illustere duo’s als Gram Parsons en Emmylou Harris, Gillian Welch en David Rawlings en zeker ook Buddy en Julie Miller. En dat zouden we hier nu niet meteen slecht gezelschap durven te noemen…

De Mastersons, ondertussen ook vast toegetreden tot Steve Earle’s Dukes, tonen zich hier beiden zeer bedreven op zowel akoestische als elektrische gitaren. En voor Eleanor mag je daar dan ook nog eens de viool aan toevoegen. Bij Neal Casal leenden ze voorts toetsenist John Ginty, Greg Leisz mag her en der naar goede gewoonte op de pedal steel excelleren en bassist George Reiff en drummer Mark Stepro doen het grootste deel van de rest. Al staan op de gastenlijst ook nog wel percussionist Jim Scott en vocalisten Peter Harper, Jason Blynn en Robert Marshall.

Stralend middelpunt van de belangstelling zijn en blijven echter “nach wie vor” de elkaar op echt wel heerlijke wijze aanvullende stemmen van Whitmore en Masterson. Meestal zingt zij en doet hij al harmoniërend z’n duit mee in het zakje. En de enkele uitzonderingen die er al gemaakt worden op die regel bewijzen eigenlijk enkel maar, dat dit een terechte “modus operandi” is ook. De soms voorzichtig wat aan de Jayhawks herinnerende Americana, country rock, folk-, roots- en een enkele keer ook heuse powerpop van de Mastersons vaart er echt wel bij.

Onze lievelingsnummers: het werkelijk sublieme titelnummer, het mede dankzij een machtig Pretenders-gitaartje voorwaar voorzichtig even hitgevoelige oorden aandoende “It’s Not Like Me” en de even snedige als catchy countryrocker “If I Wanted To”. Maar misschien zijn het er morgen wel weer gewoon drie andere, hoor! “Good Luck Charm” is immers weer van begin tot einde gewoon smullen geblazen!

The Mastersons, New West Records

 

THE LOST BROTHERS “New Songs Of Dawn And Dust” (Lojinx)

(5*****)

Deze plaat is al enkele dagen lang niet meer uit de buurt van mijn cd-speler weg te slaan. Maar “New Songs Of Dawn And Dust”, het met Bill Ryder-Jones als producer opgenomen nieuwe album van de Ieren Mark McCausland en Oisin Leech oftewel The Lost Brothers, is dan ook in één woord adembenemend. Met elke nieuwe luisterbeurt lijk ik zelfs nog wat meer te vallen voor de twaalf waarachtige songschoonheden erop. Helemaal wegsmelten doe ik telkens opnieuw de heren aan het harmoniëren slaan. Daar verandert zelfs het feit, dat ze in vergelijking met op voorganger “The Passing Of The Night” uit 2012 nu wat meer van vertrouwde paden Americana en folk durven af te dwalen, absoluut niets aan. Integendeel zelfs! Ik vind het allemaal nog net iets mooier dan voorheen!

Ik mag me maar wat graag laten meedrijven op de zachtjes voorbijkabbelende liedjesgolven van de oneigenlijke broers. Ik vind het echt zalig toeven in het gezelschap van hun me beurtelings of gelijktijdig aan de glansdaden van de Everlys, de Louvins en Simon & Garfunkel herinnerende muziekjes. Veel van de veelal eerder melancholisch uit de hoek komende deuntjes op “New Songs Of Dawn And Dust” stralen alvast eenzelfde tijdloosheid uit als het materiaal van elk van de genoemde acts.

Topmomenten als het in een zomers loom sfeertje van positivisme badende “Days Ahead”, het zich op buitengewoon intrigerende wijze in het behoorlijk verwarde gedachtengoed van een net van het front teruggekeerde soldaat verdiepende “Soldier’s Song”, het sfeergewijs ergens tussen iets van wijlen Johnny Cash en Simon & Garfunkel aanspoelende “Poor Poor Man”, de haar titel “en passant” helemaal waarmakende ballade “Hotel Loneliness”, het nog volop naar authentieke Americana geurende “Can I Stay With You” en andere behoren echt wel tot het allermooiste wat 2014 ons tot op heden op muzikaal vlak te bieden had.

Om de woorden van huisfavorietje Richard Hawley in verband met The Lost Brothers maar eens even naar m’n hand te zetten: om voor te sterven, zó mooi!

The Lost Brothers, Lojinx

 

TREML SCHUIER RILL “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll” (Creazione Unisono)

(4****)

Overgaan tot de aanschaf van “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll”, “de nieuwe van Markus Rill”, betekent eigenlijk gewoon je overgeven aan het beste van twee werelden. Strikt genomen deelt onze favoriete Duitser hier immers de spotlights met twee streekgenoten van ‘m. Met het duo Franz Schuier en Hubert Treml met name. Zij waren met z’n tweeën onder de vlag “b.o.s.s.” immers verantwoordelijk voor de oorspronkelijke versies van alle nummers op “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll”. Markus Rill van zijn kant tekende voor vertalingen van het Duits naar het Engels van deze “brucig Ogrichte singa Songs". En dat zorgt geregeld voor het nodige vuurwerk!

Gelijk van bij het z’n titel helemaal waarmakende openingsnummer “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll” bekruipt je als eerder toevallige luisteraar volop de goesting om op zoek te gaan naar de originelen van de elf liedjes hier. Mede door het karakteristieke toetsenwerk van Schuier en de gitaarfinesses van Treml waait er immers daadwerkelijk een krachtige Springsteen-wind doorheen dat liedje. En Rill, die valt natuurlijk al evenmin uit zijn rol. Zijn schuurpapieren stem en z’n vaardige, haar Amerikaanse spitsbroeders meer dan waardige schrijverspen doen de rest.

Van de prachttrage “Elvis Is Alive”, die wat ons betreft zomaar van “The River” had weggelopen kunnen zijn, tot het mede door een buitengewoon gloedvolle saxpartij van Martin Jungmeyer echt van de soul bulkende “Girl On The A-Train”, van de mooie pianoballade “More Than You Know” tot het heerlijk zomers wegrockende “Jane”, van “Pony On The Plains”, alweer zo’n knappe trage, tot het hier misschien nog het dichtst in de buurt van “vintage Rill” komende “Tomorrow It Will” en al wat er dan nog volgen moet, dit is gewoon top-singer-songwriterspul, dat het absoluut verdient om tot ver buiten de Duitse landsgrenzen gehoord te worden!

Warm aanbevolen!

Markus Rill

 

PIETER SIMONS “Lang Gezwegen” (Pieter Simons)

(3,5****)

Dat het afsluiten van een lange beroepsloopbaan niet noodzakelijk hoeft te leiden tot een hulpeloze val in een diep zwart gat bewijst de vanuit het Nederlandse Noord-Limburg actieve songsmid Pieter Simons. Sommigen onder jullie zullen de man allicht al kennen van zijn bijdragen als muzikant aan onder meer Pulsief en Parelmoer. Voor alle anderen weze hier vermeld, dat de recentelijk gepensioneerde Simons niet enkel met de schrijverspen, maar ook op z’n accordeon een aardig eindje uit de voeten kan. Iets wat hij op het onlangs onder de productionele leiding van Bart-Jan Baartmans in diens studio Wild Verband opgenomen “Lang Gezwegen” meer dan eens uitgebreid etaleert.

Samen met diezelfde Baartmans (gitaren, banjo, basgitaar en zang), Sjoerd van Bommel (drums en percussie), Mike Roelofs (toetsen), Charles van Dommelen (mondharmonica en zang) en nog een handjevol gastartiesten blikte Simons daar in Boxmeer in oktober van vorig jaar een tiental liedjes in, waaraan hij goed en wel een jaar eerder, even na zijn opruststelling, was beginnen te schrijven. Het merendeel daarvan laat zich vangen onder de petten folk rock en Americana. Gebracht, zoals de titel dat al uitgebreid laat uitschijnen, in het Nederlands en met een stem die ons beurtelings wat deed denken aan die van wijlen Bram Vermeulen, Frank Boeijen, onze eigenste Guido Belcanto en de vermaarde Drs. P.

Vooral in het op buitengewoon speelse wijze aan de man gebrachte anti-oorlogsliedje “Niet Geschoten…” was het de laatste die ons vrijwel onmiddellijk voor de geest kwam. Meer sprekend dan zingend eigenlijk vult Pieters daarin op de stippeltjes wijs aan met de woorden “…altijd prijs!”. En daar valt natuurlijk absoluut niks tegen in te brengen. Andere bijzonder fijne momenten op het in z’n geheel überhaupt erg sympathieke “Lang Gezwegen” zijn wat ons betreft ondermeer het aan de melodie van Richard Thompsons “Keep Your Distance” opgehangen “Alles Of Niets”, het de aan de grond zittenden onder ons bedaard rockend wat moed insprekende “Toon Je Vuur!” en vooral ook de ballade “’n Nieuwe Papa”. Daarin verwerkte Simons op erg knappe wijze het gegeven, dat bij een echtscheiding meestal vooral de kinderen de dupe zijn. En dat niet enkel op het moment van de breuk tussen hun ouders, maar ook bij de pogingen van die twee om een nieuw leven met een andere wederhelft aan te vatten. Vooral met dat liedje laat Simons best wel diep in z’n kaarten kijken. Daarin toont hij immers, dat hij niet enkel goed is in het observeren van de wereld om zich heen, maar dat hij ook in staat is om uit wat hij ziet ook de juiste conclusies te trekken en die dan in een pakkend liedje te vatten.

Al bij al mag je wat ons betreft rustig stellen dat deze liedjesschrijver op jaren een fijne aanwinst is. Met z’n met beide voeten stevig in de dagdagelijkse realiteit geplante, vaak behoorlijk gevoelige teksten als z’n voornaamste bondgenoten. De herkenbaarheid van z’n onderwerpen nodigt alleen maar uit tot nog wat aandachtiger luisteren. En zo hoort het toch gewoon ook, niet?

Pieter Simons

 

PALADINS “More Of The Best Of Vol. I” (Lux Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een deluxe-hap uit het gemeenschappelijke verleden van Dave Gonzalez, Thomas Yearsley en Brian Fahey oftewel The Paladins. Het collectiefje, dat ons tussen 1986 en 2007, met knappe albums als “The Paladins” (1986), “Years Since Yesterday” (1988), “Let’s Buzz” (1990), “Ticket Home” (1994), “Million Mile Club” (1996), “Rejiveinated” (1999), “Slippin’ In” (1999), “Palvoline No. 7” (2001), “El Matador” (2003) en “Power Shake” (2007) regelmatig compleet, maar dan ook echt compleet wist te vloeren. Met z’n onweerstaanbare mix van elementen uit voornamelijk blues, rockabilly en rock & roll bleek het drietal zowel op plaat als live zo goed als steeds te imponeren.

En het doet dan ook bijzonder veel deugd om middels de verzamelaar “More Of The Best Of Vol. I” weer eens met de neus op de feiten te worden gedrukt: The Paladins waren in hun marktsegment gewoon van het allerbeste wat er op dat moment verkrijgbaar was. Afgetrapt wordt er met heel pril werk, met name het al uit 1982 stammende “Double Datin’”. Vervolgens gaat het over een trits nummers van enkele van hun nog voor Alligator Records verschenen platen – met name “The Paladins” en “Let’s Buzz” – richting hun echte hoogdagen. En die mogen wij graag laten beginnen met het rootsrockmeesterwerkje “Ticket Home” uit 1984, naar onze bescheiden mening nog altijd één van dé allerbeste albums ooit gemaakt. En dat onderstrepen enkele lappen lillend rood rockvlees als het titelnummer en “15 Days” ook nu nog steeds vetjes. Ook van de partij: “Elvis’ Sister”, “Irene”, “Tore Up From The Floor Up”, “Soulfarm”, “Looking For A Girl Like You”, “Don’t Come Calling” en “Too Late Baby”. En afgerond wordt er met de beide nummers van een vorig jaar verschenen 7”, te weten “Should Have Been Dreamin’” een “Wicked”. Heerlijk gewoon! “18 kick ass songs indeed!” Voor één keer spreken we het begeleidende schrijven maar eens niet tegen…

En wat het allemaal nog net iets mooier maakt dan het zo al was, is het feit dat de toevoeging “Vol. 1” het ons nu al toelaat om volop te gaan dromen van meer! Dan met hopelijk nog wat meer “rare ones”!

Lux Records, Sonic Rendezvous

 

PARSONS THIBAUD “Eden” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Joseph Parsons en Todd Thibaud hebben samen weer eens een nieuwe plaat uit. Na “Parsons Thibaud” uit 2007 en “Transcontinental Voices” van drie jaar geleden hun derde ondertussen al. Hieronder alvast de bijsluiter!

Verpakking: “Eden” is verkrijgbaar in een verpakking met tien songs. Vijf van Thibaud. Vijf van Parsons.

Te gebruiken bij: Verschijnselen, die gepaard gaan met hoge nood aan onthaasting.

Gebruiksaanwijzing: 1 tot 2 draaibeurten, bij voorkeur laat ’s avonds, zullen ervoor zorgen, dat optimale relaxatieresultaten worden bereikt.

Bewaren en houdbaarheid: Bewaren laat zich deze folk rock, Americana en akoestische roots pop het best op kamertemperatuur naast werk van vergelijkbare acts als Crosby, Stills, Nash & Young, Simon & Garfunkel, Milk Carton Kids, Hardpan, 4 Way Street en US Rails. Door zijn unieke samenstelling is “Eden” onbeperkt houdbaar.

Gebruiksvoorzorgen: Het meer dan driemaal per dag tot zich nemen van “Eden” kan aanleiding geven tot (extreme) verslavingsverschijnselen.

Ingrediëntenlijst: “Everything Changes”, “When Nothing Left Is True”, “Cost Of Eden”, “Dreams We Dare”, “Heart That Never Falters”, “Hollywood”, “Near You”, “Time Is Due”, “Nothing To Me” en “Waterfalls”, tien eerder somber uitgevallen, intimistische liedjes over de vele veranderingen inherent aan een mensenleven. Twee prachtige, karaktervolle stemmen, enkele akoestische gitaren, wat harmonica en percussie. That’s it!

Parsons Thibaud, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PAUL THORN “Too Blessed To Be Stressed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Mocht u zich na al die jaren – De beste man timmert ondertussen plaatgewijs al zo’n slordige achttien jaar lang fameus aan de weg! – nog steeds afvragen, waarom nieuwe albums van de Amerikaanse zingende songsmid Paul Thorn steevast hoge toppen scheren in zo ongeveer alle Americana charts, dan krijgt u met “Too Blessed To Be Stressed” andermaal fameus lik op stuk. Ruim elf nummers lang toont Thorn zich daarop immers wederom van z’n allerbeste kant. En niet opnieuw met covers zoals ten tijde van voorganger “What The Hell Is Goin’ On?”, maar met vrijwel uitsluitend eigen materiaal ditmaal. Enkel het funky, door Carlo J. Ditta gepende “kontschuddertje” “Get You A Healin’” vormt wat dat betreft een uitzondering. Onder alle andere songs prijken de namen van Thorn zelf en Billy Maddox en een enkele keer ook die van z’n bassist Ralph Friedrichsen.

“Too Blessed To Be Stressed” klinkt als geheel een stuk opener dan veel van Thorns eerdere werk. En dat schrijft hij zelf voornamelijk toe aan het feit, dat hij onder invloed van de liedjes van anderen als een Allen Toussaint, een Ray Wylie Hubbard, een Elvin Bishop, een Lindsey Buckingham of Buddy & Julie Miller op “What The Hell Is Goin’ On?” veel meer aandacht aan de vocale hooks is gaan besteden. Voor het eerst mogen vaststellen, dat concertbezoekers je liedjes al vanaf de tweede passage van het refrein meezingen, doet duidelijk iets met een mens…

Verder bevat “Too Blessed To Be Stressed” ditmaal vooral ook aan universele waarheden opgehangen songs. Ook wat dat betreft is er dus een duidelijke breuk met Thorns verleden. Veel van ’s mans eerdere liedjes ontsproten immers vooral aan voorvallen in z’n eigen leven.

Gelijk van bij het lijzig (roots)rockend resoluut z’n weg richting het collectieve bewustzijn zoekende “Everything’s Gonna Be Alright”, waarin zonder ook maar de minste vorm van terughoudendheid de simpele dingen des levens worden verheerlijkt, is het meteen volop prijs. Vanaf dan weet je het eigenlijk al wel! Dit wordt een echt toppertje! En nog voor die gedachte goed en wel koud is, slaat Thorn al een tweede keer snoeihard toe. Met het heerlijk funkende titelnummer met name, waarin hij klinkt als een wat jongere Joe Cocker in z’n allerbeste momenten. Prijsbeest nummer drie is meteen daarop aansluitend het volop van Michael Grahams fijn toetsenwerk profiterende en überhaupt behoorlijk groovy uit de hoek komende “Everybody Needs Somebody”. Klassiek singer-songwriter-spul, als u het ons vraagt, dat liedje! En daarvan laat er zich op “Too Blessed To Be Stressed” wel meer aanwijzen. Van het zomerse popniemendalletje “I Backslide On Friday” tot het ongemeen soulvolle “This Is A Real Goodbye”, van het vlijmscherpe, maatschappijkritische rockertje “Mediocrity Is King” tot het ons sfeergewijs in de verte ergens aan iets van Tony Joe White herinnerende “Don’t Let Nobody Rob You Of Your Joy”, van het z’n roots nog nadrukkelijk in de blues hebbende “Old Stray Dogs & Jesus” tot het door de geweldige McCrary Sisters van zeer fijne backing vocals voorziene “What Kind Of Roof Do You Live Under” en de werkelijk bloedmooie (trage) afsluiter “No Place I’d Rather Be”, dit is echt één langgerekte weldaad voor rootsmuziekminnende oren.

Heerlijke plaat gewoon… En sowieso een klant voor onze stilaan weer vaste vormen aannemende eindejaarslijst!

Paul Thorn, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

KENN MORR BAND “Afterimage” (PWR Records)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot voor kort niet erg vertrouwd was met het werk van de Amerikaan Kenn Morr en zijn band. Tot mijn grote verbazing gingen er aan ’s mans nieuwe cd “Afterimage” al acht releases vooraf. En afgaande op het daarop gebodene dringt een serieus inhaalmanoeuvre zich op! Het blijkt op “Afterimage” immers te gaan om akoestische herinterpretaties van nummers van die eerdere platen.

Morr zelve (zang, harmonica, akoestische gitaar en piano) en zijn maats Tom Hagymasi (viool, mandoline, bouzouki, knopaccordeon en harmony vocals), Bob Gaspar (djembe, conga’s en percussie) en Pat Ryan (basgitaar en harmony vocals) maakten er voor de gelegenheid een gezellig potje van in de studio en dat hoor je eraan ook! Gewoon “the old fashioned way” met z’n allen samen in één ruimte, lekker live musiceren! En dat leidt hier bijna als vanzelfsprekend tot een ongedwongenheid die je anders alleen maar vruchteloos kan nastreven. Heerlijk relaxed glijden Morr en co doorheen liefst achtentwintig eigen liedjes. Vele daarvan met behoorlijk diepzinnige teksten. Aangenaam luistervoer zonder meer. Catchy in het bijzonder door Morrs sonore baszang. Klinkt als een kruising tussen Elliott Murphy, Leonard Cohen en Bob Geldof. Zoiets…

Er enkele nummers uitlichten heeft hier wat mij betreft absoluut geen zin. Noem het folk rock, roots pop of Americana, noem het zoal je wil! Feit is, dat we hier te maken hebben met een bijzonder aangenaam wegluisterende pot akoestische rootsmuziek. Aanbevolen niet enkel aan liefhebbers van het materiaal van het hier hoger al genoemde drietal, maar bijvoorbeeld ook aan deze van het oeuvre van knapen als een Jackson Browne, een Tom Petty en een Mark Knopfler.

Kenn Morr Band

 

MURALI CORYELL “Restless Mind” (Shake-It-Sugar Records)

(3,5****)

Als opvolger voor de in 2012 verschenen dubbele concertregistratie “Live” houdt Murali Coryell met “Restless Mind” nu weer gewoon een studioplaat achter de hand. En de zoon van jazzgitaarlegende Larry Coryell strooit daarop naar ondertussen goede gewoonte kwistig met soulvolle lappen blues(rock) in het rond. (Iets wat met nooit echt ontkende invloeden reikend van naamgenoten BB en Albert King tot Jimi Hendrix, de jonge Clapton en Albert Collins overigens niet echt hoeft te verbazen ook.)

Funky rockend gunt hij ons met “Waiting And Wasting Away” een vliegende start. Vervolgens gaat het via het ranzig soulvolle “Kiss Me First” en het sfeergewijs voorwaar een weinig aan het seventies-werk van Santana herinnerende titelnummer richting de zomerse R&B-stamper “I’m So Happy” en het opnieuw aardig funky getinte “Sex Maniac”. Voor de knappe sleper “Crime Of Opportunity” gaat het tempo dan even spectaculair omlaag, alvorens er met “I Can’t Give You Up” weer lustig op los mag worden gefeest. Heerlijk catchy R&B-kleinood is dat, met fijn blaaswerk van Joe Morales (sax) en Jimmy Shortell (trompet) als extra toegevoegde waarde. En diezelfde twee zien we ook opduiken in het meteen daaropvolgende, net wat tragere, maar daarom zeker niet minder aanstekelijke “Tag Along”.

Aan schuifelrocktempo gaat het in de slipstream daarvan eerder gezapig doorheen het veelzeggend getitelde “I Need Someone To Love” om vervolgens met de licht exotisch getinte “valse trage” “Lonely Eyes” een heus slotoffensiefje aan te kondigen. En dat laatste bestaat dan uit het bedaard (blues)rockende “Everyday Is A Struggle” en een knappe lezing van het zwoele, je ongetwijfeld ook in de uitvoering van wijlen Marvin Gaye bekende “Let’s Get It On”.

Murali Coryell

 

GAL HOLIDAY AND THE HONKY TONK REVUE “Last To Leave” (HTRP Music)

(4****)

Nummer drie voor Gal Holiday en haar immer energieke Honky Tonk Revue! Na hun titelloze debuut uit 2007 en het van vier jaar geleden daterende en wel heel erg toepasselijk getitelde “Set Two” is er nu “Last To Leave”, een twaalf songs rijke schreeuw om de aandacht van elke rechtgeaarde liefhebber van old school country en rockabilly. Tegelijk heerlijk authentiek en met één teen in het hier en nu en mede daardoor geschikt voor consumptie door een behoorlijk ruim publiek.

Vooral aan Vanessa “Gal Holiday” Niemanns verrassende cover van de Pat Benatar-hit “Love Is A Battlefield” zou je zomaar hitpotentie durven toe te dichten! En dat zelfs in onze contreien! Wat onlangs nog voor de Baseballs kon, zou voor deze aanstekelijke country-rockabilly-hybride zeker ook moeten kunnen. Is overigens de enige cover hier, dat liedje. Voor de rest van het materiaal tekenden Niemann en haar maats zelf. En vooral zijzelf en bassist David Brouilette bleken daarbij zeer actief.

Zelf spreekt Niemann in verband met die nieuwe liedjes over een verklanking van hun lotgevallen van de voorbije drie jaren. Een periode van veel reizen en veranderen, van groei- en andere pijntjes, maar ook van veel liefde, vriendschap en “lots of good times”. En dat resulteert vanzelfsprekend dan ook in een behoorlijk gevarieerd aandoend geheel.

“The Long Black Ribbon” is zo bijvoorbeeld een heerlijke streep twangy hard country, “She’s A Killer” een met een aardige dosis swing kruisbestoven rockabilly en “Broke Down And Broke” een lang niet enkel inhoudelijk last van de blues hebbende, maar op de keper beschouwd toch nadrukkelijk een countryliedje blijvende oorwurm. Het aanstekelijke “Teach Me How To Two Step” doet countrygewijs z’n titel dan weer alle eer aan, “South Of I-12” blijkt een bedaard rockende country road song en het volledig a capella ingezette “The Ballad Of Addie & Zack” heeft naar ons gevoel minstens evenveel met folk als met Americana vandoen. Bij de sfeervolle trage “Broken Rings” mogen er à volonté tranen in je pilsje en “Rainy Nights, Sunny Days” speelt even met een nachtelijke bruine-kroegtoestanden evocerend jazzmotiefje.

Killer stuff indeed!

Gal Holiday And The Honky Tonk Revue

 

LANEY JONES “Golden Road” (Laney Jones)

(4****)

Wat een plaat! De jonge Laney Jones blies ons met haar “Golden Road” voorwaar compleet van de sokken! Geen wonder, dat haar naam zich momenteel als een lopend vuurtje verspreidt over rootsmuziekminnende delen van het wereldwijde web. De in Florida geboren en getogen, maar momenteel omwille van haar studies aan het Berklee College of Music in Boston residerende Jones heeft naar ons gevoel echt alles om het op termijn helemaal te gaan maken! Een dijk van een stem, knappe liedjes en buitengewoon vaardige vingers ook. Dat laatste illustreert ze hier op zowel op de banjo als op de ukelele.

Ruim vierendertig minuten lang streelt ze de zinnen. En dat met een tiental eigen originelen met hun roots in folk, old-time en bluegrass. De “missing link” tussen Gillian Welch en Alison Krauss als het ware! Luister maar eens naar dingen als het volop van het werkelijk sprankelende banjowerk erin profiterende “Broken Hearts”, het met een snuif rock gekruide “Devil Down”, de bluesy sleper “Black Coffee”, het sfeervolle “Rise No More” of het wat jazzy aandoende “Pour Out The Whiskey”! Wedden, dat je het snel met ons eens zal zijn, dat we hier te maken hebben met één van dé in het oog te houden talenten voor de komende jaren?

Vooral je voordeel mee doen, zouden we zo zeggen! En snel ook!

Laney Jones, CD Baby

 

FAYSSOUX “I Can’t Wait” (Red Beet Records)

(4****)

Haar vorige plaat, het ondertussen ook alweer zes jaar geleden verschenen “Early”, was er naar onze bescheiden mening eentje voor de eeuwigheid. En ook op het zopas op de markt belande “I Can’t Wait” hoeft er wat ons betreft absoluut weer geen houdbaarheidsdatum te worden vermeld. Ook dat is immers weer een album, waarvan je als luisteraar gelijk al na de eerste beluistering ervan weet, dat je er nog héél vaak naar zal teruggrijpen. Heerlijk relaxed en van een werkelijk tijdloze schoonheid.

Peter Cooper tekende net als bij voorganger “Early” ook nu weer voor de productie, al liet hij zich daarbij ditmaal wel bijstaan door snarenvirtuoos Thomm Jutz. Verder ook nog van de partij tijdens de opnamen van “I Can’t Wait”: Brandon Turner (akoestische gitaren en harmony vocals), Sierra Hull (mandoline), Justin Moses (fiddle en banjo), Mark Fain (bas), Pat McInerney (percussie), Jen Gunderman (accordeon en piano) en Eric Brace, Donna Ulisse en Tom T. Hall (allen zang). Fayssoux McLean zelf nam naast de zang ook her en der wat akoestisch gitaarwerk voor haar rekening. En de heren Jutz en Cooper deden op hun beurt hetzelfde.

Samen waden ze doorheen materiaal van Kieran Kane (“I Can’t Wait”), David Ball (“When The Thought Of You Catches Up With Me”), Mose Allison (“My Brain”), Merle Haggard (“Mama’s Hungry Eyes”), RB Morris (“Hell On A Poor Boy”), Tom T. en Dixie Hall (het ook met de eerste van dat tweetal gebrachte “I Made A Friend Of A Flower Today”), Jim Lauderdale (“Some Things Are Too Good To Last”) en Fayssoux zelve. Onder een vijftal composities prijkt haar naam, alleen of samen met die van Peter Cooper, dan wel Cooper én Thomm Jutz. Een aardige vooruitgang ten opzichte van ten tijde van “Early”. Toen mochten er immers slechts twee eigen nummers mee tegenaan.

Liefhebbers van authentieke, nog volledig akoestisch gebrachte en mede daardoor wat rustiek aandoende Americana weten daarmee ons inziens genoeg! Zij zullen hier net als ons en bekende bewonderaars als Emmylou Harris, Dolly Parton en Rodney Crowell twaalf nieuwe redenen vinden om Fayssoux McLean stevig aan de borst te drukken. Om het met de woorden van haar mentor Peter Cooper samen te vatten: “She’s a profound pleasure, pleasurably profound.”

Fayssoux, Red Beet Records

 

CHRISTINE ALBERT “Everything’s Beautiful Now” (Moon House Records)

(3,5****)

De voorbije jaren waren op persoonlijk vlak behoorlijk hard voor Christine Albert. Hard in dat opzicht, dat de Texaanse op korte tijd nogal wat dierbaren verloor. Je weet wel, die fase, waar we ooit allemaal doorheen moeten en die met het ouder worden alleen maar dichter blijft komen…

Zoals het een goede songsmid past profiteerde Albert echter optimaal van de situatie. Bij wijze van eerbetoon aan hen die gingen verwerkte ze haar verdriet in enkele nieuwe liedjes, die samen met materiaal van onder anderen Shake Russelll en Dana Cooper, Tom Peterson, Jackson Browne en Warren Zevon op haar nieuwe album “Everything’s Beautiful Now” belandden. Veelal eerder gevoelige dingen, die nu eens eerder richting roots pop, dan weer eerder richting Americana, folk of country overhellen. Met als voornaamste blikvangers zo op het eerste gezicht allicht het titelnummer en “Old New Mexico”. Het eerste, de even aangrijpende als mooie pianoballade “Everything’s Beautiful Now”, hing Albert op aan een handvol van de laatste woorden van haar schoonmoeder Darleen op haar sterfbed. Het tweede is een met de legendarische Jerry Jeff Walker geschreven en ook samen met hem gebrachte streep verhalende Americana. Bovendien ook van de partij in dat liedje: collega Eliza Gilkyson.

Andere opvallende momenten op “Everything’s Beautiful Now”: het mede dankzij opnieuw de piano van Chris Gage en de dobro van Lloyd Maines een aardig eindje richting enigszins jazzy aandoende wateren afdrijvende “On That Beautiful Day”, het mild gestemd op het eigen leven terugblikkende rootspopluisterdeuntje “Flower Of The Moon”, prachtige covers van “For A Dancer” van Jackson Browne en “Keep Me In Your Heart” van wijlen Warren Zevon en de ronduit schitterende afsluiter, de met veel gevoel gebrachte Americana-ballade “My Heart’s Prayer”.

Dingen als deze maken van “Everything’s Beautiful Now” het soort van plaat dat je enkel kan maken als je heel goed bij de les was toen het leven zelf doceerde. En dan nog… Je moet er bij wijze van spreken al voor tot in je laatste studiejaar zijn doorgestoten…

Christine Albert, CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home