




CD-recensies februari 2012
* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.
**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!
Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:
MARSHALL MONRAD BAND “Minerals & Mud” - BUTCH WALKER AND THE BLACK WIDOWS “The Spade” - THE KENNETH BRIAN BAND “Welcome To Alabama” - GRETCHEN PETERS “Hello Cruel World” - NANCI GRIFFITH “Intersection” - CIARA SIDINE “Shadow Road Shining” - MATTY CHARLES “Back At Your Door” - OLD CALIFORNIO “Sundrunk Angels” - ERNEST TROOST “Live At McCabe’s” - AMELIA WHITE “Beautiful And Wild” - THE LITTLE WILLIES “For The Good Times” - PAUL CURRERI “The Big Shitty” - STEPHEN DAVID AUSTIN “A Bakersfield Dozen” - CAROLYN WONDERLAND “Peace Meal” - THE SEAN CHAMBERS BAND “Live From The Long Island Blues Warehouse” - BEN LEE “Deeper Into Dream” - LINCOLN DURHAM “The Shovel (vs) The Howling Bones” - WHITEHORSE “Whitehorse” - HANK SHIZZOE “Live At The Blue Rose Christmas Party 2010” - MARK VIATOR & SUSAN MAXEY “These Arms” - LANCE LOPEZ “Handmade Music” - THE STEEL WHEELS “Live At Goose Creek” - THE FOLK SURVIVAL CLUB “I Believe In Rock & Roll” - JEFFREY FOUCAULT “Cold Satellite” - MARIA MULDAUR “Steady Love” - MY DARLING CLEMENTINE “How Do You Plead?” - CROOKED STILL “Friends Of Fall” - MARY BLACK “Stories From The Steeples” - SHANE DWIGHT “A Hundred White Lies”
MARSHALL MONRAD BAND “Minerals & Mud” (Rootsy / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Als op het hoesje van een cd de naam van het Noorse Rootsy-label prijkt, dan geldt dat voor ons ondertussen stilaan als een soort van kwaliteitsgarantie. Ondanks het feit dat die platenmaatschappij zich voornamelijk over lokaal Americana-talent ontfermt, ontgoochelde ze ons eigenlijk nog nooit echt. En dat is ook met betrekking tot “Minerals & Mud”, de tweede van het vanuit de buurt van Oslo actieve viermanschap van de Marshall Monrad Band, zeker weer niet het geval. Daarop treffen we naast prima vertolkingen van de traditionals “Long Journey Home” en “We Shall Meet Someday” voornamelijk eigen composities aan. En die vallen zonder uitzondering onder de noemers bluegrass en old-time country. Materiaal dus, waarin Cato Monrad (banjo, zang), Joachim Svendsen (akoestische gitaar, zang), Erlend Hølland (akoestische bas, zang) en Bjørn Nilsen (zang, akoestische gitaar) zich volop kunnen uitleven op hun respectieve instrumenten. En bijgestaan worden ze daarbij onder andere ook nog door Stephen Ackles, Tone Silvia Holen, Tore Andersen, Tove Bøygard en Paal Flaata. Het resultaat is een album vol eerder rustiek aandoende muziekjes, dat hoegenaamd in niets hoeft onder te doen voor het gros van het ons dezer dagen vanuit de States bereikende materiaal. Hier wordt immers met zoveel liefde gemusiceerd, dat het maar moeilijk blijkt om er als luisteraar niet mee in op te gaan. Onze luistertips: het met Paal Flaata gedeelde en van een Cash-randje voorziene “We Shall Meet Someday” en “Dunderland Iron Ore Company”, een zomers uitstapje richting muzikale oorden, waar je naast op de gasten van Old Crow Medicine Show ook elk moment op acts als de Bruce Springsteen van ten tijde van zijn “Seeger Sessions” en de Pogues meent te kunnen stoten. “Bluegrass & folk music with a rock ‘n’ roll attitude” dus inderdaad!
Marshall Monrad Band, Rootsy, Sonic Rendezvous
BUTCH WALKER AND THE BLACK WIDOWS “The Spade” (Lojinx / Sonic Rendezvous)
(4****)
Enkele decennia geleden – Haren vochten toen nog om een stekje op een ondertussen stilaan voorzichtig kalend hoofd… – waren wij maandenlang flink in de ban van de muziek van power pop acts als Paul Collins’ Beat, The Rubinoos, Robert Johnson (Remember “Close Personal Friend”, anyone?), The Plimsouls, The Knack, de Joe Jackson Band, The Romantics en andere. Aanstekelijke, met huizenhoge melodieën gezegende liedjes, lekkere meezing-refreinen en als het even kon spetterend gitaarwerk, meer moest dat voor ons toen absoluut (nog) niet zijn. En – Eerlijk is eerlijk! – we houden er ook nu nog erg veel van. Met enige regelmaat belandt er nog wel een heruitgave van een “klassieker” van de late seventies of de vroege eighties op onze rijkgevulde plank. En daar, ergens tussen al dat oude geweld, hebben we nu ook een plaatsje voor “The Spade” van Butch Walker & The Black Widows gereserveerd. Walker, vooralsnog vooral bekend van zijn productiewerk voor vrouwelijke hitmachines als Avril Lavigne, Pink en Katy Perry, blijkt immers net als ons een zekere voorliefde voor power pop en aanverwante genres te cultiveren. En die uit hij bij tijd en wijle in het gezelschap van zijn eigen groepje The Black Widows. Met dat viertal schudt hij hier en nu op “The Spade” schijnbaar spelenderwijs de ene na de andere catchy parel uit de mouw. Melodiezwangere deunen, waarvan je ogenblikkelijk vrolijk wordt, zijn het. De ene al aanstekelijker dan de andere. En als dusdanig mag je “The Spade” naar onze bescheiden mening dan ook een aanrader van formaat noemen. Met name voor van nature nogal nostalgisch ingestelde geesten, die het vroeger allemaal zoveel beter vonden. Wedden, dat ze na het horen van deze nieuwe van Walker en co hun (kortzichtige) mening snel zullen bijstellen?
Butch Walker & The Black Widows, Sonic Rendezvous
THE KENNETH BRIAN BAND “Welcome To Alabama” (Southern Shift Rec. / Sonic Rendezvous)
(4****)
Voor wie er nog mocht aan twijfelen: Southern rock is alive and well! Steeds meer jonge acts voelen zich dezer dagen weer geroepen om in de voetstappen van genre-iconen als de Allman Brothers Band, Lynyrd Skynyrd of recenter de Drive-By Truckers te treden. Zo ook Kenneth Brian. Die speelde nog niet zo heel erg lang geleden de rol van wijlen Hank I in de theateropvoering “Hank Williams: Lost Highway”, maar tapt op zijn debuut-cd “Welcome To Alabama” nadrukkelijk uit een door hoger genoemde voorbeelden en andere gelijkgestemde geesten beïnvloed vaatje. Typische “songs of the South” dus, waarin naast het aldaar zo populaire rockelement ook outlaw country, soul en blues bij tijd en wijle een behoorlijk prominente rol mogen spelen. De al van zijn werk voor ondermeer de Allman Brothers en Widespread Panic bekende Johnny Sandlin produceerde en zag Brian in het gezelschap van gerenommeerde gasten als een Jason Isbell, een Bonnie Bramlett, een David Hood, een Randall Bramblett, een James Pennebaker en anderen bijzonder sterk uit de hoek komen. In negen eigen nummers en een cover van “Nothin You Can Do” van Allman Brothers Band-gitarist Dickey Betts, gebracht in duet met Bonnie Bramlett, toont hij zich een met een bijzonder soulvolle hees-gruizige strot begenadigde zanger, een uitermate getalenteerde gitarist en zeker niet in de laatste plaats ook een beloftevolle songwriter. Topmomenten zijn daarbij wat ons betreft de ronduit heerlijke, samen met gaste Lillie Mae Rische ingezongen trage countryschuifelaar “Last Call”, het ook al vertederende “Cry To The Dark”, het vrijwel meteen tot meezingen uitnodigende rootsrockertje “Texas By Tonight”, het eveneens extreem catchy ingevulde titelnummer en het met name gitaargewijs nogal heftig aan zijn kettingen snokkende “Tonight We Ride”. Een heus deluxe-rockertje, dat laatste liedje! En vergeten te vermelden mogen we hier tenslotte zeker ook niet het ongemeen sfeervolle “Prayer For Love”, waarin ex-Drive-By Trucker Jason Isbell op bijzonder aangrijpende wijze zijn snaren laat spreken. Dat nummer is naar onze bescheiden mening immers de primus inter pares op deze echt wel waanzinnig sterke eersteling van Kenneth Brian.
The Kenneth Brian Band, Sonic Rendezvous
GRETCHEN PETERS “Hello Cruel World” (Scarlet Letter Records / Proper / Rough Trade)
(5*****)
Na “One To The Heart, One To The Head”, haar samenwerking met Tom Russell uit 2009, had het leven voor Gretchen Peters amper nog wat goeds in petto. Zo wist ze zich achtereenvolgens rechtstreeks geconfronteerd met de desastreuze gevolgen van de natuurramp in de Golf van Mexico, de zelfmoord van een 30 jaar jonge vriend, de overstroming van haar geadopteerde thuishaven Nashville en haar zoons outing als transgenderist. Vandaar ook de bijzonder veelzeggende titel van haar nieuwe plaat: “Hello Cruel World”. “Ik wilde songs schrijven, die pijn deden. Songs, op het brutale af eerlijk,” aldus Peters zelf over het materiaal daarop. “Ik wist, dat het een behoorlijk donker album zou worden,” wou ze ook nog kwijt. En dat is het uiteindelijk dan ook geworden. Vol met eigen composities, die volop genieten van de in royale mate aangereikte hand-en-spandiensten van extreem getalenteerde collega’s als een Will Kimbrough, een Doug Lancio, een Barry Walsh, een Viktor Krauss, een Kim Richey, een Rodney Crowell en anderen. In een productie van het duo Lancio en Walsh en Peters zelve tekenen zij mee voor een geheel, dat luidop schreeuwt om het predikaat “meesterwerk”. Met z’n allen zorgen ze voor een eerder spaarzaam ingevuld, maar bijzonder sfeervol kader, waarin Peters op poëtische wijze op zoek gaat naar lichtpuntjes in een alsmaar complexer wordend leven. Erin overleven an sich al beschouwt ze eigenlijk als een soort van triomf. En reflecteren over het wezen van kunst, God en religie en spiritualiteit dienen daarbij ogenschijnlijk een louter therapeutisch doel. Elf buitengewoon mooie liedjes vormen het uiteindelijke resultaat. Stuk voor stuk pareltjes, die het eigenlijk gewoon niet verdienen, dat je probeert om hier krenten uit de pap te vissen. Maar dat doen we – Slecht als we zijn! – natuurlijk toch weer. En we komen daarbij uit bij het uitermate evocatieve “Natural Disaster”, het met Rodney Crowell gedeelde “Dark Angel” en vooral ook het samen met Tom Russel gepende “St. Francis”, waarin collega Kim Richey in haar dooie eentje verantwoordelijk blijkt voor een heus engelenkoor. Werkelijk bloedmooi allemaal en derhalve ook van ganser harte aanbevolen!
Gretchen Peters, Proper Records
NANCI GRIFFITH “Intersection” (Proper / Rough Trade)
(4****)
Noem dit gerust maar een verrassing van formaat! Ondertussen twintig albums ver in haar briljante carrière als singer-songwriter levert Nanci Griffith met “Intersection” eindelijk weer eens een echte topplaat af. En niet zomaar één in het rijtje ook! Zo boos als hier bij momenten hoorden we haar immers nog nooit! En het gaat er op “Intersection” ook ongemeen persoonlijk aan toe. Zo laat bijvoorbeeld het ergens in de voetsporen van wijlen Buddy Holly en zijn Crickets zwierig rockend uit de hoek komende “Hell No (I’m Not Alright)” nog maar bitter weinig aan de verbeelding over. Zowel tekstueel als stilistisch gezien een breuk met zo ongeveer alles wat ze eerder al deed, dat liedje. Iets wat verderop bijvoorbeeld ook nog geldt voor het swingende “Bad Seed”, waarin ze zonder daarbij een blad voor de mond te nemen “haar hele waarheid” voorschotelt aan haar vader, met wie ze al zo’n vijftien jaar in onmin leeft. Voorts natuurlijk ook heel wat “vintage Griffith” hier. Fraaie luisterliedjes op de flinterdunne breuklijn tussen folk en Americana, volop profiterend van de intimistische aanpak resulterend uit gewoon bij Griffith thuis afgewerkte opnamesessies. Daarbij werd ze vooral bijgestaan door multi-instrumentalist Pete Kennedy, diens wederhelft Maura en percussionist Pat McInerney. Voorts bij tijd en wijle ook even in de buurt: het duo Eric Brace en Peter Cooper (harmony vocals in “Just Another Morning Here”, een herwerkte versie van dat al in 1991 voor het eerst op “Late Night Grande Hotel” opgedoken nummer!), Richard Bailey van The Steeldrivers (banjo in “High On A Mountain Top”), Robbin Bach (backing vocals in “Davey’s Last Picture”) en de vooral als road manager bekende en geprezen Phil Kaufman (bas in “Come On Up, Mississippi”). Enkele covers werden daarmee al even aangeraakt, maar er staan er op “Intersection” nog enkele: een heel fraaie lezing van Blaze Foley’s “If I Could Only Fly” bijvoorbeeld ook nog, een eveneens buitengewoon mooi “Never Going Back” van Mark Seliger, het bij wijlen Ron Davies geleende “Waiting On A Dark Eyed Gal” en Robbin Bachs “Davey’s Last Picture”. In deze en de al eerder genoemde liedjes laat Griffith andermaal horen niet enkel een geweldige songsmid te zijn, maar ook een grote vertolkster van het materiaal van anderen. Maar goed, dat wisten we na haar bewerkingen van liedjes van onder anderen Julie Gold, Kate Wolf en Lyle Lovett in het verleden ook al wel. Welcome back, Nanci!
Nanci Griffith, Proper Records
CIARA SIDINE “Shadow Road Shining” (Music & Words)
(4****)
Ierland kan al sinds tijden bogen op een onwaarschijnlijk rijk gevulde traditie, daar waar het vrouwelijke zangtalenten betreft. Het is bijna alsof meisjes daar al met de moedermelk die gave meekrijgen. Hoe anders die ongemeen grote weelde aan supervocalisten verklaren? Een kransje, waartoe je sinds kort wat ons betreft ook Ciara Sidine mag rekenen trouwens. Wat die op haar grotendeels door Martin Clancy geproduceerde eersteling “Shadow Road Shining” te bieden heeft is immers in één woord fenomenaal. In het gezelschap van de “crême de la crême” der Ierse studiomuzikanten trakteert ze ons op twaalf warmbloedige lappen Americana en rootsmuziek, waarin ze weliswaar nergens haar Ierse roots tracht te verloochenen, maar die op de keper beschouwd toch redelijk nadrukkelijk Amerikaans aanvoelen. Knappe teksten verpakt in tot in de puntjes verzorgde liedjes bieden haar de kans om uitgebreid te excelleren. Ongelooflijk bezield klinkt Sidine hier dan ook. En die aanpak rendeert duidelijk. Hier niet van houden lijkt ons immers zo goed als uitgesloten. Probeer bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens even het net wat nadrukkelijker dan het gros van het overige materiaal hier bij de folktraditie van haar land aansluiting zoekende duet met Jack J “Constellations High”, het soulvolle “Take Me Down” of “The Arms Of Summer”, Sidine’s doorleefde eerbetoon aan het adres van haar muzikale held wijlen Johnny Cash, en je zal wat dat betreft wellicht al snel op dezelfde golflengte als ons belanden. Gaan we, als je het ons vraagt, ongetwijfeld nog heel wat van horen, van deze dame. Met zo’n geweldige stem en een quasi perfect daarmee matchende smaak kan dat haast niet anders.
(Tourdata: 13/04: Paard van Troje, Den Haag (NL), 14/04: Paradiso, Amsterdam (NL), 15/04: Roepaen, Ottersum (NL).)
MATTY CHARLES “Back At Your Door” (MCV Music / Lucky Dice Music)
(5*****)
Gedurende de maand februari doet New Yorker Matty Charles de lage landen aan voor een uitgebreide reeks optredens. En dat is een gelegenheid, die je maar best niet links kan laten liggen! Met zijn vijfde, het werkelijk verbluffend mooie “Back At Your Door”, heeft de beste man immers één van dé absolute topplaten van de voorbije maanden afgeleverd. “Instant classics” noemde collega Greg Trooper zijn songs bewonderend en daarmee had hij wat ons betreft overschot van gelijk. Charles is wat je noemt een witte raaf binnen het o zo druk bevolkte huidige singer-songwriterwereldje. Wat hij doet valt echt op. En in meerdere opzichten zelfs. Vooreerst is er zijn manier van schrijven. Heerlijk “down to earth”! Het valt je als luisteraar absoluut niet zwaar om je met het in zijn teksten vertelde te vereenzelvigen. Charles gebruikt het leven van alledag als voornaamste inspiratiebron. De liefde in al haar facetten, drankgebruik, innerlijke onrust, het zoeken naar uitwegen, het zijn slechts enkele van de vele onderwerpen, die hij op “Back At Your Door” aansnijdt. En dat veelal met een ondertoon van onversneden melancholie. Charles waakt er echter voortdurend over om niet doorlopend al té neerslachtig uit de hoek te komen. En daarbij helpt het natuurlijk om af en toe muzikaal af te dwalen richting wat levendigere biotopen als rockabilly en eerder traditioneel opgevatte country. Die beide genres bepalen hier naast verder onder andere ook pop en folk de klankkleur. Al zijn het bij nader inzicht toch vooral Charles’ hoogst apart aandoende warme baritonstem en zijn bevreemdende manier om zijn akoestische te betokkelen, die bepalend zijn voor de overrompelende totaalindruk die “Back At Your Door” achterlaat. Vreemd, hoe iemand die zo omzichtig te werk gaat je zo kan overdonderen… Devon Sproule, die Matty’s liedje “Steady & True” bracht op haar recente “Live In London”, vat het mooi voor ons samen: “I didn’t know they still made voices like Matty’s until I heard it. What’s even rarer is such a voice combined with such a writing talent… it blows me away every time!” De hier eerder vermelde optredens zijn voor liefhebbers van kwaliteits-Americana met andere woorden niets minder dan een regelrechte must!
Matty Charles, Lucky Dice Music
OLD CALIFORNIO “Sundrunk Angels” (Californio Records / Sonic Rendezvous)
(4****)
“Sundrunk Angels” is ondertussen ook alweer het derde album in het al bij al nog eerder prille bestaan van Old Californio. En het vanuit Pasadena resoluut aan de weg richting een wat ruimere naambekendheid timmerende kwintet rond zanger-songmid Rich Dembowski gaat op die wat ons betreft een loepzuivere muzikale hattrick vervolledigende schijf gelukkig gewoon onverminderd verder z’n gekende eigenzinnige gangetje. Verstikkend muzikaal hokjesdenken is er voor deze vijf getalenteerde Yanks duidelijk niet bij. Wie ten volle van hun muziek wil kunnen genieten, zal te allen tijde eclectisch ingesteld moeten zijn én blijven. Een boon hebben voor ondermeer (roots)rock, country, folk en aan de hoogdagen van collectieven als The Byrds herinnerende (licht) psychedelische en kosmische toestanden is hier absoluut een must. Al vertellen we er wel graag bij, dat het op de keper beschouwd wel een aardig eindje vooruit helpt, dat “Sundrunk Angels” gewoon proppensvol staat met heerlijk melodieus uitvallende deunen, waarin het sprankelende gitaarwerk van Woody Aplanalp, de soulvolle B3-bijdragen van toetsenist Levi Nuñez en drie tot vier fraai harmoniërende stemmen elk op hun beurt mogen zorgen voor een zekere muzikale meerwaarde. Onze onverbintelijke luistertips: het deluxe-rockertje “Learn To Cheat”, het sfeergewijs nadrukkelijk naar de late sixties lonkende “Better Yet”, het louter gevoelsmatig ergens in de buurt van de jonge Jayhawks strandende “Dark Fire”, het atmosferische titelnummer en het op heerlijk onvoorspelbare wijze aan zijn kettingen snokkende “Allon Camerado”. Aan de promo-pen van dienst ontlokten liedjes als deze en andere de vindingrijke omschrijving “experimenteel snoepgoed voor luistergrage oren” en daar valt ons inziens absoluut wat voor te zeggen ook.
Old Californio, Sonic Rendezvous
ERNEST TROOST “Live At McCabe’s” (Travelin’ Shoes Records)
(4****)
“Kerrville New Folk Winner” waarschuwt een opvallend stickertje op het hoesje van “Live At McCabe’s” van singer-songwriter Ernest Troost en daarmee zouden “vaste klanten” van deze pagina’s eigenlijk al meer dan genoeg moeten weten. Laureaten van die gerenommeerde wedstrijd blijken immers steevast echte toptalenten. En dat is in het geval van Troost zeker niet anders. Het op 8 januari van vorig jaar op de bühne van de hem ooit tot een bestaan als songsmid geïnspireerd hebbende McCabe’s Guitar Shop in Santa Monica ingeblikte derde album van Troost biedt naast een ruime selectie aan populaire deuntjes van zijn beide vorige platen “All The Boats Are Gonna Rise” en “Resurrection Blues” ook een zevental nieuwe songs. Veelal folky en bedaard bluesy akoestisch materiaal, waarin eenvoud nog volop regeren mag. Met zachte stem en vaste hand en begeleid door een stel begenadigde muzikanten uit L.A. en omstreken (Met een speciale vermelding voor de vocaal regelmatig een prominent plaatsje voor zichzelf opeisende Nicole Gordon!) vertelt Troost daarin op veelal eerder intimistische wijze zijn vrijwel zonder uitzondering tot de verbeelding sprekende verhalen. En voor ons betekende dit album dan ook niets minder dan een echte openbaring!
AMELIA WHITE “Beautiful And Wild” (Proper / Rough Trade)
(4,5*****)
Met “Beautiful And Wild” meldt Amelia White zich naar onze bescheiden mening op bepaald indrukwekkende wijze terug. Haar inmiddels toch ook alweer vijfde studioplaat is er één van het soort dat met name fans van enigszins vergelijkbare acts als een Lucinda Williams, een Mary Gauthier en een Patty Griffin zich eigenlijk gewoon blind kunnen aanschaffen. “They’re in for a real treat!” Met tien eigen nieuwe liedjes voornamelijk cirkelend rond de thema’s verlies en “foute liefdes” en een werkelijk verbluffend mooie atmosferische Americana-cover van de Roxy Music-hit “More Than This” streelt White ruim drieënveertig minuten lang de zinnen. Topmomenten werkelijk zat hier! Zo vermelden we naast de net al even genoemde door Bryan Ferry en co aangedragen vreemde eend in de bijt bijvoorbeeld graag ook nog “Mercy”, een fraai rootspopduet met collega-songsmid A.J. Croce, het titelnummer, een buitengewoon pakkend liedje dat White schreef naar aanleiding van het overlijden van haar ook hier op handen gedragen mentor Duane Jarvis, en zeker ook nog het afsluitende trio “Madeline”, “Saint Christopher” en “Rider Ghost”. Voor de productie van al dat moois tekende de ondermeer ook van zijn werk voor Patty Griffin bekende Marco Giovino. En hij was het naar verluidt ook, die met onder anderen stergitarist Doug Lancio en de dezer dagen schijnbaar alomtegenwoordige McCrary Sisters enkele voor de klankkleur van “Beautiful And Wild” uitermate bepalende factoren wist te strikken.
THE LITTLE WILLIES “For The Good Times” (Milking Bull Music / EMI)
(4****)
Ruim vijf jaar na hun titelloze eersteling samen hebben Lee Alexander (bas), Jim Campilongo (gitaar), Norah Jones (zang en piano), Richard Julian (zang en gitaar) en Dan Rieser (drums) eindelijk weer eens de tijd gevonden om met elkaar de muzikale koffer in te duiken. En net als indertijd in 2006 levert dat weer een echt plaatje van een plaat op. Eén die nog duidelijker dan “The Little Willies” stelt: “Wij houden echt van traditionele country!” En dat wordt ons duidelijk gemaakt aan de hand van vertolkingen van materiaal van onder anderen Ralph Stanley (“I Worship You”), Loretta Lynn (“Fist City”), Willie Nelson (“Permanently Lonely”), Johnny Cash (“Wide Open Road”), Kris Kristofferson (“For The Good Times”), Lefty Frizzell (“If You’ve Got The Money I’ve Got The Time”) en Dolly Parton (“Jolene”). Deze en andere covers dulden slechts één enkele vreemde eend in de bijt en dat is het dartele, door Jim Campilongo aangedragen “Tommy Rockwood”. Speels klinkt trouwens zo ongeveer alles hier. Je hoort heel erg duidelijk, dat “La Jones” en haar maten hun plezier niet op konden tijdens de opnames van “For The Good Times”. En dat werkt uitermate aanstekelijk! Met “For The Good Times” wordt het hartje winter eensklaps al een beetje lente…
PAUL CURRERI “The Big Shitty” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Vier dagen volstonden naar verluidt voor de dezer dagen met zijn hier al wat bekendere wederhelft Devon Sproule vanuit Berlijn agerende Amerikaanse singer-songwriter Paul Curreri om met zijn achtste cd “The Big Shitty” op de proppen te komen, maar dat valt er absoluut niet aan te horen. De tien songs die Curreri er ons op voorschotelt klinken allesbehalve als inderhaast in elkaar geflanst materiaal, wel integendeel! Zonder uitzondering sterke liedjes zijn het, opgehangen aan doordachte melodieën, pittig elektrisch gitaarwerk en messcherpe zangpartijen. Behoorlijk rockgetint door de band genomen, maar her en der ook met uitstapjes richting andere muzikale oorden. Zoals in “Juju” bijvoorbeeld, waarin country en tropicalia elkaar innig omarmen, of in “Poor Little Motorbike”, dat zich gewillig laat meevoeren op een zondermeer funky aandoende groove. Met als mooiste tussenstops naar ons gevoel de heerlijke trage “The South Tip”, waarin ook Sproule klarinetgewijs haar duit in het zakje komt doen, en de meer gesproken dan gezongen afsluiter “Who Got Gang?”, nog zo’n funky opgevat streepje rock fun. Wie het allemaal graag wat excentrieker mag hebben komt hier zeker aan zijn trekken!
Paul Curreri, Tin Angel Records, Sonic Rendezvous
STEPHEN DAVID AUSTIN “A Bakersfield Dozen” (Stephen David Austin)
(3,5****)
Stephen David Austin combineert op “A Bakersfield Dozen” als het ware het beste van twee werelden. Met name zijn teksten blijken van bijzonder fijne makelij. Sterke staaltjes van storytelling zijn het, waarmee hij naar onze bescheiden mening bij momenten moeiteloos aansluiting vindt bij eigen idolen als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Steve Earle en een Dave Alvin. Alleen verpakt hij die schrijfsels van ‘m graag op een andere manier. En wat dat betreft vormt de titel van de plaat hier met enige regelmaat een ideale indicatie. Austin blijkt immers een grote fan van de ooit door knapen als Buck Owens, Tommy Collins en Merle Haggard groot gemaakte Bakersfield Sound. En die tracht hij op zijn eerste cd geregeld naar het hier en nu te vertalen. Dat is bijvoorbeeld nogal nadrukkelijk het geval in het swingende “Best Ex I Ever Had” en “The Day Buck Owens Died”. Elders gaat hij dan weer eerder voor een sterk traditioneel aandoend old-time string band-geluid (de Lennon & McCartney-cover “Baby’s In Black”), een pure singer-songwriter-aanpak (“The Cage”) of zelfs country- en rootsrock (“Kansas Ain’t Kansas Anymore” en “The Fat Kid”). Het resultaat van dat alles is een op z’n minst interessant te noemen geheel, waaraan ondermeer Skip Edwards, Brantley Kearns, Shawn Nourse, Teresa James, Marty Rifkin en Paul Marshall maar wat graag hun medewerking verleenden.
CAROLYN WONDERLAND “Peace Meal” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(4****)
Ook op haar achtste album, haar debuut voor het Duitse Blue Rose Records “Peace Meal”,laat Carolyn Wonderland weer niets aan het toeval over. Onder de productionele hoede van Ray Benson, Sam Seifert, Larry Campbell en een enkele keer ook Michael Nesmith verkent ze op de van haar ondertussen welbekende passionele wijze andermaal de schemerzone tussen blues en roots. Zes eigen nieuwe songs illustreren daarbij perfect haar zich nog voortdurend volop ontwikkelende talenten als songschrijfster. Ondermeer het met een snuifje boogie op smaak gebrachte en door de McCrary Sisters van gospeleske backing vocals voorziene “Only God Knows When”, de soulvolle bluesrocker “Victory Of Flying” en het bedaard de feestelijkheden hier afsluitende streepje deluxe-Americana “Shine On” konden dan ook vrijwel meteen onze goedkeuring wegdragen. Voorts ook een prima, haar stem werkelijk helemaal op het lijf geschreven Janis Joplin-cover (“What Good Can Drinkin’ Do”), een even verbluffende als zwierige uitvoering van Elmore James’ en Robert Johnsons “Dust My Broom”, een rootsy lezing van Samuel Smiths “I Can Tell” (Zie ondermeer ook Bo Diddley!), een aanstekelijke, aardig funky aandoende benadering van Muddy Waters’ “Two Trains” en eigenzinnige interpretaties van Dylans “Meet Me In The Morning” en “Golden Stairs” van Grateful Dead-mannen Robert Hunter en Vince Welnick. Allemaal samen goed voor net geen eenenvijftig minuten blues & roots-plezier van de bovenste plank en van hier uit warm aanbevolen aan fans van andere, een stuk gerenommeerdere dames als de al genoemde Janis Joplin, Bonnie Raitt en Susan Tedeschi.
Carolyn Wonderland, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous
THE SEAN CHAMBERS BAND “Live From The Long Island Blues Warehouse” (Blue Heat / Sonic Rendezvous)
(4,5*****)
Heel wat van mijn favoriete blues(rock)platen zijn live-registraties. Niet onlogisch eigenlijk, als je in rekening brengt, dat nogal wat in dat genre actieve artiesten er maar niet in slagen om de bezieling die ze in hun live performances steken ook naar hun studiomateriaal te vertalen. En dus keek ik ook met meer dan gemiddelde belangstelling uit naar “Live From The Long Island Blues Warehouse”, de vierde van het in Florida geboren en getogen gitaarfenomeen Sean Chambers en z’n band. En volkomen terecht ook, zo blijkt nu. De zoals al wel langer geweten overduidelijk door Jimi Hendrix, Stevie Ray Vaughan, Johnny Winter en Albert King beïnvloede gitaarbeul geeft hem daarop tien nummers lang bijzonder gepassioneerd van jetje. De manier waarop hij zijn snaren laat spreken grenst bij momenten echt aan het ongelooflijke. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het funky “Dixie 45”, naar het stuiterende “Love Can Find A Way”, naar zijn gloedvolle lezing van Fred James’ “Full Moon On Main Street”, een al even pakkende, ronduit stomende benadering van Elmore James’ “Dust My Broom”, de zijn titel alle eer aandoende “Hip Shake Boogie” en vooral ook de magistrale afsluiter “In The Winter Time” en je zal meteen begrijpen, waar ik met die uitspraak op aanstuur. Hoe aangrijpend ’s mans schorre (schreeuw)zang bij momenten ook moge zijn, het is toch vooral zijn “string talk” die het hem doet. Daar kan je absoluut niet omheen! Geen wonder, dat het gerenommeerde Britse tijdschrift “Guitarist Magazine” hem zonder verpinken al tot de beste vijftig bluesrockgitaristen ooit rekende. Eigenlijk doe je Sean Chambers daarmee wat mij betreft zelfs nog flink tekort…
Sean Chambers, Sonic Rendezvous
BEN LEE “Deeper Into Dream” (Lojinx / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
“Deeper Into Dream”, het nieuwe album van de in Amerika residerende Australische singer-songwriter Ben Lee, wordt op gang getrapt met een spoken word track, waarin tal van anderen het over hun dromen hebben. In het meteen daaropvolgende titelnummer maakt de artiest ons duidelijk waarom dat zo is. “Have you ever woken from a dream and convinced yourself you remember it in the morning?”, vraagt hij zich luidop af, op die manier zijn uitgangspunt voor de reeks nog volgende liedjes blootleggend. Daarin gaat hij immers daadwerkelijk op zoek naar de kracht van dromen. Op heerlijk openhartige wijze tracht hij te verwoorden wat er zo al in zijn onderbewustzijn omgaat. En dat doet hij als vanouds in beklijvende (roots)popliedjes. Gezegend met bij momenten weer erg straffe melodieën, die zijn bewering niet meer in hits geïnteresseerd te zijn zo goed als volledig logenstraffen. We noem in dat verband bijvoorbeeld graag het net niet in een overvloed aan ideeën verzuipende “Get Used To It”, het effectief dromerig opgevatte “Lean Into It” en vooral ook de knappe trage “Glue”. Dat soort van liedjes maakt van Lee al sinds jaar en dag een echt blijvertje. Een op de keper beschouwd even diepzinnig als mooi geheel!
LINCOLN DURHAM “The Shovel (vs) The Howling Bones” (Lincoln Durham)
(5*****)
Een veel betere manier om het Americana-jaar 2012 mee op gang te trappen hadden we ons nauwelijks kunnen voorstellen. Wat een geweldige plaat, deze nieuwe van de jonge Texaan Lincoln Durham! “Ear Candy” van het allerlekkerste soort! In een productie van collega Ray Wylie Hubbard en de al even gerenommeerde George Reiff en met verder ook de nodige studiohulp van onder anderen Derek O’Brien (gitaar), Rick Richards (drums en percussie), Jeff Plankenhorn (mandoline) en Bukka Allen (accordeon en toetsen) legt Durham de lat meteen erg hoog voor allen, die dit jaar na hem nog platen zullen afleveren. Heerlijk gruizig uithalend presenteert hij ons elf lappen veelal in swamp en blues rock gedrenkte Americana. Rauw, lekker “down to earth” allemaal! Met zo nu en dan gelukkig ook wel eens wat tijd en ruimte voor een wat ingetogener noot. De knappe trage “Clementine” is er zo bijvoorbeeld eentje. Daarin toont Durham zich tegen wat rustig akoestisch gitaargepingel van Ray Wylie Hubbard en een melancholische pianobijdrage van Bukka Allen aan van een wat bedaardere kant. Maar evengoed met ronduit bloedmooie gevolgen! Andere veritabele topmomenten hier: het enigszins funky uit de hoek komende “Mud Puddles”, het Zuiders lijzig rockende “Reckoning Lament”, het ook al ongemeen sfeervolle “How Does A Crow Fly”, de klassieke rockstamper “Love Letters” en vooral ook de aflsuitende sleper “Trucker’s Love Song”. Met songs van dat kaliber doet Durham eigenlijk gewoon nu al een gooi naar een prominente stek in onze jaarlijst van 2012…
WHITEHORSE “Whitehorse” (Six Shooter Records / Lucky Dice Music)
(4****)
Of het hierbij een eenmalige samenwerking, dan wel een vereniging van wat blijvendere aard betreft, is ons vooralsnog één groot raadsel. Wat we na het beluisteren van “Whitehorse” echter al wél zeker weten, is dat echtelieden Luke Doucet en Melissa McClelland, beiden door ons erg gewaardeerde Canadese singer-songwriters, in de toekomst wat ons betreft graag wat meer de handen in elkaar mogen slaan. Hun eersteling samen is immers een verbluffend knappe plaat geworden. Hoogst bevreemdend bij momenten, levend vooral van haar enigszins aparte sfeerschepping, maar bovenal geweldig. Tussen de enigszins etherisch aandoende intro “Eulogy For Whiskers” en zijn gelijknamige outro-wederhelft treffen we zes “echte” songs aan. Drie daarvan blijken nieuw. De opvallendste twee daarvan zijn de op eigenwijze manier de aanpak van het duo Welch en Rawlings met die van acts als pakweg Wilco, Whiskeytown of de Drive-By Truckers versmeltende “Killing Time Is Murder” en het vooral door de heerlijke samenzang van Doucet en McClelland en een al even zalig twangende gitaar in niet geringe mate richting de late sixties lonkende “Emerald Isle”. Voor “Passenger 24” en “Broken” moeten we dan weer terug in de tijd. Naar respectievelijk McClellands “Thumbelina’s One Night Stand” uit 2006 en Doucets “Broken (And Other Rogue States)” van twee jaar geleden. Beide nummers krijgen hier wel een ander kleedje aangemeten. En van “Broken” werd zelfs de tekst flink aangepast, zo blijkt. En – Eerlijk is eerlijk! – slechter zijn ze er geen van beide van geworden. Ook heel leuk: de speelse Springsteen-cover “I’m On Fire” en vooral ook de quasi gecroonde trage “Night Owls”. In dat laatste deuntje hoor je pas echt goed, hoe fraai de stemmen Doucet en zijn wederhelft eigenlijk wel samengaan. Erg, erg mooi!
Whitehorse, Six Shooter Records, Lucky Dice Music
HANK SHIZZOE “Live At The Blue Rose Christmas Party 2010” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Elk jaar weer, ergens kort voor Kerstmis, bedankt Blue Rose Records-labelbaas Edgar Heckmann de getrouwen van één of meerdere van zijn beschermelingen met een alleraardigst feestje. En zo ook in 2010. Toen traden op 11 december in het Bürgerhaus Böckingen in Heckmanns thuishaven Heilbronn respectievelijk lokale helden Westwood, singer-songwriter Julian Dawson, het Texaanse collectiefje Micky & The Motorcars en de naar onze bescheiden mening nog steeds zwaar onderschatte Zwitserse rootsrocker Hank Shizzoe op. En van het optreden van die laatste en zijn tweekoppige band verscheen onlangs, ook al naar goede Blue Rose-gewoonte, ook een blijvend aandenken. In het gezelschap van bassist Felix Müller en drummer Christoph Beck horen we Shizzoe – echte naam Thomas Erb – daarop voor een behoorlijk rockgeoriënteerde set opteren. Ideaal spul om de ambiance daar in Heilbronn indertijd wat mee aan te zwengelen! En dat lukte de heren dan ook spelenderwijze. De vele aanwezigen genoten duidelijk met volle teugen van de zompige rootsrock- en Americana-escapades van de grofgevooisde Zwitser en zijn vaardige secondanten. Uiteraard met nog wel de nodige ruimte voor wat het eigen verleden reflecterend bluesgeweld op z’n tijd en al even vanzelfsprekend de sublieme slide van Shizzoe himself. Goed voor net geen uur muzikaal vuurwerk met als voornaamste blikvangers de ronduit heerlijke “valse trage” “Oh So Near”, je wellicht nog wel bekend van ’s mans cd “Low Budget”, de supersappige David Lindley-cover “When A Guy Gets Boobs”, het hypernerveus gebrachte “Caught Asleep” en een het nodige stof doen opwaaiende lome sleeprockversie van “Prettyhead” van ZZ Top. Straf spul zondermeer!
Hank Shizzoe, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous
MARK VIATOR & SUSAN MAXEY “These Arms” (Rambleheart Records)
(4,5*****)
Al schrijvend voor Ctrl. Alt. Country e-zine stootte ik door de jaren heen op zo menig een parel, die anders wellicht gewoon aan mijn aandacht ontsnapt zou zijn. Zo herinner ik me bijvoorbeeld nog heel goed, hoe ik in april 2003 compleet van mijn sokken geblazen werd door “Bayou Têche” van de mij voorheen volslagen onbekende Mark Viator. In mijn bespreking van dat kostbare kleinood gewaagde ik toen al van een echt blijvertje. En die woorden kan ik nu, ruim acht jaar later, enkel volmondig beamen. Ik vind “Bayou Têche” nog steeds een dijk van een plaat en ik blijf ze derhalve nog regelmatig draaien ook. En geloof me, dat is gezien het volume aan nieuw materiaal, dat ik wekelijks te verwerken krijg, absoluut niet zo vanzelfsprekend. Ik heb dan ook echt met hangende pootjes zitten wachten op nieuw materiaal van Viator. Maar die nam daar jammer genoeg ruimschoots zijn tijd voor. Pas onlangs stootte ik, wederom compleet onverwacht, eindelijk op wat nieuws van ‘m. Ditmaal in samenwerking met muzikale partner Susan Maxey. Samen met haar dook hij de Rambleheart Studio in Austin in voor wat akoestische vertolkingen van nieuwe songs en oude favorieten. Dat was althans aanvankelijk het plan. Gaandeweg kwamen er echter steeds meer getalenteerde muzikale vrienden van het tweetal voorbij en van dat spaarzaam aangeklede setje kwam uiteindelijk niets meer in huis. Ondermeer Jim Stringer (elektrische gitaar), Chip Dolan (orgel), Jane Gillman (mondharmonica), T. Jarrod Bonta (piano) en Slaid Cleaves (zang) kwamen een duit in het zakje doen. En dat resulteerde in wat ik opnieuw een bescheiden meesterwerkje zou willen noemen. Een album, dat zich zonder schroom laat aanbevelen aan elke liefhebber van Texaanse rootsmuziek, of ruimer genomen, van Americana tout court. Wie van dat laatste genre houdt, zal zeker in zijn nopjes zijn met een aantal hier door het duo Viator-Maxey gecoverde nummers. Met name hun met Slaid Cleaves gedeelde lezing van de Hank Williams-klassieker “I’m So Lonesome I Could Cry” is echt bloedmooi. Ik zou zelfs zo ver durven te gaan om het de mooiste versie te noemen, die ik daarvan al hoorde. En dat wil al iets zeggen! Ook heel erg fraai: vertolkingen van Kate Wolfs “Across The Great Divide”, Robert Earl Keens “I Would Change My Life” en Thad Beckmans “Where Do I Belong” en eigen songgoed als het heerlijk swingende “Ain’t Going Back”, het ondermeer door pittig slidewerk Viators in Louisiana liggende roots verradende “By The Riverside”, het verstilde “These Arms” en het lang niet enkel titelgewijs weer richting cajun wijzende “Queen Of The Bayou”.
(Van Viator verscheen onlangs overigens ook nog een tweede nieuwe cd. Die is echter van een geheel andere orde. Daarop beperkt de beste man zich immers tot het brengen van zelf gepende instrumentaaltjes. Sfeervol rootsy spul, dat wel, maar ditmaal met in de hoofdrol de eigen akoestische. “Wire & Wood” groeit daardoor uit tot de als het ware perfecte soundtrack voor zomerse valavonden in aangenaam gezelschap op zwoele Zuiderse veranda’s.)
Mark Viator, CD Baby “These Arms”, “Wire & Wood”
LANCE LOPEZ “Handmade Music” (MIG-Music / Suburban)
(4****)
Ondanks het feit, dat de beste man al een hele resem platen op zijn actief blijkt te hebben, betrof het hier voor mij een eerste kennismaking met Lance Lopez. En ik moet zeggen, die smaakt volop naar meer! In de categorie bluesrock moet dit immers zowat de beste plaat zijn, die ik dit jaar voor de kiezen kreeg. Onder de productionele hoede van Jim Gaines, bekend van zijn werk met onder anderen Stevie Ray Vaughan, Carlos Santana, George Thorogood, Steve Miller en John Lee Hooker, toog Lopez ervoor richting de vermaarde Ardent Studios in Memphis, Tennessee. En daar gaf hij ‘m serieus van jetje! In een klassieke triobezetting met naast hemzelf verder ook nog bassist Chris Gipson en drummer-percussionist Jimmy Dereta van dienst knalt Lopez doorheen twaalf staaltjes fijne “Handmade Music”. Qua inventiviteit komt hij daarin regelmatig dicht in de buurt van wijlen Jimi Hendrix, qua vingerlenigheid in die van de hoger al even genoemde Vaughan. Andere vergelijkingspunten voor het hier door deze geweldige axe man-shouter geleverde vormen Cream en ZZ Top. Met dat laatste collectief heeft hij een zich hier en daar manifesterende voorliefde voor “boogie Texas style” gemeen. De hoogtepunten, vroeg u? Dat zijn naar mijn bescheiden mening het werkelijk retestrak rockende “Come Back Home”, de heerlijk soulvolle power ballad “Dream Away”, het lekker vet “struttende” “Your Love”, de sfeervolle instrumentale “Vaya Con Dios” en de naar veelvuldig gebruik tijdens de late uurtje solliciterende sleper “Lowdown Ways”. Dit horen is het ongetwijfeld ook kopen!
THE STEEL WHEELS “Live At Goose Creek” (Goose Creek Music)
(4****)
Hun vorig jaar verschenen debuutalbum “Red Wing” was al een heuse voltreffer en dat geldt ook weer voor deze concertregistratie. De vanuit de vermaarde Blue Ridge Mountains actieve Steel Wheels bevestigen daarmee daadwerkelijk alle goeds, wat al naar aanleiding van die eersteling over hen werd verkondigd. En ze bewijzen zich daarenboven ook nog eens ten volle als live act. In Trent Wagler blijken ze een even charismatische als sterke frontman aan boord te hebben, Jay Lapp is ronduit excellent op mandoline en gitaren en Brian Dickel en Eric Brubaker doen zoveel meer dan alleen maar hun duit in het zakje op respectievelijk bas en fiddle. Zo goed als hun volledige debuut moet er hier aan geloven. Enkel het nummer “Valley” brengen ze daarvan niet. Maar daar staat dan wel tegenover, dat enkele andere nummers aan de set werden toegevoegd. Zo stoten we hier bijvoorbeeld ook nog op de medley “Blueridge Mtns / Honey Bear / Hangman’s Reel” en fraaie lezingen van de traditionals “The Cuckoo” en “Spike Driver”. Gebracht in het verlengde van wat we ondermeer van acts als de Avett Brothers en Old Crow Medicine Show gewend geraakt zijn: Americana, nogal nadrukkelijk gebaseerd op old-time country en bluegrass, maar evenzeer met her en der een blues-, ja zelfs rockrandje. Zonder ook maar de minste schroom traditionele waarden verheerlijkend, het hier en nu daartoe echter absoluut niet verwaarlozend. Heerlijk energiek, altijd intens en niet zelden terugvallend op piekfijne samenzang. Warm aanbevolen derhalve ook!
THE FOLK SURVIVAL CLUB “I Believe In Rock & Roll” (CRS / Munich)
(4,5*****)
In het verleden verdiende Ad van Meurs al ruimschoots zijn sporen als singer-songwriter. De tot ver buiten de Nederlandse landsgrenzen reikende reputatie van The Watchman is daarvan een stille getuige. Dezer dagen neemt diezelfde van Meurs echter genoegen met een eerder dienende rol. Binnen The Folk Survival Club zijn het vooral Ankie Keultjes en Marjan Cornille, die de aandacht opeisen. Hun heerlijke stemmen zijn het immers, die je naar binnen zuigen in het wonderlijke muzikale universum van de groep. Ook op “I Believe In Rock & Roll”, de opvolger van hun knappe debuut “Break Of Dawn”, weer. Voor de opnames daarvan trok het drietal richting The Cowboy Arms Hotel & Recording Spa, de ondertussen volledig afgebrande studio van de legendarische Cowboy Jack Clement, een goede vriend van van Meurs, in Nashville, Tennessee. Met de hulp van vaste begeleiders Theo Wijdeven (bassen) en Eric van der Lest (drums), Johan Jansen (pedal steel) en andere, flink wat bekendere gasten als Glen Duncan (mandoline en viool), Carrie Rodriguez (eveneens viool) en Gene Williams (diverse gitaren en bas) blikte men daar een negental van Meurs-originelen en covers van “Wildwood Flower” van de Carter Family, “I Guess Things Happen That Way” van Clement en Natalie Merchants “Motherland” in. Met wederom hemeltergend mooie resultaten tot gevolg! Het veelal eerder bedaard aandoende materiaal biedt Keultjes en Cornille volop de gelegenheid om vocaal te excelleren. En die kans laten ze niet liggen ook! Hun samenzang zorgde hier alvast vrijwel voortdurend voor het nodige kippenvel. Dit is ontroerend en meeslepend tegelijk! Zijn de liedjes van van Meurs an sich al beklijvend, dan tillen de stemmen van Keultjes en Cornille ze enkel naar een nog hoger niveau. Ze kloppen er als het ware mee op de poorten van de Americana-hemel. Zo goed, vroeg je? Zo goed, inderdaad! Werkelijk alles klopt hier als een bus. Bloedmooi gewoon! Niet enkel één van de beste Neder-Americana-platen van het jaar, neen, gewoon één van de beste Americana-albums van het jaar tout court. Tenzij u liever de term folk gebruikt natuurlijk, want ook die is hier bij tijd en wijle zeker op z’n plaats…
The Folk Survival Club, Continental Record Services
JEFFREY FOUCAULT “Cold Satellite” (Continental Song City / CRS / Munich)
(4****)
Alweer een nieuwe Jeffrey Foucault? Ja en neen… Ja, omdat zijn naam nu wel degelijk als maker ervan op het artwork van “Cold Satellite” prijkt. Neen, omdat dit schijfje eigenlijk al zo’n jaar geleden voor het eerst opdook. Toen nog gewoon onder de projectnaam Cold Satellite. Via een speciaal daartoe ontworpen webstek was het korte tijd beschikbaar. En nu duikt het op Continental Song City dus eindelijk weer terug op. “Cold Satellite” is geen normaal Foucault-album. Het betreft een nogal in het oog springende samenwerking met het aanstormende Amerikaanse dichterstalent Lisa Olstein. Al in de winter van 2007 speelde zij Foucault een aantal niet eerder verschenen gedichten en fragmenten daarvan door. Die ging daarmee creatief aan de slag en zette er muziek onder. Muziek, die beduidend meer rockgetint is dan zijn overige werk. Samen met onder anderen Billy Conway (Morphine, Twinemen) op drums, Jeremy Moses Curtis (Booker T) op bas, zijn maatje David Goodrich op elektrische gitaren en de in en om Nashville een uitstekende reputatie als sessiemuzikant genietende Alex McCollough op pedal steel grijpt Foucault hier regelmatig terug naar de aanpak van acts als Crazy Horse en de Faces. Of dit nu wil zeggen, dat je hier als liefhebber van ‘s mans eerdere werk maar beter van af kan blijven? Zeker weten niet! Country, Americana, blues, R&B en rock worden ook hier immers weer op ingenieuze wijze met elkaar verweven. Alleen is het zo, dat de nadruk daarbij net wat meer dan normaal op het laatste van die vijf elementen komt te liggen. Het resultaat is echter andermaal een ijzersterke collectie liedjes!
Jeffrey Foucault, Continental Record Services
MARIA MULDAUR “Steady Love” (Stony Plain / CRS / Munich)
(4****)
Maria Muldaur heeft door de jaren heen al heel wat geweldige platen afgeleverd, maar helaas ook al een flink stel kwalitatief gezien wat mindere. En dus is de vraag naar aanleiding van elke nieuwe worp van haar opnieuw: wat zal het deze keer worden? Maar wees gerust, met “Steady Love” zit het weer allemaal goed. Voor die plaat keerde Muldaur terug naar New Orleans, alwaar ze met flink wat lokale klasbakken de studio indook. We noemen in dat verband ondermeer leden van The Subdudes en de begeleidingsgroepen van de Neville Brothers en Boz Scaggs, alsook haar de voorbije jaren ook zelf flink furore makende dochter Jenni en Rick Vito van Fleetwood Mac. Het resultaat is een uitermate energiek blues & roots-geheel, bulkend van de soul en vol met instant classics. De schokschouderende swamprocker “I’ll Be Glad” bijvoorbeeld meteen al, het op z’n NOLA’s met blues stoeiende “Why Are People Like That?”, het nerveus met de kont schuddend z’n titel echt alle eer aandoende “Soulful Dress”, het over een lome bluesgroove neergelegde “Blues Go Walking”, het uit gelijke delen gospel, R&B en rock & roll opgetrokken “As An Eagle Stirreth In Her Nest” en het zich onderkoeld funky presenterende bluespareltje “Rain Down Tears” zeker ook. En dan vergaten we nog bijna het titelnummer. En dat is misschien wel het allermooiste liedje van allemaal hier. Soul New Orleans style! Met Muldaur zelf in vocale bloedvorm, een heerlijk orgeltje op de achtergrond, dito koperwerk en ook weer bijzonder pittig gitaarwerk. Zo horen we “diva Maria” eigenlijk gewoon het allerliefst!
Maria Muldaur, Continental Record Services
MY DARLING CLEMENTINE “How Do You Plead?” (Drumfire Records)
(5*****)
Wat een ongelooflijk mooie plaat! Voor “How Do You Plead?” sloegen de Britse singer-songwriter Michael Weston King en zijn wederhelft Lou Dalgleish voor het eerst de handen in elkaar. Samen tekenen ze voor een plaat, die ongegeneerd teruggrijpt naar de hoogdagen van het countryduet. Naar het fijnste van illustere duo’s als George & Tammy, Porter & Dolly en Johnny & June met andere woorden. Daarbij bijgestaan door de ondermeer van zijn werk met Nick Lowe en Tift Merritt bekende producer Neil Brockbank en met verder ook de nodige studio-hand-en-spandiensten van ondermeer Martin Belmont (gitaar), Geraint Watkins (piano en orgel), Kevin Foster (bas), Alan Cook (pedal steel), Bob Loveday (viool) en Bobby Irwin en Jim Russell (beiden drums) evoceren ze met dertien eigen nummers die gouden dagen van weleer. Een echt “labour of love”! Dertien “songs of love, separation, bitterness and acrimony”, die je als luisteraar in zekere zin een voyeuristisch trekje verlenen. Ze maken je immers deelachtig aan wat er achter gesloten deuren en gordijnen tussen twee mensen gebeurt. En dat levert zo menig een topmoment op! De slows “Put Your Hair Back” en “The Other Half” bijvoorbeeld. Bij dat soort van meeslepende liedjes de zakdoek droog houden is welhaast onmogelijk. Maar ook wat vlottere dingen als het bedaard countryrockende “Nothing Left To Say” of de soulvolle “valse trage” “Going Back To Memphis” gaan er hier in als zoete koek. En wij hopen dan ook nu al, dat het hier binnenkort niet om een eenmalige gebeurtenis zal blijken te gaan. Graag nog veel meer van dat!
Michael Weston King / My Darling Clementine, Drumfire Records
CROOKED STILL “Friends Of Fall” (Signature Sounds / CRS / Munich)
(4****)
Elders op deze pagina laten wij er absoluut geen twijfel over bestaan, wie naar onze bescheiden mening sinds jaar en dag de beste Ierse folkzangeres is: Mary Black en niemand anders. Maar anders zouden de kaarten hebben gelegen mocht Black in de States hebben geleefd en gewerkt. Dan zou ze immers aan Crooked Still-sirene Aoife O’Donovan een te duchten concurrente hebben gehad. Wat een geweldige stem heeft die toch! Alles wat ze aanraakt, verandert terstond in goud! Zo ook weer op “Friends Of Fall”, de zeven tracks tellende EP, waarmee zij en haar kompanen momenteel een sabbatjaar inluiden. Daarop stoten we naast op nummers van banjogeweldenaar Greg Liszt en O’Donovan zelf voornamelijk op covers. “We Can Work It Out” van The Beatles, “Morning Bugle” van John Hartford, de traditional “When Sorrows Encompass Me ‘Round”, “Pretty Bird” van Hazel Dickens en “American Tune” van Paul Simon worden door de groep probleemloos naar zich toe getrokken. In elk van die liedjes verleggen ze op de van hen ondertussen welbekende manier de grenzen van het bluegrassgenre. Met als absolute hoogtepunt een werkelijk door merg en been gaande net niet a capella-versie van Hazel Dickens’ “Pretty Bird”. Veel mooier hoor je akoestische “roots music” echt maar hoogst zelden!
Crooked Still, Continental Record Services
MARY BLACK “Stories From The Steeples” (Music & Words)
(5*****)
Als je, zoals Mary Black, al ruim je halve leven lang bewijst de beste zangeres van je land te zijn, dan kan je het je al eens veroorloven om wat meer tijd voor een plaat te nemen. Zes lange jaren verstreken er dan ook sinds “Full Tide”, de laatste studioplaat van de Ierse folkdiva. Tijd, die Black afgaande op de kwaliteit van haar zopas verschenen nieuwe cd “Stories From The Steeples” overigens wel goed besteed heeft. De twaalf nummers daarop behoren immers zondermeer tot het allerbeste wat ze sinds haar titelloze solodebuut uit 1983 al afleverde. Drie daarvan werden aangedragen door haar zoon Danny O’Reilly. Hij is één van de vele jonge Ierse songwriters, die hun nummers hier door Black naar een ongelooflijk hoog niveau getild weten. Een ander opvallend gegeven zijn een aantal duetten. Het meest in het oog springende daarvan is zeker het titelnummer. Daarin deelt Black immers haar stek achter de microfoon met niemand minder dan rockabilly-sensatie Imelda May. Samen tekenen ze voor een liedje dat heel knap het midden weten te houden tussen Americana en pop. Echt wel bloedmooi! Samen met Finbar Furey brengt ze dan weer “Walking With My Love”. En ook dat nummer baadt mede dankzij diens aanstekelijke banjogepingel in een uitgesproken countrysfeertje. Van een geheel andere orde is het derde en laatste duet op “Stories From The Steeples”. Daarvoor wist Black haar gerenommeerde collega Janis Ian te strikken. Met haar deelt ze een ook al wonderschone lezing van Ry Cavanaughs “Lighthouse Light”. En daarvoor mag ontegensprekelijk de omschrijving Americana uit de kast. Iets wat voor wel meer nummers hier geldt trouwens. Blacks nieuwste is zeker geen folkplaat tout court, al zijn er nog ruimschoots voldoende momenten om ook die categorisering deels te rechtvaardigen. “Stories From The Steeples” is op de keper beschouwd echter vooral een adembenemend mooie plaat. Een album, dat hokjesdenken eigenlijk gewoon totaal ongepast maakt. Niet één muziekliefhebber met het hart op de juiste plaats zal immers niet als sneeuw voor de zon smelten bij hartverwarmende beauties van deunen als de sfeervolle anti-oorlogsballade “All The Fine Young Men”, het ook al beklijvende luisterliedje “Steady Breathing” of het eerder poppy ingevulde “The Night Is On Our Side”. En laat ons dan ook vooral maar hopen, dat Black ons op haar volgende worp niet weer een kleine eeuwigheid laat wachten…
SHANE DWIGHT “A Hundred White Lies” (R-Tist Records)
(4****)
Al ruim een decennium lang timmert Shane Dwight als artiest aan de weg richting wat ruimere erkenning. Nog nooit klonk hij daarbij echter beter als op zijn zevende. In het gros van de songs daarop verwerkt de man de recente scheiding van zijn vrouw. Hartzeer als drijfveer dus. En dat werkt meestal wel goed. In het gezelschap van Delbert McClintons begeleidingsgroep Dick50 en met verder ondermeer ook nog gezongen bijdragen namens de lichtjes fantastische McCrary Sisters en Bekka Bramlett en wat harmonicawerk van Mike Henderson verkent hij quasi terloops op zeer gedreven wijze ook de schemerzone tussen blues en roots music. Soul, R&B, tal van bluesvarianten, Southern en roots rock, you name it, the man’s got it! En hoe! Dingen als het ongemeen soulvolle “True Love’s Gone”, het zwierig rockende “Love’s Last Letter”, de met een “Southern accent” opgewaardeerde Old Crow Medicine Show-cover “Wagon Wheel” en de hartverscheurend mooie trage “Broken” zullen naar ons gevoel niet één liefhebber van elk van deze genres onberoerd laten. Moet je dan ook beslist eens naar luisteren, naar deze nieuwe van Dwight. “You’re in for a real treat!” Een geweldige zanger, een uitmuntende gitarist, een prima songsmid!
Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!