




CD-recensies mei 2013
* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.
**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!
Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:
JUDE JOHNSTONE “Shatter” - ANDERS & KENDALL “Wild Chorus” - THE WHIGS “Enjoy The Company” - SLAID CLEAVES “Still Fighting The War” - DIVERSE ARTIESTEN “The Golden Demon, New Songs About Chaos & Transition” - DIVERSE ARTIESTEN “The Beautiful Old, Turn-Of-The-Century Songs” - DAVE ARCARI & THE HELLSINKI HELLRAISERS “Whisky In My Blood” - PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Exota” - THE MERCY BROTHERS “Holy Ghost Power!” - SHANE ALEXANDER “Ladera” - MARIECKE BORGER “Through My Eyes” - NORA JANE STRUTHERS & THE PARTY LINE “Carnival” - GARRETT LEBEAU “Rise To The Grind” - KIM RICHEY “Thorn In My Heart” - DYLAN SNEED “Texodus” - THE STEEL WHEELS “No More Rain” - HANS THEESSINK “Wishing Well” - DIVERSE ARTIESTEN “The Blueprint Sessions, Celebrating The 15th Anniversary of Blueprint” - BUXTON “Nothing Here Seems Strange” - TURNPIKE TROUBADOURS “Goodbye Normal Street” - TIM EASTON “Before The Revolution, The Best Of 1998 - 2011” - STEVE EARLE & THE DUKES (& DUCHESSES) “The Low Highway” - UNCLE LUCIUS “And You Are Me” - POCO “All Fired Up” - FABRIZIO POGGI & CHICKEN MAMBO “Spirit Of Mercy, A Collection” - THE REVOLUTIONAIRES “The Joker Royalé” - HOLLIS BROWN “Ride On The Train” - THE DAUGHTERS OF BLUEGRASS “Pickin’ Like A Girl, The Box Set” - TODD THIBAUD “Waterfall” - PAPER AEROPLANES “Little Letters” - SHOOTER JENNINGS “The Other Life” - BOW THAYER & PERFECT TRAINWRECK “Eden” - SPENCER BOHREN “Tempered Steel” - AMY SPEACE “How To Sleep In A Stormy Boat” - LARRY HOSFORD “Momentarily Yours” - ANDY T - NICK NIXON BAND FEATURING ANSON FUNDERBURGH “Drink Drank Drunk” - RUTH MOODY “These Wilder Things” - QUIET HOLLERS “I Am The Morning” - OLD MAN LUEDECKE “Tender Is The Night” - BART DE WIN “Easy To See” - JOHN PRIMER & BOB CORRITORE “Knockin’ Around The Blues” - NYNKE “Alter” - MELISSA GREENER “Transistor Corazón” - THE LEAVERS “Once Upon A Time” - CARA LUFT “Darlingford” - GOES EN DE GASTEN “Veur ’t zelfste geld” - PHIL ODGERS “The Godforsaken Voyage” - NANCY DUTRA “Time Will Tell” - ARTHUR LEE LAND “Cracked Open” - WAYNE HANCOCK “Ride” - DOUG MACLEOD “There’s A Time” - JAMES HUNTER SIX “Minute By Minute” - GUY DAVIS FEATURING FABRIZIO POGGI “Juba Dance” - DANNY BRYANT “Hurricane” - DALE WATSON AND HIS LONESTARS “El Rancho Azul” - THE PLASTIC PALS “Turn The Tide” - KINKY FRIEDMAN “Kinky Friedman’s Bi-Polar Tour, Live From Woodstock” - DIVERSE ARTIESTEN “Mijn Natuur” - RITA HOSKING “Little Boat” - THE FABULOUS THUNDERBIRDS “On The Verge” - BOZ SCAGGS “Memphis”
JUDE JOHNSTONE “Shatter” (BoJak Records)
(3,5****)
Zó gevarieerd als hier hoorde je Jude Johnstone nog nooit! Vrijwel voortdurend verandert de Amerikaanse liedjesschrijfster op haar nieuwe cd “Shatter” het muzikale geweer immers van schouder. En louter stilistisch bekeken val je hier als luisteraar dan ook van de ene varrassing in de andere. Is openingsnummer “Shatter” een nog relatief traditioneel opgevatte pianoballade (met voorzichtige soulinbreng) dan gaat het in het hypernerveuze “What A Fool” voor het eerst nadrukkelijk richting “music city” New Orleans, doet “When Does Love Get Easier” op bijzonder geïnspireerde wijze het grote songbook van de mid-seventies aan, verzeilt “The Underground Man” in ook wel eens door Tom Waits gefrequenteerde, in late night jazz ondergedompelde achterbuurten en brengt “Girl Afraid” Johnstone flirtend met folk muzikalerwijze dichtbij één van haar regelmatige liedjesklanten, te weten Trisha Yearwood. Bij het sfeervolle “Alcohol” dachten wij vervolgens spontaan aan het werk van de grote Randy Newman, bij “Touchdown Jesus” en “Who Could Ask For More” een tweede en een derde keer aan Tom Waits en “Halfway Home” is gewoon een heel mooi gecroond jazz-niemendalletje. Blijven dan nog te gaan: de ingetogen pianosleper “Your Side Of The Bed” en de volbloed-popdeun “Free Man”, waarin zelfs een heuse prise reggae verwerkt blijkt. Kortom: een buitengewoon boeiend werkstukje!
ANDERS & KENDALL “Wild Chorus” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Singer-songwriter-multi-instrumentalist Anders Parker was jarenlang één van de drijvende krachten achter de gezelschappen Varnaline en Space Needle. Echt aan het rijzen ging zijn ster echter pas nadat hij onder de nom de plume Gob Iron met Jay Farrar samenwerkte aan “Death Songs for the Living” en misschien nog wel meer dankzij het in 2012 verschenen Woody Guthrie-eerbetoon “New Multitudes”, dat hij inblikte met diezelfde Farrar, Will Johnson van Centro-Matic en Yim Yames van My Morning Jacket. Kendall Meade van haar kant is vooral bekend van haar band Mascott, die door het Amerikaanse Spin Magazine ooit heel erg treffend omschreven werd als “a tender indie rock project that combines soft piano and guitar pop with diary-like lyrical intimacy”.
Parker en Meade kenden elkaar al jaren. Als vrienden, maar vooral ook als collega’s. Al van in de jaren negentig meer bepaald. En al jarenlang wilden ze ook wel eens iets samen doen. Alleen, hun agenda’s waren elkaar niet zo vriendelijk gezind. Tot een klein jaar geleden, that is. Toen wisten ze elkaar namelijk eindelijk (eens mét de benodigde tijd) te vinden in de Wild Chorus in Knoxville, de recentelijk afgewerkte analoge studio van collega Scott Minor van Sparklehorse. En daar werden dan meteen ook maar de elf liedjes van hun eersteling samen afgewerkt én ingeblikt. Een songelftal, dat bij nader inzicht nadrukkelijk elementen van het werk van beide betrokkenen blijkt te bevatten. Zowel het grote, steeds weer met Americana (en folk) flirtende muzikale ego van Parker als de indie-achtergrond van Meade vonden hun weg naar het totaalgeluid van het toepasselijkerwijze naar de plaats van z’n ontstaan vernoemde “Wild Chorus”. En net die symbiose zou het album ons inziens wel eens aan een zeer ruime schare aan (alternatief ingestelde) fans kunnen gaan helpen.
“Wild Chorus” staat immers bol van de nummers, waaraan met name liefhebbers van dezer dagen behoorlijk populaire acts als Civil Wars, Shovels And Rope en aanverwanten zich absoluut geen buil zullen vallen. Behoorlijk moody spul, vaak eerder laid back gebracht, gedragen veelal door de twee elkaar op geweldige wijze complementerende stemmen van Parker en Meade. Zij de “beauty”, hij het “beast”. Zij zachtjes, betoverend als het ware, hij eerder ruw, ruig zeg maar. Met een resultaat dat op de keper beschouwd iets van een bezwerend randje kreeg. Nummers als het over een buitengewoon groovy bedje van gitaar- en orgelklanken uitgespreide “We’re On Fire, Babe”, het door Meade een “lente-lome” kant uitgestuurde “City Of Greats”, het wat nerveuzere, al bij al net iets meer naar pop en rock overhellende “Let’s Get Lost” of het sfeermatig z’n titel alle eer aandoende “Sleepwalking” pakken je als luisteraar met elke nieuwe beluistering alleszins telkens weer wat meer in. Very charming indeed!
Anders & Kendall, Nine Mile Records, Sonic Rendezvous
THE WHIGS “Enjoy The Company” (New West Records/ Rough Trade)
(3,5****)
In een productie van de in het verleden onder meer in de buurt van Dinosaur Jr, Sonic Youth, Steve Wynn en Son Volt zijn sporen al ruimschoots verdiend hebbende John Agnello laat het uit Athens, Georgia afkomstige drietal The Whigs er ook op z’n vierde, het zopas verschenen “Enjoy The Company”, andermaal weer geen twijfel over ontstaan, waarom we het tot de meest opwindende acts van het moment moeten blijven rekenen. Tien nummers lang serveren Parker Gispert, Julian Doro en Timothy Deaux spul dat werkelijk alles in zich heeft om vroeg of laat op net zo grote schaal te gaan verkopen als dat van hun veelgeprezen streekgenoten van R.E.M. Dit is rock met een echt wel gigantisch groot hart! Energiek, bij wijlen erg soulvol en heel erg melodieus bovenal ook. Laat je bij gelegenheid – Net als ons! – maar eens compleet van je sokken blazen door het bruisende, de acht-minutengrens nochtans ruim overschrijdende “Staying Alive”, het op eigentijdse wijze het FM-rockgebeuren van de jaren zeventig evocerende “Gospel”, het stomende “Tiny Treasures” of het moody “After Dark”. En… Enjoy the company!
SLAID CLEAVES “Still Fighting The War” (Music Road Records)
(5*****)
Noem dit wat ons betreft gerust maar een geval van liefde op het eerste gehoor! Eén enkele keer horen en we waren meteen gevloerd… Maar wat een mooie plaat ook weer! Misschien wel de meest ambitieuze so far van onze favoriete Texaanse songsmid Slaid Cleaves. Alleszins eentje waaraan zo ongeveer alles lijkt te kloppen. Met dank aan muzikale gasten als een Jimmy LaFave, een Kelley McCarty, een Terri Hendrix en een Eliza Gilkyson in de eerste plaats. Maar zeker ook aan producers Scrappy Jud Newcomb, Lloyd Maines en Mark Hallman, co-writers Rod Picott, Ron Coy, Jeff Elliott, Mike Morgan en Nicole St Pierre en bijkomende muzikanten met dienst als John Chipman, Elana James, Kevin Smith, John Silva, Richard Bowden en Oliver Steck. Zij zorgden er met z’n allen immers voor, dat Cleaves met een minstens even straffe opvolger voor an sich ook al buitengewoon knappe eerdere platen als “Broke Down”, “Wishbones” en “Everything You Love Will Be Taken Away” op de proppen kon komen. Met als centraal stuk het met Ron Coy geschreven en met collega Jimmy LaFave gebrachte titelnummer over door hun verleden emotioneel zo zwaar getekende oorlogsveteranen, dat er als het ware nooit nog een eind komt aan hun strijd van weleer. Werkelijk subliem spul, dat nummer! En die omschrijving geldt hier naar onze bescheiden mening voor wel meer dingen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld ook graag nog het met Rod Picott gepende tweetal “Rust Belt Fields” en “Welding Burns”, het aan Don Walser gewijde en door Cleaves effectief ook deels gejodelde “God’s Own Yodeler”, het met Terri Hendrix gedeelde “Texas Love Song”, de met harmony vocals van Eliza Gilkyson opgewaardeerde ballade “In The Rain en vooral ook het door Oliver Steck van wat soulvol koperblaaswerk voorziene “Without Her”. Liedjes van dat kaliber doen nu alweer reikhalzend uitkijken naar de maanden september en oktober, wanneer Cleaves Europa weer eens zal aandoen voor een reeks optredens.
Slaid Cleaves, Music Road Records
DIVERSE ARTIESTEN “The Golden Demon, New Songs About Chaos & Transition” (Hemifrån)
(4****)
Als er weer eens een verzamelaar van het Zweedse Hemifrån op onze schrijftafel belandt, dan weten we ondertussen bij voorbaat eigenlijk al, dat we het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid weer met een topplaat te doen zullen hebben. Die door de onvolprezen Peter Holmstedt en z’n entourage vormgegeven compilaties blijken immers steevast gevuld met uitstekend, veelal exclusief materiaal. En dat is ook ditmaal, naar aanleiding van de copieuze dubbelaar “The Golden Demon” weer niet anders. Daarop liefst vijfentwintig “New Songs About Chaos & Transition”. De ene al beter dan de andere. Met als absolute hoogtepunten voor ons op de eerste cd het verhalende titelnummer van de hand van meester-singer-songwriter Greg Copeland, een ook al ronduit beklijvende alternatieve versie van Julie Christensens “Ten People”, het door Peter Holmstedt samen met Mikael Persson gepende en door Luisa Jordan-Hilloran treffend verklankte tussendoortje “The Room Of The Demon”, het op sympathiek rammelende wijze volop de legendarische Pete Seeger in herinnering roepende “Right ‘Round The Bend” van Sid Griffin, het op buitengewoon sfeervolle wijze tussen blues en roots strandende “Jesse & Frank” van Annie Gallup en Peter Gallway oftewel Hat Check Girl, het door Stephen David Austin duidelijk op een Byrds-leest geschoeide “Laurel Canyon” en The Good Intentions’ “Woody Guthrie’s Rulin’s”. Verder ook nog van de partij op dat eerste schijfje: Steve Noonan, Jenai Huff, Doug Ingoldsby & Eugene Ruffolo, Kenny White, Jeff Larson en Ingrid Serban & Forest Sun. Op de tweede cd gooien naar onze, zoals steeds bescheiden, mening vooral Michael Weston King met de “Ghostwriter Remix” van z’n eigen “I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier”, songsmid Keith Miles met het zomers soulvolle “Until It All Makes Sense Again”, Bob Cheevers met het wel bijzonder strijdvaardige rockertje “Occupying Wall Street”, Janni Littlepage’s “Winds Of Change” en Mikael Perssons “What A Wonderful World” hoge ogen. Voor de rest tekenden op cd 2 in die volgorde: Luisa Jordan-Hilloran, Doug Ingoldsby, Allan Thomas, Michael Ward met Dogs & Fishes, Mietek, Kenny White en Sky Country.
DIVERSE ARTIESTEN “The Beautiful Old, Turn-Of-The-Century Songs” (Doubloon Records)
(4****)
Producers Paul Marsteller en Gabriel Rhodes verrassen met een op voorbeeldige wijze naar het hier en nu vertaalde collectie “turn-of-the-century songs”. Al mogen we ons bij nader inzicht vooral niet blind staren op die term. Voor het oudste nummer, het instrumentale “The Last Rose Of Summer”, moeten we immers terug naar 1805, terwijl de twee jongste, het ook al instrumentale “Till We Meet Again” en het door Kim Richey gebrachte “Beautiful Ohio” beide dateren van 1918. Maar goed, door die begripsverwarring laten we ons hier maar beter niet teveel afleiden. Daarvoor is “The Beautiful Old” een veel te mooie verzameling geworden. Boordevol met liedjes die vederlicht over de dansvloer van het (ons hier in flink wat van de gevallen aardig in de steek latend) collectieve geheugen rondwalsen. Met daarbij niet zelden een centrale rol voor de piano van The Band’s Garth Hudson. Hij begeleidt – Op diverse instrumenten! – onder meer Richard Thompson en Christine Collister, Will Sexton en Simone Stevens, Kimmie Rhodes, de je van The Kinks bekende Dave Davies, Jolie Goodnight, Kim Richey en Eric Bibb. Samen met anderen als een Graham Parker, Heidi Talbot & John McCusker, Jimmy LaFave en Carrie Elkin en in het uitgelezen gezelschap van muzikanten als Floyd Domino, Hunt Sales, Gabriel Rhodes, Richard Bowden, Brian Standefer, Richard Greene, Michael Thompson, Dony Wynn, David Carroll en Josh Flowers, om er maar enkele te noemen, zeilen zij negentien nummers lang vaardig langsheen de kusten van een ondertussen in een ver verleden liggend muzikaal Eldorado. Overgeleverd als bladmuziek, regelmatig goed voor een verkoop van meer dan een miljoen exemplaren. Reflecterend over zulke tijdloze thema’s als de liefde, hartzeer, eenzaamheid, de eigen haard, verlies en spijt. Met als sterkste momenten naar ons gevoel het door Richard Thompson en Christine Collister op bijzonder zwierige wijze gedeelde “The Band Played On”, Graham Parkers bezielde benadering van “The Flying Trapeze”, Heidi Talbots engelachtige lezing van “Love’s Old Sweet Song”, Jimmy LaFave’s doorleefde kijk op “Long Time Ago”, het door Jolie Goodnight samen met violist Richard Bowden en producer Gabe Rhodes (op gitaar en dulcimer) gebrachte “Silver Dagger”, Carrie Elkins diep ontroerende benadering van “The Dying Californian”, Kim Richey’s al even diep rakende verklanking van een lang geleden ontluikende liefde in “Beautiful Ohio”, het gevoelige “Just A-Wearyin’ For You”, hier vertolkt door moderne bluesman Eric Bibb, en het door Kimmie Rhodes met veel gevoel gecroonde “Somewhere A Voice Is Calling”. Zoet als suikerstroop! Echt je reinste muzikale balsem voor de ziel! (Releasedatum: 3 juni 2013.)
DAVE ARCARI & THE HELLSINKI HELLRAISERS “Whisky In My Blood” (Buzz Records / Blue North Records)
(4,5*****)
De voornamelijk door zijn lange kluizenaarsbaard behoorlijk excentriek ogende en mede daardoor vrijwel meteen opvallende Schot Dave Arcari is met “Whisky In My Blood” inmiddels ook alweer aan zijn vijfde cd toe. En die nam hij op met de Finse muzikanten Juuso Haapasalo (akoestische en elektrische bas) en Honey Aaltonen (wasbord, snare drum en cimbaal), ook wel The Hellsinki Hellraisers. Klinkt behoorlijk vervaarlijk allemaal en dat doet de muziek op deze nieuwe van Arcari bij nader inzicht bij momenten ook. De Schotse bluesmaestro beperkt zich immers lang niet enkel tot dat ene specialisme, maar stoeit ook ongebreideld met elementen uit rock & roll, rockabilly en ja, zelfs punk. En dat zulks uiteindelijk een behoorlijk opwindende pot muziek kan opleveren, dat behoeft hier allicht maar weinig betoog. Gelijk van bij de eerste tonen van het de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer, een potje uitnodigend rammelend bluesgestoei op de National steel, had Arcari ons weer stevig bij ons nekvel. En dat zou hij pas veertien nummers en ruim zevenendertig minuten later weer loslaten. Na het uitermate sympathieke countrybluesje “Cherry Wine”, het werkelijk retestrak swingende, met onvaste hand van een intraveneuze shot rockabilly bediende “Tell Me, Baby”, de in lichte Delta-looppas gebrachte Robert Johnson-cover “Travelling Riverside Blues”, het als trademark Arcari te bestempelen National steel-manoeuvre “Rough Justice”, het zo ongeveer als een perfect geslaagde hybride van rock & roll en blues te bestempelen “Day Job” en het banjogewijs wat meer richting old-time stringband music gestuwde “Still Friends”. En na twee verdere lekkere countrybluesjes, “Wherever I Go” en “See Me Laughing”, een flink met het bekken schuddende cover van Bukka White’s “Jitterbug Swing”, nog zo’n old-timey ding (het heerlijk energiek gebrachte “Third Time Lucky”), de moddervette trage “Delta-slider” “Heat Is Rising”, een op het randje van de waanzin balancerende interpretatie van Robert Johnsons “Preachin’ Blues” en de “cigar box steam punk blues” van het afsluitende “Get Outta My Way”. Samen veertien lappen eigentijds bluesplezier, die je nu alweer reikhalzend doen uitkijken naar ’s mans volgende doortocht doorheen ons land. Live is hij immers alleen nog maar beter dan hier! En geloof ons vrij, dat wil wat zeggen…
PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Exota” (REMusic Records)
(4****)
Als je ons op een onbewaakt moment zou vragen om de naar ons gevoel beste rockband van Nederland aan te wijzen, dan zouden we daarover niet al te lang hoeven na te denken: Peter Beeker & Ongenode Gaste! Niet de geringste twijfel over mogelijk! De Limburgse dialectrocker kent wat ons betreft in eigen land zijn gelijke niet. Sinds jaar en dag al verwent de Venlonaar ons met van de passie druipende liedjes. En sinds 2011 ook met een hechte nieuwe band. Vandaar dat Beeker en co in verband met “EXOTA” graag mogen spreken over hun tweede album. Daarop elf nieuwe eigen liedjes, in grote lijnen variërend van licht rootsgetint spul tot rock tout court. Zeker, in de het verlangen naar een nieuwe motor uitschreeuwende opener “Splinterniej Mesjien” zit wat funk verwerkt. En in het Stonesy “Maondage Zien Blauw” neigen ook lang niet enkel de titel en de inhoud richting de blues. Maar het merendeel van de songs op “EXOTA” valt toch gewoon onder de noemer rock. Het ene moment eerder balladesk opgevat, het andere geheel en al ontketend ervoor gaand. Soms ook gewoon beide combinerend. Hoe dan ook steeds weer gekenmerkt door een ongelooflijke gedrevenheid. En of het daarbij nu gaat over het zich outen inzake de eigen eenzaamheid of onzekerheid (“Valentijn”, het al genoemde “Maondage Zien Blauw” en “Op Dien Slup”) of andere hete en minder hete, persoonlijke of meer universele hangijzers, dat doet eigenlijk maar bitter weinig terzake. Steeds weer weet Beeker de juiste woorden te vinden. Steeds weer raakt hij je met die rauwe stem van ‘m midscheeps. Daar is gewoon geen ontkomen aan! Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar het van de contrasten erin levende “Laef Hard”, naar de grootse, zeker introgewijs een zekere voorliefde voor Led Zeppelin verradende oproep om zelfs in moeilijke tijden toch maar vooral de eigen waardigheid nooit in de steek te laten “Baedel Neet”, naar het als een flouë foto getormenteerd het nieuws van die dag vorig jaar overlopende “4 Juli”, naar de als een passionele rockballade aangeklede kroniek van een aangekondigd gebroken hart “Evalina” of het slepende, al een stap verder opgeschoten rootsrockertje “Hotel”. Zonder uitzondering briljante songs! Hoogst genietbaar, ook voor niet-Limburgers! (Al zal van hen inzake tekstbegrip natuurlijk wel een net wat grotere inspanning vereist blijken…)
Peter Beeker & Ongenode Gaste, REMusic Records
THE MERCY BROTHERS “Holy Ghost Power!” (Rootsy / Sonic Rendezvous)
(4****)
Materiaal zó zwierig, dat je er zelfs de meest verstokte atheïst frenetisch mee aan het hipshaken zou kunnen krijgen. En dat terwijl het toch echt wel gaat om “Songs of Faith & Devotion, of Love & Despair, Songs of the Spirit, from Both Sides”, aldus The Mercy Brothers zelf. Songs met een gospeleske boodschap met andere woorden. Door de “Broeders” geïntroduceerd in lang niet altijd even godsvriendelijke holen. Daarbij als ware advocaten van de duivel doorheen zompige moerassen van pervers zaterdagavondvertier wadend, geven de heren Sekhani, Meaux, Theriot, Stevenson en Walls zich volledig over aan de groove. “Holy Ghost Power!”, zeg maar. Naar goede Louisiana-gewoonte puttend uit een veelheid aan rootsgenres. Met als voornaamste ingrediënten wellicht rock & roll, country, gospel, de blues en de lokale funkvariant. En dat resulteert in een gumbo, waarmee door het vijftal binnen afzienbare tijd ongetwijfeld nog heel wat zieltjes zullen worden gewonnen. Onze Jef eraf, als nummers als het als een uitzinnige Mardi Gras Parade aan je voorbij dansende titelnummer, het best wel wat aan de Subdudes in hun vlottere momenten herinnerende “Get Right Now With Jesus”, het bepaald uitdagend met de kont schuddende “Rise, Devil, Rise”, het in de voetsporen van grote voorbeelden als The Band en de Stones heerlijk (roots)rockende “Keys To The Kingdom”, het al predikend country(rock) intraveneus een gezonde dosis honky-tonk toedienende “Following Jesus” en het echt moddervet rammelende “The Devil’s Food Tastes Like Cake” ook hier niet voor de nodige vonken kunnen zorgen!
The Mercy Brothers, Rootsy, Sonic Rendezvous
SHANE ALEXANDER “Ladera” (BuddhaLand Records)
(3,5****)
De vanuit L.A. actieve singer-songwriter Shane Alexander is met “Ladera” inmiddels reeds aan zijn vijfde volwaardige langspeler toe. Op die opnieuw door Billy Mohler geproduceerde opvolger van “Mono Solo” van zo’n drie jaar geleden draait zo ongeveer alles rond de thema’s nostalgie, volwassen worden en spiritualiteit. En verpakken doet Alexander die op de keper beschouwd behoorlijk wat van zichzelf blootgevende zieleroerselen als vanouds in een niet zelden tussen oud en nieuw, tussen klassiek en modern twijfelende muzikale context. Een melange van met name folk-, (roots)pop- en psychedelische elementen. Ons zo nu en dan best wel een beetje herinnerend aan wat Simon & Garfunkel klaarmaakten ergens medio de jaren zestig, zo ongeveer ten tijde van het onder meer de hits “Scarborough Fair (Canticle)”, “Homeward Bound”, “The 59th Bridge Street Song (Feelin’ Groovy)” en “For Emily, Whenever I May Find Her” bevattende album “Parsley, Sage, Rosemary And Thyme”. En ook wel aan een andere klassieker, met name “Meddle” van Pink Floyd. En dat, beste vrienden, vinden wij bepaald geen slecht gezelschap. Het maakt van liedjes als het beklijvende, een bijna fatale overdosis van een dichte vriend bezingende “Low”, het als een doorleefd eerbetoon aan z’n thuishaven opgevatte “Skyway Drive-In”, het een zekere “klassieke air” etalerende titelnummer en “One So Young” dingen die je keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Geen wonder, dat Alexanders liedjes graag opgevoerde gasten blijken in nogal wat Amerikaanse tv-reeksen. Subtiel uitgevoerd als ze zijn weten ze immers steeds weer de juiste (emotionele) snaar te raken.
MARIECKE BORGER “Through My Eyes” (Volkoren / PIAS)
(4,5*****)
Na broerlief Johan met z’n door ons zo ongelooflijk gesmaakte debuutplaat “Sometimes” en de al even knappe opvolger daarvan “Wild Geese Calling” van enkele maanden geleden opnieuw een lid van het muzikale gezin Borger uit het Nederlandse Ermelo, dat met één welgemikte pijl dwars door het hart ambitieus aanspraak maakt op een muzikale liefde voor het leven. Mariecke is haar naam. En misschien kende je haar al wel van haar bijdragen aan Minco Eggersmans project ME of de platen van haar hier al eerder genoemde broer Johan. Maar “Through My Eyes” is wel degelijk haar eerste soloplaat. En wat voor één! Met elf eigen liedjes zingt Mariecke zich tot ergens heel dicht in de buurt van grote collega’s als een Joni Mitchell, een Judy Collins of een Gillian Welch. Wat een geweldige stem heeft ze toch! En ook al de rest klopt echt als een bus. Haar uit de vergeethoeken van het leven van alledag geplukte verhalen, ingebed in vaak eerder dromerig aandoende, volop aan de singer-songwriter-seventies refererende liedjes zijn zonder uitzondering van grote klasse. En ook het geluid is zondermeer top te noemen. Wat haar broer Jan in hun een paar jaar geleden tot opnamestudio omgetoverde woonkamer wist te vereeuwigen hoeft in hoegenaamd niets onder te doen voor wat we op heel wat andere, in vaak veel duurdere etablissementen opgenomen albums te horen krijgen. En aan haar andere broer Jesse (basgitaar), Mischa Porte (drums en percussie), Bram van de Glind (elektrische gitaren), Floris de Vries (banjo), broer nummer drie Johan (akoestische gitaar en banjo), vader Jan Borger Sr. (Hammond), Bertolf Lentink (dobro, pedal en lap steel), Niels Broos (Fender Rhodes), Gerald van Dijk (trompet) en het Red Limo String Quartet had Borger tijdens de opnames ook de als het ware ideale begeleiders. Ze hielpen haar alvast bij het van zich af zingen van elke bij nader inzicht totaal misplaatst blijkende vorm van schroom. Met als resultaat een album dat met liedjes als het titelnummer, het werkelijk weergaloze “Hope You Understand”, “Rose” en “Real Love”, om er maar enkele van te noemen, zo menig een veritabel kippenvelmoment bevat. Werkelijk van ganser harte aanbevolen derhalve dan ook, dit bloedmooie kleinood!
NORA JANE STRUTHERS & THE PARTY LINE “Carnival” (Blue Pig Music)
(4****)
Nu net geen drie jaar geleden wist de toen nog niet zo heel erg lang in Nashville neergestreken Nora Jane Struthers voor het eerst onze aandacht te trekken. Met haar titelloze debuutplaat, met daarop twaalf lappen “classic Americana”, opgenomen met de nodige bijstand van kleppers als Tim O’Brien, Stuart Duncan, Rob Ickes, Bryan Sutton, Scott Vestal, Dennis Crouch, Shawn Lane en Brent Truitt, wist ze ons ogenblikkelijk te vloeren. De schone Struthers, een voormalige lerares Engels, bleek immers ook een bijzonder getalenteerde artieste. Sterk niet enkel als zangeres en gitariste, maar vooral ook als tekstdichteres en songmid. Heel erg beïnvloed naar eigen zeggen door vandaag de dag nog actieve collega’s als een Gillian Welch en een Tim O’Brien, maar vooral ook door stokoud materiaal uit zowel de country-, de bluegrass- als de folkhoek. En wat dat betreft is er eigenlijk niet zo heel erg veel veranderd op haar onlangs verschenen tweede cd “Carnival”. Struthers is er in de sinds het verschijnen van haar eersteling verstreken jaren enkel maar beter op geworden. En met co-writes als het samen met de ook door ons heel erg gewaardeerde Robby Hecht gepende “Bike Ride” en “Two Women”, dat ontstond in samenwerking met Paul Kramer, hoopt ze, naar eigen zeggen, naar de toekomst toe haar grenzen zelfs nog wat meer te kunnen verleggen. Iets wat gezien de torenhoge kwaliteit van die twee liedjes ook geen enkel probleem zou mogen opleveren, zo lijkt ons nu al. Maar goed, in welk opzicht verschilt “Carnival” dan eigenlijk wel van z’n voorganger? Voor de productie tekende opnieuw de hoger al eens even vermelde Brent Pruitt. Dat is het dus ook niet. Maar wel het feit dat Struthers ditmaal niet kon terugvallen op een all-star-ensemble voor het inblikken van haar liedjes. Iets waar overigens ook helemaal geen behoefte meer aan was, want met The Party Line heeft ze ondertussen een uitstekende eigen groep achter zich. P.J. George neemt daarin de bas voor z’n rekening, evenals het accordeon, de pedal steel en wat akoestische gitaar en banjo, Drew Landhorn tekent onder meer voor drums en percussie, Joe Overton zorgt voor clawhammer banjoklanken en Aaron Jonah Lewis doet het op diverse fiddles, mandoline en banjo. Harmoniëren met hun frontvrouwe doen ze “onderweg” allemaal. Heel mooi bijvoorbeeld ook in enkele door ons erg geapprecieerde songs als “The Baker’s Boy”, het titelnummer, het lentefrisse “Jack Of Diamonds”, het zwierige, nogal nadrukkelijk op dansgrage benen mikkende “Barn Dance” en het hier eerder al eens aangestipte “Bike Ride”. Dat vijftal verdient wat ons betreft zonder verpinken een stekje op elke rootsmuziekvriendelijk ingestelde iPod! Of beter nog: het gehele “Carnival” een plaatsje langs dames als de al genoemde Gillian Welch, Diana Jones, Iris DeMent, Alison Krauss, Claire Lynch, Rhonda Vincent en aanverwanten in je cd-collectie en geregeld een draaibeurt in je cd-speler. Je leven zal er op den duur alleen maar een stuk aangenamer door worden…
Nora Jane Struthers, Noisetrade (Maak hier gratis kennis met Struthers’ volledige debuut en het titelnummer van haar nieuwe worp!)
GARRETT LEBEAU “Rise To The Grind” (Music Road Records)
(3,5****)
Liefhebbers van artiesten als een Boz Scaggs, een Al Green, een J.J. Cale, de Van Morrison vanaf midden de jaren zeventig, een Tony Joe White en aanverwanten zijn bij de Amerikaan Garrett Lebeau aan het juiste adres voor een muzikale verrassing van formaat. Met name diens heerlijk soulvolle zang op z’n debuut is ronduit indrukwekkend te noemen. Maar ook op de (elektrische) gitaar blijkt hij een uitzonderlijk talent. Zijn labelmaatje Jimmy LaFave spreekt daarom ook vol bewondering over “a musical soul gypsy of the first degree, with guitar stylings unique and authentic”. Woorden, waaruit een diepe bewondering voor de nieuwkomer blijkt. En dat is eigenlijk niet meer dan terecht ook. Hoe Lebeau op “Rise To The Grind” invloeden uit genres als soul, blues, folk, jazz en rock op volkomen natuurlijke wijze laat uitmonden in iets geheel eigens spreekt vrijwel meteen tot de verbeelding. Strikt hokjesdenken is er bij hem duidelijk niet bij. Hij laat de muziek als het ware haar gang gaan. En dat resulteert hier in elf prachtige, naar ons gevoel best ook wel voor een wat groter publiek geschikte liedjes. Puntgaaf spul alleszins, mede dankzij de bijdragen van de je van hun werk voor onder anderen Leonard Cohen, Jennifer Warnes, Robben Ford, John Mayer en de Tedeschi Trucks Band bekende ritmetandem Roscoe Beck (bas) en J.J. Johnson (drums), B3-virtuoos Red Young en de recent nog met Jason Mraz aan de slag geweest zijnde toetsenist Stefano Intelisano. Roscoe Beck tekende met Lebeau zelf overigens ook voor de productie van “Rise To The Grind”.
Garrett Lebeau, Music Road Records
KIM RICHEY “Thorn In My Heart” (Lojinx / Bertus)
(5*****)
Voor één van dé allermooiste albums van 2013 so far moet je wat ons betreft bij Kim Richey zijn. De recentelijk na drie jaar van leven en werken in Londen weer naar haar thuisland verkaste Amerikaanse zingende liedjesschrijfster levert daarmee alvast haar ontegensprekelijk allerbeste plaat tot op heden af. “From the beginning I wanted this to be a country record,” aldus de zangeres zelf daarover en dat werd het uiteindelijk ook. Een schijf van het genre, dat we de laatste jaren ook van artiestes als een Emmylou Harris, een Tift Merritt en een Lucinda Williams gewoon zijn geworden. Heerlijk ontspannen overkomende, grote delen van het ter beschikking staande rootspalet ook effectief gebruikende Americana, met op de keper beschouwd erg hoge houdbaarheidswaarde. Veelal zacht van aard, met nogal wat rustige topmomenten. Als daar zijn bijvoorbeeld al het samen met producer Neilson Hubbard geschreven en uit een naar het ongezonde neigende twijfel een waar “thing of beauty” barende titelnummer, de enkele jaren terug door Richey nog voor haar vertrek naar die stad aan papier toevertrouwde en ons een weinig aan Neil Young in één van z’n akoestische momenten herinnerende ballade “London Town” of het (haar eigen) rusteloosheid als uitgangspunt gebruikende en door gast Will Kimbrough van even fraai als subtiel banjowerk voorziene “Something More”. Als tegengewicht voor al dat bedaarde fraais fungeren dingen als het zachtjes twangende, samen met Jason Isbell gebrachte “Breakaway Speed” en het voorwaar zelfs voorzichtig richting Buddy Miller-territorium opschuivende rootsrockertje “Come On”. Vreemd genoeg net die twee nummers waarvoor moderne countryster Trisha Yearwood de harmony vocals verzorgde. Andere ronduit zalige momenten: de verstilde countryfolkballade “Angels’ Share”, het ruim vier minuten lang angeliek over de in een soort van “flou artistique” badende dansvloer van je dagdagelijkse bestaan rondwalsende “Love Is”, de ronduit hemelse, verkapte Americana-pianoballade “I’m Going Down” en het ogenschijnlijk nadrukkelijk een vrouwelijke schrijfhand verradende, maar Richey bij nader inzicht wel door de tandem Neilson Hubbard-Ben Glover aangereikte “No Means Yes”. Veel mooier dan dit worden ze naar onze bescheiden mening niet (meer) gemaakt!
DYLAN SNEED “Texodus” (Dylan Sneed)
(4****)
Laat ze maar allemaal een potje janken over hoe schadelijk het internet wel is voor de gehele muziekindustrie, de zakkenvullers aan het werk bij grote platenlabels, die er naar eigen zeggen hun gigantische winsten fors door zien teruglopen, artiesten als deze Dylan Sneed zullen je vanuit hun optiek een geheel ander verhaal weten te vertellen. Zoals veel van zijn collega’s slaagde ook die jonge Texaan er immers in om z’n nieuwe plaat vooraf volledig door zijn fans te laten financieren. Zelfs de bijkomende fondsen vereist voor een internationale radiocampagne en een toernee doorheen Europa konden er via Kickstarter nog mee van af. Iets wat vroeger, in tijden voor de entree van het wereldwijde web, gewoon ondenkbaar ware geweest en dezer dagen eigenlijk alsmaar vaker voorkomt. “All it takes” is kwaliteit. En daarover beschikt de songsmid Sneed alleszins in ruimschoots voldoende mate. De door een Amerikaanse collega met “a sober Townes Van Zandt” vergeleken Sneed vergast ons op het behoorlijk persoonlijk ingekleurde en over het algemeen eerder intimistisch gehouden “Texodus” op elf knappe eigen songs en een volstrekt unieke akoestische benadering van de Cyndi Lauper-hit “Girls Just Want To Have Fun”. Dat laatste lijkt ons alvast gesneden koek voor radiomakers met een hart voor Americana. Al zullen die zeker ook van tussen de overige elf songs nog wel de één of andere parel weten op te diepen. Iets wat wij hier gelukkig niet hoeven te doen. Voor ons is het gewoon volop genieten geblazen van het gehele “Texodus”. Een plaat, die ondanks haar pesoonlijke karakter toch steeds weer universele thema’s weet aan te snijden. Een plaat ook, die Sneeds eigen uittocht uit zijn geboorteplaats Austin definitief lijkt te willen bezegelen. De titel ervan zou er alvast mee verklaard zijn. En het uptempo titelnummer ook. Evenals het verstilde “The Garden”. Al lijkt het onderwerp verandering daarin al bij al veel ruimer opgevat. Iets wat we verderop op “Texodus” overigens nog wel eens meer menen te mogen denken. Tussendoor ook wat gewoon rond de liefde in al haar facetten draaiende songs. Want ook daarin stellen zich voor rusteloze zielen als Sneed natuurlijk de nodige problemen. We verwijzen hier wat dat betreft graag naar het lekkere, compleet inclusief liefdesadvies afgeleverde folkrockertje “Selfish Boy”, naar de inhoudelijk vooral op gehuwde stellen mikkende lentefrisse rootspopdeun “Love You Like I Do” en het ongemeen opgewekt aandoende, nochtans aan de wellicht door elkeen gekende angst om er in “l’amour” voor te gaan opgehangen folkriedeltje “Climb This Wall”. Singer-songwriter-Americana van de bovenste plank!
THE STEEL WHEELS “No More Rain” (The Steel Wheels)
(4****)
We hebben hier al wel eens vaker eens lans gebroken voor dit vanuit de Blue Ridge Mountains in Virginia actieve rootsviertal en dat doen we bij dezen graag nog eens opnieuw. Wat Trent Wagler (zang, gitaar en banjo), Jay Lapp (mandoline, gitaren en banjo), Eric Brubaker (fiddle en zang) en Brian Dickel (bas en zang) op hun derde brengen kan immers zo’n beetje voor een synoniem doorgaan van wat wij graag onder Americana anno nu mogen verstaan. Misleidend eenvoudig aandoende, maar vaak juist tot in de puntjes verzorgde, aan bluegrass en old-time stringband country verwante liedjes zijn duidelijk het specialisme van de vier. Evenals pakkende verhalen. En die worden verpakt in zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelende melodieën. Elf in totaal. Nummer twaalf – het openingsnummer van “No More Rain” – blijkt immers een cover van de je wellicht ook wel van de collectie “Orphans (Brawlers, Bawlers & Bastards)” bekende Tom Waits-Kathleen Brennan-compositie “Walk Away”. Onder alle andere nummers prijkt de naam van Trent Wagler. En dat is – Gelukkig voor ons! – een echte kanjer in z’n vak. Hij voorzag z’n band van extreem catchy materiaal, dat in kringen van liefhebbers van acts als Old Crow Medicine Show, het momenteel zo waanzinnig populaire Mumford And Sons en de Avett Brothers naar alle waarschijnlijkheid op erg veel bijval zal kunnen rekenen. Onze zegen hebben de Steel Wheels alleszins al!
Via NOISETRADE trakteren de heren momenteel overigens nog steeds gratis op 19 tracks “caught in the act”, oftewel het album “Live At The Ignition Garage”. En ook dat is een heus aanradertje!
HANS THEESSINK “Wishing Well” (Blue Groove / Music & Words)
(4,5*****)
Na “Delta Time”, zijn ook al “oorstrelend” mooie samenwerking met Terry Evans van vorig jaar, staat “Wishing Well” voor een nieuwe parel aan de kroon van “Wahlwiener” Hans Theessink. De in Wenen woonachtige Nederlandse bluesmaestro geeft zich ook op dat nieuwe album van ‘m weer volledig over aan de door hemzelf zo diep gekoesterde Amerikaanse rootsmuziek. En met name dan aan die van de zuidelijke staten van de States. “Handmade” spul met z’n wortels in folk, blues en aanverwante genres. Op “Wishing Well” gebracht in quasi-solomodus. Volledig akoestisch. Veel ingetogener ook dan we dat van hem gewoon zijn geraakt. En misschien wel net daardoor ook zo heerlijk intens. Met topmomenten werkelijk aan de lopende band. Zoals bijvoorbeeld een behoorlijk beklijvende versie van “Snowin’ On Raton” van z’n overleden vriend Townes Van Zandt, het grimmige “Ballad Of Hollis Brown”, ontleend aan de indrukwekkende songcatalogus van Bob Dylan, een in al zijn eenvoud ook al machtig overkomend “Wayfaring Stranger”, Theessink ooit nog aangeleerd door Johnny Cash zelve, en de traditionele “murder ballad” “Delia. Stuk voor stuk geknipte vehikels voor Theessinks warme baritonstem en dito snarengestoei. En dat geldt wat ons betreft eigenlijk gewoon voor elk van de veertien hier gebrachte stukken: voor eigen nummers als “New Home Upon The Hill”, “Wishing Well”, “Take Your Picture”, “Hellbound”, “Kathmandu”, “Didn’t We Try” en “Early This Morning Blues”, voor covers als de hier hoger al genoemde Van Zandt- en Dylan-deunen en Brownie McGhee’s “Living With The Blues” en ook voor adaptaties van traditionals als “Make Me Down A Pallet On Your Floor” en “Alberta Let Your Hair Hang Down Low”. Wat Theessink hier aflevert is in enkele woorden eigenlijk gewoon ronduit subliem te noemen! Warm aanbevolen!
DIVERSE ARTIESTEN “The Blueprint Sessions, Celebrating The 15th Anniversary of Blueprint” (Alex Staal)
(4****)
Zo wil ik er dus ook wel eens jaartje bijdoen, zie! Echt een prachtig verjaardagsgeschenk, waarop presentator Thomas Kaldijk en de zijnen zichzelf en ons hier trakteren! Vijftien kaarsen blazen de makers van het door Radio Parkstad in het Nederlandse Veendam uitgezonden rootsprogramma “Blueprint” met deze buitengewoon fraaie compilatie uit. Een dikke proficiat daarvoor van hieruit. Evenals voor de verzamelaar zelf trouwens. Die bevat immers uitsluitend exclusief materiaal, voor het programma opgenomen op diverse locaties in Veendam. Veelal spiernaakt, van alle overbodige franje ontdaan spul, dat recht op het hart mikt. Nogal wat gewaardeerde singer-songwriters passeren zo de revue. We noemen onder meer Rod Picott (“Rust Belt Fields”), Trevor Alguire (“Are You Ready”), Romi Mayes (met haar band in “Smoke More Than I Drink”), Doug MacLeod (“Brand New Eyes”), David Philips (“Our Own Hands”), Patrick Sweany (“World Of Love”), Hayward Williams (“High Horse”), Boris McCutcheon (“Bad Road, Good People”), Royal Wood (“Will We Ever Learn”), Little Birdie (Orit Shimoni) (“I Left The City Burning”), Sarah Slean (het met The Cairn Quartet gebrachte “Life”) en Annie Keating (“Valentine”). Voorts natuurlijk ook best wel wat locale talenten. Zoals de ondertussen helaas een beetje uit het gezicht verdwenen Beansprouts (“Birds”), de (lichtjes) fantastische Johan Borger (“Small Town”), Taneytown (“Why Feel Lonely”), Ann Vriend (de mooie pianoballade “Don’t Cry”), Eric Devries (“Sharon Says”), The Veldman Brothers (“This Pain”) en Dix (“Sayonara”). Vooral veel Americana en folk dus, met hier en daar een bescheiden bluesintermezzo. Absoluut voor herhaling vatbaar! En, beste Thomas, je hoeft daar echt geen vijftien jaar mee te wachten….
“The Blueprint Sessions, Celebrating The 15th Anniversary of Blueprint” zal op vrijdag 17 mei aanstaande live worden voorgesteld in de foyer van theater van Beresteyn in Veendam. Tussen 17.00 en 19.00 uur zijn dan ook Orit Shimoni (Little Birdie) en Amanda Rheaume van de partij.
BUXTON “Nothing Here Seems Strange” (New West Records / Rough Trade)
(4****)
Ik moet zeggen, dat ik best wel wat misleid werd door wat ik vooraf over dit album op het “wereldwijde web” las. Het vijf man sterke gezelschap van Buxton uit Houston wordt immers vrijwel overal geprezen voor zijn rootsy aanpak. En folk-rock is de omschrijving die met betrekking tot hun muziek het meest blijft opduiken. En daarmee doe je het Texaanse kwintet wat mij betreft op de keper beschouwd toch wel wat tekort. Ik kan nog wel akkoord gaan met de stelling, dat de elementen folk en rock bepalend zijn voor zo ongeveer al het op “Nothing Here Seems Strange” gebrachte. Maar een folk-rockbandje, neen dat dus niet. Daarvoor heeft teveel op “Nothing Here Seems Strange” iets van een scherp indierandje. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “Wolves And Owls” en je zal meteen begrijpen wat ik met die uitspraak bedoel. Lijkt in dat nummer aanvankelijk nog een banjo de lijnen te mogen gaan uitzetten, dan is het uiteindelijk toch vooral de elektrische van Jason Willis die de klankkleur bepalen gaat. En zij stuwt het nummer nadrukkelijk meer richting rock dan folk. Iets wat je bijvoorbeeld ook bij het veel commerciëler ingestelde bandje Mumford & Sons wel eens hoort. Al is dat niet meteen de beste vergelijking, die je met betrekking tot “Nothing Here Seems Strange” maken kan, besef ik ook wel. Neen, dan liever even richting Grant Lee Buffalo kijken. Daaraan deden Sergio Trevino en de zijnen me geregeld wel even denken. Met name dan in wat rustigere dingen als de sfeervolle ballade “Fingertips” of “Riverbed”. Maar ook die vlag dekt de lading hier zeker niet helemaal. Overtuig je daarvan vooral zelf ook even, zou ik zo zeggen, door hier gratis de digitale single “Boy Of Mine / Riverbed” te downloaden. Dat zegt uiteindelijk immers toch nog zoveel meer dan een stel (weliswaar) goedbedoelde woorden…
TURNPIKE TROUBADOURS “Goodbye Normal Street” (Rootsy / Sonic Rendezvous)
(4,5*****)
Tijdens de jongste uitreiking van de prestigieuze Lone Star Music Awards schoten die van de Turnpike Troubadours naar onze bescheiden mening volkomen terecht liefst twee van de hoofdvogels af. Hun derde langspeler “Goodbye Normal Street” en het daarvan afkomstige “Good Lord Lorrie” werden er immers uitgeroepen tot respectievelijk album en song van het jaar. Hoog tijd dus om het Amerikaanse vijfmanschap ook hier even de nodige aandacht te gunnen. En dan komt het natuurlijk heel goed uit, dat “Goodbye Normal Street” zopas ook aan een officiële Europese release toekwam. Elf nummers staan er op die plaat. Stuk voor stuk eigen songs van met name zanger Evan Felker en bassist R.C. Edwards. Zogeheten Red Dirt Americana, waarin naast de gebruikelijke elementen uit country, folk en rock ook sporen van bluegrass en in mindere mate cajun opduiken. Verhalend sterk spul bovendien, waarin met name het leven op de buiten regelmatig een erg dankbaar onderwerp blijkt. Nu eens goed voor een lach, elders dan weer eerder voor een traan. En ook wat betreft het muzikale stoten we op dergelijke contrasten. In die zin dat hier ruim vijfenveertig minuten lang op eerder frivole wijze wordt omgesprongen met tempo’s. De rootsy rocker “Gin Smoke & Lies” twijfelt zo bijvoorbeeld openlijk tussen in tweede versnelling blijven hangen of toch maar optrekken, “Before The Devil Knows We’re Dead” schiet, daarbij aangezwengeld door de fiddle van Kyle Nix, als bezeten uit de startblokken, de ballade “Southeastern Son” is een pracht van een “valse trage” en “Blue Star” op zijn beurt leuke mid-tempo country Texas anno 2013 style. Sterkste momenten van het geheel zijn wat ons betreft het als een klassiek countryduetje opgevatte “Call A Spade A Spade”, het door gast John Fullbright accordeongewijs met een snuif cajun afgewerkte swingertje “Morgan Street”, de heerlijke trage “Gone, Gone, Gone” en het eerder al genoemde en ons best wel wat aan Robert Earl Keen herinnerende “Good Lord Lorrie”.
Turnpike Troubadours, Rootsy, Sonic Rendezvous
TIM EASTON “Before The Revolution, The Best Of 1998 – 2011” (New West Records / Rough Trade)
(5*****)
Ons hoefde men er al lang niet meer van te overtuigen, maar goed… Tegen bewijsmateriaal van het kaliber van de verzamelaar “Before The Revolution, The Best Of 1998 – 2011” zeggen wij natuurlijk niet neen. Dit “afscheidsgeschenk” van z’n voormalige werkgever New West Records illustreert immers nog maar eens ten voeten uit, hoe goed Tim Easton wel is in “zijn vak”. Als singer-songwriter maakte de hese Amerikaan de voorbije vijftien jaar plaat na plaat opnieuw indruk. En dat bewijzen de negentien ons hier aangereikte songs van de zeven albums die van de beste man verschenen tussen 1999 en 2011 op werkelijk voorbeeldige wijze. Huisfavorietjes à volonté! Van ’s mans solodebuut “Special 20” krijgen we zo het aan rinkelend gitaarwerk opgehangen deluxe-rockertje “Help Me Find My Space Girl”, het titelnummer en “All The Pretty Girls Leave Town”, van het in 2001 verschenen en toendertijd volkomen terecht ook al erg lovend onthaalde “The Truth About Us” “Carry Me”, het behoorlijk Dylanesk aandoende “Get Some Lonesome” en de prachtige alternatieve countryballade “I Would Have Married You”, van “Break Your Mothers Heart” uit 2003 het drietal “Poor Poor L.A.”, “Hummingbird” en “Hanging Tree”, van “Ammunition” van drie jaar later het aan deze collectie haar titel verlenende “Before The Revolution”, de herfstige Americana-sleper “Next To You”, “Black Dog” en “Oh People”, van “Porcupine” van vier jaar geleden “7th Wheel”, “Burgundy Red” en “Broke My Heart” en van het in 2011 gelijktijdig verschenen albumtweetal “Beat The Band” en “Since 1966, Volume 1” respectievelijk het duo “Maid Of The Mist” en “Daily Life” en het deze ronduit zalige compilatie op gepaste wijze afrondende “Festival Song”. “I like my rock and roll to have a little porch-party in it and my folk music to have some distortion,” aldus Easton zelf ooit over zijn creaties en hoe treffend hij daarmee zijn eigen werk wist te verwoorden bleek eigenlijk nog nooit duidelijker dan hier. Negentien songs lang bonken Easton zelf en gasten als de je wellicht vooral van Wilco bekende tandem Ken Coomer en John Stirratt, Jayhawks-maten Gary Louris en Tim O’Reagan, Tift Merritt en anderen hier verwoed op de poorten van de rootshemel. En een excuus om je daarvoor niet helemaal open te stellen bestaat eigenlijk gewoon niet…
STEVE EARLE & THE DUKES (& DUCHESSES) “The Low Highway” (New West / Rough Trade)
(4,5*****)
Wat een verdomd knappe plaat alweer! We hebben er met z’n allen een aardig poosje moeten op wachten, maar dat wachten blijkt nu meer dan de moeite te zijn geweest! “The Low Highway” staat immers garant voor een Steve Earle in topvorm! En zoveel is ook gelijk al vanaf het de feestelijkheden openende titelnummer volstrekt duidelijk. Daarmee grijpt onze man immers terug naar het soort van country, waarmee hij in zijn begindagen probleemloos ganse drommen aan fans van het genre achter zich wist te scharen. Een werkelijk bloedmooi liedje! Van een heel ander kaliber is vervolgens het pittige (country)rockertje “Calico County”. Da’s eigenlijk eerder het soort van materiaal, dat je door de jaren heen van Earle en z’n producerende Twangtrust-partner in crime Ray Kennedy bent gaan verwachten. Via het reflectieve “Burnin’ It Down” belanden we vervolgens bij het over een sexy (zydeco-)accordeonbijdrage heen gedrapeerde “That All You Got?”, één van de drie nummers hier, die Earle recentelijk bijdroeg aan de populaire Amerikaanse tv-reeks “Treme”, waarin hij overigens ook zelf een rol vertolkte. De andere twee zijn het ook al erg catchy Americana-niemendalletje “Love’s Gonna Blow My Way” en het op een aparte manier melancholisch werkende “After Mardi Gras”. Resten dan nog: het tegen gespierd pianowerk aanleunende “popdondertje” “Pocketful Of Rain”, de mooie trage “Invisible”, het ook effectief door het instrument uit z’n titel aangejaagde old-time-manoeuvre “Warren Hellman’s Banjo”, het daar door z’n uitgesproken bluegrass feel perfect bij aansluitende “Down The Road Pt. II”, het door z’n gitaren voorwaar even aan het pop- en rockgebeuren van de late sixties herinnerende “21st Century Blues” en het uitermate ingetogen “Remember Me”. Samen goed voor wat naar onze bescheiden mening één van Earle’s beste platen in tijden is. Eén die hier de volgende weken nog heel vaak haar weg naar de cd-speler zal weten te vinden alleszins…
UNCLE LUCIUS “And You Are Me” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
In de States was dit album al ruim een half jaar verkrijgbaar, maar dankzij de inspanningen van het onvolprezen Duitse Blue Rose Records kan je het je voortaan ook hier gewoon bij de betere platenboer om de hoek aanschaffen. En dat is goed nieuws, want de derde van het vanuit Austin actieve vijftal Uncle Lucius is echt wel een heel knappe plaat. Zo retro als het maar kan, maar o zo lekker! Je denkt erbij aan Lynyrd Skynyrd, aan Bad Company, aan de Black Crowes, aan The Band, aan The Black Keys, aan zeventiger-jaren-Stones en nog zoveel meer. Je hoort min of meer gelijke delen aan rock, blues, soul en country, shaken, not stirred! Nu eens met de nadruk op het ene genre, dan weer wat meer op het andere. Wat op de keper beschouwd maakt, dat de muziek van Uncle Lucius zich maar moeilijk in één enkel muzikaal vakje laat onderbrengen. Zou je het retro rock kunnen noemen? Zeker weten! Zou je het als classic rock kunnen omschrijven? Yep! Of als Southern rock misschien? Definitely! Maar ach, fuck al die hokjes! Gewoon luisteren naar die handel, dat moet hier de enige boodschap zijn! Je wordt ervoor beloond met ruim meer dan een uur muziek van de bovenste plank. Ongemeen sterke songs, een geweldige zanger (Kevin Galloway) en een al even prima leadgitarist (Mike Carpenter) wachten er als het ware op om door je ontdekt te worden! En op deze Europese versie van “And You Are Me” kan dat nog net iets uitgebreider dan op de Amerikaanse voorloper ervan. Als toemaatje krijgen we hier immers ook nog eens drie nummers van voorganger “Pick Your Head Up” geserveerd, meer bepaald de prijsbeesten “Everybody Got Soul”, “Liquor Store” en “A Million Ways”. Great stuff!
Uncle Lucius, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous
POCO “All Fired Up” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
“All Fired Up” is een album, dat eigenlijk een weinig gebukt gaat onder het uitzonderlijke karakter van tal van z’n voorgangers en zeker ook de reputatie van z’n makers. Onbewust ga je als luisteraar – En dus ook als recensent! – elke nieuwe worp van Poco immers weer vergelijken met hun roemruchte daden van weleer. En dan wordt het voor zo’n groep best wel een beetje moeilijk natuurlijk. Om maar iets te zeggen: de Stones maken nu ook niet bepaald elk jaar een nieuwe “Exile On Main Street”… En dus probeerden we ons hier naar aanleiding van dit stukje zo goed en kwaad als dat ging maar eens even volledig af te schermen van alles wat we wisten over Poco. En met name van de groep dan die in de jaren zeventig zoveel furore maakte. En zodoende kwamen we al vrij snel tot het besluit dat “All Fired Up” eigenlijk best wel een fijne plaat is. Een beetje oubollig aandoend her en der misschien, maar “soit”… Gevangen onder de noemer “vintage country rock” klinkt zelfs dat niet echt negatief meer. En zo hoort het gewoon ook! Toch voor dingen als het meteen tot meezingen en -stampen uitnodigende openings- en titelnummer. Misschien geen echt groots nummer, dat liedje, maar wel héél erg catchy. Wél een echte superdeun vonden en vinden wij na enkele draaibeurten eigenlijk nog steeds het meteen daaropvolgende, door Michael Webb met wat aanstekelijke accordeonklanken gekruide countryeske rockertje “Drink It In”. Daarin krijgen we de groep Poco anno 2013 op haar paasbest. Vervolgens gaat het via het ook al sympathieke, met Bobby Keys in een gastrol op de sax gebrachte rootsrockertje “That’s What Rock And Roll Will Do” over de knappe, buitengewoon radiovriendelijke Rusty Young-trage “Regret” richting het louter muzikaal gezien bijna onopvallend richting de Amerikaanse Westkust lonkende “When She’s Mine”, het voorzichtig richting blueswateren uitwijkende “A Little Rain” en het ingetogen “Hard Country”, een mooie story song van de hand van Jack Sundrud en Bruce Miller. Wachten dan nog: het echt wel heel erg naar het (eigen) countryrockverleden teruggrijpende “Love Has No Reason”, het z’n titel wat ons betreft echt alle eer aandoende “Rockin’ Horse”, het heel erg op de leest van de ster uit de titel ervan geschoeide en elke familieverwantschap daarmee nadrukkelijk ontkennende “Neil Young”, de (ons wel wat aan de Eagles herinnerende) pianoballade “Long Shot” en de lentefrisse afsluitende instrumentale “Pucky Huddle Stomp”. Alles samen twaalf songs, die ons, verwend als we zijn, nu toch al enkele keren best wel met iets van een bevredigd gevoel achterlieten. En voor ons is het dan ook overduidelijk: Rusty Young, Jack Sundrud, Michael Webb en George Lawrence kunnen met z’n allen nog wel een tijdje mee!
Poco, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous
FABRIZIO POGGI & CHICKEN MAMBO “Spirit Of Mercy, A Collection” (Ultra Sound Records)
(5*****)
De Italiaanse mondharmonicavirtuoos Fabrizio Poggi prezen we hier nog niet zo heel erg lang geleden al eens (mee) de sterren in naar aanleiding van zijn gewaardeerde bijdragen aan het nieuwe album van Guy Davis en dat mogen we nu nog eens dunnetjes overdoen. Van de beste man zelf en zijn groep Chicken Mambo verscheen er zopas immers ook een nieuwe cd. Nu ja, nieuwe… Helemaal nieuw is het niet, wat we op “Spirit Of Mercy” aantreffen. Dat blijkt immers een compacte samenvatting van materiaal (en alternate takes) van de eerder verschenen Poggi-albums “Mercy” en “Spirit & Freedom”. Veelal spiritueel gekleurd bluesspul, waarin nogal wat “schoon vriendenvolk” de revue passeert. We noemen in dat verband onder meer Garth Hudson, Ponty Bone, Charlie Musselwhite, The Blind Boys Of Alabama, Eric Bibb, Debbi Walton, Rob Paparozzi, Guy Davis, Augie Meyers en Flaco Jimenez. Met z’n allen droegen zij bij tot een album werkelijk bulkend van de voortreffelijke songs, gekenmerkt door een ongelooflijke emotionele diepgang. Wat Poggi en co hier brengen is zó doorleefd allemaal, dat het je eigenlijk onmogelijk koud kan laten. Dit is blues met een hart zo groot als de Italiaanse laars zelve. En werkelijk alles klopt eraan ook: van de hoger al geroemde liedjes tot de fluwelen zang van Poggi himself, van de instrumentale bijdragen tot de productionele afwerking. In één woord: bloedmooi!
Fabrizio Poggi & Chicken Mambo
THE REVOLUTIONAIRES “The Joker Royalé” (Revolutionaires)
(4****)
Op dinsdag 30 april aanstaande is Wuustwezel voor bluesliefhebbers weer heel even het muzikale epicentrum van Vlaanderen. Dan vindt daar in het P.C. St.-Godelieve (Achter D’Hoven 63) immers de ondertussen toch ook alweer achtentwintigste uitgave van de “Nacht van de Blues” plaats. Met op de affiche dit jaar naast onze eigenste Tiny Legs Tim, The Reverend Peyton’s Big Damn Band en Doghouse Sam & His Magnatones ook het Britse viermanschap van The Revolutionaires. En tijdens het optreden van die laatsten, zichzelf zonder daarbij te blozen omschrijvend als “pioneers of rhythm & blues for the new millenium”, lijkt een uitermate wild feestje ons nu al zowat gegarandeerd. Afgaande op het op hun vijfde cd “The Joker Royalé” gebodene zullen bezoekers van de “Nacht van de Blues” editie 2013 die bewuste avond zo ongeveer hun laatste druppel zweet in Wuustwezel laten. Zanger-gitarist Ed “Eddie Boy” Stephenson, diens broer en de bassist van de groep Rich “Smiler” Stephenson, saxofonist Gary “R.G. Growler” Hoole en drummer Mark “Slim” Matthews mikken daarop liefst zestien nummers lang ongegeneerd op dansgrage benen. En hoe? Stomend hete R&B is duidelijk hun handelsmerk. Daarbij quasi terloops invloeden als een Louis Jordan, een Big Joe Turner, een Little Richard, een Chuck Berry en een Roy Brown verradend storten de Stephensons en hun maats zich hier met het schuim op de lippen op vreemdmateriaal van onder anderen Magic Sam (“Lookin’ Good”), de al genoemde Big Joe Turner (“Sally Zu-Zazz”), Ray Charles (“Hallelujah I Love Her So”), Sam Cooke (“Nothing Can Change This Love”) en John Lee Hooker (“Boom Boom”). Zestien covers brengen ze in totaal. En geloof ons, die zijn lang niet allemaal even voor de hand liggend! Of wat dacht je van iets als de “slow burner” “The Joker Royalé (St. Louis Blues)” van WC Handy, van het een wervelende exotisch getinte R&B-dansvloermake-over meekrijgende “Americano” van wijlen Renato Carosone of van het tot een ingehouden swingende kuitenbijter ingekleurde “Hole Hearted” van de heavy rockers van Extreme. Heerlijk ruw gebracht allemaal! De ongebreidelde energie van hun live-optredens nadrukkelijk vertalend naar hun studiowerk! Onze lievelingsmomenten daarbij: een heerlijk “honkende” versie van het klassieke “Hound Dog”, een al even catchy neergelegd “Burnt Toast And Black Coffee” van Mike Pedicin en met name ook het op retestrakke wijze de feestelijkheden voor geopend verklarende “Seven Nights To Rock” van Moon Mullican. Feestje!!!
HOLLIS BROWN “Ride On The Train” (Alive Natural Sound Records / Sonic Rendezvous)
(4,5*****)
Dit moet zowat het meest bejubelde nieuwe rootsbandje van de voorbije jaren zijn! En wat ons betreft meer dan terecht ook! Wat Mike Montali, Jon Bonilla, Michael Graves en Dylan DeVito op hun langspeeldebuut brengen is immers echt al wel verbluffend goed. Hoe ze uit de laatste vijftig jaar pop- en rockgeschiedenis een ogenblikkelijk herkenbaar en bovendien ook nog eens buitengewoon catchy eigen geluid weten te distilleren, spreekt meteen tot de verbeelding. Ergens tussen Americana, (roots) rock en pop doen Montali en co zonder ook maar de minste schroom hun ding. En dat resulteert op “Ride On The Train” in tien prachtsongs, waarmee het viertal zich ondertussen al van de nummer-1-stek in de gerenommeerde Euro Americana Chart wist te verzekeren. Van het zomers luchtige, als “Springsteen goes Americana” klinkende titelnummer tot het eerder klassiek opgevatte “meebrulrockertje” “Down On Your Luck”, van de heerlijke, ons een heel klein beetje aan de Jayhawks in hun topdagen herinnerende sleper “When The Weather’s Warm” tot “valse trage” “Nothing & The Famous No One”, dat de Green On Red-fan op jaren in ons vrijwel meteen wist aan te spreken, van het veel meer dan z’n titel dat vooraf doet vermoeden rockende “Doghouse Blues” tot het heerlijk “down to earth” neergelegde “Gypsy Black Cat”, het met haast naïef aandoende gitaarklanken besprenkelde en naar onze bescheiden mening heel erg radiogenieke “Faith & Love”, het zich als een echte wolk van een ballade aandienende “If It Ain’t Me”, het onder vurig snarenwerk kreunende en flink om zich heen stampende “Walk On Water” en het eerder bedaard de feestelijkheden afsluitende “Nightfall”, wat valt er hier ruim zevenendertig minuten lang ongelooflijk veel te genieten. En als je het ons vraagt wacht er deze vier youngsters uit NYC dan ook niets minder dan een stralende toekomst. Dit horen is het allicht onverwijld ook kopen! Vooral doen!
Hollis Brown, Sonic Rendezvous
THE DAUGHTERS OF BLUEGRASS “Pickin’ Like A Girl, The Box Set” (Blue Circle Records)
(4,5*****)
Laat amper iets te wensen over, deze werkelijk monumentale collectie all-female bluegrass. Maar ja, The Daughters Of Bluegrass zijn dan ook niet zomaar een groepje, he. Het betreft hier eigenlijk de muzikale liefdesbaby van mevrouw Tom T. Hall, Miss Dixie voor de vrienden. Zij verzamelde een aantal jaren geleden voor het eerst een soort van vrouwelijke bluegrass all-star cast om zich heen voor het nu als bonus aan de voorliggende collectie toegevoegde “Bluegrass Bouquet”. En met dat project oogstte ze toen zoveel bijval, dat een opvolger eigenlijk gewoon niet kon en mocht uitblijven. Alleen, ons aller Dixie ging de dingen nu wel heel groots zien. Het resultaat: “Pickin’ Like A Girl”, een drie nieuwe cd’s tellende, meerdere generaties aan bluegrassdames overschrijdende collectie Tom T. Hall- en Miss Dixie-songs, tweeënvijftig in totaal, geschreven in hun eentje, met z’n tweetjes of samen met anderen en hier gebracht door zo’n beetje alles wat naam heeft binnen het genre en wel eens een rok draagt. Even wat namen droppen misschien? Dat is eigenlijk gewoon onbegonnen werk, maar goed, de voornaamsten dan maar… En dat zijn toch wel Dixie Hall zelve, Dale Ann Bradley, Laurie Lewis, Alecia Nugent, Donna Ulisse, Fayssoux Starling McLean, Tina Adair, Pam Tillis, Kathy Kallick, Valerie Smith, Sierra Hull, Michelle Nixon, Becky Schlegel, Jeanette Williams, Frances Mooney, Brooke Aldridge, Janette Carter, Stella Parton, Sally Jones, Rebecca Frazier, Becky Buller, Pam Gadd, April Stevens Seiber, de Isaacs- en de Lawrence-zussen, Missy Raines, Donica Christensen, Martha Hearon Adcock, Kristin Scott Benson,… Alleraardigst lijstje al, niet? En dan heb ik nog het gevoel, dat ik bepaalde bekendheden over het hoofd aan het zien ben… Maar goed, eigenlijk moeten we ons hier vooral niet blijven blindstaren op de kwantiteit. Veel belangrijker dan hun aanwezigheid zijn de door alle door Miss Dixie bij het project betrokkenen afgeleverde bijdragen. En die zijn van een dergelijk hoge kwaliteit, dat je als recensent “Pickin’ Like A Girl” zonder ook maar de minste aarzeling aan zowat elke liefhebber van het bluegrassgenre durft aan te bevelen. Hier wordt er met zoveel liefde voor het liedje gezongen en gemusiceerd, dat van mindere momenten eigenlijk amper sprake is. Zelfs wanneer youngsters als Sarah Rigsby (11), Jaelee Roberts (eveneens 11), Cara (13) en Frannie (15) DiGiovanni en Elizabeth “Lizzie” Engle (6) of oude glorieën als Janette Carter ten tonele worden gevoerd stoort dat eigenlijk absoluut niet. En dat is mooi zo. Je wordt er als luisteraar voorwaar zelfs een beetje warm vanbinnen van. Sterke liedjes, bezielde vertolkingen, wat wil een mens nog meer? Wat stand-outs misschien? Wel, die zijn er natuurlijk ook. Voor eenieder wellicht andere, voor ons alvast deze. Om te beginnen “Mama Remember” door Becky Schlegel. Een supergevoelig nummer over een haar moeder met een sterk nalatend geheugen bijstaande dochter. O zo herkenbaar, maar ook o zo mooi. Oók heel erg goed: het grappige “Men”, waarin de lead vocals worden gedeeld door Michelle Nixon, Lizzy & Rebekah Long, Susanne Mumpower-Johnson en Janet McGarry, het de lotgevallen van de sterke Thelma Louise Parker bezingende “The Meanest Lady Cop” door Dale Ann Bradley en de gospeldeun “He Knows The Way” met opnieuw een vocale glansrol voor die laatste. Maar ach, als je ons binnen enkele dagen naar onze favorieten vraagt, dan zullen we er wellicht gewoon een resem andere opsommen. De songs zijn hier immers allemaal nogal aan elkaar gewaagd. Hall-huiskwaliteit, zeg maar! En da’s al jaren een garantie voor de absolute top! Wedden dan ook, dat opvallende afwezigen als een Alison Krauss, een Dolly Parton, een Claire Lynch en een Rhonda VIncent er bij een volgende gelegenheid ook absoluut bij zullen willen zijn? Ons zou zulks alvast helemaal niet verbazen!
Good Home Grown Music, Blue Circle Records, CD Baby
TODD THIBAUD “Waterfall” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
‘t Is eigenlijk amper te geloven, maar ‘t is effectief alweer dik vier jaar geleden, dat de Amerikaanse meester-songsmid Todd Thibaud uitpakte met z’n laatste studioplaat. In 2008 was dat meer bepaald, met het eerder introspectief gehouden “Broken”. En door terloops alvast even op die ene karaktertrek van dat album te wijzen hebben we meteen ook al het voornaamste verschil met ’s mans nieuwe worp te stekken. Op “Waterfall” gaat het er immers een flink stuk pittiger aan toe. Op die plaat regeren liedjes die regelmatig wat meer moeite hebben met de borden met snelheidsbeperkingen langs hun muzikale wegen. Liedjes, waarin de gitaren volop van stal mogen en die mede daardoor gekenmerkt worden door een wat meer rockgeoriënteerd geluid. Meer “Favorite Waste Of Time” of “Northern Skies” dus dan “Broken”, om deze nieuwe ook even binnen Thibauds eigen oeuvre te plaatsen. En daar kwamen we bij onze eerste beluistering ervan al vrij snel achter ook. Gelijk van bij het nerveus pompende “What May Come” is het serieus prijs. Thibaud overduidelijk in rock-modus “this time around”. Iets wat het daaropvolgende “Not For Me” en titelnummer “Waterfall” vervolgens alleen maar fluks bevestigen. Het eerste een catchy, meteen tot meeneuriën uitnodigend rockertje uit dezelfde school als Tom Petty’s “Refugee”, het tweede een “breedbeeldpopdeun” met heerlijk gitaarwerk en vooral ook een zekere hitpotentie. In het ongemeen sfeervolle “When The Evening Falls” gaat het tempo vervolgens heel even wat naar omlaag en waan je je “in no time” in Crowded House-territorium, “Hollow” is dan weer een kanjer van een melodieuze gitaarrocker met een opvallende gastrol voor Bill Janovitz van Buffalo Tom en “Lonesome June” herinnerde ons ritmegewijs voorwaar enkele tellen lang aan “She’s About A Mover” van de Sir Douglas Quintet alvorens in zomers dartele roots rock te culmineren. Aansluitend gaat het aan een rap tempo van swampy roots rock (in het op bezwerende wijze gebrachte “Stranger”) en een power ballad (“All In A Dream”) over “rockin’ Americana à la Thibaud” (“My Own” en “Wears Me Down”) tot twee wat rustiger uitvallende afsluiters. De in zalig rinkelende gitaarklanken badende ballade “Change A Thing” zou je daarbij als “vintage Thibaud” kunnen omschrijven, het akoestische “Evermore” gewoon als een wolk van een folky liefdesliedje. Wat ons betreft als naar goede gewoonte beloond met weer maar eens een goed rapport voor Todd Thibaud! Verdomd jammer toch, dat zo weinig mensen hem vooralsnog kennen…
Todd Thibaud, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous
PAPER AEROPLANES “Little Letters” (Navigator Records)
(3,5****)
Ze vormen pas sinds 2009 een muzikaal stel, maar in de paar sindsdien verstreken jaren hebben Welshmen Sarah Howells en Richard Llewellyn wel al een lange, lange weg afgelegd. Het eerdaags te verschijnen “Little Letters” is zo bijvoorbeeld al hun derde cd samen. En iets, ergens heel diep in ons, meent nu al met klem te mogen stellen, dat het er ditmaal “vol op” gaat zijn voor het tweetal. En dat zal dan wellicht in niet geringe mate te maken gaan hebben met het feit, dat men op deze derde meer richting een volwaardig groepsgeluid evolueert. Wat bleef, dat zijn de kleine “songportretten”, die ergens tussen folk, pop en rock op catchy wijze in de weer gaan met aan het eigen (gevoels)leven van Howells en Llewellyn ontleende thema’s. Van teloorgegane vriendschappen en liefdes (“Sleeper Train”, “Multiple Love”) tot de eigen thuishaven tijdelijk ontredderd achterlatende drama’s als ontploffingen in lokale olieraffinaderijen en dergelijke (“When The Windows Shook”). Een soort van telaatgekomen soundtrack als het ware bij de levens van onze beide protagonisten. “Korte brieven” met telkens één of meerdere herinneringen als uitgangspunt. Muzikaal wat ons betreft te situeren ergens tussen pakweg een Laura Veirs, een Mindy Smith, een Aimee Mann, de latere Fleetwood Mac, Everything But The Girl en Texas.
Paper Aeroplanes, Navigator Records
SHOOTER JENNINGS “The Other Life” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Het voorbije jaar meldde Waylon Albright, ook wel “Shooter”, Jennings zich met het album “Family Man” indrukwekkend terug. De ondertussen 33-jarige zoon van wijlen Waylon Jennings en Jessi Colter zocht in het gezelschap van z’n nieuwe begeleidingsgroep The Triple Crown bij momenten weer behoorlijk nadrukkelijk het kielzog van z’n oudjes op. Een terugkeer naar z’n eigen country roots, zeg maar. Al betekende dat in geen geval het ontkennen van een al even duidelijke voorliefde voor genres als Southern rock en alternative Americana. De jonge Jennings mag nu eenmaal graag van veel walletjes tegelijk eten… En misschien is het wel net dat, wat zo’n interessante verschijning van hem maakt. Het lijkt, alsof hij zo’n beetje overal lak aan heeft. Enkel z’n eigen goesting telt! En dat betekent, dat we hier en nu alsnog worden geconfronteerd met “deel 2” van het aanvankelijk als dubbelaar aangekondigde “Family Man”. Waarom dat feestje toen niet doorging, weten we eigenlijk nog steeds niet, maar we zijn wel blij met Jennings’ beslissing om ons toch ook de rest van de sessies voor dat album nog voor te schotelen, want het is een verdomd lekkere plaat! Een plaat, die begint met een hoogst verrassend te noemen cover. Van de behoorlijk trippy aandoende “Flying Saucer Song” van Nilsson meer bepaald. Een eerste van drie covers in totaal. De twee andere zijn het er met wildeman Scott H. Biram uitgehamerde “The White Trash Song”, je ongetwijfeld wel bekend van Steve Young, en het obscure “15 Million Light Years Away”, van Southern rockers Black Oak Arkansas en hier ook gebracht in duet met hun kopstuk Jim Dandy. Voor het overige enkel en alleen nog Jennings-originelen. En die blijken doorgaans van uitstekende kwaliteit. Zo bewandelt “A Hard Lesson To Learn” op buitengewoon vaardige wijze het slappe koord tussen honky-tonk en (slow) boogie, is “Wild & Lonesome” een heel fraai klassiek opgevat countryduet genre George Jones en Tammy Wynette, wordt in het kloeke “Outlaw You” charismatisch achteromgekeken naar vaderlief Waylon en diens rol binnen het outlaw-gebeuren van weleer en is titelnummer “The Other Life” een wolk van een trage. “The Low Road” en “Mama, It’s Just My Medicine” doen dan weer elk op geheel eigen wijze iets moois met boogie ‘n’ rock, “The Outsider” is voorwaar even regelrechte Waylon-anno nu en het afsluitende “The Gunslinger” neemt in schoonheid nog vlug even epische proporties aan. Vakkundig onderbouwd door het lichtjes fantastische The Triple Crown goed voor zomaar even zes en een halve minuut fabelachtige, graag tot een uitgebreid potje jammen bereide Southern rock, dat laatste nummer. Een behoorlijk fameuze afsluiter voor een al even fameuze plaat, als u het ons vraagt.
Shooter Jennings, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous
BOW THAYER & PERFECT TRAINWRECK “Eden” (Bow Thayer & Perfect Trainwreck)
(3,5****)
De vanuit het Amerikaanse Vermont actieve Bow Thayer is momenteel zowat één van de snelst rijzende sterren binnen het nog alle dagen flink uitdijende Americana-middenveld. Een bevoorrechte status, die hij ons inziens voornamelijk te danken heeft aan zijn wat aparte benadering van de liedjesschrijverij. Thayer concipieert immers zo goed als al zijn songs op de elektrische banjo. En daardoor krijgen die bijna als vanzelfsprekend iets quasi unieks mee. Iets opvallends alleszins. Hoe Thayer elementen uit onder meer Americana, bluegrass, folk en (roots)rock tot kernachtige songs weet te ballen, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Wij noemen hier bij wijze van illustratie graag de melodieuze rootsy rocker “The Beauty Of All Things”, de freaky, banjogestuurde Americana van “Blackstone Valley”, rustpuntje “Eden” en de ambitieuze, zo’n dertien minuten bestrijkende songsuite “Parallel Lives”. Materiaal waaraan, als je ’t ons vraagt, met name wat avontuurlijker ingestelde rootsmuziekliefhebbers desgewenst een flinke kluif kunnen hebben.
Bow Thayer & Perfect Trainwreck, CD Baby
SPENCER BOHREN “Tempered Steel” (Valve Records)
(3,5****)
Met zijn nieuwe cd “Tempered Steel” geeft snarenvirtuoos Spencer Bohren toe aan een eigen “folietje”. Dat album bevat immers enkel en alleen songs gebracht op de lap steel. Een instrument, waarmee Bohren naar eigen zeggen een werkelijk unieke relatie heeft. “It speaks both to me and through me, as if it had a mind of its own,” aldus de beste man zelf in de liner notes van z’n jongste worp. Een album, dat hij verspreid over sessies in maart 2011 en diezelfde maand vorig jaar met wat productionele bijstand van z’n platenbaas Reinhard Finke inblikte in de Tube Temple Studios in het Duitse Solingen. Elf nummers werden daar vereeuwigd. Drie daarvan eigen liedjes, twee bewerkingen van traditionals en verder hoogst originele covers van materiaal van Bob Dylan (“Ring Them Bells” en “Just Like A Woman”), Judy Roderick (“Money Blues”), Leonard Cohen (“Hallelujah”), Blind Willie McTell (“Broke Down Engine”) en Stephen Foster (“Hard Times”). Veelal eerder introvert van aard, volop terend op de door Bohrens lap steel geëvoceerde sferen. Soms eerder Americana, elders eerder blues. Een paar keer ook volledig instrumentaal. (Met name in het quasi-klassieke “Suite Steel”, het ondertussen wel zo ongeveer suf gecoverde “Wayfaring Stranger” en Dylans “sowieso al perfecte” “Just Like A Woman”.) Ideale muziek om bij het intens genieten van “wat lekkers” een lange en vermoeiende dag mee uit te luiden!
AMY SPEACE “How To Sleep In A Stormy Boat” (Wind Bone Records / Tone Tree)
(4****)
Als we het hier allemaal een beetje goed bijgehouden hebben, dan is “How To Sleep In A Stormy Boat” na haar in 2002 verschenen debuut “Fable”, het van vier jaar later stammende en onder auspiciën van Judy Collins ingeblikte “Songs For Bright Street”, “The Killer In Me” uit 2009 en het fraaie “Land Like A Bird” van goed en wel twee jaar geleden al de vijfde volwaardige langspeler van de Amerikaanse Amy Speace. En het is andermaal een heel erg goede geworden. Vol met uitermate bezield gebrachte (epische) liedjes. Even doorleefd als simpel eigenlijk. Veelal intimistisch van aard. Geen moeilijkdoenerij hier. Soms voorzichtig verwijzend naar de keltische balladetraditie. Vaak geschreven in haar eentje, soms ook met wat hulp van anderen als een Anthony DaCosta, een Sally Barris, een Robby Hecht, een Mary Gauthier of producer Neilson Hubbard. Een Hubbard, die hier overigens ronduit voortreffelijk sturend werk heeft geleverd. Wat klinkt deze plaat immers geweldig goed! Ze leeft echt van de erdoor opgeroepen sferen. En van het inhoudelijke element uiteraard ook. Speace is immers een voortreffelijke tekstdichteres. Heel erg belezen ook. En dat bewijst ze onder meer door in het tekstboekje elk liedje door een epigraaf van Shakespeare vooraf te laten gaan. En door je met haar eigen songthema’s regelmatig flink aan het denken te zetten ook. Dat van openingsnummer “The Fortunate Ones” is wat dat betreft een uitstekend voorbeeld. “The fortunate ones”, de gelukkigen worden we daarin genoemd, ook al lijken we dan op de keper beschouwd tijdens ons aardse bestaan zo goed als alles verkeerd te doen. Alles, behalve het najagen van onze eigen dromen, waardoor we zonder het zelf te beseffen verworden tot “the fuel in this crazy machine”. Machtig nummer! En heel erg diepzinnig! En daarmee staat het hier absoluut niet alleen. Volop genieten geblazen vonden wij het bijvoorbeeld ook nog van het met Robby Hecht geschreven en in duet met “rising star” John Fullbright gebrachte “The Sea & The Shore”, het vertederende, het gemis van de eigen grote liefde bezingende “Bring Me Back My Heart” en het wat nadrukkelijker dan veel van de rest hier naar Americana neigende tweetal “Hunter Moon” en “Left Me Hanging”. Dat laatste schreef Speace overigens samen met Mary Gauthier, die we hier in het eerder al even aangestipte “The Fortunate Ones” ook zelf voorbij zagen komen voor wat achtergrondzang. Net als Jill Andrews trouwens. Andere bij de zaak betrokkenen: Neilson Hubbard (piano, vibrafoon, akoestische gitaar en elektrische bas), Kris Donegan (akoestische en elektrische gitaren en lap steel), Thomm Jutz (akoestische gitaar in de ballade “Perfume”), Michael Rinne (staande bas), Eamon McLoughlin (violen), David Henry (cello), Den Sollee (eveneens cello, maar enkel in “Lullabye Under The Willow” dan), Evan Hutchings (drums en percussie) en Dan Mitchell (piano, orgel en trompet).
(Er zal van “How To Sleep In A Stormy Boat” overigens ook een versie verschijnen vergezeld van een exclusieve bonus. Het betreft daarbij een E.P. met een zestal bijkomende liedjes, luisterend naar de titel “Same Old Storm: Deluxe”.)
LARRY HOSFORD “Momentarily Yours” (4th Street Records)
(3,5****)
Elk jaar wel weer wordt er ergens in de States een steen omgedraaid, waaronder dan louter toevallig een wegkwijnend countrytalent op jaren verscholen blijkt te zitten. En dit jaar gebeurde dat in Californië, in Salinas meer bepaald. Daar “ontdekten” Adam Zerbe en Gabriel Gandzjuk van 4th Street Records de ondertussen negenenzestigjarige Larry Hosford. Die nam ergens midden de jaren zeventig twee ondertussen zo goed als onvindbare albums voor Leon Russells label Shelter Records op om vervolgens zo goed als volledig weer uit beeld te verdwijnen. Tot nu, that is. In een met de al genoemde Zerbe (ook harmony vocals) gedeelde productie en met de nodige studiohulp van muzikanten Willie Bryant (gitaar), Charlie Wallace (non-lap en pedal steel en baritongitaar), Jim Lewin (gitaar en mandoline), Rick Shea (gitaar), Harpin’ Jonny Troutner (harmonica), Jerry Bradley (bas), Mike Pupo (drums en percussie) en Victor Phillips (harmony vocals) mocht hij immers zomaar even zestien eigen nummers in neo-retro countrystijl inblikken. En die verraden een bij nader inzicht best wel vaardige schrijfhand. Bij zijn label wijzen ze in dat verband zelfs driftig richting genregroten als een John Prine, een Lefty Frizzell en een Roger Miller. Wij van onze kant dachten eerder aan een Willie Nelson en een Johnny Cash. Al werden we wellicht ook wel wat door ’s mans wat krakkemikkige manier van zingen in die richting geduwd. Wat van het nasale van Nelson, wat van de praatzang van Cash, wat van de vinnige woordenstroom van Prine, voeg die drie samen en dan kom je ons inziens best wel aardig in de buurt! In de buurt van een duidelijk door de tand des tijds aangetaste stem. Een stem waarop wellicht een heleboel potentiële “klanten” zullen afknappen. Wie er echter geen aanstoot aan neemt, zal aan “Momentarily Yours” een heel aardige plaat overhouden. Wij raden nummers als “Cocaine and Liquor”, “Billy Jackson” en “When It Rains” als appetizers aan. Vind je die net als ons goed, dan zit je gebeiteld voor zo’n drieënvijftig minuten country en Western swing zoals die zo’n veertig à vijftig jaar geleden wel meer gemaakt werd, maar vandaag de dag nog amper. Vintage stuff, zeg maar…
Larry Hosford, 4th Street Records
ANDY T - NICK NIXON BAND FEATURING ANSON FUNDERBURGH “Drink Drank Drunk” (Delta Groove Music)
(4****)
Een album met zo’n titel kán eigenlijk amper tegenvallen. En dat doet het dan ook niet! Meer nog, we durven “Drink Drank Drunk” van de voor de gelegenheid met gitaarfenomeen Anson Funderburgh aangevulde Andy T - Nick Nixon Band zonder meer aan te bevelen, vanwege ronduit uitstekend spul! Zo ongeveer alles klopt hier als een bus! Maar ja, met Nixon heeft de groep dan ook een fameuze zanger aan boord. Wat hij doet bulkt echt van de soul. Zó doorleefd allemaal! Heerlijk gewoon! En dan zijn er ook nog de al even sterke songs. Covers van materiaal bekend in de uitvoeringen van onder meer Clarence Gatemouth Brown (“Midnight Hour”), Johnny “Guitar” Watson (“Don’t Touch Me”), Bobby Charles (“No Use Knockin’”), T-Bone Walker (“Life Is Too Short”) en Ray Charles (“I’ve Got A Woman”) en een handvol eigen deunen. Goed voor een wel heel erg bont palet aan bluesplezier! Respectievelijk de West Coast, Chicago, Texas en New Orleans worden door de heren “en passant” aangedaan. Een flinke snuif rock & roll kan daarbij perfect, wat zydeco al evenzeer en uiteraard ook een kloeke shot R&B. Kwestie van de boel lekker levendig te houden! En daarbij mag ook Anson Funderburgh dus geregeld een handje helpen. Zijn vingers dansen gedisciplineerd over de snaren in een viertal nummers, waarvan met name het heerlijk zompige titelnummer ons uitstekend beviel. Dat liedje en de soulvol neergelegde sleper “Don’t Touch Me (I’m Gonna Hit The Highway)”, het accordeongewijs royaal met zydeco besprenkelde “Have You Seen My Monkey” en het uit hoegenaamd al z’n poriën geil werkende “You Look So Good” zouden eigenlijk al ruimschoots moeten volstaan om je met betrekking tot dit album over de streep te trekken. Maar wees gerust, ook de overige acht nummers zijn van uitstekende makelij!
Andy T - Nick Nixon Band, Delta Groove Music
RUTH MOODY “These Wilder Things” (True North Records)
(5*****)
Wat hebben we aan de liedjes van deze Canadese schone al veel plezier beleefd! Bij The Wailin’ Jennys eerst, het trio dat ze na haar periode als kopstuk van de rootsband Scruj MacDukh samen met Nicky Mehta en de ondertussen door Annabelle Chvostek en later Heather Masse vervangen Cara Luft mee oprichtte, en meer recent ook op haar soloplaten natuurlijk. Al op het voor een Juno genomineerde “The Garden” uit 2010 en ook nu weer op de eveneens door David Travers-Smith geproduceerde opvolger daarvan, het werkelijk van de eerste tot de laatste noot beklijvende “These Wilder Things”. Met haar warme sopraanstem steelt Ruth Moody daarop tien nummers lang onophoudelijk de show. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker is het, wat ze doet! Van haar meteen in het oog springende, zo goed als volledig onthaaste akoestische Americana-versie van Bruce Springsteens “Dancing In The Dark” tot het al even innemende, stemgewijs met Aoife O’Donovan van Crooked Still gedeelde en door Jerry Douglas van fraai dobrowerk voorziene “One Light Shining”, van de door Dire Straits-gitaarheld Mark Knopfler van wat karakteristiek snarenwerk en zang voorziene ballade “Pockets” tot het sprankelende, met haar collega’s Wailin’ Jennys vocaal rugdekking verlenend gebrachte streepje rootspop “One And Only” of buitengewoon sfeervolle ingetogen pareltjes als het titelnummer of “Trees For Skies”, hier valt er zó ontzettend veel te genieten! En dan vergaten we nog bijna het door een opgemerkte eigen banjobijdrage erin behoorlijk old-timey uit de hoek komende en ook al verbluffend knappe “Trouble And Woe”, de pianoballade “Make A Change”, het mede door fijn fluitspel van Mike McGoldrick net wat meer dan de rest hier richting (Keltische) folk overhellende “Life Is Long” en de sprankelende afsluiter, Moody’s ode aan de liefde “Nothing Without Love”. Werkelijk bloedmooi allemaal! Geen wonder, dat Mark Knopfler haar op basis hiervan gevraagd heeft om binnenkort in mei en juni als openingsact te fungeren tijdens zijn Europese optredens in onder meer Nederland, Frankrijk en Engeland. En goed vooral ook voor mooie Moody, want geloof ons vrij, ze gaat er weer heel wat nieuwe vrienden aan overhouden!
Ruth Moody, True North Records
QUIET HOLLERS “I Am The Morning” (Quiet Hollers)
(3,5****)
Eindelijk weer eens plaat, waarvoor je als recensent zonder al teveel nadenken de omschrijving alternatieve country uit de kast durft te halen! Iets wat de jongste maanden op de keper beschouwd steeds minder vanzelfsprekend leek te worden. Verantwoordelijken daarvoor zijn de vijf van Quiet Holler, een groep uit Louisville, Kentucky, die om zichzelf te plaatsen de namen van acts als The Lumineers, Lucero, Deer Tick, The Avett Brothers en The Replacements noemt. En daar zouden wij er met Frog Holler eigenlijk graag nog eentje aan toevoegen. Dat was immers de richting, waarin wij bij het horen van hun songs meteen dachten. En dat mag je als een serieus compliment beschouwen, want die groep rond Darren Schlappich staat hier sinds jaar en dag bijzonder hoog aangeschreven. En Quiet Hollers derhalve vanaf nu dus ook al een beetje. Shadwick Wilde (zang, elektrische en akoestische gitaren, harmonica en banjo), Adam Buntain (akoestische gitaar en bas), Aaaron West (violen), Nick Goldring (drums, mandoline, accordeon en zang) en Ryan Scott (bas en zang) slagen er op hun debuut wonderwel in om de kloof tussen hun punkrockverleden en hun actuele voorkeur voor Americana te dichten. Wilde’s songs, hoe introvert bij momenten ook, houden altijd wel iets van een ruw randje achter de hand. Klinkt vreemd misschien, maar het is wel zo. En misschien was dat wel net één van de factoren, waardoor wij de acht songs op “I Am The Morning” al snel gingen appreciëren. Dát en het opvallende spel van beurtelings zachtzinnig en al schreeuwend aangereikte woorden, van afwisselend hardere elektrische gitaren tegenover een weelde aan akoestische instrumenten, met voorop violen, een banjo en een mandoline. Een fijn plaatje, rijk aan contrasten! En een echt groeiertje ook!
OLD MAN LUEDECKE “Tender Is The Night” (True North Records)
(4****)
Het onlangs voor een Juno Award genomineerde “Tender Is The Night” is na “Mole In The Ground” uit 2003, “Hinterland” uit 2006, “Proof Of Love” uit 2008, “My Hands Are On Fire And Other Love Songs” uit 2010 en het met Lake Of Stew gedeelde “Sing All About It” van twee jaar geleden al het zesde album van de sympathieke Chris “Old Man” Luedecke uit Chester, Nova Scotia in het oosten van Canada. Die Luedecke, zo leerden we de voorbije jaren, is een buitengewoon fijne zanger, een al even vaardige songsmid, maar bovenal ook een kanjer op de banjo. En dan was er natuurlijk nog zijn uitgesproken voorliefde voor bluegrass en andere old-time string band music. Lang voor het door groepen als Mumford & Sons en The Civil Wars plots hip werd om met een banjo in de hand rond te gaan zeulen maakte Luedecke er al zijn handelsmerk van. En dat legde hem bepaald geen windeieren ook. Niet enkel wist hij er een ondertussen flink uitgedijde fanschare mee aan zich te binden, met zijn bij momenten best wel wat aan de betreurde John Hartford herinnerende aanpak won hij vooral ook het respect van heel wat gerenommeerde collega’s. En dat valt hier en nu dan weer af te lezen van de muzikale bezetting voor “Tender Is The Night”, die nieuwe cd van ‘m. Voor de productie daarvan tekende immers niemand minder dan Tim O’Brien. En terwijl die toch in de buurt was, nam hij ook maar wat zangpartijen en bijdragen op respectievelijk mandoline, fiddle, bouzouki en gitaren voor zijn rekening. Mike Bub van zijn kant stond in voor het “bepotelen” van de bas, Kenny Malone tekende voor het percussiewerk. Het resultaat: dertien, hoegenaamd zonder uitzondering bijzonder aangenaam wegluisterende liedjes, waarin bijna onopvallend vele decennia aan rootsmuziek vervat blijken te zitten. Nu eens heerlijk uitgelaten (het lentefrisse duo “I’m Fine (I Am, I Am)” en “Kingdom Come”), dan weer eerder ingetogen (“Song For Ian Tyson”, een ode aan z’n bekende zingende landgenoot). Nu eens goed voor een brede grijns op je gezicht (“Little Stream Of Whiskey”), dan weer wordt er voorzichtig een traan weggepinkt (“Can’t Count Tears In The Ocean”). Nu eens verhalend, duidelijk mikkend op luisterende oren (“Jonah & The Whale”, “Tortoise & The Hare”), dan weer lekker swingend, met het vizier gericht op dansgrage benen (“This May Hurt A Bit” en “Roll In My Sweet Baby’s Arms”). Een plaat een beetje zoals het leven zelf eigenlijk: heerlijk gevarieerd, tot het er eenmaal is weet je niet, wat er op je afkomen zal.
Old Man Luedecke, True North Records
BART DE WIN “Easy To See” (Shine A Light Records / Lucky Dice)
(4****)
Gods wegen en die van de posterijen wereldwijd blijken helaas niet altijd even doorgrondelijk. En dus gebeurt het wel eens, dat een plaat veel later dan oorspronkelijk voorzien op onze schrijftafel belandt. En dan gaan er natuurlijk meteen enkele vragen branden. Schrijven we er nog over of niet? Is het ruim een half jaar na de release ervan überhaupt nog wel relevant om over dat “nieuwe” album je mening neer te pennen? Er ligt sowieso nog genoeg echt nieuws op behandeling te wachten… Meestal betekent het gaan stellen van die vragen ze voor jezelf eigenlijk ook al zo goed als beantwoord hebben en wordt er daadwerkelijk gewoon aan de betrokken platen voorbijgegaan. Jammer, maar helaas… Niet echter, wanneer zo’n laat arriverende plaat zó goed blijkt als de nieuwe van de sympathieke Nederlander Bart de Win. Na “The Simple Life” uit 2009 en “Little World” van twee jaar geleden de door die rassongsmid voor een loepzuivere hattrick nog benodigde derde voltreffer. Een verbluffend mooi album weer, waarop de Win als vanouds op eigenzinnige wijze een geheel eigen draai aan het begrip Americana meegeeft. En dat betekent, dat we ook nu quasi “en passant” weer heel wat muzikaal terrein bestrijken. Van het lijzige pubrockertje “Next Time” tot de (pianogestuurde!) Americana van “Close The Door”, van het voorzichtig bluesy gekleurde “Dear Memory” tot het zelfs wat naar reggae neigende “These Are The Times”, van het buitengewoon soulvolle “Stepping Through” tot de in duet met Arianne Knegt gebrachte breekbare akoestische rootspop van “Easy To See”, van het verhalend-countryeske, met BJ Baartmans op de banjo opgenomen “Songs” tot de late night jazz-benadering van “No Sugar”, van het ergens tussen Ray Charles, Tony Joe White en Dr. John strandende “You Really See Me” tot het rootsy rockertje “Man Out Of Me”, van het folky, een beetje à la John Gorka de eigen lang vervlogen kinderjaren evocerende “Gone” tot het afsluitende “Riversong”, een mooi popliedje tout court, je glijdt hier als luisteraar werkelijk van de ene in de andere prachtluisterervaring. Die heerlijke gebronsde stem! Die mooie, o zo herkenbare teksten! Dat muzikale meesterschap! Alles klopt hier gewoon! En eigenlijk hoeft dat zelfs niet eens te verwonderen. Van de Win zelf wisten we ondertussen immers al, hoe goed hij wel is, van producer BJ Baartmans eveneens en ook aan de capaciteiten van andere betrokkenen als Walt & Tina Wilkins, Kim Deschamps, Jimmy Davis, JT Nero & Allison Russell oftewel Birds Of Chicago, Iain Matthews, Gillad Atzmon en ’s mans begeleidingsgroep The Simple Life hoefde vooraf eigenlijk absoluut niet te worden getwijfeld. Het logische gevolg van zoveel getalenteerde en bovenal ook gepassioneerde vaklui op een kluitje is een plaat, waarvan je als luisteraar nu al weet, dat je ze binnen pakweg twintig of dertig jaar nog altijd met evenveel plezier uit de kast zal blijven halen als nu. Chapeau daarvoor andermaal, beste mijnheer de Win! Het lange wachten was meer dan de moeite waard…
JOHN PRIMER & BOB CORRITORE “Knockin’ Around The Blues” (Delta Groove Music)
(4,5*****)
Als je muzikale paden door de jaren heen zo vaak kruisen als die van John Primer en Bob Corritore, dan valt een samenwerking na verloop van tijd eigenlijk amper nog uit te sluiten. En da’s dan ook exact wat we krijgen op “Knockin’ Around These Blues”. Primer, sinds jaar en dag in de weer om het traditionele bluesgeluid van Chicago in stand te houden, en Corritore, harmonica-maestro par excellence, laten je daarop tien nummers lang alle hoeken van het bluescanvas zien. In een productie van Corritore zelf en met de nodige studiohulp van kanjers als pianist Barrelhouse Chuck, gitaristen Billy Flynn en Chris James, bassisten Bob Stroger en Patrick Rynn en drummers Kenny “Beedy Eyes” Smith en Brian Fahey leveren ze een heus Chicago-bluesmeesterwerk af. Daarbij wordt er uitvoerig geput uit het oeuvre van Windy City bluesiconen als Jimmy Reed (“The Clock”), Little Walter (de sublieme sleper “Blue And Lonesome”), Willie Dixon (“Just Like I Treat You”), Robert Lockwood, Jr. (“Little Boy Blue”) en anderen. Maar ook materiaal van Primer (de sympathieke mid-tempo shaker “When I Get Lonely”) en Corritore (het wervelende, z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “Harmonica Joyride”) zelf passeert terloops de revue. Samen goed voor een echt “monster” van een plaat! Heerlijk “greasy”! Chicago blues zo goed als je die sinds de hoogdagen van het genre amper nog hoorde!
John Primer, Bob Corritore, Delta Groove Music
(4****)
Nynke Laverman is wat je noemt een heus (folk)fenomeen. Wat ze doet blijft “nach wie vor” volstrekt uniek. Ook op haar nieuwe cd “Alter” weer. De manier waarop ze op die plaat “haar” Fries bedt in een hoogst eigenzinnige hybride van (Noord-)Europese, mediterrane en Latijns-Amerikaanse folkelementen, verraadt nadrukkelijk een duidelijke visie. Met name die van de buitengewoon zelfbewuste poëte, die zoveel meer wil zijn dan alleen maar een populaire artieste. Met haar geesteskinderen lijkt ze vooral ook te willen fungeren als een aantrekkelijke ambassadrice voor de taal waarin haar eigen verleden, heden en allicht ook toekomst geworteld zitten. En net door te opteren voor een dermate eclectisch ingevulde uitdrukkingsvorm wordt haar kans op slagen natuurlijk alleen maar rianter. In die mate zelfs, dat het als het ware als één langgerekte ode aan het adres van de zo stilaan voorzichtig weer haar opwachting makende lente en andere ontluikende nieuwe levensvormen opgevatte “Alter” ook nadrukkelijk hengelt naar internationale erkenning. Iets waarvoor Laverman ook een beroep deed op de veel gelauwerde producer-gitarist Javier Limón, onder meer bekend van zijn werk met Paco de Lucia, Mariza en Carlinhos Brown. En die stuwt haar hier geregeld naar eenzame hoogten! We noemen in dat verband om te beginnen al het briljante “Foarjiersfers”, een werkelijk oorstrelend mooie, op een gedicht van Rutger Kopland geënte hymne aan de lente. Of “Dūns Fan De Siedden” ook, waarin over een soort van verkapt tangoritme een zucht van verlichting bij het zien van de na een lange winter weer volop ontwakende aarde wordt geslaakt. Of “Nei Hūs”, waarin de protagonist(e) onder een voorzichtig Iberisch-Noord-Afrikaans geïnspireerde muzikale lappendeken vooral op zoek naar zichzelf blijkt. Oók héél mooi: het ogenschijnlijk als een doodgewoon liefdesliedje beginnende, maar op een enigszins magisch-realistisch aandoende noot eindigende “Foarsizzing”, het over een verleidelijk Zuiders ritme over (voorjaars)gevoelens van eindeloze liefde dansende “Balts”, “Awaiting”, het enige niet-Friese liedje van deze collectie en een monoloog aan het adres van de ongeboren liefdesvrucht in het eigen lichaam, het met de Friese poëet Tsjebbe Hettinga geschreven (en gebrachte) “Eftereach” en zeker ook “De Brulloft”, een sublieme cover van Lhasa de Sela’s “I’m Going In” en een passionele smeekbede om onvoorwaardelijke, het aardse bestaan overstijgende overgave. Dat laatste is wat ons betreft zo ongeveer het ideale voorbeeld om mee te illustreren, hoe goed Laverman wel is in het verklanken van gevoelens, het vertalen van gewaarwordingen van welke aard dan ook naar woord en lied. Iets waarbij ze aan het buitengewoon melodieus aandoende Fries overigens een erg fijne “partner in crime” heeft…
MELISSA GREENER “Transistor Corazón” (Anima Records)
(3,5****)
Net als heel wat collega-Americana-recensenten ben ook ik heel erg te spreken over “Transistor Corazón”, de derde van de dezer dagen in Nashville gehuisveste zingende liedjesschrijfster Melissa Greener. Die blijkt immers niet enkel gezegend met een prachtig lijf en een al even tot de verbeelding sprekende stem, maar vooral ook met een buitengewoon vaardig schrijfhandje. Jaren van boeken jatten uit de plaatselijke schoolbibliotheek lieten duidelijk een diepe indruk na. Met dank aan met name de heren dichters Thomas, Service, Dickenson en Yeats. Hun gedichten, een aan diverse muziekjes rijke jeugd in Detroit, een langdurig oponthoud in muziekstad Austin en een behoorlijk avontuurlijk bestaan überhaupt vormden Greener tot wat ze vandaag de dag is. En dat is een bijzonder bekwame songsmid. Een croonende folkdiva in wording, die op haar nieuwe worp naar eigen zeggen vooral de complexere kantjes van het hart exploreren wil – “The machinery versus the soul, the circuitry versus the spirit.” Hoogst interessant allemaal! En al zeker, als je het dan ook nog eens zo weet te verpakken als Greener. In een productie van de ook van zijn werk met onder anderen Hayes Carll, Josh Rouse en Richard Julian bekende Brad Jones houdt die het immers heerlijk ruim hier. Ze eet van wel heel erg veel muzikale walletjes tegelijk: van eigentijds benaderde torch songs (“Ghost In The Van”) tot radiovriendelijk (roots)rockspul (“The Mess Love Made”, “Jackson”), van eerder klassiek opgevatte folkdingen (“With The Weather”, “Inisheer” en “Why”) tot Tex-Mex (titelnummer “Transistor Corazón”), van soulvol gemijmer (de Jesse Winchester-cover “That’s What Makes You Strong”) tot pure popseductie (het bij de Beatles geleende en hier compleet onthaaste “If I Fell” en het zomers-eigenzinnige “Always”). Vraiment très, très chouette!
THE LEAVERS “Once Upon A Time” (South Of The River Records)
(3,5****)
Vanuit Austin, TX bereikte ons onlangs het debuut van de ons voorheen volslagen onbekende Leavers. Die groep rond de grofgevooisde singer-songwriter Steven Ray Will bleek bij nader inzicht uit louter “veteranen” van het lokale muziekgebeuren aldaar te bestaan. Voor ze tot The Leavers toetraden verdienden Will (zang en slaggitaar) en kompanen Alan Durham (lead- en slidegitaar), Tim McMaster (bas en zang) en Jeremy G. Bow (drums) immers stuk voor stuk al uitgebreid hun sporen naast of achter collega’s als Tom Gillam, Alejandro Escovedo, Jon Dee Graham, Will en Charlie Sexton, Robert Earl Keen, Bruce en Charlie Robison, Kelly Willis, Rusty Wier en tal van anderen. En met dat indrukwekkende namenlijstje is de toon meteen ook gezet. Met name die van de drie eerst opgesomde acts blijken best wel indicatief voor wat je op “Once Upon A Time” wacht. Dat blijkt immers een uiterst potente mix van Americana en roots rock op z’n Texaans te zijn. Met in gitaren gedrenkte (country)rockers à volonté, maar evengoed met een aardige dosis aan met buitengewoon veel passie gebrachte tragen. Zes daarvan originelen, vier covers. Prima covers! Van “Joey”, de “creepy” ballade, die indertijd eerder onverwacht uitgroeide tot de grootste hit op het repertoire van Concrete Blonde, van “Miss Ohio” van Gillian Welch ook, hier gebracht à la iets van The Band, The Band Of Heathens of The Resentments, van Blaze Foley’s genreklassieker “Clay Pigeons” en van “Let The River Run Dry” van Jay Thomas, een in Austin naar verluidt ook al flink aan de weg timmerende nieuwkomer. Voor de productie van “Once Upon A Time” tekenden Steven Ray Will zelf en Joe Carroll.
CARA LUFT “Darlingford” (Blue Case Tunes / CRS)
(4****)
Met “Darlingford”, de opvolger van het al in 2007 kort na haar vertrek bij The Wailin’ Jennys verschenen “The Light Fantastic”, haar ondertussen derde soloplaat, slaat de Canadese Cara Luft veel meer nog dan in het verleden al spijkers met koppen. Het is hoe dan ook haar meest persoonlijke plaat tot op heden geworden. Duidelijk getekend door recente “zure” gebeurtenissen in haar eigen leefwereldje. En dergelijke inspiratiebronnen zorgen zoals algemeen geweten doorgaans voor de zoetste pennenvruchten. Zeker dan, als je zoals Luft, de kunst verstaat om aan je eigen gebroken hart universele waarheden te ontlokken, waarin de gemiddelde luisteraar zich gemakkelijk zal terug weten te herkennen. Iets waarvan de Canadese zich overigens ook zelf maar al té bewust lijkt, aangezien ze in het booklet bij haar nieuwe cd dienaangaande H.A. Overstreet citeert: “I have my own particular sorrows, loves, delights; and you have yours. But sorrow, gladness, yearning, hope, love, belong to all of us, in all times and in all places. Music is the only means whereby we feel these emotions in their universality.” Dertien songs leverde dat in totaal op. Twaalf plus één live bonus track (“Charged!”) eigenlijk. Vier daarvan blijken covers: van Waterboys-kopstuk Mike Scotts “Bring ‘Em All In”, van Derroll Adams’ “Portland Town” en van de traditionals “He Moved Through The Fair” en “The Ploughboy And The Cockney”. Voorts enkel originelen, door Luft in haar dooie eentje gepend of samen met Lewis Melville en een enkele keer ook Lynn Harbaugh. Fraai rootsy folkspul, veelal van het eerder bezadigd opgevatte type. Soms met een bescheiden knipoog richting (roots) pop of country. Doorgaans met een instrumentale hoofdrol voor de fiddle van Jesse Zubot. En met verder onder meer ook tal van (akoestische en elektrische) gitaren, banjo, mandoline, pedal en lap steel, accordeon, hambone, Hammond-orgel, drums en percussie, een heus strijkkwartet en gezongen bijdragen van JP Hoe, Tim O’Brien, Keri Latimer, Andy Worthington en Keith MacPherson. Allemaal ten dienste van de pen en vooral ook de stem van Luft zelve. Die verleidelijke zoete alt, die bij zo menig een veel bekendere collega weer spontaan het schaamrood over de wangen zal jagen… Onze, zoals gewoonlijk onverbintelijke luistertips: Lufts werkelijk bloedmooie lezing van het klassieke “He Moved Through The Fair”, het bedrieglijk vrolijke “My Darling One” en de ontwapenende biecht uit eigen gevoelsleven “Bye Bye Love”. Goed voor een volgende Juno award?
Cara Luft, Continental Record Services
GOES EN DE GASTEN “Veur ’t zelfste geld” (Muda)
(4,5*****)
Om het met de gevleugelde woorden van een Amerikaanse spitsbroeder te zeggen: “I don’t like Michel Goessens… I love the guy!” En de reden daarvoor is behoorlijk voor de hand liggend. Aan prima songwriters geen gebrek in ons landje, maar storytellers van het kaliber van de voormalige Aardvark-bevolker… Da’s toch een ander paar mouwen! Goessens is wat dat betreft een echte crack. Zijn liedjes hebben bij nader inzicht wel iets van door klikgrage amateurs gemaakte foto’s. In die zin, dat ze zo op het eerste gezicht ook volkomen op toevalligheden lijken te berusten. Op door het moment ingegeven inspiratie. Het verhaal vertellend van een als passerende dorpsbewoner louter toevallig meegekregen gebeurtenissen. Allerminst volkomen van wezen, maar allicht net daardoor heel erg vitaal. Ze tonen het leven immers zoals het is. Kodakmomenten van verbazing en nieuwsgierigheid. Niet zelden op het kruispunt van het gewone en het duistere. Want dat lijkt Goes’ dada wel. Hij ziet wat anderen ook zien, maar ook wat er daarachter (aan vaak minder fraais) schuil gaat. En dat levert op het volledig in het “Sleins” (het dialect van Sleidinge, een deelgemeente van Evergem, even ten noordwesten van Gent) gebrachte “Veur ’t zelfste geld” een veertiental behoorlijk beklijvende verhalen op. Zoals de over een relaxte JJ Cale-achtige groove heen gedrapeerde dorpsroddels over “De jongsten van Laroy” (“Dat es genen gewonen!”). Of de zomerse, aan het gepoch van een lichtjes doordravende verzamelaar van ooit vooral aan overleden rocksterren toebehoord hebbende curiosa opgehangen Americana van “Het zal wel zijn”. Of het Waitsiaanse rammelbluesje “Knip van Sleine”, waarin er eentje – Een verknipte? – de weg vraagt naar de psychiatrische instelling Van Sleidinge. Of het op het eerste gehoor eerder onschuldige, zo ongeveer aan wandeltempo gedeclameerde “Nonkel Georges” over een reisgrage “brave nonkel”, die bij nader inzicht wel zo z’n redenen heeft om er constant opnieuw op uit te trekken. “De mensen zijn daar nog mé weinig content / Mé geld in au zakken zijde daar nen echten vent / Vriendelijke meiskes – Love you longtime / Gewillig en gedienstig – All of the time,” luidt het daarin veelzeggend. En dan hadden we het nog niet gehad over het best wel wat desolaat aandoende, banjogestuurde “De lijne van mijn leven”. Daarin leidt door een handlezeres verkondigd slecht nieuws ogenblikkelijk tot het met een mes eigenhandig verlengen van de levenslijn uit de titel ervan door de door het lot opgejaagde. Nog zo’n, een weinig “creepy” aandoende deun is de intimistische pianoballade “Rosa”. Daarin horen we het aandoenlijke gejammer van een de hemel aanroepend oud moedertje, dat haar zoon net met een zak vol botten van het plaatselijke kerkhof heeft zien terugkeren. Een topmomentje! En da’s iets wat zeker ook geldt voor het een geen al te prettige jeugd verradende “Al dadde zegt”, het ingetogen schuifelend verweer van een net een keer te veel gepeste kleine jongen. En misschien nog wel meer voor het bluesy “Kop in ’t zand” en het intrieste “We komen wel af”. In het eerste blijken spreken en zwijgen in exact diezelfde volgorde als vanouds zilver en goud, in het tweede komt berouw na de zonde. Wie aan dat laatste geen brok in de keel overhoudt, is gewoon van steen. Die ene loze belofte… Wel duizend keer opnieuw gemaakt… We komen wel af! En nu… Nu is ze dood… Elke keer opnieuw mag ik na het beluisteren van dit nummer de opstaande haartjes van mijn armen gladstrijken. Een kippenvelmoment van formaat heet zoiets! En alleen daarom al zou ik jullie “Veur ’t zelfste geld” van Goes & De Gasten ook van ganser harte kunnen aanbevelen. Maar dan zou ik een heleboel andere nummers hier vreselijk te kort doen en dat doe ik uiteraard liever niet. O, en voor ik het vergeet, Goessens’ gasten, dat zijn ook bepaald niet van de minsten! Of wat dacht je van namen als HT Roberts, Bruno Deneckere, Lieven Tavernier, Filip de Fleurquin, Gijs Hollebosch, Niels Delvaux, Jan Borré en Mario Vermandel? Schoon volk inderdaad! En ‘n “vrie schuune” cd ook!
PHIL ODGERS “The Godforsaken Voyage” (Cargo Records / Suburban Records)
(3,5****)
Verrassend goed eigenlijk, deze soloplaat van Phil Odgers. Een man, die al wat oudere jongeren onder ons zich graag nog zullen herinneren als één van de dragende krachten achter The Men They Couldn’t Hang, de Britse groep die met name in de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw met albums als “Night Of A Thousand Candles”, “How Green Is The Valley”, “Waiting For Bonaparte” en “Silvertown” samen met The Pogues het folkgenre een gesmaakte facelift verkocht. Platen, die wij overigens ook nu nog op regelmatige basis graag nog eens mogen opleggen! Het zegt iets over de tijdloze kwaliteit ervan. Benieuwd, of we dat over dertig jaar of zo ook over deze soloschijf van Odgers zullen mogen schrijven. Want die is, zoals hier hoger al even gesteld, best wel goed. Odgers werkte er opnieuw voor samen met producer Mick Glossop, in het verleden ook al verantwoordelijk voor zo menig een The Men They Couldn’t Hang-album. Oorspronkelijk was het hun bedoeling om samen een EP te vullen met favoriete covers. Maar de online-reactie op Odgers’ mooie versie van Kris Kristoffersons “Sunday Morning Coming Down” was zo overweldigend, dat men al snel van dat plan afstapte en gewoon een volwaardige langspeler inblikte. En daarop belandden naast de al genoemde uitvoering van “Sunday Morning Coming Down” ook nog covers van “Through The Morning, Through The Night” van Gene Clark en “Bottom Of The Night” van Tom Waits (& Kathleen Brennan). En die blijken bij nader inzicht al even geslaagd uit te vallen. Zeker die van “Through The Morning, Through The Night”, waarvoor Odgers wat vocale bijstand kreeg van folkdiva Eliza Carthy. Eén van de vele opvallende gasten hier, die Carthy, naast onder meer ook nog Nick Reynolds van Alabama 3, John Jones van de Oyster Band, Morrissey-begeleider Johnny Bridgewood, Slim van Urban Voodoo Machine en Tom Spencer en Jon Odgers van… The Men They Couldn’t Hang. Samen met Odgers en z’n muzikanten verkennen zij tien nummers lang de grenzen tussen folk, country, pop en rock. En dat leverde quasi “en passant” enkele echte verhalende hoogstandjes op. Met name het titelnummer is er zo eentje. Daarop wordt tegen een voortdurend tussen folk en country twijfelende achtergrond het verhaal van een stel zich gewelddadig tegen de sluiting van de fabriek waar ze werken verzettende arbeiders verteld, dat eindigt met hun transportatie naar het verre Australië. Een echte prachtliedje! En zo bevinden er zich op “The Godforsaken Voyage” wel meer. We denken hier dan bijvoorbeeld in de eerste plaats ook nog aan het met Eliza Carthy en John Jones gebrachte “Dusty Fields”, aan het heerlijk melancholische “Coming Home” en aan het enigszins bevreemdend werkende “The Master’s Whip”.
The Men They Couldn’t Hang, Cargo Records, Suburban Records
NANCY DUTRA “Time Will Tell” (Dutrasweet Music)
(4,5*****)
Dit zou straks, aan het einde van kalenderjaar 2013, wel eens dé verrassing van het voorbije Americana-seizoen kunnen gaan blijken. Wat een plaat, dit debuut van de jonge Canadese Nancy Dutra! Geen wonder eigenlijk, dat ze nu al gerenommeerde collega’s als een Ron Sexsmith en een Kevin Welch tot haar vaste aanhang mag rekenen. Allebei bleken die trouwens ook bereid om mee te pennen aan een nummer voor “Time Will Tell” en allebei leveren ze ook gezongen bijdragen aan het album. En daarmee waren ze lang niet de enige bekende betrokkenen. De onder meer van zijn werk voor Jill Barber en Madison Violet bekende Les Cooper produceerde Dutra’s visitekaartje immers en ook Justin Rutledge, Jason Wilber, Chris Bennett en Old Man Luedecke droegen een steentje eraan bij. En dus zit louter muzikaal gezien alles hier vanzelfsprekend ook wel snor. Maar dé grote blikvanger is en blijft toch wel Dutra’s geweldige stem. Met dat fluwelen godsgeschenk lijkt ze echt alles aan te kunnen. Elf nummers lang hield ze ons alvast aan haar lippen gekluisterd. Van de ons best wel wat aan dames als een Lynn Miles of een Lucinda Williams herinnerende Americana-schuifelaar “Tears Would Fall” tot het poppy titelnummer, van het mede door een fijne orgelbijdrage van Robbie Grunwald en partnerzang van John Prine’s jarenlange rechterhand Jason Wilber erg soulvol uitvallende “Your Time Is Through” tot de met Justin Rutledge gebrachte alternatieve tranentrekker “Weak, Weary & Worn”, van de met Ron Sexsmith gepende en ook vocaal gedeelde prachtballade “Sweet Tomorrow” tot het met bluegrass stoeiende “Ride That Train”, van het licht jazzy swingertje “Bye Bye Baby” tot de volbloed-country van “I Cry” of de ingetogen Kevin Welch-co-write “Nowhere Left To Fall” en andere, je zal hier vergeefs op ook maar één enkel minder moment zitten te wachten. Werkelijk bloedmooi allemaal en derhalve ook van ganser harte aanbevolen! Zeker aan liefhebbers van het materiaal van de hoger al genoemde dames en aanverwante vrouwelijke zielen als Iris DeMent, Pieta Brown, Audrey Auld en Eliza Gilkyson.
ARTHUR LEE LAND “Cracked Open” (Perfect Groove Records)
(3,5****)
Het minste wat je van de muziek van Arthur Lee Land zeggen kan, is dat die wel heel erg avontuurlijk van opzet is. En het is derhalve ook niet echt vanzelfsprekend om er een passende niche voor te vinden, om er een voor iedereen lekker gemakkelijk labeltje op te plakken. Land bedient zich van elementen uit onder meer folk(rock), bluegrass, world beat en elektronische muziek om tot iets echt wel volstrekt unieks te komen. En dat leidde in het verleden in de pers al tot behoorlijk “aparte stickertjes” erop. Of wat dacht je van termen als “electro-americana”, “afrograss-folktronica” en “altronicana”? Je moet er maar op komen! Wij houden het hier gemakshalve gewoon op “iets speciaals”. Iets op vreemde wijze fris aandoend ook. En dat hadden we, afgaand op wat voorafgaandelijk onderzoek op het internet, eigenlijk niet echt verwacht. Daarvoor leek het ons allemaal net iets té gemaakt. Maar goed, ook wij vergissen ons dus wel eens, he… En dat hadden we gelijk vanaf openingsnummer “Cracked Open” geweten ook. Middels nerveus snarengetokkel en warmbloedige zang wist Land ons daarmee gelijk voor z’n zaak over de streep te trekken. Een leuke hybride van folk(rock) en bluegrass, dat liedje. “After The Eclipse” stoeit vervolgens op zomerse wijze met pop, roots en een beat, “Left Hand Creek” is voorzichtig etherische, melodieuze (folk)pop, “Good Enough” doet (met name banjogewijs) iets heel moois (en heel radiovriendelijks ook) met pop en bluegrass en het licht onderkoeld gebrachte “Do You Ever Think Of Me?” diept dat gegeven zelfs nog wat meer uit. “Into The Waters” leeft vervolgens van iets als een Iberisch ritme, “Undertow”, het naar onze bescheiden mening met afstand mooiste nummer hier, staat garant voor enkele minuten ingetogen popperfectie en “Hawthorne Tree”, gebracht met wat vocale ondersteuning van bekende gasten Beth Nielsen Chapman en Leigh Nash, zal dat mede door z’n wel erg klantvriendelijke beat wellicht voor heel wat anderen zijn. Resten dan nog: “True North” en “Drum & A Chair” en z’n intro. Het eerste, een, zoals wel meer liedjes hier, onvervaard het slappe koord tussen traditie en toekomst bewandelend niemendalletje, het tweede een met een tabla en een vinnige banjo opgewaardeerd rondje stoeien met onder meer een Afrikaans ritme en bluegrassmotiefjes. Héél speciaal dus, he, maar dat schreven we hier inderdaad al eens eerder ergens…
WAYNE HANCOCK “Ride” (Bloodshot / Bertus)
(4****)
“Same old, same old” in Casa Hancock. De beste leerling uit het klasje van Meester Hank rampetampt er dus ook op z’n nieuwste weer driftig op los met het erfgoed van z’n grote voorbeeld. Traditionele country juke joint swing style dus, geworteld ergens diep in de jaren vijftig. En uiteraard ook weer een kloeke dosis rockabillygevoel, wat blues, her en der een prise rock & roll en zelfs wat vintage jazz-elementen. Voor de productie tekende net als voor voorganger “Viper Of Melody” weer Lloyd Maines. En die zag Hancock “this time around” aan de slag gaan met vrijwel uitsluitend eigen materiaal. Enkel de door “The Train” wellicht bij Jimmie Rodgers opgeraapte traditional “Any Old Time” vormt wat dat betreft een uitzondering. Allemaal samen elf nummers, goed voor ruim vijfendertig minuten top-amusement. Met als uitschieters naar onze bescheiden mening: het heerlijk rockende titelnummer, in de grote voetsporen van de oude Williams welig tierende songschoonheden als “Low Down Blues” en “Lone Road Home”, het z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Get The Blues Low Down” en het met een royale portie “twang” opgewaardeerde “Deal Gone Down”. Hoegenaamd niks nieuws onder de zon, maar wel weer heel erg lekker allemaal!
Wayne Hancock, Bloodshot Records
DOUG MACLEOD “There’s A Time” (Reference Recordings)
(4****)
‘t Is een beetje vreemd misschien, maar met elke nieuwe plaat van Doug MacLeod lijk ik nog wat meer van’ m te gaan houden. Maar wat hij doet is dan ook zó ontzettend puur! Je moet al bijna van steen zijn om er niet gelijk midscheeps door te worden geraakt! Geen grootse gebaren of extreem luide snarenmanoeuvres hier, neen, hier regeren een stel fluwelen vingers en een te allen tijde perfect daaraan beantwoordende stem. MacLeod als vaardige verteller, terwijl zijn vingers als het ware zelfstandig op zoek lijken naar een geschikte melodie bij elk van z’n verhalen. Behoedzaam bezoeken zij op “There’s A Time” weer een veelheid aan gitaren, luisterend naar kleurrijke namen als “Moon”, “Little Bit”, “Owl” en “12 String”. Daarbij bijgestaan door bassist Denny Croy en drummer Jimi Bott blikte MacLeod in mei van vorig jaar “live” dertien ook nu weer onder de noemer akoestische blues (& roots) vallende nieuwe songs in. “Live” tussen aanhalingstekens, omdat er wel degelijk werd opgenomen in een studio – de Skywalker Sound in Marin County CA meer bepaald – maar dan wel zonder de gebruikelijke overdubs. Gewoon samen in een cirkeltje zitten en spelen maar! Niet geheel en al zonder fouten misschien, maar who cares? Eigen songs als “Rosa Lee”, “Black Nights”, “The Up Song”, “My Inlaws Are Outlaws”, “The Entitled Few”, “A Ticket Out”, “Run With The Devil”, “East Carolina Woman”, “The Night Of The Devil’s Road”, “Ghost” en andere varen duidelijk wel bij die losse aanpak. Ze zullen zowel liefhebbers van het betere singer-songwriterspul als bluespuristen ogenblikkelijk een warm gevoel vanbinnen bezorgen! Wie MacLeod al kende, wist dat al wel langer. Wie hem nog niet kent, moest hier wat mij betreft dringend maar eens aan!
Doug MacLeod zal binnenkort overigens ook een aantal optredens verzorgen in de lage landen. Op 18 mei staat hij zo in De Amer in het Nederlandse Amen, op 19 mei is hij te gast in de JaBo Gumbo Show van Radio 6 in Hilversum, op 18 mei treedt hij aan in het Kerkje Ressen te Bemmel, eveneens Nederland, op 1ste Pinksterdag 19 mei is hij te zien in Het Crossroads Café in Antwerpen en op 21 mei ten slotte ook nog in het Cultuurhuis te Heerlen.
Doug MacLeod, Reference Recordings
JAMES HUNTER SIX “Minute By Minute” (Fantasy / Concord Music Group / UMG)
(4,5*****)
Ons echt ontgoochelen heeft hij eigenlijk nog nooit gedaan, deze James Hunter, en dat doet hij ook nu weer niet. Met twaalf nieuwe eigen songs neemt hij ons ook op “Minute By Minute” weer mee op een hoogst aangename “trip down Memory Lane”. Soulvol als steeds uiteraard. En dan helpt het natuurlijk ook wel, als je met Daptones-mede-oprichter Gabriel Roth in zee gaat. Onder zijn studio-auspiciën zochten Hunter (zang en gitaar) en maats Damian Hand (tenorsax, fluit), Lee Badau (baritonsax), Jonathan Lee (drums en backing vocals), Jason Wilson (bas), Kyle Koehler (orgel) en Andrew Kingslow (piano, vibrafoon en percussie) en een handvol gasten in L.A. aansluiting bij met name het soul- en R&B-gebeuren van de late jaren vijftig, vroege jaren zestig. En dat gebeurde andermaal op een dergelijk authentieke wijze, dat je als luisteraar haast niet anders kan dan er volop in meegaan. Met Hunter als vanouds rauw-melodieus op zoek naar een eigen niche ergens tussen groten als een Sam Cooke en een Ray Charles. En met catchy momenten zat! Van het door een springerige sax en een al even dartel pianootje continu onder stoom gehouden “Chicken Switch” over het bijzonder groovy titelnummer tot de knappe “valse trage” “Drop On Me”, van het sensuele, met een bescheiden snuif Latin-gevoel op smaak gebrachte “Heartbreak” over de voor inspiratie nadrukkelijk naar Motown overhellende shuffle “One Way Love” tot het echt rete-aanstekelijke en ons best wel een beetje aan de geweldige Chuck Jackson in z’n hoogdagen herinnerende “Gold Mine”, van het over een zachte reggaebeat uitgespreide “Let The Monkey Ride” over het omineuze “The Gypsy” tot mooie tragen als “So They Say” en “If I Only Knew” en andere, dit is quasi voortdurend blue-eyed soul op z’n allerbest! Nú al de ideale soundtrack voor een lente die helaas nog wat op zich laat wachten…
GUY DAVIS FEATURING FABRIZIO POGGI “Juba Dance” (Smokeydoke / DixieFrog / Bertus)
(5*****)
Op z’n zestigste en ondertussen ruim vijfendertig jaar diep in z’n carrière als “recording artist” – Zoals dat in het Engels zo lekker bekt! – heeft Guy Davis natuurlijk al lang niets meer te bewijzen. Met zijn buitengewoon adequate vertalingen van stokoude rurale bluesvormen naar het hier en nu oogst hij keer op keer tonnen aan bijval. En terecht ook! Want wat een crack is deze man toch! Een echte dijk van een zanger, een al even geweldige storyteller-songsmid, een supergitarist, een kei op de harmonica en daarenboven ook nog eens een geweldige entertainer. Eigenlijk gewoon één van dé prominentste bluesartiesten van het moment tout court. En mocht u ons daarin nog niet meteen willen volgen, dan raden we u aan ’s mans nieuwe plaat “Juba Dance” snel eens ergens een luisterbeurt te gaan gunnen. Op die, als we het goed hebben, ondertussen twaalfde van ‘m wordt Davis voor de gelegenheid geflankeerd door de zijn sporen onder meer al bij Eric Bibb, Garth Hudson, Marcia Ball, Otis Taylor, Charlie Musselwhite en Flaco Jimenez verdiend hebbende mondharmonicavirtuoos Fabrizio Poggi. Samen baant het tweetal zich een weg doorheen een zestal nieuwe Davis-songs en covers van obscuur en al wat minder obscuur materiaal van respectievelijk Muddy Waters, Bertha ‘Chippie’ Hill, Blind Lemon Jefferson, Reverend Robert Wilkins, Ishman Bracey, Josh White en Blind Willie McTell. Samen goed voor ruim vijfenvijftig minuten akoestische blues van het werkelijk allerbeste soort. Met als hoogtepunten wat ons betreft het buitengewoon catchy eigen deuntje “Lost Again”, Davis’ ronduit innemende lezing van Muddy Waters’ “My Eyes Keep Me In Trouble”, het de pure liefde nog maar eens verheerlijkende “fluisterliedje” “Love Looks Good On You”, het aan wandeltempo met gospel(blues)diva Lea Gilmore gedeelde “Some Cold Rainy Day”, het gospeleske, met een gastoptreden van de legendarische Blind Boys Of Alabama opgewaardeerde “See That My Grave Is Kept Clean”, het over aanstekelijk clawhammer banjogewriemel heen heerlijk met de kont schuddende titelnummer “Dance Juba Dance en covers van “That’s No Way To Get Along” en “Statesboro Blues” van Davis’ eigen helden de Reverend Robert Wilkens en Blind Willie McTell. Songs van dat kaliber zullen elke rechtgeaarde liefhebber van moderne akoestische blues keer op keer opnieuw naar dit album doen teruggrijpen. Een bescheiden meesterwerkje!
DANNY BRYANT “Hurricane” (Jazzhaus Records / Coast To Coast)
(3,5****)
“I’m a prisoner of the blues,” aldus de jonge Britse gitaarbeul Danny Bryant in “Watching You”, het openingsnummer van z’n ondertussen toch ook alweer zevende studioplaat “Hurricane”, en wat snokt hij daarin meteen weer lekker aan z’n kettingen! Geen wonder, dat z’n ondertussen een pak bekendere collega Joe Bonamassa zo hoog met die Bryant oploopt. Hij verstaat om het met Bonamassa te zeggen als geen ander de kunst om z’n Stratocaster te laten “zingen”. En wat wij hier eigenlijk nog belangrijker vinden: hij houdt het bluesrockgenre vrijwel voortdurend heerlijk wijd. Net als studiovoorganger “Just As I Am” is “Hurricane” daardoor een behoorlijk gevarieerde plaat geworden. Uiteraard weer met de nodige rockende snarenhoogstandjes, maar evengoed met escapades in diverse andere richtingen. “Can’t Hold On”, “Losing You” en “I’m Broken” blijken zo bijvoorbeeld stuk voor stuk knappe tragen. En met name dat laatste uit zich bij nader inzicht zelfs behoorlijk soulvol. Zoals bijvoorbeeld ook een Jeff Healey dat bij leven en welzijn zo goed kon! Titelnummer “Hurricane” van zijn kant stoeit open en bloot met een wel heel erg radiovriendlijk powerpop-motiefje, “Devil’s Got A Hold On Me” leeft van een al even catchy pompend ritme en werkelijk messcherpe gitaaruithalen en afsluiter “Painkiller” is een sterk staaltje classic rock. Zoals je dat medio de jaren zeventig wel vaker hoorde begint dat laatste nummer met een ellenlange gevoelige proloog om vervolgens mede door het potente gitaargehamer van Bryant zelve als het ware compleet te ontploffen en uit te groeien tot een dijk van een rocksong. Werkelijk super!
“Hurricane” werd geproduceerd door Richard Hammerton en door Bryant ingespeeld met z’n pa Ken op de bas en Trevor Barr achter het drumstel. Hammerton leverde verder ook gastbijdragen op respectievelijk keyboards en piano en Kirby Bryant deed hetzelfde op de mandoline in “Painkiller”. Danny Bryant zelf droeg alle songs aan, zong, bespeelde uiteraard ook de gitaar en zette in “Greenwood 31” ook even de mondharmonica aan de lippen.
Danny Bryant, Jazzhaus Records
DALE WATSON AND HIS LONESTARS “El Rancho Azul” (Continental Record Services)
(4****)
Al ruim twintig jaar lang staat Dale Watson ondertussen garant voor zo ongeveer alles wat goed is aan country. Op z’n vijftigste misschien net wat minder strijdvaardig dan weleer, maar toch… De jongste jaren lijkt de Texaan echt in de vorm van z’n leven te verkeren. Met “The Truckin’ Sessions, Vol. 2”, “Carryin’ On” en “The Sun Sessions” scoorde hij wat ons betreft al een regelrechte hattrick. En met z’n nieuwe, “El Rancho Azul”, doet hij er daar nu zelfs nog eentje “los in de winkelhaak” bij. Met bassist Chris Crepps, drummer Mike Bernal en pedal steeler Don Pawlak, oftewel zijn Lonestars, en special guest Danny Levin (piano en fiddle) presenteert hij ons veertien nieuwe eigen liedjes, waarvan het merendeel zich naar goede gewoonte in de één of andere bar afspeelt. Titels als “Lie When I Drink”, “I Drink To Remember”, “Drink Drink Drink”, “I Hate To Drink Alone”, “Smokey Old Bar”, “Thanks To Tequila” en andere spreken wat dat betreft boekdelen. Drinken, dansen, bedriegen, liegen, enfin al de “usual suspects” tot aan de tranen en het verdriet toe passeren weer de revue. En dat in een voor het genre best wel lekker ruim gehouden context. Wat concreet betekent, dat het hier swingt, “tonkt”, rockt, walst en slowt, dat het een lieve lust is. Elke vierkante centimeter van de hardhouten dansvloer wordt als het ware weer door Watson en co verkent. En precies zo mogen wij het hier graag hebben ook! Pretentieloos countryvermaak misschien, maar dan wel met een vette hoofdletter! Dat hij ze vooral nog lang zo moge mogen!
Dale Watson, Continental Record Services
THE PLASTIC PALS “Turn The Tide” (Polythene Records)
(3,5****)
Met hun eerste volwaardige langspeler, het al in 2008 verschenen “Good Karma Café”, wist het vier man sterke Zweedse gezelschap The Plastic Pals me nog niet echt te overtuigen, maar deze nieuwe trok me wél vrijwel meteen over de streep. Het met de je wellicht vooral van z’n werk met Green On Red bekende Chris Cacavas in Duitsland opgenomen en ook door deze laatste geproduceerde “Turn The Tide” is immers een prima rockplaat geworden. Gitaarrock met name, maar dan wel van het lekker gevarieerde soort. Openingsnummer “All The Way” blijkt zo behoorlijk somber psychedelisch (Paisley Underground) spul, “A Couple Of Minutes” lijkt vervolgens melodieus van onder de één of andere half geopende garagepoort te komen aanwaaien, het zomers energieke “The Final Remedy” herinnerde ons bij vlagen zowel aan Springsteen als aan de jonge R.E.M., “The Sweet Spot” op zijn beurt aan Neil Young & Crazy Horse in één van hun rustigere momenten. “A Turn Of The Tide” is dan weer hoogst aparte pop met een sterk ADHD-gehalte, “Providence” een voorzichtig naar country overhellende ballad, single “Between The Devil And The Deep Blue Sea” een over strak gitaargebeuk heerlijk weg woe-hoeënde deluxe-rocker en “Wouldn’t Change A Thing” speelt in de achtertuin van groepen als het hoger al even genoemde Green On Red of de Long Ryders.
KINKY FRIEDMAN “Kinky Friedman’s Bi-Polar Tour, Live From Woodstock” (Continental Coast / CRS)
(3,5****)
In de States was deze nieuwe van good old Kinky “The Jewish Cowboy” Friedman al een poosje verkrijgbaar. Het betreft hier vorig jaar tijdens een optreden in het Bearsville Theatre in Woodstock gemaakte opnames. Een gig in het kader van zijn “Bi-Polar Tour”. En diezelfde brengt hem binnenkort gedurende de maanden april en mei ook naar Europa. Op maandag 15 april staat hij zo bijvoorbeeld in de Amsterdamse poptempel Paradiso. Waarmee meteen ook de release van dit album verklaard is. Een schijfje vol “vintage Kinky” overigens. Leuk Texaans singer-songwriter-countryspul à volonté met andere woorden, tussendoor gekruid met een goede dosis humor op z’n tijd. En met name in dat laatste schuilt toch wel Friedmans “forte”. De man is een echte ras-entertainer. En met dingen als “Get Your Biscuits In The Oven And Your Buns In The Bed”, “Wild Man From Borneo”, “Rapid City, South Dakota”, “They Ain’t Making Jews Like Jesus Anymore” en andere beschikt hij ook over zo menig een aankomend liedje. En voor de fans is er hier zelfs nog een bijkomend kersje op de taart: “The Ballad Of Kevin Barry” met name, dat Friedman naar eigen zeggen nog nooit eerder vertolkte of opnam.
Kinky Friedman, Continental Record Services
DIVERSE ARTIESTEN “Mijn Natuur” (Interlokaal / CRS)
(4****)
Met “Mijn Natuur” vestigen enkele van de beste Nederlandse singer-songwriters van het moment de aandacht op het feit dat natuurbescherming in eigen land nog steeds bepaald geen vanzelfsprekendheid is. “Doe mee met Natuurmomenten!” luidt hun zachtaardige strijdkreet en met een handvol veelal speciaal voor dit project geschreven (pracht)liedjes zetten ze die smeekbede hier op ronduit innemende wijze kracht bij. Gevraagd werd hen om te zingen over wat de Nederlandse natuur persoonlijk voor hen betekent en dat leidde bij nader inzicht tot nogal wat ogenblikkelijk herkenbare onderwerpen. Nu eens zijn dat de bezongen natuurgebieden zelf, dan weer de erdoor opgewekte gevoelens. Luisterplezier gegarandeerd alleszins! En dat al zeker voor wie het Nederlandse Americana- en folkgebeuren een warm hart toedraagt! BJ Baartmans en Sjoerd van Bommel produceerden het geheel immers en tussen de verdere betrokkenen treffen we onder meer ook nog Frans Pollux, Eric van Dijsseldonk, André Manuel, Gé Reinders, Beatrice van der Poel, Gerard van Maasakkers, Egbert Meyers, Roosbeef, Lenny Kuhr, Jeroen van Merwijk, Renee van Bavel, Ad van Meurs (“Terug naar de hei”), Mathijs Leeuwis, Ricky Koole en Bart de Win aan. De mooiste momenten, vroeg je? Dat zijn wat ons betreft Frans Pollux’ herfstige rootspopdeun “Jaomerdal”, het weemoedige “Stroom” van BJ Baartmans, Eric van Dijsseldonks warmbloedige “Mookerhei”, André Manuels ons geregeld aan momenten uit onze eigen jeugd herinnerende “Mien Natuur”, Gé Reinders louter sfeermatig best wel wat jazzy aandoende “Tungeler Walle”, Egbert Meyers’ dialectpareltje “Ieuwig paradies #2”, de pianoballade “Rammekenshoek” van de ons voorheen volslagen onbekende Renee van Bavel, de door Baartmans met wat fraaie, aan z’n resonatorgitaar ontlokte klanken opgewaardeerde ballade “De schoonheid van dit land” van Mathijs Leeuwis en het ons ook al van z’n laatste cd bijgebleven “Terug naar de hei” van “The Watchman” Ad van Meurs. Maar eigenlijk staat hier gewoon niks slechts op, hoor! Nobel doel, erg mooie plaat!
Natuurmonumenten, Continental Record Services
RITA HOSKING “Little Boat” (Rita Hosking / Lucky Dice Music)
(5*****)
Wat heeft deze Amerikaanse de voorbije paar jaren al een schat aan muzikale pareltjes opgedoken! Voor ons alvast ruimschoots voldoende om haar stilaan in één en dezelfde adem beginnen te noemen met louter muzikaal gezien toch wel enigszins verwante grootheden als een Gillian Welch en een Iris DeMent. Dat immense respect verdient Hosking wat ons betreft ondertussen ten volle. En al zeker na haar nieuwe worp. Amper zeven liedjes telt dat album, maar welk een schoonheden weer! Breekbare intimistische miniatuurtjes, door Hosking ontlokt aan het leven zelve. Gevonden als het ware dichtbij huis, in haar eigen vertrouwde omgeving. Of zelfs in zichzelf. In openingsnummer “Parting Glass” kaart ze zo bijvoorbeeld geduldig haar eigen dromen aan. En voor “Where Time Is Reigning” werd ze geïnspireerd door een familie-uitje naar het planetarium van het Griffith Observatory in Los Angeles. Dat liedje blijkt trouwens überhaupt een familieaangelegenheid, met haar achttienjarige dochter Kora nadrukkelijk aanwezig op de clawhammer banjo en ook wederhelft Sean Feder voortdurend in de buurt. Meteen één van dé absolute hoogtepunten hier ook, dat nummer. Al geldt dat zeker ook voor het atmosferische, Hosking door verhalen van een bevriende biologe ingegeven “Sierra Bound”. Ach, eigenlijk gewoon voor zo goed als alles hier. In al zijn eenvoud staat “Little Boat” naar onze bescheiden mening immers garant voor ruim zeventwintig minuten de perfectie akelig dicht benaderende Americana. Ook het ingetogen, ons een heel klein beetje aan Nanci Griffith in haar hoogdagen herinnerende “Clean”, het door echtgenoot Sean en dochter Kora van werkelijk impeccabel dobro- en banjowerk voorziene “Nothing Left Of Me”, het fragiele, Hosking door rituele zomerse momenten van ascese op een eiland in de Great Lakes in het Canadese Ontario ingefluisterde “Blow Northwest Wind” en “Five Star Location”, door zijn politiek getinte inhoud een soortement vervolgstuk op “Ballad For The Gulf Of Mexico” van haar laatste plaat, “Burn” uit 2011, zijn immers liedjes om vingers en duimen van af te likken. Liedjes, die je al na één enkele beluistering nooit meer wil missen…
Rita Hosking, Lucky Dice Music
THE FABULOUS THUNDERBIRDS “On The Verge” (Severn / CRS)
(4****)
Het is allicht bepaald geen toeval, dat de nieuwe van The Fabulous Thunderbirds de titel “On The Verge” mee kreeg. Met dat album lijken Kim Wilson en de zijnen immers daadwerkelijk aan de vooravond van een nieuw, veel soulvoller ingevuld hoofdstuk van hun carrière te staan. Een soort van nieuw begin dus als het ware voor het vijftal. En dat beviel ons alvast meteen uitstekend. Gelijk van bij het kritisch funkend openende “I Want To Believe” is het midscheeps raak! Tracht je de legendarische Staple Singers even in een wat eigentijdsere, voorzichtig met rock flirtende bui voor te stellen en je komt in gedachten alvast aardig dicht in de buurt van wat je daarmee te wachten staat! Een prima kick-off voor een al even prima album! Vooral dan in z’n wat bezadigdere momenten! Die zijn echt super! Zoals het gevoelsmatig best wel wat aan huisfavorietjes Los Lonely Boys herinnerende “I Want To Believe”, het nadrukkelijk een zekere voorliefde voor soulmaestro O.V. Wright verradende “Too Much Water”, het door Wilson echt fenomenaal mooi gezongen en door de band met een amper opvallende prise reggae opgewaardeerde “Hold Me” en het naar traditioneel Memphis-soulmodel geconcipieerde “Do You Know Who I Am?”. Voor wat vlotter tegengewicht zorgen onder meer de funky rocker “Got To Bring It With You”, het door een gemeen mondharmonicaatje op sleeptouw genomen “That’s The Way We Roll” en het catchy “Runnin’ From The Blues”. En over “the blues” gesproken: die komt helemaal aan het einde van “On The Verge” ook nog één keer héél erg lekker aan bod met het quasi spelenderwijs aansluiting bij het legendarische Stax-label vindende “Lonely Highway”. Knap gedaan!
The Fabulous Thunderbirds, Continental Record Services
BOZ SCAGGS “Memphis” (429 Records / Suburban)
(4,5*****)
Op “Memphis” stoten we eindelijk weer eens op de Boz Scaggs in de vorm van in zijn echte hoogdagen. Die van ergens medio de jaren zeventig dus. Die van quasi niet van de radio weg te branden oorwurmen als “What Can I Say”, “We’re All Alone”, “Georgia”, “JoJo”, “Lido Shuffle” en andere. Op die nieuwe cd van ‘m eert de ondertussen achtenzestigjarige Scaggs op bijzonder knappe wijze de soultraditie van de stad uit de titel ervan. De twaalf nummers erop blikte hij onder de bezielende productionele leiding van Steve Jordan in amper drie dagen in de vermaarde Royal Recording Studios van de al even legendarische Willie Mitchell in. Zelf nam hij daarbij naast de zang ook wat akoestisch en elektrisch gitaarwerk voor z’n rekening, de al genoemde Jordan drumde, Willie Weeks tekende voor nagenoeg alle basbijdragen en Ray Parker Jr. zorgde voor verder snarenwerk. Dat viertal zou je zo’n beetje het kernkabinet kunnen noemen. Zij zorgden voor de muzikale fundamenten van “Memphis”, tal van gasten, waaronder Spooner Oldham, Charles Hodges, Keb’ Mo’, Charlie Musselwhite, Rick Vito, David Hungate en de Royal Horns & Strings, voor de uiteindelijke afwerking. En dat levert hier zo menig een beklijvend momentje op. Gelijk van bij de lijzige, heel erg nadrukkelijk in het kielzog van de grote Al Green postvattende opener “Gone Baby Gone” is het goed prijs. De toon is gezet voor een echte zaligheid van een plaat, goed voor ruim drie kwartier intens luisterplezier. Een prachtige lezing van Greens eigen “So Good To Be Here”, een al even knappe, ergens tussen pop en R&B strandende vertolking van Willy De Ville’s “Mixed Up Shook Up Girl”, een hier stante pede het nodige kippenvel verwekkende kijk op de classic “Rainy Night In Georgia” met echt wel piekfijn toetsenwerk van de tandem Hodges en Oldham, een heerlijk groovy benadering van Sylvia Robinsons “Love On A Two Way Street”, een van nogal wat muzikale walletjes tegelijk etend “Pearl Of The Quarter” van Steely Dan, het gaat hier echt aan een moordtempo van de ene heerlijkheid naar de andere! En dan zijn we nog maar goed halverwege! Wat steviger gaat het er vervolgens in een cover van Moon Martins “Cadillac Walk” aan toe. Inspiratie voor het eerder pittige gitaarwerk daarin werd Scaggs naar eigen zeggen aangereikt door de dezer dagen zowat alomtegenwoordige Buddy Miller. Via een ingetogen (eerder folky aandoende) interpretatie van de traditional “Corrina, Corrina” en het opnieuw in het Green-straatje thuis blijkende “Can I Change My Mind” strijken we vervolgens neer bij het heftigste stuk op “Memphis”. Dat is het van de Meters geleende en door Keb’ Mo’ en Charlie Musselwhite voor de gelegenheid van respectievelijk wat gemeen elektrisch dobroslidewerk en dito mondharmonicagelurk voorziene “Dry Spell”. Resten dan nog: een met Rick Vito ter ondersteuning op de gitaar voorbij komend “You Got Me Cryin’” van Jimmy Reed en de Scaggs original “Sunny Gone”, een ons gevoelsmatig best wel wat aan z’n eigen “Harbor Lights” herinnerende pianoballade. Een buitengewoon mooi slot voor een al even mooie plaat!
Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!