CD-recensies september 2016

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

ROBERT BOBBY “Robert Bobby Goes Electric” - THE INFAMOUS ROOTS RIELEMANS FAMILY ORCHESTRA “Time Of The Day” - ANTHONY D’AMATO “Cold Snap” - LEFT LANE CRUISER “Beck In Black” - RODNEY PARKER & 50 PESO REWARD “Bomber Heights” - SHOVELS AND ROPE “Little Seeds” - RANDALL BRAMBLETT “Devil Music” - LIBBY KOCH “Just Move On” - JENNY BERKEL “Pale Moon Kid” - JOSEPH PARSONS “The Field The Forest” - DYNAMITE BLUES BAND “Kill Me With Your Love” - JON BODEN “Painted Lady” - NICK MOSS BAND “From The Root To The Fruit” - MATT HARLAN & RACHEL JONES “In The Dark” - ANNA ELIZABETH LAUBE “Tree” - TINSLEY ELLIS “Red Clay Soul” - PHIL BEE’S FREEDOM “Memphis Moon” - SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Ghost Of A Small Town” - FREAKWATER “Scheherazade” - WILLIAM HARRIES GRAHAM “Foreign Fields” - CLAIRE LYNCH “North By South” - THE GOOD FOR NOTHIN’ BAND “Maniac World” - TIM EASTON “American Fork” - RICHARD SHINDELL “Careless” - SARA WATKINS “Young In All The Wrong Ways” - STEPHEN SIMMONS “A World Without” - KAURNA CRONIN “Southern Loss” - THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” - KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” - DAVID WADDELL “The Last Of The Outlaws” - THE DEVIL MAKES THREE “Redemption & Ruin” - DANA IMMANUEL & THE STOLEN BAND “Come With Me” - DANIEL MEADE & THE FLYING MULES “Let Me Off At The Bottom” - SETH LAKEMAN FEATURING WILDWOOD KIN “Ballads Of The Broken Few” - BEN GLOVER “The Emigrant” - IAN HUNTER & THE RANT BAND “Fingers Crossed” - BILLY BRAGG & JOE HENRY “Shine A Light: Field Recordings From The Great American Railroad” - HEIDI TALBOT “Here We Go 1,2,3” - SHANE ALEXANDER “Bliss” - JIM & LYNNA WOOLSEY “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” - THE COAL PORTERS “No. 6” - KATY TOO “Nine Lives” - LAURA CANTRELL “At The BBC” - ERIN RAE AND THE MEANWHILES “Soon Enough” - JESSE AYCOCK “Flowers & Wounds” - CHIP TAYLOR (AKA JAMES WESLEY VOIGHT) “Little Brothers” - KALYN FAY “Bible Belt” - THE BUFFALO SKINNERS “Cease Your Dreaming” - ANNIE KEATING “Trick Star” - TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” - WESTERN CENTURIES “Weight Of The World” - ROBERT ELLIS “Robert Ellis” - ROB ICKES & TREY HENSLEY “The Country Blues” - THE KAT KINGS “Swingin’ In The Swamp” - NORTHERN INDIANS “No Shelter In Sight” - LOWBIRD HIGHBIRD “November Moving In” - ELI PAPERBOY REED “My Way Home” - LILY & MADELEINE “Keep It Together” - DANIEL ROMANO “Mosey” - TONY JOE WHITE “Rain Crow” - MATT BAUER “Dream’s End” - REBEKAH LONG “Here I Am” - MATTHEW BARBER & JILL BARBER “The Family Album” - SAM FRAZIER JR. “Take Me Back” - MARA SIMPSON “Our Good Sides” - CLARENCE BUCARO “Pendulum” - BROOKS WILLIAMS “My Turn Now” - GUY VERLINDE “Rooted In The Blues”

 

ROBERT BOBBY “Robert Bobby Goes Electric” (I Like Mike)

(3,5****)

De EP “Robert Bobby Goes Electric” doet op de keper beschouwd eigenlijk gewoon exact wat z’n titel belooft. Vier nummers lang gaat Bobby (zang en akoestische gitaar) in het bijzijn van Chad Kinsey (akoestische en elektrische gitaren), Mike Bitts (bas), Paul Murr (drums en percussie), Tom Principato (elektrische gitaren), Ken McCoy (sax) en Matt Thomas (keyboards) daarop immers elektrisch. En da’s een aanpak die duidelijk rendeert.

Met de nummers “True Believer”, “Ted Williams”, “Mason Dixon Line” en “Just Another Heart To Break” verdient Bobby zich wat ons betreft probleemloos een stekje naast enigszins vergelijkbare collega’s als een Dan Israel, een Tom Petty, een Marshall Crenshaw, een Nick Lowe en een Graham Parker. Vaardig met woorden als hij is palmt hij je als luisteraar in no time in met z’n voorzichtig rootsy rockende liedjes met hoog country- en folkgehalte. En ook een slow als het afsluitende “Just Another Heart To Break” ging er hier in als zoete koek.

Bij een volgende gelegenheid daarom graag meer! Véél meer!

Robert Bobby         

 

THE INFAMOUS ROOTS RIELEMANS FAMILY ORCHESTRA “Time Of The Day” (Lie Records / Donor Productions / Bertus)

(4****)

Ons kent ons in het Vlaamse rootswereldje en dat resulteert zo nu en dan bijna als vanzelfsprekend in interessante samenwerkingen. Meestal gewoon op elkaars platen, maar in dit specifieke geval in een compleet nieuwe groep. The Infamous Roots Rielemans Family Orchestra! Met aan boord het u ongetwijfeld ook van Billy & Bloomfish bekende duo Kathleen Vandenhoudt en Pascale Michiels, songsmid Bruno Deneckere, snarenvirtuoos Nils De Caster en de voor een vleugje exotisme verantwoordelijk Luis Márquez. En die zorgen meteen voor een debuut van formaat. Een rootsplaat zó gevarieerd en rijk dat we er de eerste paar keren met de mond werkelijk wagenwijd open hebben zitten naar luisteren. Ronduit indrukwekkend gewoon!

Openingsnummer “Who’s That Man?” is zo bijvoorbeeld een omineuze swampy sleper van het genre zoals je die eerder van een Buddy en een Julie Miller verwachten zou, het meteen daaropvolgende “Life’s Too Short” hinkt hypernerveus een eindje weg over nog onverharde Americana-paden, “Deep In My Soul” is heerlijk lijzig vertier zoals dat tot voor kort eigenlijk alleen op zomerse vooravonden op back porches in het diepe Zuiden van de States leek te kunnen worden voortgebracht en het speelse “Sentimental Blue” op zijn beurt fijne roots pop die ons om de één of andere reden spontaan deed terugdenken aan de begindagen van de lichtjes geweldige Brendan Croker.

“Doing It Right” zorgt vervolgens jazzgewijs voor een moment van complete onthaasting, voor het opzwepende “Caravana” verzonnen wij zo ongeveer ter plaatse de term exoticana en het in het zog daarvan onder meer door een sympathiek mondharmonicaatje geweldig charmerende “Lowlands Clay” werd duidelijk geboetseerd naar Amerikaanse border music-voorbeelden.

De tweede helft van “Time Of The Day” wordt ingezet met “The Fire That Burns”, een pracht van een verhalende ballad met een met name zanggewijs aardig hoog Dani Klein-gehalte. En dat mag u beschouwen als een flink compliment! Via het swingende, deels a capella gebrachte “Talking Too Much” gaat het vervolgens ook nog langs de bedaarde countrydeun “The Rest Of My Life”, het daar met veel soulvolle flair quasi perfect bij aansluitende “I’d Do It Again”, old-timey titelnummer “Time Of Day” en de met name door z’n onvoorstelbare ideeënrijkdom muzikaal gezien ronduit bevreemdend werkende afsluiter “The Landlord And His Maiden”.

Als u dit jaar nog één Belgische plaat koopt, doe uzelf dan een plezier en laat het deze zijn. U zal het zich hoegenaamd niet beklagen! Hoegenaamd niet…

(U kan de Rielemansen binnenkort ook live aan het werk zien. Met name in Gent (30-09 en 01-10, Bij de Vieze Gasten), in Bree (06-10, CC De Breughel), in Dranouter (07-10, Den Ekster), in Brussel (08-10, AB) en in Antwerpen (09-10, Zuiderpershuis).)

The Infamous Roots Rielemans Family Orchestra

 

ANTHONY D’AMATO “Cold Snap” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Net als voorganger “The Shipwreck From The Shore” van twee jaar geleden is ook “Cold Snap”, de nieuwe van de jonge Amerikaanse songsmid Anthony D’Amato, weer een echte dijk van een plaat geworden. In een productie van de je onder meer ook van zijn werk met Bright Eyes en First Aid Kit bekende Mike Mogis slaat hij wat je noemt een onvervalste homerun. “Cold Snap” is een bijna voortdurend de perfectie benaderend geheel dat met name bij liefhebbers van het materiaal van acts als het al genoemde Bright Eyes, Josh Ritter, Josh Rouse, Sufjan Stevens en aanverwanten erg hoge ogen zou moeten kunnen gooien. Folk based spul maar dan wel met nadrukkelijke uitlopers richting zowel Americana, pop als rock. En behoorlijk weelderig uitgedost bovendien ook, met zo menig een onverwachte instrumentale gast.

In zijn teksten gaat D’Amato ditmaal vooral in op de kloof gapend tussen perceptie en realiteit, tussen projectie en waarheid, tussen wie we zijn en hoe we door anderen worden gezien. Een hoogst interessant uitgangspunt, moet ik zeggen. Vandaag de dag meer dan ooit.

Bijgestaan werd D’Amato bij het inblikken van “Cold Snap” onder meer door Conor Oberst van Bright Eyes en leden van zowel The Faint als Cursive. Met z’n allen zorgen zij voor een bij momenten aardig overweldigend geluid. Ongelooflijk rijk aan detail, tot in de puntjes verzorgd, echt ideaal als achtergrond voor de even markante als krachtige stem van D’Amato zelf.

Hoogtepunten noemen heeft hier wat mij betreft echt geen enkele zin. “Cold Snap” kent immers absoluut geen zwakkere momenten. Het album staat integendeel juist ontzettend sterk als geheel.

Anthony D’Amato

 

LEFT LANE CRUISER “Beck In Black” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Beck In Black” – Leuke woordspeling! – is een door Brenn “Sausage Paw” Beck, de voormalige drummer van die groep, samengestelde compilatie met Left Lane Cruiser-liedjes van hun eerste albums voor Alive Naturalsound Records. Die werden geremasterd en aangevuld met een zestal niet eerder verkrijgbare deunen.

De meest in het oog springende daarvan is een werkelijk fantastische swampy cover van Hoyt Axtons klassieker “The Pusher”. Niet voor niets allicht de lijsttrekker van deze in totaal veertien eenheden trashed-out punk blues bevattende collectie. Een aftrap in stijl! Andere nieuwigheden zijn het ook al heel erg groovy aandoende “Bloodhound”, Becks signature song “Sausage Paw”, het wat bedaardere “Maybe” en het afsluitende duo bestaande uit de frenetieke boogie rocker “Chicken” en een instrumentale versie van “Juice To Get Loose”.

Oude bekenden zijn dan weer “Circus”, “G Bob”, “Zombie Blocked”, het met Jim Diamond gebrachte “Chevrolet”, “Crackalacka”, het met labelmaatje James Leg gedeelde “Hip Hop”, “Heavy” en “Amy’s In The Kitchen”.

Left Lane Cruiser       

 

RODNEY PARKER & 50 PESO REWARD “Bomber Heights” (RP50PR)

(3,5****)

Na het geslaagde EP-duo “The Apology: Parts 1 & 2” schotelen Rodney Parker en de zijnen ons met “Bomber Heights” eindelijk opnieuw een volwaardige langspeler voor. Negen nummers telt dat door de onder meer ook van zijn werk met Justin Townes Earle en Centro-Matic bekende Matt Pence geproduceerde nieuwe album. En die staan op de keper beschouwd voor een flinke stap vooruit. In die zin, dat Parker en z’n maats er hun horizonten aardig op verruimen. Niet langer nadrukkelijk hengelend naar commercieel succes, noch naar gemakkelijke airplay vinden ze haast en passant een volstrekt eigen niche binnen het huidige Red Dirt-aanbod.

Het album, dat z’n titel ontleende aan de naam van een buurt in Parkers nieuwe thuishaven Fort Worth, vormt als het ware een breekijzer om uit het voor de heren stilaan benauwend werkende keurslijf van Americana te ontsnappen. Zonder daarbij hun roots volledig te verloochenen nemen Parker en die van 50 Peso Reward met “Bomber Heights” vastberaden het risico om ons met een beduidend meer rockgeoriënteerd geluid te overvallen. En dat was toch wel even wennen.

Melodieus spul à la opener “Steppin’ Into The Sunshine”, “Skin And Bones” en “The Road Between None And Some” krijgt daardoor paradoxaal genoeg juist iets radiogenieks mee. Al hebben we het dan wel over radiogeniek in de zin van uitermate geschikt voor indie stations. Zoals bijvoorbeeld ook de Replacements dat indertijd waren.

Wat alleszins gebleven is, zijn de warmbloedige vocals van Parker zelve, diens immer pakkende liedjes en het vakmanschap van alle al langer bij het project betrokkenen. Het wellicht allermooiste voorbeeld daarvan is het mede door de blazersbijdragen daaraan bepaald soulvol uitgevallen “The Day Is Coming”. Dat is voor ons alvast de primus inter pares hier. En dat met als dichtste achtervolger de snedige Americana rock van “Night In My Hand”.

Rodney Parker & 50 Peso Reward        

 

SHOVELS AND ROPE “Little Seeds” (New West Records / PIAS)

(5*****)      

Ladies and gentlemen, we’ve got ourselves a winner… Een volbloed-plaat van het jaar! Een regelrechte moordschijf! Een album dat Americana eigenhandig naar een beduidend hoger niveau tilt. Verantwoordelijken daarvoor? De muzikale echtelieden Michael Trent en Cary Ann Hearst. Het tweetal dat onder de vlag Shovels And Rope de voorbije jaren al meermaals in uiterst gunstige zin van zich deed spreken. Wij denken daarbij graag nog eens terug aan het trio voorgangers bestaande uit “O’Be Joyful”, “Swimmin’ Time” en “Busted Jukebox, Volume 1”. Stuk voor stuk verplicht aanwezigen in elke zichzelf respecterende Americana-platencollectie.

En dat is nieuwe worp “Little Seeds” alleen nog maar meer. Dat is immers ontegensprekelijk Shovels And Rope’s meest avontuurlijke plaat tot op heden geworden. Nieuw terrein wordt verkend en dat op een werkelijk onwaarschijnlijk creatieve manier. Alsof de White Stripes Americana aan het snuiven zijn gegaan, zoiets…

Uitgangspunt voor het inhoudelijke aspect van “Little Seeds” vormden twee recente gebeurtenissen, die het leven van onze twee protagonisten aardig op z’n kop zetten. Eerst en vooral was er natuurlijk de geboorte van hun eerste kindje samen. Maar een misschien nog wel ingrijpender gegeven dan dat was het intrekken van Trents ouders bij het koppel, een situatie ingegeven door de snel achteruitgaande gezondheidstoestand van z’n vader bij wie de ziekte van Alzheimer werd vastgesteld. Nieuw leven versus het knagende besef van de eigen sterfelijkheid, de cirkel zo’n beetje rond zou je denken, maar dat natuurlijk niet zonder de aan beide gebeurtenissen eigen gevolgen en al zeker niet zonder het nodige getob.

Denkwerk over de toestand van Trents vader leverde ons inziens alvast enkele van de allermooiste momenten van “Little Seeds” op. Zo is er om te beginnen het ingetogen, z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Mourning Song”. Daarin springt Trent op geniale wijze om met de vraag hoe het voor zijn moeder zal zijn als zijn vader er niet meer is. Echt een heerlijk liedje! Instant herkenbaar voor al wie ooit met hetzelfde gegeven geconfronteerd werd. De springerige uptempo popdeun “Invisible Man” gaat van zijn kant dan weer in op het onvermogen van Trents vader om nog langer alles geestelijk te kunnen bevatten. En het moet gezegd: ook dat is weer een geweldig liedje.

Andere echte topmomenten van “Little Seeds” vonden wij hier met name de meteen door de fijne samenzang van Trent en Heard erin opvallende hommage aan het adres van Garth Hudson van The Band “The Last Hawk”, “Botched Execution”, het tegen een muzikaal grimmige achtergrond neergelegde verhaal van een veroordeelde op de vlucht, en “Missionary Ridge”, nog zo’n sublieme story song, teruggrijpend naar het nakende einde van de Civil War in 1863. En dan vergaten we bijna nog het sonoor gedeclameerde, de maasaschietpartij in de Emanuel African Methodist Episcopal Church in Charleston een plaatsje gevende “BWYR” en het zich catchy stompend over hun eigen relatie buigende “Buffalo Nickel”.

Shovels And Rope

 

RANDALL BRAMBLETT “Devil Music” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

“I’m pullin’ from a deep well on this album,” aldus Randall Bramblett recentelijk over zijn nieuwe worp “Devil Music”. “It’s my experience of black and white culture in the south, and how it feels to grow up here with all the religion and pain and conflict and joy – and then there’s all that dancing…” Het blijken op de keper beschouwd veelbetekenende woorden. ‘s Mans tiende worp tot op heden is immers een behoorlijk intense bedoening geworden. Devil music indeed.

Centraal nummer is ontegensprekelijk het titelstuk. In dat beklijvende streepje swamp funk buigt onze man zich over de relatie tussen blues legend Howlin’ Wolf en diens moeder. Die zag in haar zoon een ware verpersoonlijking van de duivel. Die muziek, weet u wel… Meteen een allereerste highlight. En zo volgen er nogal wat! Van het over heerlijk funky gitaarwerk wegrockende “Bottom Of The Ocean” en het onder meer door de fameuze slidebijdragen van gast Derek Trucks eraan hoogst bevreemd werkende “Angel Child” over het door Chuck Leavell pianogewijs van een serieuze shot boogie bediende “Reptile Pilot” tot het bepaald creepy neergelegde “Whiskey Headed Woman” en de knappe Southern rocker “Strong Love”. Maar hét echte klapstuk van “Devil Music” is voor ons toch openingsnummer “Dead In The Water”. Dat swampy kleinood heeft echt alles om het binnen afzienbare tijd erg ver te gaan schoppen. Onder meer ook een geweldige gitaarbijdrage van voormalig Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler.

Ronduit verslavend werkend spul! En echt wel Brambletts allerbeste so far.

Randall Bramblett

 

LIBBY KOCH “Just Move On” (Berkalin Records)

(3,5****)

Als je, zoals Libby Koch, een carrière als succesvolle advocate achter je laat in ruil voor een toch relatief onzeker bestaan als muzikante, dan getuigt dat ons inziens niet enkel van een kloek stel balls maar vooral ook van een rotsvaste overtuiging in jezelf. En dat volkomen terecht ook. Dat bewijst de volbloed-Texaanse nog maar eens ten voeten uit op haar nieuwe worp “Just Move On”.

Op die opvolger van het twee jaar geleden verschenen “Tennessee Colony” pakt ze uit met elf nieuwe “cryin’ and leavin’ country songs”. Eerder klassiek uitgevallen countrydeuntjes, zeg maar, met zo nu en dan een zekere hang naar Americana, gedragen door een stem als het ware voorbestemd om precies in die niche actief te zijn.

Voor de productie van “Just Move On” tekende de gerenommeerde Bill VornDick. En hij mocht in de studio naast Koch zelve verder onder meer ook nog Bruce Dees, Bob en Lynn Williams, Sonny Garrish, Glenn Worf, Bobby Ogdin, Aubrey Haynie, Michael Black, Eric Brace, Vickie Carrico en Andrea Zonn begroeten. Een uitstekend team, als u het ons vraagt!

Onze luistertips: het klaaglijke, met name door de fraaie wisselwerking tussen de steel van Garrish en de stem van Koch erin opvallende “Don’t Know How”, de fijne poppy Americana van titelnummer “Just Move On” en vooral ook de gloedvolle afsluitende ballad “Wish You Were Here”. Drie prima voorbeelden van het we zouden haast zeggen onopvallend goede songmateriaal van Koch.

Libby Koch

 

JENNY BERKEL “Pale Moon Kid” (Pheromone Rec. / Suburban)

(4,5*****)

De kans dat u de jonge Canadese Jenny Berkel al kent lijkt ons eerlijk gezegd redelijk groot. Misschien niet van haar nochtans erg knappe debuutplaat “Here On A Wire” van ondertussen zo’n jaar of vier geleden, maar zeker wél als de heerlijke stem achter Daniel Romano in diens begeleidingsgroep The Trilliums. En die Romano is het ook, die voor de productie van haar zogeheten moeilijke tweede tekende. “Pale Moon Kid” heet die en hij bevat netjes verspreid over een A- en een B-kantje elf nieuwe Berkel-liedjes.

Liedjes die vrijwel meteen opvallen door hun sterk poëtische karakter, maar misschien nog wel meer door hun evocatieve aard. Met Berkels weelderige stem als sterkste troef zonder meer. En met de fijne gitaarbijdragen van grootmeester Romano zelve eigenlijk alleen maar als aangename surplusjes. In de schemerzone tussen pop, rock, folk en Americana goed voor dik zesendertig minuten van een welhaast onaardse schoonheid. Seductief als een Margo Timmins en een Hope Sandoval in hun hoogdagen. En daarmee zou u eigenlijk genoeg moeten weten.

Mocht dat toch nog niet het geval zijn, dan raden we u bij wijze van introductie een korte luisterbeurt naar het trio “Half Dream”, “St. Denis” en “Pale Moon” aan. Na die drie ingetogen songschoonheden bent ook u gegarandeerd verkocht voor het leven. Wedje?

Jenny Berkel

 

JOSEPH PARSONS “The Field The Forest” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“The Field The Forest”, het nieuwe album van Joseph Parsons, valt in eerste instantie op door z’n wat aparte vormgeving. Het blijkt daarbij immers niet om een klassieke cd maar om twee EP’s te gaan, die elk een ander facet van de songsmid Parsons lijken te willen belichten. De zes het radiovriendelijke “The Field” bevolkende liedjes blijken bij nader inzicht uiteenzettingen over de thema’s relaties en verlossing. De zes op het een pak snediger ingevulde “The Forest” zoeken hun weg doorheen onderwerpen als sterfelijkheid, oorlog en liefde.

Persoonlijk ging mijn voorkeur uit naar “The Field”. Dat bevat met de fraaie rootspopdeun “Berlin”, het moody liefdesliedje “Don’t Belong” en het vertederende “Fragile Moon” de naar mijn gevoel drie sterkste liedjes van Parsons’ nieuwe worp. Van “The Forest” bleven me vooral het een aardig eindje wegrockende “Scream” en de mooie folky afsluiter “Horizon” bij.

Voor de productie van “The Field The Forest” tekende Parsons zelf. Inspelen deed hij (zang, akoestische gitaar en keyboard) het geheel samen met Ross Bellenoit (elektrische, akoestische en baritongitaren), Sven Hansen (drums en percussie) en Freddi Lubitz (bas en backing vocals). En gastbijdragen waren er voorts ook nog van Axel Steinbiss (piano, Wurlitzer, Hammond en mellotron), Lisa Kezer (backing vocals) en Tom Albrecht (keyboards).

Joseph Parsons

 

DYNAMITE BLUES BAND “Kill Me With Your Love” (Dynamite Blues Band / Sonic Rendezvous)

(4****)

Album nummer twee voor de Nederlandse Dynamite Blues Band. En wat voor één! Op de opvolger van hun twee jaar geleden verschenen debuutplaat “Shakedown & Boogie” knallen de je wellicht ook wel van hun periode bij Big Blind bekende Wesley van Werkhoven (zang, harmonica en piano), JJ van Duijn (gitaar) en Niels Duindam (drums) er in het gezelschap van Renzo van Leeuwen (bas) een aardig eindje op los. Hun nieuwe schijf bulkt werkelijk van de nummers waarvan je al na één enkele beluistering weet, dat ze binnenkort live weer flink stukken zullen gaan maken. Heerlijk vuig en vettig allemaal!

Van het wervelend rockende openingssalvo “Even If You Want To” tot de hypernerveuze boogiehybride “Trash And Rumors”, van het aanstekelijk stuiterend al snel in gure muzikale achterbuurten verzeild gerakende “Dirty Minded” tot het met fijn smoelschuifwerk ingeleide titelnummer, van de nog volop naar klassieke R&B geurende trage “Strong Love” tot het stomende, met fantastische blazers opgewaardeerde “Dynamite Momma”, het lekker creepy ingevulde “The Big Unknown” en alles wat dan nog volgen moet, zo hebben wij onze bluescocktail dus graag, zie!

Absoluut niet te missen!

Dynamite Blues Band

 

JON BODEN “Painted Lady” (Navigator Records)

(3,5****)

Bellowhead is niet meer. Dat las u hier naar aanleiding van het fantastische “Bellowhead Live: The Farewell Tour” al eerder. En dus lijkt de tijd rijp om de solocarrière van kopstuk Jon Boden een duwtje in de rug te geven. Iets wat in eerste instantie te gebeuren staat met een heruitgave van ’s mans al in 2006 verschenen debuut. Naar aanleiding van de tiende verjaardag ervan zal label Navigator Records “Painted Lady” uitgebreid met een drietal bonus tracks opnieuw uitbrengen. Op 30 september aanstaande meer bepaald.

Voor wie de plaat nog niet kennen zou wacht er een stevige verrassing. En al zeker als de aanleiding tot het checken ervan Bodens werk met Bellowhead zou zijn. Dit is immers geheel en al andere koek. Dit komt uit een flink wat vreemdere hoek. Een veel donkerdere ook. En het is derhalve ook niet eenvoudig met woorden te vatten. “An album of distorted love songs,” lazen we ergens. En hoe juist dat ook is, toch zegt het maar weinig over “Painted Lady”. Zeker wat betreft het muzikale aspect ervan dan.

Boden mag nu eenmaal graag experimenteren. Het ene moment klinkt hij nog redelijk traditioneel, als een soort van eigentijdse Nick Drake op de keper beschouwd. Het andere laat hij zich nog nauwelijks stilistische beperkingen opleggen. Zijn akoestische folkidioom uitbreidend met rauwe elektrische gitaarbijdragen en zelfs wat gestoei met eigentijdse elektronica. En dat werkt bij momenten aardig bevreemdend. Onze gedachten dwaalden zo terloops bijvoorbeeld af tot bij een Tom Waits, een Jimi Hendrix en zelfs een Kate Bush.

Onze ook nu weer onverbintelijke luistertips: het aardig Waitsiaans aandoende rammelaartje “Get A Little Something”, het ijl-sfeervolle titelnummer en het op hoogst eigenzinnige wijze één van Whitney Houstons grootste hits tot ware folkkunst verheffende “I Want To Dance With Somebody”, één van de drie bonus tracks aan het einde van het geheel.

Jon Boden

 

NICK MOSS BAND “From The Root To The Fruit” (Blue Bela Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met “From The Root To The Fruit” flikken blues maestro Nick Moss en z’n kompanen ons een eigenaardig kunstje. Op dat in twee zo goed als totaal verschillende helften uiteengevallen geheel blikken ze enerzijds terug op hun verleden, anderzijds vooruit naar de toekomst. Eén cd met aandacht voor hun roots dus, één met wat ze zelf de vruchten van hun noeste arbeid noemen, de fruits. Al bij al eigenlijk een soort van carrièreretrospectieve, maar dan wel één met louter nieuwe songs.

Chicago blues met uitlopers richting Texas swing en klassieke shuffles versus materiaal waarin het vernieuwende aspect van veel groter belang is. Terugvallen op vertrouwde structuren versus eindeloze improvisatiemomenten. Het verdeelde op de keper beschouwd niet enkel het album in twee duidelijke helften, maar ook ons gevoel ten aanzien ervan. Laaiend enthousiasme voor het naar Moss’ roots teruggrijpende eerste schijfje versus compleet tegenovergestelde gevoelens voor de fruits. Mochten de twee apart te koop worden aangeboden, dan zouden we de eerste cd van ganser harte aanbevelen, maar de tweede, tja... Al moeten we wel toegeven, dat de soulvolle zang van Michael Ledbetter ons ook daarop bij tijd en wijle flink wist te bekoren. En al zeker in de wat tragere stukken.

Bekende gasten die aan “From The Root To The Fruit” hun medewerking verleenden zijn David Hidalgo van Los Lobos, Jason Ricci en Sax Gordon. Voor de productie ervan tekende Nick Moss zelf.

Nick Moss Band

 

MATT HARLAN & RACHEL JONES “In The Dark” (Berkalin Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Gedurende de maand oktober zakt Matt Harlan andermaal naar onze kontreien af. Een Belgisch optreden zit er ditmaal helaas niet in, maar hij en zijn partner Rachel Jones zullen wel uitgebreid toeren doorheen Nederland. Met tot hiertoe bevestigde haltes in Den Haag, Grootschermer, Steendam, Groningen, Amsterdam, Middelburg, Utrecht, Hieslum en Eindhoven. En misschien zit daar wel iets tussen wat in je agenda past. Het is alleszins de moeite van het proberen waard, want de twee zullen er hun fantastische eerste cd samen komen voorstellen.

“In The Dark” heet dat schijfje en het is eigenlijk gewoon een logisch vervolg op “Raven Hotel”, Harlans vorige, want ook daarop was Jones al uitgebreid te horen. Acht liedjes prijken er in totaal op. En dat brengt ons meteen bij het enige puntje van kritiek dat we er hier op hebben. Met nog geen zevenentwintig minuten speeltijd is “In The Dark” immers aan de eerder korte kant uitgevallen. Bij een volgende gelegenheid toch maar iets meer graag! En al zeker als het van de kwaliteit van het hier gebodene kan zijn!

Harlan bevestigt met de eigen liedjes op “In The Dark” immers andermaal z’n plaatsje net achter groten als een Townes Van Zandt en een Guy Clark waard te zijn. Veel meer dan twee mooie stemmen en een akoestische gitaar is er niet nodig om een diepe indruk na te laten. Alles draait om de eenvoud, weet je wel. Al gebiedt eerlijkheid ons wel ook occasionele bijdragen van Tony Barilla op accordeon en keys, Steve Candelari op drums en Willy T Golden op lap steel te vermelden. Gewoon kwestie van toch wat variatie te garanderen wellicht.

Ver zoeken doet Harlan de onderwerpen voor zijn teksten ook ditmaal weer niet. Met name het dagelijkse leven blijkt andermaal een dankbaar gegeven. Liefde, leed, labeur, het eigen muzikantenbestaan, het zijn maar enkele van de items die daarbij aan bod komen. Onze luistertips: het werkelijk verbluffend mooie titelnummer en het afsluitende “Mozart”, waarin de stemmen van Harlan en Jones rond het thema reïncarnatie kortstondig iets heel moois samen hebben.

Matt Harlan, Lucky Dice Music

 

ANNA ELIZABETH LAUBE “Tree” (Ahh…Pockets! Records)

(4****)

That’s right, “Tree” en niet “Three”! Het betreft hier immers niet het derde, maar al het vierde album van de Amerikaanse Anna Elizabeth Laube. De dezer dagen vanuit Seattle opererende zingende liedjesschrijfster voegde ondanks om voor ons compleet onduidelijke redenen het tweede deel van haar doopnaam aan haar artiestennaam toe. De Anna Laube uit de titel van haar hier vorig jaar nog de sterren in geprezen derde lijkt daarmee echter definitief tot het verleden te behoren.

Openen doet Laube haar nieuwe album met een supermooie countryvertolking van Bob Dylans “Wallflower”. Eén van slechts twee covers hier zoals later blijken zal. De tweede is een al bij al veel minder voor de hand liggende. Daarbij gaat het immers om een zo mogelijk nog knappere, verstilde ballad-uitvoering van “XO” van R&B-diva Beyoncé. Een waar huzarenstukje!

Voor het overige stoten we op “Tree” enkel nog op Laube-originelen. En ook die mogen er echt zonder uitzondering wezen. Daarbij vrijwel voortdurend agerend ergens tussen Americana, country en folk buigt Laube zich in de resterende zeven liedjes over thema’s als het loslaten van het verleden, een thuis vinden en één worden met de natuur. Heel erg down to earth allemaal. En dat maakt het door de band genomen redelijk gemakkelijk om je als luisteraar met haar materiaal te vereenzelvigen.

Vooral momentjes als de eerder al genoemde covers, het fraaie trage countrywalsje “I Miss You So Much”, het door een honderd jaar oude silver maple in de tuin van haar ouders geïnspireerde titelnummer, de soulvolle sleper “Longshoreman” en het lijzig swingende “Sunny Days” maakten hier vanaf dag één een blijvende indruk.

Prima plaatje weer, mevrouw Laube!

Anna Elizabeth Laube

 

TINSLEY ELLIS “Red Clay Soul” (Heartfixer Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Op “Red Clay Soul”, de opvolger van het zo’n anderhalf jaar geleden verschenen en letterlijk onder de lovende kritieken bedolven “Tough Love”, maakt veteraan Tinsley Ellis er hoegenaamd nergens een geheim van zwaar beïnvloed te zijn door all things Southern soul. En met name de varianten geboren en getogen in Memphis en Muscle Shoals lijken daarbij nadrukkelijk zijn voorkeur te genieten. En dat gegeven gekoppeld aan zijn bij momenten werkelijk zinnenprikkelend knappe gitaarspel beïnvloed door zo ongeveer alle Kings, van B.B. over Albert tot Freddie, levert wat ons betreft één van de allermooiste bluesplaten van 2016 so far op. Hier mag zonder al te veel nadenken een stickertje met “Warm aanbevolen!” op.

Met “All I Think About” vliegt Ellis er meteen stevig in. Mocht er na al die jaren nog iemand twijfelen aan z’n gitaristieke kwaliteiten, dan wordt die hier meteen voor eeuwig en altijd het zwijgen opgelegd. In het zomers catchy “Givin’ You Up”, geschreven en gebracht met Oliver Wood van de Wood Brothers, is het vervolgens meer de zanger Ellis die centraal komt te staan. En ook die slaagt natuurlijk met brio.

Met “Callin’” belanden we nadien in slow blues-territorium alvorens met het ons best wel wat aan de vroege Robert Cray herinnerende “Anything But Go” de blik nadrukkelijk richting Memphis gaat. Vervolgens is er het op ongemeen groovy wijze de schemerzone tussen blues en soul verkennende “Hungry Woman Blues”. Een bescheiden hoogtepuntje is dat. En dat is zeker ook de meteen daaropvolgende shuffle “Circuit Rider”. Veel aanstekelijker worden ze ons inziens immers amper nog gemaakt.

Het bedaard (blues)rockende “Don’t Cut It”, de zalige jazzy sleper “Party Of One”, de ongegeneerd – Bijna op z’n Santana’s! – met een Latin-ritme stoeiende instrumental “Estero Noche” en het zijn verteller voor een verschroeiende keuze plaatsende “The Bottle, The Book Or The Gun” vervolledigen het geheel.

Wij zouden dit zomaar Ellis’ allerbeste plaat tot op heden durven te noemen. U ook?

Tinsley Ellis

 

PHIL BEE’S FREEDOM “Memphis Moon” (Continental Record Services)

(3,5****)

“Memphis Moon” is de titel van de binnenkort te verschijnen tweede cd van Maastrichtenaar Phil Bee en z’n nieuwe band. Als Phil Bee’s Freedom brachten ze zo’n twee jaar geleden ook al “Caught Live” uit, maar dit is hun eigenlijke studiodebuut. Een album waarmee ze hun succes als winnaars van de Dutch Blues Challenge van vorig jaar en dichte ereplaatsen in de European Blues Challenge en de International Blues Challenge in Memphis eerder dit jaar zomaar eens te gelde zouden kunnen gaan maken. “Memphis Moon” is immers een ijzersterk geheel.

Phil Bee (zang), John F. Klaver (gitaar en zang), Berland Rours (gitaar), Pascal Lanslots (toetsen), Arie Verhaar (drums), Carlo van Belleghem (bas) en Tarah Ouwerkerk, Nicole Verouden en Maartje Keijzer (backing vocals) trakteren op hun onder de auspiciën van Peter Bulkens in de Rockstar Studios in Niel opgenomen nieuwe op twaalf songs. Een lekker gevarieerd aanbod bestaande uit negen eigen originals en een drietal met veel zorg gekozen covers van materiaal van anderen. Van het repertoire van Albert King plukte men zo “Down Don’t Bother Me” weg, van dat van Van Morrison stamt een mooie lezing van de Deadric Malone-compositie “Ain’t That Loving You Baby” en bij Eric Clapton (Derek & The Dominos) haalde men “Got To Get Better In A Little While”.

De echte klapstukken van de plaat dienen wat ons betreft echter vooral te worden gezocht tussen de eigen nummers erop. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de net geen acht minuten lange, onwaarschijnlijk knappe soulvolle sleper “One Last Kiss”, het door de recente doortocht van de band doorheen Memphis geïnspireerde titelnummer, het funky opdondertje “Hold On” en “Sunday Morning”, een verdere gloedvolle ballad op z’n Cockers.

Al bij al een zeer mooi samengaan van elementen uit voornamelijk blues, soul, R&B en jazz. Met als voornaamste trekpleisters naast de ongemeen soulvolle stem van veteraan Bee zelf twee fantastische gitaristen en een toetsenman waarvoor zo menig een andere act een moord zou begaan.

“Memphis Moon” wordt op 18 september aanstaande live voorgesteld in Club Vibes in Maastricht.

Phil Bee’s Freedom, CRS

 

SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Ghost Of A Small Town” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met “Ghost Of A Small Town”, na een in eigen beheer uitgebrachte live-cd en “Burn & Shine” van twee jaar geleden de ondertussen al derde van de South Austin Moonlighters, garandeert het Duitse Blue Rose Records ons andermaal een bijzonder lekker potje Texas style roots, country & Americana rock. Ruim dertien tracks lang is het ook ditmaal weer volop smullen geblazen van het door z’n fans liefdevol tot S.A.M. omgedoopte collectiefje uit de muziekstad uit z’n naam.

Dertien nummers waaraan met name fans van acts als Little Feat, Los Lobos, de Beat Farmers, John Mellencamp, de Flying Burrito Brothers en aanverwanten zich absoluut geen buil zullen vallen. Afgetrapt wordt er met de bedaarde Americana rocker “A Year Of Decembers”. Vervolgens is er de ons op de één of andere manier een weinig aan good old Bob Seger herinnerende valse trage “Movin’ On”. “I’ll Be Coming Home” betekent in het zog daarvan even lekker funky loos gaan en “(Lyin’ On The Bottom) Mississippi River” is every bit as swampy als je van een nummer met een dergelijke titel verwachten zou. “You, Love And Me”, een co-write met Aaron Beavers van Shurman, is aansluitend daarop een catchy countryrocker met de nodige hitpotentie op z’n Texaans, “Suburban Avenue” een ook al redelijk nadrukkelijk voor een wat groter publiek bestemd lijkende power ballad, “Lookin’ For A Lover” behoorlijk groovy spul à la JJ Grey & Mofro en “Final Line” een hele fijne folk-pop ballad.

Iets van een reggaemotiefje leidt vervolgens het live vaak tot oeverloos jammen uitnodigende “Hold On” in, “She’s So Far Away” is op zijn beurt de bijdrage die de overjaarse rootsrocker in ons vanaf minuut één het meest aansprak, “Fallin’ Down” een kortstondige flirt met wat commerciëlere country, het sfeervolle “Jesus (Make Up My Dying Bed)” de enige cover van het geheel en het afsluitende titelnummer een korte instrumentale rockexercitie.

Al bij al gewoon Americana van het leukere soort.

The South Austin Moonlighters

 

FREAKWATER “Scheherazade” (Bloodshot Records)

(4****)

Tussen 1989 en 1999 schreef het vanuit Louisville, Kentucky actieve alternatieve countrygezelschap Freakwater een aardig stukje genregeschiedenis mee. Het collectief rond de voorheen al van haar bijdragen aan Eleventh Dream Day bekende Janet Beveridge Bean en Catherine Irwin was met zeven albums in die periode alleszins één van de actiefste leerlingen van de klas. En zeker ook één van de invloedrijkste. Sla er “Freakwater”, “Dancing Under Water”, “Feels Like The Third Time”, “Old Paint”, “June 6, 1994”, “Springtime” en “End Time” maar even op na en je zal meteen begrijpen waarom. Het door Beveridge Bean, Irwin en co tussen traditionele country en folk en rock gecreëerde spanningsveld was indertijd eerder ongehoord. Ze klonken als het ware als een vertaling van de Carter Family naar het hier en nu. En dat sprak vanzelfsprekend aan.

In de daaropvolgende jaren werd het vervolgens heel erg stil rond de band. Pas in 2005 zouden ze met het opnieuw meesterlijke “Thinking Of You…” een comeback maken. Maar al gauw was de pret opnieuw uit. Tussen 2006 en 2013 zouden Bean en Irwin zich immers volop gaan focussen op tal van andere projecten. Opnieuw een uitzonderlijk lange komkommertijd voor de fans dus, die uiteindelijk pas dit jaar weer uitzicht kregen op nieuw plaatwerk van hun helden. En dat is er met het bij huis van vertrouwen Bloodshot Records verschenen “Scheherazade” nu ook.

En ontgoochelen doet het allerminst. De twaalf songs erop herinneren een mens er weer eens even aan, waarom hij überhaupt ooit van alt-country is gaan houden. Echt heerlijk is het om te horen hoe de stemmen van Janet Beveridge Bean en Catherine Ann Irwin elkaar daarin net niet voor de voeten lopend nog steeds wonderwel aanvullen. Zoals dat indertijd inderdaad ook bij de Carters het geval was. Waar de groep Freakwater wat ons betreft ook na al die jaren echter nog steeds het meest door opvalt is haar songgoed. Haar country- en folkhybriden met een rocktwist blijven tot nader order echt ongeëvenaard.

Enkele van de sterkste momenten van “Scheherazade” vonden wij persoonlijk het alternatieve Emmylou-eske walsje “Number One With A Bullet”, het dromerige “Ghost Song” en een werkelijk sublieme cover van “Missionfield” van Drunken Prayer.

Nummers als deze doen je zelfs als nuchtere Vlaming nu al met hangende pootjes uitkijken naar de optredens die Freakwater binnenkort in Nederland zal komen verzorgen. Een uitje naar Amsterdam (maandag 3 oktober, Paradiso @ Bitterzoet), Nijmegen (dinsdag 4 oktober, Doornroosje @ Merleyn), Groningen (woensdag 5 oktober, Vera), Den Haag (donderdag 6 oktober, Paard van Troje) of Utrecht (zaterdag 22 oktober, Ramblin’ Roots Festival) dringt zich nadrukkelijk op.

Freakwater lives!

Freakwater

 

WILLIAM HARRIES GRAHAM “Foreign Fields” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Zoon van zijn vader William Harries Graham treedt met “Foreign Fields” al op redelijk jonge leeftijd in de voetsporen van zijn bekende pa. Bepaald goed heeft het er nochtans geruime tijd niet uitgezien voor de trots van Texaans icoon Jon Dee. Een verlammende botziekte leek een normaal leven immers lang te zullen uitsluiten. Maar als je dan zoveel vrienden hebt als zijn ouwe dan kan dat op zo’n moment onverhoopt tot een bepalende factor uitgroeien. Benefietconcert na benefietconcert zorgde ervoor dat er uiteindelijk voldoende financiële middelen vrijkwamen om Willie succesvol te behandelen. En daar profiteren we nu met z’n allen lekker mee van.

Op z’n door Mark Addison geproduceerde debuut wijst de jonge Graham er ons immers elf nummers lang op wel degelijk al uit het goede singer-songwriterhout gesneden te zijn. “Foreign Fields” sluit al bij al eigenlijk redelijk goed aan bij wat zijn vader ooit nog deed bij de True Believers. Iets wat door een bijzonder knappe cover van hun “She’s Got” alleen nog maar meer wordt geaccentueerd. Jon Dee Graham en Alejandro Escovedo als voorbeelden dus. Maar zeker ook de betreurde Kurt Cobain, wiens geest hier ook door zo menig een nummer rondwaart. Soms wat meer roots, meestal wat meer (indie)rock, da’s in een notendop samengevat de ook op de elektrische gitaar al een aardig eindje uit de voeten komende WHG.

Iets zegt ons, dat we van deze goedogende knaap in de nabije toekomst nog heel erg veel zullen gaan horen. Als zijn gezondheid dat blijft toelaten tenminste. Laat het ons met z’n allen hopen…

William Harries Graham

 

CLAIRE LYNCH “North By South” (Compass Records)

(4,5*****)

“North By South”, het nieuwe album van bluegrasscoryfee Claire Lynch, is er eentje met een hoogst aparte ontstaansgeschiedenis. Het begon eigenlijk allemaal met een mailtje van een Canadese muziekfan enkele jaren geleden. Die vroeg zich af, of hij er Lynch niet kon in interesseren om op te treden in zijn thuisland. En van het één kwam zoals wel vaker het ander. Na wat heen en weer mailen raakte Lynch volledig in de ban van Canada en zijn rootsmuziekgemeenschap en waagde ze het erop. Ze trad op in Toronto. Maar belangrijker nog: ze viel er als een blok voor haar pen pal. En ondertussen zijn de twee gewoon een gehuwd stel.

En de interesse van Lynch voor Canada werd er daardoor natuurlijk niet minder op. Vandaar nu “North By South”. Het Noorden door het Zuiden. Een fraaie verzameling liedjes van Canadese songwriters vertolkt door Lynch en Amerikaanse kompanen als Jerry Douglas, Kenny Malone, Alison Brown, Béla Fleck, Stuart Duncan, David Grier, Bryan McDowell, Mark Schatz, Matt Wingate, Jarrod Walker en anderen.

Een eerste blik noordwaarts bracht haar bij de fraaie ballad “Cold Hearted Wind” van Ron Sexsmith. Vervolgens is er het daar heel mooi bij aansluitende “Molly May” van J.P. en Gervais Cormier met een fijne accordeonbijdrage van Jeff Taylor als bijzonder aangenaam surplus. Met het speelse “Kingdom Come” belanden we meteen daarna in de muzikale achtertuin van Christopher Rudolf “Old Man” Luedecke. Wat ons betreft het eerste echte hoogtepuntje van “North By South”. En dat wordt meteen gevolgd door een tweede. Misschien wel het allermooiste nummer van het geheel is de heerlijk bedaarde Lynch-lezing van Willie P. Bennetts “Andrew’s Waltz”.

In het zog daarvan springen we dan aan boord van David Francey’s “Empty Train” om vervolgens ook nog de haltes “Gone Again” (Cris Cuddy), “Black Flowers” (Lynn Miles), “It’s Worth Believin’” (Gordon Lightfoot) en “All The Diamonds In The World” (Bruce Cockburn) aan te doen. En dan sloegen we één nummer bewust even over. We hebben het dan over het door Lynch zelf gepende en op de keper beschouwd nog net wat liefdevoller dan al de rest hier gebrachte “Milo”. Maar daarin gaat het dan ook over haar kersverse wederhelft.

Een als u het ons vraagt uitermate geslaagd huwelijk tussen twee werelden.

Claire Lynch

 

THE GOOD FOR NOTHIN’ BAND “Maniac World” (The Good For Nothin’ Band)

(3,5****)

Heerlijke groepsnaam, toch? The Good For Nothin’ Band! En het wordt allemaal nog beter, als je dan ook nog eens leert, dat Jon Roniger en kompanen hem ontleenden aan een stel zakkenrollende street performers die medio de jaren zeventig Bourbon Street onveilig maakten. Van de aandacht voor hun performance maakten die gebruik om de zakken van hun toeschouwers te bezoeken.

The Good For Nothin’ Band anno nu dat zijn  kopstuk Jon Roniger (zang en gitaar), Alex Massa (trompet), Russell Ramirez (trombone), Evan Paydon (bas) en Brendan Bull (drums). Een vijftal gespecialiseerd in wat ze zelf omschrijven als “sophisticated gutter jazz”. Een soort van singer-songwriter jazzvariant met uitlopers richting folk en blues, uitermate diep geworteld in New Orleans. En zoals dat wel vaker het geval is met muziekjes die ons uit die kontreien bereiken: tamelijk onweerstaanbaar.

“We don’t take ourselves too seriously, but we take our music very seriously,” aldus Roniger onlangs zelf over het door de vijf gebodene. En dat hoor je ook nadrukkelijk op hun debuutalbum “Maniac World” terug. Daarop klopt zo ongeveer alles. De tien eigen songs zijn zonder uitzondering van prima makelij, Ronigers zang is zonder meer aanstekelijk te noemen en het spel van zijn maats bepaald zwierig. Zo zou een zwoele zomeravond in het French Quarter in New Orleans kunnen klinken. Het ene moment loom, zwoel, ja zelfs sensueel, het andere swingend bij de beesten af.

Een aanradertje!

(Onze luistertips: de nummers “Fishin’ For Stars”, “DNA”, “Bosom Of Extremes”, “It Is What It Is” en “Snowing In New Orleans”.)

The Good For Nothin’ Band

 

TIM EASTON “American Fork” (Last Chance Records / At The Helm Records)

(4****)

Er zijn zo van die platen waar je als liefhebber van een lekkere pot Americana op z’n tijd nog net wat meer naar uitkijkt dan naar andere. De nieuwe Tim Easton was er voor mij er zo één. De Amerikaanse songsmid ontgoochelde me in het verleden immers nog nooit. En dat doet hij ook nu weer niet. Integendeel zelfs. Met “American Fork” levert hij wat mij betreft één van z’n boeiendste so far af. Met name de stilistische diversiteit van de acht songs erop sprak me vrijwel meteen heel erg aan.

Van start wordt er gegaan met het op de één of andere vreemde manier soulvolle “Right Before Your Own Eyes”. Inclusief fijn koperblaaswerk, sfeervolle toetsen en al even knappe ondersteunende zang. Vervolgens is er de daar bij nader inzicht echt wel perfect bij aansluitende trage “Killing Time”, waarin onze man zich nadrukkelijk richt tot alle passieve non-conformisten. Noem het maar een uitgesproken muzikaal call to arms aan hun adres. “Elmore James” is op zijn beurt een heerlijk swampy om zich heen stampend eerbetoon aan het adres van de blueslegende uit z’n titel en kant één wordt afgesloten met “Gatekeeper”, een met name van z’n heerlijk intense groove levend kleinood over de compleet verziekte entertainment business.

Kant twee dan. Die wordt aan de eerder bedaarde kant ingezet met het wel erg rustige “Burning Star”. En met “Alaskan Bars, Part 1”, een streepje sympathiek rammelende roots rock opgehangen aan de lotgevallen van een plaatselijke barfly, “Now vs. Now”, een volgende niet mis te verstane uithaal richting all things apathie, en “On My Way”, een slaapliedje voor zijn vijf jaar oude dochtertje, wordt vervolgens de kaap van het halve uur gerond.

Easton werd voor “American Fork” onder meer bijgestaan door Patrick Damphier (productie), multi-instrumentalist Robbie Crowell, Michael Rinne (bas), Jon Radford (drums) en de gerenommeerde Russ Pahl (pedal steel).

Tim Easton

 

RICHARD SHINDELL “Careless” (Continental Song City)

(4****)

Het laatste echt opzienbarende nieuws dat we over zingende songsmid Richard Shindell mochten vernemen was dat van zijn in het voorjaar van 2015 onder de nom de plume The Pine Hill Project verschenen samenwerking met collega Lucy Kaplansky “Tomorrow You’re Going”. In alle stilte werkte de beste man in respectievelijk New York en Buenos Aires ondertussen echter al een poosje aan een echte opvolger voor “Not Far Now”, zijn al in 2009 uitgebrachte laatste nieuwe studioplaat. Dat was het vorig najaar gepresenteerde “Thirteen Songs You May Or May Not Have Heard Before” immers zeker niet. Daarop was Shindell gewoon even in de weer met het oppoetsen van al wat ouder materiaal van ‘m.

Openen doet de Amerikaan dat nieuwe “Careless” met “Stray Cow Blues” een streepje lekkere laid-back roots & roll, waaraan liefhebbers van het materiaal van met name J.J. Cale, Eric Clapton en de jonge Dire Straits wel eens een flinke kluif zouden kunnen gaan hebben. Vervolgens is er het epische titelnummer. Echt een wolk van een luisterliedje! De kans is redelijk groot dat u nooit iemand mooier mea culpa hoorde slaan in een popdeuntje. Met in z’n kielzog het daar redelijk radicaal mee brekende “Infrared”. Dat is intelligente zomerse soft rock, zoals we die in het verleden bijvoorbeeld ook wel door acts als XTC en They Might Be Giants voorgeschoteld kregen.

Track nummer vier, het enigszins bedaard uit de hoek komende “The Deer On The Parkway”, zoekt het daarna in licht blues-georiënteerde songwateren. En met het daar met name qua mood perfect bij aansluitende en door Lucy Kaplansky van wat mooie backing vocals voorziene “All Wide Open” wordt daarop op innemende wijze de verzoening tussen een vader en z’n dochter bezegeld. Héél erg mooi! En dat zijn zeker ook het ogenschijnlijk vooral inspiratie uit de eigen leefwereld puttende “Your Guitar” en het inhoudsgewijs aan de verdwijning van een geliefd huisdier opgehangen “Abbie”.

Vanaf dan neemt Shindell even afscheid van het wereldse. Samen met hem kijken we in enkele van de laatste nummers van “Careless” nadrukkelijk neer op ons aller kluitje. Om te beginnen met het muzikaal speelse, maar tekstueel gezien aardig bittere “Atlas Choking”. En voorts ook nog met de prachtballade “Before You Go” en het enigermate etherisch aandoende “Satellites”. Afsluiten doen we echter met de voetjes weer stevig op de grond. Met het ijle “The Dome” met name. Onder een sfeervolle nachtelijke hemel, de blik omhoog, ons van alles afvragend en wachtend op verlichting. Een buitengewoon fraai sluitstuk voor een in haar geheel al even fraaie plaat!

Bij wijze van promotie van z’n nieuwe plaat toert Richard Shindell binnenkort ook doorheen Nederland. Tussen 3 en 9 september doet hij daarbij respectievelijk Lage Vuursche (In The Woods), Eindhoven (Meneer Frits), Den Bosch (Blue Room Sessions), Leiden (Qbus), Den Haag (Sociëteit Engels) en Bakkeveen (Muziekpodium) aan.

Richard Shindell, CRS

 

SARA WATKINS “Young In All The Wrong Ways” (New West / PIAS)

(3,5****)

“Young In All The Wrong Ways”, de ondertussen toch ook alweer derde soloplaat van de voorheen haar brood bij Nickel Creek verdienende Sara Watkins, is niet zomaar een nieuw album. “A breakup album with myself,” noemde de jonge Amerikaanse het onlangs zelf. Haar manier om een punt te zetten achter een periode in haar leven die haar vooral met veel twijfels had opgezadeld. Was ze wel wie en waar ze wilde zijn? Het antwoord op die vragen luidde nee. En dus brak Watkins resoluut met het verleden. Iets wat bijna vanzelfsprekend ook leidde tot een andere artistieke aanpak.

Een aanpak die haar op de één of andere manier vreemd genoeg weer wat dichter bij de muziek uit haar jaren bij Nickel Creek lijkt te brengen. Muziek, waarin folk, pop, bluegrass en andere elkaar op wonderlijke wijze omarmden. Al is het zeker niet zo, dat “Young In All The Wrong Ways” staat voor een retour. Verre van zelfs. Daarvoor maakt Watkins hier net wat teveel onverwachte stilistische bokkensprongen. En da’s maar goed zo ook.

Het ene moment voor haar doen buitengewoon stevig, het andere juist heel erg ingetogen maakt Watkins ons in de loop van tien liedjes deelachtig aan haar nieuwe gedachtenwereld. En voor het eerst zijn dat uitsluitend eigen songs. Logisch maar ook eigenlijk, gezien de zeer persoonlijke aanleiding tot deze nieuwe plaat.

Echte blijvertjes vonden wij met name het zich door opvallende tempowisselingen en behoorlijk scherp elektrisch gitaarwerk onderscheidende titelnummer, het werkelijk zalige mijmerpopdeuntje “The Love That Got Away”, het van uiterlijk zomers opgewekte “One Last Time”, het naar onze bescheiden mening erg radiovriendelijke, en passant schijnbaar moeiteloos de stap van pop naar rock en terug zettende “Move Me”, het zowel inhoudelijk als muzikaal gezien nadrukkelijk aan een trip doorheen woestijngebied refererende “Like New Year’s Day”, honky-tonk-escapade “The Truth Won’t Set Us Free” en de mooie trage “Without A Word”.

Voor de productie van “Young In All The Wrong Ways” deed Watkins een beroep op Gabe Witcher. En die was zo vriendelijk om voor het inblikken van het materiaal met gitarist Chris Eldridge en bassist Paul Kowert ook twee andere Punch Brothers mee aan boord te halen. Verder onder meer ook nog op de gastenlijst: collega’s Sarah Jarosz, Aoife O’Donovan en Jim James van My Morning Jacket.

Sara Watkins

 

STEPHEN SIMMONS “A World Without” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Eerlijk? Er zijn maar weinig singer-songwriters die wij een warmer hart toedragen dan de Amerikaan Stephen Simmons. En dat is al zo sinds onze eerste kennismaking met zijn werk ergens in de loop van 2004, ten tijde van zijn fantastische studiodebuut “Last Call”. Ondertussen goed en wel een album of tien diep in z’n carrière groeide Simmons uit tot één van de allerbesten in zijn vakgebied. Iets wat de echte connoisseurs natuurlijk al wel langer weten. Maar een doorbraak op wat grotere schaal, die kwam er helaas nog steeds niet. En dus veranderde onze man voor z’n nieuwe worp “A World Without” het geweer maar regelmatig even van schouder. Sommige van de deuntjes erop hengelen zo ons inziens vrij nadrukkelijk naar wat meer airplay en een daar logischerwijze ook uit voortvloeiende grotere verkoop. En da’s toch wel even wennen.

Openen mag “A World Without” Molly Jewell, Simmons’ vaste begeleidster wanneer hij op tournee is. Met een ingetogen pianoprelude meer bepaald. Vervolgens stoten we op een streepje vintage Simmons. Goudkoorts heerst in het bedaarde “West”. Eén van de vele liedjes hier, waarin we te maken krijgen met mensen on the move. Da’s zo ongeveer het centrale thema van de plaat, die deels ook autobiografisch blijkt. Fictie fijntjes afgewisseld met realiteit dus.

Een eerste nummer dat onze inleiding enigermate rechtvaardigt is het daaropvolgende “Puritan Cowboys”. Dat is immers een catchy roots rocker die ons meer dan eens deed terugdenken aan Tom Petty’s hit “I Won’t Back Down”. Als ideaal tegengewicht daarvoor is er vervolgens het titelnummer. “A World Without”. Geef toe, je dacht er net als ons van in den beginne al het woord love achter, en daarover gaat het dan ook. De immer aanwezige hoop op liefde. Daarna is er het op z’n Springsteens ingehouden bij een jong stel mee aan tafel aanschuivende “Fairy Tales (The Flower’s Burden)”. Opnieuw een liefdeskwestie. Ze houdt van me, ze houdt niet van me, weet u wel.

En over Springsteen gesproken, die zou ook wel eens model kunnen hebben gestaan voor de knappe rocker “Every Time”. Mede dankzij echt wel zalig elektrisch gitaarwerk van Dave Coleman zo ongeveer het dichtst dat Simmons al ooit bij een heuse hit kwam. In de ballad “The Music Highway” staat verwachtingsgetrouw het leven van een muzikant on the road centraal. En “One Fast Move” is opnieuw een echte dijk van een country rock song. Think Reckless Kelly! Zoiets.

Bleven dan nog onontgonnen: het ons van opzet best wel wat aan het werk van Simmons’ grote voorbeeld Don Williams herinnerende “Silver Moon Saloon”, het op soulvolle wijze in de eerste persoon enkelvoud aangereikte en zich resoluut aan dromen en het eigen geloof vasthoudende “Dreamers And Kings”, het onder meer met z’n pa en z’n zus gedeelde “Baby Brother’s Got A Baby Now” en de met fijn harmonicawerk omzoomde afsluiter “On Top Of A World”.

(Op 22 oktober aanstaande staat Stephen Simmons op het podium van het RAMBLIN’ ROOTS FESTIVAL in TivoliVredenburg in het Nederlandse Utrecht.)

Stephen Simmons

 

KAURNA CRONIN “Southern Loss” (Broken Silence)

(4****)

Kaurna Cronins laatste, het ergens medio vorig jaar verschenen “Glass Fool”, viel hier bepaald in goede aarde. We hadden het in verband met het op zeer aantrekkelijke wijze elementen uit genres als folk, Americana, pop en rock met elkaar versmeltende materiaal daarop over redelijk verslavend werkend spul. En dus was het hier dan ook volop uitkijken geblazen naar ’s mans nieuwe worp, het sinds kort in de betere platenzaak verkrijgbare “Southern Loss”.

Die plaat biedt volop meer van hetzelfde. Tien nummers lang toont de Australische zingende songsmid zich andermaal een ware meester in het afleveren van catchy roots pop. Van het als een kruisbestuiving tussen Crowded House en de prille versie van Prefab Sprout klinkende “”Forgetting The Blue” tot het over een lekker jazzy baslijntje gedrapeerde streepje goede raad “Don’t Grow Up To Fast”, van het bedaard rockende “Passion Parade” tot het eerder onopvallend hoge zangregionen opzoekende rootspopopstootje “Never Get You Off My Mind”, van het lichtjes bluesy uitgevallen “Always Never Alone” tot de knappe afsluitende ballad “Limping Dove” en alle anderen die we nog vergeten, dit smaakt andermaal naar veel meer!

Ideaal Radio 1-voer noemden we “Glass Fool” indertijd al en da’s iets wat zeker ook voor deze nieuwe worp weer geldt. Mocht dat ondertussen nog niet gebeurd zijn: hoogdringend te ontdekken, deze knaap uit Adelaide! Neem het maar van ons aan, je zal het je heus niet beklagen!

Kaurna Cronin

 

THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” (Howlin’ Dog Records)

(3,5****)

“Driving blue-grama-grass to ethereal desert beauty. All throughout the southwest.” Met die woorden word je op de webstek van de Rifters geïntroduceerd tot het muzikale universum van de drie heren. Een omschrijving, die, zo leert een vluchtige studie van hun vierde langspeler “The Architecture Of A Fire” al snel, echt wel steek houdt. Don Richmond, Rod Taylor en Jim Bradley tonen zich daarop twaalf originals lang kanjers in het Americana-vak. Echte meesters op tal van instrumenten, maar vooral ook wat betreft hun (samen)zang.

Het eerste nummer blijkt meteen ook het titelnummer van de plaat. Een erg mooie, wat moody uit de hoek komende, mijmerende Americana campfire song. “A Hundred Miles” is op zijn beurt bedaarde banjogestuurde C&W. En “In A Land Where The Wild Birds Sing” zouden we durven te omschrijven als werkelijk bloedmooie slow Americana, met Don Richmonds dobrokunstjes als bijzonder fraai surplus.

“I Got News For You” en “Charlie’s Lament” presenteren The Rifters bluegrass style, “Life Up To Now” is een met name door de puntgave samenzang van de heren erin opvallende rootsy ballad, “John Lebleu’s Ghost Dance Medicine Shirt” focust op ingetogen old-time country storytelling en “Beautiful World” valt op door een jazzy ondertoontje en vooral ook oorstrelend gitaarwerk.

Op “A Good Problem To Have” mag dan weer het label opgewekte fiddle driven country, “Cadillac Song” sluit qua invulling eerder aan bij het hoger al vermelde “A Hundred Miles” en “The Horizon Line” is opnieuw een fijn streepje atmosferische mijmer-Americana à la het titelnummer.

Hét allermooiste liedje op “The Architecture Of A Fire” vonden wij op de keper beschouwd “I Can Live With That”. Met name door Richmonds fiddle-bijdrage eraan kreeg dat een zekere gypsy jazz feel mee. En ook de erin verkondigde boodschap sprak ons wel aan. De spons over in het verleden gemaakte fouten. Maak gewoon het beste van nu, want “(you) can’t live the past, only today.” Hadden we zelf niet mooier kunnen verzinnen.

Eerder verschenen van deze Rifters ook al de albums “The Rifters” (2004), “The Great River” (2011) en “Live At The Sagebrush” (2013).

The Rifters, CD Baby

 

KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” (Keegan McInroe)

(3,5****)

Het fijne aan vrijwel dagelijks over muziekjes schrijven is, dat er je met enige regelmaat ook prima dingen worden aangeboden, die anders gegarandeerd onder je radar doorgevlogen zouden zijn. Dat brengt natuurlijk ook een heleboel extra werk met zich mee, maar dat nemen we er graag bij. Zeker als het blijkt te gaan om dingen als “Uncouth Pilgrims”, de nieuwe van de Texaanse songsmid Keegan McInroe. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op de dag van vandaag nog niet van die man gehoord had. En het verbaasde me dan ook flink om te lezen, dat hij met “Uncouth Pilgrims” al aan zijn vierde soloplaat toe is. En dat hij eerder ook al zes jaar lang deel uitmaakte van Catfish Whiskey.

“Uncouth Pilgrims” blijkt bij nader inzicht een conceptplaat. Voor de titel ervan liet McInroe z’n oog vallen op enkele woorden ontleend aan Mark Twains travelogue “The Innocents Abroad”. Waren de pelgrims van Twain daarin echter religieus van aard, dan zijn die van onze man vooral romantisch van inborst. Zij het bij momenten dan ook eerder onbehouwen. De liefde in al haar facetten als onderliggend thema voor de veertien songs hier dus. En dat in een al bij al ook lekker wijd gehouden Americana-context. Ruwweg te situeren ergens tussen country, folk en blues. Met nu eens de nadruk wat meer op het ene, dan weer wat meer op het andere. En met soms ook wel eens even een ander accentje ertussendoor, zoals bijvoorbeeld in het over een verkapt reggaeritme neergelegde “I Got Trouble” of in het echt wel vervaarlijk richting bluesrock overhellende titelnummer. Dingen als dat tweetal blijven echter al bij al eerder uitzonderingen op de regel.

Ruim veertien nummers lang grossiert McInroe in wat wij zouden willen omschrijven als rustiek vakwerk. In liedjes met hun roots nog nadrukkelijk in lang vervlogen tijden. In tijden toen alles nog zoveel eenvoudiger was of op z’n minst leek.’s Mans voornaamste bondgenoot is daarbij ongetwijfeld zijn krachtige rauw-hees-tedere stem. Al dient zeker ook de rol van zijn begeleiders niet te worden onderschat. Met name Roger Ray (pedal steel en dobro), Darrin Kobetich (mandoline), Sam Smith (fiddle), Ginny Mac (accordeon) en Gary Grammer (harmonica) mogen hier ook even mee in het zonnetje.

“Uncouth Pilgrims” zouden we zonder daarover al te lang te moeten nadenken durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Slaid Cleaves, een Rod Picott, een Jeff Talmadge, een Ray Wylie Hubbard en een Darrell Scott.

Keegan McInroe

 

DAVID WADDELL “The Last Of The Outlaws” (Deep South Productions)

(4****)         

Of we hem ook echt als de laatste der outlaws moeten beschouwen, dat laten we hier gemakshalve even in het midden, maar feit is wel, dat er ons ondertussen van de medio de jaren zeventig furore makende originals al flink wat ontvallen zijn en dat David Waddell nog wat je noemt nen echte is. Met op z’n ondertussen al zo’n halve eeuw bestrijkende cv samenwerkingen met heel wat groten der aarde waaronder Townes Van Zandt, Blaze Foley, Billy Joe Shaver, JJ Cale, Stevie Ray Vaughan, Billy Ray Reynolds, Richard Dobson en Wayne Hancock, om er maar enkelen te noemen. En met sinds oktober 2006, toen hij z’n samenwerking met Hellbound Train inzette, ook reeds een flinke trits lekkere platen. Als daar zijn “Truck Broke Down” uit 2007, “Lone Star Over Texas” van twee jaar later en “Anytown, USA” van ondertussen een jaar of vier geleden. Bekendheid geniet Waddell in Europa echter vooral omwille van zijn energieke podiumprestaties. Met zijn hard-core Texas outlaw country rock is hij een bijzonder graag geziene gast in het festivalcircuit.

De zestig ondertussen al even voorbij toont Waddell zich op z’n nieuwe worp vitaler dan ooit. Elf nummers en ruim veertig minuten lang etaleert hij eens te meer die buitengewoon fijne schrijvershand van ‘m. Geen wonder, dat Billy Joe Shaver hem ooit “one of the greatest songwriters and musicians I have ever known” noemde! En met die heerlijke donkerbruine stem van ‘m beschikt hij als geweten natuurlijk ook over het ideale materiaal om die songs mee aan de man te brengen. Van het weidse “Caravan Of Gypsies” over de sfeervolle dronkemansmijmering “Devil In The Bottle” en het z’n titel echt alle eer aandoende en derhalve ook redelijk expliciet uitgevallen “The Lying Politician Blues” tot de swingende, en passant best wel wat aan Merle en Dale herinnerende countryrocker “Truck Stop Girl”, van het daar al verhalend tussen de kruitdamp perfect bij aansluitende “Waco Saturday Night” over de tragen “The Game Of Love” en “Things Dreams Are Made Of” tot het uit het bluesy “Rain Falls Down”, de door de hoger ook al even vernoemde Billy Ray Reynolds samen met zoonlief Royce Leland Waddell, Jr. gepende ballad “High Flyin’ Train”, de heerlijk lijzig gebrachte border song “Tennessee/Mexico” – Ons lievelingsnummer hier! – en titelnummer “Last Of The Outlaws” bestaande slotsalvo, vrijwel overal mag hier wat ons betreft zonder verpinken het label “Ouderwets lekker!” op. Ergens ver daarboven knikken Waylon, Tompall en Jessi en wat oude vrienden van ‘m als een Townes en een Blaze nu vast instemmend mee.

Nu al één van dé countryplaten van het jaar!

David Waddell, CD Baby

 

THE DEVIL MAKES THREE “Redemption & Ruin” (New West / PIAS)

(4,5*****)

Op de opvolger van hun door Buddy Miller geproduceerde vorige uit 2013, het lichtjes fantastische “I’m A Stranger Here”, gooien die van The Devil Makes Three het over een totaal andere boeg. Met betrekking tot het gebrachte materiaal dan toch. Ging men tot dusver vrijwel uitsluitend met eigen stuff aan de slag, dan wordt op “Redemption & Ruin” de blik voor het eerst resoluut op de songs van anderen gericht. En dat naar eigen zeggen vooral met de bedoeling om de fans van de band vertrouwd te maken met wat Pete Bernhard, Cooper McBean en Lucia Turino door de jaren heen zoal allemaal beïnvloed heeft. Keurig verdeeld over een “Ruin”- en een “Redemption”-helft gidsen de drie ons, daarbij vakkundig begeleid door mede-producer Dave Ferguson, doorheen twaalf liedjes die hun eigen muzikale roots blootleggen.

De “Ruin”-helft wordt aangevat met een spetterende bluegrassversie van bluesmens Robert Johnsons “Drunken Hearted Man”. Gesmaakte gastbijdragen zijn er daarin van respectievelijk Jerry Douglas op dobro en Shawn Camp op gitaar en fiddle. Daarna gaat het achtereenvolgens richting Muddy Waters en Willie Nelson met twee verdere drankgerelateerde deunen. Een rootsy lezing van “Champagne And Reefer” en een zalig swingend “I Gotta Get Drunk” meer bepaald. Met een speciale vermelding voor de inspanningen op de tuba daarin van Larry Paxton. Next up zijn een moody kijk op Kris Kristoffersons “Chase The Feeling”, een ongegeneerd tot feesten aanzettende uitvoering van Hudson Whittakers “I’m Gonna Get High” en een toch wel wat aparte benadering van Townes Van Zandts “Waiting Around To Die”. Met op de gastenlijst voor dat laatste schoon volk als Emmylou Harris (zang), Mickey Raphael (harmonica) en Shad Cobb (fiddle).

Op naar het “Redemption”-deel dan. Met voorop een door de versie van The Sunset Jubilee Singers geïnspireerde lezing van “There’ll Be A Jubilee”. Springerige old-time gospel is het buitengewoon fijne resultaat. Het bij Larry Sparks en Ralph Stanley geleende “I Am The Man Thomas” sluit vervolgens onder meer dankzij gewaardeerde hand-en-spandiensten van Old Crow Medicine Show fiddler Chance McCoy wat meer aan bij de bluegrasstraditie van weleer. Tom Waits’ “Come On Up To The House” krijgt in het zog daarvan een wervelende facelift inclusief pompende barrelhouse piano mee, “What Would You Give (In Exchange For Your Soul)” stoeit met brio met het erfgoed van de Monroe Brothers, de traditional “Down In The Valley” laat zich graag het versterkende gezelschap van Darrell Scott (zang en dobro) en Tim O’Brien (fiddle) welgevallen en “The Angel Of Death” ten slotte is een met veel eerbied op het graf van wijlen Hank Williams neergelegde bloem. Heel fraai wat de drie in het gezelschap van opnieuw Chance McCoy (fiddle), gitaarlegende Duane Eddy, Shad Cobb (viool) en Dan Dugmore (pedal steel) met ’s mans vermaarde klaaglied doen. Een geweldige afsluiter voor een al even geweldige plaat!

The Devil Makes Three

 

DANA IMMANUEL & THE STOLEN BAND “Come With Me” (Dana Immanuel & The Stolen Band)

(4****)

Toen we ons hier vorig jaar bogen over “Dotted Lines”, haar vorige cd, betekende dat voor ons een eerste kennismaking met de wondere wereld van Dana Immanuel en haar Stolen Band. Haar op unieke wijze Americana, folk, blues en jazz verenigende debuut “Character Assassination” hadden we toen immers nog niet meegekregen. Een euvel dat inmiddels gelukkig verholpen is. En dus konden we nu wel op de juiste manier aantreden met betrekking tot “Come With Me”, de zonet verschenen derde langspeler van Immanuel (zang, banjo en gitaar) en haar bandgenoten Feadora Morris (gitaren en banjo), Blanche Ellis (zang en washboard), Maya McCourt (zang, cello en single bass) en Hjordis Moon Badford (cajon en voettamboerijn).

Heerlijke plaat is dat! Een beetje ruw-rauw. Een beetje weird ook. Maar vooral ook een garantie voor een dik half uur onvervalste fun. Een nagenoeg onweerstaanbare blues-cum-bluegrass-cum-Americana-cum-rock rush van Londense makelij met de blik vrijwel voortdurend nadrukkelijk op de Zuidstaten van de States gericht. Een banjogestuurde wervelwind! As good as it gets!

Gelijk vanaf het de feestelijkheden op dirty rootsy wijze voor geopend verklarende titelnummer weet je als luisteraar al dat je in bent for a treat. En dat gevoel wordt ook vrijwel ogenblikkelijk bevestigd door het werkelijk rete-aanstekelijke “Clockwork” onmiddellijk in het kielzog daarvan. Een vriendje horen omschrijven als “the latest way I found to hurt myself”, hier was het alvast goed voor een hele brede glimlach. “Nashville” is vervolgens wat meer moody spul. Met een behoorlijk nadrukkelijke hoofdrol voor de weerbarstige cello van McCourt.

Dartel gaat het vervolgens via het lentefrisse “Achilles Heel” en het deep rootsy drinklied “Going To The Bottle” richting de tweede helft van “Come With Me”. Die wordt aangevat met het omineuze, banjozwangere “Rock Bottom” om middels stops bij de haltes “John Wayne” (rootsy jazz ‘n’ roll), “Devil’s Money”(jazzy roots ‘n’ roll) en het expliciete “Motherfucking Whore” (door rock bezeten bluegrass) uiteindelijk te stranden bij een werkelijk zalige cover van het wellicht vooral in de uitvoering van Elvis bekende “Viva Las Vegas”. De wervelende zotte-dozen-versie die Immanuel en co daarvan ten beste geven is wat je noemt nog eens roots-amusement pur.

Dana Immanuel & The Stolen Band

 

DANIEL MEADE & THE FLYING MULES “Let Me Off At The Bottom” (At The Helm Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

De plaat waar ik de voorbije rootszomer het meeste plezier aan beleefd heb, vroeg u? Daar moet ik niet lang over nadenken! Dat is ontegensprekelijk “Let Me Off At The Bottom”, de derde van de Schot Daniel Meade en z’n Flying Mules. Echt een feest van een plaat, dat album! Net geen vierendertig minuten onvervalste retro roots fun van de bovenste plank. Met zo menig een blijvertje op het menu ook.

Neem nu bijvoorbeeld de swingende roots & roll van openingsnummer “Back To Hell”. Zo op het eerste gehoor echt iets voor fans van acts als de ook hier te lande razend populaire Pokey LaFarge en aanverwanten. En ideaal ook als aftrap voor een geheel dat staat voor een permanente brede glimlach op het gelaat van al wie het waagt om er naar te luisteren. Zelfs als de teksten al eens even wat minder vrolijk zijn. Zoals in het door heerlijke streepjes catchy honky-tonk-pianogehamer en superieur snarenwerk van Lloyd Reid aangejaagde “There’s A Headstone Where Her Heart Used To Be” bijvoorbeeld.

“Ghosts And Wolves” lijkt vervolgens wel iets van de soundtrack bij de Coen Brothers-film “O Brother, Where Art Thou” gekruid met enkele fikse snuiven ragtime en rock  & roll, “He Should’ve Been Mine” is één van de weinige rustpuntjes van het geheel en titelnummer vol zelfbeklag “Let Me Off At The Bottom” houdt eerder bedaard het midden tussen Americana, honky-tonk en folk. “Poison Dart” is een tweede, eerder countryesk uitgevallen trage, “Please Louise” swingt meteen daarna echt als de spreekwoordelijke tiet en “Lock Up Your Daughter” vlamt daar in supersonische retro roots style zelfs nog makkelijk aan voorbij.

Voor één van dé momenten van “Let Me Off At The Bottom” tekent Meade aansluitend daarop samen met Siobhan Wilson. Samen met haar zingt hij de ingetogen beauty “Leave Me To Bleed” naar een oververdiende stek ergens hoog daarboven tussen de sterren. En daarmee komt gelijk ook al het einde in zicht. Met de mooie countrytrage “Count The Roses” en het alweer ongemeen catchy uit de hoek komende drinklied “The Bottle Called For Me” is het na exact 33 minuten en 44 seconden helaas voorbij. Nu ja, voorbij… Een nieuwe beurt kan natuurlijk altijd… En dan nog één… En nog één… En nog één…

Daniel Meade

 

SETH LAKEMAN FEATURING WILDWOOD KIN “Ballads Of The Broken Few” (Cooking Vinyl)

(4,5*****)

Met “Ballads Of The Broken Few”, zijn ondertussen achtste studioplaat, onderlijnt Seth Lakeman andermaal zijn belang voor de Britse folkscène anno nu. Met zijn bepaald innovatieve benaderingswijze van het genre wist hij het enigszins sexy te maken. Iets wat hem uiteindelijk zelfs het nodige mainstreamsucces zou opleveren. En dus is Lakeman aan de andere kant van het Kanaal aardig hot. Naar elke nieuwe release van ‘m wordt er echt met argusogen uitgekeken. Zo ook weer naar “Ballads Of The Broken Few”.

Die plaat blikte onze man in met het net als hemzelf uit Devon afkomstige vocale trio Wildwood Kin. Voor de productie ervan en voor bijdragen op een veelheid aan instrumenten tekende de legendarische Ethan Johns. Die laatste had genoeg aan de beluistering van de ruwe versie van één nieuw liedje om Lakemans naam prompt toe te voegen aan zijn verder onder meer ook Ryan Adams, Paul McCartney, Tom Jones, Ray LaMontagne, Laura Marling, The Staves, Crosby, Stills & Nash en Kings Of Leon omvattend klantenbestand. En ik denk niet, dat hij daarvan naderhand spijt heeft gekregen.

“Ballads Of The Broken Few” is immers een echt plaatje van een plaat geworden. Boordevol met beklijvende songs, die op uitzonderlijk doeltreffende wijze balanceren op het slappe koord tussen folk en roots. Tot zijn essentie herleid, niet zelden aardig moody spul, volop profiterend van de elkaar op geweldige wijze vindende stemmen van Lakeman zelve en die van de zussen Emillie en Beth Key en hun nicht Meghann Loney. Aangevuld met fantastisch snarenwerk van Lakeman op viool en elektrische tenorgitaar en Johns op onder meer de elektrische en op mandoline levert dat een bij momenten aardig tijdloos aandoend geheel op. Iets waaraan met name het etherische karakter van veel van de liedjes erop ons inziens niet helemaal vreemd is.

Onze lievelingsmomenten hier zijn een ronduit sublieme vertolking van het je wellicht ook al wel van Levon Helms onvolprezen “Dirt Farmer” bekende Laurelyn Dossett-nummer “Anna Lee”, het volop van de onderhuidse spanning erin levende rootsy titelnummer, een knappe cover van de traditional “Willow Tree” en het met name sfeergewijs zijn titel echt alle eer aandoende folkjuweel “Silence Reigns”. Het zijn slechts vier voorbeelden van de superieure folk & roots waarmee Lakeman ook ditmaal volkomen terecht ongetwijfeld weer erg hoge ogen zal gaan gooien.

Seth Lakeman

 

BEN GLOVER “The Emigrant” (Proper Records)

(4****)

Of hij het er bewust om gedaan heeft, dat durven we hier luidop te betwijfelen, maar feit is wel , dat Ben Glovers nieuwe plaat op de keper beschouwd nauwelijks op een beter moment had kunnen uitkomen. In een wereld dag na dag meer ontwricht door grote groepen een normaler, menswaardiger bestaan zoekende migranten zullen zijn liedjes immers velen aanspreken. Het universele gevoel van rusteloosheid en het verlangen naar iets wat enkel een echte thuis je geven kan dat eruit spreekt, heeft zelfs iets van een wake up call.

“The Emigrant” is de opvolger van het al in 2014 verschenen en toen erg lovend onthaalde “Atlantic”. Met de liedjes op die door hemzelf samen met Neilson Hubbard geproduceerde nieuwe worp doet Glover als het ware een poging om de door een oceaan gescheiden helften van zijn eigen bestaan weer met elkaar te verzoenen. Glover groeide op in Glenarm, een bescheiden kuststadje in het noorden van Ierland, maar in 2009 emigreerde hij naar de States. En daar verblijft hij dezer dagen in Nashville. Ierse roots versus een Amerikaanse muzikale droom dus. En dat bijna vanzelfsprekend gepaard gaand met zo nu en dan nadrukkelijk de kop opstekende heimwee.

Tien songs staan er op “The Emigrant”. Zes daarvan zijn traditionele folk songs. Meer bepaald rond de thema’s migratie, andere oorden opzoeken überhaupt en zoekende zijn. “The main theme in all the songs had to be the voice of someone who was figuring out their place in the world,” aldus Glover daarover zelf. De vier overige liedjes zijn eigen originals. Vaak co-writes met collega’s Gretchen Peters, Mary Gauthier en Tony Kerr. Met Peters schreef hij zo bijvoorbeeld het nummer “The Emigrant”, het liedje waarmee meteen ook de aanzet tot het geheel werd gegeven. Met Gauthier pende hij dan weer het beklijvende “Heart In My Hand”.

Al bij al een zeer geslaagd huwelijk tussen twee culturen, dit schijfje. Met in de schijnwerpers vrijwel voortdurend de fraaie rauwhese stem van Glover zelve, wat ons betreft zo ongeveer hét ideale instrument om Ierse folk en Americana op passende wijze met elkaar te verzoenen. Voor de rest zorgen topmuzikanten als Eamon McLoughlin (strings), Neilson Hubbard (bas, percussie, piano en backing vocals), Dan Mitchell (piano), John McCullough (piano), Skip Cleavinger (Uillean pipes en whistles), Colm McClean (akoestische gitaar) en Conor McCreanor (bas).

Onze luistertips: naast het al genoemde duo (“The Emigrant” en “Heart In My Hand”) vooral ook nog openingsnummer “The Parting Glass” en Glovers mooie lezing van de all-time classic “And The Band Played Waltzing Mathilda”.

Ben Glover

 

IAN HUNTER & THE RANT BAND “Fingers Crossed” (Proper Records)

(3,5****)

Een nieuw album van good old Ian Hunter is iets waarmee u de al wat oudere jongere in ons echt te allen tijde mag komen verblijden. En al zeker dan als we op voorhand weten, dat er een eerbetoon aan ’s mans oude maatje David Bowie op zal staan. Dat schept zelfs bij een oude fan bepaalde andere, enigszins hogere verwachtingen dan normaal.

En toen we het door Hunter samen met Andy York geproduceerde en met z’n lichtjes fantastische Rant Band ingeblikte “Fingers Crossed” eindelijk in handen kregen, ging onze aandacht dan ook vrijwel onmiddellijk uit naar “Dandy”, het nummer in kwestie. Het catchy rockende openingsnummer “That’s When The Trouble Starts” sloegen we gemakshalve even over om met plezier te kunnen constateren, dat Hunter de leverancier van z’n grootste hit met Mott The Hoople indertijd, de fameuze classic “All The Young Dudes”, echt alle eer aangedaan had. In een rechtvaardige wereld zou de ongegeneerd naar hun hoogdagen samen van weleer teruggrijpende oorwurm “Dandy” zomaar een knoeperd van een hit worden. Benieuwd of dat ook in het exemplaar dat we met z’n allen ter beschikking hebben kan…

Hunter toont zich hier überhaupt in goede vorm. Ook de door een bezoek aan en een jamsessie in Sam Phillips’ legendarische Sun Studios geïnspireerde bedaarde rocker “Ghosts”, het zich balladegewijs over verplichte indiensttreding buigende titelnummer, het aardig snedig uit de startblokken schietende en ook verder voor de nodige fun garant staande “White House”, het al verhalend naar het gevaarlijke achttiende-eeuwse Londen terugkerende “Bow Street Runners”, de sfeervolle sleper “Morpheus” en andere zijn songs die echt zonder uitzondering gehoord mogen worden. Zij het dan ook allemaal een weinig in de schaduw van “Dandy”.

Op z’n zevenenzeventigste lijkt Ian Hunter nog lang niet helemaal uitgezongen. Doe het hem maar na!

Ian Hunter

 

BILLY BRAGG & JOE HENRY “Shine A Light: Field Recordings From The Great American Railroad” (Cooking Vinyl)

(4****)

Dit is nog eens wat je noemt een specialleke. En dat niet zozeer omwille van het feit dat Billy Bragg en Joe Henry hier onverwachterwijze de handen in elkaar slaan, maar wel voor de manier waarop ze dat doen. “Shine A Light” bestaat zoals z’n ondertitel dat al laat uitschijnen effectief uit een reeks field recordings. Uit door het duo tijdens een vierdaagse trip doorheen de States op perrons en in wachtzalen ingeblikte versies van treingerelateerde liedjes. Tijdens stops tussen Chicago en Los Angeles moesten zo liedjes van onder meer Hank Williams, Lead Belly, de Carter Family, Jimmie Rodgers, Gordon Lightfoot en Glen Campbell eraan geloven.

Van “Rock Island Line” en “The L&N Don’t Stop Here Anymore” over “The Midnight Special”, “Railroad Bill” en “Lonesome Whistle” tot “KC Moan”, “Waiting For A Train” en “In The Pines”, van “Gentle On My Mind” en “Hobo’s Lullaby” over “Railroading On The Great Divide” en “John Henry” tot het afsluitende “Early Morning Rain”, in spiernaakte uitvoeringen helpen ze het duo Bragg en Henry zonder uitzondering bij het onderlijnen van het essentiële belang van train songs op heel wat van wat er op muzikaal vlak later nog allemaal te gebeuren stond. Dat treinen bij het verspreiden van muziekjes ooit van levensbelang waren, staat voor de twee bovendien sowieso buiten kijf.

Enfin, niks aan tierlantijntjes hier, gewoon twee stemmen, twee akoestische gitaren, een stel klassieke liedjes en een reeks zonderlinge locaties, die garant staan voor een hoogst apart sfeertje.

Billy Bragg & Joe Henry, Cooking Vinyl

 

HEIDI TALBOT “Here We Go 1,2,3” (Navigator Records)

(4****)

Voor wie ervan houdt om in de al wat latere uurtjes van de dag zalig weg te mijmeren bij mooie eigentijdse folkmuziekjes gedragen door fraaie vrouwenstemmen is “Here We Go 1,2,3”, de ondertussen vijfde langspeler van Heidi Talbot, een waar godsgeschenk. In een productie van haar wederhelft John McCusker weet de Schotse ook daarop immers weer ruim tien nummers lang te betoveren. Zich daarbij en passant buigend over thema’s als ouder worden, de dood, geboorte en haar verknochtheid aan haar eigen vaderland schildert ze zo’n driekwartier lang het ene mooie miniatuurtje na het andere. En veelal betreft het daarbij eigen nieuw materiaal. Met uitzondering van het bij voormalig 10.000 Maniacs-kopstuk Natalie Merchant geleende “Motherland”. Dat laatste groeit hier in een uitermate doorleefde versie uit tot één van dé absolute highlights.

Net als op voorganger “Angels Without Wings” van zo’n drie jaar geleden slaat Talbot ook op “Here We Go 1,2,3” weer moeiteloos bruggen tussen genres als folk, Americana en pop. Daarbij bijgestaan door een waar topteam aan muzikanten bestaande uit haar echtgenoot John McCusker (viool, citer, whistles, harmonium), Innes White (gitaar en mandoline), James Lindsay (double bass), James Mckintosh (drums en percussie), Megan Henderson (piano en harmonium), Toby Shippey (trompet), Andy Seward (banjo), Donald Shaw (harmonium, Wurlitzer en accordeon) Michael McGoldrick (Uillean pipes en whistles), Toby Shaer (whistle), Su-a Lee (cello), Sorren MacLean (backing vocals en elektrische gitaar), Adam Holmes (zang) en Louis Abbott (zang en elektrische gitaar) kerft ze met veel zorg tien lak aan genregrenzen hebbende liedjes uit de bast van het leven zelve. Veelal eerder rustig van aard, steeds weer bloedmooi.

Een vermelding als primus inter pares verdient daarbij wat ons betreft de ontzettend ontroerende ballad “A Song For Rose (Will You Remember Me), een nummer dat Talbot schreef over de periode waarin ze haar zieke moeder tegen beter weten in beetje bij beetje moest loslaten. Sterven moeten we nu eenmaal allemaal ooit. Nog zo’n beauty is de samen met Duke Special geschreven en naar eigen zeggen door de Pogues geïnspireerde torch song “Chelsea Piers”. Fraai koperwerk, al even innemende strijkers en Talbots stem maken van dat kleinood een buitengewoon fraai aandenken aan haar eigen tijd in de States.

En als we hier bij wijze van afsluiter nog een paar favorieten naar voren mogen schuiven, dan zeker ook nog de afsluitende ballade “ Stranger To Me”, bluegrasspsalm “Tell Me Do You Ever Think Of Me” en de ingetogen countrypopoverpeinzing “The Year That I Was Born”.

Heidi Talbot

 

SHANE ALEXANDER “Bliss” (Elevate Records)

(4****)

Subtiliteit blijft nach wie vor zo’n beetje hét handelsmerk van Shane Alexander. Ook op zijn ondertussen toch ook alweer zesde langspeler blinkt de Amerikaanse songsmid immers weer uit in gedegen precisiewerk. Met daarbij als z’n voornaamste bondgenoten naar goede gewoonte z’n eigen loepzuivere tenorstem en een stel bijzonder snarenvaardige vingers waadt hij op “Bliss” doorheen negen nieuwe liedjes van eigen hand en een daar quasi perfect bij aansluitende cover van het mooie “Angel’s Share” van wijlen Tim Krekel. Voor de productie van dat eerste in z’n eigen studio in Californië opgenomen album tekende Alexander zelf. En da’s een primeurtje. En wat ons betreft een voor herhaling vatbaar primeurtje ook.

“Bliss” blijkt bij nader inzicht immers een van de eerste tot de laatste noot buitengewoon geslaagd geheel. Een plaat die op de één of andere manier mooi het midden weet te houden tussen de met name in de seventies o zo populaire West Coast folk en rock van het wat bedaardere type, met zo nu en dan als kers op de taart een bescheiden zweem aan psychedelische invloeden. Namen als die van Jackson Browne, Stephen Stills en Paul Simon kwamen ons bij het beluisteren ervan spontaan voor de geest. Evenals die van jonger schoon volk als een Ryan Adams of Bright Eyes-kopstuk Conor Oberst. Erg goed gezelschap dus.

Centraal staan op “Bliss” heel wat liedjes gewijd aan hartzeer en door het leven zelve verstrekte lessen. En onthouden deden wij daarvan vooral de vederlichte late sixties folk van openingsnummer “Evergreen”, het fijntjes rockend ergens in de buurt van de hier al eerder vernoemde Ryan Adams strandende “Something Real Never Dies”, de sombere retro-popparel “I Will Die Alone” en het werkelijk bloedmooie “Heart Of California”, dat zich op de keper beschouwd laat beluisteren als een zongebruinde tip of the hat aan het adres van de Amerikaanse staat uit z’n titel. Het misschien wel allermooiste nummer van allemaal bewaarde Alexander echter voor het laatst. Titelnummer “Bliss” met name, dat je in al zijn bedaarde vredigheid bijna automatisch op zoek doet gaan naar de repeat-toets van je cd-speler.

Shane Alexander

 

JIM & LYNNA WOOLSEY “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” (Broken Record Records)

(5*****)

Nauwelijks meer dan een jaar na hun voortreffelijke debuutplaat “The Road That Brings You Home” zijn zingende en liedjes schrijvende echtelieden Jim en Lynna Woolsey daar alweer met een nieuw project. En wat voor één! Een ware delicatesse voor liefhebbers van bluegrass en Americana. Een elf songs lang de zinnen strelende plaat, waarmee ze zich voor eens en voor altijd knus lijken te kunnen nestelen tussen de groten van beide genres.

Openingsnummer van het net geen negenendertig minuten lang werkelijk bloedmooie “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” is het zich over het thema vechten tegen ouder worden uitlatende “Time”. Special guest daarin blijkt niemand minder dan Jim Lauderdale. Vervolgens is er met het door Jim Woolsey samen met Craig Market gepende en ook gebrachte “Just Like Me” meteen een tweede hoogtepuntje. Een heel mooie bluegrass-trage is dat. Titelnummer “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” groeit mede dankzij het piekfijne rootsy snarenwerk van Randy Kohrs (dobro), producer Mike Sumner (banjo), Tim Crouch (fiddle) en Mark Fain (bas) erin uit tot één van dé absolute hoogtepunten van het geheel. Al zijn ook de ingetogen swingende John Pennell-co-write “Give Me Back Tomorrow”, het lentefrisse “Yesterday”, het met John en Jeremy Chapman gedeelde “Notes From Home” en alle daarna nog volgende liedjes absoluut niet te versmaden, hoor. Vraagt u mij morgen opnieuw naar mijn favorieten hier, dan is de kans zelfs vrij groot, dat u bij wijze van antwoord een paar andere titels voorgeschoteld zal krijgen.

Onze conclusie met betrekking tot “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” ligt dan ook voor de hand: dit is een echte aanrader van formaat voor eenieder met een hart dat klopt voor bluegrass en aanverwanten. Doet u er vooral uw voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Jim & Lynna Woolsey

 

THE COAL PORTERS “No. 6” (Prima Records)

(4****)

The Coal Porters zullen voor velen wellicht altijd wel “de nieuwe groep van voormalig Long Ryders-kopstuk Sid Griffin” blijven. En dat terwijl de aanpak van beide acts ondertussen nog nauwelijks te vergelijken valt. Vormden met name elektrische gitaren een wezenlijk bestanddeel van de muziek van de Ryders, dan draait bij de ondertussen toch ook al flink wat jaren aan de weg timmerende Coal Porters al ruim een decennium lang juist alles om akoestische instrumenten. Rond banjo, dobro, mandoline, fiddle, akoestische gitaar, doghouse bass, ukelele en bajo sexto meer bepaald.

En dat ook weer op hun nieuwe worp “No. 6”. Die blikten ze in onder de productionele auspiciën van de onder meer van zijn werk met Fairport Convention, Nick Drake en Beth Orton bekende John Wood. Die werd naar eigen zeggen vooral aan boord gehaald om de eigen grenzen wat te kunnen verleggen. Kwestie van ook anno nu nog fier mee te kunnen, nu alt-bluegrass acts vrijwel overal ter wereld als paddenstoelen uit de grond blijven schieten. En dat vaak op heel creatieve wijze ook.

“No. 6” wordt afgetrapt met wat naar onze bescheiden mening meteen één van de allerbeste nummers erop is. Het betreft een buitengewoon knappe old-time-ode aan het adres van punkrockinstituut The Ramones, door Griffin geschreven naar aanleiding van het overlijden van “laatste der Mohikanen” Tommy Ramone. Vervolgens eist Neil Robert Herd de hoofdrol voor zich op in het grillige “Save Me From The Storm”, dat op het hoesje van de plaat onterecht werd omgedoopt tot “Shelter From The Storm”. En in het ingetogen “The Blind Bartender” bewijst Griffin aansluitend daarop nog maar eens wat voor een uitstekende storyteller hij wel is. Heerlijke trompetsolo van de Cubaan Eikel Venegas trouwens ook in dat nummer.

Met de wulpse instrumental “Chopping The Garlic” van Kerenza Peacock belanden we vervolgens even in de keuken, alvorens Sid Griffin het roer weer mag overnemen. Met het al even dartele “Salad Days” met name. Via de Herd-ballade “Unhappy Anywhere” en “Train NO. 10-0-5”, een moody eigentijdse train song, belanden we stilaan in de laatste rechte lijn van “No. 6”. En die blijkt te bestaan uit het opnieuw door Peacock gepende en nu ook ijle hoogten ingezongen “Play A Tune”, het wervelende “The Old Style Prison Break” en een verrassende cover van “Another Girl – Another Planet” van de aan het eind van de jaren zeventig de roep van cult rock act genietende Only Ones van Peter Perrett.

Prima plaat weer, hoor! (Tot zelfs de hoes toe is leuk.)

Sid Griffin, Coal Porters

 

KATY TOO “Nine Lives” (PedalPoint)

(4****)

“Nine Lives” is de zogeheten “moeilijke tweede” van zingende liedjesschrijfster Leen De Haes. De Kalmthoutse rondt die kaap echter met brio. De negen liedjes op de opvolger van haar ook al knappe debuut “Quest For Honey” van vier jaar geleden zijn werkelijk zonder uitzondering erg geslaagd te noemen. In die mate zelfs, dat je als recensent geneigd bent om bij wijze van namedropping met louter gerenommeerde vergelijkingspunten als een Lucinda Williams, een Eliza Gilkyson, een Suzanne Vega, een Joni Mitchell en een Emmylou Harris uit te pakken. Met dank onder meer ook aan Wigbert Van Lierde, die in navolging van Anton Walgrave, indertijd verantwoordelijk voor de eersteling van Katy Too, werd aangetrokken voor het in goede banen leiden van het opnameproces van “Nine Lives”.

En het moet gezegd: voor samenwerkingen als die tussen De Haes en Van Lierde werd ooit de omschrijving a perfect match bedacht. Van het bedachtzame, door Yves Fernandez van mooi koperblaaswerk voorziene “No Angel” over de fraaie roots pop van “When You’re Gone (Nothing Really Matters)” en het zomers soulvolle en bijzonder radiogenieke “Déjà Vu” tot de mooie ballad “Bad Moves”, van de mede door de inbreng van Wouter Berlaen op aparte wijze ongemeen swingend uit de hoek komende popdeun “Darlin’ Tell Me Now” en het groovy titelnummer over de fijne folkpop van “Alma” en het met flink wat twang overgoten “Whiner’s Blues” tot de afsluitende trage “Bricks And Stones”, echt niet één moment van appelflauwte te bekennen hier.

Fraaie zangpartijen, daar in niets voor onderdoende teksten en een eveneens werkelijk puntgave instrumentale invulling van haar liedjes zorgen ervoor dat Leen De Haes met “Nine Lives” ergens tussen (roots)pop, Americana en folk een album van internationale klasse heeft afgeleverd. Gaan we ongetwijfeld nog heel veel plezier aan beleven!

Katy Too

 

LAURA CANTRELL “At The BBC” (Spit & Polish / Shoeshine Records)

(3,5****)

In afwachting van een echte opvolger voor het inmiddels toch ook alweer bijna drie jaar geleden verschenen “No Way There From Here” nemen we hier voorlopig maar even genoegen met een nadrukkelijk als tussendoortje te bestempelen verzameling BBC-opnames van Laura Cantrell. Met uiteraard nogal wat materiaal van de vijf sessies die de Amerikaanse voor wijlen John Peel mocht vereeuwigen. Liefst tien van de vijftien tracks hier vinden daar hun oorsprong. En dat is eigenlijk niet meer dan logisch ook, als je weet dat de legendarische dj één van de allereersten was om de lof van Cantrell te zingen. Al vanaf “Not The Tremblin’ Kind” zat hij eigenlijk steevast op de eerste rij. Net als enkele andere bekende BBC-jongens trouwens, waaronder Bob Harris en Andy Kershaw. Ook zij zouden Cantrell meermaals voor on-air performances uitnodigen.

Weerhouden werden voor deze collectie onder meer tot hun essentie herleide versies van Cantrell classics als “The Whiskey Makes You Sweeter”, “Wait”, “When The Roses Bloom Again”, “Oh So Many Years”, “Khaki & Corduroy”, “Bees” en “Old Downtown” bekend van haar albums “Not The Tremblin’ Kind”, “When The Roses Bloom Again” en “Humming By The Flowered Vine” en covers van dingen als Hoagy Carmichaels “Hong Kong Blues”, Cheri Knights “All Blue” en Don Gibsons “Legend In My Time”, om er zomaar enkele te noemen.

Best wel mooi allemaal, maar het doet wat ons betreft alleen maar weer meer uitkijken naar echt nieuw werk van de vanuit New York actieve countrychanteuse met de breekbare stem. Hopelijk laat ze ons niet al te lang meer op onze honger zitten…

Laura Cantrell

 

ERIN RAE AND THE MEANWHILES “Soon Enough” (Clubhouse Records / CRS)

(4,5*****)

“Soon Enough” van de in Jackson, Tennessee geboren en getogen, maar dezer dagen vanuit Nashville actieve Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Erin Rae McKaskle en haar Meanwhiles is een ware streling voor de zinnen. Als welgekomen warme zomerregendruppels dalen haar liedjes verfrissend zacht over je neer. Ruim dertien nummers lang betovert ze met wat wel eens één van de allermooiste Americana-stemmen van het moment zou kunnen zijn. Enkel het allerzachtste fluweel kan wat ons betreft een vergelijking ermee aan.

Tegen een nagenoeg even perfecte muzikale achtergrond, gedomineerd door met name haar eigen akoestische gitaar, de elektrische van Mark Sloan en de pedal steel van Justin Schipper presenteert McKaskle haar met veel zorg veelal aan haar eigen leven ontleende luisterliedjes. Omdat het heden nu eenmaal niet mogelijk zou zijn zonder het verleden, aldus daarover de artieste zelf. Ergens tussen folk, country en Americana dropt ze doorgaans uiterst behoedzaam haar inzichten. Daarvoor inspiratie vindend zowel in haar kinderjaren als in haar tijd op deze kluit als volwassene. Met oog voor de vele veranderingen waar we met z’n allen door moeten, maar evengoed voor duidelijk persoonlijkere onderwerpen als de met haar leven als kunstenaar gepaard gaande uitdagingen.

Voor de werkelijk loepzuivere productie van “Soon Enough” tekende McKaskle zelf samen met Rodney Crowells bassist Michael Rinne. Opvallendste liedje erop – al was het alleen al maar omdat het tot stand kwam in samenwerking met de hier ook op handen gedragen Andrew Combs – vonden wij het beklijvende “Spitshine”. Noem dat gerust maar de primus inter pares.

Echt wel een aanrader van formaat voor al wie houdt van zich wars van alle trends in alle eenvoud als een ideaal antidotum voor de jachtigheid van het leven van alledag opwerpende Americana-luisterliedjes. Het soort van liedjes waarmee wij hier graag drukke en minder drukke dagen mogen uitluiden…

Erin Rae And The Meanwhiles, CRS

 

JESSE AYCOCK “Flowers & Wounds” (Horton Records / CRS)

(4****)

Als Jesse Aycock hier al enige naambekendheid geniet, dan toch vooral als lid van het in de States nu al enkele albums lang hoge ogen gooiende supergroepje Hard Working Americans, waarvan hij samen met Todd Snider, Neal Casal, Dave Schools van Widespread Panic, Chad Staehly van Great American Taxi en Duane Trucks van King Lincoln nu al een poosje deel uitmaakt. Van dat bandje verscheen enkele maanden geleden al de derde plaat in amper twee jaar tijd. Na hun titelloze debuut van twee jaar geleden en de live set “The First Waltz” is het sinds enkele weken “Rest In Chaos” dat de harten van zo menig een liefhebber van roots rock en Americana wat sneller doet slaan. Is dan ook opnieuw een prima plaat, die derde van het collectief. Maar daarover gaat het hier vandaag dus niet. Wel over het zowat anderhalf jaar geleden redelijk anoniem uitgebrachte en nu in het kader van een heus Oklahoma-offensief door het Nederlandse CRS weer opgepikte “Flowers & Wounds”.

Daarop illustreert de songsmid uit Tulsa ten voeten uit, waarom hij door heel wat bekendere collega’s echt op handen wordt gedragen. Zelfs de immer kritische Ryan Adams kon het onlangs niet laten om hem uitgebreid te bejubelen. “He’s great,” aldus de beste man, “he’s one of those guys who really deserve more recognition.” En wie zijn wij dan nog, om dat tegen te spreken, he? Hieronder laten we alvast ons licht even schijnen op wat als we goed geïnformeerd zijn al Aycocks derde cd is. Eerder verschenen van hem met telkens serieuze tussenpauzes ook al “Life’s Ladder” en de mini “Inside Out Of Blue”.

“Flowers & Wounds” blikte Aycock in onder de productionele auspiciën van zijn Hard Working Americans buddy Neal Casal en Jason Weinheimer. Zelf nam hij daarbij naast de zang ook flink wat akoestisch en elektrisch gitaarwerk, resonator, pedal en lap steel en piano voor zijn rekening. Casal (gitaren en backing vox), Eric Arndt (bas) en George Sluppick (drums) tekenden voor het leeuwendeel van het overige werk. Op de gastenlijst verder onder meer ook nog David Hidalgo van Los Lobos, percussionist Jimmy Karstein, toetsenist Al Gamble van soul outfit St. Paul & The Broken Bones en backing vocalist Indy Grotto.

Opvallendste factor is gelijk vanaf openingsnummer “Where’s The Light” de toch wel wat aparte stem van Aycock. Die blijkt redelijk hoog en van het eerder neuzelige type. Lang niet iedereen zal er even gemakkelijk voor vallen, da’s nu al wel zeker. Maar zij, die Aycock het voordeel van de twijfel en enkele draaibeurten zullen gunnen, zullen aan “Flowers & Wounds” een bijzonder lekkere slice Americana overhouden. Best wel een weinig vintage aandoend op de keper beschouwd. Muzikale sepiatinten, zoiets. Met raakpunten met zowel country en de rockvariant daarop als met folk en milde psychedelica. Lekker gevarieerd daardoor. En dat ervaren wij hier natuurlijk als een serieus pluspunt.

Wij vonden en vinden het vooral heerlijk zwelgen in melancholische kleinoden à la het door Casal van werkelijk zalig elektrisch gitaarwerk voorziene “Leave Again”, het eerder al genoemde “Where’s The Light”, het zomers loom voorbijtrekkende “First To Last” en het van een fijn Wurlitzer-decor voorziene “House Of Love”. Als tegengewicht voor zoveel bedaarde schoonheid fungeren onder meer het titelnummer, een bepaald catchy uit de hoek komend streepje roots rock, de het eerste lid van die omschrijving speels van zich afschuddende en volop aan de late sixties refererende stamper “Children Who Chase The Rain” en de zwierige, door Neal Casal en Al Gamble respectievelijk gitaar- en toetsengewijs flink opgewaardeerde roadhouse rocker “Paint Me Different Colors”.

Alleen al voor dat laatste nummer verdienen zowel Jesse Aycock als z’n jongste langspeler wat ons betreft nadrukkelijk hun tweede kans. Doe er ditmaal dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

Jesse Aycock (Bandcamp), CRS

 

CHIP TAYLOR (AKA JAMES WESLEY VOIGHT) “Little Brothers” (Train Wreck Records / CRS)

(3,5****)

Op “Little Brothers”, de opvolger van z’n magistrale “Little Prayers Trilogy”, gunt Chip Taylor ons meer dan ooit een kijk in z’n eigen leefwereld. Op de van hem ondertussen welbekende manier neuzelt hij doorheen een stel akoestische rootskleinoden opgehangen aan relevante en ook wel minder relevante facts uit z’n eigen leven.

Openingsnummer “Barry And Buffalo” ontstond zo bijvoorbeeld na een gesprek met z’n broer Barry over diens elfjarige kleindochter, een jong Amerikaans golftalent, en hun “great ride home” na een overwinning. En in “Bobby I Screwed Up” gaat Taylor in op een lastige opnamesessie met de gerenommeerde Bobby Scott ergens in de late jaren tachtig. Titelnummer “Little Brothers” op zijn beurt werd opgehangen aan een met z’n beide broers gedeelde droom. En “Refugee Children”, samen met de gloedvolle prachtballad “Book Of Hope” bij nader inzicht één van de allermooiste momenten op “Little Brothers”, gaat over ‘s mans toevallige eerste ontmoeting met een paar vluchtelingen tijdens een tournee doorheen Zweden.

En uiteraard kon Taylor ook niet zomaar voorbijgaan aan het feit dat zijn vrouw onlangs een langdurig gevecht met kanker tot een goed einde wist te brengen. Speciaal voor haar schreef hij het tweeluik “St. Joan” en “Time Goes By”. En dat zijn kleindochters Riley, Kate en Samantha de backing vocals daarin verzorgen maakt het allemaal nog net iets specialer.

Taylor (zang en akoestische gitaar) nam “Little Brothers” op samen met z’n vaste kompanen John Platania (nylongitaar) en Gøran Grini (toetsen) en kreeg verder onder meer ook nog wat bijstand van bassisten Bill Troiani en Grayson Walters, blazer Katrine Grini en backing vocalists Tom Skjeklesaether en Peter Søderlind.

Dit album beluisteren is als je verdiepen in iemands geheime dagboek. Tegen een veelal eerder verstild uitgevallen Americana-achtergrond leer je songwriter op jaren Chip Taylor met elk liedje weer wat beter kennen. En da’s een bepaald fijne ervaring.

Chip Taylor (Train Wreck Records), CRS

 

KALYN FAY “Bible Belt” (Horton Records / CRS)

(4****)

“Bible Belt” is de ronduit fantastische debuutplaat van Cherokee youngster Kalyn Fay. Een zoveelste nieuw supertalent met z’n roots in Oklahoma. En met dank opnieuw ook aan het Nederlandse Continental Record Services, dat zich klaarblijkelijk tot doel heeft gesteld om zo weinig mogelijk red dirt onontgonnen te laten. Een voornemen dat ons recentelijk onder meer ook al Wink Burcham en Carter Sampson als bepaald niet te versmaden aanwinsten opleverde.

Met hen heeft Fay zo op het eerste gehoor echter niet zo heel erg veel gemeen. Haar liedjes, samen “an exploration of faith, love and heartache”, vallen meteen op door hun ongelooflijke intensiteit. Door hun diepgang ook. En vooral ook door de manier waarop Fay en kompanen ze brengen. “An ebb-and-flow album” noemt ze het geheel zelf. En daar zit wel iets in. Ook hier stoten we immers op een duidelijk voelbare afwisseling van rijzen en zich weer terugtrekken. Tussen zich nadrukkelijk aan je opdringen en je voorzichtig overvallen. Wat dat betreft zou je Fay best wel wat kunnen vergelijken met acts als een Cat Power en een Feist. Net als hun songs hebben ook die van Kalyn Fay bij momenten iets bepaald sensueels over zich. Iets waar de fluwelen streling van haar stem allicht niet geheel en al vreemd aan zal zijn. Evenmin als de beklijvende gitaarbijdragen van haar rechterhand Cody Clinton en de al even mooie hand-en-spandiensten van Kevin Warren-Smith en Roger Ray op respectievelijk fiddle en pedal steel.

Ergens tussen country en folk rock weet Fay hier net geen vijfenveertig minuten lang moeiteloos te boeien. Mild rockend haar thuisstaat aandoend in het catchy “Oklahoma” en het lekker lijzig neergelegde “Tulsa”, zich overgevend aan een zachte bries van fiddle-, orgel- en gitaarklanken in het innemende “Middlegate Station”, lekker zweverig countryesk in titelnummer “Bible Belt” – Wat mij betreft zonder meer één van de allermooiste liedjes van 2016 so far! En ik heb er toch al wel een paar gehoord… – of bedwelmend uithalend zoals in “Black & Blue”, de jonge Amerikaanse laat er hier hoegenaamd niet de minste twijfel over ontstaan: she’s in it for the long run!

Een bijzonder aangename kennismaking wat mij betreft dan ook!

Kalyn Fay, CRS

 

THE BUFFALO SKINNERS “Cease Your Dreaming” (Loose Chat Records)

(3,5****)

The Buffalo Skinners zijn een vijf man sterk rootscollectiefje actief vanuit het Engelse Sheffield bestaande uit Kieran Thorpe (keys, mandoline en zang), James Nicholls (viool en zang), Peter Secombe (gitaar en zang), Miles Stapleton (drums) en Robbie Thompson (bas en zang). De vijf zijn met “Cease Your Dreaming” al aan hun derde album toe. En met uitzondering van Stapleton blijken ook alle betrokkenen songs voor dat project te hebben aangedragen.

Aan gezonde variatie hier daardoor absoluut geen gebrek! Openingsnummer “We Get Along” voltrekt zo bijvoorbeeld als een geestelijke die duidelijk van wanten weet een vrijwel meteen flink in het oor springend huwelijk tussen country en rockabilly. “Sam’s Chop House” heeft vervolgens op zijn beurt iets met zowel rock & roll, folk als soul, het dartele “Play To Lose” is rootsy pop catchy as you’ll ever hear en “Shoes” neigt naar en leeft van een slow R&B groove.

Met “Come On Home” volgt er dan een heuse wolk van een popliedje, “Lost & Gone” is aanstekelijke folk rock met een uitgesproken seventies feel en “Monkey On Your Back” blijkt wat rauwer uitgevallen bluesy rockspul. Met “Sugar Cane” mogen we ons vervolgens even verliezen in aangenaam hitgevoelig gemijmer, “Goodbye To My First Love” neemt nog wat meer gas terug, het cynisch getitelde “If You Won’t Love Me, Somebody Else Will” stampt er gezellig rockend op los, “Delta Blues” zoekt op z’n minst aanzetgewijs z’n heil in precies die buurt, “Remember Me” herinnerde ons op de één of andere manier aan Marty Robbins en afsluiter “We Gotta Go” groeit onder meer door de sfeervolle toetsenbijdrage van Thorpe eraan uit tot een aardig soulvol opdondertje.

Nice one!

The Buffalo Skinners

 

ANNIE KEATING “Trick Star” (Annie Keating)

(3,5****)

Zingende liedjesschrijfster Annie Keating hoeft hier allang niets meer te bewijzen. Met platen als “The High Dive” (2004), “Take The Wheel” (2005), “Belmont” (2008), “Water Tower View” (2010), “For Keeps” (2013) en “Make Believing” (2015) wist ze in het verleden naar onze bescheiden mening al ruimschoots voldoende krediet voor zichzelf op te bouwen om tot aan haar oude dag en zelfs ver daar voorbij steeds opnieuw op onze ongebreidelde aandacht te mogen blijven rekenen. Voor haar zevende plaat, het eerdaags te verschijnen “Trick Star”, voegen we alvast graag de daad bij het woord. Met veel plezier laten we hier ons licht even schijnen op de dertien tracks daarop.

Instapper “You Bring The Sun” is opgewekt rinkelende, bij momenten quasi Byrdsiaans aandoende gitaarpop, “In The Valley” vervolgens een zalig contemplatief momentje en “Lucky” een daar werkelijk perfect bij aansluitend streepje roots pop. “Slow Waltz” is vervolgens exact wat z’n titel belooft, het heerlijk bedaard neergelegde “Trapeze” profiteert zonder ook maar de minste vorm van gêne van de subtiele pianobijdrage van Jordan Shapiro eraan, “Time Come Help Me Forget” rockt er in het kielzog daarvan een aardig eindje op los en “Orchard” is echt een wolk van een ballad.

Moeten daarna nog de revue passeren: het door Chris Tarrow op de pedal steel met wat melancholie onderbouwde “Come And Go”, het bij nader inzicht echt wel ergens dicht in de buurt van collega Eliza Gilkyson strandende “Fool For You”, het lekker strak uit de startblokken schietende titelnummer (Over haar eerste fiets!), het door wat soulvolle blazers erin flink richting zomer gestuwde “Creatures”, het bijna onopvallend voorbij kabbelende “Growing Season” en afsluiter “Phoenix”, opnieuw wat roots pop van het fijnere soort.

Andermaal fijn luistervoer zonder meer. Prikkelend tekstmateriaal gekoppeld aan uitnodigende melodieën. Wat moet een mens nog meer? Niks toch?

Annie Keating

 

TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” (Tawny Ellis)

(3,5****)

Met het einde van hun jongste tournee doorheen het Amerikaanse Zuiden stilaan in zicht besloten Tawny Ellis en haar wederhelft Gio Loria een bezoekje te brengen aan de vermaarde Fame Studios in Muscle Shoals. En daar kwam van het één al snel ook het ander. Ze werden er door eigenaar-producer Rick Hall himself immers uitgenodigd om eens wat op te komen nemen. En dat direct na hun nauwelijks tien dagen later aflopende tournee nog wel! Wat maakte, dat er niet zo heel erg veel tijd meer overbleef om één en ander serieus te plannen. En dus werd er uiteindelijk maar geopteerd voor een vier tracks tellende EP.

Die werd opgenomen met Ellis zelf op de lap steel, haar ventje Gio Loria op diverse gitaren, bas, dobro en Hammond B3, de van Five Eight, een groepje uit Athens, GA, geleende tandem Sean Dunn en Patrick Ferguson op respectievelijk elektrische gitaar en drums en Peter Hamilton op bas. Voor de productie tekenden Ellis en haar levensgezel zelf.

Afgetrapt wordt er met het werkelijk bloedmooie “Ghosts Of The Low Country”. Dat titelnummer, een heerlijk soulvolle, klaaglijke (alternatieve) country-noir-trage herinnerde ons beurtelings aan Lucinda Williams en Neko Case. Een echte voltreffer dus! Vervolgens is er “Evolve Or Die”, een al wat ouder Ellis-nummer, voor de gelegenheid gebracht als fraaie akoestische Americana ballad. Op zijn beurt een beetje Emmylou-esk voorwaar!

De overige twee nummers zijn covers. De eerste, de wat loom aandoende rootsrocker “Desperate Tonight”, van een nummer van het hier eerder al genoemde bandje Five Eight, de tweede, “Walking After Midnight”, een soortement van eerbetoon aan het adres van een zangeres waarmee Ellis in het verleden nogal eens vergeleken werd, met name de grote Patsy Cline.

Best wel jammer eigenlijk, dat het daarmee na goed en wel zeventien minuten allemaal al weer over is. Hier hadden wij immers best nog wel wat meer van gelust…

Tawny Ellis

 

WESTERN CENTURIES “Weight Of The World” (Free Dirt / Music & Words)

(4****)

Net geen twee jaar geleden lieten we ons hier in uitermate lovende bewoordingen uit over “The Flower Of Muscle Shoals”, het debuut van Cahalen Morrison & Country Hammer. Liefst vijf sterren hadden we in september ’14 over voor die geweldige plaat, die we terloops ook als “één groot feest voor getrainde countryoren” bestempelden. En u begrijpt dan ook, dat we naar de opvolger van dat geheel echt met argusogen hebben uitgekeken. En terecht ook, zoals nu blijkt!

De lading bleef onveranderd, de vlag veranderde ondertussen wel. Het lange Cahalen Morrison & Country Hammer heeft plaats moeten ruimen voor het veel lekkerder bekkende Western Centuries. Waarom precies, da’s ook voor ons nog steeds een raadsel. Hopelijk zorgt het niet voor teveel verwarring… Hoe dan ook, Western Centuries, dat zijn dezer dagen Cahalen Morrison (lead & harmony vocals, akoestische en elektrische gitaren en drums), Jim Miller (elektrische en akoestische gitaren, lead & harmony vocals), Ethan Lawton (drums, elektrische en akoestische gitaren, lead & harmony vocals), Rusty Blake (pedal steel) en Dan Lowinger (bas), aangevuld met speciale gaste Rosie Newton (fiddle).

Afgetrapt wordt “Weight Of The World” met z’n titelnummer, een voorzichtig de hoogdagen van outlaws als Waylon Jennings evocerend kleinood. Vervolgens zijn er het speelse, fiddle driven “Double Or Nothing”, waarin Ethan Lawton de zang voor z’n rekening neemt, en “Knocking ‘Em Down”, een eerder melancholisch uitgevallen Americana-trage, waarin het de beurt is aan de je misschien wel van z’n tijd bij Donna The Buffalo bekende Jim Miller.

“What Will They Say About Us Now?” leunt dan met name gitaargewijs zwaar op de Bakersfield twang van wijlen Buck Owens en de zijnen, het al even zwierige “Philosophers And Fools” lijkt op zijn beurt vers van een Texaanse honky-tonkvloer te zijn geveegd en met de sleper “Sadder Day” is het, zoals de titel ervan dat al liet vermoeden, volop tranen in ons bier geblazen. Doorheen het lentefris ronddartelende “Sadder Day” waart vervolgens aardig nadrukkelijk de geest van de jonge George Jones rond, “Hallucinations” puurt puur retro-countryplezier uit met name de fiddle- en pedal steel-bijdragen van Newton en Blake en het weer door Lawton gezongen “Off The Shelf” is gewoon een hele mooie country soul slow.

Met “The Long Game” krijgen we aansluitend daarop ook een bedaarde countryrocker voorgeschoteld, “The Old You” is op een enigszins jazzy aandoende baslijn geënte honky-tonk en afgerond wordt er op feestelijke wijze twangend op de Telecaster met “Rock Salt”.

Opnieuw een regelrechte voltreffer voor Morrison en de zijnen! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Western Centuries

 

ROBERT ELLIS “Robert Ellis” (New West Records / PIAS)

(4****)

De in Lake Jackson, een stadje op ongeveer een half uur rijden van Houston, geboren en getogen Robert Ellis is nu niet meteen wat je noemt your typical Texan singer-songwriter. Zelf geeft hij graag toe meer beïnvloed te zijn geweest door seventies-iconen als een Paul Simon, een Randy Newman en een John Prine dan door z’n streekgenoten. Van hen stal hij als het ware met z’n oren. En dat hoor je dan ook duidelijk terug in wat hij op “Robert Ellis”, z’n ondertussen toch ook alweer vierde plaat, brengt. Zijn liedjes zijn veel en veel avontuurlijker dan deze die je op een doorsnee-Americana-cd aantreft. Een soort van hoogst eigenzinnige soundscapes zijn het, waarin tal van genres elkaar voortdurend met plezier in de armen vallen. Van pop en rock tot Americana, country, folk en ja, zelfs jazz.

Zo heeft het ingehouden “California” groovegewijs wel iets weg van Steely Dan en neigt het zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelende “Perfect Strangers” naar de popperfectie van het onnavolgbare Prefab Sprout van Paddy McAloon. En het zomers lijzige “Amanda Jane”, dat lijkt op zijn beurt wel met wat bossa nova te zijn besprenkeld. Hoogst apart!

Het met collega Angaleena Presley van de Pistol Annies gepende “Drivin’” blijkt aansluitend daarop nogal wat country in z’n genen te hebben zitten. En het bij momenten echt in de strijkers zwelgende “The High Road” – bij nader inzicht ook al een co-write, ditmaal met Jonny Fritz – grijpt graag terug naar lang vervlogen folkdagen. En dan zijn er ook nog de sprankelende roots pop van “Elephant”, het en passant bijna Beatle-esk uitvallende “You’re Not The One”, het vooral aanvankelijk weliswaar volop van een ouderwets lekkere soul vibe profiterende maar uiteindelijk toch als een rocker onze boeken ingaande “Couples Skate” en afsluiter “It’s Not OK”. Een ons her en der best wel wat aan heren als een Ben Folds, een Elton John in z’n hoogdagen of een Billy Joel herinnerende intelligente pianopopdeun. En met het gecultiveerd rockende “How I Love You” en het zweverige “Screw” prijken op Ellis’ setlist ook twee fremdkörper. Het eerste schreef zijn maatje Matt Vasquez van Delta Spirit, het tweede werd hem aangereikt door Kelly Doyle, de gitarist van z’n eigen band.

Neen, een zo eigenwijze breakup-plaat als deze hoorde u waarschijnlijk nog nooit! De melancholische naweeën van zijn eigen recente scheiding leverden Ellis duidelijk genoeg inspiratie voor een heus meesterwerkje op. Zowel tekstueel als muzikaal niets minder dan een weldaad voor wie eraan wil.

Robert Ellis

 

ROB ICKES & TREY HENSLEY “The Country Blues” (Compass Records)

(4,5*****)

Met “The Country Blues” bevestigen dobrovirtuoos Rob Ickes en z’n zingende partner Trey Hensley al het goede dat we hier naar aanleiding van hun eersteling samen, het vorig jaar verschenen “Before The Sun Goes Down”, al over hen verkondigden. Om het maar eens met de woorden van good old Marty Stuart te zeggen: “’t Is goed om te weten, dat de real deal wel degelijk nog bestaat.”

Elf nummers lang verkennen Ickes en Hensley op hun tweede worp het grensgebied tussen bluegrass, country en de bluesvariant daarop. Daarbij bijgestaan door een heuse stoet aan prominente gasten fietsen ze vlot van het ene hoogstandje naar het andere. Onder meer Ron Block, Vince Gill, Aubrey Haynie, Car Jackson, Shawn Lane, Andy Leftwich, Robinella, Jon Randall Stewart, Mike Bub en John Alvey zijn zo van de partij. Bijzonder goed gezelschap, als u het ons vraagt!

Samen brengen ze naast een aantal eigen deunen vooral ook veel covers van materiaal van anderen. Zo leenden ze het zuiders funky neergelegde “Pray Enough” bijvoorbeeld bij de onvolprezen Wood Brothers, haalden ze “I Won’t Give Up My Train” bij Hensley’s grote voorbeeld The Hag, is er met “Friend Of The Devil” een wat ons betreft uitermate geslaagde swingende tip of the hat aan het adres van de Grateful Dead, groeit wijlen Hank Williams’ “May You Never Be Alone” heerlijk klaaglijk uit tot één van de absolute hoogtepunten van “The Country Blues” en krijgen voorts ook de Charlie Daniels Band (“Willie Jones”) en Sonny Boy Williamson (“One Way Out”, met Ickes en Hensley verdorie echt in bluesmodus!) nog een lekkere beurt mee.

Prima plaat!

Rob Ickes & Trey Hensley

 

THE KAT KINGS “Swingin’ In The Swamp” (Kool Kat Records)

(3,5****)

Het leven is lang niet altijd een pretje. Dat mocht ook Kevin McQuade, het flamboyante kopstuk van de vanuit het Canadese Toronto actieve Kat Kings, ondervinden toen hij en zijn maats hot on the heels van hun vrijwel unaniem lovend onthaalde debuutplaat “The Winning Hand” on the road waren om het ijzer te smeden toen het nog volop heet was. Een maar net niet dodelijk afgelopen verkeersongeval van z’n dochter maakte toen voor de beste man immers abrupt een einde aan alles wat voorheen zo belangrijk had geleken. Voor McQuade telde plots begrijpelijkerwijze maar één ding meer: hij moest en zou bij zijn dochter zijn. Tijdelijk game over derhalve voor de Kat Kings.

Tijdelijk gelukkig maar. Met ’s mans dochter gaat het inmiddels naar verluidt gelukkig alweer heel wat beter. En met “Swingin’ In The Swamp” zijn McQuade en z’n kompanen nu ook toe aan hun welverdiende tweede kans op eeuwige roem. Oordeelt u daarover vooral ook zelf maar! Hieronder volgen alvast een hele trits redenen om u te overtuigen om op z’n minst tot een luisterbeurt over te gaan.

Om te beginnen is er de werkelijk rete-aanstekelijk swingende bluesabilly van openingsnummer “When I Say Jump” en de al even zwierig rockende jump blues van “Poppin’ At Party Time”. Met die twee deunen trap je probleemloos eender welk feestje in gang. Vervolgens zijn er de bevlogen rockabilly-stamper “B Flat Kat”, het door McQuade met soullegende Wilson Pickett ergens in z’n achterhoofd voor zijn vrouw geschreven “I Work For You” en de wervelende, ons hier en daar een heel klein beetje aan “Somethin’ Else” van wijlen Eddie Cochran herinnerende rock & roll-opstoot “Juke Joint Jimmie”.

Het door de woorden van een ter dood veroordeelde vlak voor z’n executie geïnspireerde “Before I Found Him” doet op zijn beurt iets heel moois met swamp rock en gospel, “Ridin’ In Style” laat titelgewijs eigenlijk al maar weinig meer aan de verbeelding over en swingt wederom als een tiet, “I’m Just A Shadow” blijkt in het wiel daarvan een dot van een echte soul ballad en het moddervette “It Came From The Swamp” haalde inderdaad precies daar de mosterd.

De laatste rechte lijn gaan we aansluitend daarop in met het qua ritmiek overduidelijk aan Chuck Berry’s classic “Memphis Tennessee” verwante “Til It Feels Alright”. De bluesy kruiper “I Got The Fuse”, de ongegeneerd naar New Orleans lonkende rumba “Late Night Thing” en rocker “Baby You Can’t Drink” vechten ten slotte voor de laatste podiumplaatsen.

The Kat Kings

 

NORTHERN INDIANS “No Shelter In Sight” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Northern Indians zijn Josef Eriksson en John Andersson, twee rijkelijk getalenteerde jonge Zweden, die duidelijk ooit al wel eens iets van muzikale spitsbroeders als Woody Guthrie en Bob Dylan beluisterd hebben. Met “No Shelter In Sight” is het duo al aan z’n tweede plaat toe. Minder dan een jaar na hun debuut “The Great Escape” bleken de heren immers alweer over ruimschoots voldoende songmateriaal te beschikken om gerechtvaardigd aan een opvolger te mogen denken. Met name Josef Eriksson blijkt wat dat betreft echt een bezige bij. Hij tekende in z’n eentje voor liefst negen van de twaalf liedjes hier en onder nog eens twee van de resterende drie prijkt zijn naam broederlijk naast die van kompaan Andersson.

Eriksson en Andersson grossieren ook op “No Shelter In Sight” weer in uitermate catchy folk pop & rock songs, die het niet altijd even nauw nemen met genregrenzen. “To My Dear Dear Friend” baadt zo bijvoorbeeld in een enigszins sixties aandoend sfeertje, think early Simon & Garfunkel, “If You Ever Change Your Mind” flirt ondanks dat aardig Dylaneske mondharmonicaatje erin openlijk nadrukkelijk met Americana, de enige Andersson-songbijdrage blijkt een korte poppy akoestische gitaarinstrumental en het door diezelfde Andersson gezongen “Barn Doors” strandt in al z’n eenvoud voorwaar ergens in de buurt van good old Neil Young.

Très sympa allemaal eigenlijk. Met als absolute uitschieters voor ons de werkelijk bloedmooie, überhaupt een beetje getormenteerd aandoende trage “How About You?” en de eclectisch opgevatte en met wat hoogst apart blaaswerk opgewaardeerde rocker “Give Love A Chance”. Vooral dat laatste nummer is echt wel een briljante deun.

Northern Indians

 

LOWBIRD HIGHBIRD “November Moving In” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Van een veelbelovende nieuwe act gesproken! Het uit het kleine stadje Piteå ergens in het noorden van Zweden afkomstige vijfmanschap Lowbird Highbird debuteert met “November Moving In” op werkelijk grootse wijze. Je bent bij het een eerste keer genieten ervan als luisteraar al snel geneigd om te gaan denken, dat Anna Svensson Rova (zang), Theo Stocks (pedal & lap steel en elektrische en akoestische gitaren), Jimmie Nilsson (elektrische en akoestische gitaren), Andreas Sahlin (elektrische en akoestische bassen) en Elias Ortiz (drums en percussie) echt al jarenlang met elkaar moeten optrekken. Zó ongelooflijk hecht, zó geweldig goed op elkaar ingespeeld, zó af klinkt dit allemaal. Verrassenderwijze blijkt niets echter minder waar. De vijf blijken nog maar een goed jaar samen te zijn. En de teller met optredens draaide in die periode dan ook nog eens allesbehalve overuren. Het maakt het op “November Moving In” gebodene er eigenlijk alleen nog maar indrukwekkender op.

Als Arctic Americana omschrijven ze het zelf. Een genrevariant die het niet zelden blijkt te moeten hebben van een enigszins donker randje. Van een zwaar melancholische ondertoon ook. Met front & centre bijna constant de fantastische zang van Rova. Heerlijk, hoe zij zo menig een nummer echt probleemloos naar zich toe lijkt te trekken. Met als absolute klapstuk wat ons betreft het ronduit sublieme “Leave This Town”. Rockabilly, roots rock, jazz, blues en country vallen elkaar daarin op ongemeen aanstekelijke wijze in de armen. ’t Is quasi onmogelijk om er niet onmiddellijk door meegezogen te worden.

Andere erg fijne momenten hier: het ergens onderweg van breekbare folky ballad tot ferme (roots) rock muterende “Lead Me On”, de ingetogen nerveuze folk rock van “Nothing Brings Me Down”, de net niet in weemoedigheid verzandende alternative country van “Isn’t It A Shame” en het met name door de sirenenzang van Rova erin aardig radiogeniek uit de hoek komende duo “Your Time Has Come” en “Hey Runaway”. Liedjes als deze en andere maken van “November Moving In” een eersteling om te hebben en intens van te houden. En eentje die je zeker niet aan je voorbij zou mogen laten gaan…

Lowbird Highbird - Facebook

 

ELI PAPERBOY REED “My Way Home” (Yep Roc / V2)

(5*****)

Na zijn al bij al toch wel wat ontgoochelende laatste cd “Nights Like This” was de jonge Amerikaanse soul man Eli Paperboy Reed wat ons betreft dringend toe aan eerherstel. Al het goede van z’n beide eerste platen “Roll With You” en “Come And Get It!” indachtig hielden we hier in de aanloop naar z’n nieuwe worp de vingers in spanning gekruist. Deze knaap wilden we immers vooral niet definitief kwijt aan hitlijsten allerhande. Daarvoor was wat hij vroeg in z’n carrière al deed immers veel en veel te lekker.

En om het gelijk maar te verklappen: Reed is met “My Way Home” weer helemaal terug! Dat songelftal roepen we hier bij dezen meteen uit tot een ernstige kandidaat voor de titel van album van het jaar. Beter worden ze ons inziens immers amper nog gemaakt. Heerlijk intens gaat het er op ’s mans nieuwe schijf aan toe! En zo mogen wij onze soul ook hier en nu nog altijd het liefst hebben.

Gelijk vanaf openingsnummer “Hold Out” is het volop prijs. Furieus aangejaagd door een hypnotisch orgeltje dat je eerder op een sixties garage rock single verwachten zou dan in een lap gospeleske soul grijpt die onvervalste moordsong je meteen stevig bij de lurven. Vervolgens is er de ondanks z’n wat lager tempo al even verslavend werkende schreeuwlelijk “Your Sins Will Find You Out”. Think James Brown meets Little Richard tijdens een feestje ten huize van de Staples, zoiets.

Extreem funky gaat het er dan weer aan toe in het uitermate catchy “Cut Ya Down” alvorens we met “Movin’” een streepje authentiek één-tegel-soulwerk op het bord krijgen. Echt een dijk van een trage, dat nummer! Klassiek spul eigenlijk gewoon. In “Tomorrow’s Not Promised” gaat het er daarna kort wat luchtiger aan toe. Daarin laat Reed als het ware even de Sam Cooke in zichzelf van de leiband. En dat zoiets uitstekend radiovoer oplevert, dat spreekt uiteraard voor zich.

Titelnummer “My Way Home” versmelt op zijn beurt het beste van goddelijke strotten als die van Wilson Pickett, die van Otis Redding en die van Solomon Burke. De intensiteit van die valse trage is werkelijk fenomenaal! Echt om kippenvel van te krijgen! “Eyes On You” blijkt vervolgens garage gospel, “The Strangest Thing” valt op door z’n niets minder dan wervelende rockbenadering van het soulgenre, “I’d Rather Be Alone” is opnieuw een met verve op de klassieke leest geschoeide soulsleper, “A Few More Days” komt hyperkinetisch pompend en stompend vanuit de één of andere hippe soul cellar aanwaaien en afgesloten wordt er ook al in stijl met het ingetogen “What Have We Done”, nog zo’n soul slow waarbij je als luisteraar vrijwel meteen een hele trits aan grote stemmen voor de geest komen.

Kort samengevat: dit “My Way Home” bevat net geen vijfendertig minuten van het allerbeste songmateriaal dat we hier dit jaar al te horen kregen. Dit wordt ontegensprekelijk onze soundtrack achter de zomer van 2016. Zeker weten!

Eli Paperboy Reed

 

LILY & MADELEINE “Keep It Together” (New West / PIAS)

(4****)

Ik heb het wel voor de zussen Jurkiewicz. Als het duo Lily & Madeleine – Neen, neen, niet Lili en Marleen, slimmeke… – wisten ze me ondanks hun toen nog piepjonge leeftijd ook al met hun vorige platen “The Weight Of The Globe”, “Lily And Madeleine” en “Fumes” vrijwel moeiteloos in te pakken. Hun steeds weer met perfectie flirtende folk pop had nu eenmaal dat zekere je ne sais quoi dat de besten van de beteren onderscheidt. Als volleerde sirenes lieten ze me keer op keer op hun muzikale klippen varen. En dat is ook nu weer niet anders.

In een productie van Paul Mahern presenteren ze op “Keep It Together” tien nieuwe eigen songs. Hun meest persoonlijke tot op heden, als we Lily geloven mogen. Die ging recentelijk zelfs zo ver om in verband met haar liedjes over kleine deeltjes van zichzelf te spreken. Kleine deeltjes van een in het Amerika anno nu opgroeiende jonge blanke vrouw met een college-achtergrond. Met uiteraard alle pijnen en kwaaltjes van dien. En als dusdanig aardig representatief voor veel van haar leeftijdsgenoten.

Werkelijk puntgaaf klinkt het allemaal wat de zussen hier doen. Niet enkel hun samenzang is weer van een haast onaardse schoonheid, ook het muzikale plaatje klopt volledig. En dat onder meer mede dankzij de hun eigen toetsenspel fraai aanvullende bijdragen van hun vriendinnen Shannon Hayden en Kate Siefker op onder andere gitaren, cello, mandoline, Moog, bas en drums. Dat ze als een heus team aan deze songs hebben gewerkt, blijkt uit nagenoeg alles hier.

Mijn voorkeursmomenten: het enigszins schimmig aandoende “Smoke Tricks”, het wat dramatischer uitgevallen duo “Chicago” en “Nothing” en vooral ook de perfecte laidback pop van opener “Not Gonna”, het nummer waaraan de plaat ook haar titel ontleende. In elk van deze deunen is virtuoze subtiliteit zo ongeveer voortdurend de norm.

Iets voor de zomerfestivals?

Lily And Madeleine

 

DANIEL ROMANO “Mosey” (New West / PIAS)

(3,5****)

Precies op tijd om samen te vallen met z’n doortocht doorheen de Lage Landen viel de nieuwe Daniel Romano hier op de deurmat. “Mosey” heet die schijf en het minste wat je ervan kan zeggen is dat ze verrast. Dat ze halsstarrig weigert om zich gemakkelijk in een hokje te laten duwen. En dat was exact Romano’s bedoeling ook. Vandaar ook de term Mosey. Zó en niet anders wil de Canadees dat we zijn muziek voortaan noemen.

Probeer bij gelegenheid zelf bijvoorbeeld maar eens een gepast label voor openingsnummer “Valerie Leon” te verzinnen. Maar zorg er dan wel voor over voldoende tijd te beschikken. Je zal het nodig hebben! Het is pop, maar ook rock. Het heeft soul, maar ook een licht psychedelisch kantje. Er zijn van de vitaliteit bruisende blazers, maar ook een deluxe dosis strijkers. Enfin, je ziet maar…

Vervolgens is er met “I Had To Hide Your Poem In A Song” één van de wat ons betreft allersterkste nummers van het geheel. Die krassende rocktrage trok met z’n priemende gitaarbijdrage op z’n Lennons diepe voren doorheen ons onderbewustzijn. (En ging hier dan ook meteen in heavy rotation.)

Het met Rachel McAdams gebrachte “Toulouse klinkt aansluitend daarop als een gemuteerde verre afstammeling van het onweerstaanbare “The Fool” van Lee Hazelwood met richting z’n einde wat onvervalste psychedelische yé-yé fun, “Hunger Is A Dream You Die In” heeft op zijn beurt iets van een experimenteergrage Glen Campbell, het uitbundige, aan een al bij al wat al te opzichtige woordspeling opgehangen “Mr. E. Me” stoeit op kunstige wijze met soul en sixties pop en “One Hundred Regrets” is een pianoballade à la de jonge Waits, maar dan wel zonder het gruis van diens onnavolgbare stem uiteraard.

“I’m Alone Now” is vervolgens opnieuw een volop richting de jaren zestig lonkende trage in net niet R&B style, “Sorrow (For Leonard And William)” klinkt als Leonard Cohen meets Scott Walker, “(Gone Is) All But A Quarry Of Stone” klaagt in het kielzog daarvan op z’n Dylans en “Maybe Remember Me” blijkt louter muzikaal gezien uit hetzelfde straatje als het hier eerder al genoemde “Mr. E. Me” afkomstig. Moeten dan nog de revue passeren: de eigenzinnige nachtbraker “The Collector” en afsluiter “Dead Medium”, een nog bij elke beluistering wat aan punch bijwinnende rocker.

Op 1 juni staat Romano op de planken van de Antwerpse Roma, één dag later doet hij het Dok in Gent aan. En ook in Nederland zijn enkele stops voorzien. Op 3 juni in De Oosterpoort in Groningen, op 4 juni in Tivoli Vredenburg in Utrecht, op 5 juni in Paradiso in Amsterdam en op 6 juni in zaal Doornroosje in Nijmegen meer bepaald.

Daniel Romano

 

TONY JOE WHITE “Rain Crow” (Yep Roc / V2)

(4****)

Ondertussen bijna een halve eeuw na zijn debuut “Black And White” flikt good old Tony Joe White het op z’n tweeënzeventigste maar weer eens. Met “Rain Crow” voegt hij een zoveelste pareltje toe aan zijn ook zo al behoorlijk indrukwekkende oeuvre. Ook zonder zo op het eerste gezicht nieuwe klassiekers genre een “Polk Salad Annie”, een “Steamy Windows”, een “Willie And Laura Mae Jones”, een “Roosevelt And Ira Lee” of een “Rainy Night In Georgia” erop intrigeert die nieuwe White weer ruim vijfenveertig minuten lang.

Werkelijk als geen ander weet Tony Joe White de eigenheid van het Amerikaanse Zuiden in z’n songs te vatten. Je voelt als luisteraar als het ware de voor de swamps aldaar kenmerkende vochtige warmte erin. En dat maar net niet tot zwetens toe. Van de lome bluesrocker “Hoochie Woman” tot de louter groove-gewijs ergens dicht in de buurt van wijlen J.J. Cale strandende murder ballad “The Bad Wind”, van het voorzichtig funky aandoende titelnummer tot het werkelijk hypernerveuze “The Opening Of The Box”, van de prachtige, soulvolle ballad “Right Back In The Fire” tot het samen met acteur Billy Bob Thornton gepende “The Middle Of Nowhere”, van de als vintage White te bestempelen trage story song “Conjure The Child” tot het afsluitende tweetal “Where Do They Go” en “Tell Me A Swamp Story”, White weet hier werkelijk over de gehele lijn te overtuigen.

Persoonlijk vind ik dit op de keper beschouwd zelfs één van z’n allerbeste platen überhaupt. En geloof me vrij, dat wil in het geval van The Swamp Fox best wel iets zeggen.

Tony Joe White

 

MATT BAUER “Dream’s End” (Crossbill Records)

(3,5****)

Muzikale zonderling Matt Bauer kan hier al sinds jaar en dag op goedkeurend gemompel rekenen. Met name zijn albums “Nandina” en “The Island Moved In The Storm” vinden wij echte blijvertjes. En beide platen krijgen hier dan ook geregeld nog een luisterbeurt. En geloof me vrij, dat is gezien de hoeveelheid muziek waar ik wekelijks aan moet echt niet zo evident.

En dat brengt ons meteen bij hét grote probleem met betrekking tot ’s mans nieuwe worp. Die grijpt ons al bij al in veel mindere mate dan de hoger genoemde platen bij de keel. “Dream’s End” is weliswaar een goede plaat, maar ze pakt ons niet op dezelfde manier als haar voorgangers in. En dat ondanks weer uitermate intrigerende teksten en een ogenblikkelijk uit de duizend herkenbaar geluid. Een geluid, te situeren ergens tussen Americana, indie folk en orkestrale pop. Met bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling Bauers überhaupt wat klagerig aandoende zang en met verder vooral ook nog hoofdrollen voor ’s mans eigen banjo en een heus bataljon aan strijkers. Wat vocale bijstand krijgt hij her en der van Emily Jane White en de zusjes Wanta.

Liedjes als “Fields, No Body”, “It Knows Not What It Is”, “I Am Trying To Disappear”, “Too Late”, “Silver Orchard”, “What The White Book Said”, “False Lights”, “Fox Kits” en andere behoren op de keper beschouwd tot Bauers rauwste en meest persoonlijke tot op heden. En met name in wat alternatiever ingestelde kringen zou hij er best wel eens heel erg hoge ogen mee kunnen gaan gooien. Maar zoals al gesteld, wij zullen eerder blijven teruggrijpen naar het hoger genoemde tweetal. Hopelijk neemt hij het ons niet al te kwalijk, onze Matt. We blijven per slot van rekening toch in de familie, hè…

Matt Bauer       

 

REBEKAH LONG “Here I Am” (LUK Records)

(4****)

Met de haar roots in het bescheiden Lincolnton, Georgia hebbende Rebekah Long dient zich een nieuw bluegrasstalent aan om meteen stevig aan de boezem te drukken en volop te koesteren. Op het zopas verschenen “Here I Am” presenteert ze zich immers als een echte wissel op de toekomst. Niet enkel met haar lenige kristalheldere stem, maar ook met haar liedjes slaat ze daarop voortdurend spijkers met koppen. In een productie van de hier ook zelf al regelmatig geroemde Donna Ulisse presenteert ze er daarvan een vijftal, aangevuld met materiaal van anderen tot in totaal dertien songeenheden.

Covers brengt ze zo onder meer van “I Know This Town” van de lichtjes fantastische Cheryl Wheeler, van Mel Tillis’ “Unmitigated Gall”, van het in de vroege jaren tachtig door Terri Gibbs de hitlijsten ingezongen “Somebody’s Knockin’”, van “I Washed My Face In The Morning Dew” van Tom T. Hall en van de Merle Haggard classic “The Fightin’ Side Of Me”. Dat laatste blijkt één van twee eerbetonen op “Here I Am”. Het andere is het sprankelende “Sweet Miss Dixie Deen”, opgedragen aan de vorig jaar overleden Dixie Hall, met wie Long sinds jaren een innige vriendschap onderhield.

Voor het eigen materiaal op “Here I Am” werkte Long nauw samen met Donna Ulisse en haar echtgenoot Rick Stanley. Samen tekenden ze onder meer voor het op wervelende en uitermate authentieke wijze het leven out in the country bezingende “Ain’t Life Sweet”, voor de op een vreemde manier bepaald soulvol aandoende murder song “Hairpin Hattie”, voor het op ingetogen wijze ook al een madam bezingende “Nellie Mae” en voor de hoger al genoemde tip of the hat aan het adres van wijlen Miss Dixie zaliger.

Bij het inblikken van al dat fraais kreeg Long hulp van een ware all-star cast aan sessiemuzikanten. Of wat dacht u van een team bestaande uit onder anderen banjovirtuoos Scott Vestal, bassist Mike Bub, mandolinetovenaar Jesse Brock, gitarist Dustin Benson en fiddler-dobrospeler Justin Moses? Met bovendien geregeld ook nog in de buurt voor wat vocale back-up Donna Ulisse en haar wederhelft Rick Stanley. Kon niet echt misgaan, toch?

En dat deed het dan ook niet. “Here I Am” is wat je noemt een echt plaatje van een plaat. Een delicatesse waaraan vooral liefhebbers van door mooie damesstemmen gedragen bluegrass een flinke kluif zullen hebben, maar zeker niet alleen zij.

Rebekah Long

 

MATTHEW BARBER & JILL BARBER “The Family Album” (Outside Music)

(4****)

Amper iets zo mooi als elkaar liefdevol in de armen sluitende verwante stemmen. Muziekgeschiedenisboeken staan er werkelijk vol mee. En vooral broederparen doen het in dat hoofdstuk meestal uitzonderlijk goed. Denk bijvoorbeeld maar aan de Everlys, de Louvins en de Delmores, om er zomaar voor de vuist weg wat van de bekendere te noemen. Maar het kan natuurlijk ook anders. Ook de stemmen van zingende broers en zussen gaan meestal uitzonderlijk goed samen. En niet zelden leveren ze zelfs gewoon nog mooier harmonieerwerk op. Met die wetenschap in het achterhoofd stortten we ons hier op “The Family Album”, het eerste werkstuk samen van de Canadezen Matthew en Jill Barber.

Elf veelal eerder ingetogen folk- & countryliedjes prijken er op die gezamenlijke maiden release. Vijf van eigen hand en een zestal covers. Van Bobby Charles brengen de twee zo “I Must Be In A Good Place Now”, van Gene MacLellan verbluegrassen ze het knappe “Song To A Young Seagull”, van Ian Tyson brengen ze huisfavorietje “Summer Wages”, van het repertoire van hun bekende landgenoot Leonard Cohen plukken ze het door Hy Zaret gepende “The Partisan”, bij Townes Van Zandt vonden ze geknipt songvoer in het wonderschone “If I Needed You” en van Neil Young ten slotte droeg met name de classic “Comes A Time” hun goedkeuring weg.

Van de vijf eigen liedjes blijken er drie van de hand van Jill en slechts twee van die van Matthew. Vonden wij op het eerste gezicht maar raar. Maar de gebrachte songs geven de twee wel degelijk gelijk. Het volop op de ingehouden spanning erin terende “One True Love”, de fraaie pianoballade “Today” en de al even geweldige Americana-trage “Big Picture Window” zijn stuk voor stuk ijzersterke liedjes van Jill. Liedjes, die zeker niet moeten onderdoen voor het verhalende “Grandpa Joe” en het sfeervolle “The Sweeter The Dawn”, de twee door Matthew bijgedragen stukken.

Kortom: zonder uitzondering straffe songs, gebracht door twee elkaar op wonderlijke wijze aanvoelende en aanvullende stemmen, tegen een muzikaal decorum dat hoegenaamd niets, maar dan ook niets te wensen overlaat. Veel meer mag je als luisteraar eigenlijk niet van een plaat verwachten…

Matthew Barber, Jill Barber

 

SAM FRAZIER JR. “Take Me Back” (Music Maker Relief Foundation)

(4****)

Aan fijne platen hoegenaamd geen gebrek dezer dagen! Er komt gewoon zoveel aan goeds uit, dat het ons steeds vaker aan de nodige tijd begint te ontbreken om er effectief ook wat over te schrijven. En dat is soms best wel jammer. Neem nu zo’n plaat als het onlangs verschenen “Take Me Back” van de vooralsnog eerder onbekende Amerikaan Sam Frazier Jr., hoe spijtig zou het niet zijn om daar met z’n allen gewoon aan voorbij te gaan. We zouden een heuse schatkist vol met geweldige Southern soul zomaar aan onze neus voorbij laten gaan.

Frazier is een obscuur soultalent uit Edgewater, Alabama, een klein mijnwerkersstadje ergens in de buurt van Birmingham. In de late jaren zestig en de vroege seventies nam de beste man in de door Neal Hemphill gerunde lokale Sound Of Birmingham Studios een heleboel veritabel topmateriaal op. Helaas voor hem – En voor ons! – zou dat echter nooit van de plank geraken. En een doorbraak op meer dan regionale schaal bleef voor de getalenteerde zanger-harmonicaspeler dan ook uit.

Gelukkig is er echter de Music Maker Relief Foundation nog. Die heeft zich precies tot doel gesteld om dit soort van artiesten te geven waar ze eigenlijk gewoon recht op hebben. Exposure zeg maar. En dat betekent in dit geval een zestiental songschoonheden gered van een stoffig einde. Songschoonheden als de zalige sleper “I Got To Tell Somebody”, het al even beklijvende titelnummer, het naar onze bescheiden mening toch echt wel over het nodige hitpotentieel beschikkende “Black And White Love”, het groovy “Drippin Honey”, het funky “No Account Man” en vele vele andere hier. Vreemd, dat labels als Stax dit ooit links hebben laten liggen. Gewoonweg onbegrijpelijk eigenlijk…

Music Maker Relief Foundation

 

MARA SIMPSON “Our Good Sides” (AWAL)

(4****)

Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal deze mooie Britse binnen de kortste keren de (roots)wereld weten in te pakken met haar stem en liedjes. In de vakpers in haar thuisland werd ze louter op basis van haar vocale prestaties onder meer al vergeleken met sirenes als Norah Jones en Annie Lennox, maar onze gedachten dwaalden bij het horen van die geweldige stem van ‘r al bij al toch net wat meer af richting dames als een Mary Chapin Carpenter, een Joni Mitchell en een Shawn Colvin. Richting een buurt waar het als liefhebber van hun habitat tussen (roots) pop en folk hebbende liedjes goed toeven is dus. Richting een buurt waar het je soulvol inleven in een liedje nog schering en inslag is.

“Our Good Sides”, Simpsons debuutplaat, blijkt werkelijk tot de nok toe gevuld met beklijvende songs. Liedjes gezegend met beurtelings catchy en wat meer van de luisteraar eisende melodieën en opgehangen aan aansprekende teksten. Met als primus inter pares wat ons betreft ontegensprekelijk het atmosferische “Ghosts”. Andere echte topmomenten: de ingetogen, met Olly Knights van Turin Brakes gebrachte beauty “In The Water”, het op bedaarde wijze en met vaste hand ook wat rock in het geheel injecterende “Keep Holding On”, met ditmaal een gastrol voor Ben Ottewell van Gomez, en vooral ook het ongemeen soulvolle “What I Would Give”. In verband met dat laatste zouden we hier zelfs durven te gewagen van een echte moordsong.

Voor de productie van het werkelijk bloedmooie “Our Good Sides” tekende Tim Bidwell.

Mara Simpson

 

CLARENCE BUCARO “Pendulum” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Wat hebben we aan deze man al veel plezier beleefd! De mini “Still Wide With Wonder” meegerekend inmiddels tien platen diep in z’n carrière is Clarence Bucaro hier door de jaren heen zo’n beetje tot het meubilair gaan behoren. Z’n langspelers “New Orleans”, “Sense Of Light”, “Sweet Corn”, “’Til Spring”, “Walls Of The World”, “Dreaming From The Heart Of New York”, “Hills To Home”, “Like The 1st Time” en nu ook “Pendulum” wisten en weten bij ons altijd weer de juiste snaar te raken. En dat eigenlijk al jarenlang met altijd weer ongeveer dezelfde ingrediënten.

En dan hebben we het natuurlijk in de eerste plaats over die honingzoete, fluweelzachte baritonstem van de man. Om van weg te smelten zo mooi! En als je zo’n fabuleus geschenk van moeder natuur dan ook nog eens met een flink uit de kluiten gewassen talent voor het schrijven van immer melodieuze liedjes weet te combineren, ja dan… Dan wordt weerstand proberen te bieden inderdaad zowat een compleet nutteloze onderneming. Dan duik je als luisteraar met het grootste plezier onvervaard in de vaak intimistische diepten van het zich voor je aandienende liedgoed.

Voor wat productionele bijstand bij het inblikken van z’n nieuwe worp wist Bucaro de u vast ook wel van z’n werk met onder anderen Ryan Adams en Wilco bekende Tom Schick te strikken. Samen tekenen ze voor tien veritabele melodieuze schoonheden van songs. Liedjes opgehangen aan bijzonder aansprekende, immer openhartige teksten. En ook dat schept natuurlijk een band. Probeert u bij wijze van proevertjes bijvoorbeeld maar eens de fraaie pianoballade “Love Like The Last Chance”, de ons terloops best wel wat aan die van Crowded House herinnerende roots pop beauties “My Heart Won’t”, “Tragedy” en “Watching You Grow”, het ergens in de buurt van de ongecompliceerde werkstukken van z’n collega Josh Rouse uitkomende streepje zomer “Barcelona”, het met de immer geweldige Alisson Moorer gepende en gedeelde ingetogen kleinood “Strangers” of titelnummer “Pendulum”. Wij kunnen het ons amper voorstellen, dat zulke fraaie liedjes als deze u volledig onberoerd zouden laten…

Clarence Bucaro

 

BROOKS WILLIAMS “My Turn Now” (CRS)

(3,5****)

Er zijn zo van die artiesten waarover een mens zich afvraagt, waarom ze nog niet lang veel en veel meer naambekendheid genieten dan dat vooralsnog het geval is. Echte talenten die eigenlijk al jarenlang meegaan zonder noemenswaardige successen te boeken. Brooks Williams is er zo eentje. De vanuit Statesboro, Georgia actieve Amerikaan is een prima zanger en een uitstekende songsmid en ook op de gitaar kan hij een alleraardigst eindje uit de voeten. Achtentwintig jaar lang al zit hij ondertussen in het vak. En z’n discografie oogt dan ook stilaan indrukwekkend. Maar zeg eens eerlijk, hoeveel van ’s mans platen zou u zo uit het blote hoofd kunnen opsommen? Dat dacht ik al, ja… Hoog tijd dan ook om daarin verandering te brengen. Laat ons alvast maar eens beginnen met een recensie van ’s mans nieuwste, het net verschenen “My Turn Now”.

Prima plaatje, hoor, dat in totaal elf songeenheden tellende geheel. Zeven daarvan droeg Williams zelf aan. En voorts zijn er ook nog “Your Mind Is On Vacation”, een wervelende lezing van die Mose Allison classic, het naar onze bescheiden mening werkelijk bloedmooie, bij Kris Kristofferson geleende “Nobody Wins” en van een nieuw arrangement voorziene versies van de traditionals “Hesitation Blues” en “Sitting On Top Of The World”.

De feestelijkheden worden voor geopend verklaard met het nerveuze Americana bluesje “Crazy Dance”. Vervolgens is er de groovy blues rocker “My Turn Now”. Dat laatste vonden wij één van dé absolute smaakmakers op Williams’ nieuwe. Samen met andere klasse-deunen als het speelse, her en der best wel wat aan het werk van Ry Cooder herinnerende tweetal “Nine Days’ Wonder” en “Darkness”, het op ingetogen wijze nog eens op de fatale sprong van stuntman Evil Knievel ingaande “Year Began” en het monumentale, louter groove-gewijs ergens in de buurt van J.J. Cale strandende “Joker’s Wild”.

Wat ons betreft heeft Williams overschot van gelijk met de titel van z’n nieuwe plaat: misschien moesten we hem met z’n allen inderdaad eindelijk maar eens die welverdiende beurt gunnen.

Brooks Williams

 

GUY VERLINDE “Rooted In The Blues” (Parsifal Records / DixieFrog)

(5*****)

The blues, the whole blues and nothing but the blues, da’s waar het op de nieuwe van (Lightnin’) Guy Verlinde gelukkig weer allemaal om draait. Op de opvolger van “Better Days Ahead” graaft de Vlaming niet enkel diep in het verleden van het genre dat hem al van jongs af aan zo lief is, maar troont hij ons terloops ook mee naar z’n eigen roots. Sommige van de liedjes op “Rooted In The Blues” dateren al van z’n dagen bij andere bandjes als Smokin’ Chillums, Backbone en Mo’ Rice, andere vormen ook nu nog vaste prik op het repertoire van de Mighty Gators. Iets wat op quasi volledig organische wijze heeft geleid tot een heerlijk gevarieerd geheel, tot een wellicht door zo goed als elke bluesliefhebber op luidkeels gejuich onthaald geschenk voor de nakende zomer. Want dat Verlinde hiermee gaat scoren op de planken van diverse podia hier te lande en ook tot ver daarbuiten, dat staat immers nu reeds onomstotelijk vast.

Samen met een aantal van de allerfijnste Belgische en Nederlandse muzikanten actief in de sectoren blues en roots scoort Verlinde hier met dertien originele lappen old school blues. We hebben het dan over schoon volk als Richard van Bergen (gitaren en backing vocals), Tiny Legs Tim (zang en gitaren), Steven Troch (harps), René Stock (elektrische en double bass), Frederik Van Den Berghe (drums en percussie) en Patrick Cuyvers (piano, Hammond en backing vocals). Een echt dream team zeg maar.

Afgetrapt wordt er met het echt van de joie de vivre barstende “I’ve Got You”, een lekkere shuffle ter ere van de lichtjes geniale Little Walter. Vervolgens is er het ook al heel erg lekkere “Soul Jivin’”, een nummer dat sommigen onder jullie misschien al zullen kennen van het in 2010 verschenen album “The Banana Peel Sessions”. Al wijkt de hier gebrachte versie van dat nummer behoorlijk af van die live-uitvoering. Ze is wat langzamer en leunt op een heerlijk diepe groove om ons het verhaal van Verlindes bekering tot de blues te vertellen.

Met “Drivin’ Home To You” volgt vervolgens één van onze absolute favorieten van “Rooted In The Blues”. Met dat nummer pikte Verlinde naar eigen zeggen aan bij de aanpak van good old Jimmie Vaughan. Het resultaat is een bijzonder smakelijk uitgevallen rock & roll shuffle, nu al een uitgesproken favoriet op z’n live-repertoire. Met het zomers lijzige “Thinkin’ About My Baby” gaat het daarna op soulvolle wijze richting Stax en Booker T. & The MG’s meer bepaald, prijsnummer “Goin’ Down To Missy Sippy” doet in het kielzog daarvan samen met Tiny Legs Tim de gelijknamige blues club in het Gentse aan en “Jump & Jive” is op zijn beurt een wervelende pot old school swing blues.

Een volgend uitgesproken hoogtepunt is meteen daarop de uit puur hartzeer opgetrokken sleper “I’d Rather Feel Lonely Tonight”. I guess that’s why they call it the blues… Wow! Gitaar, toetsen, harmonica, werkelijk alles klopt hier! En datzelfde kan je eigenlijk net zo goed zeggen van de daaropvolgende, duidelijk door Freddy King geïnspireerde instrumental “Nite Trippin’”. Al zijn het daarin met name de gitaar van Verlinde zelf en het Hammond-orgel van Patrick Cuyvers die de lakens naar zich toe trekken.

Een heus slotoffensief wordt vervolgens ingezet met de hypernerveuze boogie-opstoot “Winter Blues”. Samen met de op z’n Muddy Waters’ seksueel gekruide schuifelaar “A Whole Lot Of Lovin’”, het bij nader inzicht zowel door wijlen J.J. Cale, als door John Mooney en Sonny Landreth geïnspireerde slide-vehikel “Take Your Time”, het rauwe, jaren geleden al tijdens één van z’n vele bezoeken aan de Gentse Feesten gepende en nog maar eens z’n liefde voor Hound Dog Taylor betuigende “Let’s Have A Party” en de afsluitende shuffle “Treat Me Right” goed voor een machtig einde aan een überhaupt machtige plaat.

Als ons aller Duivels binnenkort even groots uitpakken als deze landgenoot hier, dan worden we gegarandeerd Europees kampioen. En mocht dat uiteindelijk toch niet het geval blijken, nu ja, dan bouwen we toch gewoon een feestje op de tonen van Guy Verlinde zeker…

Guy Verlinde

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home