CD-recensies februari 2016

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

CAROLINE AIKEN “Broken Wings Heal” - WEST OF EDEN “Look To The West” - BIANCA DE LEON “Love, Guns & Money” - JOS HOL “Windvogel” - DORI FREEMAN “Dori Freeman” - MATTY CHARLES & KATIE ROSE “Catching Arrows” - THEO SIEBEN “Delphinidin” - FAY HIELD & THE HURRICANE PARTY “Old Adam” - SERGE EPSKAMP “Little Ships In Open G” - TRACTOR JERRY AND THE MUD BUCKET “Tractor Jerry And The Mud Bucket” - THE ROBERT BOBBY DUO “Folk Art” - ANNA LAUBE “Anna Laube” - AND THE GOLDEN CHOIR “Another Half Life” - AMELIA WHITE “Home Sweet Hotel” - KATE CAMPBELL “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” - CHRIS LATERZO “West Coast Sound” - SUSSEX “Parade Day” - ROB MCNURLIN “The Gospel Guitar” - DAVID BERKELEY “Cardboard Boat” - BUFORD POPE “The Poem & The Rose” - MATT EPP “Ready In Time” - LAVENDORE ROGUE “Light Up With…” - SIVERT HØYEM “Lioness” - JIM MALCOLM “Live In Perth” - SARAH MORRIS “Ordinary Things” - PENNY NICHOLS “Golden State” - JONAS CARPING “Cocktails And Gasoline” - THE WARDEN “The Warden” - PETER GALLWAY “Muscle And Bone” - JEFF BOORTZ “Half The Time” - CARY MORIN “Tiny Town” - DE HELD “Alactraz” - FAY HIELD “Old Adam EP” - LORI YATES “Sweetheart Of The Valley” - TIP JAR “Let Go” - STEPHANIE URBINA JONES “Fiery Angel” - JANE KRAMER “Carnival Of Hopes” - THE BOOM BAND “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London” - MOJO MAN “Balls & Horns” - KRISTA DETOR “Barely” - MARTYN JOSEPH “Sanctuary” - DAN ISRAEL “Dan” - NATHAN BELL “I Don’t Do This For Love, I Do This For Love” - CARRIE NEWCOMER “The Slender Thread” - DM3 “West Of Anywhere” - THE BURNS SISTERS “Looking Back – Our American Irish Souls” - STACIE COLLINS “Roll The Dice” - CRASH N RECOVERY “Deep In The Woods” - CORB LUND “Things That Can’t Be Undone” - GOSPELBEACH “Pacific Surf Line” - JASON JAMES “Jason James” - STONEY LARUE “Us Time” - MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” - LYNN JACKSON “Songs Of Rain, Snow And Remembering” - SOUL EMBRACE “Good Morning To Myself” - DICK LEMASTERS “Gasoline & Fire” - BRUNO ROCCO “Lonely Rider” - JUNE STAR “Pull Awake” - DUANE RUTTER “Crazy Things” - JACK HUSTINX & THE SOUTHERN ACES “Over Yonder” - BOB BRADSHAW “Whatever You Wanted” - HT ROBERTS “Old Light” - DANA IMMANUEL “Dotted Lines” - LUCIE THORNE “Everything Sings Tonight” - THE MULLIGAN BROTHERS “Via Portland” - JEB BARRY “Milltown” - OP ZOEK NAAR JOHAN “Weg Uit De Stad” - MARTHA BEAN “When Shadows Return To The Sea” - THE PSYCHO SISTERS “Up On The Chair, Beatrice” - AMANDA PEARCY “An Offering” - DONNA ULISSE “Hard Cry Moon” - RITA HOSKING “Frankie And The No-Go Road” - ERIC BIBB & JJ MILTEAU “Lead Belly’s Gold” - JEROEN KANT “Nooit Genoeg” - TITUS WOLFE “Ho-Ho-Kus N.J.” - HANK SHIZZOE “This Place Belongs To The Birds” - LEEROY STAGGER “Dream It All Away” - WEBB WILDER “Mississippi Moderne” - PATRICK SWEANY “Daytime Turned To Nighttime” - ALISON BROWN “The Song Of The Banjo” - BELLOWHEAD “Pandemonium, The Essential Bellowhead” - LOS LOBOS “Gates Of Gold” - DIANA JONES “Live In Concert” - MELANIE DEKKER “Lekker, Eh – Live In Europe” - TOM FREUND “Two Moons” - JEREMY PINNELL “OH/KY” - GRAYSON HUGH “Back To The Soul” - TOM HEYMAN “That Cool Blue Feeling” - TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” - NICKI BLUHM & THE GRAMBLERS “Loved Wild Lost” - MARTIN HARLEY & DANIEL KIMBRO “Live At Southern Ground” - DENNIS ELLSWORTH “Romantic As It Gets” - JEREMIAH TALL “Waking” - BJ’S WILD VERBAND “Later”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

                                                                                                                                                                                                                                         

CAROLINE AIKEN “Broken Wings Heal” (Caroline Aiken)        

(3,5****)

Nog net geen vijftig stuks prijken er op de carrièrejarenteller van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Caroline Aiken, maar wat een lange weg heeft ze sinds 1968 toch al afgelegd. Hoogst eigenaardig eigenlijk, dat ze hier nog niet meer bekendheid geniet. Aan haar songs, haar stem en haar gitaarspel zal het alleszins niet gelegen hebben! Die rechtvaardigen immers zonder uitzondering een flink uitgebreide schare aan fans.

Maar goed, in afwachting daarvan doen wij hier toch gewoon nog net even wat flinker ons best om Aiken onder die wat ruimere aandacht te krijgen. Met een bespreking van haar nieuwe cd bijvoorbeeld al. “Broken Wings Heal” heet die en ze bevat twaalf erg fraaie progressive folk & roots songs American style. Tien van eigen hand en een tweetal interpretaties van materiaal van anderen. Onder titelnummer “Broken Wings Heal” prijken zo de namen van Boo Ray en Steve Ferrone en het z’n titel en passant echt alle eer aandoende “Fragile” kent u misschien al wel in de uitvoering van de hier ook op handen gedragen Ralston Bowles.

Voorts uitsluitend nog eigen materiaal. We noemen hier in dat kader onder meer nog de mooie pianoballades “Hello Cruel World” en “Everything Can Change”, het ook al heel erg rustig uitgevallen “Saving Grace”, het ongemeen groovy, heel even de Bonnie Raitt in Aiken van haar kettingen latende “Cry Wolf”, het door Ike Stubblefield B3-gewijs op sleeptouw genomen bluesy kleinood “Razor Wire” en de fraaie folk pop van “Mission Of Angels”.

Liedjes van dat kaliber zullen mits voldoende aandacht ervoor ongetwijfeld heel erg in de smaak vallen bij liefhebbers van het materiaal van dames als een Dar Williams, een Shawn Colvin of de hoger al even genoemde Bonnie Raitt. Medeverantwoordelijk daarvoor zijn onder meer producer-multi-instrumentalist John Keane en bekende gasten als Indigo Girl Emily Saliers, Randall Bramblett en Michelle Malone.

Caroline Aiken

 

WEST OF EDEN “Look To The West” (West Of Music)

(4****)

Met “Look To The West” leveren die van het Zweedse zesmanschap West Of Eden andermaal een dijk van een album af. Hun negende ondertussen al. En sleet zit er op hun beproefde formule so far alleszins niet. Het blijft wat mij betreft een heus voorrecht om te mogen luisteren naar het wonderlijke samengaan van de engelachtige stem van frontvrouwe Jenny Schaub (zang en accordeon) en het vakmanschap van haar collega’s Lars Broman (viool, altviool en backing vocals), Martin Holmlund (double bass, elektrische bas en backing vocals), Ola Karlevo (bodhrán, drums, percussie en backing vocals), Henning Sernhede (elektrische en akoestische gitaren en mandoline) en Martin Schaub (zang, akoestische en tenorgitaren, mandoline, dobro, piano, harmonium en celesta).

De zes uit Göteborg buigen zich ditmaal dertien nummers lang over een historisch gegeven dat hun nauw aan het hart ligt. Met name de gigantische emigratiegolf die aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vele duizenden Zweden richting een hoopvollere toekomst in Amerika zag vertrekken. Met uiteraard alle gevolgen van dien. Grote gevoelens zat alleszins voor een uitermate fraaie set aan liedjes. Liedjes, die naar goede West Of Eden-gewoonte ook nu weer redelijk nauw aansluiten bij de Keltische folktraditie. Iets wat het zestal in het verleden terecht al zo menig een pluim vanuit die hoek opleverde.

En dat lot zal allicht ook “Look To The West” wel weer beschoren gaan zijn. Met ware songschoonheden als de nadrukkelijk aan de stem van nachtegaaltje Schaub opgehangen ballad “Going To Hull”, het net wat speelser opgevatte en door Martin Schaub gezongen “Rainy Town”, het uit pure weemoed opgetrokken “Oh, I Miss My Home”, het lekker wegrockende “Wilson Line”, het met opvallende gasten Karla-Therese en Christian Kjellvander gedeelde “Sweet Old Country” en vele andere zou dat alleszins niet meer dan logisch zijn. Onthoudt u dit album dan ook maar als een echte aanrader!

West Of Eden

 

BIANCA DE LEON “Love, Guns & Money” (Lonesome Highway Music)

(4****)

Er zijn zo van die dingen waarmee u ons altijd wel even lastig mag komen vallen. Dingen als een nieuwe cd van de “queen of the border ballad” bijvoorbeeld. Van wie, vroeg u? Van de “queen of the border ballad”! Van Bianca DeLeon! De Texaanse liedjesschrijfster waarover de legendarische Guy Clark jaren geleden al orakelde “A voice from Texas that does it right!” En zo is het wat ons betreft maar net!

Met “Love, Guns & Money” is DeLeon inmiddels al aan haar vierde album toe. En net als op de voorgangers ervan overtuigt ze ook op die nieuwe weer volop. In de voetsporen van collega’s als Willie Nelson, Townes Van Zandt, Tom Russell, de al genoemde Guy Clark en anderen verkent ze tien nummers lang het grensgebied tussen haar thuisstaat en Mexico. En dat levert in het gezelschap van begenadigde medereizigers als een John Inman (gitaren), Stuart Adamson (akoestische gitaar), Radoslav Lorkovic (piano, B3 en accordeon), The East Side Flash (resophonic), Paul Pearcy (drums en percussie) en nog wat anderen ook nu weer flink wat muzikale hoogstandjes op.

Van het voorwaar even op een rock vibe surfende “Independence Day” over het lentefrisse rootspop-opstootje “I Sang Patsy Cline (The Night Noriega Fell)” tot border ballad (A ja, he!) “Buscando Por Ti”, van de twangy honky-tonker “Guns & Money” over het zich walsgewijs traag een weg over een hardhouten dansvloer banende “Stale Wine And Roses” tot de “tranen in je biertje” van “The Bottle’s On The Table”, van de sfeervolle Americana van “This Time” en “Garden In The Sun” over het zachtjes, bijna bedeesd voorbij schuifelende “Silence Speaks Louder Than Words” tot de afsluitende medley van “Nothin’” van wijlen Townes Van Zandt en Hank Williams’ “Ramblin’ Man” en de op de valreep nog als bonus track aan het geheel toegevoegde radio cut van “I Sang Patsy Cline”, wij kunnen ons hier probleemloos overal in vinden.

Love it!

Bianca DeLeon

 

JOS HOL “Windvogel” (Jos Hol Music)

(3,5****)

In 2014 schreef de vanuit Nederlands Limburg al een poosje aan de weg timmerende Jos Hol muziek voor de door Annechien de Vocht geregisseerde toneelvoorstelling “Windvogel” van Toneelgroep Maastricht. De hoofdrol in dat stuk werd indertijd vertolkt door Marie-Louise Stheins. En dat was ergens maar logisch ook, aangezien “Windvogel” zich boog over het aangrijpende levensverhaal van een tante van haar, die ruim vijftig jaar in de psychiatrie had gezeten. Een gegeven dat op zijn beurt ook al de voor ons toch wel enigszins eigenaardig aandoende titel van het stuk en van Hols nieuwe cd verklaart. “Een windvogel hebben” betekent in ‘s mans dialect immers zoveel als “ze niet allemaal op een rijtje hebben”.

Hol nam z’n nieuwe album, de opvolger van het in 2011 verschenen dialectgeheel “Verlange”, op in de gerenommeerde studio Wild Verband in Boxmeer. In een productie van duiveltje-doet-al BJ Baartmans en begeleid door diezelfde snarenvirtuoos en verder ook Mike Roelofs (toetsen en percussie), Sjoerd van Bommel (percussie) en Emil Szarkowicz (viool en klarinet) gaat hij ditmaal z’n gang in standaard-Nederlands. Die talen-switch werd hem naar eigen zeggen ingegeven door de vaststelling dat het leeuwendeel van z’n albums buiten Limburg werd gesleten. En je zou het dan ook een logische reactie kunnen noemen.

Ons doet Hol met name door z’n omfloerste manier van zingen een beetje denken aan Frank Boeijen. En net als deze laatste en collegae als de onlangs overleden Zjef Vanuytsel, Wim de Craene, Stef Bos, Boudewijn de Groot en z’n producer BJ Baartmans grossiert Hol op “Windvogel” ook in liedjes voor de eeuwigheid. Deuntjes waarvoor hier ooit zonder nadenken de term kleinkunst uit de kast zou zijn gehaald. Songs die aan het leven zelf een dankbare inspiratiebron hebben. Poëtische kleinoden die graag in de eigen leefwereld mogen grasduinen, niet zelden opgehangen aan (grote) gevoelens.

Enkele luistertips: het door Roelofs van erg fijn toetsenwerk voorziene “In Je Schoot”, het inhoudelijk aan een eigen jeugddroom refererende “De Droom”, titelnummer “Windvogel” en vooral ook “De Rivier”, een werkelijk onwaarschijnlijk mooie ballade waarin Hol zich graag laat meeslepen door de liefde.

Wat ons betreft ontegensprekelijk een aanradertje, dit geheel!

Jos Hol

 

DORI FREEMAN “Dori Freeman” (Free Dirt Records)      

(4****)

Het verhaal achter deze plaat leest bij nader inzicht weg als een soort van modern sprookje. Anders kunnen we het amper omschrijven. Het was immers via Facebook dat Teddy Thompson – u weet wel de zoon van Richard en Linda – debutante Dori Freeman leerde kennen. En louter op basis van wat hij via die weg over haar stem en liedjes te weten kwam, bood hij haar meteen aan om haar eersteling te produceren. Iets waar Freeman uiteraard niet weigerachtig tegenover stond. Hoe zou u zelf zijn, he?

En dus mogen we ons hier en nu buigen over de door die Thompson richting een veilige haven geloodste, ijzersterke maiden release van de youngster uit het kleine Appalachenstadje Galax in Virginia. Een plaat waarop ze bij ons tien nummers lang herinneringen aan good old Loretta Lynn wist op te roepen. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat Freeman zich wat betreft haar muzikale voorkeuren lang niet zo gemakkelijk in één enkel hokje laat wringen als die Lynn. De term Americana blijkt op zo’n moment maar weer eens erg handig. Die zegt immers alles en toch ook niks. Die vindt het goed als het ene moment richting country gezeild wordt, het andere richting rootsy pop. Die kan het wel hebben als er links of rechts wat jazz-invloeden opduiken, of als Freemans Appalachen-afkomst gaat opspelen. Het maakt van “Dori Freeman” alleszins een voor een behoorlijk ruim publiek geschikt geheel. Een plaat die zich lang niet enkel aan de fans van de al genoemde Loretta Lynn laat aanbevelen, maar bijvoorbeeld ook aan eenieder die graag een oor te luister mag leggen bij madammen als een Lucinda Williams, een Iris DeMent, een Emmylou Harris, een Norah Jones of een Gillian Welch.

Bij wijze van introductie stellen we u graag enkele luisterbeurten naar het volgende viertal voor. Eerste halte: de erg Emmylou-esk aandoende schuifelcountry van “Song For Paul”. Volgende stop: de ook al erg fraaie trage “Where I Stood”. Dan spoorslags richting het eerder traditioneel uitgevallen “Go On Lovin’”. Country op maat van elke traditionalist met het hart op de juiste plaats, zo lijkt ons. En tenslotte moest u bij wijze van afwisseling zeker ook maar even het met wat pop- en rockgevoel opgewaardeerde “Tell Me” aandoen. Dat laatste deuntje zouden we hier tot op zekere hoogte zelfs hitgevoelig durven te noemen.

Teddy Thompson wist als u het ons vraagt echt wel verdomd goed waar hij aan begon…

Dori Freeman

 

MATTY CHARLES & KATIE ROSE “Catching Arrows” (1906 Records / Lucky Dice)

(5*****)

Speciaal voor allen die op tijd en stond nood hebben aan wat pure muzikale schoonheid in hun leven is er nu “Catching Arrows”, de nieuwe van het duo Matty Charles en Katie Rose. Iets meer dan drieënveertig minuten en twaalf nummers lang zingt dat tweetal daarop echt de sterren van de hemel naar beneden. Heerlijk gewoon, hoe hun stemmen elkaar song na song ongegeneerd in de armen blijven vallen en knuffelen tot de daad erop volgt. Het is lang niet het enige wat hier volop doet terugdenken aan de hoogdagen van countrydroomkoppel Johnny en June. Ook Valentine’s liedgoed is immers vaak van die aard dat een vergelijking met acts als wijlen de Man in Black, Hank Williams en andere grootheden zich zomaar aan je opdringt.

Ergens tussen Americana, folk en country vonden Charles en Rose ondertussen ruim drie jaar geleden hun eigen niche en, man, wat is het daar fijn toeven! Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de met een bescheiden snuif Everly-stemmenmagie opgewaardeerde klassieke countryschuifelaar “One Hundred Years”, naar de van het verlangen bol staande bedaarde Americana van “What I Want”, naar het daar perfect bij aansluitende “Julia”, naar “Maryanne”, nog zo’n fraaie meidensong, of het zachtjes twangende “Where They’re Gonna Bury Me” en er is gegarandeerd ook voor jou geen weg meer terug!

Wij gaan hier alvast op zoek naar een gepast stekje tussen de echt grote platen in onze uitgebreide collectie. Daartussen hoort de instant-klassieker “Catching Arrows” ons inziens immers ontegensprekelijk thuis!

Matty Charles en Katie Rose treden op 18 februari aanstaande op in CC de Breughel in Bree.

Matty Charles & Katie Rose, Lucky Dice Music

 

THEO SIEBEN “Delphinidin” (Highwind Howl Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Delphinidin” is na “Until Grass” uit 2011 en “Invite To Dance” van goed en wel een jaar later al de derde soloplaat van Nederlander Theo Sieben. En omdat dat een bij momenten nogal op de blues geïnspireerde schijf geworden is, noemde hij ze maar “Delphinidin”. Da’s immers het pigment dat zorgt voor de blauwe kleur in sommige bloemen of de donkere tint van rode wijnen. Weet u dat meteen ook weer. Mocht het u al interesseren natuurlijk…

Dat u geïnteresseerd bent in prima nieuwe muziek daar twijfelen we hier daarentegen al lang niet meer aan. En daarvoor zit u bij de in het verleden onder meer als gitarist voor acts als Henny Vrienten, Jelle Paulusma en Ellen Ten Damme actief geweest zijnde Sieben nadrukkelijk goed. “Delphinidin” blijkt immers een ronduit uitstekend countrybluesalbum, opvallend zowel door z’n ijzersterke songs als door het op de keper beschouwd behoorlijk toegankelijke karakter daarvan. Sterke verhalen gekoppeld aan dito instrumentale bevliegingen doen je als luisteraar regelmatig denken aan het werk van vergelijkbare kleppers als een Rainer Ptacek en een Ry Cooder.

Hét opvallendste nummer van de twaalf hier gebrachte is allicht de fascinerende murder ballad “The Killing Of Dimebag”. Daarin vertelt Sieben op indringende wijze het verhaal van de moord op Dimebag Darrel, de gitarist van de gerenommeerde metal act Pantera. Andere veritabele song beauties hier zijn wat ons betreft zeker ook het met de neus nadrukkelijk richting New Orleans gebrachte en vandaag de dag misschien wel actueler dan ooit zijnde “Jesus Is A Mighty Good Leader” – Met echt heerlijk ondersteunend koperwerk van Joost Belinfante, Sybren van Doesum en Allard Robert! – en het bedaarde “Make A Joyful Noise”. Om nog maar te zwijgen van dingen als het onwaarschijnlijk sfeervolle duo “Synchronicity Blues” en “Science Blues” en het afsluitende “(My Personal) Immigration Blues”.

Voor onze Nederlandse lezers: op zondag 6 maart aanstaande is er een release party voor “Delphinidin” voorzien in de KHL in Amsterdam.

Theo Sieben

 

FAY HIELD & THE HURRICANE PARTY “Old Adam” (Soundpost Records)

(5*****)       

Een enkele maanden geleden verschenen vier tracks tellend EPtje deed ons echt reikhalzend uitkijken naar de nieuwe worp van Fay Hield. Met “Green Gravel”, “Willow Glen” en “Raggle Taggle Gypsy” blikte de sterke vrouw achter The Full English daarop als het ware vooruit op haar nu voorliggende derde langspeler. En geloof ons vrij: die gaat hoge folktoppen scheren! Veel hogere nog dan haar al met BBC Radio 2 Folk Awards overladen eerste twee soloplaten “Looking Glass” uit 2010 en “Orfeo” van twee jaar later.

Maar Hield wordt hier dan ook bijgestaan door enkele van de allerbeste folkmuzikanten van het moment. Om te beginnen het voor de gelegenheid haar band The Hurricane Party bevolkende vijftal Sam Sweeney (fiddle), Rob Harbron (concertina), Roger Wilson (gitaar en fiddle), Ben Nicholls (bas) en Toby Kearney (percussie). En dan hadden we het nog niet over special guests als haar levenspartner Jon Boden (gitaar en fiddle) en gitaarvirtuoos Martin Simpson. Voor de productie van “Old Adam” tekende op zijn beurt autoriteit Andy Bell.

De veertien tracks van het album bestrijken met name in temporeel opzicht aardig wat terrein. Van een vanuit de zeventiende eeuw opgediept kleinood als “The Hag In The Beck” tot een stuk eigentijdser spul als de Tom Waits-vertolking “The Briar And The Rose”, tussen die beide tijdspolen kan hier echt ongelooflijk veel. En dat op een voorwaar sexy manier ook. Wat we daarmee bedoelen, is dat Hield en haar begeleiders met hun heel erg open aanpak folk ook aantrekkelijk maken voor nieuwe generaties. Zonder daartoe hun roots te moeten verloochenen sleuren ze het genre mee de toekomst tegemoet.

Een lenige stem als Hield ter beschikking hebben helpt daarbij natuurlijk ontzettend. Maar ook de songkeuze van haar en haar levensgezel Jon Boden draagt zeker het nodige bij tot het welslagen van hun missie. Vaak gaat het daarbij om geadapteerd spul van anderen. Vooral wat betreft het tekstmateriaal dan. Onder de deuntjes prijken wel meermaals de namen van Hield en Boden zelf.

Onze luistertips: de hier al van het hoger aangestipte EPtje bekende playground song “Green Gravel”, het uitermate speels gebrachte “Raggle Taggle Gypsy”, het ook tekstueel ijzersterke titelnummer “Old Adam” en het op schrijfselen van Rudyard Kipling gebaseerde en van een ronduit zalig basmotiefje profiterende “Anchor Song”. Echt meesterlijk spul!

Fay Hield & The Hurricane Party

 

SERGE EPSKAMP “Little Ships In Open G” (Serge Epskamp)

(3,5****)

Het kan verkeren… De grote Bredero wist het al en de jonge Nederlander Serge Epskamp nu ongetwijfeld ook. In een poging om zich één van z’n eigen favoriete liedjes, het nummer “Prayer In Open D”, u ongetwijfeld ook wel bekend van Emmylou Harris’ “Cowgirl’s Prayer”, eigen te maken, kwam hij tot de vaststelling, dat hij z’n gitaar ook anders kon stemmen. Uiteindelijk belandde hij zo in open G. En die handeling zou al snel leiden tot acht nieuwe songs in open G. Zo weet u meteen, waar de tweede helft van de titel van Epskamps nieuwe plaat vandaan komt. Met de eerste helft ervan verwijst hij dan weer naar z’n eigen opvatting over liedjes. Die beschouwt hij immers als door hem de wijde wereld in gestuurde bootjes.

Bootjes met in dit geval aan boord tekstueel gemijmer over zowel persoonlijke als meer universele hete hangijzers. Epskamp zelf daarover: “De nummers gaan over de liefde, over ingebeelde angst dat iemand je verlaat, over de verwondering dat iemand bij je blijft, over de schoonheid van de natuur en de vraag waarom we zo onvoorzichtig met de wereld omgaan, over een ontmoeting met thee en koffie, over het besef dat als je klimt, je uiteindelijk ook weer daalt of valt, maar dat je daar niet bang voor hoeft te zijn.”

En in mijn haventje mag Epskamp met al dat moois de komende weken alvast graag aanleggen. Mij persoonlijk doet hij immers een beetje denken aan knapen als een Jackson Browne, een James Taylor en een Jim Croce. Zowel wat betreft zijn manier van zingen als wat betreft zijn muzikale aanpak that is. Het doet allemaal best wel een beetje seventies-georiënteerd aan. En dat vind ik alvast geen nadeel. Zo menig een geweldige songwriter legde precies in die periode immers de basis voor een interessante carrière. Epskamp overtuigt wat mij betreft volop met muziekjes die doorgaans net iets meer naar rootsy pop dan naar Americana overhellen.

Benieuwd wat de toekomst voor deze knaap nog allemaal in petto houdt! Want zoveel is als u het mij vraagt nu al zeker, dit is allemaal nog maar het begin van iets heel moois…

Serge Epskamp

 

TRACTOR JERRY AND THE MUD BUCKET “Tractor Jerry And The Mud Bucket” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

U heeft het wel voor acts als Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys, de Foghorn Stringband, de Avett Brothers en Uncle Tupelo zaliger? Wel, dan is de kans vrij groot, dat u ook Tractor Jerry en z’n Mud Bucket ogenblikkelijk stevig aan de borst zal drukken eens u hen de kans geeft om zich aan u voor te stellen. Met hun titelloos visitekaartje bijvoorbeeld al.

Op dat twaalf songeenheden herbergend geheel etaleren frontman Jerry (zang en gitaar) en kompanen Matt Underhill (mandoline), Tony Kirchner (drums en zang), Mark Rast (banjo), James Lipka (pedal steel), Mike Bitts (staande bas) en Elena Menaquale (zang) net als de hoger opgesomde acts dat je met op een aan old time stringband music verwant repertoire mits op de juiste manier gebracht ook anno nu best wel op jongere hoofden en benen mikken kan en mag. Ruim drieënveertig minuten lang spat de joie de vivre er royaal van af. Je krijgt als luisteraar hoegenaamd geen moment de kans om je te gaan vervelen. En dat alleen al is an sich lovenswaardig.

Een voor het gebrachte genre net wat te ruwe stem en een al even gritty benadering van instrumenten als de banjo en de mandoline zorgen er mee voor dat de muziek van Tractor Jerry en de zijnen qua attitude tot aardig dicht in de buurt van die van zo menig een alternatieve rock act afdwaalt. Roots met een ruig randje, zoiets. Alternatieve country met een fors stel kloten eronder, dat alleszins. En als dusdanig als het ware voorbestemd om vroeg of laat ook op podia hier te lande te belanden, zoals zo menig een vergelijkbare Amerikaanse act eerder al.

Maar overtuigt u zich daarvan vooral even zelf! Dat kan bijvoorbeeld uitstekend met het over een zware baslijn en hyperkinetisch gepingel op gitaar en banjo gedropte “Momma Needs Her Medicine” of het ook al superaanstekelijke tweetal “Bathtub Gin” en “Old Man Nickel’s Daughter”. Of voor wie het allemaal graag net wat rustiger heeft met het eerder gezapig voortkabbelende “Jeanie Lee” of de “valse trage” “We Part”.

Wij noteren Tractor Jerry en de zijnen nu alvast al als één van onze aangenamere nieuwe ontdekkingen van 2016!

Tractor Jerry, CD Baby (Hier kan je het album voor nog geen acht dollar netten!)

 

THE ROBERT BOBBY DUO “Folk Art” (I Like Mike)

(4****)

Tijdens één van m’n vele zwerftochten langsheen het wereldwijde web stootte ik onlangs eerder toevallig op “Folk Art”, de nieuwe van het Robert Bobby Duo. En dat deed er me meteen weer aan denken, hoe goed ik die man eigenlijk altijd al gevonden heb. Als hij zichzelf presenteert als “Like John Prine only cheaper!” dan is daar eigenlijk gewoon geen woord van gelogen. Net als die Prine weet immers ook Bobby wel z’n weg met woorden. En net als onze favoriete songsmid überhaupt weet ook hij altijd weer moeiteloos een brug te slaan tussen een lach en een traan. Iets wat in het grensgebied tussen folk, Americana en blues dezer dagen in onze ogen zeker geen nadeel is.

Daarbij bijgestaan door zijn vrouw, de enigmatische Mrs. Bobby, op bas en een handvol anderen op onder meer diverse gitaren, banjo, dobro en pedal steel waadt Robert Bobby op “Folk Art” doorheen een elftal nummers. Zeven eigen songs meer bepaald en met een flinke snuif folk op smaak gebrachte covers van “I Wish It Would Rain” van soulgrootheden The Temptations, “Blue Chevrolet” van The Beat Farmers, “Too Much Time” van Captain Beefheart & The Magic Band en het ons voorheen enkel in de uitvoering van Fraser & DeBolt bekende “Dance Hall Girls”.

En gelijk vanaf openingsnummer “Constantly Tweaking” weet je ook nu weer meteen, dat je bij Robert Bobby ook anno 2016 als vanouds aan een rondje fijn muzikaal vertier toe bent. Hoe hij met de tong diep in de wang geplant een baby op kritische wijze z’n eerste indrukken van de wereld om zich heen laat verwoorden, was hier gelijk weer goed voor een kamerbrede smile. Eén van de vele hoogtepunten op het akoestische pareltje dat “Folk Art” op de keper beschouwd weer is. “God Couldn’t Wait”, “Ted Williams”, “Mason Dixon Line”, “My Baby Loves Her Man”, “Fine As Wine”, “Whatever I Fell For You”, u zegt het maar… Zelfs één enkel minder momentje zal u hier zelfs gewapend met een krachtig vergrootglas vergeefs zoeken…

Robert Bobby

 

ANNA LAUBE “Anna Laube” (Anna Laube / Ahhh… Pockets!)

(5*****)

Hierover hoef ik dus echt niet lang te denken, zie! Als ik straks weer het lijstje met mijn maandelijkse bijdrage aan de Euro Americana Chart zal moeten klaarstomen, dan zal deze plaat daar zeker niet op ontbreken. Ik denk, dat ik een beetje verliefd ben! Niet dat mijn echtgenote zich nu zorgen moet beginnen te maken of zo, dat niet… Ik heb het gewoon zwaar te pakken voor de stem van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Anna Elizabeth Laube. Doet me een heel klein beetje denken aan die van Norah Jones. En zeg nu zelf, dat kan je toch bezwaarlijk een nadeel noemen…

Laube, die in haar jonge jaren nog hobo studeerde aan de Académie de Musique Grétry hier wat verderop in Luik, overtuigt op haar naar zichzelf vernoemde derde studioplaat echt wel volop met tien behoorlijk wat folk-pop- en Americana-terrein bestrijkende liedjes. Acht daarvan blijken bij nader inzicht eigen composities. Nummers negen en tien zijn een door Laube volledig naar zich toegetrokken en tot “Sugarcane” herdoopte versie van de traditional “Cocaine Blues” en een onwaarschijnlijk mooie lezing van het ook al klassieke “Satisfied Mind”, waarmee ze quasi terloops ergens in de buurt van de Cowboy Junkies in hun beste dagen weet te stranden. Meteen ook één van de mooiste momenten überhaupt op “Anna Laube”.

Andere absoluut niet te versmaden songdelicatessen hier: het de feestelijkheden al schuifelend voor geopend verklarende, eerder bedaarde rootspopschoonheidje “Already There”, het extreem zomers aandoende, zich van de lekkernij uit z’n titel als surrogaat voor een gemiste beminde bedienende “Chocolate Chip Banana Cupcakes”, de catchy indie pop van het z’n mosterd onder meer in New Orleans halende “The Bike Song”, het op een heel erg toegankelijke manier bluesy aandoende “Oh My! (Oh Me Oh Me Oh My)”, de mooie country ballad “This One’s For You”, de ook al onmiddellijk aansprekende lentefrisse Americana van “Sweet Boy From Minnesota”, het net dat tikkeltje ruwere, ook titelgewijs amper nog iets aan de verbeelding overlatende bluesje “You Ain’t Worth My Time Anymore” en het afsluitende, door Laube en co voorzichtig met wat country-soulgevoel besprenkelde “Green”. That’s right! Het hele zwik inderdaad! En wat mij betreft krijgt deze plaat dan ook gewoon een dik verdiende tien op tien. Doe er vooral ook je voordeel mee, zou ik zo zeggen.

Anna Laube, CD Baby

 

AND THE GOLDEN CHOIR “Another Half Life” (Cargo Records)

(3,5****)

De kans is vrij groot, dat u deze Tobias Siebert al kent. Van “ergens”… De beste man is met “Another Half Life” immers al lang niet meer aan z’n proefstuk toe. Alleen mag hij zich bij het maken van z’n platen nogal graag bedienen van diverse alter ego’s en dat maakt het er natuurlijk niet gemakkelijker op om naam te maken. Iets wat hem vermomd als And The Golden Choir naar onze bescheiden mening nochtans vrij simpel zou moeten kunnen lukken. Wat de multi-getalenteerde jonge Duitser op die nieuwe schijf brengt, bulkt als het ware van de commerciële potentie. En dat ondanks een nadrukkelijke indie-aanpak.

Stemgewijs herinnert Siebert ons op dat fraaie songtwaalftal beurtelings aan Antony Hegarty van Antony And The Johnsons, Tom Chaplin van Keane en onze eigenste Jasper Steverlinck van Arid. Hij is dus met andere woorden allesbehalve bang om het op heel erg ijle stemhoogten te gaan zoeken. Een gegeven dat hem naar ons gevoel enorm helpt bij het uitdiepen van zijn liedjes. De emotionele kracht die daarvan uitgaat is alvast groot.

En behoorlijk apart valt ook de instrumentatie uit. We overlopen ze hier bij wijze van illustratie van die stelling gewoon even met je: drums en percussie, gitaren, bas, piano, Rhodes, synths, harp, autoharp, harmonium, waldzither, santur, glockenspiel, viool, marimba’s, draaitafels,… Zonder uitzondering gesigneerd Tobias Siebert!

Onze lievelingsgangen van dit uitgebreide vooruitstrevende popmenu: het na een eerder verstilde intro fraai doorheen het gekozen indie-poplandschap meanderende “My Brothers Home”, het op de één of andere manier bepaald radiovriendelijk uitvallende en ons echt wel een beetje aan het hoger al eens genoemde Keane herinnerende “New Daily Dose” en de fraaie emo ballad “Choose To Lose”. Dat soort van liedjes wil je als liefhebber graag dagdagelijks in de ether!

And The Golden Choir

 

AMELIA WHITE “Home Sweet Hotel” (White-Wolf Records)

(4,5*****)

Zo ongeveer elke singer-songwriter zal het je kunnen vertellen: leven uit een koffer, het heeft lang niet enkel mooie kantjes. Probeer bijvoorbeeld maar eens een normaal liefdes- of gezinsleven te leiden als je over grote delen van het jaar onderweg bent. Vanzelfsprekend is het zelfs vandaag de dag nog altijd niet. Daaraan kunnen zelfs de meest geavanceerde sociale media amper iets verhelpen.

En als je, zoals Amelia White, beroepshalve zowat getrouwd bent met het leven on the road, dan heb je dan ook uit de eerste hand alle info die je nodig hebt om dat onderwerp te kunnen aankaarten op een album volledig gewijd eraan. Want dat is “Home Sweet Hotel” dus. Een door de je onder meer van Robert Plants Band Of Joy bekende Marco Giovino geproduceerde moody lap Americana geconcipieerd als een uiteenzetting over het conflict tussen enerzijds de verleidingen, anderzijds de valkuilen van een leven onderweg. De strijd tussen het volgen van een passie, het constant op zoek zijn naar avontuur en het daarmee regelmatig gepaard gaande hartzeer.

Een hoogst fascinerend uitgangspunt wat ons inziens ook leidt tot White’s allerbeste plaat tot op heden. En dan moet u weten, dat we voorganger “Old Postcard” uit 2014 ook al een ronduit geweldige schijf vonden. Met haar achtste zet Amelia White wat ons betreft eindelijk haar beide voeten naast die van Lucinda Williams. Concreet betekent dat: intelligente teksten à volonté hier, evenals perfect uitgevoerde verkenningen van het grensgebied tussen folk rock en Americana. En dan hebben we het bewust nog niet over de evidente stemgelijkenis gehad.

Sterkste momenten van het tien songs tellende “Home Sweet Hotel” zijn naar onze bescheiden mening de volgende drie liedjes. Te beginnen met het zwaar melancholische “Rainbow Over The East-Side”, een knap eerbetoon aan haar huidige wahlheimat East Nashville, dat met de passage “Sleeplessness and miles pile on the soul, it can bring you down, or it can bring you ‘round,” gelijk zowat de essentie van het geheel in zich draagt. En al even boeiend vonden wij hier het bedaard een eindje voor zich uit rockende titelnummer en vooral ook het enigszins bluesy aandoende “Dogs Bark”, waarin White met een gemene grijns om de mondhoeken rake klappen uitdeelt aan het adres van allen die teveel te menen moeten praten over anderen.

Amelia White

 

KATE CAMPBELL “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” (Large River Music)

(3,5****)

Voor u zich het hoofd over die afkorting gaat beginnen breken: “K.o.A.” staat eenvoudigweg voor “Kate on America”. Een verzameling liedjes waarvoor huisfavorietje Kate Campbell de basic tracks opnam op haar eigen iPhone 5 met verder als enig ander technisch hulpmiddel af en toe een tweetal microfoons. Dat gebeurde met wat hulp van de veelgeprezen David Henry gewoon in haar eigen living en op andere onverwachte locaties doorheen de States. Om maar te zeggen dat “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” een behoorlijk spontaan uitgevallen aangelegenheid zijn. Maar daarom zeker niet minder mooi!

Campbell zelf zong uiteraard en leverde verder ook bijdragen op gitaar en Wurlitzer, gasten Missy Raines (staande bas en harmony vocals), Laura Boosinger (banjo), Steve Smith (mandoline en harmony vocals), Joey Miskulin (accordeon), Spooner Oldham (Hammond B-3 en glockenspiel), Sally Van Meter (dobro), John Kirk (fiddle) en Ben Surratt (tamboerijn) deden de rest. Met als resultaat net geen vijftig minuten heerlijk pretentieloos rootsvermaak. Opgehangen rond voor de US of A op de één of andere manier behoorlijk kenmerkende bekende deuntjes als Paul Simons “America”, Richard Thompsons “From Galway To Graceland”, Kris Kristoffersons “Me And Bobby McGee”, de traditional “I Am A Pilgrim” en “Freebird” van Lynyrd Skynyrd en andere en aangevuld met wat eigen materiaal.

Niet Campbells sterkste plaat, dat zeker niet, daarvoor leverde ze in het verleden al net iets te vaak echte meesterwerkjes af, maar wel andermaal een alleraardigst potje Americana-luistervoer.

Kate Campbell

 

CHRIS LATERZO “West Coast Sound” (Yampa Records)

(4****)

De vanuit L.A. actieve Chris Laterzo is met “West Coast Sound” ondertussen al aan z’n vijfde cd toe. En ik moet zeggen, dat ik het persoonlijk met afstand zijn beste vind. Ik hield sowieso al heel erg van ’s mans zwaar aan die van Neil Young verwante stem, maar ditmaal klopt wat mij betreft voor het eerst echt alles.

De acht nummers op “West Coast Sound” zijn zonder uitzondering erg fraai te noemen. Zo ongeveer van het mooiste wat je op het kruispunt tussen rock, folk en alternatieve country overkomen kan. Met dank ook aan coproducer Jeff LeGore en vooral ook Laterzo’s live band Buffalo Robe. En aan een hele batterij aan gastmuzikanten, waaronder Bret Jensen, John Bird, Paul Inman, Rami Jaffee, Jesse Greene, Rachel Dean, Jen Gibbons, Devon Rowland, Justin Smith en Denny Weston, Jr. Met z’n allen tekenden zij voor wat wij van hieruit graag als een heuse glansprestatie zouden willen omschrijven.

Titelnummer “West Coast Sound” is daarbij als eerste uit de startblokken. En dat blijkt meteen al een zalige melodieuze trage countryrocker, waaraan met name fans van de hoger al eens even genoemde Neil Young het nodige plezier zullen beleven, maar zeker zij niet alleen! “Tumbleweed”, een liedje over onderweg zijn, over gaan waarheen de wind je meeneemt, over het leven on the road kortom, legt de nadruk vervolgens nog net wat meer op country en Americana. Iets wat over wel meer nummers hier gezegd mag worden trouwens. Zoals bijvoorbeeld ook al over het melancholisch getinte “Drag” in het kielzog daarvan.

Vervolgens zijn er achtereenvolgens nog de echt wel onwaarschijnlijk mooie sleper “Someday Blue”, het enkele belangrijke veranderingen in het persoonlijke leven van de artiest, zoals het gaan samenwonen met z’n vriendin en de geboorte van z’n kind, bezegelende “Echo Park”, de catchy rockopstoot “Subaru”, de piano power ballad “The Ray Bradbury” en de, aldus Laterzo zelf, door een droom geïnspireerde en weer heel erg Youngiaans aandoende afsluiter “Chaperone”.

Samen wat mij betreft ruimschoots goed voor vier sterren!

Chris Laterzo

 

SUSSEX “Parade Day” (Lucky Bear Records)

(3,5****)

Ha! Een nieuwe cd van Rob Lutes! Of toch niet… Niet helemaal alleszins. Bij “Parade Day” blijkt het bij nader inzicht immers te gaan om een samenwerkingsverband tussen de Canadese songsmid (akoestische gitaar en zang) en diens maatje, multi-instrumentalist Michael Emenau (vibrafoon, percussie en piano). Ergens in 2014 al begonnen de twee samen liedjes te schrijven. Die maakten ze zich vervolgens met een groepje muzikanten uit Montreal bestaande uit Ben Charest (elektrische gitaar), Ivanhoe Jolicoeur (trompet en flügelhorn), Sage Reynolds (staande bas) en Josh Zubot (viool) eigen om ze goed en wel een jaar later ook samen te vereeuwigen. De ons volslagen onbekende Fred Bouchard zorgt een enkele keer ook nog voor wat percussie.

Het resultaat van die samenwerking is volgens Lutes zelf een soortement liefdesbrief aan het adres van de vele vroege jazz- en bluesopnamen die hem en z’n gabber rijkelijk beïnvloed hebben. Nadrukkelijk anders dan anders dus, als we het specifiek over Lutes hebben, maar altijd nog met voldoende raakpunten met de genres waarmee de beste man hier in het verleden al uitgebreid wist te scoren, te weten folk en Americana, om ons niet volledig van hem te vervreemden.

Opvallendste nummer op “Parade Day” is een tot in de puntjes verzorgde benadering van Randy Newmans “Dayton, Ohio – 1903”. Andere absolute topmomentjes hier: het enigszins beklemmend aandoende “Little Baby”, het in onvervalste fingerpicking style op ons afgevuurde “Ginger”, de ontroerende instrumentale ballad “Dare To Stumble”, het jazzy, door blazer van dienst Jolicoeur met een buitengewoon fraaie koperbijdrage opgewaardeerde “Listen To The Wind” en het tegelijk hypernerveuze en hoogst aparte “Truth And Lies”.

Sussex

 

ROB MCNURLIN “The Gospel Guitar” (Buffalo Skinner Recordings)

(4****)

Na “Blue Nashville Guitar” van begin vorig jaar opnieuw een “gitaarplaat” voor Rob McNurlin. Ditmaal geheel en al opgehangen aan een ooit nog door wijlen Johnny Cash bespeelde Gibson Gospel, hem voor de gelegenheid toegespeeld door Chance Martin. Met die gewijde snaren als zijn voornaamste bondgenoot begaf McNurlin zich op een songwriting trip doorheen Alabama en Mississippi. Een goede week later beschikte hij over voldoende materiaal voor z’n nieuwe worp. Aangevuld met covers van Bob Dylans “Saving Grace”, “It Was Jesus” van Johnny Cash en van de traditionals “Anyhow” en “Honey In The Rock” dan toch.

Onder de productionele hoede van alleskunner Kenny Vaughan en met de nodige studiohulp van onder anderen diezelfde Vaughan op gitaar, Dave Roe op bas, Harry Stinson op drums, Kayton Roberts op steel en Mike Schrimpf op orgel nam McNurlin dat songtiental korte tijd later op in de Seven Deadly Sins Studio in Goodlettsville, TN. Samen met nog een viertal hidden bonus tracks.

Afgetrapt wordt er met het de man in het zwart daarboven ongetwijfeld tot een brede grijns verleidende “The Holy Ghost”. Vervolgens gaat het via een subtiele lezing van de traditionele gospelhymne “Anyhow” en de hier hoger ook al aangesproken vertolking van Cash z’n “It Was Jesus” over de knappe ballad “Hold My Hand” richting één van de eerste absolute hoogtepunten hier. En dat is wat ons betreft de nadrukkelijk op een Cash-ritme geënte meezinger “Don’t You Want To Go”.

De tweede helft van “The Gospel Guitar” wordt ingezet met “Saving Grace”, McNurlins tip of the hat aan het adres van die andere grootheid, Bob Dylan. Met een bepaald belangrijke ondersteunende rol voor Mike Schrimpf en diens orgel. Aansluitend daarop gaat het met “Got Enough Jesus” heupwiegend richting het door onze man samen met z’n buddy Chance Martin gepende “The Rapture” en het zo op het eerste gezicht afsluitende salvo bestaande uit die andere swingende traditionele hymne “Honey In The Rock” en het met Alamo Jones en Lorrie Carter Bennett gedeelde “The Roman Road”.

Maar zoals eerder al even aangegeven, gedaan is het daarmee allemaal nog niet. Eerst horen we McNurlin en Chance Martin in gesprek over onder meer de bewuste gitaar waarmee het allemaal begon, over gitaren tout court, over Johnny Cash, over eindproduct “The Gospel Guitar”. Daarna volgen er nog een drietal McNurlin-momenten, afsluitend zelfs even live.

Allemaal samen goed voor net geen zesendertig minuten retro hillbilly gospel van de bovenste plank!

Rob McNurlin

 

DAVID BERKELEY “Cardboard Boat” (Straw Man Music)

(4,5*****)

Met elke nieuwe release ging ik de voorbije jaren telkens weer een beetje meer van ‘m houden, van deze David Berkeley, met als ontegensprekelijk voorlopig hoogtepunt z’n er op 29 januari aanstaande aankomende zesde studioplaat “Cardboard Boat”. Die wordt ons door Berkeley aangereikt als companion piece bij z’n tweede boek “The Free Brontosaurus”. De in de liedjes erop vertelde verhalen grijpen nadrukkelijk terug op die in die nieuwe novelle van ‘m. En ze worden gebracht vanuit het standpunt van de voornaamste betrokkenen erin. Een behoorlijk ambitieuze bedoening dus. Maar aan Berkeley, een voormalige student Literature aan de vermaarde Harvard University in Cambridge, Massachusetts, is ze wel besteed.

Berkeley, twee jaar geleden nog winnaar van de prestigieuze Kerrville New Folk-wedstrijd, serveert z’n verhalen in zalig melodieus uitgevallen liedjes, die je als luisteraar door hun melancholische karakter niet zelden met enige weemoed doen terugdenken aan de hoogdagen van wijlen Nick Drake en Tim Buckley. Die twee en wel nog in leven zijnde collegae als een Josh Ritter en een Robby Hecht vormen wat mij betreft dan ook ideale referenties voor wat Berkeley op “Cardboard Boat” brengt.

Met als absolute stand-outs naar mijn bescheiden mening het inhoudelijk nadrukkelijk naar Herman Melville’s classic “Moby-Dick” verwijzende herfstige juweeltje “Setting Sail”, het daar in al z’n eenvoud en mede dankzij wat subtiele vocale ondersteuning van Sara Watkins ook wel perfect bij aansluitende “To The Sea” en vooral ook “Hole In My Heart”. Dat prachtige rootsy kleinood met Jordan Katz op banjo, Jason Crosby op fiddle en Lex Price op mandoline liet ook mij achter met “a hole in my heart big as the blue”.

Mag ik ‘m u van hieruit bijzonder warm aanbevelen, deze prachtige nieuwe van Berkeley?

David Berkeley

 

BUFORD POPE “The Poem & The Rose” (Unchained)

(4****)

“The Poem & The Rose”, het “nieuwe” album van de Zweed Buford Pope, is er één met een wat aparte voorgeschiedenis. Een vlugge eerste blik op het hoesje ervan leert immers meteen, dat we hier te maken hebben met opnames die zo’n tien jaar geleden al gemaakt werden. In 2006 was dat. “The Poem & The Rose” had toen de tweede cd van Pope moeten worden, maar zover kwam het door omstandigheden dus niet. Zelf zegt hij daarover zoveel jaren later, dat er op dat moment in z’n leven gewoon teveel andere dingen z’n aandacht opeisten om zich nog langer ten volle aan dat geheel te kunnen wijden. Zo werkte hij bijvoorbeeld toen al aan z’n eigenlijke derde plaat.

Maar nu, goed en wel een decennium later, komt ze er dus vooralsnog, die tweede van ‘m. En weet je wat? Ik ben daar verdomd blij om ook! Ik vind het namelijk een ijzersterke collectie liedjes. Naar mijn bescheiden mening zelfs z’n allerbeste tout court. Met de nadruk nog veel meer op country en Americana dan dat later het geval zou zijn. En zo mag ik ‘m eigenlijk gewoon het liefst hebben, onze grofgevooisde Zweedse vriend. Als hij met die fraaie stem van ‘m, te situeren ergens tussen de jonge Rod Stewart en Neil Young, gevoelvol heen en weer laveert tussen instrumenten als pedal steel, dobro, banjo, mandoline en fiddle, maar ook piano, accordeon en harmonica. Daar voelt hij zich duidelijk als een vis in het water. Zeker in de vele rustigere nummers. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag dingen als “My Heart Don’t Lie”, “Can’t Feel It Anymore”, “At The End Of The Week” en het titelnummer.

Ik ben eigenlijk best wel eens benieuwd, hoe Amerikaanse muziekliefhebbers hierop zullen reageren. Kwalitatief gezien laat “The Poem & The Rose” veel van de concurrentie aan de andere kant van de Atlantische Oceaan immers met sprekend gemak achter zich.

Buford Pope

 

MATT EPP “Ready In Time” (Manitoba Film & Music)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat de naam Matt Epps bij mij niet meteen een belletje deed rinkelen. En van vooroordelen van welke aard dan ook was er dan ook hoegenaamd geen sprake, toen ’s mans laatste hier voor het eerst in de lade van de cd-speler belandde. ’s Mans laatste? Yep, sir. Bij nader inzicht bleek de Canadese songsmid met “Ready In Time” immers al aan z’n achtste album toe. Wat ons naast een stel gefronste wenkbrauwen meteen ook een adequate verklaring voor de ongelooflijke zelfzekerheid die hij daarop bijna voortdurend uitstraalt opleverde.

Wat Epp op die nieuwe van ‘m doet klinkt immers ongelooflijk af. In de bast van genres als folk, Americana, pop en rock kerft hij met vaste hand net geen half uur lang de mooiste songminiatuurtjes. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met wat knapen als z’n landgenoot Ron Sexsmith, de Amerikaan Clarence Bucaro en onze eigenste Milow doen. Met daarbij zijn fluwelen stem als z’n voornaamste bondgenoot weet Epp je als luisteraar acht nummers lang volop te overtuigen van z’n vaardigheden als storyteller en songwriter.

Met dingen als het voorzichtig herfstig ingekleurde popjuweeltje “Aftermath”, het overduidelijk door Paul McCartney en de Beatles geïnspireerde “Let Her Know”, het door de ons ook al volslagen onbekende Chantel Emond op fraaie wijze harmoniërend mee gedragen “Go Somewhere”, de bedaarde rocker “Something Better”, het al bij al nog net wat vinniger uit de hoek komende titelnummer, de het verhaal van z’n tijdens de vorige eeuw op jonge leeftijd naar Canada geëmigreerde opa vertellende poppy Americana beauty “Hard To Say” en andere deed hij mij alvast onmiddellijk op zoek gaan naar z’n eerdere werk. En dan had ik het nog niet eens over afsluiter “North Star”. Met die fraaie valse trage houdt Epp wat mij betreft zelfs een heuse potentiële (radio)hit achter de hand.

Matt Epp

 

LAVENDORE ROGUE “Light Up With…” (LaVendore Rogue)

(4****)

Met het centraal op het hoesje van hun debuutalbum prijkende luciferdoosje lijken de vijf van het Britse collectief LaVendore Rogue ons al bij voorbaat te willen waarschuwen. Opgelet, met de tien volgende tracks gaat de tent gegarandeerd in de fik! Die conclusie drong zich aan ons op na enkele beluisteringen ervan.

Met frontman JoJo Burgess, gitarist Joel Fisk en drummer Stephen ‘Cupsey’ Cutmore telt LaVendore Rogue liefst drie ex-leden van het ook hier op handen gedragen Hokie Joint in z’n rangen. En eigenlijk zou dat feit alleen al genoeg moeten zeggen. Tot wat die knapen in staat zijn zou immers alom geweten moeten zijn. En aangevuld met bassist Rob ‘Tank’ Barry en toetsenman Warren Lynn ontgoochelen ze ook this time around bepaald niet. Ruim tien nummers lang gaan ze op “Light Up With… LaVendore Rogue” voor de perfecte blend van Americana, country, punk en rock & roll. Met de nadruk al bij al toch vooral op dat laatste. En met bepaald niet zelden een kritische blik op de schaduwzijde van het leven anno nu. Een titel als “Gangsters, Thieves & Villains” spreekt boekdelen voor zichzelf. Maar nog beklijvender is de manier waarop in de dreigende slow rocker “Riot” wordt teruggeblikt op de ongeregeldheden die in 2011 Londen in hun ban hielden. Of hoe men in de lichtjes Springsteen-esk aandoende ballad “A.S.A.D.” ingaat op de verschrikkingen van een drugsverslaving.

Daarmee hadden we het hier meteen over drie van de absolute hoogtepunten op de eersteling van LaVendore Rogue. Al blijft hét te kloppen nummer voor ons toch vooral de volop aan de Stones in hun hoogdagen herinnerende rootsrocker “Dead Men’s Chest”. Onwaarschijnlijk wat een power er van die lillende lap rood rockvlees uitgaat! We kunnen er hier maar niet genoeg van krijgen! En dat geldt op de keper beschouwd voor wel meer dingen hier. Van de fraaie pianoballade “Animal” tot het op een catchy gitaarmotiefje rondstuiterende “Honey Murder”, van het vinnige “Siesta Resistance” tot de afsluitende cover van Warren Zevons “Play It All Night Long”, ze mogen zonder uitzondering zo op onze playlist van de komende weken.

Wie boekt dit vijftal voor de nakende zomerfestivals? U haalt er een gegarandeerde winnaar mee in huis…

LaVendore Rogue

 

SIVERT HØYEM “Lioness” (Hektor Grammofon / Rough Trade)

(4,5*****)

Als frontman van Madrugada tekende de Noor Sivert Høyem in het eerste decennium van de noughties wat ons betreft voor meer dan voldoende muzikale hoogstandjes om hem voor eeuwig en altijd op onze radar te blijven houden. Ook met z’n solomateriaal. Zoals bijvoorbeeld al het eind deze maand te verschijnen “Lioness”. Dat is amper enkele dagen ver in 2016 naar onze bescheiden mening al een eerste echte grote plaat.  Met front & center uiteraard ook nu weer die klok van een stem. Als je ze zou moeten situeren: een beetje Nick Cave, een beetje Stuart Staples (Tindersticks), een beetje Richard Hawley ook, het zit er allemaal wel in.

Samen met zijn vaste gitarist Christer Knutsen, hier ook verantwoordelijk voor toetsenbijdragen en backing vocals, en de uit Øystein Franzvåg en Børge Fjordheim bestaande ritmetandem van z’n vaste live band blikte Høyem this time around een tiental nummers in die het vooral moeten hebben van hun grandeur, van een flinke laag pathos. Beurtelings rijk georkestreerd of net aan de eerder naakte kant. Niet zelden zwelgend in een weelde aan strijkers. Rock, dat wel, maar dan van het eerder op de gevoelens dan op de benen mikkende type.

Høyem heeft recentelijk het licht in de eigen duisternis gezien en dat zullen we als luisteraars geweten hebben ook! Het wordt daardoor heerlijk toeven in het gezelschap van dingen als de in duet met Marie Munroe gebrachte romantische sleper “My Thieving Heart”, de ook al magistrale, ergens heel dicht in de buurt van de grote Leonard Cohen strandende pianoballade “It Belongs To Me” en vooral ook openingsnummer “Sleepwalking Man”, een streep sfeervolle indie folk die de Cave-fan in ons in geen tijd onvoorwaardelijk bij de les had.

Nummers van dat kaliber doen nu al reikhalzend uitkijken naar Høyems nakende doortocht doorheen de Lage Landen, die hem ergens halverwege maart naar respectievelijk Amsterdam (15-03, Paradiso), Groningen (16-03, Vera) en Brussel (17-03, Botanique) brengen zal. Ons mag u dan alvast ergens op de eerste rij verwachten.

Sivert Høyem

 

JIM MALCOLM “Live In Perth” (Beltane Records)

(4****)

Over deze knaap heeft u hier nog nooit een kwaad woord gelezen en dat zal ook naar aanleiding van zijn nieuwe cd weer niet het geval zijn. Wij vinden Jim Malcolm nu eenmaal één van de allermooiste Schotse folkstemmen überhaupt en op de koop toe ook een fantastische songsmid en entertainer. En vooral dat laatste komt op z’n zonet verschenen dertiende soloplaat nog net wat meer tot uiting dan voorheen. Het betreft hier immers een live-cd, ingeblikt voor een publiek van fans, vrienden en familie in het Goodlyburn Theatre in zijn thuishaven Perth.

Een thuismatch dus en dat hoor je eraan ook! Met Malcolm ongelooflijk in z’n sas. Als zanger en verteller, maar ook als gitarist en her en der op de mondharmonica. Liefst veertien tracks lang. Met naast een zestal eigen originelen naar goede gewoonte ook weer enkele voortreffelijke lezingen van materiaal van andere Schotse songwriters en plaatselijke traditionals. Tot de eerste van die beide categorieën behoren Brian McNeills “Lads O The Fair”, Andy M Stewarts “Valley Of Strathmore” en Jim Reids werkelijk bloedmooie ballad “Vinney Den”, tot de laatste mag u onder meer het zwierige tweetal “Jolly Beggar” en “Billy Taylor”, het wat bezadigdere “Reres Hill” en ons lievelingsnummer hier, nog zo’n ingetogen beauty, “Lochaber No More”, rekenen. Voor een humoristische noot wordt terloops ook gezorgd met het verhaal “The Pickpockets”.

Kortom opnieuw een portie superieur luistervoer van een artiest van wie we eigenlijk al lang niets anders meer verwachten. Mocht u hem nog niet kennen, dan biedt “Live In Perth” u een uitgelezen gelegenheid om snel aan dat euvel te verhelpen. U zal het zich beslist niet beklagen!

Jim Malcolm, CD Baby

 

SARAH MORRIS “Ordinary Things” (River Rock Music Group)

(3,5****)

De vanuit Minneapolis nog volop aan de weg timmerende zingende liedjesschrijfster Sarah Morris heeft wat ons betreft werkelijk alles om het binnen afzienbare tijd zeer ver te gaan schoppen. Met haar kristalheldere stem maakte ze hier alvast meteen stevig indruk. Evenals met haar heerlijk catchy uitgevallen songs trouwens. Zelden een plaat gehoord, waarop op dergelijke aantrekkelijke wijze een brug werd geslagen tussen pop, country en Americana. Toch niet zonder dat daarvoor elke vorm van geloofwaardigheid overboord moest. En precies daarin slaagt Morris hier. Ze pakt uit met een geheel waarmee je zowel bij de grote massa als bij een publiek van kenners kan komen aankloppen zonder gezichtsverlies te lijden.

Daarin op vakbekwame wijze bijgestaan door producer Eric Blomquist is ze tien nummers lang een waar zonnetje in huis. “Think of all the joy it brings, when you find beauty in ordinary things,” zingt ze ons toe in het afsluitende “Hope, Sweet Hope” en dat klinkt hier plots bepaald geloofwaardig. Je hoeft je bij die doodgewone dingen immers enkel één van de net aan je voorbij getrokken liedjes voor te stellen…

Enkele luistertips: het net al even aangestipte rootspopdondertje “Hope, Sweet Hope”, het buitengewoon lentefrisse, z’n titel terloops werkelijk alle eer aandoende Americana-riedeltje “Brighter”, het op bedaarde wijze twangende “No Memory” en vooral ook de werkelijk wonderschone ballad “You Still Have Me”, al was het alleen al maar omdat de geweldige stem van Morris daarin nog net wat beter dan elders tot haar recht komt.

Sarah Morris

 

PENNY NICHOLS “Golden State” (Pennsongs Productions)

(3,5****)      

De al wat oudere jongeren onder ons kennen Penny Nichols misschien nog wel van haar redelijk succesvolle dagen als folkie ergens medio de jaren zestig, toen ze al met zo menig een grote naam de planken deelde. Of van haar bluegrasswerk met John, Bill en Alice McEuen misschien ook wel. Om maar te zeggen, dat Nichols al een aardig poosje meegaat, dat ze door de wol geverfd is.

En dat hoor je ook aan zo goed als alles op “Golden State”, haar eerdaags ook hier te verschijnen nieuwe plaat, waarmee ze ons uitnodigt voor een blik achter de schermen van haar jonge jaren, haar kindertijd, haar jeugd in het zuiden van Californië. Daarop een twaalftal voornamelijk eigen liedjes. Enkel voor “Leanin’ Back & Laughing”, “Winter Fires” en “LA Man” ging ze in de leen bij respectievelijk Steve Noonan, Jonita Beede en Nina Jo Smith. Veelal rondhangend ergens tussen folk en (roots) pop hangt Nichols zo menig een fraai sfeerbeeld op. Ons daarbij stemgewijs hier en daar best wel wat herinnerend aan huisfavorietje Tish Hinojosa.

Enkele luistertipjes: het lekker relaxed aankomende, op de één of andere manier heel erg sixties aandoende popdeuntje “Kick The Can”, het zomerse, lang niet enkel met de blik alleen zuidwaarts gericht gebrachte “Guadalupe” en het daar naar ons gevoel perfect bij aansluitende “Poco Al Poco”.

Penny Nichols, CD Baby

 

JONAS CARPING “Cocktails And Gasoline” (Jonas Carping)

(4****)

Het eerste wat je opvalt bij een kennismakingsbeluistering van “Cocktails And Gasoline” van de Zweed Jonas Carping is het bepaald beklemmende karakter van veel van de songs erop. Gelijk van bij het over een nerveuze baslijn je leven binnen sluipende “The Last Approval” weet je het al: hier staat iets speciaals te gebeuren. En dat gevoel wordt vervolgens door Carping en kompanen nog eens tien nummers langer bevestigd.

Van het heftig rockend aan z’n kettingen snokkende “Higher Ground” over het atmosferische “Damn Old World” tot de door Marika Dahlbäck van een fijn streepje, voor de sfeer erin wonderen verrichtende cello voorziene ballad “Peace Of Mind”, van de knap opgebouwde rootsrocker “Dusk Of Down” over het als een lastige wesp op je afstormende “Dive” tot het afsluitende titelnummer en alles daar tussenin, Carping toont zich nadrukkelijk een original. Een man met een hoogst aparte visie op Americana.

En precies die benaderingswijze maakt van “Cocktails And Gasoline” een plaat die je eigenlijk niet mag missen. Ze zorgt ervoor dat Carping opvalt tussen de rest. En het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, als de toekomst mocht gaan uitwijzen dat we hier met een blijvertje te maken hebben, iemand in it for the long run.

Jonas Carping

 

THE WARDEN “The Warden” (Idol Records)

(3,5****)      

The Warden is de wat aparte nom de plume van de vanuit East Dallas, Texas debuterende Ward Richmond. Nu ja, debuterende… Richmond is je misschien al wel bekend van zijn bijdragen aan onder meer Slick 57 en Boy Named Sue. “The Warden” is echter wel z’n solodebuut.

En op die door Robert Jason Vandygriff van The Von Ehrics geproduceerde eersteling draait eigenlijk zo’n beetje alles om achteromkijken. Om terugblikken op de vijftien laatste jaren van z’n eigen leven. Met verhalen over vriendschappen voor het leven, grote liefdes en de teloorgang daarvan en wel meer avonturen beleefd terwijl onderweg. Texas style storytelling gegoten in wat Richmond zelf graag East Dallas honky tonk noemen mag. Een countryvariant gekruid met een flinke snuif elementen uit Southern (punk) rock. “Basically it is a tonked up autobiography with a little fiction thrown in for good measure,” aldus The Warden zelf.

Enkele van de vele topmomentjes erop: de punky outlaw country van het de lang niet altijd even spannende werkdag van een aankomend talent bezingende “Salvation”, de knappe herwerking van het Slick 57-nummer “Bullets” met voor de gelegenheid lokale heldin Madison King aan z’n zijde en de knappe soulvolle Southern rockers “Little Darlin’” en “Livin’ In The EDT”.

The Warden

 

PETER GALLWAY “Muscle And Bone” (Gallway Bay Music)

(4****)

Wat heeft deze man ons de voorbije jaren al vaak verwend! In z’n eentje of met Annie Gallup als Hat Check Girl, bij Peter Gallway zaten we steeds weer goed voor een pot beklijvende rootsmuziek. Muziek, die vrijwel altijd weer opviel door haar wat aparte, enigszins bezwerende karakter. Muziek, gekenmerkt door een bepaald intrigerende sfeer ook. En dat is op ’s mans nieuwe worp, het alweer hoogst fascinerende “Muscle And Bone”, ook weer niet anders.

Ook daarop weer presenteert Gallway zich als de triple threat die hij van nature nu eenmaal is. Als een niet alledaagse zanger that is, als wat ons betreft vooralsnog zwaar onderschatte multi-instrumentalist ook en als singer-songwriter hors catégorie. Gallway schreef alle nummers voor “Muscle And Bone” zelf, zong ze uiteraard ook zelf in, bespeelde terloops ook alle aanwezige instrumenten en nam ook de zich op z’n weg aandienende productionele werkzaamheden maar voor z’n rekening.

Zelf heeft hij het in verband met het bij momenten sterk etherisch uit de hoek komende “Muscle And Bone” over “a plea written in outrage, sorrow, anger, shame, hope, hopelessness, expectation, regret, belief, release and prayer”. En hij liet er zich ook al naar eigen zeggen onder meer voor inspireren door het werk van Mahatma Gandhi en Federico Garcia Lorca.

Het resultaat is een beklijvend statement, dat in al z’n intensiteit regelmatig herinnert aan het werk van veel bekendere collegae als een Robbie Robertson, een Daniel Lanois, een David Sylvian, een Peter Gabriel en een Donald Fagen. Geëngageerde songschrijverij gehuld in een geluidstechnisch gezien werkelijk impeccabel jasje. Van een bijmomenten echt wel ijzingwekkende schoonheid!

Peter Gallway      

 

JEFF BOORTZ “Half The Time” (Jeff Boortz Music)

(3,5****)

Jeff Boortz is een ons tot voor kort volslagen onbekende singer-songwriter uit Houston, TX. Met “Half The Time” blijkt hij nochtans al aan z’n derde cd toe. En afgaande op de kwaliteit van dat tien songeenheden tellende geheel hebben we met de beide voorgangers ervan wel degelijk wat gemist.

Voor de opnames van “Half The Time” toog Boortz naar Nashville. Naar The Rendering Plant meer bepaald. Daar werkte hij samen met een heus elitegroepje aan muzikanten. Gitarist John Jackson kent u bijvoorbeeld van zijn werk voor onder anderen Lucinda Williams en Bob Dylan, Ken Coomer uiteraard als drummer van Wilco, Fats Kaplin als een fenomeen op fiddle en pedal steel en drummer-percussionist Marco Giovino onder meer van Robert Plants Band Of Joy. Bepaald niet de eersten de besten dus! En dat vertaalt zich uiteraard ook naar de manier waarop Boortz hier z’n materiaal aan de man gebracht krijgt.

Vrijwel voortdurend handig heen en weer laverend tussen Americana en roots rock laat hij hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om nieuwe vrienden te maken. Gelijk van bij het als een dronkeman over het slappe koord tussen die beide genres waggelende titelnummer heeft hij je als liefhebber bij de les. En daar houdt hij je bijna achtendertig minuten lang ook. Zoals met het wulpse, door Kaplin fiddlegewijs van de nodige zuiderse flair bediende “Wanna Spend Money On A Girl”, de knappe melodieuze countryrocker “Travis County Line”, het swampy “Stay Love” of de soulvol-broeierige trage “Take Back What You Said”. Dat laatste en het er meteen op volgende, lekker vinnig rockende “Driving With The Headlights Off Again” en in het kielzog daarvan ook story song “Baton Rouge” zijn wat ons betreft de sterkste momenten van een geheel vol daarmee. Ook het afsluitende trio bestaande uit “Hey Passion” (licht bluegrassgetinte meezing-Americana), “Silver Lining” (enigszins Dylan-esk aandoende, alternatieve mijmercountry) en “Since You’re Gone” (bedaarde roots rock) valt immers bepaald niet uit de toon.

Al bij al gewoon een erg sterke plaat van een artiest die het absoluut verdient om gehoord te worden. Ook hier!

Jeff Boortz, CD Baby

 

CARY MORIN “Tiny Town” (Cary Morin)

(4****)       

In de States verscheen deze nieuwe cd van Cary Morin een klein jaar geleden al. Maar zoals dat wel vaker gaat, krijgen we ze hier pas enkele maanden later voor de kiezen. En daar moeten we dan eigenlijk nog blij om zijn ook. Het zou immers buitengewoon jammer geweest zijn, mocht deze knappe plaat helemaal aan de Europese markt ontsnapt zijn.

Op de opvolger van “Streamline” uit 2013 overtuigt Morin wat ons betreft veertien nummers lang. Niet enkel toont hij zich daarop een meesterlijke akoestische gitarist, ook zijn liedjes zijn echt wel ijzersterk te noemen. Hoe de “Dylan van Durango” zijn Americana en fingerstyle blues aan een zekere tijdloosheid helpt, spreekt quasi onmiddellijk aan. Denk bij wijze van vergelijking bijvoorbeeld maar even aan knapen als een Chris Smither of een Kelly Joe Phelps. Als je van hun materiaal houdt, dan is de kans vrij groot, dat ook Morin je meteen zal aanspreken.

Twaalf van de veertien liedjes op “Tiny Town” blijken eigen composities. Nummer dertien en veertien zijn respectievelijk knappe vertolkingen van W.C. Handy’s “Yellow Dog Blues” en “When The Levee Breaks” van Memphis Minnie. Hoe Morin aan die liedjes nieuw leven ontlokt, zegt hoegenaamd alles over zijn aanzienlijke kwaliteiten als performer.

Morin speelde “Tiny Town” overigens zo goed als im Alleingang in. Naast de zang en het finger-pick-werk nam hij her en der ook nog de pedal steel voor zijn rekening. Enkel J.J. Milteau, hier onlangs nog zelf in de kijker aan de zijde van Eric Bibb met het fraaie “Lead Belly’s Gold”, mag harmonicagewijs zo nu en dan voor wat extra’s komen zorgen.

Cary Morin, CD Baby

 

DE HELD “Alactraz” (Petrol)

(5*****)

De zogeheten moeilijke tweede. Elke succesvolle beginnende act kent het fenomeen. Jaren in alle rust gewerkt aan die eerste en dan moet nummer twee plots. Het ijzer dient immers gesmeed als het heet is. Voor velen bleek het in het verleden een niet te ronden kaap. Niet zo echter voor Hasselaar Jo Jacobs. Wellicht ook tot zijn eigen grote verbazing kwam diens opvolger voor z’n vrijwel unaniem geprezen titelloze debuutplaat van iets meer dan twee jaar geleden er al bij al redelijk gemakkelijk. In amper zes weken, gewoon thuis in z’n eigen living.

Wat oorspronkelijk eigenlijk enkel bedoeld was als een eerste aanzet tot beviel Jacobs op de keper beschouwd in die mate, dat hij besloot het ermee te doen. Iets wat de spontaniteit van het geheel natuurlijk alleen maar ten goede is gekomen. Enkel wat drumwerk van Karel De Backer en wat Hammondorgelbijdragen van de ook voor de eindmix verantwoordelijke Wouter Van Belle zouden in een latere fase nog aan de nummers worden toegevoegd.

In die liedjes gunt Jacobs ons niet zelden een blik in z’n eigen leefwereld, past, present and future. Maar vooral het voorbije toch. “Een beetje terugkijken naar uzelf,” noemt hij het zelf. “Een fotoalbum bovenhalen. Aan uw eerste lief denken. Dat is het gevoel van deze plaat. Alsof je mag bladeren in andermans personalia.” Gedurfde intimiteit, een beetje op z’n van het Groenewouds, zeg maar. Maar dan wel met net iets meer kans op slagen in alternatiever ingestelde kringen. Iets waaraan geregeld optrekken met collega’s Neeka en Gaëtan Vandewoude van Isbells wellicht niet geheel en al vreemd zal zijn.

En precies daar schuilt ‘m naar ons gevoel ook het grote verschil met voorganger “De Held”. Deze nieuwe plaat is al bij al wat minder kleinkunst, wat meer Nederlandstalige indie pop. En het mooie van de zaak is, dat zulks absoluut niet vervreemdend hoeft te werken voor Jacobs’ met z’n visitekaartje opgebouwde fanschare. Wel integendeel eigenlijk. Het verleent aan z’n muziek nog net wat meer cachet. Het wordt er allemaal nog net wat rijker door.

Van de catchy oorwurm die eerste single “Jouw Schoot” is tot afsluiter “Nog Vlug”, bijna tweeënveertig minuten lang houdt Jacobs je daardoor als luisteraar probleemloos in z’n ban. Van het als een mug bij valavond over zomers warm water over subtiel aangereikte akoestische gitaarklanken over en weer dartelende “Het Gras Is Altijd Groener” of het in milde weemoed gehulde “Mijn Eerste Lief” tot de sfeervolle instrumental “Flashback”, het aan een zeer herkenbaar gevoel opgehangen titelnummer of het op puur verlangen drijvende “Jij Zit Aan Zee” en andere, Jacobs weet duidelijk hoe hij moet beklijven.

Of hoe De Held eensklaps ook onze held werd…

De Held                                         

 

FAY HIELD “Old Adam EP” (Soundpost Records)

(3,5****)

De EP “Old Adam” vormt als het ware een voorschotje op de gelijknamige, in februari van volgend jaar te verschijnen derde solo-cd van Fay Hield. Hield, hier in het gezelschap van haar uit Rob Harbron (concertina), Sam Sweeney (fiddle), Roger Wilson (gitaar en fiddle), Ben Nicholls (bas) en Toby Kearney (percussie) bestaande band The Hurricane Party, voor de gelegenheid aangevuld met special guests Jon Boden (gitaar en fiddle) en Martin Simpson (gitaar), trakteert daarop reeds op een drietal nummers van dat er snel aankomende album.

Voor openingsnummer “Green Gravel” liet ze zich inspireren door de vele door Alice Bertha Gomme van dat nummer opgenomen versies. Het resultaat van die benadering is een fraai staaltje aan atmosferische eigentijdse folk. Twee verdere, eveneens op de volwaardige langspeler “Old Adam” te verschijnen items zijn de al even sfeervolle ballad “Willow Glen” en een speelse, volop op dansgrage benen mikkende lezing van de traditional “Raggle Taggle Gypsy”.

Van de vier nummers op deze EP zullen we enkel “The Hunt’s Up” niet op het eigenlijke album gaan aantreffen. En dat mag je eigenlijk best wel vreemd noemen. Zelf vind ik die atmosferische beauty eigenlijk gewoon het allermooiste nummer van de vier hier. Het heeft immers iets aardig evocatiefs over zich. Het roept vrijwel ogenblikkelijk beelden van fraaie weidse landschappen op. Landschappen, die je op hun beurt dan weer dadelijk associeert met Hields land van herkomst.

Voor de productie van “Old Adam” tekende Andy Bell.

Fay Hield             

 

LORI YATES “Sweetheart Of The Valley” (Lori Yates)

(5*****)

Acht lange jaren was het ondertussen geleden, dat we nog eens iets van Lori Yates vernomen hadden. Veel té lang eigenlijk voor iemand die geldt als één van dé pioniers van het Canadese alternatieve countrygebeuren. En we waren hier dan ook maar wat blij, toen er met “Sweetheart Of The Valley” onlangs eindelijk een opvolger voor het al in 2007 verschenen en toen echt onder de positieve commentaren bedolven “The Book Of Minerva” in de bus viel. En nog blijer werden we, toen we weinig later mochten constateren, dat die zevende van Yates al haar voorgaande worpen gemakkelijk overtrof.

“Sweetheart Of The Valley” is wat je noemt een bescheiden alt-countrymeesterwerk. Een plaat om te hebben en innig van te houden. Een plaat met louter briljante liedjes erop. Stuk voor stuk eigen songs dan nog. Gebracht met het uit Bazil Donovan (bas), Michelle Josef (drums) en David Gavan Baxter (elektrische gitaar, mandoline en piano) bestaande collectiefje Hey Stella in een met diezelfde Baxter gedeelde productie. En met als special guests verder eveneens aan boord: Steve Wood (pedal steel), Stephen Miller (elektrische gitaar) en Kara Lea Manovich, Lisa Winn en Chris Houston (harmony vocals). En dan vergaten we bijna nog het uit Rita Chiarelli, Terra Lightfoot, Ginger St. James, Lena Montecalvo, Dottie Cormier, Mary Simon, Mimi Shaw, Buckshot Bebee en huisfavorietje Treasa Levasseur bestaande Bad Girl Choir.

Zalig toeven is het in het gezelschap van dingen als het zachtjes voorbij kabbelende “See Who I Am”, de werkelijk bloedmooie ballad “Ghost Of Josephine”, de melancholische mid tempo beauty “Sweetheart Of The Valley”, de tranentrekker “Laugh Till We Cry”, het ritmegewijs een weinig op het werk van de jonge Johnny Cash geënte stampertje “Trouble In The Country”, het beklijvende “Call My Name” en andere. Meer dan eens dwaalden onze gedachten bij het beluisteren daarvan af richting de grote Emmylou Harris, met wie Yates haar niets minder dan klassieke stem deelt. Daar niet ogenblikkelijk als een blok voor vallen is schijnbaar onmogelijk.

Bij nader inzicht gewoon één van de allermooiste (alternatieve) countryplaten van het jaar!

Lori Yates

 

TIP JAR “Let Go” (Shine A Light Records)

(4****)

Welgeteld één enkel liedje, meer hadden Bart de Win en Arianne Knegt ook ditmaal weer niet nodig om een lekker brede smile op ons gezicht te toveren. Daarbij attractief begeleid door de zomers loom over de snaren van z’n banjo heen tokkelende Harry Hendriks nodigen de twee ons in “Let Go” uit om ons vooral niet te erg te laten intimideren door een wereld die voortdurend in beweging is. Ook als het even wat minder gaat valt er immers altijd nog wel genoeg te genieten om het leven volop te omarmen.

En daarmee is de toon voor “Let Go”, het tweede album van Tip Jar, meteen duidelijk gezet. Ook van dingen als het Emmylou Harris als prille invloed aanhalende “That’s Why”, het als een soort van lijzig credo neergelegde “We Sing About Love” en het zwierig over milde golven van Wurlitzer-klanken surfende “Little Bright Light” spat het optimisme immers zowat af.

Als tegengewicht voor zoveel joie de vivre fungeren enkele fraaie ballads. Zoals het door Joost van Es van buitengewoon fraai vioolwerk voorziene “She Knew” bijvoorbeeld. Of het jazzy “Sunday Blue” ook. Dat laatste groeit wat ons betreft onder meer dankzij een vocale topprestatie van Arianne Knegt tot één van dé absolute highlights van “Let Go” uit. Het zwaar melancholische “Mary’s Comfort” wordt door de Win op zijn beurt dan weer zo goed als helemaal naar zich toegetrokken. Veel mooier kan je gevoelens van onzekerheid ons inziens amper verklanken.

Volgend hoogtepunt is de mede door de nadrukkelijk erin aanwezige pedal steel van Kim Deschamps op smaak gebrachte trage “In Between Rains”. Daarin schurken de stemmen van Knegt en de Win zich als vanouds weer liefdevol tegen elkaar aan. En we schreven het hier al eens eerder: dat resulteert in een ronduit zalige match! Resten er ons dan nog: het quasi vrijblijvend aan de man gebrachte liefdesliedje “Me And My Girl”, het op bijzonder fraaie wijze een brug tussen pop en bluegrass slaande “Mean Eyed Cat”, het met de nodige ondersteuning van Walt Wilkins en diens vrouw Tina gebrachte en muzikaal gezien volop naar de Lone Star State lonkende “Home Sweet Home”, het ons met enige weemoed even aan de gouden (pop)jaren zeventig herinnerende “Everything’s Changing”, het ook al volop van de magie tussen de stemmen van onze twee protagonisten profiterende niemendalletje “The Next Song” en een korte a capella reprise van “Me And My Girl”.

Om het allemaal met de afsluitende woorden van één van de nummers samen te vatten: “Sometimes it only takes that much, it only takes that much.” Andermaal een echt plaatje van een plaat!

Tip Jar

 

STEPHANIE URBINA JONES “Fiery Angel” (Casa Del Rio Records)

(3,5****)      

De mooie Stephanie Urbina Jones vermaakt al sinds jaar en dag muziekliefhebbers in San Antonio en verre omstreken. En met “Fiery Angel” is ze inmiddels ook al aan haar vijfde cd toe. En da’s misschien wel haar allerbeste tot op heden, als je het ons vraagt. Nooit eerder klonk haar Latin country rock & Americana wat ons betreft voldragener dan hier. La Jones is nadrukkelijk klaar voor een doorbraak op wat grotere schaal, zoveel moge na het beluisteren van de twaalf tracks op “Fiery Angel” wel duidelijk zijn.

Gelijk van bij het haar eigen biculturele achtergrond meteen vet onderstrepende “Vamanos (Let’s Go)” had Jones de tent hier aardig aan het swingen. En ook met het meteen daaropvolgende “Life’s Too Short”, een bepaald knappe countryrocker, scoorde ze op onze appreciatiemeter flink wat punten. Evenals met de twangy “valse trage” “Hold Me ‘Til The Lonelies Are Gone”, de even mooie als intense ballads “Rose In The Wreckage” en “The Resurrection Of My Heart”, de met de nodige Spaanse peper in de je weet wel wat gebrachte Latin mover “I Wanna Dance With You”, het nadrukkelijk naar haar thuisstaat verwijzende “He Reminds Me Of Texas” en zo ongeveer al de rest hier. Enkel met haar versie van Kris Kristoffersons klassieker “Help Me Make It Through The Night” wist Jones ons niet echt te raken. Die hadden we daarvoor waarschijnlijk al net iets te vaak beter horen brengen.

Desalniettemin een prima plaatje, dit “Fiery Angel”!

Stephanie Urbina Jones

 

JANE KRAMER “Carnival Of Hopes” (Famous Brown Boots Music)

(4****)

Eerlijk is eerlijk: haar vorige plaat, het twee jaar geleden verschenen “Break & Bloom”, ontsnapte op de één of andere manier volledig aan onze doorgaans nochtans behoorlijk welwillende aandacht. En dus overviel ze ons met haar nieuwe, het eerdaags uit te komen “Carnival Of Hopes”, dan ook volledig, de bevallige Jane Kramer. In de goede zin van het woord dan. De tien liedjes daarop zijn immers zonder uitzondering juweeltjes. En het verwonderde ons dan ook helemaal niet om te lezen, dat Kramer collega Mary Gauthier als haar grote voorbeeld, haar mentor noemt en bedankt.

Net als die Gauthier schuwt Kramer in haar liedjes het persoonlijke absoluut niet. En niet zelden draait het in die fraaie, nadrukkelijk op de Appalachen-folk-en-countryleest geschoeide kleinoden om verbale worstelingen met verlies en spijt. Om het in de ogen durven kijken van de eigen persoonlijke demonen. Eerder zwaar aandoend spul dus, maar wel altijd met een schijntje hoop aan de einder. Vandaar ook de titel, “Carnival Of Hopes”.

Enkele van onze moments préférés op “Carnival Of Hopes”: de door Kramer zelf tot haar persoonlijke favoriet op de plaat uitgeroepen trage “Good Woman”, de met beide voeten stevig in de klassieke country vastgezogen zittende swinger “Half Way Gone”, het voor het geheel compleet atypische, jazzy, met de neus nadrukkelijk richting New Orleans gekeerd gebrachte “Why’d I Do That Blues”, de met wat subtiel dobrowerk omlijste ballad “Highways, Rivers & Scars” en de fijne Tom Petty-cover “Down South”. Met liedjes van dat kaliber mag u ons te allen tijde komen lastigvallen!

Jane Kramer

 

THE BOOM BAND “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London” (Boom Recordings / Sonic Rendezvous)

(3,5****)        

Dat je het ijzer moet smeden als het heet is, is ook die van The Boom Band kennelijk niet ontgaan. Mochten we nauwelijks een paar maanden geleden nog maar pas het debuutalbum van die Britse bluesrock-supergroep begroeten, dan is het nu alweer tijd voor nummer twee. En dat is de in september van dit jaar in The Half Moon in Chutney ingeblikte live-cd “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London”.

Daarop uiteraard voornamelijk werk van de eerste van Jon Amor, Marcus Bonfanti, Mark Butcher, Paddy Milner en Matt Taylor. Liefst negen van de dertien nummers stonden in hun studioversies ook al op het visitekaartje van de groep. Enkel een buitengewoon zwierige lezing van de classic “Junko Partner”, het viriel funky gebrachte “I’m A Ram” van Al Green, Lightnin’ Slims ook hier volstrekt onweerstaanbare shaker “Rooster Blues” en de vermaarde meezinger “Don’t You Just Know It” van Huey “Piano” Smith en Johnny Vincent vormen wat dat betreft uitzonderingen.

En wat ons betreft waren het dan ook vooral die nummers, die de aandacht trokken. Andere verkoopsargumenten die naar onze immer bescheiden mening al evenzeer pleiten voor een onverwijlde aanschaf van “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London”: het zich met zoveel snarenvirtuozen aan boord uiteraard in overvloedige mate aandienende geweldige gitaarwerk, een stel zeer straffe stemmen en vooral ook de sfeer die afstraalt van het geheel. Je voelt nadrukkelijk dat zowel de band als het publiek kostelijk hebben genoten van die vierde september samen. En eigenlijk verwondert ons dat van een optreden van The Boom Band ook al lang niet meer. Het collectief geniet immers een uitstekende live-reputatie en werd onlangs nog door iemand omschreven als “The Allman Bros meets Little Feat meets The Beatles”. Kan niet slecht zijn, toch?

The Boom Band        

 

MOJO MAN “Balls & Horns” (Continental Europe / V2)

(5*****)

Dit moet zowat dé rootssensatie van het najaar zijn! En misschien zelfs wel van de gehele muziekjaargang 2015 tout court. Ik ben in elk geval nog maar zelden zó door een plaat overrompeld als door deze eerste van het Nederlandse Mojo Man, een buitengewoon opwindend negental opgetrommeld door zanger-gitarist Marcel Duprix en tenorsaxofonist Reinier Zervaas in een poging om met “iets werkelijk groots en swingends” op de proppen te komen. En of ze in dat opzet geslaagd zijn!

Think Black Crowes zo ongeveer ten tijde van hun magistrale eerste twee worpen, maar dan wel ondersteund door een fameuze blazerssectie (“Scarecrow”), think Lenny Kravitz op z’n rockendst, maar dan wel zonder diens uitgesproken hang naar hitsucces (“The Ship Is Sinking” en “Is It A Crime”), think Otis Redding onder de steroïden (“I’m A Man”), think… Tja, wat nog allemaal eigenlijk…

Er is die heerlijke brulboei van een zanger Marcel Duplix. Er is de lichtjes fantastische leadgitarist Theo van Niel Jr. Er zijn de niet zelden met de blik op Stax en aanverwanten honkende en toeterende blazers Reinier Zervaas, Henk Brüggeman, Robert van der Laarse, Robert Bogaart en Marco Muusz. Er zijn de negen zonder ook maar één enkele uitzondering ijzersterke songs. Er is die werkelijk magistrale mix van rock, blues & R&B. Als de charge van een kloek geschapen stier! “Balls & Horns” dus inderdaad!

Dit één keer horen is het gegarandeerd ook kopen!

Mojo Man, Continental Europe

 

KRISTA DETOR “Barely” (Tightrope Records)

(4,5*****)           

Sinds haar ondertussen zo’n tien jaar geleden verschenen debuutplaat “Mudshow” is de Amerikaanse Krista Detor quasi onafgebroken superlatieven voor haar werk blijven oogsten. En terecht ook! La Detor is immers één van de allerbeste zingende liedjesschrijfsters actief in de schemerzone tussen folk en Americana. Je gelooft ons niet? Sla er het hoger al genoemde “Mudshow” en opvolgers “Cover Their Eyes”, “The Silver Wood: Winter Songs”, “Chocolate Paper Suites” of “Flat Earth Diary” maar eens op na. Of Detors zopas verschenen verse worp “Barely” ook. Je zal niet willen begrijpen, hoe je dit zo lang onontdekt hebt kunnen laten!

Neem nu dat nieuwe album. Daarop gaat Detor inderdaad zo goed als volledig “naakt”. Louter muzikaal gezien dan natuurlijk. Eén à twee instrumenten volstaan doorgaans ruimschoots als vangnet voor haar vocale en poëtische hoogstandjes. En dat met bij momenten werkelijk verbluffend mooie resultaten. Of het nu een piano of orgel, een accordeon, een akoestische gitaar, een cello of een bewust bescheiden gehouden combinatie daarvan betreft, de acht liedjes van “Barely” en de twee daar als bonus aan vast geplakte tracks van “The Irish Sessions”, “The Coming Winter” en “Sweet Comes The Sound”, nestelen zich zonder uitzondering knus in dat hen op subtiele wijze aangereikte muzikale decorum. Mede dankzij wat zalige vocale hulpverlening van Amanda Biggs, Mary Dillon en de je vast al wel van Solas bekende Moira Smiley ook. En het voortreffelijke productiewerk van David Weber natuurlijk.

Tien nieuwe songkostelijkheden, die door de band genomen vooral opvallen door hun kwetsbare, soms best wel wat klaaglijke karakter, vormen het uiteindelijke resultaat. Met als primus inter pares wat ons betreft ontegensprekelijk het werkelijk ijselijk mooie “Can I Come Over”. Al zijn met name het zomers lome, in duet met Moira Smiley afgeleverde “Box Of Clouds”, titelnummer “Barely”, het met Amanda Biggs gedeelde “For All I Know” en het eerder al even vermelde “The Coming Winter”, gebracht samen met Mary Dillon, best wel dichte achtervolgers wat dat betreft.

Gewoon een bloedmooie plaat tout court!

Krista Detor

 

MARTYN JOSEPH “Sanctuary” (Pipe Records / Lucky Dice Music)

(4****)                  

Volgend voorjaar, in de maand februari meer bepaald, zal Welshman Martyn Joseph andermaal afzakken naar de Lage Landen. Tijdens een reeks optredens, waarbij onder meer ook Evenementencafé Listwaar in Oud-Heverlee (05-02) en de Arscene in Hansbeke (14-02) zullen worden aangedaan, zal de beste man dan zijn nieuwe – zijn ondertussen eenentwintigste – studio release “Sanctuary” live komen voorstellen. En afgaande op het daarop gebodene durven we die gigs hier nu al echte aanraders te noemen. De Welsh Springsteen blijkt op die nieuwe van ‘m immers in echte topvorm. Elf nummers lang houdt hij je als liefhebber van roots music pur sang probleemloos bij de les.

In een productie van de gerenommeerde Ben Wisch, met wie hij in 1992 ook al “Being There” inblikte, en in het gezelschap van muzikanten die hun sporen reeds verdienden aan de zijde van groten der aarde als een Bruce Springsteen, een Jeff Beck, een James Brown, een Paul Simon, een Mary Chapin Carpenter, een Rosanne Cash en een Ray LaMontagne, om er maar een paar te noemen, gaat Joseph op “Sanctuary” op veelal ingetogen wijze aardig breed. Uiteraard heeft de alternatieve mensenrechtenactivist ook nu weer volop oog voor wat er in de wereld rondom hem gebeurt. Maar ook het persoonlijke wordt zeker niet uit het oog verloren. We noemen hier in dat verband graag de oorstrelend mooie, aan z’n eigen moeder opgedragen ballade “Her Name Is Rose”. Of ook het als een lentefrisse, buitengewoon speelse ode aan de liefde opgevatte “Cherry Blossom Girl”.

Verder zeker ook niet te versmaden: het enigszins bevreemdend aandoende, maar op treffende wijze de dialoog met wijlen Robert F. Kennedy zoekende “Bobby”, het zowel tekstueel als muzikaal gezien aansluiting bij de Centraal-Amerikaanse republiek uit z’n titel vindende “The Light Of Guatemala” en de knappe gitaar-instrumental “Sanctuary”.

Gaat dat vooral zien, zouden we zo zeggen!

Martyn Joseph, Lucky Dice Music

 

DAN ISRAEL “Dan” (Dan Israel Music)

(4****)

Met de twee jaar geleden verschenen vinyl-dubbelaar “Danthology” vestigde de Amerikaan Dan Israel meer dan ooit de aandacht op het feit dat allen die hem de voorbije twee decennia links hadden laten liggen eigenlijk zwaar in de fout waren gegaan. Met die door z’n fans bekostigde verzamelaar claimde “the hardest working singer-songwriter in Minnesota” immers probleemloos een stekje naast wél wereldwijd in de armen gesloten collega’s als een Tom Petty, een Paul Westerberg en een Freedy Johnston. Zo menig een Israel-song uit het verleden had best wel een hit mogen worden, zo bleek. Op z’n minst een radiohit dan toch.

En dat geldt bij nader inzicht ook weer voor nogal wat van de liedjes op z’n ondertussen toch ook al dertiende studioplaat, kortweg “Dan” geheten. Op dat samen met David J. Russ en Rich Mattson ingeblikte songtiental draait veel om het verwerken van z’n eigen recente echtscheiding. En een echt vrolijke plaat is het dan ook niet geworden. Louter wat betreft het tekstuele aspect dan toch. Al schijnt er ergens aan de einder altijd nog wel een zonnetje. Life must go on, you know… Een prachtig voorbeeld vormt wat dat betreft het ronduit vertederende “Two Bright Stars”. Daarin leeft Israel helemaal op bij het zien van de veerkracht van z’n eigen kinderen, die het uit elkaar gaan van hun ouders al bij al prima lijken te verwerken.

Andere waarachtige prachtsongs hier: het muy simpático, zo ongeveer als iets van de onvolprezen Traveling Wilburys voortdenderende “Be With Me”, de fraaie, van een zachtjes aan intredend gevoel van berusting levende en met Katie Gearty gedeelde valse trage “Winter Is Coming”, de voorwaar zelfs even een heel klein beetje richting Neil Young overhellende gitaarrocker “Can’t Believe It”, de ongemeen radiovriendelijke, met Bethany Larson gebrachte break-up song “You Don’t Love Me Anymore” en het zwaar melancholische “Moving Day”. En dan vergaten we bijna nog de geweldige jengelpopescapade “Lonely Too” en het met een flinke geut country besprenkelde “Winning At Solitaire”.

Andermaal een heerlijke plaat, deze nieuwe van Israel. En hopelijk nemen daar nu eindelijk wél eens wat meer muziekliefhebbers kennis van…

Dan Israel

 

NATHAN BELL “I Don’t Do This For Love, I Do This For Love” (Stone Barn Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Wie één van z’n beide vorige platen, “Black Crow Blue” of “Blood Like A River”, in huis heeft, zullen we vast niet meer hoeven te overtuigen van de kwaliteiten van de vanuit Tennessee actieve zingende songsmid Nathan Bell. Met die twee albums nestelde de beste man zich immers knusjes in het spoor van gereputeerde collega’s als een John Prine, een Shaver en een Guy Clark. En dat zou bij wijze van introductie eigenlijk al genoeg moeten zeggen. Bell is naar ons gevoel inderdaad ook een hele grote in wording.

Iets wat hij met z’n nieuwe album, z’n de bizarre titel “I Don’t Do This For Love, I Do This For Love” dragende derde ook weer ten voeten uit bewijst trouwens. Een plaat, waarop het, zoals de ondertitel dat reeds aangeeft, voornamelijk draait om “working and hanging on in America”. Waarop Bell zich met andere woorden op de ondertussen van hem bekende poëtische wijze inlaat met “de Amerikaanse werkmens” en diens lotgevallen. Een soort van working class-voyeurisme, dat ook this time around weer bepaald interessant luistervoer oplevert.

Bij het inblikken van “I Don’t Do This For Love, I Do This For Love” kreeg Bell onder meer de hulp van Missy Raines en haar band The New Hip en van Annie Mosher, Craig Bickhardt, Claire Lynch, Don Rigsby, Don Henry en Rachel Brown.

Onze favoriete momenten erop: het messcherpe en aan een werkelijk ijzersterk refrein opgehangen “Stamping Metal (Strike)”, het met Rachel Brown gedeelde en quasi terloops z’n titel echt alle eer aandoende “North Georgia Blues”, de kippenvelballade “Good Morning Detroit” en vooral ook het verhalend sterke en mede daardoor zeer aangrijpende “Jesus of Gary, Indiana”.

Nathan Bell doet halverwege december België en Nederland aan voor enkele optredens. Op donderdag 10 december staat hij bijvoorbeeld op de planken van de Breughel in Bree en op maandag 14 december speelt hij niet zo ver over de grens in de Meneer Frits in Eindhoven.

Nathan Bell, Lucky Dice Music       

 

CARRIE NEWCOMER “The Slender Thread” (Stockfisch)

(3,5****)

Voor de opnames van haar nieuwe cd “The Slender Thread” zakte zingende liedjesschrijfster Carrie Newcomer vanuit de States speciaal af naar het verre Duitsland. Naar Northeim meer bepaald, waar ze onder de productionele hoede van Günter Pauler en in het gezelschap van de gerenommeerde klanktovenaars van Stockfisch Records en een stel aan dat label gerelateerde muzikanten dertien verse songpareltjes inblikte.

En die liedjes moeten het, zoals in het verleden al wel vaker, in niet geringe mate hebben van Newcomers prachtige voordracht. Veel warmer worden stemmen ons inziens amper gemaakt. Denk bij wijze van referentie maar aan dames als een Mary Chapin Carpenter, een K.D. Lang of een Karen Carpenter, zoiets. In de buurt van dat soort van magistrale strotten situeert zich immers ook die van Newcomer.

Fijne pop- en folkluisterliedjes, heerlijk warmbloedig en harmonieus gebracht, van een haast weldadige schoonheid vormen de hoofdmoot hier. Niet zelden met een diepere boodschap ook. Als geen ander lijkt Newcomer immers te beseffen dat het voor de mensheid stilaan vijf voor twaalf is. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het pakkende “If Not Now” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen. Veel mooier kan je iemand nauwelijks diets maken, dat het hoog tijd is om z’n zeden en gewoonten te veranderen.

Lijkt ons wel iets voor liefhebbers van het materiaal van artiestes als de al genoemde Mary Chapin Carpenter, Nanci Griffith en Joan Baez.

Carrie Newcomer, Stockfisch-Records

 

DM3 “West Of Anywhere” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

We hebben het ons hier al wel eens vaker laten ontvallen: voor een lekkere pot power pop op z’n tijd zijn we altijd al wel te porren geweest. Al van ergens laat in de seventies koesteren we een diepe voorliefde voor dat genre. En dat zal allicht ook altijd wel zo gaan blijven ook. We hebben het nu eenmaal voor die wat primitieve, maar wat ons betreft bijzonder geslaagde combinatie van catchy zang en gitaren en tussen pop en rock nooit de melodie uit het oog verliezende liedjes.

En dus gaat “West Of Anywhere”, een zopas door Alive Naturalsound Records op de wereld losgelaten compilatie met het beste van het onvolprezen DM3, het groepje van Italo-Aussie Dom Mariani, dat met name in de nineties zo menig een power pop-pareltje opdook, er hier ook in als zoete koek. Het fijnste van platen als het door Mitch Easter geproduceerde “One Time Two Times Three Red Light” uit ’93, het opnieuw onder de auspiciën van die veelkunner ingeblikte “Road To Rome” uit ’96 en “Rippled Soul” uit ’98, enkele van de beste power pop-cd’s ooit! Aangevuld met wat later en zeldzamer spul. Met groepsfavorietjes als het catchy, ons van opzet wel wat aan de Ramones herinnerende “One Times, Two Times Devastated”, een voorheen niet verkrijgbare versie van het heerlijk schokschouderende “Please Don’t Lie”, het wat zweverige “Something Heavy”, het onder potent gitaarwerk kreunende “Speed Freak”, de zalige rocker “Can’t Get What You Want” en vele, vele anderen.

Dit behoort zonder meer tot de allerbeste jengelpop ooit ingeblikt. Referenties: Big Star, Robert Johnson (Niet de bluesmens uiteraard, maar die van het magistrale “Close Personal Friend” uit ‘77!), Badfinger, The Rubinoos, The Records en The Raspberries.

Alive Naturalsounds Records

 

THE BURNS SISTERS “Looking Back – Our American Irish Souls” (The Burns Sisters)

(4****)

Aan knappe najaarsreleases bepaald geen gebrek dit jaar. Als in fraaie herfsttinten gehulde bladeren blijven ze hier maar binnendwarrelen. Ook nu weer, met de nieuwe van de door ons de laatste jaren een weinig uit het oog verloren Burns Sisters. Die doen op hun nieuwe worp exact wat de titel ervan belooft. “Looking Back”, omkijken dus en op zoek gaan naar de eigen roots daar in het verre Ierland.

En dat doen Annie en Marie Burns aan de hand van zowel een trits Ierse classics als speciaal voor de gelegenheid geschreven eigen liedjes. Tot de eerste categorie behoren onder meer fraaie lezingen van traditionals als “Ned Of The Hill”, het bijna onvermijdelijke “Oh, Danny Boy” en “Too-Ra-Loo-Ra-Loo-Ral” en al even mooie vertolkingen van Ralph McTells emigratieballade “Clare To Here”, Ewan McColls “Free-Born Man” en Peter Jones’ “Kilkelly”. Tot de tweede door hun eigen voorvaderen en hun land van herkomst geïnspireerde eigen liedjes als “Mothers’ Ode”, “Workhouse”, “To Live Again”, “Father’s Blue Eyes” en “Far From My Home”.

“Connecting to and honoring our American-Irish heritage,” noemen de dames het zelf. En daar hebben wij van onze kant eigenlijk niet zo heel erg veel meer aan toe te voegen, hetzij dan, dat we bijna wegsmolten bij de waarlijk wonderschone vocale prestaties van de Burns-zussen. Die harmonieën! Kippenvel steeds weer gegarandeerd! En ook wat betreft z’n instrumentale onderbouw laat het op “Looking Back” gebodene nauwelijks wat te wensen over. En dat met dank aan klasbakken als een Jim Kimball (gitaren), een Don Kerse (bas), een Daryl Burgess (drums en percussie), een Stuart Duncan (fiddle en mandoline), een Jimmy Mattingly (viool), een Blackie O’Connell (Uillean pipes en low whistles), een Séamus Egan (Irish flute en whistle), een Joanie Madden (Irish whistles) en een Mac Benford (banjo). Voor de productie van hun nieuwe plaat tekenden de dames Burns gewoon zelf.

The Burns Sisters

 

STACIE COLLINS “Roll The Dice” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

De Amerikaanse Stacie Collins is een echt fenomeen. Als je haar één keer live aan het werk hebt gezien, ben je verkocht voor het leven. Wat een wijf! En dat bedoelen we dan in de goede zin van het woord. Collins is een ware wervelwind! Met haar wilde cocktail van elementen uit rock, blues en Americana duldt ze vanop de planken amper weerstand. “It’s only rock & roll, but you gotta like it, baby…”

Tien nummers lang knalt ze ook op haar door je vast ook wel van Jason Ringenbergs Scorchers bekende wederhelft Al Collins geproduceerde vijfde worp “Roll The Dice” weer. Met diezelfde Al Collins ook present op bas en akoestische gitaren en voor een mondje backings her en der en ander schoon volk als Georgia Satellites-kopstuk Dan Baird (elektrische en akoestische gitaren en percussie), Audley Freed (elektrische gitaar), Brad Pemberton (drums en percussie), Lisa Oliver-Gray (background vocals) en nog een handvol special guests serveert ze evenveel goede redenen om haar bij een volgende doortocht zeker met een bezoekje te gaan vereren. Met haar rauwe, qua intensiteit bij momenten best wel wat aan wijlen Janis Joplin herinnerende zang, haar daar perfect bij aansluitende uithalen op de mondharmonica en haar badass attitude doet ze het hem voor ons keer op keer weer.

Maar overtuig je vooral ook zelf, zouden we zeggen en leg bij gelegenheid ook eens een oor te luister bij dingen als de rockende adrenalineopstoot “Lost And Found”, het door een ferme pot scheurharmonica op sleeptouw genomen “King Of Rock”, de fameuze melodieuze rootsrocker “Gonna Fly”, de even flink wat gas terugnemende passionele trage “It’s Over”, het buitengewoon catchy, mede door een fijne accordeonbijdrage van Michael Webb met wat Tex-Mex-gevoel gekruide “Heart On My Sleeve”, het echt wel aangenaam lekker de bocht door glijdende “rootspopdondertje” “Jani” en andere. Je zal het je vast geen moment beklagen!

Stacie Collins, Blue Rose Records

 

CRASH N RECOVERY “Deep In The Woods” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

De tijd dat we hier nog echt opkeken van een ons vanuit het Hoge Noorden bereikende uitstekende Americana-plaat ligt alweer een tijdje achter ons. We zijn ondertussen zelfs al zover, dat het ons eerder verbaast als er een maand voorbijgaat zonder zo’n toppertje afkomstig uit vooral Zweden of Noorwegen. En deze maand is het zo weer Zweden, dat aan de beurt blijkt. Met “Deep In The Woods” met name, de tweede cd van het zeskoppige Crash n Recovery.

Dat album is de opvolger van hun debuut “Post The Storm” en het bevat twaalf – Dertien de hidden bonus track meegerekend! – streepjes fijn rootsy Americana-luisterplezier, in grote lijnen te situeren tussen country, folk en bluegrass. En met ergens in het achterhoofd vrijwel constant ook ergens de omschrijving old-time. Uitsluitend eigen materiaal, zo blijkt, voornamelijk van de vaardige hand van zangeres Linda Engström. En die lijkt ons in niet geringe mate beïnvloed door grote voorbeelden als een Emmylou Harris, een Iris DeMent en een Gillian Welch. Geen slecht volk dus. En bepaald ook geen slecht materiaal. Zo menig een vergelijkbare Amerikaanse act wordt hier schijnbaar spelenderwijze het nakijken gegeven.

Enkele van de vele topmomentjes hier: het door Engström samen met collega Olle Söderlind gebrachte classic country-duetje “Damaged”, de wat nerveus aandoende bluegrass van titelnummer “Deep In The Woods”, de fraaie singer-songwriter country van “Minefield” en het echt wel rete-aanstekelijke, met wat fijne blazers opgewaardeerde stampertje “Guilty As Charged”. Al moet ons na die opsomming wel gelijk van de lever, dat de kans vrij groot is, dat we, als u er ons morgen naar zou vragen, gewoon een aantal andere titels zullen gaan opsommen. Kandidaten meer dan genoeg hier immers voor dat predikaat…

Crash n Recovery, Rootsy

 

CORB LUND “Things That Can’t Be Undone” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

“Things That Can’t Be Undone” is ontegensprekelijk Corb Lunds meest ambitieuze en stilistisch gezien ook meest diverse plaat so far. Dat hij wat betreft z’n muziekjes niet erg honkvast was, dat wisten we hier al wel een tijdje, maar dat hij zó breed zou durven te gaan, dat hadden we toch ook niet verwacht. Je valt hier immers echt van de ene (aangename) verrassing in de andere!

“Weight Of The Gun” schuifelt zo bijvoorbeeld op een op het eerste gehoor eerder onschuldig aandoend R&B-riedeltje vrijwel ogenblikkelijk het argeloze luisteraarsonderbewustzijn binnen om daar al snel z’n permanente intrek te nemen. “Run This Town” sluit vervolgens rootspopgewijs wat meer aan bij wat je als vintage Lund zou kunnen bestempelen. En dan is er het catchy “Alt Berlin Blues”. Daarin heeft de Canadees het over een hyperaanstekelijke pubrock beat over het platgooien van zo menig een favoriete Duitse spot ten voordele van een zoveelste nieuw flatgebouw. “Alice Eyes” is op zijn beurt dan weer fraaie seventies-geïnspireerde luister-rootspop, “Sadr City” kruipt over een Oosters getint, licht psychedelisch aandoend gitaarriffje richting de war songs waarvan Lund er al wel meer op z’n actief heeft en “Washed-Up Rock Star Factory Blues”, het misschien wel allerbeste nummer op “Things That Can’t Be Undone”, blijkt een even twangy als hilarisch vervolg op de Johnny Paycheck classic “Take This Job And Shove It”.

Resten er ons dan nog: de buitengewoon overtuigende cowboy folk song “S Lazy H”, de ook al heel erg lekkere countrydeun “Goodbye Colorado”, het voorwaar een flink eind weg rockende “Talk Too Much” en afsluiter “Sunbeam”, waarin Lund ons op ingetogen wijze deelachtig maakt aan het verlies op veel te jonge leeftijd van één van z’n nichtjes.

Voor de productie van “Things That Can’t Be Undone” tekende de je onder meer ook van z’n recente werk met Jason Isbell, Sturgill Simpson en Chris Stapleton bekende Dave Cobb.

Corb Lund, New West Records

 

GOSPELBEACH “Pacific Surf Line” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Bij een samenstelling zoals die van GospelbeacH is de verleiding al snel groot om te gaan denken in termen van een supergroep. Maar is het dat ook wel echt? Dragen de namen van Brent Rademaker (zang en gitaar), Neal Casal (zang en gitaar), Jason Soda (zang en gitaar), Kip Boardman (zang en bas) en Tom Sanford (drums) daartoe al wel ver genoeg? Het antwoord op die vraag is wat ons betreft een ja en een neen tegelijk. De soloplaten van Casal en Boardman kennen we natuurlijk allemaal. En Rademaker en Sanford, die genoten natuurlijk ook al de nodige naambekendheid dankzij hun betrokkenheid bij Beachwood Sparks. Maar voor Soda moesten we toch al eens achter ons oor krabben. Hadden we naar verluidt al moeten kennen van z’n bijdragen aan Everest, die zanger-gitarist. Maar dat was dus niet zo.

Samen harken genoemde heren op hun band-debuut, het zopas verschenen “Pacific Surf Line”, terug naar al een eindje achter ons liggende muzikale tijden. Naar de late sixties en de vroege seventies met name, toen men in L.A. en verre omstreken prat kon gaan op een behoorlijk vibrante country rock scene. Met als enkele van z’n bekendste vertegenwoordigers uiteraard Buffalo Springfield en Poco. Lekker veel warmbloedig harmonieerwerk troef hier dus, naast onder meer ook nog een veelvoud aan akoestische en elektrische gitaren, wat pedal steel, slide, dobro, Hammond en Wurlitzer.

Openingsnummer “California Steamer” zet gelijk de toon. Meer voorbij kabbelend dan rockend is dat een eerste dart dichtbij de beoogde bull’s eye. Fijn stemmenwerk en dito gitaren blijken in dat liedje meteen alles bepalend voor het wollig-warme retro-groepsgeluid van GospelbeacH. Het meteen daaropvolgende en net wat vinnigere “Sunshine Skyway” profiteert vervolgens volop van een bijdrage op de pedal steel door Soda, “Your Freedom” blijkt een streepje volmaakte seventies sunshine (country) pop en “Mick Jones” is een verdomd lekkere uptempo countryrocker.

Vervolledigen het ons hier aangereikte song-negental: het met name sfeergewijs wel wat met de Byrds hebbende “Come Down”, het licht psychedelisch aandoende “Southern Girl”, het daar in al z’n bedaarde schoonheid perfect bij aansluitende “Out Of My Mind (On Cope And Reed)”, de prachtballade “Alone” en de een weinig bluesy ingevulde afsluiter “Damsel In Distress” met z’n werkelijk puntgave leadgitaarwerk van Soda.

Stuk voor stuk songs, die zich langzaam maar zeker meester van je maken. Een typisch groeiplaatje dus…

GospelbeacH

 

JASON JAMES “Jason James” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Het zijn knapen als deze Jason James die er voor zorgen, dat we ons geloof in real country allicht nooit echt helemaal zullen verliezen. Every now and then duikt er wel weer eentje op. Eentje, die goed blijkt te hebben geluisterd naar wat ooit zo geweldig was aan country. Eentje, die zulk fraais ook zelf wil maken. En eentje, die daar bovendien ook de nodige capaciteiten blijkt toe te hebben. (Met name dat laatste blijkt helaas niet altijd even vanzelfsprekend…)

De zoals zoveel youngsters eerst als punkrocker een gooi naar eeuwige roem gedaan hebbende James raakte in z’n vroege twenties dankzij zijn vader helemaal in de ban van wijlen Hank Williams. Meer bepaald van diens hit “Alone And Forsaken”. En vanaf toen was er eigenlijk geen weg meer terug. James verdiepte zich als bezeten in de echte country van weleer en niet zo heel erg veel later ging hij ook zelf aan het songschrijven. Liedjes, waarvan hij er al snel ook enkele als demo vereeuwigde. En die belandden vervolgens buiten zijn weten om via zijn moeder bij de repertoireverantwoordelijken van New West Records. En vanaf dan ging de bal pas helemaal aan het rollen…

Onder de productionele hoede van John Evans mocht James in studio’s in Austin en in Houston z’n eerste opnamesessies afwerken. En het resultaat daarvan bleek zo veelbelovend, dat New West Records-baas John Allen himself al snel wat bijkomende opnamemomenten in Nashville regelde. Daar kon James zich in het gezelschap van gerenommeerde studioratten als een Keith Gattis, een Dave Roe, een Glen Duncan en een Steve Hinson vervolgens pas echt helemaal uitleven.

En het resultaat van dat alles is een ronduit verbluffende countryplaat. Echte country punt. Tijdloos van aard. Spelend met wat eraan voorafging veel meer dan dit gewoon slaafs herhalend. En precies dat maakt van James’ titelloze debuut de klapper die het is. Hartverscheurende ballades, vinnige countryrockers, vintage honky-tonk stuff, you name it, James does it! En James brengt het dan ook nog eens met zoveel brio, dat het lijkt alsof hij z’n hele jonge leven lang nog nooit wat anders gedaan heeft.

Enkele van de vele topmomenten hier: de heerlijke, met Odie Blackmon en Jim Lauderdale gepende en ook met die laatste gebrachte ballad “Walk Through My Heart”, het op zwierige wijze z’n weg over een al zwaar geteisterde hardhouten dansvloer zoekende duo “Here Comes The Heartache” en “Pullin’ Out The Suit” en de werkelijk sublieme drinking song “I’ve Been Drinkin’ More”. Zalig spul gewoon! Hoogst verslavend allemaal…

Jason James, New West Records

 

STONEY LARUE “Us Time” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Us Time” heet de nieuwe van Red Dirt-fenomeen Stoney LaRue en dat blijkt bij nader inzicht een allesbehalve lukraak gekozen titel ook. Met die nieuwe van ‘m speelt de Texaan immers nadrukkelijk op de wensen van z’n fans in. Zij waren het, die ideeëngewijs mochten bepalen, wat er allemaal op moest komen. En zij waren het ook, die met hun foto’s – al dan niet met LaRue ook zelf erop – de basis voor het artwork ervan aanleverden. Noem het dus maar een fijne stap terug van een knaap die met z’n beide vorige platen, het duo “Velvet” en “Aviator”, zonder daartoe al teveel compromissen te moeten sluiten vrij onverwacht tot de absolute top van het Amerikaanse countrygebeuren wist door te stoten.

En al verwacht je na onze inleiding misschien wat anders, ook “Us Time” berust hoegenaamd niet op toegevingen. Het materiaal erop bestaat immers uit een trits tijdens ‘s mans live gigs al uitgebreid uitgeprobeerde covers van liedgoed van anderen, een reeks niet eerder uitgebrachte eigen originelen en enkele LaRue concert standards. Tot die laatste categorie behoren onder meer de zwierige countryrocker “Oklahoma Breakdown” en een machtige lezing van genrecollega Brandon Jenkins’ “Feet Don’t Touch The Ground”.

Niet zelden hoogst verrassende covers zijn er verder ook nog van Jim Croce’s “Box #10”, “Into The Mystic” van Van Morrison, de Gary Stewart-ballade “Empty Glass”, de classic “Wichita Lineman” van Jimmy Webb, John Hiatts “Train To Birmingham” en het je vast ook wel in de uitvoering van good old Willie Nelson en soul man Ray Charles bekende “Seven Spanish Angels”, ook hier gebracht als een duet met Cody Canada.

Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal ook deze nieuwe LaRue binnen de kortste keren weer erg hogen toppen gaan scheren. Het weze de sympathieke Texaan van hier uit alvast van ganser harte gegund!

Stoney LaRue, Blue Rose Records

 

MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” (Yep Roc / V2)

(4****)

“This Side Of Jordan”, het twee jaar geleden verschenen vorige album van het Amerikaanse duo Andrew Marlin en Emily Frantz, ook wel Mandolin Orange, bleek een echte voltreffer. De twee uit North Carolina wisten met die tweede cd zo ongeveer wereldwijd de aandacht op zich te vestigen. En dat terecht ook! Met hun aanstekelijke mengvorm van elementen uit genres als folk, country en bluegrass sloegen ze wat ons betreft immers spijkers met koppen. En een prominent stekje in het kielzog van onder anderen dat andere duo, Gillian Welch en David Rawlings, moest dan ook kunnen, vonden wij.

En dat vinden we nu nog steeds. En alleen nog maar meer eigenlijk. Want ook “Such Jubilee”, de nieuwe worp van het tweetal, is weer van een werkelijk ontwapenende schoonheid. Echt alles klopt eraan. Er zijn in de eerste plaats natuurlijk de weergaloze stemmen van Marlin en Frantz, die elkaar op zulke fraaie wijze aanvullen. En ook op hun instrumenten, respectievelijk akoestische gitaren, mandoline en fiddle, kunnen de twee naar ons gevoel amper iets verkeerd doen. Maar hét verkoopsargument nummer één blijven nach wie vor toch de fantastische liedjes van het duo. Vooral die niet zelden wat droefgeestig aandoende kleinoden zijn het, die het hem voor ons doen. Ze vertederen, maar zetten geregeld ook aan tot nadenken. En ook dat vinden wij alleen maar een pluspunt.

Neem nu zoiets als “Blue Ruin”. Hoe men daarin omspringt met de gevoelens opgeroepen door het in december 2012 door de 20-jarige Adam Lanza in de Sandy Hook Elementary School in Newtown, Connecticut aangerichte bloedbad spreekt tot de verbeelding. Een veel mooiere verklanking van de roep om een strengere wapenwetgeving in de States kunnen we ons eigenlijk amper voorstellen.

Andere absolute beauties hier: het ten tijde van z’n Amerikaanse release voorzichtig de zomer al een weinig aankondigende bluegrasskleinood “Old Ties And Companions”, het onder meer door het prachtige harmonieerwerk erin opvallende “Little World” en de knappe ballads “Rounder” en “Of Which There Is No Like”.

In hun thuisland zal hier wellicht andermaal veelvuldig de uitdrukking “Highly recommended!” voor van stal worden gehaald. En daar kunnen ook wij ons best wel in vinden.

Mandolin Orange

 

LYNN JACKSON “Songs Of Rain, Snow And Remembering” (Busted Flat Records)

(3,5****)

Net als voor haar vorige plaat “The Acoustic Sessions” dook de Canadese Lynn Jackson ook voor haar inmiddels achtste “Songs Of Rain, Snow And Remembering” weer de koffer in met de hier vooral voor z’n werk met Teenage Fanclub bekende producer Norman Blake. En het heeft er veel van weg, dat die ditmaal iets meer z’n zin heeft mogen doen.

Draaide op “The Acoustic Sessions” nog zo ongeveer alles rond de liedjes en de stem van Jackson zelve, dan mogen er ditmaal flink wat meer muzikanten meeschuiven aan tafel. Onder meer een piano, een harmonium en een cello zorgen voor een veel rijkere klankkleur. Een bij momenten überhaupt wat herfstig aandoend palet. Ideaal luistervoer voor in de late uurtjes, zeg maar.

En Jackson zelve, vroeg u? Wel, die blijft hier haar eigen ouwe zelf. Ze toont zich, zoals op zo ongeveer alle voorgangers van dit geheel, een uitstekende verhalende songsmid. En ze weet je als luisteraar op die manier dan ook vrijwel voortdurend probleemloos bij de les te houden.

Onze luistertips: de met een hoog seventies-gehalte gezegende trage “Riding Out The Storm”, het op een zonderlinge manier soulvol aandoende folkriedeltje “Sky Looks Like Rain” en de echt wel verbluffend mooie afsluiter “Water & Glass”, een pianopopballade van het werkelijk allerbeste soort, waarmee Jackson in de nabije toekomst ook hier best wel wat meer radioaandacht zou mogen gaan oogsten.

Lynn Jackson, CD Baby

 

SOUL EMBRACE “Good Morning To Myself” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(3,5****)

Wie radiogewijs of anders al kennis mocht maken met “Tarantino Cool”, de eerste single van de nieuwe Belgische groep Soul Embrace, zal net als ons nieuwsgierig hebben uitgekeken naar “Good Morning To Myself”, het langspeeldebuut van dat gezelschap. Die eigenzinnige kruisbestuiving van Morphine, de Fun Lovin’ Criminals en de Stones ten tijde van “Sympathy For The Devil” is immers echt catchy as hell. ’t Is typisch zo’n nummer dat je al na één enkele beluistering ervan niet meer los wil laten.

En van dat kaliber staan er op “Good Morning To Myself” gelukkig nog flink wat. Van de zich tergend traag tussen je oren nestelende slow rock van “Suffocating Love” over het op de één of andere manier wat richting new wave overhellende duo “Fade Into Me” en “The Death Of You”, van het soulvolle koppel “Photograph” en “Woman” over het onder meer door de saxbijdrage van Steven Marx eraan heel erg Morphine-esk aandoende “You On My Mind” en het wat jazzy uit de hoek komende “True To Yourself” tot “Die A Happy Man”, “’Cause I’ve Got You” en “Trying To Hold On”, het heerlijk eclectisch uitgevallen drieluik aan het einde ervan, op ons maakten eigenlijk alle songs hier de nodige indruk. En een flinke pluim gaat van hier uit dan ook in de richting van gitarist-songsmid Peter Verbauwen, die ze allemaal aanleverde.

En als we er dan toch al zo over aan het nadenken zijn, dan wist de titel van de eerste single van Soul Embrace bij nader inzicht de essentie van dit geheel eigenlijk best wel goed te verwoorden. Tarantino cool, het zegt tegelijk alles en niks over het toch wel wat bevreemdende muzikale karakter hiervan…

Soul Embrace, Starman Records

 

DICK LEMASTERS “Gasoline & Fire” (Dick LeMasters)

(4****)

Z’n hier zowat een jaar geleden besproken cd “One Bird, Two Stones” vond ik al een uitstekende plaat, maar dit, beste vrienden, is toch nog zoveel beter! Veel meer dan op die nog redelijk bluesgerichte voorganger zoekt Dick LeMasters op z’n nieuwe album “Gasoline & Fire” immers zijn heil in op een klassieke leest geschoeide singer-songwriter stuff Southeast Texas style. En dat schoentje zit hem wat mij betreft werkelijk als gegoten.

Twaalf nummers lang illustreert de sympathieke Texaan hier, waar z’n eigenlijke sterktes liggen. Met daarbij als z’n voornaamste bondgenoten de eigen rauw-hese stem en een akoestische gitaar schaart hij zich in het groepje met gereputeerde collega’s als een James McMurtry, een Terry Allen en een Jason Isbell.

Dingen als “Gasoline & Fire”, “Hurricane”, “No More Sufferin’”, “I Pour Out My Soul”, “Cold-Hearted Whiskey” en zo ongeveer alle andere hier rechtvaardigen het uitbrengen in cd-vorm van deze oorspronkelijk enkel als ruwe schetsen voor ’s mans nieuwe album bedoelde nummers volop. “Turns out I really like them as they are,” aldus LeMasters zelf daarover op het hoesje en daarin kan ik hem eigenlijk alleen maar enthousiast bijtreden. Wat mij betreft dan ook warmpjes aanbevolen, dit schijfje!

Dick LeMasters, CD Baby

 

BRUNO ROCCO “Lonely Rider” (Rocco Records)

(3,5****)

Vanuit Rotterdam bereikte ons onlangs de EP “Lonely Rider” van Bruno Rocco Miletic. Die in Nederland geboren en getogen zingende songsmid met, zoals z’n familienaam al doet vermoeden, Kroatische roots geeft zelf aan geïnspireerd te zijn door het werk van groten der aarde als een Bruce Springsteen, een Bob Dylan, een Johnny Cash en een Van Morrison. En dat vinden wij hier uiteraard bepaald geen kwaad gezelschap.

Vijf nummers lang tracht Rocco op “Lonely Rider” de aandacht vast te houden. En daarin slaagt hij wat ons betreft aardig ook. Met name z’n markante, best wel een beetje aan die van Eddie Vedder van Pearl Jam herinnerende stem deed het hem voor ons. Met een instrument van dat kaliber ter beschikking heb je een toekomst, zoveel is wel duidelijk.

En ook ’s mans liedjes vallen mee. Van de atmosferische, voor de gelijknamige Amerikaanse short independent movie gebruikte slow rocker “The Ride” over het sfeergewijs en passant wat aan de heren Cohen en Cave refererende “When Your Time Comes” en de intimistische Americana van titelnummer “Lonely Rider” en het meteen daaropvolgende “Precious Times” tot de filmische afsluiter “Inside”, op een uitschuiver is het hier hoe dan ook vergeefs wachten. En het enige minpuntje aan “Lonely Rider” is dan ook de met amper achttien minuten redelijk kort uitgevallen speelduur ervan. Volgende keer gewoon wat meer graag!

(Releasedatum: 6 november.)

Bruno Rocco

 

JUNE STAR “Pull Awake” (June Star)

(4****)

Een nieuw album van June Star, da’s altijd weer goed nieuws. Het vanuit Westminster, Maryland al zo’n achttien jaar lang voor top-Americana en roots rock garant staande viermanschap ontgoochelde ons immers nog nooit. En dat doet het ook nu weer niet, op z’n inmiddels toch ook alweer tiende langspeler. De opvolger van “Kill The Lights” van een jaar of twee geleden is gewoon opnieuw een heel erg sterke plaat geworden.

Elf nummers lang vintage June Star eigenlijk. Met de heerlijk hoekige baritonstem van Andrew Grimm uiteraard als vanouds up front and center. En met diezelfde Grimm bij momenten ook weer machtig aan de slag op respectievelijk elektrische en akoestische gitaren en banjo. En natuurlijk ook weer met de zalig jammerende pedal steel van David Hadley. Die drie factoren zijn nach wie vor redelijk bepalend voor het geluid van June Star. Zonder met die uitspraak afbreuk te willen doen aan de bijdragen van multi-instrumentalist Andy Bopp (backing vocals, elektrische gitaren, keyboards en percussie) en drummer Kurt Celtnieks overigens.

Enkele van de topmomenten op “Pull Awake”: de op de keper beschouwd even aanstekelijk als bevreemdend werkende alternatieve country van “Walk Away”, de knappe, een weinig meer rockgeoriënteerde Americana-sleper “Tether”, het catchy, ons best wel wat aan Tom Petty in betere Heartbreakers-tijden herinnerende rootsrockertje “Feathers”, de ronduit heerlijke valse trage “Proof” en het afsluitende “The King Is Dead”, een echte wolk van een ballad met de pedal steel van David Hadley quasi voortdurend mee in één van de hoofdrollen.

June Star

 

DUANE RUTTER “Crazy Things” (Busted Flat Records)

(4****)

Ik moet heel eerlijk bekennen, dat “Waiting Room” en “Never Bet The Devil Your Head”, de twee vorige platen van de vanuit Hamilton, Ontario naar verluidt al even aan de weg timmerende roots rocker Duane Rutter, me compleet ontgaan waren. En daar ben ik na het beluisteren van “Crazy Things”, ’s mans nog kakelverse derde, bij nader inzicht behoorlijk pissed over. Want dit is verdomd lekker spul! Een echte aanrader voor wie houdt van het materiaal van knapen als een John Hiatt, een JW Roy en een Bruce Springsteen.

Rutters voornaamste troeven? Een heerlijke gruizige stem, sterke, zó uit het leven gegrepen teksten, gebed in al even straffe melodieën, en een bepaald gelukkig handje bij het kiezen van zijn begeleiders. Zo strikte hij voor de productie van “Crazy Things” bijvoorbeeld de gerenommeerde Andrew Eldridge. En tussen de namen op de gastenlijst prijken naast die van diezelfde Eldridge en die van collega-chanteuses Lisa Winn en JB Reed onder meer ook nog die van Band-legende Garth Hudson en diens vrouw “Sister” Maud.

Kwamen na enkele beluisteringen voor ons in aanmerking voor een kwalificatie als primus inter pares: het op pakkende wijze de feestelijkheden voor geopend verklarende rootsrockertje “Don’t Forget”, het zo mogelijk nog sympathieker uit de hoek komende, al bij al net iets countryesker opgevatte “Will I Ever Learn”, de in duet met JB Reed gebrachte trage “Crazy Things” – Speciaal voor wie zich mocht afvragen waarom hier wederom een vergelijking met JW Roy opduikt… –- en het ook al heel erg speciale, invloeden als een Guy Clark en een Townes Van Zandt verradende Americana-kleinood “We Find Ourselves At Last”. En misschien ook nog wel de fraaie ballade “Number One”.

Duane Rutter

 

JACK HUSTINX & THE SOUTHERN ACES “Over Yonder” (Harlem Recordings / Suburban)

(5*****)

De meeste dromen zijn bedrog, da’s een feit, daar kan je gewoon niet omheen. Maar zo af en toe komt er toch ook wel eens eentje uit. Zoals onlangs nog voor de je wellicht vooral als één van de Shiner Twins bekende Jack Hustinx. Via Harry Bodine kwam de Brabander immers onverwacht in contact met enkele leden van The Subdudes, een groep waar hij zelf al sinds jaar en dag een grote fan van was. En van het één kwam vervolgens al snel het ander. Onder de indruk van Hustinx’ werk met voornoemde groep en ’s mans vers gepende songs stemden John Magnie en Steve Amedée ermee in om met hem samen te werken voor z’n nieuwe plaat.

Die nieuwe plaat, het ronduit geweldige “Over Yonder”, werd deels in de States – in Austin met name – en deels in Nederland ingeblikt. Met naast de al genoemde betrokkenen voorts ook nog aan boord: soulstrot Malford Milligan, Mike Roeder, Richard van Bergen, Roelof Klijn, Jody van Ooijen, Sheree Smith, Glenda Dotson, Derek O’Brien, Nicky Hustinx, Robert LaRoche, Roel Spanjers en David Perales. Voor de productie tekende Hustinx zelf.

Twaalf nummers lang doet dat team er op “Over Yonder” werkelijk alles aan om z’n roots te loochenen. ’t Is te zeggen Hustinx’ eigen Nederlandse roots dan toch. Z’n muzikale roots die liggen duidelijk elders. Die dienen ergens in het diepe Zuiden van de States te worden gezocht. En zo klinkt “Over Yonder” dan ook. Als een plaat, die alleen in dat diepe Zuiden had kunnen ontstaan. Op en top Amerikaans. Op en top Americana en roots. En met meer dan één nummer aan boord waarvoor zo menig een Amerikaanse vakbroeder met plezier een vinger zou afstaan. Misschien zelfs wel een hand of een arm... Enfin, kwalitatief ontzettend hoogstaand spul.

Er is de soulvolle gospel van het met Malford Milligan gedeelde “My Soul – My Inspiration”, er is de tot diep onder de huid gaande country soul van “Life Will Humble You”, er is de bepaald groovy roots rock van “Crawlin’ Up To The Surface”, “That’s Where I Draw The Line”, “I Won’t Surrender” en “Good While It Lasted”, er is de zwierige R&B-escapade “True True Love”, er is de met wat Tex-Mex-gevoel besprenkelde ode aan de stad uit de titel ervan “Welcome To San Antone”, er is de niets minder dan hemelse Americana van “Down The Road”, er is, er is, er is… Er valt hier gewoon zoveel fraais te beleven! Niet normaal meer!

Voor mij dan ook één van dé platen van het gezegende Americana-jaar 2015 so far, dit “Over Yonder”. Welk een doorstart na de Shiner Twins! Chapeau!

(Releasedatum: 30 oktober.)

Jack Hustinx

 

BOB BRADSHAW “Whatever You Wanted” (Fluke Records)

(3,5****)

Hier is hij nog niet echt wat je noemt a household name, al zou dat eigenlijk best al wél zo mogen zijn. De in Ierland geboren en getogen maar pas later in de States tot volle artistieke wasdom gekomen Bob Bradshaw is immers een songsmid van het betere soort. Americana, folk & roots rock in de trant van eigen idolen als een John Hiatt, een Guy Clark en een Townes Van Zandt zijn z’n idioom. Nu al zes albums lang.

En “Whatever You Wanted”, zijn nieuwe worp, is naar onze bescheiden mening z’n beste tot op heden. Fijne luister-Americana à la de ballads “The Start Of Nothin’”, “The Long Ride Home” en “Dream” of het hypnotische “Crazy Heart” wordt erop afgewisseld met wat ritmischer spul genre de nerveuze folkrocker “Whatever You Wanted” of het op doortastende wijze eenzelfde kant van het countryspectrum verkennende “Losing You”. En met het met Annalise Emmerick gedeelde duetje “Go Get Along” en het zomers lome “Before” is er terloops zelfs wat plaats voor respectievelijk country van het wat traditionelere soort en country soul ook.

Liefhebbers van het materiaal van elk van de hoger genoemde songwriters maar bijvoorbeeld ook van dat van een Ryan Adams in z’n beste dagen, een JW Roy of een Darden Smith moeten dit beslist eens een kansje gunnen. De kans is vrij groot, dat uit zo’n eenmalige ontmoeting op termijn wel eens iets heel moois zou kunnen gaan groeien.

(Releasedatum: 13 november.)

Bob Bradshaw

 

HT ROBERTS “Old Light” (Deep Blue Something / Donor Productions / Bertus)

(5*****)

Less is more. Minder is meer. Ik heb het eigenlijk altijd al geweten, maar nu ben ik er nog wat zekerder van dan ooit. En dat met de nodige dank aan HT Roberts. ’s Lands beste Americana-songsmid doet het op z’n nieuwe worp immers met minimale middelen. Uit noodzaak, vroeg u? Allicht wel. In zijn hang naar de essentie van het liedje is Herman “HT” Temmerman door de jaren heen immers steeds vaker soberheid beginnen koesteren. En dat dus nu met als voorlopige climax “Old Light”. Het al even voorlopige chef-d’oeuvre van een artiest wiens materiaal eigenlijk al jarenlang schreeuwt om veel ruimere erkenning. Het heeft allemaal best wel iets van een nu-of-nooit-moment. Nóg mooier dan dit mag je ze naar onze bescheiden mening van Roberts überhaupt niet meer verwachten. Hiermee zet hij immers definitief z’n voet naast die van groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Guy Clark. That good? That good indeed!

Elf nummers staan er in totaal op “Old Light”, het ene al mooier dan het andere. Gehuld in een soort van herfstige tijdloosheid. Met Temmerman voornamelijk op de akoestische en de banjo. En met ouwe makker Bruno Deneckere als secondant op een tweede gitaar en als tweede stem. Verder occasioneel enkel nog een bescheiden prise viool (Nils De Caster), mandoline, Weissenborn en harmonica. “Meer vroeg het niet en dus meer werd het niet,” aldus het begeleidende schrijven. En gelukkig maar ook! Want, zoals al gesteld, mooier kan je ze amper maken!

Als Temmerman hier meer fluisterend dan zingend nummers als “Coffee”, “Emma’s Land”, “Cloudwatching”, “The Indifference Of Saints” en andere ten beste geeft, dan lijkt het wel, of hij gewoon naast je op een stoel zit. En dat intimistische zit de beste man echt wel als gegoten. Iets wat hij ook zelf lijkt aan te voelen overigens, want echt vaak gaat het tempo op “Old Light” niet omhoog. Enkel het banjogestuurde, eerder old-timey uitgevallen tweetal “She Is No Stranger To Beauty” en “This Side Of The River” vormt wat dat betreft eigenlijk de spreekwoordelijke uitzondering op de regel.

Onze, zoals steeds ook nu weer onverbintelijke luistertips: de werkelijk wonderschone ballade “I Dreamed Of A Highway Last Night”, het daar nauwelijks voor onderdoende luisterliedje “The Indifference Of Saints” en het bij wijze van eerbetoon aan het adres van folklegende Derroll Adams diens instrument al dromend aan het woord latende “The Dreams Of Derroll’s Banjo”.

HT Roberts

 

DANA IMMANUEL “Dotted Lines” (Dana Immanuel)

(3,5****)

Als “a banjo-toting, whiskey drinking, poker-playing singer-songwriter” actief vanuit het Noorden van Londen werd ze ons aangereikt, deze Dana Immanuel, en dat vuurde op z’n minst al onze nieuwsgierigheid aan. Om het nog niet te hebben over zekere verwachtingen hier. Op het eerste gezicht vreemde dingen trekken nu eenmaal aan…

En zeker wat dat laatste betreft scoort “Dotted Lines” van Dana Immanuel hoog. Gelijk van bij het op hoogst eigenzinnige wijze zowat elk obstakel tussen alternatieve country en pop opblazende titelnummer weet je als luisteraar al, dat je van iets speciaals getuige zal gaan zijn. Dat wat ons betreft zelfs heuse hitkwaliteiten vertonende openingsnummer blijkt de eerste van in totaal acht voltreffers.

Het catchy “Mile High” is meteen in het kielzog daarvan een tweede. Opnieuw hebben we daarin vandoen met Americana met een zekere Europese twist. En vervolgens zijn er, in die volgorde, ook nog het banjogestuurde popdondertje “Rock Bottom”, de wat meer bluesy ingekleurde country van “Devil’s Money”, het aanstekelijke stampertje “Wild Things”, de mooie ballad “Life In Colour”, het überhaupt nogal old-timey aandoende “Going To The Bottle” en gezapige afsluiter “Be Like Arnie”.

Als u het ons vraagt dan ook verre van kwaad, deze tweede van Immanuel.

(Releasedatum: 23 oktober.)

Dana Immanuel

 

LUCIE THORNE “Everything Sings Tonight” (Little Secret Records / CRS)

(5*****)

“Everything Sings Tonight” is het nieuwe album van de ons sinds haar een jaar of twee geleden samen met Pieta Brown onder de vlag Love Over Gold uitgebrachte “Fall To Rise” bekende Australische zingende liedjesschrijfster Lucienne “Lucie” Thorne. Het betreft daarbij een samen met haar maatje, drummer Hamish Stuart, vorig jaar in de loop van een Europese tournee verspreid over nauwelijks twee dagen in Berlijn ingeblikt geheel. Tien songs werkelijk bulkend van de sfeer, ons gevoelsmatig bij momenten een beetje herinnerend aan het werk van Robbie Robertson solo, Daniel Lanois, Joni Mitchell op latere leeftijd en Bo Ramsey.

En die laatste, dat blijkt zelfs geen toeval. In het breekbare “The Rushing Dark”, het ongemeen broeierige “Room To Burn” en afsluiter “Green & Blue” is het immers grotendeels zijn werkelijk magistrale gitaarspel, dat de klankkleur bepaalt. En Ramsey blijkt lang niet de enige bekende gast. Dat ook Pieta Brown weer van de partij is, zal je allicht niet verbazen. En ook haar vader, de Amerikaanse folklegende Greg Brown, en die van Thorne zelf, de Tasmaanse dichter Tim Thorne, geven acte de présence. Met gesmaakte spoken word-bijdragen in pièce de résistance “Everything Sings” meer bepaald.

Verder ook nog medeverantwoordelijk voor het op “Everything Sings Tonight” gebrachte: de al genoemde Hamish Stuart (drums en percussie), Chris Abrahams (orgel, autoharp en synthesizer), Dave Symes (bas) en Chris Parkinson (gitaar). Voor de productie tekenden Thorne zelf en Hamish Stuart.

Het resultaat van die achtenveertig schijnbaar heel erg intense uren daar in het hartje van Duitsland is een atmosferische beauty van een rootsplaat, die zondermeer tot de allermooiste van het jaar dient te worden gerekend. Een gracieus aan je voorbij glijdend songtiental, dat je als luisteraar tot diep in je wezen weet te raken. Tekstueel sterk, maar vooral muzikaal beklijvend.

Lucie Thorne, Continental Record Services

 

THE MULLIGAN BROTHERS “Via Portland” (The Mulligan Brothers)

(4,5*****)

Wat een kleine geniepigaard, deze tweede van het vanuit Mobile, Alabama actieve viermanschap The Mulligan Brothers! Lijkt het er aanvankelijk nog sterk op, dat je met deze oneigenlijke broers ergens in de zachtere rootsy pop- of rockhoek terecht zal gaan komen, dan blijkt al vlug dat die eerste indruk helemaal niet juist is. “Via Portland” is immers gewoon een dijk van een Americana-plaat tout court. Een album, dat je met elke nieuwe beluistering ervan nog wat meer om z’n vinger weet te winden. Een echt groeiertje!

Het door Steve Berlin van Los Lobos geproduceerde geheel valt in eerste instantie op door z’n vrijwel ogenblikkelijk comfortabel aandoende geluid. Met glansrollen vooral voor de onwaarschijnlijk warme stem van frontman Ben Newell en de al even warmbloedig uit de hoek komende viool van Gram Rea. Vooral die twee elementen zijn het die wat ons betreft aan de elf songs op “Via Portland” dat zekere je ne sais quoi verlenen, dat er zo’n toppertje van maakt. Zonder daarmee overigens afbreuk te willen doen aan de voornamelijk door Newell zelf gepende liedjes! Zowel op tekstueel vlak als wat betreft de melodieën laten die immers amper wat te wensen over.

Dingen als het a capella ingeleide en een weinig richting roots pop overhellende “Wait For Me”, de zwierige, al snel tot een potje toe-tapping uitnodigende countryrocker “I Don’t Want To Know”, de echt wel onwaarschijnlijk sfeervolle folky story song “Calamine” of de her en der met wat mandolineklanken besprenkelde Americana-oorwurm “So Are You” en andere laten je als luisteraar keer op keer opnieuw met een voldaan gevoel achter.

The Mulligan Brothers

 

JEB BARRY “Milltown” (DollyRocker Recordings)

(4****)

Eén van de aangenamere muzikale verrassingen van de voorbije weken was wat mij betreft “Milltown”, na enkele EP’s eerder het solodebuut van de Amerikaan Jeb Barry. Hard-dirt Americana voor liefhebbers van het materiaal van knapen als een Jason Isbell, een Steve Earle en een John Moreland, aldus de vanuit Berkshire Hills, Nashville al zo’n jaar of vijf aan de weg timmerende kleinstadstroubadour zelve. Liedjes met andere woorden, die ook de schaduwzijde van het leven bepaald niet schuwen. Liedjes, opgehangen aan de beklijvende verhalen van een begenadigd observator.

Luister bij gelegenheid bij wijze van voorsmaakje maar eens naar spiernaakte schoonheden van songs als “If You Where Whiskey” of “Drag The River” en je zal meteen begrijpen, waarom we hier als een blok vielen voor Barry’s materiaal. Hoe hij daarin op hoogst originele wijze heikele thema’s als een relatiegebonden drankprobleem en zelfmoord aansnijdt, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. En als je daar dan ook nog ‘s mans ons best wel wat aan die van Stephen Simmons herinnerende gruizige voordracht aan toevoegt, dan krijg je al helemaal een winnaar. Eentje die je met sprekend gemak vijftien songs lang bij de les weet te houden.

Barry (zang, gitaar, mandoline en resonator) nam “Milltown” op in het gezelschap van The Pawn Shop Saints, z’n begeleidingsgroep bestaande uit Mike O’Neill (zang, gitaar en dobro), Heather Austin (zang), Ernie Baruf (ukebas en percussie) en Pat Powers (banjo en harmonica).

Jeb Barry

 

OP ZOEK NAAR JOHAN “Weg Uit De Stad” (Op Zoek Naar Johan)

(4****)

Toen ik enkele dagen geleden bij het rondstruinen op de webstek van online shop CD Baby bij wijze van groot toeval op “Weg Uit De Stad” van de Nederlandse groep Op Zoek Naar Johan stootte, werd ik daardoor vrijwel onmiddellijk zwaar gecharmeerd. De twaalf liedjes op dat debuut van de band rond de Gemertse singer-songwriter Martin Kuijten kunnen zich wat mij betreft echt wel moeiteloos meten met het materiaal van zo menig een gerenommeerde Amerikaanse vakbroeder.

Kuijten, in het verleden nog actief in het Engels met Autumnsun, kiest op het met Mark de Groot (mandoline, akoestische en elektrische gitaren, backing vocals), Ad van Overdijk (drums, backing vocals) en Marc Lemmens (bas) ingeblikte “Weg Uit De Stad” resoluut voor een andere aanpak. Het verwoorden van je gevoelens lukt nu eenmaal gewoon beter in je eigen moerstaal, aldus de zanger zelf met betrekking tot z’n keuze. Een vaststelling, die je na het beluisteren van het materiaal op “Weg Uit De Stad” eigenlijk alleen maar volmondig kan beamen. Het “Algemeen Beschaafd Brabants” zit Kuijten echt wel als gegoten.

Eerste single “Als De Muziek Begint”, opgehangen aan het herkenbare verhaal van een aan de ziekte van Alzheimer lijdende vrouw, wurmt zich middels een catchy folkriedeltje in no time richting een blijvende stek in je onderbewustzijn. Echt wel een prachtdeuntje! En dat geldt al evenzeer voor de opvolger daarvan, het in een eigenzinnig alternatief countrykeurslijf gewrongen “Eenzaam & Alleen”, waarin relatiegerelateerde pijn, twijfel en verlangen door Kuijten en co haast tastbaar worden verklankt.

En weet u wat het goede nieuws is? Wel, dat we met die twee singles niet eens de beste nummers hebben gehad. Daarvoor moet u wat mij betreft bij het als een hoogst aanstekelijk countrybluesje verpakte titelnummer zijn. Of bij het onder meer door een fijne accordeonbijdrage van producer Gabriël Peeters tot een waar feest uitgroeiende toostlied “Laten We Drinken”. Of bij de werkelijk fenomenaal mooie liefdesverklaring “Bij Jou Kom Ik Thuis”. En dan vergat ik nog bijna het al even magistrale “De Schaduw Van De Kerk”. Een nummer dat als geen ander de rode draad doorheen “Weg Uit De Stad”, “afscheid nemen van mensen, plekken en ervaringen, om zo terug te komen bij jezelf”, weet te vereeuwigen. Zowel inhoudelijk als qua structuur vind ik het een waar hoogstandje. Een wat bevreemdende muzikale mood swing ergens halverwege doet het hem voor mij helemaal.

Mogen wat mij betreft dan ook zó in het rijtje met onder meer ook al JW Roy, BJ Baartmans, Björn van der Doelen, Mathijs Leeuwis en Jeroen Kant, deze Kuijten en z’n kompanen! Hun debuut is alvast een waar genot voor het oor.

Op Zoek Naar Johan, CD Baby

 

MARTHA BEAN “When Shadows Return To The Sea” (Yellow Bean Records / CRS)

(4****)

“When Shadows Return To The Sea”, het debuutalbum van de jonge Engelse Martha Bean, is het soort van langspeler dat het absoluut verdient om een heel breed publiek te bereiken. En dat zal allicht ook wel gaan gebeuren ook. Kan haast niet anders! De vanuit het hartje van Groot-Brittannië, uit Leicester meer bepaald, opererende Bean heeft immers echt alles in huis om het op termijn ver te gaan schoppen.

Er zijn haar sublieme, werkelijk tot in de puntjes toe uitgewerkte liedjes, er zijn haar oorstrelend mooie piano- en gitaarspel, er zijn haar looks, maar bovenal is er toch die stem. Wow! Wat een stel pipes, zeg! Het ene moment van een ontwapenende freelheid, het andere juist ongemeen krachtig. Nu eens vertederend, dan weer verpletterend. En als dusdanig beurtelings een weinig herinnerend aan dames als een Mindy Smith, een Norah Jones en een Kate Bush. Andere fabelachtig mooie stemmen kortom.

En ook wat betreft het op “When Shadows Return To The Sea” gebodene kom je met die vergelijkingen wel ergens. Bean verkent op haar eerste volwaardige langspeler immers nadrukkelijk de schemerzone tussen pop, folk en roots. Tussen niet onder stoelen of banken gestoken inspiratiebronnen als Radiohead, Sufjan Stevens, Nick Drake en Fionn Regan, zeg maar. Al zal ze zelf aan dat rijtje zeker ook nog Debussy willen toevoegen. Al was het alleen al maar om ook haar klassieke achtergrond aan ons te openbaren.

Tien liedjes staan er op “When Shadows Return To The Sea” en die laten wat ons betreft allerminst ruimte voor twijfel. Vooral ingetogen beauties als “Song Of The Sea”, “To Make The World Happy”, “The Conversation” en “I Still Remember” zijn van een dergelijke geraffineerdheid, dat ze je als luisteraar al vanaf hun eerste passage compleet sprakeloos achterlaten. En met dingen als openingsnummer “When The Fear Comes” en “Who Changed The Clocks?” staan er naar ons gevoel zelfs enkele deuntjes op de plaat, die je in een rechtvaardige wereld zomaar enige hitpotentie zou durven toe te dichten.

Echt waar dé ideale soundtrack voor onder die eerste vallende blaadjes! Probeer het maar eens uit, je zal wel zien…

Martha Bean, Continental Record Services

 

THE PSYCHO SISTERS “Up On The Chair, Beatrice” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hoe lang zat dit album er al aan te komen! Een kleine eeuwigheid, toch? Lang voor hun gemeenschappelijke dagen binnen de Continental Drifters al trokken Susan Cowsill en ex-Bangle Vicki Peterson als de Psycho Sisters samen de hort op. Onder meer in het voorprogramma van acts als Giant Sand en Steve Wynn deden ze toen al uitgebreid van zich spreken. En met name door hun hemelse samenzang dan. Want als Cowsill en Peterson samen achter een microfoon plaatsnemen, dan gebeurt er iets speciaals. Dan hangt er echt wel een beetje magie in de lucht. Dan word je bijna onopvallend meegetroond naar lang vervlogen tijden. Naar tijden, toen een liedje nog gewoon een liedje mocht zijn. En precies die tijden herleven dan ook op “Up On The Chair, Beatrice”, het debuut van de gestoorde oneigenlijke zussen.

Van het bij Judi Pulver en Waddy Wachtel geleende en wel erg nadrukkelijk naar de late sixties lonkende streepje Beatle-eske pop “Heather Says” tot het ingehouden nerveuze “Timberline”, van de fraaie harmonieuze jengelpop van “Never Never Boys” tot het wat rockender uitgevallen “Numb”, van de catchy Americana van het door de twee dames zelf gepende “Gone Fishin’” tot de stuiterende roots pop van “This Painting”, van het mede door de gitaren erin wat aan de Byrds herinnerende “Fun To Lie” tot het nooit eerder op plaat verschenen Peter Holsapple-kleinood “What Do You Want From Me”, van het aardig onder stoom gebrachte “Wish You” tot de afsluitende Nilsson-cover “Cuddly Toy”, een slecht woord verdienen ze op de keper beschouwd geen van alle, de liedjes op “Up On The Chair, Beatrice”. Wel integendeel!

En met een volgende hoeven de dames Cowsill en Peterson wat ons betreft dan ook zeker niet opnieuw vijfentwintig jaar te wachten. Dat zou alleen maar zonde zijn van de tijd…

Blue Rose Records

 

AMANDA PEARCY “An Offering” (Continental Song City / CRS)

(5*****)

“An Offering” is na haar debuutplaat “Waitin’ On Sunday” uit 2009 en het grandioze “Royal Street” van goed en wel twee jaar geleden al de derde langspeler van de vanuit muziekstad par excellence Austin actieve zingende liedjesschrijfster Amanda Pearcy. En ze maakt daarmee wat ons betreft op behoorlijk spectaculaire wijze een loepzuivere muzikale hattrick vol. “An Offering” is immers ontegensprekelijk één van dé allermooiste albums van het gestaag richting z’n einde evoluerende muziekjaar 2015. En al zeker in de categorie Americana.

Gelijk van bij het je in al z’n broeierigheid in geen tijd naar het diepe Zuiden van de States transponerende openingsnummer “Ribbons and Bows” heeft Pearcy je als luisteraar weer stevig bij je nekvel. De namen van Tony Joe White en Bobbie Gentry kwamen ons bij een eerste beluistering daarvan spontaan voor de geest. En met name die tweede blijkt even later geen toeval. De enige cover op “An Offering” is er immers één van het door Gentry gepende en in 1967 de eeuwigheid ingezongen “Ode to Billie Joe”. Pearcy trekt dat nummer hier geassisteerd door onder anderen Ray Bonneville op mondharmonica zo goed als volledig naar zich toe.

Twee hoogtepunten ver zijn we daarmee op een plaat tot de nok toe gevuld daarmee. Ook de soulvolle bluestrage “Every Now and Then”, de aangrijpende country story song “Pawn Shop Gun”, het iets moois met een aanstekelijk rootsy R&B-motiefje hebbende “Pallet on the Floor”, het als werkelijk bloedmooie Americana ballad aangereikte titelnummer, het zich door zoveel meer dan alleen maar een meervouds-s van het bekende Leonard Cohen-liedje onderscheidende “Birds on a Wire”, de stuiterende twang pop van “Comfort for the Soul of a Man” en bij nader inzicht eigenlijk zelfs gewoon alles wat daarna nog volgen moet, het mag wat ons betreft allemaal zó onder de noemer groots.

Met dank onder meer ook aan producer Tim Lorsch en aan gastmuzikanten als de al genoemde Ray Bonneville en collega Jimmy LaFave, die een mondje mee kwam zingen in “Pawn Shop Gun” en “A Little Bit More”. En met vooral ook een speciale vermelding voor gitaristen George Bradfute, Mike Daly en Matt Giles, die met hun snarenkunstjes zo menig een nummer naar een nog beduidend hoger niveau weten te tillen.

Kortom: in het stukje door vrouwelijke singer-songwriters bezette grensgebied tussen Americana, folk en blues regeert na dit fabuleuze “An Offering” tot nader order een nieuwe queen. Amanda Pearcy is haar naam en ze lijkt zo op het eerste gezicht niet van plan om dat postje snel weer af te staan…

Amanda Pearcy, Continental Record Services

 

DONNA ULISSE “Hard Cry Moon” (Hadley Music Group)

(4****)

Donna Ulisse heeft zich de voorbije jaren ontegensprekelijk een eigen stekje tussen alom gewaardeerde bluegrassnachtegaaltjes als een Alison Krauss, een Rhonda Vincent, een Claire Lynch en aanverwanten weten te verdienen. Kwaliteit was daarbij steeds haar voornaamste troef. De kwaliteit van haar gezongen prestaties, maar vooral ook die van haar zelfgepende liedjes. Liedjes, waarvan er een aantal onder meer ook reeds door genregrootheden als een Del McCoury, een Doyle Lawson, de al genoemde Vincent en anderen werden ingeblikt. Geen wonder dan ook, dat Ulisse er, na het met covers gevulde tussendoortje “Showin’ My Roots” van een jaar of twee geleden, op haar nieuwe worp graag weer op terugvalt.

Op het door gitaarvirtuoos Bryan Sutton geproduceerde “Hard Cry Moon” prijken in totaal twaalf nieuwe nummers. Slechts eentje daarvan, met name het ooit nog door Johnny Horton de eeuwigheid ingezongen “Whispering Pines”, blijkt ook een cover. De overige elf droeg Ulisse zelf aan. In haar eentje, dan wel vergezeld door co-writers als haar echtgenoot Rick Stanley, Marc Rossi en Jerry Salley.

En ook bij het opnemen van die nieuwe songoogst van haar kon Ulisse op nogal wat bijstand rekenen. Naast producer Sutton (akoestische gitaar) tekenden verder onder meer ook nog Casey Campbell uit diens begeleidingsgroep (mandoline), bassist Dennis Crouch, fiddler Stuart Duncan, banjovirtuoos Scott Vestal, Fayssoux McLean (harmony vocals) en Brent Truitt van de Steeldrivers present.

Zowel wat vlotter materiaal als eerder ingetogen spul komen op “Hard Cry Moon” uitgebreid aan bod. Het resultaat is een lekker gevarieerd bluegrassgeheel, waarop de hoogtepunten elkaar aan een flink tempo opvolgen. We noemen in dat verband onder meer graag het je ogenblikkelijk tot het met de voet z’n ritme meestampen uitnodigende “Ain’t That A Pity”, het aan haar grootvader aan vaderskant, een op tuinieren verzot zijnde, Italiaanse inwijkeling opgedragen “Papa’s Garden”, het ronduit prachtige liefdesliedje “As Long As We’re Together” en de samen met Fayssoux gebrachte afsluiter “I’ll Sleep In Peace At Night”. Vooral dat laatste, een werkelijk bloedmooie ballad, is een echt moordliedje.

Zoals zo ongeveer alles van Ulisse tot op heden van hieruit dan ook bijzonder warm aanbevolen, dit geheel!

Donna Ulisse

 

RITA HOSKING “Frankie And The No-Go Road” (Rita Hosking / Lucky Dice Music)

(4****)

Dat we hier een serieuze boon hebben voor Rita Hosking, zal de aandachtigere lezers van deze pagina’s de voorbije jaren wellicht niet ontgaan zijn. Met platen als “Silver Stream”, “Come Sunrise”, “Burn”, “Little Boat” en andere baande de Amerikaanse zich zonder omwegen een weg richting ons hart. En daar mag ze wat ons betreft ook na haar recent verschenen zesde worp “Frankie And The No-Go Road” best nog wel wat blijven rondhangen. Ook dat is immers weer een echt plaatje van een plaat geworden.

Een soort van conceptalbum is het, geënt op een reeks, de reis van een held illustrerende eigen tekeningen, waarvoor ze inspiratie vond in de lessen van een professor Oosterse religie. Die maakte haar tijdens één van z’n colleges aan de hand van een tekening van één van haar eigen dromen duidelijk, dat we eigenlijk gewoon allemaal onze eigen heldenreis leven. En dat zorgde bij Hosking dus niet enkel voor flink wat stof tot nadenken, maar ook voor een heuse creatieve boost met als uiteindelijke resultaat “Frankie And The No-Go Road”.

De twaalf songs daarop staan eigenlijk gewoon voor vintage Hosking. Voor een setje doorleefde West Coast Americana en mountain soul met andere woorden, gedragen weer door die als vanouds heerlijk klaaglijke stem en onderbouwd in eerste instantie op enkele akoestische gitaren en vooral ook de banjo (clawhammer). Voor de productie tekende zoals in het verleden al wel eens vaker ook nu weer multi-instrumentalist Rich Brotherton (ook aanwezig op gitaar, banjo, mandoline, citer, National-gitaar, keyboards en harmony vocals). Verder ook nog van de partij hier: Glenn Fukunaga (staande bas), Dony Wynn (drums en percussie), Sean Feder (dobro en djembe), Kora Feder (harmony vocals) en Andy Lentz (viool). Zelf leverde Hosking bijdragen op onder meer gitaren, banjo en harmonica.

Het resultaat van hun noeste studioarbeid samen is een fraaie nieuwe Americana-plaat met een al bij al behoorlijk oud aandoend hart. Een knappe set verhalen, waarmee met name in kringen van liefhebbers van dames als een Gillian Welch, een Iris DeMent, een Diana Jones en aanverwanten hoge ogen zouden moeten kunnen worden gegooid. Hier is dat alleszins al het geval!

Rita Hosking, Lucky Dice Music

 

ERIC BIBB & JJ MILTEAU “Lead Belly’s Gold” (DixieFrog / Bertus)

(4****)

Voor z’n nieuwe cd “Lead Belly’s Gold” ging bluesmaestro Eric Bibb een eenmalig samenwerkingsverband aan met de Franse mondharmonicavirtuoos JJ Milteau. Op die gemeenschappelijke worp brengen de heren op gepaste wijze hulde aan de wellicht grootste zwarte folkartiest ooit. In totaal zestien liedjes worden er ons op voorgeschoteld. Elf daarvan live ingespeeld in The Sunset, een gerenommeerde jazzclub in Parijs, de overige vijf nieuw opgenomen in Studio de la Seine, eveneens in de lichtstad. Dertien songs van het repertoire van de oude grootmeester zelve, een drietal van de hand van Bibb, al dan niet met inbreng van Milteau. Goed voor in totaal net geen vijfenvijftig minuten subliem rootsmuziekvermaak.

Respectievelijk “Grey Goose”, de medley “When That Train Comes Along/Swing Low, Sweet Chariot”, “On A Monday”, “The House Of The Rising Sun”, “Midnight Special”, “Bring A Little Water, Sylvie”, “Where Did You Sleep Last Night”, “Pick A Bale Of Cotton”, “Good Night, Irene”, “Rock Island Line”, “Bourgeois Blues”, “Stewball” en “Titanic” passeren en passant de revue. Met opgemerkte gastrollen voor onder anderen Big Daddy Wilson en Michael Robinson.

Het eerste van de eigen liedjes op “Lead Belly’s Gold” is de ingehouden stomper “When I Get To Dallas”. Daarvoor lieten de twee zich naar eigen zeggen inspireren door Lead Belly’s beginjaren als busker in de straten van Dallas. In het tweede, een überhaupt eerder moody aandoende aangelegenheid, laat Bibb Ledbetter vanuit het hiernamaals z’n voormalige patron John Lomax ongezouten z’n mening zeggen. En in het de feestelijkheden op werkelijk geweldige wijze afsluitende “Swimmin’ In A River Of Songs” tenslotte laat hij z’n held zelf z’n eigen levensverhaal vertellen.

Samengevat: een dijk van een eerbetoon, tot de nok toe gevuld met briljante liedjes, uitermate soulvol gebracht en door de twee al even bezield onderbouwd op diverse gitaren en harmonica’s. Zo doe je dat dus, je helden eren!

Eric Bibb, JJ Milteau, DixieFrog

 

JEROEN KANT “Nooit Genoeg” (Bastaard Platen / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wie nog altijd denkt dat Americana en Nederlands niet op geslaagde wijze door één deur zouden kunnen, kan na het nieuwe album van Jeroen Kant z’n mening maar best heel snel herzien. In ruim meer dan tien jaar Ctrl. Alt. Country heb ik nog maar zelden mijn licht mogen laten schijnen op een plaat die me meer aansprak dan dit geheel. Wat de eigenzinnige liedjesschrijver uit Nederlands Brabant hier elf nummers lang aflevert is niets minder dan voortdurend de perfectie benaderende songgeworden literatuur.

In het gezelschap van Gabriël Peeters (drums, percussie, piano, orgel, koortjes), Mathijs Leeuwis (pedal steel, bariton- en elektrische gitaren, koortjes) en Judith Renkema (contrabas, basgitaar, koortjes) tackelt Kant (zang, akoestische en elektrische gitaren) in z’n liedjes op door en door Amerikaanse wijze het leven om hem heen. Geen hoekje eraf of hij heeft het gezien. Het verleidt hem tot een behoorlijk cynische kijk op nogal wat dingen. En dat schept – Omwille van absoluut gerechtvaardigd! – al snel een zekere band.

Van het op hypnotische wijze de almaar dwingendere hang naar meer van de mens anno nu hekelende “Nooit Genoeg” tot het melancholisch over de zwaarwegende gevolgen van één enkele beslissing mijmerende “Oude Kronkelpad”, van het in een aansprekende desert country-verpakking de sleur van heus wel meer dan één leven vattende “Een Zucht” tot de werkelijk bloedstollend mooie Americana van het kleingeldgewijs de losse eindjes van zo menig “een godverdomse dag op deze godverdomse bol” aan elkaar kopende “Halve Cent”, van het in deze tijden getekend door een almaar aanzwellende instroom van vluchtelingen meer dan ooit actuele “Wat De Boer Niet kent” tot het op metaforische wijze de toenemende oppervlakkigheid van de wereld blootleggende “Huis Voor Mijn Helden”, van het bijzonder innemend op de bepaald niet te onderschatten rol van het gegeven perceptie ingaande “Bedot & Voorgelogen” tot de bijna-traditionele country van het tot minder routineus leven oproepende “Vast Vast Vast” of “De Hemel Huilt”, een absoluut niet mis te verstaan coda voor “onze verknalde kloot”, veel beter worden ze mijns inziens echt niet gemaakt!

Ontegensprekelijk één van dé platen van 2015 so far! Chapeau, mijnheer Kant!

Jeroen Kant, Bastaard Platen

 

TITUS WOLFE “Ho-Ho-Kus N.J.” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)       

(3,5****)             

Of en hoe een plaat überhaupt tot stand komt, het hangt vaak maar van kleine dingen af. Neem nu zo’n geheel als “Ho-Ho-Kus N.J.” van de vanuit Duitsland al jarenlang aan de weg timmerende Titus Wolfe. Zonder een op een onbewaakt moment ingeblikte akoestische versie van Willy DeVilles “Heaven Stood Still” zou dat album er waarschijnlijk zelfs nooit gekomen zijn…

Een gemeenschappelijke vriend bracht Wolfe enige tijd geleden in contact met David J. Keyes, ooit nog de bassist van precies die DeVille. En van het één kwam daarna zoals wel vaker het ander. Wolfe stuurde de Amerikaan z’n versie van “Heaven Stood Still” van diens voormalige broodheer op. En die was daarvan zo onder de indruk, dat hij gelijk meer wilde horen. Meer nog, dat hij zelfs een plaat met Wolfe wou opnemen. Met als producer Tom Merlynn en met verder onder meer ook nog Kenny Margolis en Boris Kinberg, twee verdere leden van Mink DeVille, aan boord. Zo goed als een kwaliteitsgarantie, kon je wel stellen.

En dat blijkt ook het geval. Het in Merlyns studio in Ho-HoKus, New Jersey ingeblikte, voorliggende album is immers een erg sfeervolle collectie songs geworden. Met uiteraard ook de aan de basis ervan liggende, door merg en been gaande versie van “Heaven Stood Still” erop. Evenals “Angels Don’t Lie”, nog een verdere eigenzinnige DeVille-cover. Samen met het met de je wellicht van z’n werk voor hard rock acts Deep Purple en Rainbow bekende Joe Lynn Turner opgenomen “Willin’” van Little Feat de enige “vreemde eenden in de bijt” overigens. De resterende acht liedjes zijn zonder uitzondering van de hand van Wolfe zelf. Al zitten er wel enkele co-writes tussen. Met Rob Hoare en Pete Germershausen meer bepaald.

Als geheel neemt “Ho-Ho-Kus N.J.” je mee naar al een eindje achter ons liggende tijden. Naar de seventies met name. En naar de Amerikaanse zingende songsmeden die toen zoal de scepter zwaaiden. Met als z’n voornaamste bondgenoten de eigen gloedvolle voordracht en werkelijk pico bello snarenwerk waadt Wolfe op ongemeen soulvolle wijze doorheen een setje, dat nu al volop doet hunkeren naar meer. Je zou haast gaan wensen, dat DeVilles voormalige begeleiders met dit schijfje zin hebben gekregen in een toekomst met Wolfe. Wie weet, tot wat dat nog allemaal zou kunnen leiden…

Vooralsnog nemen we hier echter nog wel even genoegen met dingen als het al genoemde trio aan covers en andere songkostelijkheden als de tragen “Your Name In The Clouds”, “Too Far Gone” en “Where Roses Grow” of eerder zeldzaam meer rockend uitgevallen spul à la “Guru For A Dime”.

Titus Wolfe, Blue Rose Records

 

HANK SHIZZOE “This Place Belongs To The Birds” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als er al één artiest is, op wiens werk het label Euro Americana zonder al teveel nadenken mag worden aangebracht, dan is het wel de Zwitser Thomas Erb, beter bekend onder z’n artiestennaam Hank Shizzoe. Al sinds 1994 bestookt de beste man ons immers op regelmatige basis met fraai, nadrukkelijk op de Amerikaanse leest geschoeid plaatwerk. In zoverre, dat hij met z’n nieuwe worp “This Place Belongs To The Birds” al aan z’n veertiende toe is.

En sta mij toe, dat nieuwe album prompt tot z’n allerbeste tot op heden uit te roepen. Een werkelijk bloedmooi geheel is het naar mijn bescheiden mening. Heerlijk relaxt gebracht, tot de nok toe gevuld met piekfijn snarenwerk en gedragen als vanouds door die prachtige goudbruine stem, die er met de jaren alleen maar beter op lijkt te worden.

Naast een zevental eigen nummers “about inner journeys and The Great Outdoors” brengt Shizzoe op “This Place Belongs To The Birds” ook een drietal covers van materiaal van anderen. De meest in het oog springende daarvan is zonder twijfel ’s mans bluesy lezing van het ooit nog door de goddelijke Marilyn Monroe de eeuwigheid in gekweelde “I Wanna Be Loved By You”. Met dicht op de hielen daarvan een ook al zeer eigenzinnige lezing van “End Of The Line”, u ongetwijfeld ook bekend in de uitvoering van de onvolprezen Traveling Wilburys. Nummer drie tenslotte is een adaptatie van “Weiss Nid Was Es Isch”, een nummer van de met name in “het Zuiden des landes” redelijk populaire chansonnier Stephan Eicher, in wiens vaste begeleidingsband Erb ondertussen ook al een poosje meedraait (“Don’t Know What It Is”).

Samengevat: net geen zesendertig minuten bijzonder warm aanbevolen Americana-schoonheid tout court! Een plaat, waar we hier tijdens de er ondertussen al weer snel aankomende lange herfst- en winteravonden nog bijzonder veel plezier zullen gaan beleven, that’s for sure…

(By the way: de eerste persing van “This Place Belongs To The Birds” bevat als fijn Blue Rose Records-toemaatje een download card, waarmee u zich volslagen gratis ook nog het begin dit jaar in trio-bezetting ingeblikte live-album “Lift Off!” kan toe-eigenen. ’t Is maar dat u het weet!)

Hank Shizzoe, Blue Rose Records

 

LEEROY STAGGER “Dream It All Away” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten dat de Canadese songsmid Leeroy Stagger hier op nogal wat sympathie kan rekenen. We hebben hier daadwerkelijk al wel vaker een lans voor de beste man gebroken en dat doen we vandaag naar aanleiding van z’n ondertussen toch ook alweer tiende studioplaat graag nog eens over. Ook dat in een met Russell Broom gedeelde productie ingeblikte geheel gaat er immers weer in als zoete koek.

Nochtans is “Dream It All Away” een lang niet altijd even vrolijke plaat. Stagger schreef het materiaal ervoor in de nadagen van een serieuze depressie. En je zou dus kunnen zeggen, dat de tien liedjes erop zijn manier zijn om met het eigen recente verleden in het reine te komen. Alles lijkt te draaien om het blootleggen en begrijpen van eigen waarheden, zonder daarbij al teveel averij op te lopen. Om het met Staggers eigen woorden een pak simpeler samen te vatten: “I just want to be happy too…”

Louter muzikaal gezien levert dit alles één van Staggers allerbeste platen tot op heden op. Een geheel dat hem regelmatig tot dicht in het kielzog van nogal wat groten der aarde brengt ook. Zo is openingsnummer “Something Beautiful” bijvoorbeeld een lap lillend rood rootsrockvlees, waarmee onze man de Stones anno nu een flink eind achter zich weet te laten, deed het meteen daaropvolgende “One Perfect Wave” ons best wel een beetje denken aan John Mellencamp, is het catchy “Happy Too” één groot feest voor Byrds- en rinkelgitarenminnende popliefhebbers en dringt zich hier en daar ook wel eens een vergelijking met Bruce Springsteen op.

Maar er valt natuurlijk ook nog voldoende vintage Stagger te genieten. We denken dan onder meer aan de met de bekoorlijke Kendall Carson gedeelde valse trage “Living In America”, de fraaie ingetogen Americana van “I Feel It All”, “Angry Young Man” en “Ten Long Years”, het van een net niet fatale shot blues ‘n’ roots bediende “Poison The Well” en de prachtballade “Dream”.

Stuk voor stuk zijn het prima deunen, maar hét klapstuk van “Dream It All Away” is op de keper beschouwd toch het nadrukkelijk aan Bob Dylan in z’n hoogdagen ergens diep in de sixties herinnerende “New Music Biz Blues”. Een wat wrang verhaal over je weg vinden in de muziekbusiness van vandaag de dag. The times they are a-changin’ indeed… Ook voor muzikanten!

Leeroy Stagger, Blue Rose Records

 

WEBB WILDER “Mississippi Moderne” (Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Misschien moest u het maar eens overwegen om, als u straks naar de platenboer loopt om uw eigen exemplaartje van de nieuwe van de broertjes Alvin te scoren, in één en dezelfde beweging ook “Mississippi Moderne” van Webb Wilder binnen te doen. Wat die daarop in het gezelschap van z’n onafscheidelijke Beatnecks brengt leunt bij momenten immers wel erg dicht aan bij de warmbloedige American music waarmee de Blasters ooit spelenderwijze ons aller harten wisten te veroveren.

In totaal veertien tracks prijken er op dat uitermate catchy ingevuld eerbetoon aan de eigen thuishaven. Vijf daarvan zijn originelen, de rest goed gekozen covers. Van Jimmy Reeds botergeile blues strut “I’m Gonna Get My Baby” bijvoorbeeld, van de soulvolle Charlie Rich classic “Who Will The Next Fool Be?” ook, van “I Gotta Move” van The Kinks, van de wervelende snarenexercitie “It Takes Time” van blueslegende Otis Rush en nog een handjevol anderen.

Tussen de Wilder-originelen zitten wat ons betreft echter de echte snoepjes. Daaronder enkele opvallende co-writes met bekende vakbroeders. Onder meer de samen met John Hadley gepende en echt wel ongemeen sterk aan de hoger al genoemde Blasters in hun hoogdagen herinnerende deluxe-rootsrocker “Rough And Tumble Guy”, het bedaard swingende, met diezelfde Hadley en de hier onlangs ook zelf nog bejubelde Patrick Sweany aangedragen “If It Ain’t Broke (Don’t Fix It)” en het samen met de legendarische Dan Penn van een kloeke dosis Southern soul-gevoel voorziene “Only A Fool”.

Om het met Wilder zelf te zeggen: “On Mississippi Moderne” we’ve kept some of our trademark craziness, but there’s also a lot of roots solidity and some balladry to boot.” Een bijzonder lekker gevarieerd geheel dus weer van ‘s mans “roots band for rock fans and rock band for roots fans”.

Webb Wilder, Landslide Records

 

PATRICK SWEANY “Daytime Turned To Nighttime” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met “Daytime Turned To Nighttime”, z’n ondertussen zevende cd, bedient de vanuit Nashville actieve Patrick Sweany ons zomaar out of the blue van één van dé kandidaten voor de titel van Americana album van het jaar. Een ronduit heerlijke plaat is dat! Werkelijk tot de nok toe gevuld met schoonheden van eigen songs.

Van de lekker achterover leunende Americana van openingsnummer “First Of The Week” tot het al schokschouderend iets moois met R&B en blues belevende “Tiger Pride”, van het lijzige, ons echt wel volop aan The Band herinnerende “Here To Stay (Rock & Roll)” tot de sublieme country soul ballad “Sweethearts Together”, van het ongemeen catchy, ogenschijnlijk intraveneus met een shot Bo Diddley verder geholpen “Back Home” tot de fijne trage “Afraid Of You”, van de op de keper beschouwd best wel wat naar het werk van de grote Solomon Burke neigende soulsleper “Too Many Hours” tot de fraaie ingehouden rootsrocker “Nothing Happened At All”, van het alweer heel erg soulvol gebrachte “Mansfield Street” tot de moody Americana van afsluiter “Long Way Down”, Sweany werkt hier wat ons betreft een compleet foutloos parcours af!

Noem “Daytime Turned To Nighttime” dan ook maar gerust een niets minder dan verplichte aanschaf!

Patrick Sweany, Nine Mile Records

 

ALISON BROWN “The Song Of The Banjo” (Compass Records Group)       

(4****)

Op “The Song Of The Banjo”, haar als we het allemaal goed hebben bijgehouden eerste nieuwe plaat sinds 2009, bewijst Alison Brown nog maar eens, waarom ze door velen beschouwd wordt als één van de allerbesten op de vijfsnarige banjo. Wat laat ze daarop haar instrument weer alleraardigst zingen! Who needs voices with a player like that? Al zijn die er her en der nog wel, die stemmen.

Onder meer die van Indigo Girls Amy Ray en Emily Saliers, die een met veel gevoel gebrachte cover van Michael Murphey’s “Carolina In The Pines” mee kleur komen geven. En die van de hier vooral als zanger van pophitgroep Men At Work bekende Colin Hay ook, die hetzelfde doet met een mooie vertolking van de Bacharach & David classic “I’ll Never Fall In Love Again”. Evenals tenslotte die van bluesmens Keb’ Mo’, die in bonus track “What’s Going On?”, de soul van wijlen Marvin Gaye mee helpt te koppelen aan wat onmiskenbaar rootsgevoel.

U heeft ondertussen natuurlijk allang begrepen, dat Alison Brown zich op “The Song Of The Banjo” niet bepaald in één enkel hokje laat drukken. Alles lijkt er hier juist om te draaien haar publiek op een andere manier naar de banjo te doen luisteren, dat instrument niet langer als een country and bluegrass only iets te zien. Elementen uit onder meer pop, folk, soul, jazz, Latin, klassieke muziek en uiteraard ook Americana vonden zo hun weg naar het uiteindelijke eindresultaat van Browns studioverblijf. Een plaat, die op mij zo ongeveer dezelfde uitwerking heeft als (jazz)gitarist Earl Klughs materiaal. Ik vind het in eerste instantie heerlijke achtergrondmuziek, maar tegelijk ook zoveel meer dan dat. Het ongemeen genuanceerde spel van Brown zelve en gasten als Stuart Duncan, Todd Phillips, John Doyle, Steve Gadd, Rob Ickes, Jim Oblon, John Jarvis, Kenny Malone en vele, vele anderen houdt immers nog bij elke nieuwe beluistering nieuwe verrassingen in petto. En da’s mooi zo!

Enkele, zoals steeds onverbintelijke luistertips: het hoger al genoemde gezongen trio, titelnummer “The Song Of The Banjo”, een werkelijk wonderschone rootsy lezing van Cyndi Laupers wereldhit “Time After Time” en een al even bloedmooie versie van “Feels So Good” van jazzpopinstituut Chuck Mangione.

Alison Brown, Compass Records Group

 

BELLOWHEAD “Pandemonium, The Essential Bellowhead” (Navigator Records)      

(4****)        

Begin dit jaar besliste Bellowhead-zanger Jon Boden plots om er een punt achter te zetten. En dat deed de rest van de groep meteen ook maar besluiten om er helemaal mee op te houden. Zonder Boden zou het toch niet meer hetzelfde zijn. En bovendien voelde het eigenlijk ook wel gewoon juist aan om te stoppen on a high.

Met twee afscheidstournees, later dit jaar nog en in april 2016, en de voorliggende compilatie “Pandemonium, The Essential Bellowhead” trekt men de deur definitief achter zich dicht. En dat in stijl. De genoemde verzamelaar toont immers nog een laatste keer uitgereid hoe goed Bellowhead eigenlijk wel was. Met “New York Girls”, “10,000 Miles Away”, “Betsy Baker”, “Roll The Woodpile Down”, “Yarmouth Town” en “Cold Blows The Wind” van hun succesplaten “Hedonism” en “Broadside”, maar evengoed met het nodige materiaal van hun andere schijven “Matachin”, “Revival”, “Burlesque” en de E.P. “Onymous”. Dertien songs in totaal.

Ruim vijftig minuten lang innovatieve folk op z’n best. Catchy as hell! Geen wonder, dat door de jaren heen meer dan een kwart miljoen albums van dit gezelschap hun weg richting kopers vonden.

Bellowhead, Navigator Records

 

LOS LOBOS “Gates Of Gold” (Proper Records)

(3,5****)

Eclecticisme als vanouds troef op “Gates Of Gold”, de nieuwe van Los Lobos. Een plaat, waarop het al sinds 2010 en “Tin Can Trust” wachten geblazen was. En een plaat ook, die onze (hooggespannen) verwachtingen niet helemaal inlost. Niet dat het allemaal niet goed zou zijn of zo, dat nu ook weer niet, maar we hadden er gewoon nog wat meer van verwacht. Noblesse oblige…

Van de lome bluesy rock van “Made To Break Your Heart” over het op hoogst aparte wijze met Latin soul flirtende “When We Were Free”, het als een serieuze trap onder de gordel aankomende “Mis-Treater Boogie Blues” en de maar moeilijk te categoriseren trage “There I Go” tot de als het ware uit de één of andere wagenwijd openstaande garage in de verte aan komen waaiende rocker “Too Small Heart”, van het weer op ongemeen zwierige wijze naar de eigen Latino roots teruggrijpende “Poquito Para Aqui” over de slow groove van titelnummer “Gates Of Gold”, de Mexicaanse folk van “La Tumba Sera El Final”, het maar heel erg langzaam echt tot volle bloei komende rootsrock-pareltje “Song Of The Sun” en de knappe bluesescapade “I Believed You So” tot afsluiter “Magdalena”, er valt hier en passant nog flink wat te genieten. Alleen… Het frisse, het echt verrassende is er na al die jaren toch wel wat van af, vinden wij… En we durven het dan ook volop te betwijfelen, dat deze plaat evenveel draaiuren zal gaan krijgen als veel van het vroegwerk van de Wolven.

Maar nog eens: slecht is het allemaal zeker niet. Integendeel zelfs.

Los Lobos, Proper Records

 

DIANA JONES “Live In Concert” (Goldmine Records)

(3,5****)

Precies op tijd om haar op stapel staande Europese najaarsoptredens te promoten belandde van Diana Jones het album “Live In Concert” op onze schrijftafel. Het betreft daarbij een in een gelimiteerde oplage uitgebracht en exclusief via Lucky Dice en tijdens haar nakende gigs te koop aangeboden geheel. Een liefst negentien songs tellende verzameling, door de jaren heen opgenomen tijdens diverse optredens in Nederland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Onder meer in Utrecht en Eindhoven.

Met naast klassiek Jones-spul à la “Willow Tree”, “Evangelina”, “Appalachia”, “All My Money On You”  en “Better Times Will Come” ook enkele niet eerder op plaat verschenen liedjes. Met name het trio “Prayer For My Brother”, “Happiness” en “My Last Call”. Goed voor net geen vol uur Appalachenfolk, -bluegrass en -country van het intensere soort. Gedragen als vanouds door die klok van een stem. Slechts minimaal begeleid door de eigen akoestische en de mandoline en tenorgitaar van Beau Stapleton.

Ideaal als tussendoortje op weg naar de hopelijk snel te komen echte opvolger van de al in 2013 verschenen laatste van La Jones, het werkelijk bloedmooie “Museum Of Appalachia Recordings”.

Diana Jones, Lucky Dice

 

MELANIE DEKKER “Lekker, Eh – Live In Europe” (Elephant Ears Entertainment)

(3,5****)

Leuke, dertien tracks tellende compilatie met evenveel highlights van een viertal optredens, die de Canadese Melanie Dekker tijdens een recente tournee doorheen Europa afwerkte. Het betreft daarbij materiaal ingeblikt in Nederland en Duitsland. In Borger (Vanslag), Celle (Herzog Ernst), Kiel (In Sound) en Obertrubach (The Studio Lounge) meer bepaald. Daar deed Dekker op behoorlijk intimistische wijze haar ding, zich daarbij vakbekwaam geruggensteund wetend door respectievelijk Allan Rodger (bas), Sven Rowoldt en Thomas Fuchs (keyboards) en David Sinclair (gitaren en backing vocals).

Nogal wat aandacht voor materiaal van haar toen nog redelijk nieuwe cd “Distant Star” uiteraard. Van dat geheel serveerde Dekker naast het lokaal hier en daar tot een bescheiden radiohitje uitgegroeide “Boomerang” ook nog “Price You Pay”, “At The Junkyard”, “Give My Heart A Home” en het titelnummer. Voorts werden ook nog weerhouden “Blush”, “Flowers”, “Maybe We’re The Angels”, “What A Fool I Am”, “Meant To Be”, “Haven’t Even Kissed You Yet”, “Saturday Night Show” en “Stare At The Rain”, fraaie folk- en rootspopdeunen, waarin niet zelden op hoge golven van gevoelens wordt gesurft. Daarin schuilt immers nadrukkelijk één van Dekkers grote sterktes. Eén van, want langs die geweldige stem van ‘r kan je natuurlijk ook absoluut niet omheen. Krachtig en kwetsbaar tegelijk, zo lijkt het wel. En ongemeen helder ook.

Als de “Lekker, Eh” uit de titel van dit schijfje door Dekker als vraag bedoeld werd, dan krijgt ze daarop van ons alvast een volmondig “Ja!” als antwoord.

Melanie Dekker

 

TOM FREUND “Two Moons” (Surf Road Records)

(4,5*****)

De Amerikaanse songsmid Tom Freund heeft in ons boek al lang niets meer te bewijzen. Ben Harpers maatje is gewoon een geweldige singer-songwriter, punt! Een meester-troubadour met een aangenaam melancholisch aandoende stem en een handje voor het pennen van echte wolken van liedjes.

Beluister bij gelegenheid maar eens het drietal “Angel Eyes”, “Same Old Shit Different Day” en “Me And Bernice” van zijn nieuwe cd “Two Moons” en je zal ons allicht meteen bijtreden in die stelling. Het eerste is als het ware een antwoord op Randy Newmans hitje “I Love L.A.”. In dat overigens ook louter muzikaal gezien best wel wat aan Newman herinnerende liedje drukt Freund op bijzonder sfeervolle wijze zijn dankbaarheid aan het adres van zijn vrienden in de City of Angels uit. Het tweede is totaal andere koek. De titel doet je aanvankelijk even het allerergste verwachten, maar het blijkt achteraf al bij al nogal mee te vallen. Diep vanbinnen is Tom Freund nu eenmaal een onverbeterlijke positivo. “Too much craziness in my world,” stelt hij het ene moment vast om er het volgende zowat in één en dezelfde adem nog aan toe te voegen “I hope that craziness never goes away!” “Me And Bernice” tenslotte is eigenlijk al een wat ouder liedje, dat Freund speciaal voor de gelegenheid opnieuw opnam.

Voorts van die weer volop in melancholie en nostalgie badende nieuwe plaat zeer zeker ook nog het vermelden waard: de nummers “Next Time Around” en “Weekend Guy”, al was het alleen al maar omdat daarin respectievelijk Serena Ryder en Brett Dennen even hun opwachting komen maken. Zij zijn samen met de al even genoemde Ben Harper (in “Angel Eyes”), de je wellicht van zijn bijdragen aan Counting Crows bekende snarentovenaar David Immerglück en drummer Michael Jerome zowat de bekendste namen op de gastenlijst voor “Two Moons”.

Tom Freund

 

JEREMY PINNELL “OH/KY” (Sofaburn Records)

(4,5*****)       

Markante kop, markante stem, markante liedjes, het zegt tegelijk alles en niks over de ons tot voor kort nog volslagen onbekende, vanuit Kentucky actieve zingende songsmid Jeremy Pinnell. En we zullen hier dan ook maar wat dieper ingaan op dat drievoudige gebruik van het woordje markant. Het kan maar helpen…

Het eerste wat je opvalt, als je Pinnell bekijkt, zijn ’s mans kale hoofd en z’n echt wel in het oog springende tattoos. Van de Amerikaanse staat Ohio aan de ene kant van z’n blinkende knikker, van Kentucky, het decorum van z’n jonge jaren, aan de andere. Ook al héél erg opvallend: ’s mans stem. Meer een howl eigenlijk. Ongemeen krachtig en een weinig broos tegelijk. Rauw, hees, teder.

En dan zijn er nog z’n songs. Wat ons betreft schoolvoorbeelden van hoe country anno nu eigenlijk echt hoort te klinken. Three chords and the truth, zoiets. Schaamteloos eerlijk. Heel erg persoonlijk ook. Met pedal steel à volonté. Van het zacht swingende openingsnummer en credo “The Way Country Sounds” over het klaaglijke “Rodeo”, het vervuld van zelfbeklag ingetogen over een dansvloer van diepgeworteld zittend verdriet walsende “Loose Women” of het bedaard twangende “Big Bright World” tot de geweldige afsluitende trage “Angel Of Mine”, dit is zonder meer van het beste wat 2015 ons op countryvlak al te bieden had!

Jeremy Pinnell

 

GRAYSON HUGH “Back To The Soul” (Swamp Yankee Music)

(4,5*****)

Lang, lang geleden, toen er nog geen sprake van een wereldwijd web was om ons om de haverklap met nieuw luistervoer te bedienen, viel ik echt als een blok voor de muziek van de sympathieke Amerikaan Grayson Hugh. Als ik zeg, dat ik z’n album “Blind To Reason” grijsgedraaid heb, dan is dat absoluut niet gelogen. Ik heb er me na verloop van tijd zelfs een nieuw exemplaar van moeten aanschaffen. Zo erg was het!

In 1988-1989 was dat. In eerste instantie was er m’n crush voor de ronduit geweldige single “Talk It Over”. Prachtig gewoon, hoe de zoetgevooisde Hugh daarin het midden wist te houden tussen Southern soul en pop. En toen het album “Blind To Reason” ook nog eens veel meer van dattum bleek te bieden te hebben, was ik natuurlijk helemaal verkocht. Een liefde, die tot een flink eind voorbij opvolger “Road To Freedom” uit 1992 zou blijven duren. Daarna werd het hier mediagewijs plots heel stil rond Hugh. Tot ik zo’n jaar of vijf geleden met “An American Record” compleet out of the blue plots een nieuwe plaat van ‘m mocht ontvangen.

En nu is er dus opnieuw een nieuwe worp van de beste man. “Back To The Soul” heet die en die titel blijkt in dit geval echt wel veelbetekenend. Met de twaalf songs erop grijpt Hugh na jaren van muzikale omzwervingen immers eindelijk volop terug naar de Southern soul van z’n begindagen. En u kan niet geloven, hoe blij hij me daarmee maakt! Gelijk van bij het zacht groovende, weer ongemeen radiovriendelijke “Everybody’s Hangin’ On” was ik onmiddellijk weer vol bij de les. Balsem voor de ziel noemen ze zoiets! En dat was dan alleen nog maar het openingssalvo…

Via het met zomerse blazers gelardeerde dansvloervullertje “We Were Havin’ Fun”, het bedaard soulvol rockende afscheidsliedje “Gettin’ On With My Life”, de broeierige sleper “Already In Love With You”, het funky, z’n titel bepaald niet gestolen hebbende “It’s Got Soul”, het en passant met wat gospelgevoel gekruide “Rock ’n Roll Man”, het ook al heel erg groovy uit de hoek komende “We’re Gone Again”, de pianogestuurde R&B-stamper “Put Your Feet In The Water”, het hitgevoelige “Gimme Another Answer” en nog een handvol anderen ging het wat mij betreft véél en véél te snel weer richting uitgang… De repeat-toets bewijst sindsdien al een poosje uitstekende diensten!

What can I say? Highly recommended indeed!

Grayson Hugh

 

TOM HEYMAN “That Cool Blue Feeling” (Bohemian Neglect Recording Works)

(4****)

Tom Heyman zou u zich onder meer nog mogen herinneren van z’n bijdragen aan acts als Go To Blazes en The Court And Spark. Of van z’n werk aan de zijde van Chuck Prophet ook wel. De beste man is wat je noemt een pionier in zaken alt-country en Americana. En met “That Cool Blue Feeling” is hij inmiddels ook al aan z’n derde soloplaat toe.

En een best wel gevarieerde soloplaat ook, zo blijkt al snel. Openingsnummer “Black Top” leeft bijvoorbeeld van een verzengende groove ergens tussen Tony Joe White en JJ Cale, net-niet-titelnummer “Cool And Blue” streelt met vaste rootspophand zomers relaxed de zinnen en “Time And Money” puurt op al even gemoedelijke wijze iets moois uit pop en Americana. “Keep The River On Your Right” doet vervolgens hetzelfde met rock en twang, “In The Nighttime World” is een soulvolle, z’n titel hoegenaamd niets tekortdoende sleper, “Chickenhawks And Jesus Freaks” ronduit geweldige alternatieve countrypop met her en der wat Spectoriaanse trekjes en “Always Be Around” zelfs gewoon pop tout court. Het ingehouden “Jack And Lee” deed ons dan weer heel even denken aan iets van Tom Petty, “Number 9” is een geweldige countryrocker en het afsluitende “Losers Like Me”, een werkelijk bloedmooie ballad, het misschien wel allermooiste nummer van allemaal hier, is als u het ons vraagt wel spek naar de bek van Nick Lowe-fans anno nu.

“That Cool Blue Feeling” werd geproduceerd door Mike Coykendall en door storyteller Heyman ingespeeld samen met diezelfde Coykendall, Russell James Miller en Paul Brainard.

Tom Heyman

 

TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” (Tawny Ellis)

(3,5****)

Met het einde van hun jongste tournee doorheen het Amerikaanse Zuiden stilaan in zicht besloten Tawny Ellis en haar wederhelft Gio Loria een bezoekje te brengen aan de vermaarde Fame Studios in Muscle Shoals. En daar kwam van het één al snel ook het ander. Ze werden er door eigenaar-producer Rick Hall himself immers uitgenodigd om eens wat op te komen nemen. En dat direct na hun nauwelijks tien dagen later aflopende tournee nog wel! Wat maakte, dat er niet zo heel erg veel tijd meer overbleef om één en ander serieus te plannen. En dus werd er uiteindelijk maar geopteerd voor een vier tracks tellende EP.

Die werd opgenomen met Ellis zelf op de lap steel, haar ventje Gio Loria op diverse gitaren, bas, dobro en Hammond B3, de van Five Eight, een groepje uit Athens, GA, geleende tandem Sean Dunn en Patrick Ferguson op respectievelijk elektrische gitaar en drums en Peter Hamilton op bas. Voor de productie tekenden Ellis en haar levensgezel zelf.

Afgetrapt wordt er met het werkelijk bloedmooie “Ghosts Of The Low Country”. Dat titelnummer, een heerlijk soulvolle, klaaglijke (alternatieve) country-noir-trage herinnerde ons beurtelings aan Lucinda Williams en Neko Case. Een echte voltreffer dus! Vervolgens is er “Evolve Or Die”, een al wat ouder Ellis-nummer, voor de gelegenheid gebracht als fraaie akoestische Americana ballad. Op zijn beurt een beetje Emmylou-esk voorwaar!

De overige twee nummers zijn covers. De eerste, de wat loom aandoende rootsrocker “Desperate Tonight”, van een nummer van het hier eerder al genoemde bandje Five Eight, de tweede, “Walking After Midnight”, een soortement van eerbetoon aan het adres van een zangeres waarmee Ellis in het verleden nogal eens vergeleken werd, met name de grote Patsy Cline.

Best wel jammer eigenlijk, dat het daarmee na goed en wel zeventien minuten allemaal al weer over is. Hier hadden wij immers best nog wel wat meer van gelust…

(Releasedatum: 6 november.)

Tawny Ellis

 

NICKI BLUHM & THE GRAMBLERS “Loved Wild Lost” (Little Sur Records / Republic Of Music)

(4****)

“Loved Wild Lost” is de opvolger van het twee jaar geleden verschenen debuut van Nicki Bluhm & The Gramblers. Voor die nieuwe plaat gingen nachtegaaltje Bluhm en haar kompanen voor het eerst in zee met de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Josh Ritter en Iron & Wine bekende Brian Deck. En die vond in hen het beste van de zogeheten California Sound terug. Wat pop, wat rock, wat country, wat folk, wat blues, wat psychedelia, allemaal in één en hetzelfde, aantrekkelijke doosje.

Met het tussen bedaard twangende gitaarklanken door best wel wat aan “I Just Wanted To See You So Bad” van Lucinda Williams herinnerende “Only Always” zit de toon meteen goed. En ook het bij momenten als Tift Merritt aan het hoofd van de Byrds klinkende “Waiting On Love” doet het helemaal voor ons. Evenals de catchy California style pop van “Heartache”, de zalige country-soultrage “Queen Of The Rodeo”, het een zekere voorliefde voor acts als The Band en Little Feat verradende “Love Your Loved Ones”, de melodieuze semi-ballad “Mr. Saturday Night” en alles wat daarna nog volgen moet. Lekker, lekker, lekker…

Vooral de ongemeen passioneel aandoende, soulvolle stem van La Bluhm zelve bleef hier flink nazinderen. Alleen daarvoor al zou een mens graag terruggrijpen naar “Loved Wild Lost”…

Nicki Bluhm & The Gramblers

 

MARTIN HARLEY & DANIEL KIMBRO “Live At Southern Ground” (Del Mundo Records)

(4****)

Het verhaal achter deze plaat is er eentje dat zich redelijk vlotjes laat vertellen. De titel zegt in dit geval immers veel. Het geheel werd daadwerkelijk live ingeblikt in de Southern Ground in Nashville. Alleen is dat natuurlijk wel een opnamestudio. Live staat in dit geval dus voor live off the floor. Gewoon Martin Harley en z’n buddy Daniel Kimbro samen in de studio. En dat maar minimaal bewapend. Voor Martin volstonden een akoestische gitaar en z’n Weissenborn. Kimbro deed het op de staande bas.

Niks gekunstelds hier dus. Akoestische blues- en rootsmuziek in haar puurste vorm is waar het allemaal om draait. The naked truth. Zeven eigen nummers van Harley en covers van respectievelijk de traditional “Goodnight Irene”, “Chocolate Jesus” van Tom Waits en Blind Willie Johnsons klassieker “Nobody’s Fault But Mine”. En helemaal aan het einde, als je al even denkt dat het gedaan is, ook nog een fijne hidden bonus track.

Het begeleidende schrijven heeft het over British Americana en wie zijn wij dan om dat tegen te spreken, he? Wij onthouden hiervan vooral een mooie, bijzonder expressieve stem, met ongemeen veel gevoel betokkelde snaren, fraai samenspel en een handvol echt wel ijzersterke composities. En misschien ook nog, dat binnen die Britse Americana ruimte blijkt voor zo ongeveer alles wat bruikbaar is tussen delta blues en gypsy swing.

Om het allemaal maar eens met de gevleugelde woorden van mijn zoontje te beoordelen: dikke duim!

Martin Harley

 

DENNIS ELLSWORTH “Romantic As It Gets” (Busted Flat Records)

(4****)

“Romantic As It Gets”… Met zo’n titel moet je hier ten huize echt wel heel goed opletten… Voor je het goed en wel weet ben je met dat onderwerp onze aandacht immers gelijk weer helemaal kwijt. Vanwege al veel te veel mee om de oren geslagen, weet u wel.

Maar de Canadees Dennis Ellsworth verdient onze aandacht natuurlijk wel. Zelfs als gaat het bij hem dan ook vaak over de liefde. Dat bewees de fijne songsmid al uitgebreid op z’n door de je ongetwijfeld ook van The Skydiggers bekende Josh Finlayson geproduceerde vorige “Hazy Sunshine”. Een plaat, waarmee hij met name in eigen land volkomen terecht zo menig een prestigieuze award in de wacht wist te slepen. En – Eerlijk is eerlijk! – het zou ons ten zeerste verbazen mocht dat ook met de onder de auspiciën van de gerenommeerde David Barbe ingeblikte opvolger daarvan weer niet het geval gaan blijken.

Met omfloerste stem mikt Ellsworth op die plaat bijna plagerig een tiental pijlen richting Amor. En vaardig alle gangbare clichés dienaangaande omzeilend scoort hij daarbij voltreffer na voltreffer. The man’s got a way with words… Zoveel is wel duidelijk! Een echte poëet is het. Een ware meester in het treffend verwoorden en verklanken van gevoelens.

Het resultaat? Een weldadig warm aanvoelend, quasi tijdloos geheel op het kruispunt tussen (roots) pop en rock, folk en Americana. Buitengewoon fraai verpakte eloquentie. En als dusdanig van hieruit uiteraard ook bijzonder warm aanbevolen.

Dennis Ellsworth

 

JEREMIAH TALL “Waking” (Randm Records)

(4****)

Ik had nog nooit van ‘m gehoord, van deze Jeremiah Tall. En compleet onbevangen liet ik hem dan ook aan zijn eerste rondje beginnen. Al snel gevolgd door een tweede, een derde, een vierde, enz. U begrijpt, ik had het inderdaad vrij vlot te pakken voor Tall, een one-man band uit Bucks County, Pennsylvania.

Daarbij slechts gewapend met een mondharmonica, een akoestische gitaar, een banjo en een zelf beschilderde, tot kick drum omgebouwde koffer strooit Tall op z’n debuut iets meer dan tweeëntwintig minuten lang met uitermate sympathiek weghappende folk & roots rock in het rond. Uitsluitend eigen nummers. Nummers, volop profiterend van de eigen schuurpapieren voordracht. Nummers als de heerlijk rammelende, wel heel erg toepasselijk getitelde train song “Train”, de old-timey folk rocker “Where I Am”, het over een hypnotische beat heen verhalende “Revelation (The Final Book)”, de fijne banjogestuurde Americana-deun “Penn’s Wood”, de überhaupt wat eng aandoende story song “The Devil + Daved” en andere.

Aanbevolen aan al wie houdt van acts als Scott H. Biram, Joe Fournier, Seasick Steve, Bob Wayne en aanverwanten.

Jeremiah Tall, Randmrecords, NoiseTrade, Bandcamp

 

BJ’S WILD VERBAND “Later” (Continental Record Services)

(4,5*****)

Toen Bart-Jan “BJ” Baartmans in 2005 met “Verpand” voor het eerst in het Nederlands ging, droeg hij daarmee meteen al onze volmondige goedkeuring weg. En wij gunden hem het succes dat met die zet ongetwijfeld snel zou gaan volgen ook van ganser harte. ’s Mans teksten waren er immers vol op. En met z’n best wel wat aan die van wijlen Bram Vermeulen herinnerende stem had hij ons inziens ook de ideale koevoet binnen handbereik om met gemak de deur van zo menig een cultureel centrum te forceren. En dan hadden we het nog niet eens over zijn aanzienlijke kwaliteiten als muzikant…

Maar die doorbraak op wat grotere schaal kwam er zelfs met een reeks van zes opeenvolgende prachtalbums niet. In Vlaanderen alleszins niet. En dus gooide Baartmans het onlangs over een andere boeg. Met toetsenist Mike Roelofs en drummer Sjoerd van Bommel nam hij onder de vlag BJ’s Wild Verband een enigszins anders album op. In het Nederlands, maar ook in het Engels. Wie het album in één van beide talen koopt, kan op eenvoudig verzoek per e-mail een gratis download van de versie in de andere aanvragen.

Maar goed, een “enigszins anders album” dus. Dat veel meer dan elk van z’n voorgangers klinkt als een band effort, een groepsprestatie met andere woorden. Iets wat alleen maar kon omdat Baartmans enerzijds z’n nummers bij het schrijven ervan al een weinig in die richting stuwde en anderzijds bij het inblikken ervan voldoende ruimte durfde te laten aan z’n maats. Het spontane van die werkwijze hoor je op “Later” nadrukkelijk terug. Hier werd met ongelooflijk veel plezier gemusiceerd, dat is wel duidelijk. En de drie halen zo ook continu het beste uit elkaar tevoorschijn.

Met Baartmans vanzelfsprekend nog wel als centrale figuur worden de grenzen tussen genres als pop, rock, Americana, soul, blues en jazz hier voortdurend opgeblazen. Het heeft eigenlijk allemaal wel iets van één lang uitgesponnen jam. Dat leidt bij momenten de aandacht weliswaar wat af van de als immer onwaarschijnlijk knappe teksten van BJ, maar dat mag de pret absoluut niet drukken. Opnieuw gun je de beste man en zijn reisgenoten alle mogelijke succes van de wereld.

Enkele luistertips van onzentwege: het op buitengewoon subtiele wijze aan wijlen soulheld Marvin Gaye refererende “Er Speelt Zoveel”, het al even knap met het eigen ouder worden omspringende “Later” en de werkelijk bloedmooie trage “Niets Voor Mij”, waarin een ooit succesvolle, maar ondertussen “in het slop” geraakte medemens met de nodige moeite in het reine tracht te komen met zichzelf.

BJ Baartmans, CRS

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home