CD-recensies december 2016

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” - VOODOO SWING “To You, My Friend” - DOWN HARRISON “Down Harrison” - JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” - RICHARD LINDGREN “Malmostoso” - THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” - JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” - GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” - UB40 FEATURING ALI, ASTRO & MICKEY “Unplugged” + “UB40’s Greatest Hits” - JOHN CEE STANNARD “It’s Christmas Time” - JEFF BOORTZ “Half The Time” - LITTLE HOOK “Little Hook” - C. DANIEL BOLING “These Houses” - DALE WATSON “Under The Influence” - CS NIELSEN “Jericho Road” - PETE SINJIN “The Heart And The Compass” - JESSE DAYTON “The Revealer” - HICKORY SIGNALS “Noise Of The Waters” - LITTLE STEVE & THE BIG BEAT “Another Man” - JACK TEMPCHIN “One More Song” - ANDREA TERRANO “Innamorata” - BAND OF FRIENDS “Repeat After Me” - DOUGLAS GREER “Baja Louisiana” - M. LOCKWOOD PORTER “How To Dream Again” - JEREMY & THE HARLEQUINS “Into The Night” - JD FOX & THE VELVET STREET BAND “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” - ANY VEGETABLE “Veg Out!” - PARSONSFIELD “Blooming Through The Black” - IMPERIAL CROWNS “The Calling” - THISELL “II” - AARON LEE TASJAN “Silver Tears” - SOUTHERN CULTURE ON THE SKIDS “The Electric Pinecones” - HARPETH RISING “Shifted” - WATER AND SAND “Water And Sand” - CHRISTIAN KJELLVANDER “A Village: Natural Light” - US RAILS “Ivy” - COLIN JAMES “Blue Highways” - LYNNE HANSON & THE GOOD INTENTIONS “7 Deadly Spins” - OTIS GIBBS “Mount Renraw” - STACKHOUSE “Tailgatin’” - GEORGIA RUTH “Fossil Scale” - KING OF THE WORLD “Cincinatti” - SESSION AMERICANA WITH JEFFERSON HAMER “Great Shakes” - RANDY NEWMAN “The Randy Newman Songbook Vol. 3” - MARTHA FIELDS “Southern White Lies” - THE GENTLE GOOD “Ruins/Adfeilion” - JAMES LEG “Blood On The Keys” - TREVOR ALGUIRE “Perish In The Light” - NICK WATERHOUSE “Never Twice” - THE O’S “Honeycomb” - ROBERT BOBBY “Robert Bobby Goes Electric” - THE INFAMOUS ROOTS RIELEMANS FAMILY ORCHESTRA “Time Of The Day” - ANTHONY D’AMATO “Cold Snap” - LEFT LANE CRUISER “Beck In Black” - RODNEY PARKER & 50 PESO REWARD “Bomber Heights” - SHOVELS AND ROPE “Little Seeds” - RANDALL BRAMBLETT “Devil Music” - LIBBY KOCH “Just Move On” - JENNY BERKEL “Pale Moon Kid” - JOSEPH PARSONS “The Field The Forest” - DYNAMITE BLUES BAND “Kill Me With Your Love” - JON BODEN “Painted Lady” - NICK MOSS BAND “From The Root To The Fruit” - MATT HARLAN & RACHEL JONES “In The Dark” - ANNA ELIZABETH LAUBE “Tree” - TINSLEY ELLIS “Red Clay Soul” - PHIL BEE’S FREEDOM “Memphis Moon” - SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Ghost Of A Small Town” - FREAKWATER “Scheherazade” - WILLIAM HARRIES GRAHAM “Foreign Fields” - CLAIRE LYNCH “North By South” - THE GOOD FOR NOTHIN’ BAND “Maniac World” - TIM EASTON “American Fork” - RICHARD SHINDELL “Careless” - SARA WATKINS “Young In All The Wrong Ways” - STEPHEN SIMMONS “A World Without” - KAURNA CRONIN “Southern Loss”

 

COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” (Country Lips)

(3,5****)

Eindelijk nog eens een plaat die de dezer dagen steeds vaker ten onrechte ten tonele gevoerde omschrijving alternative country ook daadwerkelijk verdient. Gesigneerd Country Lips. Een uit de heren Austin “Sheriff” Jacobsen (bas), Trevor Pendras (elektrische gitaar en zang), Miles Burnett (drums en zang), Hamilton Boyce (elektrische gitaar en zang), Alex Leake (akoestische gitaar en zang), Jonah Byrne (fiddle), Kenny Aramaki (keys) en Gus Clark (accordeon en mandoline) bestaand achtmanschap uit Seattle, dat met “Till The Daylight Comes” op ongemeen aanstekelijke wijze Johnny Cashke, George Joneske, Johnny Paycheckske en Merle Haggardje speelt. Dat alles wat goed was in het verleden ongegeneerd eigenzinnig vertaalt naar het hier en nu. Met vaak onwaarschijnlijke resultaten. Zo waaien doorheen “Reason I’m Drinking”, om maar iets te zeggen, bijvoorbeeld totaal onverwacht zelfs wat heuse skatonen voorbij.

Dertien heerlijk rammelende songkleinoden staan er in totaal op “Till The Daylight Comes”. Gaande van klassiek gestijlde slepers tot wat heviger spul waarvoor gelijkgezinde Amerikanen graag termen als raucous of rowdy uit de kast mogen halen. Van typisch barverdriet tot voer voor lekker wilde feestjes dus. Deed ons op de één of andere manier best wel wat denken aan een ander favorietje van weleer, het onvolprezen Accident Clearinghouse met name. Als u van dat fijne bandje hield, dan is de kans ons inziens vrij groot, dat u ook hiervoor gewillig overstag zal gaan.

Try it, you’ll like it!

Country Lips

 

VOODOO SWING “To You, My Friend” (Chromodyne)

(4****)

Shorty Kreutz (gitaren en zang), Tommy Collins (bas en zang) en Walter Spano (drums) pakken op hun ondertussen toch ook alweer achtste album samen uit met een heus songelftal aan goede redenen om hen weer wat steviger aan de borst te drukken. Als het er op aankomt om rock & roll en rockabilly op een ertoe doende manier naar het hier en nu te vertalen dan staan de heren echt wel op de eerste rij. Aan niet zo hoog met vakjesgrenzen oplopende creativiteit alvast absoluut geen gebrek hier! Het maakt van “To You, My Friend” een waar roots-totaalpakketje.

Afgetrapt wordt er met het hypernerveuze “You Ain’t Doin’ Me Right”. Vervolgens gaat het richting het sympathiek hortende en stotende en met flink wat blues en soul gekruide “You’re Gonna Miss Me One Day”. De rootsy stomper “So Fine” valt daarna meteen op door het wat aparte gebruik van keys erin. En “’Murica” is in het zog daarvan redelijk klassieke ‘billy met een buitengewoon lekker basmotiefje als naar ons gevoel voornaamste surplus.

“The Rambler” is dan recht-toe-recht-aan roots rock, “Too Much Drinkin’” doet iets fijns met trad country, titelnummer “To You, My Friend” leunt weer even nadrukkelijk aan bij het muzikale verleden van de drie en “Don’t Tell Me That You Love Me” durft het zelfs aan om van bil te gaan met bluegrass. Resten er ons dan nog: de wervelende instrumental “Chokin’ The Chicken”, het jazzy, met de verrukkelijke Holly Pyle van House Of Stairs in onvervalste jaren ’20 retrostijl neergelegde “If Hell Has A Place For Me” en het afsluitende, duidelijk door Led Zeppelin geïnspireerde “Fadin’ Away”.

Voor de wat ons betreft buitengewoon geslaagde productie van “To You, My Friend” tekende Olivier Zahm.

Voodoo Swing

 

DOWN HARRISON “Down Harrison” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het voorliggende “Down Harrison” blijkt bij nader inzicht niks minder dan een echte singer-songwriterplaat. Maar dan wel eentje gebracht door een groep. Alles draait om de jarenlang op de plank liggen gebleven liedjes van zanger-songsmid Jesper Willaume met wie bassist Tommy Cassemar en drummer Pelle Alsing al eens eerder samenwerkten voor het album “This Year The Summer Will Be Long”. Nadat die eersteling van ‘m door omstandigheden niet werd uitgebracht trok Willaume zich uit het muziekwereldje terug. Zijn toekomst lag vanaf dat moment in het restaurantwezen.

Nu, goed en wel vijftien jaar later, ligt er met het titelloze debuut van de groep Down Harrison plots wel iets van die Willaume in de winkel. Samen met het al genoemde tweetal, gitarist-toetsenist Micke Wedberg en gast Olaf Gustafsson (op gitaar en pedal steel) knalt hij daarop doorheen tien knappe eigen liedjes. Door de band genomen aardig intelligent uit de hoek komend spul met een redelijk hoge aaibaarheidsfactor. Nadrukkelijk bestemd voor veelvuldig radiogebruik. Met het nodige pop- en rockbloed in de aderen. Maar ook met een zekere hang naar meer rootsy oorden. Zoals bijvoorbeeld ook Crowded House en Chris Isaak die ooit hadden, al resulteert dat hier toch in iets totaal anders.

Als mooiste nummers van het lot onthielden wij na enkele draaibeurten het behoorlijk melancholische, op uitermate fijn elektrisch gitaarwerk drijvende “Everyone’s To Blame”, het bedaarde, überhaupt wat retro aandoende “Hell’s Cold” en titelnummer “Down Harrison”.

Down Harrison

 

JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” (Black Hen Music)

(4****)

Voor iemand met een staat van dienst als de hare is Jenny Whiteley eigenlijk altijd relatief onbekend gebleven in Europese rootskringen. En u weet hoe dat gaat, onbekend maakt onbemind. Vandaar van hieruit nog maar eens een poging om de Canadese aan wat meer naambekendheid te helpen, want geloof ons vrij, die verdient ze echt wel ten volle. Overtuig u daarvan vooral zelf door haar vier vorige platen even op te snorren. Van haar inmiddels nog maar moeilijk verkrijgbare titelloze debuut uit 2000 over het drie jaar later verschenen “Hopetown” en het magistrale “Dear” uit 2006 tot “Forgive And Forget” uit 2009, het zijn echt stuk voor stuk ijzersterke gehelen. Albums, waarmee ze in eigen land onder meer al vergelijkingen met groten der aarde als een Emmylou Harris en een Lucinda Williams wist te oogsten. That good? That good indeed!

En dat onderstreept ze ook met haar nieuwe worp “The Original Jenny Whiteley” weer. Da’s bij nader inzicht een soort van eerbetoon aan haar eigen muzikale afkomst geworden. Aan de haar jonge jaren zo ongeveer volledig beheerst hebbende folk, blues, bluegrass, jug band en old-time country. Aan roots music tout court. Op het menu derhalve ook heel wat naar haar jeugd terugharkend spul. Liedjes die ze toen al aanleerde tijdens optredens met familiebandjes als The Original Sloth Band en de Junior Jug Band, maar ook andere pas veel later op haar repertoire opgedoken traditionals en zelfs wat in dezelfde trant geschreven originelen.

Zonder uitzondering smaakvolle covers zijn er zo van Chris Coole’s “100 Dollars”, van de traditionals “In The Pines”, “Groundhog” en “Things Are Coming My Way”, van Bob Dylans versie van “Oxford Town”, van Uncle Dave Macons “Morning Blues”, van Will Shade’s “Stealin’, Stealin’” en van Mike Herrons “Log Cabin Home In The Sky”.

En tot de categorie der originals behoren de sprankelende old-time bluegrass van het door Whiteley samen met haar wederhelft Joey Wright gepende en op de keper beschouwd echt wel van een veelzeggende titel voorziene “Banjo Girl”, het heerlijk moody, de zangeres in onvervalste slow jug band style in het Frans opvoerende “Malade” en ten slotte ook “Higher Learning”, naar eigen zeggen een ode aan haar eigen jazz- en old-time-helden van weleer.

Voor de productie van “The Original Jenny Whiteley” tekende de ook verder zowat alomtegenwoordige Sam Allison. Ook voor hem een dikke pluim!

Jenny Whiteley

 

RICHARD LINDGREN “Malmostoso” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Al op zijn vorige album “Sundown On A Lemon Tree” waren heel duidelijk sporen van tijdens een recente tournee doorheen Italië aangeknoopte vriendschappen te bekennen en het hoeft ons inziens dan ook niet echt te verwonderen, dat Richard Lindgren op z’n nieuwe plaat z’n hart helemaal aan dat land verloren lijkt te hebben. Zo verwijst de titel ervan bijvoorbeeld al niet meer naar z’n Zweedse thuishaven Malmö, maar is het een verklanking van, een vertaling naar het Italiaans van het doorgaans eerder verdrietige, mistroostige sfeertje dat er over de plaat hangt.

Lindgren nam zijn tiende studioplaat op in Pavia. En hij deed daarbij ook uitsluitend een beroep op lokale muzikanten. Onder hen onder meer toetsenist Riccardo Maccabruni, met wie hij ook het nummer “St Vincent’s Blues” schreef. Diezelfde Maccabruni tekende overigens samen met Simone Giorgi en Charley Goodride ook voor de productie van “Malmostoso”.

Op dat album valt er naar goede Lindgren-gewoonte weer aardig wat te genieten. Na gehelen als het hier hoger al genoemde “Sundown On A Lemon Tree”, “Postcards From Elsewhere”, “A Man You Can Hate”, “Grace” en andere hoeven we je allicht al lang niet meer te overtuigen van ’s mans capaciteiten als songsmid. Met zijn uitzonderlijk warme hese stem – Think Steve Forbert! – weet hij hier alvast steeds weer de juiste snaar te betokkelen. En met name als het gaan om het songgewijs vereeuwigen van gevoelens vloert hij ons keer op keer opnieuw. Hoe uiteenlopend van aard dan ook.

Onze ook nu weer compleet onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Dunce’s Cap”, het bluesy “Evil Love” en de intimistische akoestische ballad “Bluesy Moss”.

Richard Lindgren

 

THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Gelijk al vanaf het eerste moment waarop Jack Torrey en Page Burkum in “Stoplight Kisses” samen aan het zingen gaan kan je er hoegenaamd niet omheen: veel dichter kan je het geluid van de legendarische Everly Brothers in hun hoogdagen nauwelijks benaderen. Heerlijk gewoon, hoe de twee hier vervolgens nog ruim een half uur langer ongegeneerd lang vervlogen tijden blijven evoceren. En dat dan ook nog eens uitsluitend met eigen materiaal! Je houdt het amper voor mogelijk!

Van de heerlijk melancholisch uitgevallen ballad “You’re Dreaming” of het uit zo ongeveer hetzelfde materiaal opgetrokken “Queen Of Them All” over het sympathiek een aardig eindje wegrockende “Clown Collector”, het zomers lijzig neergelegde “Mississippi” en de mooie trage “Powder Blue” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, en passant met een royale snuif manouche gekruide “Change Your Ways Or Die”, de typische Everly country van “If I Can’t Win”, de al even nadrukkelijk aan Don en Phil refererende rocker “No More Crying The Blues”, het ingetogen “Adios Maria” en het afsluitende “Traveler’s Paradise”, werkelijk alles is hier even mooi. Dat zoiets anno 2016 nog kan… Incroyable!

Voor de productie van het van hieruit bij deze bijzonder warm aanbevolen “You’re Dreaming” werd een beroep gedaan op huisfavorietje JD McPherson.

The Cactus Blossoms

 

JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Jonah Tolchin toog voor de opnames van z’n nieuwe album “Thousand Mile Night” naar de legendarische FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama. Daar, in het geboorteoord van zo menig een Southern soul classic, blikte hij onder de productionele auspiciën van veelkunner Marvin Etzioni zijn wat ons betreft sterkste plaat tot op heden in. Een tien songs rijke tour de force, die je als liefhebber van rootsy singer-songwriterspul in geen tijd op het puntje van je stoel heeft.

Van ingetogen soulvol spul genre openingsnummer “Beauty In The Ugliest Of Days” over groovy ingehouden Southern roots rock met bluesinslag à la het titelnummer tot een simpele countrydeun als “I Wonder”, van een intimistische folkpoptrage als het door gast Sam Amidon vakkundig met wat fiddle en banjo besprenkelde “Completely”, het daar op z’n minst gevoelsmatig perfect bij aansluitende tweetal “Paint My Love” en “Song About Home”, het ergens op de dunne grens tussen folk en alternatieve country gedijende “Unless You Got Faith” – een ronduit heerlijk pleidooi voor durven af te gaan op je geloof – tot het gitzwarte, ons op de één of andere manier een weinig aan Tom Waits herinnerende “Where The Hell Are My Friends”, de z’n titel quasi terloops volkomen getrouw blijvende bluesy rocker “Working Man Blues #22” of de niets minder dan spraakmakende afsluitende Skip James-cover “Hard Time Killing Floor Blues”, Tolchin dwingt je zo goed als voortdurend mee in zijn verhaal.

Echt wel behoorlijk straffe kost allemaal!

Jonah Tolchin

 

GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” (Acony Records / V2)

(5*****)

Ondertussen precies twintig jaar geleden deed Gillian Welch voor het eerst van zich spreken met het magistrale “Revival”. Voor de zangeres zelf alvast aanleiding genoeg om even achterom te kijken. En dat doet ze met het onder supervisie van haarzelf en partner in crime Dave Rawlings ontstane “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg”. Het betreft daarbij een eenentwintig songeenheden tellende terugblik die volop durft af te wijken van de geijkte paden. We krijgen hier immers voor één keer niet het originele album aangevuld met wat vlug bij elkaar geharkte outtakes, maar een volledig uit niet eerder verschenen materiaal bestaand geheel.

Op “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” prijken zo naast uiteindelijk uit de boot gevallen dingen als “Go On Downtown”, “Red Clay Halo”, “Georgia Road”, “I Don’t Want To Go Downtown”, “455 Rocket”, “Wichita”, “Riverboat Song” en “Old Time Religion” ook nog een hele reeks alternate versions & mixes (“Orphan Girl”, “Annabelle”, “Pass You By”, “By The Mark”, “Only One And Only”, “One More Dollar” en “Paper Wings”) , demo’s (“Paper Wings”, “Tear My Stillhouse Down”, “Orphan Girl”, “Dry Town” en “Acony Bell”) en een enkele live-radio-opname (“Barroom Girls”). Stuk voor stuk opnames die meer inzicht verschaffen in het ongetwijfeld erg boeiende ontstaansproces van wat ons betreft nog steeds één van de allerbelangrijkste Americana-platen überhaupt.

Een waar voorbeeld als dusdanig voor allen die het overwegen om in de toekomst nog eens op één van hun platen terug te kijken! Zó en niet anders doe je dat dus! Dat nummer twee snel volgen moge!

Gillian Welch

 

UB40 FEATURING ALI, ASTRO & MICKEY “Unplugged” + “UB40’s Greatest Hits” (UMC)

(4****)

Nooit gedacht, dat ik hier op Ctrl. Alt. Country ooit nog eens aandacht aan zou gaan besteden… Maar zie hier! De nieuwe van UB40! Noem het gerust maar één van m’n eigen guilty pleasures. Indertijd in de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig ongelooflijk veel plezier aan beleefd, aan het materiaal van Birminghams fijnsten. En dus vond ik het ook geweldig nieuws toen ik drie jaar geleden vernam, dat zanger Ali Campbell, tweede stem Terence “Astro” Wilson en toetsenist Michael “Mickey” Virtue elkaar na jaren van scheiding elkaar terug in de armen waren gevallen. Met als eerste resultaat indertijd het album “Silhouette” en nu dus “Unplugged”.

Op dat veelzeggend getitelde geheel doen Campbell en co het inderdaad met akoestische versies van hun oude hits. Met als meest in het oog springende tracks ontegensprekelijk het door Campbell voor de gelegenheid niet met de wat ons betreft volstrekt onnavolgbare Chrissie Hynde van de Pretenders maar in duet met z’n eigen tweeëntwintigjarige dochter Kaya gebrachte “I Got You Babe”, het met de eveneens vanuit Birmingham actieve Pato Banton gedeelde “Baby Come Back” en de Prince-cover “Purple Rain”. Al zijn ook de nieuwe stripped down-versies van “Kingston Town”, “Red Red Wine”, “Many Rivers To Cross”, “(I Can’t Help) Falling In Love With You”, “One In Ten”, “Homely Girl”, “Please Don’t Make Me Cry”, “Food For Thought”, “Cherry Oh Baby”, “Rat In Mi Kitchen”, “Tyler” en zo zeker niet te versmaden.

Als bonus krijgen we op een tweede schijfje ook nog de originelen van veel van de hier vertolkte nummers: de twintig grootste hits van UB40 verzameld op een kluitje. Ideaal spul voor binnenkort onder de kerstboom, als u het ons vraagt!

UB40

 

JOHN CEE STANNARD “It’s Christmas Time” (CastIron Recordings)

(3,5****)

It’s that time of the year again… De boom en het stalletje mogen stilaan weer worden opgediept, de wenskaarten alvast maar geprepareerd, vuurwerk voor alle zekerheid ook al maar besteld. En er moet natuurlijk hoogdringend ook alweer over geschenken en eindejaarsmenu’s nagedacht worden. Dat hoort nu eenmaal allemaal zo. En precies daar houden wij dus niet van, zie. Dat alles in die laatste dagen van het jaar plots lijkt te moeten. Ook in de muziekindustrie. Daar lijkt het er hoe langer hoe meer op, dat je er niet echt bij hoort als je niet minstens één keer in je leven een kerstplaat hebt ingeblikt. En al zeker in de States. Daar is het inmiddels zo goed als een verplichting.

Veel meligheid dus binnenkort ongetwijfeld weer op de radio. En ook zo in onze brievenbus allicht. De eersten die het dit jaar zo ver brachten zijn de Brit John Cee Stannard en zijn maatjes van Blues Horizon. Zij confronteren ons op de vijf songeenheden tellende EP “It’s Christmas Time” nadrukkelijk met de vraag “Who says you can’t play the blues at Christmas?”. Ja, wie eigenlijk? Van hieruit zullen ze alvast geen negatief antwoord oogsten. Bedaard swingend zoals in het van heerlijk smoelschuifwerk voorziene “Christmas On My Own”, lekker laid-back groovend zoals in het titelnummer, ingetogen stoeiend met het bij BK Turner geleende “Beggin’ Santa Clause” en net niet helemaal loos gaand in een voor de gelegenheid tot “Let Me Go Home – It’s Christmas” omgedoopt “Let Me Go Home, Whiskey”, je ongetwijfeld ook wel bekend in de geweldige eerdere uitvoering van Amos Milburn, zó wordt Kerstmis verdorie nog echt fun! Enkel de afsluitende ballad “Winter Love” hadden Stannard en co wat ons betreft echt wel achterwege mogen laten. Hadden we hen heus niet kwalijk genomen…

Desondanks nu al een dikke merci aan het adres van bluesmens Stannard en de zijnen. Onze (muzikale) eindejaarsdagen hebben ze hiermee immers alvast een heel klein beetje gered.

John Cee Stannard

 

JEFF BOORTZ “Half The Time” (Jeff Boortz Music)

(3,5****)

Jeff Boortz is een ons tot voor kort volslagen onbekende singer-songwriter uit Houston, TX. Met “Half The Time” blijkt hij nochtans al aan z’n derde cd toe. En afgaande op de kwaliteit van dat tien songeenheden tellende geheel hebben we met de beide voorgangers ervan wel degelijk wat gemist.

Voor de opnames van “Half The Time” toog Boortz naar Nashville. Naar The Rendering Plant meer bepaald. Daar werkte hij samen met een heus elitegroepje aan muzikanten. Gitarist John Jackson kent u bijvoorbeeld van zijn werk voor onder anderen Lucinda Williams en Bob Dylan, Ken Coomer uiteraard als drummer van Wilco, Fats Kaplin als een fenomeen op fiddle en pedal steel en drummer-percussionist Marco Giovino onder meer van Robert Plants Band Of Joy. Bepaald niet de eersten de besten dus! En dat vertaalt zich uiteraard ook naar de manier waarop Boortz hier z’n materiaal aan de man gebracht krijgt.

Vrijwel voortdurend handig heen en weer laverend tussen Americana en roots rock laat hij hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om nieuwe vrienden te maken. Gelijk van bij het als een dronkeman over het slappe koord tussen die beide genres waggelende titelnummer heeft hij je als liefhebber bij de les. En daar houdt hij je bijna achtendertig minuten lang ook. Zoals met het wulpse, door Kaplin fiddlegewijs van de nodige zuiderse flair bediende “Wanna Spend Money On A Girl”, de knappe melodieuze countryrocker “Travis County Line”, het swampy “Stay Love” of de soulvol-broeierige trage “Take Back What You Said”. Dat laatste en het er meteen op volgende, lekker vinnig rockende “Driving With The Headlights Off Again” en in het kielzog daarvan ook story song “Baton Rouge” zijn wat ons betreft de sterkste momenten van een geheel vol daarmee. Ook het afsluitende trio bestaande uit “Hey Passion” (licht bluegrassgetinte meezing-Americana), “Silver Lining” (enigszins Dylan-esk aandoende, alternatieve mijmercountry) en “Since You’re Gone” (bedaarde roots rock) valt immers bepaald niet uit de toon.

Al bij al gewoon een erg sterke plaat van een artiest die het absoluut verdient om gehoord te worden. Ook hier!

Jeff Boortz, CD Baby

 

LITTLE HOOK “Little Hook” (Naked / Donor Productions / Bertus)

(4****)

Zanger-gitarist Renaud Lesire behoeft hier allicht geen introductie meer. Hij speelde de voorbije jaren immers met heel wat schoon bluesvolk samen. Van Candye Kane en James Harman over Rusty Zinn, Junior Watson en Keith Dunn tot Kyle Jester, Gene Taylor en Johnny Sansone. Nu is er echter de nieuwe groep van Lesire, kortweg Little Hook. En dat blijkt een teamverband met de je onder meer van de Electric Kings en de Elmore D. Band bekende harmonicavirtuoos Big Dave Reniers, de zijn sporen onder andere al in Last Call verdiend hebbende drummer-percussionist Steve Wouters en bassist-gitarist Bart Mulders.

Zij doen het op de titelloze debuutplaat van Little Hook met tien eigen nummers. Negen van de hand van kopstuk Lesire, eentje door diezelfde Lesire gedeeld met Big Dave. En het gaat daarbij door de band genomen over behoorlijk groovy spul, waarin vrijwel voortdurend ontzettend veel blijkt te kunnen. Dit rockt, dit swingt, dit funkt, dit groovet! Kortom: dit pakt!

Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de wel van een heel toepasselijke titel voorziene Hill country blues beauty “Hillburner”, het stomende “Tell Me Baby”, de ongegeneerd wat naar Canned Heat-territorium overhellende Lesire-Reniers-co-write “Hooked”, de sfeervolle instrumental “Weedpicker” of het op bezwerende wijze voorwaar zelfs even met het Franse chansongenre flirtende “Mourir Debout” en andere, wedden dat je geen twee draaibeurten nodig zal hebben om compleet verkocht te zijn? Het tegendeel daarvan zou ons alvast flink verbazen…

Little Hook

 

C. DANIEL BOLING “These Houses” (Berkalin Records)

(3,5****)

C. Daniel Boling is wat je noemt een ware laatbloeier. Pas op zijn vijftigste ging de beste man met zijn liedjes de hort op en dat al vrij snel met het nodige succes ook. Zo was hij bijvoorbeeld twee jaar geleden nog de laureaat van de gerenommeerde Kerrville New Folk songsmidcompetitie. En ook zijn inmiddels zeven albums genieten in kennerskringen het nodige aanzien.

Met als zijn voornaamste bondgenoten z’n ongemeen warme tenorstem en z’n eigen eveneens zeer herkenbare stijl van gitaarspelen toont hij ook op z’n door Jono Manson geproduceerde nieuwe weer ruim driekwartier lang waarom. In navolging van tal van groten der aarde als bijvoorbeeld een Steve Goodman, een James Taylor en een Pete Seeger vertelt Boling verhalen over de meest uiteenlopende karakters en feiten. Niet zelden ook over zichzelf en z’n eigen naasten. Daarnaast gaat hij op “These Houses” in enkele liedjes ook nadrukkelijk in op de hem door een aantal oorlogsveteranen vertelde verhalen. Dat is met name zo in het fraaie duo “I Brought The War With Me” en “Crumble”. Met vooral dat eerste wat ons betreft als een waar hoogstandje, opgetrokken als het is rond de veelzeggende woorden “I never faced battle completely alone, till I brought the war with me when I came back home.”

Nog zo’n veritabele schoonheid van een liedje is “Mama’s Radio”. Daarin herinnert Boling zich één van zijn eigen verjaardagen als kind. Zijn moeder, die wist dat ze hem uit louter armoede die bewuste dag geen geschenk zou kunnen geven, had dan maar een gedicht voor ‘m geschreven, waarmee ze ook deelnamen aan een door een lokaal radiostation uitgeschreven poëziewedstrijd. En u raadt het al: ze wonnen de wedstrijd en hielden er naast een leuke prijs ook een erg mooie herinnering aan over. Een warme herinnering, die Boling nu naast vele andere songgewijs met ons deelt. Ons deed het qua stijl van vertellen vaak een beetje denken aan het recentere materiaal van de Duitse troubadour Reinhard Mey. Net als deze laatste slaagt ook Boling er terugkijkend op z’n eigen bestaan met sprekend gemak in om bij zijn luisteraars de juiste snaar te raken. Veel van wat hij vertelt klinkt nu eenmaal erg herkenbaar.

C. Daniel Boling

 

DALE WATSON “Under The Influence” (Dale Watson / BFD / RED)

(4****)

Al bij al vrij snel na de live-cd “Live At The Big T Roadhouse: Chicken S#!+ Bingo Sunday” is er met “Under The Influence” alweer een nieuwe plaat van Dale Watson. Als naar goede gewoonte in het gezelschap van zijn voor de gelegenheid met Earl Poole Ball en T Jarod Bonta (beide op piano) aangevulde Lone Stars eert de Texaan daarmee naar eigen zeggen een aantal van zijn persoonlijke helden. Een aantal maar, want van overduidelijke invloeden op ’s mans stijl als Elvis en Ray Price staat er bijvoorbeeld al niets op “Under The Influence”.

Wie covert hij hier dan wel allemaal? Wel, dat is om te beginnen Conway Twitty, van wie hij de trage “Lonely Blue Boy” ten gehore brengt. Vervolgens leeft hij zich met brio in “You’re Humbuggin’ Me” van Lefty Frizzell in, leent hij “Lucille” nu eens niet bij Little Richard maar wel bij z’n idool Waylon Jennings, doet hij de ook al betreurde Buck Owens enkele minuten lang herleven met een overtuigende versie van diens “Made In Japan” en waant zich even Bob Wills in het heerlijk swingende “Here In Frisco”.

Next stop is Merle Haggard. Van The Hag brengt Watson met veel gevoel de ballad “Here In Frisco”. En dan zijn er ook nog ’s mans lezingen van “Pretty Red Wine” van Mel Tillis, “Pure Love” van Ronnie Milsap, “I Don’t Want To Go Home” van Doug Sahm, “Most Wanted Woman In Town” van Roy Head, “If You Want To Be My Woman” van opnieuw Merle Haggard en “Long Black Veil” van Johnny Cash. Nu ja, “van…”, eerder “opgenomen door…” natuurlijk.

Feit is, dat Watson met “Under The Influence” wederom garant staat voor ruim vijfendertig minuten kwaliteitscountry traditional style. En nu steeds meer van zijn helden er het bijltje bij gaan neerleggen, dringt hij zich hiermee naar ons gevoel dan ook weer wat nadrukkelijker op als één van hun erfgenamen. Als één van de weinigen die het in zich hebben om de vlam van het countrygenre brandende te houden. Real country, that is of course.

Dale Watson

 

CS NIELSEN “Jericho Road” (Songcrafter Music)

(5*****)

Als u dit jaar maar één plaat meer kopen zou, doet u zichzelf dan een groot plezier en laat het vooral deze zijn. U haalt er naar onze bescheiden mening één van de allerbeste albums van het lopende jaar mee binnen. Een Americana beauty in de waarste zin van het woord. Een geheel bulkend van de songs die weliswaar veel van je vergen als luisteraar, maar je ook enorm veel teruggeven. Materiaal met een tot op zekere hoogte literair karakter. Liedjes waarin er tussen de regels door bijna evenveel gebeurt als in de teksten zelf. Een weinig archaïsch van karakter misschien, maar precies dat draagt ons inziens bij tot de enorme zeggingskracht ervan. Alsof je je enkele ogenblikken lang op het kruispunt tussen Cash, Cave en Springsteen ten tijde van Nebraska lijkt te bevinden. Al zijn zeker ook Dylan, Lead Belly en the late great Hank Williams invloeden geweest.

De wanhoop sprekend uit de woorden van een soldaat in openingsnummer “Twentieth Century”, het gitzwarte Bijbelse karakter van titelnummer “Jericho Road”, de Hank meets Johnny murder song op ingehouden walstempo “The Misfit”, de grimmige old-time verleidingspoging “Frosty Morn”, de broeierige omineuze country storytelling van “Help Me In My Unbelief”, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Bepaald vrolijk word je van CS Nielsens liedjes niet, maar ze zijn echt zonder uitzondering verbluffend knap.

Met als absolute hoogtepunten wat ons betreft het viertal “You Can’t Escape”, “Snake Handler”, “Ethan Edwards (And Me)” en “Lullaby”. Het eerste een voor kippenvel garant staande terugblik op de ogenschijnlijk lang niet altijd even gemakkelijke relatie met z’n eigen vader, het tweede het relaas van een schijnbaar eindeloos aanslepende queeste naar vergiffenis, naar die ene, alles goedmakende blik in the eyes of mercy, het derde een aan het beeld van een afbrandende boerderij opgehangen streepje verhalende Americana over een bestaan compleet zonder hoop. En dan hadden we het nog niet over dat slaapliedje. Zelfs dat krijgt hier een aardig donker randje mee. Wat gebeurde er immers met de mama van het in het holst van de nacht door haar ouweheer toegezongen kind op de achterbank van de wagen?

CS Nielsen

 

PETE SINJIN “The Heart And The Compass” (Hootenanny Arts)

(3,5****)

Van de Amerikaan Pete Sinjin kende ik voorheen eigenlijk alleen het album “Better Angels Radio”. Met z’n zopas verschenen nieuwe “The Heart And The Compass” blijkt de beste man tot mijn grote verbazing echter al aan zijn vierde worp toe. En dus dringt een bescheiden inhaalbeweging zich op. “The Heart And The Compass” is immers opnieuw een erg mooie plaat geworden. Een soort van onbewuste ode aan de liefde. Geen kleffe bedoening, maar een bij momenten juist adembenemende verkenning van de brede waaier aan emoties hand in hand gaand met dat onderwerp. Met het eigen hart naar eigen zeggen als onontbeerlijk kompas.

Elf liedjes staan er in totaal op “The Heart And The Compass”. En met dat geheel nestelt Sinjin zich wat mij betreft comfortabel ergens in de slipstream van grote voorbeelden als een Rodney Crowell, een Ryan Bingham, een John Prine en een Townes Van Zandt. Met name het sterk evocatieve karakter van zijn liedjes blijkt daarbij een serieus pluspunt. En ook ’s mans melodieën scoorden op onze persoonlijke appreciatiemeter meteen erg hoog.

Liedjes als de met collega Michaella Anne gebrachte ballad “Stolen Afternoon, 1951”, het vrijwel meteen door de gezonde dosis witte soul erin opvallende “Can’t Be So”, het met Kira Smith gepende en aangenaam een eindje weg (country)rockende “Dirty Windshield”, het heerlijk swingende “Goodbye Knoxville”, de knappe trage “Desperate Kind Of Love” en andere nodigen al snel uit tot een bezoekje aan de repeat-toets van je cd-speler. Noem “The Heart And The Compass” daarom gerust maar een erg aangename verrassing.

Pete Sinjin

 

JESSE DAYTON “The Revealer” (Blue Elan Records)

(5*****)

Als we het allemaal een beetje goed bijgehouden hebben, dan is Jesse Dayton met “The Revealer” al aan zijn negende langspeler toe. Het begon allemaal in 1995 met het onvolprezen “Raisin’ Cain” en via het al even geweldige “Tall Texas Tales” (2000), “Hey Nashvegas” (2001), “Country Soul Brother” (2004), “South Austin Sessions” (2006), de met Brennen Leigh gedeelde duettenplaat “Holdin’ Our Own And Other Country Duets” (2007), “One For The Dance Halls” (2011) en ’s mans eerbetoon aan één van z’n eigen helden “Jesse Sings Kinky” (2012) belandden we uiteindelijk in het hier en nu. En dat op de keper beschouwd met één van Daytons beste platen überhaupt. Het door John Evans geproduceerde en met buitengewoon fraai artwork van Charlie Terrell opgewaardeerde “The Revealer” is wat je noemt een roots trip hors catégorie. Twaalf songs lang is het weer volop genieten geblazen!

En gelijk vanaf de aftrap al ook! Openingsnummer “Daddy Was A Badass” blijkt immers een overheerlijk groovy streepje outlaw country opgehangen aan een ijzersterke verhalende tekst, waarin de vader van de verteller na een aardig bewogen leven aan z’n einde komt door met z’n 1963 Pan Head Harley Davidson van een klif te rijden. Vervolgens vernemen we van Dayton in het wervelende, door Riley Osbourne pianogewijs flink aangejaagde “Holy Ghost Rock N Roller” waarom hij z’n ziel verloor aan des duivels muziek. Het flink wat bezadigder neergelegde en het eigen muzikantenbestaan bezingende “The Way We Are” strandt aansluitend daarop ergens dicht in het kielzog van wijlen countryicoon Waylon Jennings.

“Eatin’ Crow And Drinkin’ Sand” blijkt op zijn beurt een greasy lapje country rock, “Possum Ran Over My Grave” een knappe tip of the hat aan het adres van de grote George Jones, Mike Stinsons “Take Out The Trash” een ferme rootsrockende terugblik op een voorbije, maar duidelijk nog niet vergeten liefdesrelatie, “Mrs. Victoria (Beautiful Thing)” een countrybluesje gewijd aan het gewaardeerde zwarte hulpje ten huize van de ik-persoon en het werkelijk rete-aanstekelijke “3 Pecker Goat” laat rock & roll weer enkele minuten lang volop regeren.

Hebben we dan nog niet gehad: “Match Made In Heaven”, een klassiek countryduet met Brennen Leigh, het zalig swingende en volop van een woordspeling goed voor een glimlach levende “I’m At Home Gettin’ Hammered (While She’s Out Gettin’ Nailed)”, de mooie ballad “Never Started Livin’” en afsluiter “Big State Motel”, een moody blik achter de schermen van het toevluchtsoord van de King of Nothin’ en zo menig een lower companion.

Voor wie het ondertussen nog niet door moest hebben: “The Revealer” is een ronduit geweldige schijf! Eén van dé toppers van 2016 eigenlijk.

Jesse Dayton

 

HICKORY SIGNALS “Noise Of The Waters” (Hickory Signals)

(4****)

“Noise Of The Waters” is na hun titelloze debuutplaat van twee jaar geleden al de tweede EP van het jonge Britse folkduo Laura Ward en Adam Ronchetti oftewel Hickory Signals. Zes nummers staan er ditmaal op. Drie eigen dingen, drie vreemde eenden.

Tot de eerste categorie behoren de lentefrisse spring-in-‘t-veld “Here I Am”, het moody “Bows And Arrows” en het verhalende “Take The Window”. Eén ding hebben die drie kleinoden alvast gemeen: het blijken zonder uitzondering perfecte vehikels voor de fraaie stem van Ward. De ongelooflijke zeggingskracht die daarvan uitgaat nodigt nu al uit tot boude voorspellingen voor de toekomst.

De overige drie liedjes ontleende het duo zoals hoger reeds gesteld aan het verleden. Het mysterieuze “Unquiet Grave” en afsluiter “Irish Ways” zijn adaptaties van traditionals, voor prijsnummer “Noise Of The Waters” baseerde men zich op het door de zee geïnspireerde gedicht van James Joyce met dezelfde titel. Een ronduit heerlijk staaltje van atmosferische folk, dat laatste liedje.

Wat ons betreft duidelijk een folk act om in het oog te houden, deze Hickory Signals! Gaan we ongetwijfeld nog heel veel van horen!

Hickory Signals

 

LITTLE STEVE & THE BIG BEAT “Another Man” (CRS)

(4****)

Eén van dé albums van het moment vind ik persoonlijk “Another Man”, het ongemeen knappe albumdebuut van het jonge Nederlandse rootsvijfmanschap Little Steve & The Big Beat, je misschien al wel bekend van Blues Peer of van hun tour doorheen de Benelux samen met Mike Morgan zo’n jaar of wat geleden.

Steven “Little Steve” van der Nat (zang en gitaar), Martijn “Tinez” van Toor (tenorsax), Evert Hoedt (baritonsax), Bird Stevens (basgitaar en tamboerijn) en Jody van Ooijen (drums en percussie) grossieren op hun eerste volwaardige langspeler een dik half uur lang in wat wij zouden willen noemen rete-aanstekelijke soulvolle R&B. Echt ongelooflijk goed allemaal!

Openingsnummer “Just Fooling Around” gaat meteen los in de winkelhaak. Dat hortend en stotend om je aandacht bedelende gitaartje! Die bezwerende saxen! Die bloedgeile zang! Wat wil een mens in godsnaam nog meer? Het antwoord op die vraag duurt nog zo’n tien nummers lang. Van het soulvolle, noem het gerust Stax-rijpe “Teasin’ Without Pleasin’” tot het sensueel met de heupen wiegende “Dangerous Kind” met z’n lekker swingende pianobijdrage van Bas Janssen, van het sympathiek een aardig eindje weghonkende “Things” over de heerlijke soul ballad “Another Man” tot de wervelende, ondertussen volkomen terecht zijn weg richting Radio 1 gevonden hebbende single “Brand New Man”, van het al even catchy rockertje “Change My Ways” of de swingende R&B van “Just One More Time” tot het afsluitende “Live & Learn”, dit is spek naar de bek van elke liefhebber van het materiaal van acts als Nick Waterhouse, James Hunter, JD McPherson, St. Paul & The Broken Bones, Nathaniel Rateliff & The Night Sweats, Sharon Jones & The Dap-Kings, Leon Bridges en bij uitbreiding natuurlijk ook platenlabels als Daptone Records, Stax, Atlantic, Chess en andere.

Eén enkele keer beluisteren en je bent geheid verkocht! Vooral doen!

Little Steve & The Big Beat, CRS

 

JACK TEMPCHIN “One More Song” (Blue Elan Records)

(3,5****)

Als de Amerikaanse songsmid Jack Tempchin hier te lande al enige naambekendheid geniet, dan heeft hij die vooral te danken aan zijn samenwerkingen met de Eagles. Met als absoluut moment de gloire uiteraard hun vertolking van zijn “Peaceful Easy Feeling”. Al zal Tempchin zelf allicht ook lezingen van zijn materiaal door ander schoon volk als een Emmylou Harris, een George Jones, een Glen Campbell, een Patty Loveless, een Trisha Yearwood en vele, vele anderen als belangrijke wapenfeiten op zijn palmares aanhalen. En dat mag hij natuurlijk ook.

Zelf ging hij zich de voorbije jaren ook steeds nadrukkelijker als artiest presenteren. Onder meer met het album “Learning To Dance” en de EP “Room To Run” probeerde hij de nodige zieltjes te winnen. En dat doet hij nu met de twaalf songeenheden tellende collectie “One More Song” nog eens dunnetjes over. In een productie van Joel Piper doet hij daarop enkele keren zijn eigen songcatalogus van weleer aan, maar het gros van de liedjes erop blijkt toch nieuw.

Openingsnummer “Slow Dancing” is meteen al een eerste terugblik. Dat ooit nog door Johnny Rivers ingeblikte nummer krijgt hier een hele fraaie intimistische soloversie mee. Wat ons betreft gelijk hét hoogtepunt van “One More Song”. Verder zijn er ook nieuwe versies van het speelse, door Tempchin in een ver verleden al eens met de Funky Kings gebrachte “Singing In The Street”, van het breekbare, door Hoyt Axton ooit nog regelmatig live opgevoerde “Circle Ties That Bind” en van “One More Song”, een fraaie ballad die u zich misschien nog wel herinnert in de uitvoering van wijlen Kate Wolf op haar album “An Evening In Austin”.

Andere mooie momenten: het majestueuze, samen met Bobby Whitlock kort na diens huwelijk geschreven “Old River”, het voorzichtig jazzy aandoende “Around Midnight” en het op de keper beschouwd best wel een weinig Dylanesk aandoende “So Long My Friend”. Bij het horen van dat soort van liedjes begrijp je ogenblikkelijk waarom Tempchin het zelf in verband met “One More Song” heeft over het eren van zijn coffeehouse roots. Alles draait daarin daadwerkelijk weer even gewoon om de zanger en zijn liedje. En om het op die manier connecteren met z’n publiek natuurlijk.

Jack Tempchin

 

ANDREA TERRANO “Innamorata” (Atlantic Jaxx Recordings)

(3,5****)

Not your typical Ctrl. Alt. Country stuff, dit, maar wel a real treat en daarom hebben we het er hier toch maar even over. “Innamorata” is de nieuwe plaat van de Italiaanse gitaarvirtuoos Andrea Terrano. En wat die daarop brengt is van een werkelijk zinnenstrelende schoonheid. Begeleid door collega-gitarist Rafa Marchante, zijn vader en een stel bevriende muzikanten op onder meer strijkers, percussie en fluit en in een productie van Felix Buxton (Basement Jaxx) waadt Terrano op “Innamorata” zomers elegant doorheen elf nieuwe eigen composities.

Het resultaat is het soort van plaat waarbij je als luisteraar in no time aan het wegdromen gaat, het rusteloze dagdagelijkse bestaan ver achter je latend en je ergens op een parelwit, nog volslagen maagdelijk strand wanend. Invloeden uit zowel Latin, folk, klassieke Italiaanse soundtracks als wereldmuziek laten zich daarbij duidelijk aanwijzen. En precies dat gegeven draagt bij tot de ongelooflijke muzikale rijkdom van het nagenoeg volledig instrumentale “Innamorata”. Het ene moment is wat Terrano daarop doet eerder romantisch van aard, het andere nodigt het uit tot een dansje. Evocatief, sensueel en gloedvol allemaal, maar vooral ook ontzettend mooi. En om die reden dat plaatsje hier dus…

Atlantic Jaxx Recordings

 

BAND OF FRIENDS “Repeat After Me” (Band Of Friends / Bertus)

(3,5****)

“Repeat After Me” is bij nader inzicht de eerste volwaardige langspeler van het uit de je allicht nog van hun werk voor wijlen Rory Gallagher bekende tweetal Gerry McAvoy en Ted McKenna en de Nederlandse zanger-gitarist Marcel Scherpenzeel bestaande trio Band Of Friends. Hun zowat een jaar of twee geleden verschenen debuut “Too Much Is Not Enough” bevatte immers maar zeven nummers. Op de nieuwe worp van de drie prijkt een heus songelftal.

En met uitzondering van het nog door Frankie Miller gepende “A Sense Of Freedom” gaat het daarbij uitsluitend om eigen originals. Blues rock van het al bij al eerder kloeke soort. Opgenomen in onvervalste old school style. Alle liedjes ontstonden immers gewoon in de studio. “We both rehearsed and wrote the songs at the same time,” aldus daarover Gerry McAvoy.

De mooiste van het lot vonden wij het melodieuze slow-rockertje “Repeat After Me”, de al genoemde Frankie Miller cover, de lekkere trage “Homeland” en het sympathiek rondstuiterende “Soul To Soul”.

Band Of Friends

 

DOUGLAS GREER “Baja Louisiana” (Zilker Park Records)

(4,5*****)

Ergens diep in de zomer van 2006 was het, dat we ons hier op een onbewaakt moment over “Just A Man” bogen, de toen net verschenen eersteling van de vanuit muziekstad par excellence Austin, TX debuterende Douglas Greer. Als “een schoolvoorbeeld van hoe Americana volgens ons hoort te klinken” omschreven we dat geheel in een vlaag van enthousiasme en we hadden er ook prompt vier sterren voor over. Aanraden deden we de plaat aan allen die onder anderen Ryan Adams, Steve Earle, James McMurtry, Joe Ely en Robert Earl Keen een warm hart toedroegen.

Ruim tien jaar later zijn we ondertussen. Zo lang heeft hij ons na dat razend knappe debuut inderdaad op onze honger laten zitten, de bebrilde songsmid uit Texas. Tot daar het slechte nieuws. Het goede is, dat zo ongeveer elke letter die we hier zowat een decennium geleden aan papier toevertrouwden nog steeds van toepassing blijkt. Ruim elf nummers lang bewijst Greer ook op “Baja Louisiana” immers weer uit het allerbeste singer-songwriter-hout gesneden te zijn. In een productie van de je onder meer van zijn werk met Eliza Gilkyson bekende Mark Hallman en met studiobijstand van diezelfde Hallman, David Grissom, Bradley Kopp en Michael Ramos trakteert hij op net iets meer dan veertig minuten Lone Star State Americana van de werkelijk bovenste plank.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de vlijmscherpe, een teloorgegane liefde definitief bezegelende outlaw style country rocker “Take My Name Off Your Facebook Page”, naar het voor een vriendinnetje voor één nacht gepende “Miss Right Now” of de werkelijk bloedmooie, je als luisteraar gelijk vanaf de eerste beluistering al bij de keel grijpende ballad “Christmas In The Travis County Jail” en je zal het allicht direct met ons eens zijn, dat dit een plaat is die niet één rechtgeaarde liefhebber van Americana zich zou moeten laten ontgaan. Eén van de allerbeste van 2016 eigenlijk. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

(O, en by the way: ook “Just A Man” blijft na al die jaren nog steeds een heus aanradertje!)

Douglas Greer

 

M. LOCKWOOD PORTER “How To Dream Again” (Hidden Trail Records)

(4****)

Na zijn vorige, het ondertussen goed en wel twee jaar geleden verschenen “27” ging het plots allemaal heel snel voor de vanuit Berkeley, California actieve songsmid M. Lockwood Porter. Met die plaat oogstte hij ineens zoveel lof, dat velen hem prompt als één van dé Amerikaanse talenten voor de nabije toekomst gingen zien. En zulks brengt natuurlijk zekere verplichtingen met zich mee. Noblesse oblige, weet u wel. Zijn nieuwe zou zeer goed moeten zijn. Iets waarvan ook onze man zelf zich maar al te bewust was, zo blijkt nu. Die verse van ‘m, het zopas verschenen “How To Dream Again” is immers opnieuw “een plaatje van een plaat” geworden.

De songs erop zijn echt zonder uitzondering weer ware beauties. Openingsnummer “American Dreams Denied” lijkt zo verdorie wel Springsteen met in z’n rug voor de gelegenheid die van Sugar of de Replacements. De meteen daarop aansluitende ballads “Burn Away” en “Bright Star” gaan thematisch gezien in op de onzekerheid eigen aan elke liefde, net als de bedaarde, enigszins Dylanesk aandoende rootsrocker “Strong Enough” in het zog daarvan ook. En in “Joe Hill’s Dream” borrelt Lockwood Porters interesse in sociale rechtvaardigheid zowaar even op. Een buitengewoon straf openingssalvo, als u het ons vraagt.

En ook wat volgt is even briljant. Van de opnieuw volop aan Springsteen in z’n hoogdagen herinnerende trage “Reach The Top” over de zelfs alleen al titelgewijs aan duidelijkheid niets te wensen overlatende rocker “The Future Ain’t What It Used To Be” tot het afsluitende “Dream Again” en alles daartussenin, hoegenaamd niets dan zuivere songhoogstandjes hier. Met teksten die alleen nog maar dieper lijken te willen gaan dan die op de beide voorgangers van “How To Dream Again”. Zelfs je relatief goed in je vel voelen resulteert bij iemand als Lockwood Porter immers in nieuwe vragen, nieuwe dromen. En die blijken bij momenten het louter persoonlijke een aardig eindje te durven overstijgen.

Bijzonder knappe rootsplaat zonder meer! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

M. Lockwood Porter

 

JEREMY & THE HARLEQUINS “Into The Night” (Yep Roc / V2)

(3,5****)

Met de release van hun tweede album “Into The Night” lijken jonge New Yorkers Jeremy Fury en z’n Harlequins nu echt wel helemaal klaar voor een bestorming van de hitlijsten in hun vaderland. Met hun eigenzinnige vertaling van met name rock & roll en rockabilly naar het hier en nu doen ze wat ons betreft alvast volkomen terecht van zich spreken. Dat was al zo naar aanleiding van hun vorig jaar verschenen debuut “American Dreamer” en geloof ons vrij, dat zal ook nu weer niet anders gaan zijn. Onder meer Bruce Springsteens rechterhand Steve “Little Steven” Van Zandt outte zich recentelijk ook reeds nadrukkelijk als fan.

Tien tracks en zo’n tweeëndertig minuten lang nemen Fury en de zijnen ons op hun tweede mee op een leerzame trip richting achtereenvolgens het verleden en de toekomst van hun favoriete muziek. Aanvankelijk nog redelijk poppy ingesteld met het al wel lekker knallende, maar tegelijk ook heel erg radiovriendelijk geconcipieerde titelnummer. Vanaf track twee gaan de remmen echter helemaal los. “No One Cares” teert zo bijvoorbeeld volop op een soort van gemuteerde Diddley beat, “Rhythm Don’t Lie” lanceert Gene Vincent aanstekelijk swingend in een raket vers l’avenir, voor het aangenaam klaaglijke “For Angels” lijkt men inspiratie te hebben gevonden bij de vele rockende girl bands die de sixties ooit rijk waren en “Let Her Run”, een klassiek opgevatte Amerikaanse road song for the modern age, jengelt er enkele minuten lang heerlijk op los.

“Big Beat” is vervolgens opnieuw een streepje rete-aanstekelijke rock & roll-nostalgie geschoeid op Amerikaanse leest, “Drinkin’ By Myself” blijkt zenuwachtige nachtwinkelbilly anno nu, “Critical Condition” deed ons heel even denken aan Mink DeVille, “There’s A Girl” op zijn beurt aan de wat romantischere momenten van de Everlys en ook afsluiter “Oh Yeah (I Did It Again)” klonk ons op de één of andere manier meteen heel vertrouwd in de oren, al konden we er niet direct de vinger op leggen van wie of van waar.

Op basis van dit ongemeen sterke songtiental durven we hier nu al te stellen, dat Jeremy en z’n Harlequins bij een volgende doortocht allicht niet meer al te veel introductie zullen behoeven. Real cool stuff!

Jeremy & The Harlequins

 

JD FOX & THE VELVET STREET BAND “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” (Beehive Records)

(4****)

Ik zou het hier naar aanleiding van het verschijnen van “My Friend” opnieuw kunnen gaan hebben over het behoorlijk rijk gevulde muzikale verleden van Jan De Vos, maar dat doe ik ditmaal gemakshalve niet. Alleen een verwijzing naar het eind 2011 door de beste man uitgebrachte “The Roadmaster” kan er nog net van af. En dat uiteindelijk ook enkel maar omdat het effectief de voorloper is van De Vos’ nieuwe worp.

Tackelde hij indertijd bij wijze van eerbetoon nog het materiaal van toetsenist-componist Spooner Oldham dan is het op “My Friend” nu de beurt aan dat van een andere legende uit Alabama. Met name dat van Donnie Fritts. Kent u ongetwijfeld ook wel van dingen als het hier te lande door die van UB40 en Pretenders-frontvrouwe Chrissie Hynde de hitlijsten in gekweelde “Breakfast In Bed” en “Choo Choo Train” van The Box Tops, om er maar enkele te noemen.

Van hem brengt Jan “JD Fox” De Vos hier naast dat tweetal verder ook bekende en minder bekende dingen als “Memphis Women And Chicken”, “If You Say So”, “Take Time To Love”, “Zero Willpower”, “Rainbow Road”, “Why Is My Day So Long” en andere. Met als opvallende bonus track het samen met onder meer tributee Fritts zelf in Muscle Shoals ingeblikte titelnummer.

Voor de productie van het bijzonder sfeervolle “My Friend” tekende de zich alsmaar beter in zijn rol van Vlaamse soul man inlevende De Vos zelf samen met Jan Chartrain. Voor het inspelen ervan deed hij verder onder meer ook nog een beroep op toetsenman Wim Verbeke, gitarist Piet Decalf, bassiste Leen Van Reyn, drummer Tony Gyselinck, percussionist Firmin De Maître en pianiste Lies Demeyer. Gezongen en gesproken bijdragen leveren verder ook nog Gunther De Grom en Bonnie Fuqua.

Net als voorganger “The Roadmaster” een echte aanrader van formaat, deze plaat! Je zou bijna gaan hopen, dat De Vos daar in de buurt van Alabama nog veel idolen heeft rondlopen…

(Een fysiek exemplaartje van “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” kan besteld worden via contact@jdfox.be. Voorts kan u het album ook downloaden via iTunes of gewoon beluisteren via Spotify.)

JD Fox

 

ANY VEGETABLE “Veg Out!” (CRS)

(3,5****)                

De hier te lande lichtjes legendarische Felice Damiano sloot indertijd zijn gesmaakte kookprogramma met tv-kok Herwig Van Hove steevast af met de gevleugelde woorden “Maak er een lekker potje van!”. En da’s nu precies wat die van het debuterende Nederlandse Any Vegetable doen. Ze maken er op hun eersteling een alleraardigst potje van. Tien nummers lang zetten ze je als luisteraar bijna voortdurend op het verkeerde been. Telkens als je denkt uiteindelijk toch een gepast label voor hun muzikale gumbo beet te hebben gooien ze het plots toch weer over een andere boeg. Muzikaal eclecticisme heet zoiets. Productioneel maar net in goede banen geleid door Okieson Sebastiaan van Bijlevelt.

Blues, rock, pop, funk, Americana,… You name it, they play it! Nadrukkelijk iets voor muzikale omnivoren dus. Voor mensen die niet vies zijn van een verrassende move op z’n tijd. Voor wie een gemuteerde funkopstoot à la “Sweet Magnolia White” gerust naast poppy Americana genre “The Greatest Lie Ever Told”, ouderwetse, ons mede door de zang wat aan Herman Brood zaliger herinnerende rock als “Don’t Really Think So” of een hoogst bizarre, wat onderkoeld gebrachte cover van de ABBA-klapper “The Name Of The Game” mag.

Fresh music indeed, om het met wat aan het bandlogo ontleende woorden te zeggen. Maar overtuig u daarvan via onderstaande link vooral zelf!

Any Vegetable

 

PARSONSFIELD “Blooming Through The Black” (Signature Sounds / V2)

(3,5****)      

Het vanuit Northampton, MA flink aan de weg timmerende vijftal van Parsonsfield behoort tot het almaar minder select wordende groepje van nieuwkomers dat zich geroepen voelt om door de jaren heen vrijwel steevast met rootsmuziek geassocieerde instrumenten als de banjo en de mandoline in een rockgeluid binnen te smokkelen. Wat Chris Freeman (zang en banjo), Antonio Alcorn (mandoline), Max Shakun (zang, traporgel en gitaar), Harrison Goodale (bas) en Erik Hischmann (drums) samen brengen dienen we volgens hun broodheren te catalogeren onder de hoofding alt.-folk. Met folk en bluegrass weliswaar nog nadrukkelijk als voornaamste invloeden, maar overduidelijk verrijkt met een aan jaren blootstelling aan rock & roll refererende spirit.

Dat zulks bij momenten best wel spannende muziekjes oplevert, zal allicht ook u wel niet verbazen. En al zeker niet meer als we er u ook nog eens bij vertellen, dat voor de productie van “Blooming Through The Black” opnieuw de in het verleden onder meer al om zijn knappe werk met Josh Ritter geprezen Sam Kassirer werd aangetrokken. Opnieuw, want de beste man tekende inderdaad ook al present voor de drie jaar geleden verschenen debuutplaat van de vijf. Een plaat die ze indertijd nog uitbrachten onder hun in juli 2014 afgezworen vorige groepsnaam Poor Old Shine.

Enkele onverbintelijke luistertips willen we u alvast niet onthouden. Om te beginnen bijvoorbeeld al het catchy “Ties That Bind Us” waarmee het hier in volle herfst voorwaar eensklaps weer een beetje lente werd. En verder zeker ook nog het radiovriendelijke, op de keper beschouwd maar heel erg langzaam al z’n geheimen prijsgevende “Stronger”, het ook al supersympathiek voorbij gestompt komende titelnummer of het volop van een zalige feel good groove profiterende “Across Your Mind”.

Fans van acts als Mumford & Sons en aanverwanten zouden daarmee zo ongeveer genoeg moeten weten.

Parsonsfield

 

IMPERIAL CROWNS “The Calling” (DixieFrog / Borderline Blues / Bertus)

(4****)

Helemaal terug van een poosje weggeweest en daar zijn we hier verdomd blij om ook: The Imperial Crowns, ladies and gentlemen. Eén van de allerbeste blues & roots acts ever, period! Groothandelaars in wat ze zelf ooit omschreven als “ferocious blues, psyche-delta soul & pumpin’ funk”. Rete-aanstekelijk rootsvertier, goed voor zo ongeveer hetzelfde effect op een mens als een nietsvermoedende straal urine op prikkeldraad onder stroom. Wie albumvoorgangers “Imperial Crowns”, “Hymn Book”, “Preachin’ The Blues Live!” of “Star Of The West” in huis heeft, weet waarover we spreken. Al is die voorkennis zeker niet nodig om ten volle te kunnen genieten van de nieuwe van de charismatische Jimmie Wood en de zijnen.

Gelijk van bij het wervelende openingsnummer, het heerlijk greasy uit de speakers knallende credo “I Gotta Right (To Wear These Rock & Roll Shoes)” is het immers weer prijs. Zit daar maar eens bij stil! Als je dat kan, dan lijkt een doktersbezoek ons dringend geboden. Vervolgens gaat het via de broeierige swamp funk van het titelnummer, de magistrale soulvolle slow scorcher “Grace Under Pressure”, het op z’n Stones een eindje voor zich uit pompende “Wasn’t Love At First Sight”, het van een kingsize shot ingehouden boogie bediende “Love N’ The Devil”, het radiovriendelijke “Something Of Value” en nog een vijftal anderen aan een rotvaart richting een climax met het afsluitende “Question Mark”, opnieuw zo’n geweldige rootsrockopstoot waarbij je als luisteraar bijna ogenblikkelijk onwillekeurig aan de Stones en de Black Crowes in hun hoogdagen aan het denken gaat.

Blij ze terug te hebben!

(En ook live trouwens! Op 5 november al in Theater Nieuwe Kok in Assen en één dag later net over de grens in De Bosuil in Weert. Be there, zouden we zo zeggen!)

Imperial Crowns

 

THISELL “II” (Rootsy / Sonic RendezVous)

(4****)

Heerlijke plaat alweer, deze tweede van de Zweedse troubadour Peter Thisell. Veel breekbaarder dan dit worden ze amper nog gemaakt. Dat is althans de indruk die je bij het gros van de songs op de opvolger van ’s mans ook al erg lovend onthaalde debuut hebt. Uiterst subtiele Americana- en folkminiatuurtjes zijn het, met een behoorlijk hoog melancho-gehalte. Fragiele herfstige beauties, waarin de klaaglijke stem van Thisell zelve bijna voortdurend met vaste hand regeert. Met zachte slierten piano-, viool- en accordeonnoten als haar voornaamste hofdienaren.

Referenties, vroeg u? Wel, daarvoor zouden we u moeten meetronen tot in de buurt van andere gepatenteerde treurwilgen als een Jason Molina, een Will Oldham of een Neil Young in zijn wat bedaardere momenten. Wie houdt van hun werk zal zich ook wel kunnen vinden in prachtige zwaarmoedige kleinoden als een “The Sun Sets In The Weeds”, “If I Sing My Song”, “The Worlds Last Cigarette” en andere.

Wat ons betreft een veritabel potje top-Scandicana, dit tien pareltjes tellende geheel.

Thisell                

 

AARON LEE TASJAN “Silver Tears” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Dit is er eentje, waar men momenteel in rootskringen in de States maar niet over uitgesproken lijkt te kunnen raken. Een heel grote toekomst wordt ‘m toegedicht, deze Aaron Lee Tasjan. En da’s an sich eigenlijk best wel een beetje bizar. Met een verleden bij onder meer de New York Dolls, Semi Precious Weapons, Everest, Alberta Cross, Drivin’ N’ Cryin’ en Madison Square Gardeners kan je Tasjan immers allesbehalve een nog onbeschreven blad noemen. Al verdiende hij in het gros van die bands dan ook vooral zijn sporen als gitarist. Zijn debuut als songwriter maakte hij pas in 2014 met de EP “Crooked River Burning”, vorig jaar gevolgd door een eerste volwaardige worp luisterend naar de titel “In The Blazes”. En met name met die laatste ging de bal flink aan het rollen. Onder meer het vermaarde Rolling Stone, NPR en American Songwriter spaarden de lof voor Tasjan bepaald niet.

Benieuwd, hoe die publicaties zullen gaan reageren op ’s mans nieuwe album. Met de twaalf songs daarop maakt hij wat ons betreft immers nog pakken meer indruk dan met deze op “In The Blazes”. Een grandioze opstoot van creativiteit is het. Heerlijk gevarieerd vooral ook. En beïnvloed door nogal wat schoon volk, zo blijkt. Het plezant grillige openingsnummer “Hard Life” zou zo bijvoorbeeld best van de hand van Harry Nilsson geweest kunnen zijn, het meteen daaropvolgende “Little Movies” strandt in al zijn muzikale grandeur ergens heel dicht in het zog van Jeff Lynne en diens ELO, de romantische countryrocker “Memphis Rain” plaatst Tasjan dan weer eerder ergens in de buurt van Michael Fracasso, “Dime” toont hem in onvervalste Traveling Wilburys-modus, “Refugee Blues” heeft wel wat met Neil Young en Crazy Horse en “Till The Town Goes Dark” toont onze man als een devote bewonderaar van Tom Petty. Samen met Elliott Smith misschien wel Tasjans voornaamste inspiratiebron, die laatste. Dat hoor je bijvoorbeeld ook nog terug in het klaaglijke “On Your Side”.

Voor de productie van dit ronduit geweldige album tekende Father John Misty-bassist Eli Thomson.

Aaron Lee Tasjan

 

SOUTHERN CULTURE ON THE SKIDS “The Electric Pinecones” (Kudzu Records / V2)

(4****)         

Southern Culture On The Skids – SCOTS voor de vrienden! – behoren hier al ruim dertig jaar lang tot het vaste muzikale meubilair en da’s een situatie waarin ook met hun zopas verschenen nieuwe langspeler zeker en vast geen verandering zal gaan komen. Meer nog, met “The Electric Pinecones” bevestigen de drie uit Chapel Hill, NC hun status van meesters in de Americana from the wrong side of the tracks, zoals frontman Rick Miller het zelf allemaal graag omschrijven mag, alleen nog maar meer.

Voor dat nieuwe album zochten Rick Miller, Mary Huff en Dave Hartman inspiratie in hun eigen verleden. Bij The Pinecones met name. Dat was een groepje dat ze ooit in het leven riepen om er die liedjes in kwijt te kunnen die niet echt binnen het SCOTS-geluid pasten. “A folk-a-hill-a-billy garage band,” aldus weer Miller zelf. Met een geluid geënt op dat van tal van door hen zelf geadoreerde “’60s West Coast folk rock and psych bands”.

Openingsnummer “Freak Flag” maakt meteen duidelijk waar we het over hebben. Met prettig gestoorde gitaartjes en een licht psychedelisch randje als voornaamste trekpleisters. En ook het meteen daaropvolgende “Dirt Road” blijft nog even in de late sixties hangen. “A backwoods Southern gothic ghost story” in onvervalste Yardbirds-stijl is dat.

Vervolgens is het tijd voor een rondje overheerlijke country rock à la SCOTS. Met achtereenvolgens het rete-catchy “Baby I Like You” en het al even sympathieke “I Ain’t Gonna Hang Around” om in no time een superbrede grijns op ons gelaat te toveren. Iets wat een eindje verderop met de countrytrage “Given To Me” overigens nog eens gebeuren zal. Eerst moeten we echter nog voorbij een aantal andere muzikale klippen. Ondermeer het ons opnieuw een weinig aan de Yardbirds en de Zombies ook wel herinnerende beatdeuntje “Grey Skies”, de daar quasi perfect bij aansluitende folk-garagerocker “Waiting On You”, het met een flinke snuif R&B opgewaardeerde en door een sensuele Huff naar duizelingwekkende hoogten getilde “Midnight Caller” en een NOLA-remake van hun eigen “Swamp Fox – The Original”. Of het op z’n Link Wrays ingezette “Downward Mobility” en de humoristische countryfunkopstoot “Rice And Beans” ook. Afgesloten wordt er met de sfeervolle ballad “Slowly Losing My Mind”. Kwestie van de stap terug naar de dagdagelijkse realiteit een beetje te vergemakkelijken waarschijnlijk…

Southern Culture On The Skids

 

HARPETH RISING “Shifted” (Grimm Rising)

(4****)

U bent liefhebber van het betere stemmen- en snarenwerk? Dan zit u bij het uit Jordana Greenberg (zang, viool, koebel, djembe en triangel), Rebecca Reed-Lunn (zang, banjo, tamboerijn, koebel en shaker) en Maria Di Meglio (zang, cello, bass drum en cajon) bestaande trio Harpeth Rising goed. Dat drietal, dat u net als ons waarschijnlijk ooit nog leerde kennen op een plaat van songsmid Tim Grimm, is met het onlangs verschenen “Shifted” inmiddels al aan zijn vijfde worp toe. En wat voor één! Eén lang gerokken feest voor liefhebbers van elkaar op uitzonderlijke wijze aanvullende stemmen en dito rootsy snarensnoepgoed.

De dames doen het daarop ditmaal met negen eigen liedjes van kopstuk Jordana Greenberg, eentje van de hand van haar vader David Greenberg (“The Raid”), eentje door schone Greenberg gepend met haar ouweheer (“Seven Thunders”) en een cover van een nummer van Leonard Cohen. En dat laatste liedje is om nogal voor de hand liggende redenen meteen het meest in het oog springende van het geheel. Die aardig naakte versie van Cohens “Dance Me To The End Of  Love” zou zomaar eens kunnen gaan zorgen voor flink wat radioaandacht. En dat zelfs hier te lande.

Maar eigenlijk valt er hier nog zoveel meer te beleven! De speelgrage Harpeth Rising-drieling horen heen en weer laveren tussen folk, newgrass, rock en klassiek in “I Am Eve (I Am The Reason)” bijvoorbeeld, ze vervolgens zonderling soulvol laten surplacen in “Fortune”, jazzy in het rond laten hoppen in “Good Ideas” en net niet a capella laten excelleren in het verstilde “Proof”. We noemen zomaar wat op.

Verdomd schoon plaatje!

(Harpeth Rising trekt binnenkort een week lang doorheen Nederland. Haltes zijn daarbij voorzien in Amen (04-11, Café De Amer), Oost-Souberg (05-11, Razzmatazz), Hoorn (06-11, Peticantus), Eindhoven (07-11, Muziekgebouw Frits Philips), ’s-Hertogenbosch (08-11, Verkadefabriek) en Den Haag (11-11, Theater in de Steeg).)

Harpeth Rising

 

WATER AND SAND “Water And Sand” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)                     

“Water And Sand” is de titel van het debuut onder diezelfde vlag van de hier al een serieuze status genietende Amerikaanse songsmid Todd Thibaud en z’n al bij al toch flink wat minder bekende vrouwelijke collega Kim Taylor. Dat ze in eigen land al uitgebreid toerde met onder anderen Ron Sexsmith, die van Over The Rhine en zelfs de grote Kris Kristofferson verandert daaraan natuurlijk niet veel. Neen, als we haar al zouden moeten kennen, dan allicht toch vooral van liedjes van haar hand die het schopten tot in afleveringen van Smallville, One Tree Hill en andere tv-reeksen.

Op hun eersteling samen tekenen Thibaud en Taylor voor een songelftal waarin thematisch gezien met name de nuances van intieme vriendschappen een constante blijken, evenals de factor tijd. Fijne folky rootspopkleinoden zijn het, waarin vrijwel meteen opvalt, hoe mooi de stemmen van de twee samen kleuren. Ze lijken als het ware wel tot elkaar voorbestemd. Iets wat door producer Sean Staples over de gehele lengte van het album terecht nooit uit het oog verloren wordt.

Wollig warm aandoende songschoonheden als het door diezelfde Staples van zalig toetsenwerk voorziene “My Amends”, het intimistische “Beauty And Cost”, de in niet geringe mate door de pedal steel van Eric Royer gegidste trage “Hard Side Of Love” en het afsluitende titelnummer mogen zó op onze soundtrack van de nu stilaan toch echt wel begonnen herfst. Noem het maar ideaal spul voor ’s avonds bij de open haard.

Water And Sand

 

CHRISTIAN KJELLVANDER “A Village: Natural Light” (Tapete Records / Sonic RendezVous)

(5*****)

Toen Christian Kjellvanders nieuwe worp hier enkele dagen geleden in de bus viel was het nog volop mooi weer. En dus bleef de plaat maar enkele dagen gewoon op de plank liggen. Logisch, zo leek ons, want de muziek van de Zweedse grootmeester leent zich nu eenmaal veel beter tot gebruik in flink wat somberdere omstandigheden. Ze heeft überhaupt iets bepaald herfstigs over zich.

Kjellvanders rauw-breekbare voordracht en z’n zichzelf naar goede gewoonte weer volop in melancholie wentelende songs zijn daaraan natuurlijk niet vreemd. Van een haast onaardse schoonheid zijn ze weer, die pennenvruchten van ‘m. Ongemeen intens, vrijwel zonder uitzondering gekenmerkt ook door een ongelooflijke diepgang. In de schemerzone tussen indie rock en Americana van het beste wat er bestaat. Of moet toch de term Scandicana hiervoor weer van stal? U maakt het zelf maar uit. Zolang u zich maar de moeite getroost om “A Village: Natural Light” even een luisterbeurt te gunnen. U zal het zich bepaald niet beklagen.

Van het bedwelmende “Shallow Sea” over het hypernerveuze, en passant haast epische proporties aannemende “Midsummer (Red Dance)” en het louter gevoelsmatig ergens in de buurt van acts als Calexico, Lambchop en Tindersticks strandende “Riders In The Rain” tot de in duet met z’n vrouw Karla-Therese gebrachte afsluitende beauty “Gallow”, zo ongeveer alles op “A Village: Natural Light” mag bij op het lijstje met de beste songs van Kjellvander. En dat wil in zijn geval iets zeggen, geloof ons…

(File under: Eindejaarslijstjesmateriaal!)

Christian Kjellvander

 

US RAILS “Ivy” (Blue Rose Records / Sonic RendezVous)

(4****)

Door het vertrek van Joseph Parsons eind vorig jaar inmiddels uitgedund tot een kwartet blijven die van US Rails echt een ongelooflijke werkethiek tentoonspreiden. Hot on the heels van soloplaten van Ben Arnold, Scott Bricklin en Tom Gillam is er nu immers alweer een nieuwe worp van het door dat drietal samen met collega Matt Muir bevolkte supergroepje. “Ivy” heet die en het zal u allicht niet verwonderen, het is opnieuw een dijk van een plaat geworden. Met andermaal loads of rock, soul en folk en louter gevoelsmatig ook nu weer niet zelden terugharkend naar de succesvolle Californische scene van medio de jaren zeventig. En dat uiteraard ook nu weer regelmatig met de focus op de geweldige samenzang van de vier.

Topmomenten werkelijk zat op “Ivy”. Wij onthielden zo bijvoorbeeld vooral de groovy soulvolle rock van openingsnummer “Everywhere I Go”, Gillans deluxe rootsrockertje “He’s Still In Love With You”, het door Arnold op de van hem bekende rauw-hees-tedere manier onder tonnen soul begraven tweetal “Not Enough” en “I’ve Got Dreams”, “Colorado”, een fraaie trage in onvervalste Eagles style, en het lekker funky aandoende “Way Of Love”. En dan vergaten we bijna nog de vintage Arnold-oorwurm “Gonna Come Sunshine” en het ons op de één of andere manier wat aan The Band herinnerende “I’m A Lucky Man”, waarin Bricklin zich opvallend gelukkig prijst met wat hij heeft.

Wat ons betreft een echte aanrader zonder meer! Doe er vooral je voordeel mee!

US Rails

 

COLIN JAMES “Blue Highways” (True North Records)

(4****)

In een met Dave Meszaros gedeelde productie knalt Colin James op z’n ondertussen toch ook alweer achttiende cd “Blue Highways” doorheen een collectie liedjes bekendgemaakt door een stel eigen idolen. Noem het maar een soort van eerbetoon van de Canadese songsmid aan het adres van eigen helden als een Blind Willie McTell, een Howlin’ Wolf, een Jimmy Reed, een Freddie King, een Peter Green, een Robert Johnson, een William Bell of het duo Junior Wells en Buddy Guy, om er maar enkele van te noemen.

Het resultaat is een heerlijk gevarieerde bluesplaat met werkelijk puntgave vertolkingen van bekende en minder bekende deunen als “Boogie Funk”, “Watch Out”, “Big Road Blues”, “Gypsy Woman”, “Hoodoo Man Blues”, “Don’t Miss Your Water”, “Ain’t Long For Day”, “Last Fair Deal” en andere. James in topvorm met andere woorden. En dat zowel als zanger als als gitarist.

Hopelijk heeft de beste man nog wat helden op overschot! Tegen een tweede volume zouden wij hier immers allerminst neen zeggen…

Colin James

 

LYNNE HANSON & THE GOOD INTENTIONS “7 Deadly Spins” (Lynne Hanson)

(4****)         

De Canadese Lynne Hanson mag het in verband met haar songs zelf graag hebben over porch music with a little red dirt. En voor de zeven eenheden op haar zonet verschenen nieuwe worp is die omschrijving treffender dan ooit tevoren. Samen met haar begeleiders van The Good Intentions gaat ze zo’n vijfentwintig minuten lang heerlijk gritty loos. Dodelijk doeltreffend!

Openingsnummer “Gravedigger” toont de weg. Over een aanstekelijke rammelrootsbeat worden lijken gevonden en geborgen. Lugubere toestanden à volonté. “Dig dig dig, killer ain’t been found.” “Waters Edge” is vervolgens meer van datum. Tegen een lekker gruizig countryrockende achtergrond krijgt ditmaal een naast de pot piesende lover zijn verdiende loon. In het omineuze “My Mama Said” galmen vervolgens de woorden van een genadeloze moeder na in het hoofd van een ter dood veroordeelde. “No hope for redemption, her words are ringing in my head. The world will be a better place, that’s what my mama said.”

Al niet veel beter is in het zog daarvan de verteller van “Cecil Hotel” er aan toe. Aan lager wal geraakt slijt de ik-persoon in dat bezwerende liedje zijn dagen tussen de junkies, whores and vagabonds. “I sleep with one eye open and a shotgun by my head,” klinkt het daarin aardig vertwijfeld. Een echt toppertje is vervolgens het op een bevreemdende manier catchy werkende “Black Widow”. In haar buurt “husbands drop like flies, it never ends well”. Nog goed, dat ze er zo goed uitziet onder haar long black veil.

Resten ons dan nog: het met collega Lynn Miles gepende rootsy stompertje over een voortvluchtige “Run Johnny Run” en het afsluitende, van een bluesy rockend randje voorziene “First One’s Free”, waarin we al snel op onze knieën met een geweerloop tegen ons hoofd komen te zitten.

Gevaarlijk goed spul!

Lynne Hanson

 

OTIS GIBBS “Mount Renraw” (Wanamaker Recording Company / Lucky Dice Music)

(4,5*****)                                                                               

Voor zijn vijftigste verjaardag trakteerde songsmid Otis Gibbs zichzelf op een wel heel speciaal presentje. Precies op die dag blikte hij immers zijn nieuwe album “Mount Renraw” in. Een perfecte manier om vijftig jaar aan creativiteit te vieren, aldus de beste man daarover zelf. En wie zijn wij dan nog om daar iets tegen in te brengen. Wij profiteren gewoon lekker mee van ’s mans op de keper beschouwd erg geslaagde geschenk aan zichzelf.

De titel voor zijn nieuwe schijf ontleende Gibbs aan zijn eigen thuishaven, een heuveltop in East Nashville, waar creatievelingen allerhande samentroepen. En aangezien hij het materiaal voor “Mount Renraw” gewoon thuis opnam, leek hem het koosnaampje daarvoor ook de meest geschikte vlag voor z’n verse lading materiaal. Iets wat we opnieuw enkel kunnen beamen.

Wat betreft de inhoud van “Mount Renraw” kunnen we kort zijn. Noem het maar vintage Gibbs. In totaal elf liedjes, waarvan hij er tien in z’n eentje schreef en één samen met z’n partner Amy Lashley. Veelal erg persoonlijk spul. Puttend uit de eigen leefwereld. Opgehangen aan zelf meegemaakte dingen, verhalend over oude vrienden, zijn geboortestaat Indiana en andere hem nauw aan het hart liggende zaken. The Great American Roadside Attractions bijvoorbeeld. Keurig opgelijste speciale attracties, die doorgaans aan de aandacht van toeristen ontsnappen, maar juist heel interessant blijken. In het mooie “Sputnik Monroe” bezingt Gibbs er zo eentje. Niet de stad Memphis, het vermaarde Sun Records of The King spelen daarin de hoofdrol, maar wel de worstelaar uit de titel ervan, die als voorvechter voor gelijke rechten voor zijn zwarte vrienden tijdens zijn eigen wedstrijden frontaal tegen segregatie inging. Een schone mens dus.

Voor het vereeuwigen van zijn nieuwe liedjesoogst deed Gibbs een beroep op oude getrouwen Justin Moses en Thomm Jutz. Eerstgenoemde zorgde voor wat fijne fiddle-bijdragen, laatstgenoemde deelde met onze man de productie en deed ook z’n ding op de akoestische gitaar. Meer was er niet nodig om andermaal te excelleren. De rauw-hees-tedere voordracht van Gibbs zelve, zijn even simpele als doeltreffende teksten en melodieën, ze vroegen als het ware zelf om de benadering die ze ook effectief gekregen hebben. Eenvoud verheven tot kunst. Bloedmooi!

Otis Gibbs

 

STACKHOUSE “Tailgatin’” (Stack Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat een verdomd lekkere plaat, deze tweede van het Zuid-Hollandse Stackhouse! Het soort van schijfje, waarvan je gelijk al na de eerste beluistering weet, dat je er nog héél veel plezier aan zal gaan beleven. On-Nederlands goed eigenlijk.

En da’s als je het ons vraagt in niet geringe mate de verdienste van kopstuk Machiel Meijers. Diens doorleefde rauwe zang en zijn door onder meer Little Walter en Sonny Boy Williamson beïnvloede harmonicastijl zijn zonder meer de voornaamste trekpleisters in het gros van de nummers op “Tailgatin’”. Al willen we hier zeker ook niet denigrerend doen over de bijdragen van alle andere betrokkenen. Het heerlijk onderkoelde gitaarspel van Willem van Dullemen bijvoorbeeld is evenmin te versmaden. Net als dat van de andere gitarist van de groep, Emiel van Pelt, trouwens. En dan hadden we het nog niet over het lekker strakke ritmewerk van de tandem Fred van Unen-Bert Post. Zij vervolledigen op respectievelijk double bass en drums op coole wijze het plaatje.

Het resultaat is een heerlijk vintage aandoend album, waarop traditionele blues Chicago style volop regeert. Het ene moment swingend als de beesten, het andere juist lekker relaxed. Aan variatie alleszins geen gebrek. En dat met voornamelijk eigen materiaal dan nog. Enkel “I’m A Stranger Here” (Fulton “Blind Boy Fuller” Allen), “Cool Drink Of Water Blues” (Tommy Johnson), “Long Tall Mama” (William “Big Bill” Broonzy) en “Joliet Blues” (“Shoeshine Johnny” Shines) vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Onze lievelingsmomenten: een stomend “Long Tall Mama”, het zijn titel mede door wat zalig smoelschuifwerk van Meijers werkelijk alle eer aandoende “Juicy Luicy” – Juicy spul indeed! – en afsluiter “Tailgatin’”, een ook al bepaald lekkere instrumental. Met nummers van dat kaliber dringen de vijf van Stackhouse zich wat ons betreft erg nadrukkelijk op voor tal van nakende blues & roots festivals. Een wild feestje lijkt in hun aanwezigheid alvast gegarandeerd!

Stackhouse

 

GEORGIA RUTH “Fossil Scale” (Navigator Records)           

(3,5****)      

Het gebeurt niet zo heel erg vaak, dat we hier te maken krijgen met vanuit Wales afkomstige muziekjes. En in dat opzicht vormt “Fossil Scale”, het nieuwe album van youngster Georgia Ruth, dan ook meteen een in het oog springende uitzondering. Die opvolger van haar in 2013 verschenen en aan de andere kant van het Kanaal letterlijk onder de lovende kritieken bedolven debuut “Week Of Pines” zou haar op de keper beschouwd ook hier aan de nodige naambekendheid moeten kunnen helpen.

De liedjes voor haar tweede schreef Georgia Ruth achter haar piano. En dat in tegenstelling tot die voor haar maiden release, die ontstonden immers nog aan de harp. Het was haar bedoeling om op die manier te komen tot een wat voller geluid. Wat meer ambient, zeg maar. En in dat opzet slaagt ze zonder meer. Handig heen en weer laverend tussen folk en pop creëert de jonge Welshe this time around een twaalftal liedjes, die zowel bij muzikale ontdekkingsreizigers als bij een veel ruimer publiek zouden moeten kunnen aanslaan. Songs, die zowel haar afkomst als haar muzikale voorkeuren in de aanloop naar “Fossil Scale” (Beck, Bowie, Radiohead) verraden. Noem het maar the best of both worlds gecombineerd. Een al bij al ongemeen radiogenieke buiging voor de ondoorgrondelijkheden van het leven zelve.

Als één van de voornaamste troefkaarten van Georgia Ruth onthouden we hier met name haar fluwelen stem. Vooral daarmee tilt ze an sich al echte schoonheden van liedjes als “The Bodies”, het in het Welsh gebrachte “Sylvia”, het zweverige “Supermoon” en andere naar nóg hogere muzikale hoogten.

Voor ons een echte ontdekking! Geen wonder, dat ze hier in het Verenigd Koninkrijk al even hoog mee oplopen!

Georgia Ruth                     

 

KING OF THE WORLD “Cincinatti” (KOTW Records / Bertus)

(4*****)

Nu al enkele dagen lang vaste prik tijdens de lange ritten van en naar mijn werk is “Cincinatti”, het door de gerenommeerde Erwin Musper geproduceerde nieuwe album van de Nederlandse bluesrockers van King Of The World. Wat kopstuk Ruud Weber en de zijnen daarop brengen is echt wel uitzonderlijk goed te noemen. Liefst dertien nummers lang geven ze zo menig een internationale act spelenderwijs het nakijken. En passant het bluesrockgenre een stuk toegankelijker makend voor een wat ruimer publiek. En da’s wat mij betreft een serieuze verdienste.

Daarbij her en der geweldig geruggensteund door een vierkoppige blazerssectie werken Weber (zang en basgitaar) en zijn maats Erwin Java (gitaar), Govert van der Kolm (keyboards en backing vocals) en Fokke de Jong (drums en backing vocals) zich op ongemeen soulvolle wijze doorheen een dozijn eigen composities. En als niet te versmaden toetje krijgen we ook nog een verbluffend knappe testosteronlezing van “Life In The Fast Lane” van de Eagles.

Aan hoogtepunten absoluut geen gebrek op “Cincinatti”. Wij onthouden vooralsnog vooral het soulvol rockende “Voodoo”, de zalige funkopstoot “Murder In The First Degree”, de in duet met Cheryl Renee gebrachte sleper “Hurt So Bad” en de catchy R&B-stamper “Better Luck Next Time”.

Zet de awards alvast maar weer klaar!

King Of The World

 

SESSION AMERICANA WITH JEFFERSON HAMER “Great Shakes” (Session Americana)

(3,5****)

Zoveel goede nieuwe platen, zo weinig tijd… Dat typische najaarseuvel steekt weer ongenadig de kop op. Eenmaal de komkommertijd voorbij dan kom je als recensent plots oren en handen tekort om aan alles aandacht te kunnen blijven besteden. Het allemaal net iets korter proberen te houden blijkt dan vaak de beste oplossing. Zoals ook nu weer in verband met “Great Shakes”, het nieuwe album van Session Americana. Of neen, Session Americana With Jefferson Hamer. Dat moet op z’n minst één plaat lang zo. Dat vereist de alomtegenwoordigheid van Hamer this time around, aldus die van de band zelf daarover.

Het medio oktober ook door onze kontreien toerende Session Americana staat zoals ondertussen allicht genoegzaam bekend garant voor grote muzikale diversiteit. Ook wat de zes uit Boston op hun nieuwe worp presenteren bestrijkt weer enorm veel muzikaal terrein. American roots music is het, waarin verder zo ongeveer alles blijkt te kunnen. Folk, country, Americana, (roots) pop & rock, jazz, u zegt het maar! Fraai gezongen (Bij momenten echt heerlijk harmonieerwerk!), haast nog fraaier ingespeeld.

Onze luistertips: het in al z’n eenvoud best wel wat Youngiaans aandoende “What Are Those Things (With Big Black Wings)”, het aangenaam melancholische, bij nader inzicht ongegeneerd naar een vergelijking met de Jayhawks hengelende “One Skinner” en afsluiter “Barefoot Soldiers”, een veritabele wolk van een alt-country ballad.

Op zaterdag 15 oktober treedt Session Americana op in huis van vertrouwen La Truite d’Argent in Tavigny.

Session Americana                

 

RANDY NEWMAN “The Randy Newman Songbook Vol. 3” (Nonesuch / Warner Music Group)

(3,5****)

In het najaar van 2003 verraste Randy Newman ons een eerste keer met een reeks spiernaakte remakes van eigen liedjes, ergens halverwege 2011 deed hij dat nog eens dunnetjes over en nu is er “The Randy Newman Songbook Vol. 3”. Opnieuw trouw aan het principe “just me and my piano”. En met als producers aan boord ditmaal Mitchell Froom en Lenny Waronker.

Zij zagen Newman this time around in de weer met het magistrale “Short People”, “Mama Told Me Not To Come”, “Love Story (You And Me)”, “Burn On”, filmhit “You’ve Got A Friend In Me”, “Rollin’”, classic “Guilty”, “Simon Smith And The Amazing Dancing Bear”, “Davy The Fat Boy”, “Red Bandana”, “Old Man”, “Real Emotional Girl”, “I Love To See You Smile”, “I Love L.A.”, “Bad News From Home” en “I’ll Be Home”. Deel drie van een soort van alternatieve best of zou je ‘t kunnen noemen.

Samen met de beide andere delen ideaal als introductie tot ’s mans materiaal voor allen die hem pas naar aanleiding van zijn bijdragen aan tal van soundtracks leerden kennen, maar evengoed als geheugensteuntje voor allen die hem zo stilaan uit het oog dreigden te verliezen. Newmans creatieve topjaren liggen nu eenmaal al een flink poosje achter de rug.

Randy Newman

 

MARTHA FIELDS “Southern White Lies” (Martha Fields Galloway)

(4,5*****)

 Verandering van spijs doet eten. Zelden een mooier muzikaal voorbeeld van gekregen dan dit nieuwe album van “Texas Martha” Fields. Geen full-tilt honky-tonk-twangtoestanden meer daarop zoals nog op voorganger “Long Way From Home”, maar goudeerlijke Americana met een nadrukkelijke front porch feel. Verhalend spul gedragen door een voortdurend heel erg doorleefd aandoende stem en door instrumenten als een dobro, een banjo, een mandoline, een akoestische gitaar, een resonator, een double bass, een fiddle en dies meer. Een heerlijke muzikale gumbo met als bepalende ingrediënten onder meer bluegrass, country blues, folk en gospel. Moet je wel van houden!

Onder het waakzame oog van de vermaarde Tommy Detamore nemen Fields en haar begeleiders Manu Bertrand, Serge Samyn, Olivier Leclerc, Denis Bielsa, Travis Fita en Monica Taylor ons op “Southern White Lies” bij de hand voor een twaalf nummers lange trip doorheen door ons bijzonder graag gefrequenteerd muzikaal territorium. Opgevat als een soortement van tip of the hat aan het adres van de haar als soundtrack achter haar eigen kinderjaren bijgebleven Appalachenmuziek vormt dat nieuwe album voor Fields klaarblijkelijk dé ideale creatieve uitlaatklep. Hoe anders de passie verklaren die hier zo ongeveer van alles afspat?

En in zeven van de twaalf gevallen blijkt het daarbij overigens te gaan om eigen originelen. Voorts is het ook nog volop genieten geblazen van knappe covers van “What Good Can Drinkin’ Do” van Janis Joplin, van “Tell Me Baby” van de onvolprezen Mickey Newbury, van “California Blues” van Jimmie Rodgers en van de traditionals “Lonesome Road Blues” en “What Are They Doing In Heaven”.

Subliem spul, echt!

Martha Fields

 

THE GENTLE GOOD “Ruins/Adfeilion” (Bubblewrap Collective)

(5*****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: veel mooier dan dit worden ze amper nog gemaakt. In verband met dit album zouden we zonder al teveel nadenken durven te gewagen van folkperfectie! Muziek van een haast onaardse schoonheid. Een aanrader bijvoorbeeld voor al wie hield van het recente plaatwerk van The Gloaming.

The Gentle Good da’s de vanuit Cardiff actieve zingende songsmid Gareth Bonello. En die is inmiddels met “Ruins/Adfeilion” al aan z’n vierde langspeler toe. Een enigszins filosofisch onderbouwde titel, aangezien hij zich buigt over het besef dat we geen van allen ooit zullen kunnen leven in onze ideale wereld. Het zal altijd een kwestie blijven van zich behelpen tussen de door vorige generaties achtergelaten ruïnes. Met zowel aangename als minder aangename links naar het verleden.

Dat Bonello opteert voor een tweetalige titel bevestigt overigens ook andermaal zijn verbondenheid met z’n thuisland Wales en het culturele erfgoed daarvan. Meermaals bedient hij zich op z’n nieuwe langspeler van traditioneel Welsh songgoed. Zoals bijvoorbeeld meteen al in de instrumentale opener ervan, “Gwen Lliw’r Lili”. Die hang naar de eigen traditie is echter maar één aspect van Bonello’s muziek. In heel wat nummers richt de beste man de blik nadrukkelijk op het hier en nu. Op hete actuele hangijzers. Met voorop natuurlijk de al maanden het nieuws halende vluchtelingencrisis, of wat dacht u. In “Bound For Lampedusa”, één van de absolute highlights van “Ruins/Adfeilion”, confronteert Bonello ons zo met de diepste gedachten van een groepje in de Middellandse Zee ronddobberende vluchtelingen. Wat zal het lot voor hen in petto hebben? Aangrijpender kan haast niet. Nog zo’n beauty is het elegische “Rivers Of Gold”. In dat ingetogen protestliedje ventileert Bonello zijn onvrede met de almaar groter wordende kloof tussen arm en rijk.

Al bij al een echt plaatje van een plaat, dit door Llion Robertson geproduceerde album. Heerlijk relaxed, echt beklijvend tot en met. Uitermate fraai gearrangeerd ook. En met her en der een melodieus potje Welsh als aangenaam surplus. Ik ben een beetje verliefd, denk ik…

The Gentle Good

 

JAMES LEG “Blood On The Keys” (Alive Natural Sound Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

John Wesley Myers is wat je noemt een echt buitenbeentje. Wat hij als James Leg op de wereld loslaat tart werkelijk elke verbeelding. Het is eigenlijk gewoon met niets of niemand vergelijkbaar. Frenetieke uitingen van abnormaliteit lijken het wel, waarmee hij ons van achter zijn Rhodes bestookt. Bezetenheid als handelsmerk, zoiets. Met z’n roots ergens in één of andere donkere krocht van het bluesgenre, dat zeker, maar evengoed met een verankering in punk en aanverwanten. Zanggewijs even ontspoord als pakweg een Tom Waits of een Screaming Jay Hawkins. Rauw-ruw doordouwend, maar eigenaardig genoeg op de één of andere manier toch altijd nog met oog voor het liedje. En zelfs met een verborgen soft kantje, zo blijkt ergens halverwege “Blood On The Keys”, als Myers voorwaar zelfs even aan het slowen gaat. Al levert dat dan ook het soort van tegeltrekker op, dat wellicht ooit op de één of andere HBO-soundtrack à la “True Blood” belanden zall. Duidelijk niks voor pussies, deze muzikale splinterbom. But we love it!

A.a.j.h.v.: Black Diamond Heavies, Iggy & The Stooges, de latere Tom Waits, Screaming Jay Hawkins.

James Leg

 

TREVOR ALGUIRE “Perish In The Light” (Trevor Alguire)

(4****)

Trevor Alguire is al sinds jaar en dag één van onze absolute lievelingsartiesten. En met “Perish In The Light”, zijn ondertussen toch ook al zesde cd, zal er in die status zeker geen verandering gaan komen. Geflankeerd door een stelletje absolute toppers levert de Canadese songsmid met die nieuwe van ‘m immers ontegensprekelijk z’n allersterkste plaat tot op heden af. We noemen in dat verband onder meer graag collega’s Catherine MacLellan en Meaghan Blanchard, de onder meer van haar fiddle-kunstjes voor Great Lake Swimmers en Belle Star bekende Miranda Mulholland en pedal steel-fenomeen Bob Egan. Samen met nog een goede handvol andere muzikanten begeleiden zij Alguire op een wat ons betreft uitermate aangename trip doorheen tien nieuwe eigen liedjes.

Liedjes, waarin Alguire je tekstgewijs uitnodigt om ook zelf aan het mijmeren te gaan over je eigen leven. Over lang vervlogen liefdes, over overleden dierbaren, over dat licht dat aan het eind van elke tunnel weer bleek te schijnen. En dat doet hij in een context van voornamelijk eerder intimistisch gehouden folk en Americana. Al bewijzen nummers als het net wat snedigere “Flash Flood” en “You Don’t Write Anymore” dat zulks voor Alguire zeker geen obsessie geweest is.

Vooral iets voor de liefhebbers van acts als de jonge Steve Earle, Jackson Browne, Robert Earl Keen, Stephen Simmons en aanverwanten, zo lijkt ons.

Onze luistertip: het mede door de immer sublieme duetzang van Catherine MacLellan van een bevreemdende schoonheid getuigende retro-folkkleinood “My Sweet Rosetta”. Da’s wat ons betreft één van de allermooiste liedjes van 2016 so far.

Trevor Alguire

 

NICK WATERHOUSE “Never Twice” (Innovative Leisure)

(5*****)

Als u al iets van Nick Waterhouse in huis heeft, dan zit u allicht niet te wachten op onze mening over ’s mans nieuwste worp. Neen, dan heeft u ‘m wellicht al een poosje ergens in voorbestelling staan. Dan kijkt u met hangende pootjes uit naar de dag dat het zover is, dat u hem eindelijk ook zelf in handen kan houden. En natuurlijk heeft u dan overschot van gelijk! Nick Waterhouse is immers een echt fenomeen. Van alle dezer dagen met klassieke soul en R&B aan de slag zijnde youngsters allicht dé meest begenadigde. Alleszins één van de creatiefsten van de klas, zoveel is wel zeker.

En dat onderlijnt hij met veel verve ook weer op “Never Twice”, zijn derde volwaardige langspeler. Daarvoor ging hij opnieuw aankloppen bij de ook van zijn werk met onder anderen Black Lips, Allah-Las en Ty Segall bekende producer Michael McHugh. Een samenwerking die quasi garant stond voor een boven elke verdenking staand authentiek aandoend geluid. En dat al zeker als je weet, dat McHugh voor de opnamen van de opvolger van “Time’s All Gone” en “Holly” ook nog eens klasbakken als jazz-fluitist Bob Kenmotsu, saxmaestro Ralph Carney, toetsenist Will Blades en anderen naar de studio wist te lokken.

Tien nummers lang weet Waterhouse hier weer te boeien. Tien nummers lang beweegt hij zich uitermate catchy op het scherp van de snee. Wat hij brengt is een werkelijk van het potentieel barstende cocktail van elementen uit fifties R&B, old school club jazz, sixties soul en boogaloo en in iets mindere mate rock. Met de flair van een door de wol geverfde zwarte veteraan swingt hij doorheen ongegeneerd op de benen mikkend spul als een “Old Place”, een “Katchi” en een “Tracy”. Maar ook wat ingetogener momenten als het jazzy “Stanyan Street” en de pianoballade “Lucky Once” mogen er zeker zijn.

Geile Mucke noemen ze zoiets in Duitsland. Geef toe: klinkt zoveel beter dan fantastische muziek. Maar dat is het dus wel! Fantastische muziek! Van het allerbeste wat 2016 al te bieden had.

Nick Waterhouse

 

THE O’S “Honeycomb” (Punch Five Records)

(3,5****)

De dagen dat we John Pedigo en Taylor Young nog uitgebreid moesten voorstellen, die liggen ondertussen ook alweer een aardig eindje achter ons. Met “Honeycomb” zijn beide heren inmiddels al aan hun vierde worp samen toe. Als The O’s besprenkelen ze sinds de zomer van 2008 vanuit Dallas, Texas de wereld met altijd weer ongemeen okselfris aandoende rootsmuziekjes. Not your average Lone Star State stuff, zoveel is zeker. Iets wat we hier trouwens ook absoluut niet verwachten van knapen met een gemeenschappelijke achtergrond in nadrukkelijk wat alternatiever ingestelde acts als Slick 57, Rose County Fair, Polyphonic Spree en andere.

Op de opvolger van het zo’n drie jaar geleden verschenen “Thunderdog” doen Pedigo en Young het uitsluitend met eigen liedjes. Twaalf stuks in totaal. Catchy deuntjes die op ongemeen inventieve wijze pop, rock en Americana met elkaar weten te verzoenen. Best wel een beetje primitief aandoend bij momenten, maar misschien wel juist daardoor zo aanstekelijk werkend. Met wat meer dan voorheen aandacht voor hun samenzang en vooral ook weer met loads of banjo, akoestische gitaar en harmonica. Sympathiek rammelend en heerlijk down to earth allemaal.

Met als meest in het oog springende momenten wat ons betreft de knappe, hees-ruige trage “Burning Red”, het samen met hun maatje Justin Currie van Del Amitri gebrachte en echt wel radiorijpe “Woken Up” en zeker ook het zich ook al ogenblikkelijk knus tussen de oren nestelende rootspopdondertje “Fourteen Days”. Word je zowat op slag goed gezind van, van dat laatste liedje!

Voor de productie van “Honeycomb” tekende Chris “Frenchie” Smith.

The O’s

 

ROBERT BOBBY “Robert Bobby Goes Electric” (I Like Mike)

(3,5****)

De EP “Robert Bobby Goes Electric” doet op de keper beschouwd eigenlijk gewoon exact wat z’n titel belooft. Vier nummers lang gaat Bobby (zang en akoestische gitaar) in het bijzijn van Chad Kinsey (akoestische en elektrische gitaren), Mike Bitts (bas), Paul Murr (drums en percussie), Tom Principato (elektrische gitaren), Ken McCoy (sax) en Matt Thomas (keyboards) daarop immers elektrisch. En da’s een aanpak die duidelijk rendeert.

Met de nummers “True Believer”, “Ted Williams”, “Mason Dixon Line” en “Just Another Heart To Break” verdient Bobby zich wat ons betreft probleemloos een stekje naast enigszins vergelijkbare collega’s als een Dan Israel, een Tom Petty, een Marshall Crenshaw, een Nick Lowe en een Graham Parker. Vaardig met woorden als hij is palmt hij je als luisteraar in no time in met z’n voorzichtig rootsy rockende liedjes met hoog country- en folkgehalte. En ook een slow als het afsluitende “Just Another Heart To Break” ging er hier in als zoete koek.

Bij een volgende gelegenheid daarom graag meer! Véél meer!

Robert Bobby         

 

THE INFAMOUS ROOTS RIELEMANS FAMILY ORCHESTRA “Time Of The Day” (Lie Records / Donor Productions / Bertus)

(4****)

Ons kent ons in het Vlaamse rootswereldje en dat resulteert zo nu en dan bijna als vanzelfsprekend in interessante samenwerkingen. Meestal gewoon op elkaars platen, maar in dit specifieke geval in een compleet nieuwe groep. The Infamous Roots Rielemans Family Orchestra! Met aan boord het u ongetwijfeld ook van Billy & Bloomfish bekende duo Kathleen Vandenhoudt en Pascale Michiels, songsmid Bruno Deneckere, snarenvirtuoos Nils De Caster en de voor een vleugje exotisme verantwoordelijk Luis Márquez. En die zorgen meteen voor een debuut van formaat. Een rootsplaat zó gevarieerd en rijk dat we er de eerste paar keren met de mond werkelijk wagenwijd open hebben zitten naar luisteren. Ronduit indrukwekkend gewoon!

Openingsnummer “Who’s That Man?” is zo bijvoorbeeld een omineuze swampy sleper van het genre zoals je die eerder van een Buddy en een Julie Miller verwachten zou, het meteen daaropvolgende “Life’s Too Short” hinkt hypernerveus een eindje weg over nog onverharde Americana-paden, “Deep In My Soul” is heerlijk lijzig vertier zoals dat tot voor kort eigenlijk alleen op zomerse vooravonden op back porches in het diepe Zuiden van de States leek te kunnen worden voortgebracht en het speelse “Sentimental Blue” op zijn beurt fijne roots pop die ons om de één of andere reden spontaan deed terugdenken aan de begindagen van de lichtjes geweldige Brendan Croker.

“Doing It Right” zorgt vervolgens jazzgewijs voor een moment van complete onthaasting, voor het opzwepende “Caravana” verzonnen wij zo ongeveer ter plaatse de term exoticana en het in het zog daarvan onder meer door een sympathiek mondharmonicaatje geweldig charmerende “Lowlands Clay” werd duidelijk geboetseerd naar Amerikaanse border music-voorbeelden.

De tweede helft van “Time Of The Day” wordt ingezet met “The Fire That Burns”, een pracht van een verhalende ballad met een met name zanggewijs aardig hoog Dani Klein-gehalte. En dat mag u beschouwen als een flink compliment! Via het swingende, deels a capella gebrachte “Talking Too Much” gaat het vervolgens ook nog langs de bedaarde countrydeun “The Rest Of My Life”, het daar met veel soulvolle flair quasi perfect bij aansluitende “I’d Do It Again”, old-timey titelnummer “Time Of Day” en de met name door z’n onvoorstelbare ideeënrijkdom muzikaal gezien ronduit bevreemdend werkende afsluiter “The Landlord And His Maiden”.

Als u dit jaar nog één Belgische plaat koopt, doe uzelf dan een plezier en laat het deze zijn. U zal het zich hoegenaamd niet beklagen! Hoegenaamd niet…

(U kan de Rielemansen binnenkort ook live aan het werk zien. Met name in Gent (30-09 en 01-10, Bij de Vieze Gasten), in Bree (06-10, CC De Breughel), in Dranouter (07-10, Den Ekster), in Brussel (08-10, AB) en in Antwerpen (09-10, Zuiderpershuis).)

The Infamous Roots Rielemans Family Orchestra

 

ANTHONY D’AMATO “Cold Snap” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Net als voorganger “The Shipwreck From The Shore” van twee jaar geleden is ook “Cold Snap”, de nieuwe van de jonge Amerikaanse songsmid Anthony D’Amato, weer een echte dijk van een plaat geworden. In een productie van de je onder meer ook van zijn werk met Bright Eyes en First Aid Kit bekende Mike Mogis slaat hij wat je noemt een onvervalste homerun. “Cold Snap” is een bijna voortdurend de perfectie benaderend geheel dat met name bij liefhebbers van het materiaal van acts als het al genoemde Bright Eyes, Josh Ritter, Josh Rouse, Sufjan Stevens en aanverwanten erg hoge ogen zou moeten kunnen gooien. Folk based spul maar dan wel met nadrukkelijke uitlopers richting zowel Americana, pop als rock. En behoorlijk weelderig uitgedost bovendien ook, met zo menig een onverwachte instrumentale gast.

In zijn teksten gaat D’Amato ditmaal vooral in op de kloof gapend tussen perceptie en realiteit, tussen projectie en waarheid, tussen wie we zijn en hoe we door anderen worden gezien. Een hoogst interessant uitgangspunt, moet ik zeggen. Vandaag de dag meer dan ooit.

Bijgestaan werd D’Amato bij het inblikken van “Cold Snap” onder meer door Conor Oberst van Bright Eyes en leden van zowel The Faint als Cursive. Met z’n allen zorgen zij voor een bij momenten aardig overweldigend geluid. Ongelooflijk rijk aan detail, tot in de puntjes verzorgd, echt ideaal als achtergrond voor de even markante als krachtige stem van D’Amato zelf.

Hoogtepunten noemen heeft hier wat mij betreft echt geen enkele zin. “Cold Snap” kent immers absoluut geen zwakkere momenten. Het album staat integendeel juist ontzettend sterk als geheel.

Anthony D’Amato

 

LEFT LANE CRUISER “Beck In Black” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Beck In Black” – Leuke woordspeling! – is een door Brenn “Sausage Paw” Beck, de voormalige drummer van die groep, samengestelde compilatie met Left Lane Cruiser-liedjes van hun eerste albums voor Alive Naturalsound Records. Die werden geremasterd en aangevuld met een zestal niet eerder verkrijgbare deunen.

De meest in het oog springende daarvan is een werkelijk fantastische swampy cover van Hoyt Axtons klassieker “The Pusher”. Niet voor niets allicht de lijsttrekker van deze in totaal veertien eenheden trashed-out punk blues bevattende collectie. Een aftrap in stijl! Andere nieuwigheden zijn het ook al heel erg groovy aandoende “Bloodhound”, Becks signature song “Sausage Paw”, het wat bedaardere “Maybe” en het afsluitende duo bestaande uit de frenetieke boogie rocker “Chicken” en een instrumentale versie van “Juice To Get Loose”.

Oude bekenden zijn dan weer “Circus”, “G Bob”, “Zombie Blocked”, het met Jim Diamond gebrachte “Chevrolet”, “Crackalacka”, het met labelmaatje James Leg gedeelde “Hip Hop”, “Heavy” en “Amy’s In The Kitchen”.

Left Lane Cruiser       

 

RODNEY PARKER & 50 PESO REWARD “Bomber Heights” (RP50PR)

(3,5****)

Na het geslaagde EP-duo “The Apology: Parts 1 & 2” schotelen Rodney Parker en de zijnen ons met “Bomber Heights” eindelijk opnieuw een volwaardige langspeler voor. Negen nummers telt dat door de onder meer ook van zijn werk met Justin Townes Earle en Centro-Matic bekende Matt Pence geproduceerde nieuwe album. En die staan op de keper beschouwd voor een flinke stap vooruit. In die zin, dat Parker en z’n maats er hun horizonten aardig op verruimen. Niet langer nadrukkelijk hengelend naar commercieel succes, noch naar gemakkelijke airplay vinden ze haast en passant een volstrekt eigen niche binnen het huidige Red Dirt-aanbod.

Het album, dat z’n titel ontleende aan de naam van een buurt in Parkers nieuwe thuishaven Fort Worth, vormt als het ware een breekijzer om uit het voor de heren stilaan benauwend werkende keurslijf van Americana te ontsnappen. Zonder daarbij hun roots volledig te verloochenen nemen Parker en die van 50 Peso Reward met “Bomber Heights” vastberaden het risico om ons met een beduidend meer rockgeoriënteerd geluid te overvallen. En dat was toch wel even wennen.

Melodieus spul à la opener “Steppin’ Into The Sunshine”, “Skin And Bones” en “The Road Between None And Some” krijgt daardoor paradoxaal genoeg juist iets radiogenieks mee. Al hebben we het dan wel over radiogeniek in de zin van uitermate geschikt voor indie stations. Zoals bijvoorbeeld ook de Replacements dat indertijd waren.

Wat alleszins gebleven is, zijn de warmbloedige vocals van Parker zelve, diens immer pakkende liedjes en het vakmanschap van alle al langer bij het project betrokkenen. Het wellicht allermooiste voorbeeld daarvan is het mede door de blazersbijdragen daaraan bepaald soulvol uitgevallen “The Day Is Coming”. Dat is voor ons alvast de primus inter pares hier. En dat met als dichtste achtervolger de snedige Americana rock van “Night In My Hand”.

Rodney Parker & 50 Peso Reward        

 

SHOVELS AND ROPE “Little Seeds” (New West Records / PIAS)

(5*****)      

Ladies and gentlemen, we’ve got ourselves a winner… Een volbloed-plaat van het jaar! Een regelrechte moordschijf! Een album dat Americana eigenhandig naar een beduidend hoger niveau tilt. Verantwoordelijken daarvoor? De muzikale echtelieden Michael Trent en Cary Ann Hearst. Het tweetal dat onder de vlag Shovels And Rope de voorbije jaren al meermaals in uiterst gunstige zin van zich deed spreken. Wij denken daarbij graag nog eens terug aan het trio voorgangers bestaande uit “O’Be Joyful”, “Swimmin’ Time” en “Busted Jukebox, Volume 1”. Stuk voor stuk verplicht aanwezigen in elke zichzelf respecterende Americana-platencollectie.

En dat is nieuwe worp “Little Seeds” alleen nog maar meer. Dat is immers ontegensprekelijk Shovels And Rope’s meest avontuurlijke plaat tot op heden geworden. Nieuw terrein wordt verkend en dat op een werkelijk onwaarschijnlijk creatieve manier. Alsof de White Stripes Americana aan het snuiven zijn gegaan, zoiets…

Uitgangspunt voor het inhoudelijke aspect van “Little Seeds” vormden twee recente gebeurtenissen, die het leven van onze twee protagonisten aardig op z’n kop zetten. Eerst en vooral was er natuurlijk de geboorte van hun eerste kindje samen. Maar een misschien nog wel ingrijpender gegeven dan dat was het intrekken van Trents ouders bij het koppel, een situatie ingegeven door de snel achteruitgaande gezondheidstoestand van z’n vader bij wie de ziekte van Alzheimer werd vastgesteld. Nieuw leven versus het knagende besef van de eigen sterfelijkheid, de cirkel zo’n beetje rond zou je denken, maar dat natuurlijk niet zonder de aan beide gebeurtenissen eigen gevolgen en al zeker niet zonder het nodige getob.

Denkwerk over de toestand van Trents vader leverde ons inziens alvast enkele van de allermooiste momenten van “Little Seeds” op. Zo is er om te beginnen het ingetogen, z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Mourning Song”. Daarin springt Trent op geniale wijze om met de vraag hoe het voor zijn moeder zal zijn als zijn vader er niet meer is. Echt een heerlijk liedje! Instant herkenbaar voor al wie ooit met hetzelfde gegeven geconfronteerd werd. De springerige uptempo popdeun “Invisible Man” gaat van zijn kant dan weer in op het onvermogen van Trents vader om nog langer alles geestelijk te kunnen bevatten. En het moet gezegd: ook dat is weer een geweldig liedje.

Andere echte topmomenten van “Little Seeds” vonden wij hier met name de meteen door de fijne samenzang van Trent en Heard erin opvallende hommage aan het adres van Garth Hudson van The Band “The Last Hawk”, “Botched Execution”, het tegen een muzikaal grimmige achtergrond neergelegde verhaal van een veroordeelde op de vlucht, en “Missionary Ridge”, nog zo’n sublieme story song, teruggrijpend naar het nakende einde van de Civil War in 1863. En dan vergaten we bijna nog het sonoor gedeclameerde, de maasaschietpartij in de Emanuel African Methodist Episcopal Church in Charleston een plaatsje gevende “BWYR” en het zich catchy stompend over hun eigen relatie buigende “Buffalo Nickel”.

Shovels And Rope

 

RANDALL BRAMBLETT “Devil Music” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

“I’m pullin’ from a deep well on this album,” aldus Randall Bramblett recentelijk over zijn nieuwe worp “Devil Music”. “It’s my experience of black and white culture in the south, and how it feels to grow up here with all the religion and pain and conflict and joy – and then there’s all that dancing…” Het blijken op de keper beschouwd veelbetekenende woorden. ‘s Mans tiende worp tot op heden is immers een behoorlijk intense bedoening geworden. Devil music indeed.

Centraal nummer is ontegensprekelijk het titelstuk. In dat beklijvende streepje swamp funk buigt onze man zich over de relatie tussen blues legend Howlin’ Wolf en diens moeder. Die zag in haar zoon een ware verpersoonlijking van de duivel. Die muziek, weet u wel… Meteen een allereerste highlight. En zo volgen er nogal wat! Van het over heerlijk funky gitaarwerk wegrockende “Bottom Of The Ocean” en het onder meer door de fameuze slidebijdragen van gast Derek Trucks eraan hoogst bevreemd werkende “Angel Child” over het door Chuck Leavell pianogewijs van een serieuze shot boogie bediende “Reptile Pilot” tot het bepaald creepy neergelegde “Whiskey Headed Woman” en de knappe Southern rocker “Strong Love”. Maar hét echte klapstuk van “Devil Music” is voor ons toch openingsnummer “Dead In The Water”. Dat swampy kleinood heeft echt alles om het binnen afzienbare tijd erg ver te gaan schoppen. Onder meer ook een geweldige gitaarbijdrage van voormalig Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler.

Ronduit verslavend werkend spul! En echt wel Brambletts allerbeste so far.

Randall Bramblett

 

LIBBY KOCH “Just Move On” (Berkalin Records)

(3,5****)

Als je, zoals Libby Koch, een carrière als succesvolle advocate achter je laat in ruil voor een toch relatief onzeker bestaan als muzikante, dan getuigt dat ons inziens niet enkel van een kloek stel balls maar vooral ook van een rotsvaste overtuiging in jezelf. En dat volkomen terecht ook. Dat bewijst de volbloed-Texaanse nog maar eens ten voeten uit op haar nieuwe worp “Just Move On”.

Op die opvolger van het twee jaar geleden verschenen “Tennessee Colony” pakt ze uit met elf nieuwe “cryin’ and leavin’ country songs”. Eerder klassiek uitgevallen countrydeuntjes, zeg maar, met zo nu en dan een zekere hang naar Americana, gedragen door een stem als het ware voorbestemd om precies in die niche actief te zijn.

Voor de productie van “Just Move On” tekende de gerenommeerde Bill VornDick. En hij mocht in de studio naast Koch zelve verder onder meer ook nog Bruce Dees, Bob en Lynn Williams, Sonny Garrish, Glenn Worf, Bobby Ogdin, Aubrey Haynie, Michael Black, Eric Brace, Vickie Carrico en Andrea Zonn begroeten. Een uitstekend team, als u het ons vraagt!

Onze luistertips: het klaaglijke, met name door de fraaie wisselwerking tussen de steel van Garrish en de stem van Koch erin opvallende “Don’t Know How”, de fijne poppy Americana van titelnummer “Just Move On” en vooral ook de gloedvolle afsluitende ballad “Wish You Were Here”. Drie prima voorbeelden van het we zouden haast zeggen onopvallend goede songmateriaal van Koch.

Libby Koch

 

JENNY BERKEL “Pale Moon Kid” (Pheromone Rec. / Suburban)

(4,5*****)

De kans dat u de jonge Canadese Jenny Berkel al kent lijkt ons eerlijk gezegd redelijk groot. Misschien niet van haar nochtans erg knappe debuutplaat “Here On A Wire” van ondertussen zo’n jaar of vier geleden, maar zeker wél als de heerlijke stem achter Daniel Romano in diens begeleidingsgroep The Trilliums. En die Romano is het ook, die voor de productie van haar zogeheten moeilijke tweede tekende. “Pale Moon Kid” heet die en hij bevat netjes verspreid over een A- en een B-kantje elf nieuwe Berkel-liedjes.

Liedjes die vrijwel meteen opvallen door hun sterk poëtische karakter, maar misschien nog wel meer door hun evocatieve aard. Met Berkels weelderige stem als sterkste troef zonder meer. En met de fijne gitaarbijdragen van grootmeester Romano zelve eigenlijk alleen maar als aangename surplusjes. In de schemerzone tussen pop, rock, folk en Americana goed voor dik zesendertig minuten van een welhaast onaardse schoonheid. Seductief als een Margo Timmins en een Hope Sandoval in hun hoogdagen. En daarmee zou u eigenlijk genoeg moeten weten.

Mocht dat toch nog niet het geval zijn, dan raden we u bij wijze van introductie een korte luisterbeurt naar het trio “Half Dream”, “St. Denis” en “Pale Moon” aan. Na die drie ingetogen songschoonheden bent ook u gegarandeerd verkocht voor het leven. Wedje?

Jenny Berkel

 

JOSEPH PARSONS “The Field The Forest” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“The Field The Forest”, het nieuwe album van Joseph Parsons, valt in eerste instantie op door z’n wat aparte vormgeving. Het blijkt daarbij immers niet om een klassieke cd maar om twee EP’s te gaan, die elk een ander facet van de songsmid Parsons lijken te willen belichten. De zes het radiovriendelijke “The Field” bevolkende liedjes blijken bij nader inzicht uiteenzettingen over de thema’s relaties en verlossing. De zes op het een pak snediger ingevulde “The Forest” zoeken hun weg doorheen onderwerpen als sterfelijkheid, oorlog en liefde.

Persoonlijk ging mijn voorkeur uit naar “The Field”. Dat bevat met de fraaie rootspopdeun “Berlin”, het moody liefdesliedje “Don’t Belong” en het vertederende “Fragile Moon” de naar mijn gevoel drie sterkste liedjes van Parsons’ nieuwe worp. Van “The Forest” bleven me vooral het een aardig eindje wegrockende “Scream” en de mooie folky afsluiter “Horizon” bij.

Voor de productie van “The Field The Forest” tekende Parsons zelf. Inspelen deed hij (zang, akoestische gitaar en keyboard) het geheel samen met Ross Bellenoit (elektrische, akoestische en baritongitaren), Sven Hansen (drums en percussie) en Freddi Lubitz (bas en backing vocals). En gastbijdragen waren er voorts ook nog van Axel Steinbiss (piano, Wurlitzer, Hammond en mellotron), Lisa Kezer (backing vocals) en Tom Albrecht (keyboards).

Joseph Parsons

 

DYNAMITE BLUES BAND “Kill Me With Your Love” (Dynamite Blues Band / Sonic Rendezvous)

(4****)

Album nummer twee voor de Nederlandse Dynamite Blues Band. En wat voor één! Op de opvolger van hun twee jaar geleden verschenen debuutplaat “Shakedown & Boogie” knallen de je wellicht ook wel van hun periode bij Big Blind bekende Wesley van Werkhoven (zang, harmonica en piano), JJ van Duijn (gitaar) en Niels Duindam (drums) er in het gezelschap van Renzo van Leeuwen (bas) een aardig eindje op los. Hun nieuwe schijf bulkt werkelijk van de nummers waarvan je al na één enkele beluistering weet, dat ze binnenkort live weer flink stukken zullen gaan maken. Heerlijk vuig en vettig allemaal!

Van het wervelend rockende openingssalvo “Even If You Want To” tot de hypernerveuze boogiehybride “Trash And Rumors”, van het aanstekelijk stuiterend al snel in gure muzikale achterbuurten verzeild gerakende “Dirty Minded” tot het met fijn smoelschuifwerk ingeleide titelnummer, van de nog volop naar klassieke R&B geurende trage “Strong Love” tot het stomende, met fantastische blazers opgewaardeerde “Dynamite Momma”, het lekker creepy ingevulde “The Big Unknown” en alles wat dan nog volgen moet, zo hebben wij onze bluescocktail dus graag, zie!

Absoluut niet te missen!

Dynamite Blues Band

 

JON BODEN “Painted Lady” (Navigator Records)

(3,5****)

Bellowhead is niet meer. Dat las u hier naar aanleiding van het fantastische “Bellowhead Live: The Farewell Tour” al eerder. En dus lijkt de tijd rijp om de solocarrière van kopstuk Jon Boden een duwtje in de rug te geven. Iets wat in eerste instantie te gebeuren staat met een heruitgave van ’s mans al in 2006 verschenen debuut. Naar aanleiding van de tiende verjaardag ervan zal label Navigator Records “Painted Lady” uitgebreid met een drietal bonus tracks opnieuw uitbrengen. Op 30 september aanstaande meer bepaald.

Voor wie de plaat nog niet kennen zou wacht er een stevige verrassing. En al zeker als de aanleiding tot het checken ervan Bodens werk met Bellowhead zou zijn. Dit is immers geheel en al andere koek. Dit komt uit een flink wat vreemdere hoek. Een veel donkerdere ook. En het is derhalve ook niet eenvoudig met woorden te vatten. “An album of distorted love songs,” lazen we ergens. En hoe juist dat ook is, toch zegt het maar weinig over “Painted Lady”. Zeker wat betreft het muzikale aspect ervan dan.

Boden mag nu eenmaal graag experimenteren. Het ene moment klinkt hij nog redelijk traditioneel, als een soort van eigentijdse Nick Drake op de keper beschouwd. Het andere laat hij zich nog nauwelijks stilistische beperkingen opleggen. Zijn akoestische folkidioom uitbreidend met rauwe elektrische gitaarbijdragen en zelfs wat gestoei met eigentijdse elektronica. En dat werkt bij momenten aardig bevreemdend. Onze gedachten dwaalden zo terloops bijvoorbeeld af tot bij een Tom Waits, een Jimi Hendrix en zelfs een Kate Bush.

Onze ook nu weer onverbintelijke luistertips: het aardig Waitsiaans aandoende rammelaartje “Get A Little Something”, het ijl-sfeervolle titelnummer en het op hoogst eigenzinnige wijze één van Whitney Houstons grootste hits tot ware folkkunst verheffende “I Want To Dance With Somebody”, één van de drie bonus tracks aan het einde van het geheel.

Jon Boden

 

NICK MOSS BAND “From The Root To The Fruit” (Blue Bela Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met “From The Root To The Fruit” flikken blues maestro Nick Moss en z’n kompanen ons een eigenaardig kunstje. Op dat in twee zo goed als totaal verschillende helften uiteengevallen geheel blikken ze enerzijds terug op hun verleden, anderzijds vooruit naar de toekomst. Eén cd met aandacht voor hun roots dus, één met wat ze zelf de vruchten van hun noeste arbeid noemen, de fruits. Al bij al eigenlijk een soort van carrièreretrospectieve, maar dan wel één met louter nieuwe songs.

Chicago blues met uitlopers richting Texas swing en klassieke shuffles versus materiaal waarin het vernieuwende aspect van veel groter belang is. Terugvallen op vertrouwde structuren versus eindeloze improvisatiemomenten. Het verdeelde op de keper beschouwd niet enkel het album in twee duidelijke helften, maar ook ons gevoel ten aanzien ervan. Laaiend enthousiasme voor het naar Moss’ roots teruggrijpende eerste schijfje versus compleet tegenovergestelde gevoelens voor de fruits. Mochten de twee apart te koop worden aangeboden, dan zouden we de eerste cd van ganser harte aanbevelen, maar de tweede, tja... Al moeten we wel toegeven, dat de soulvolle zang van Michael Ledbetter ons ook daarop bij tijd en wijle flink wist te bekoren. En al zeker in de wat tragere stukken.

Bekende gasten die aan “From The Root To The Fruit” hun medewerking verleenden zijn David Hidalgo van Los Lobos, Jason Ricci en Sax Gordon. Voor de productie ervan tekende Nick Moss zelf.

Nick Moss Band

 

MATT HARLAN & RACHEL JONES “In The Dark” (Berkalin Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Gedurende de maand oktober zakt Matt Harlan andermaal naar onze kontreien af. Een Belgisch optreden zit er ditmaal helaas niet in, maar hij en zijn partner Rachel Jones zullen wel uitgebreid toeren doorheen Nederland. Met tot hiertoe bevestigde haltes in Den Haag, Grootschermer, Steendam, Groningen, Amsterdam, Middelburg, Utrecht, Hieslum en Eindhoven. En misschien zit daar wel iets tussen wat in je agenda past. Het is alleszins de moeite van het proberen waard, want de twee zullen er hun fantastische eerste cd samen komen voorstellen.

“In The Dark” heet dat schijfje en het is eigenlijk gewoon een logisch vervolg op “Raven Hotel”, Harlans vorige, want ook daarop was Jones al uitgebreid te horen. Acht liedjes prijken er in totaal op. En dat brengt ons meteen bij het enige puntje van kritiek dat we er hier op hebben. Met nog geen zevenentwintig minuten speeltijd is “In The Dark” immers aan de eerder korte kant uitgevallen. Bij een volgende gelegenheid toch maar iets meer graag! En al zeker als het van de kwaliteit van het hier gebodene kan zijn!

Harlan bevestigt met de eigen liedjes op “In The Dark” immers andermaal z’n plaatsje net achter groten als een Townes Van Zandt en een Guy Clark waard te zijn. Veel meer dan twee mooie stemmen en een akoestische gitaar is er niet nodig om een diepe indruk na te laten. Alles draait om de eenvoud, weet je wel. Al gebiedt eerlijkheid ons wel ook occasionele bijdragen van Tony Barilla op accordeon en keys, Steve Candelari op drums en Willy T Golden op lap steel te vermelden. Gewoon kwestie van toch wat variatie te garanderen wellicht.

Ver zoeken doet Harlan de onderwerpen voor zijn teksten ook ditmaal weer niet. Met name het dagelijkse leven blijkt andermaal een dankbaar gegeven. Liefde, leed, labeur, het eigen muzikantenbestaan, het zijn maar enkele van de items die daarbij aan bod komen. Onze luistertips: het werkelijk verbluffend mooie titelnummer en het afsluitende “Mozart”, waarin de stemmen van Harlan en Jones rond het thema reïncarnatie kortstondig iets heel moois samen hebben.

Matt Harlan, Lucky Dice Music

 

ANNA ELIZABETH LAUBE “Tree” (Ahh…Pockets! Records)

(4****)

That’s right, “Tree” en niet “Three”! Het betreft hier immers niet het derde, maar al het vierde album van de Amerikaanse Anna Elizabeth Laube. De dezer dagen vanuit Seattle opererende zingende liedjesschrijfster voegde ondanks om voor ons compleet onduidelijke redenen het tweede deel van haar doopnaam aan haar artiestennaam toe. De Anna Laube uit de titel van haar hier vorig jaar nog de sterren in geprezen derde lijkt daarmee echter definitief tot het verleden te behoren.

Openen doet Laube haar nieuwe album met een supermooie countryvertolking van Bob Dylans “Wallflower”. Eén van slechts twee covers hier zoals later blijken zal. De tweede is een al bij al veel minder voor de hand liggende. Daarbij gaat het immers om een zo mogelijk nog knappere, verstilde ballad-uitvoering van “XO” van R&B-diva Beyoncé. Een waar huzarenstukje!

Voor het overige stoten we op “Tree” enkel nog op Laube-originelen. En ook die mogen er echt zonder uitzondering wezen. Daarbij vrijwel voortdurend agerend ergens tussen Americana, country en folk buigt Laube zich in de resterende zeven liedjes over thema’s als het loslaten van het verleden, een thuis vinden en één worden met de natuur. Heel erg down to earth allemaal. En dat maakt het door de band genomen redelijk gemakkelijk om je als luisteraar met haar materiaal te vereenzelvigen.

Vooral momentjes als de eerder al genoemde covers, het fraaie trage countrywalsje “I Miss You So Much”, het door een honderd jaar oude silver maple in de tuin van haar ouders geïnspireerde titelnummer, de soulvolle sleper “Longshoreman” en het lijzig swingende “Sunny Days” maakten hier vanaf dag één een blijvende indruk.

Prima plaatje weer, mevrouw Laube!

Anna Elizabeth Laube

 

TINSLEY ELLIS “Red Clay Soul” (Heartfixer Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Op “Red Clay Soul”, de opvolger van het zo’n anderhalf jaar geleden verschenen en letterlijk onder de lovende kritieken bedolven “Tough Love”, maakt veteraan Tinsley Ellis er hoegenaamd nergens een geheim van zwaar beïnvloed te zijn door all things Southern soul. En met name de varianten geboren en getogen in Memphis en Muscle Shoals lijken daarbij nadrukkelijk zijn voorkeur te genieten. En dat gegeven gekoppeld aan zijn bij momenten werkelijk zinnenprikkelend knappe gitaarspel beïnvloed door zo ongeveer alle Kings, van B.B. over Albert tot Freddie, levert wat ons betreft één van de allermooiste bluesplaten van 2016 so far op. Hier mag zonder al te veel nadenken een stickertje met “Warm aanbevolen!” op.

Met “All I Think About” vliegt Ellis er meteen stevig in. Mocht er na al die jaren nog iemand twijfelen aan z’n gitaristieke kwaliteiten, dan wordt die hier meteen voor eeuwig en altijd het zwijgen opgelegd. In het zomers catchy “Givin’ You Up”, geschreven en gebracht met Oliver Wood van de Wood Brothers, is het vervolgens meer de zanger Ellis die centraal komt te staan. En ook die slaagt natuurlijk met brio.

Met “Callin’” belanden we nadien in slow blues-territorium alvorens met het ons best wel wat aan de vroege Robert Cray herinnerende “Anything But Go” de blik nadrukkelijk richting Memphis gaat. Vervolgens is er het op ongemeen groovy wijze de schemerzone tussen blues en soul verkennende “Hungry Woman Blues”. Een bescheiden hoogtepuntje is dat. En dat is zeker ook de meteen daaropvolgende shuffle “Circuit Rider”. Veel aanstekelijker worden ze ons inziens immers amper nog gemaakt.

Het bedaard (blues)rockende “Don’t Cut It”, de zalige jazzy sleper “Party Of One”, de ongegeneerd – Bijna op z’n Santana’s! – met een Latin-ritme stoeiende instrumental “Estero Noche” en het zijn verteller voor een verschroeiende keuze plaatsende “The Bottle, The Book Or The Gun” vervolledigen het geheel.

Wij zouden dit zomaar Ellis’ allerbeste plaat tot op heden durven te noemen. U ook?

Tinsley Ellis

 

PHIL BEE’S FREEDOM “Memphis Moon” (Continental Record Services)

(3,5****)

“Memphis Moon” is de titel van de binnenkort te verschijnen tweede cd van Maastrichtenaar Phil Bee en z’n nieuwe band. Als Phil Bee’s Freedom brachten ze zo’n twee jaar geleden ook al “Caught Live” uit, maar dit is hun eigenlijke studiodebuut. Een album waarmee ze hun succes als winnaars van de Dutch Blues Challenge van vorig jaar en dichte ereplaatsen in de European Blues Challenge en de International Blues Challenge in Memphis eerder dit jaar zomaar eens te gelde zouden kunnen gaan maken. “Memphis Moon” is immers een ijzersterk geheel.

Phil Bee (zang), John F. Klaver (gitaar en zang), Berland Rours (gitaar), Pascal Lanslots (toetsen), Arie Verhaar (drums), Carlo van Belleghem (bas) en Tarah Ouwerkerk, Nicole Verouden en Maartje Keijzer (backing vocals) trakteren op hun onder de auspiciën van Peter Bulkens in de Rockstar Studios in Niel opgenomen nieuwe op twaalf songs. Een lekker gevarieerd aanbod bestaande uit negen eigen originals en een drietal met veel zorg gekozen covers van materiaal van anderen. Van het repertoire van Albert King plukte men zo “Down Don’t Bother Me” weg, van dat van Van Morrison stamt een mooie lezing van de Deadric Malone-compositie “Ain’t That Loving You Baby” en bij Eric Clapton (Derek & The Dominos) haalde men “Got To Get Better In A Little While”.

De echte klapstukken van de plaat dienen wat ons betreft echter vooral te worden gezocht tussen de eigen nummers erop. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de net geen acht minuten lange, onwaarschijnlijk knappe soulvolle sleper “One Last Kiss”, het door de recente doortocht van de band doorheen Memphis geïnspireerde titelnummer, het funky opdondertje “Hold On” en “Sunday Morning”, een verdere gloedvolle ballad op z’n Cockers.

Al bij al een zeer mooi samengaan van elementen uit voornamelijk blues, soul, R&B en jazz. Met als voornaamste trekpleisters naast de ongemeen soulvolle stem van veteraan Bee zelf twee fantastische gitaristen en een toetsenman waarvoor zo menig een andere act een moord zou begaan.

“Memphis Moon” wordt op 18 september aanstaande live voorgesteld in Club Vibes in Maastricht.

Phil Bee’s Freedom, CRS

 

SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Ghost Of A Small Town” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met “Ghost Of A Small Town”, na een in eigen beheer uitgebrachte live-cd en “Burn & Shine” van twee jaar geleden de ondertussen al derde van de South Austin Moonlighters, garandeert het Duitse Blue Rose Records ons andermaal een bijzonder lekker potje Texas style roots, country & Americana rock. Ruim dertien tracks lang is het ook ditmaal weer volop smullen geblazen van het door z’n fans liefdevol tot S.A.M. omgedoopte collectiefje uit de muziekstad uit z’n naam.

Dertien nummers waaraan met name fans van acts als Little Feat, Los Lobos, de Beat Farmers, John Mellencamp, de Flying Burrito Brothers en aanverwanten zich absoluut geen buil zullen vallen. Afgetrapt wordt er met de bedaarde Americana rocker “A Year Of Decembers”. Vervolgens is er de ons op de één of andere manier een weinig aan good old Bob Seger herinnerende valse trage “Movin’ On”. “I’ll Be Coming Home” betekent in het zog daarvan even lekker funky loos gaan en “(Lyin’ On The Bottom) Mississippi River” is every bit as swampy als je van een nummer met een dergelijke titel verwachten zou. “You, Love And Me”, een co-write met Aaron Beavers van Shurman, is aansluitend daarop een catchy countryrocker met de nodige hitpotentie op z’n Texaans, “Suburban Avenue” een ook al redelijk nadrukkelijk voor een wat groter publiek bestemd lijkende power ballad, “Lookin’ For A Lover” behoorlijk groovy spul à la JJ Grey & Mofro en “Final Line” een hele fijne folk-pop ballad.

Iets van een reggaemotiefje leidt vervolgens het live vaak tot oeverloos jammen uitnodigende “Hold On” in, “She’s So Far Away” is op zijn beurt de bijdrage die de overjaarse rootsrocker in ons vanaf minuut één het meest aansprak, “Fallin’ Down” een kortstondige flirt met wat commerciëlere country, het sfeervolle “Jesus (Make Up My Dying Bed)” de enige cover van het geheel en het afsluitende titelnummer een korte instrumentale rockexercitie.

Al bij al gewoon Americana van het leukere soort.

The South Austin Moonlighters

 

FREAKWATER “Scheherazade” (Bloodshot Records)

(4****)

Tussen 1989 en 1999 schreef het vanuit Louisville, Kentucky actieve alternatieve countrygezelschap Freakwater een aardig stukje genregeschiedenis mee. Het collectief rond de voorheen al van haar bijdragen aan Eleventh Dream Day bekende Janet Beveridge Bean en Catherine Irwin was met zeven albums in die periode alleszins één van de actiefste leerlingen van de klas. En zeker ook één van de invloedrijkste. Sla er “Freakwater”, “Dancing Under Water”, “Feels Like The Third Time”, “Old Paint”, “June 6, 1994”, “Springtime” en “End Time” maar even op na en je zal meteen begrijpen waarom. Het door Beveridge Bean, Irwin en co tussen traditionele country en folk en rock gecreëerde spanningsveld was indertijd eerder ongehoord. Ze klonken als het ware als een vertaling van de Carter Family naar het hier en nu. En dat sprak vanzelfsprekend aan.

In de daaropvolgende jaren werd het vervolgens heel erg stil rond de band. Pas in 2005 zouden ze met het opnieuw meesterlijke “Thinking Of You…” een comeback maken. Maar al gauw was de pret opnieuw uit. Tussen 2006 en 2013 zouden Bean en Irwin zich immers volop gaan focussen op tal van andere projecten. Opnieuw een uitzonderlijk lange komkommertijd voor de fans dus, die uiteindelijk pas dit jaar weer uitzicht kregen op nieuw plaatwerk van hun helden. En dat is er met het bij huis van vertrouwen Bloodshot Records verschenen “Scheherazade” nu ook.

En ontgoochelen doet het allerminst. De twaalf songs erop herinneren een mens er weer eens even aan, waarom hij überhaupt ooit van alt-country is gaan houden. Echt heerlijk is het om te horen hoe de stemmen van Janet Beveridge Bean en Catherine Ann Irwin elkaar daarin net niet voor de voeten lopend nog steeds wonderwel aanvullen. Zoals dat indertijd inderdaad ook bij de Carters het geval was. Waar de groep Freakwater wat ons betreft ook na al die jaren echter nog steeds het meest door opvalt is haar songgoed. Haar country- en folkhybriden met een rocktwist blijven tot nader order echt ongeëvenaard.

Enkele van de sterkste momenten van “Scheherazade” vonden wij persoonlijk het alternatieve Emmylou-eske walsje “Number One With A Bullet”, het dromerige “Ghost Song” en een werkelijk sublieme cover van “Missionfield” van Drunken Prayer.

Nummers als deze doen je zelfs als nuchtere Vlaming nu al met hangende pootjes uitkijken naar de optredens die Freakwater binnenkort in Nederland zal komen verzorgen. Een uitje naar Amsterdam (maandag 3 oktober, Paradiso @ Bitterzoet), Nijmegen (dinsdag 4 oktober, Doornroosje @ Merleyn), Groningen (woensdag 5 oktober, Vera), Den Haag (donderdag 6 oktober, Paard van Troje) of Utrecht (zaterdag 22 oktober, Ramblin’ Roots Festival) dringt zich nadrukkelijk op.

Freakwater lives!

Freakwater

 

WILLIAM HARRIES GRAHAM “Foreign Fields” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Zoon van zijn vader William Harries Graham treedt met “Foreign Fields” al op redelijk jonge leeftijd in de voetsporen van zijn bekende pa. Bepaald goed heeft het er nochtans geruime tijd niet uitgezien voor de trots van Texaans icoon Jon Dee. Een verlammende botziekte leek een normaal leven immers lang te zullen uitsluiten. Maar als je dan zoveel vrienden hebt als zijn ouwe dan kan dat op zo’n moment onverhoopt tot een bepalende factor uitgroeien. Benefietconcert na benefietconcert zorgde ervoor dat er uiteindelijk voldoende financiële middelen vrijkwamen om Willie succesvol te behandelen. En daar profiteren we nu met z’n allen lekker mee van.

Op z’n door Mark Addison geproduceerde debuut wijst de jonge Graham er ons immers elf nummers lang op wel degelijk al uit het goede singer-songwriterhout gesneden te zijn. “Foreign Fields” sluit al bij al eigenlijk redelijk goed aan bij wat zijn vader ooit nog deed bij de True Believers. Iets wat door een bijzonder knappe cover van hun “She’s Got” alleen nog maar meer wordt geaccentueerd. Jon Dee Graham en Alejandro Escovedo als voorbeelden dus. Maar zeker ook de betreurde Kurt Cobain, wiens geest hier ook door zo menig een nummer rondwaart. Soms wat meer roots, meestal wat meer (indie)rock, da’s in een notendop samengevat de ook op de elektrische gitaar al een aardig eindje uit de voeten komende WHG.

Iets zegt ons, dat we van deze goedogende knaap in de nabije toekomst nog heel erg veel zullen gaan horen. Als zijn gezondheid dat blijft toelaten tenminste. Laat het ons met z’n allen hopen…

William Harries Graham

 

CLAIRE LYNCH “North By South” (Compass Records)

(4,5*****)

“North By South”, het nieuwe album van bluegrasscoryfee Claire Lynch, is er eentje met een hoogst aparte ontstaansgeschiedenis. Het begon eigenlijk allemaal met een mailtje van een Canadese muziekfan enkele jaren geleden. Die vroeg zich af, of hij er Lynch niet kon in interesseren om op te treden in zijn thuisland. En van het één kwam zoals wel vaker het ander. Na wat heen en weer mailen raakte Lynch volledig in de ban van Canada en zijn rootsmuziekgemeenschap en waagde ze het erop. Ze trad op in Toronto. Maar belangrijker nog: ze viel er als een blok voor haar pen pal. En ondertussen zijn de twee gewoon een gehuwd stel.

En de interesse van Lynch voor Canada werd er daardoor natuurlijk niet minder op. Vandaar nu “North By South”. Het Noorden door het Zuiden. Een fraaie verzameling liedjes van Canadese songwriters vertolkt door Lynch en Amerikaanse kompanen als Jerry Douglas, Kenny Malone, Alison Brown, Béla Fleck, Stuart Duncan, David Grier, Bryan McDowell, Mark Schatz, Matt Wingate, Jarrod Walker en anderen.

Een eerste blik noordwaarts bracht haar bij de fraaie ballad “Cold Hearted Wind” van Ron Sexsmith. Vervolgens is er het daar heel mooi bij aansluitende “Molly May” van J.P. en Gervais Cormier met een fijne accordeonbijdrage van Jeff Taylor als bijzonder aangenaam surplus. Met het speelse “Kingdom Come” belanden we meteen daarna in de muzikale achtertuin van Christopher Rudolf “Old Man” Luedecke. Wat ons betreft het eerste echte hoogtepuntje van “North By South”. En dat wordt meteen gevolgd door een tweede. Misschien wel het allermooiste nummer van het geheel is de heerlijk bedaarde Lynch-lezing van Willie P. Bennetts “Andrew’s Waltz”.

In het zog daarvan springen we dan aan boord van David Francey’s “Empty Train” om vervolgens ook nog de haltes “Gone Again” (Cris Cuddy), “Black Flowers” (Lynn Miles), “It’s Worth Believin’” (Gordon Lightfoot) en “All The Diamonds In The World” (Bruce Cockburn) aan te doen. En dan sloegen we één nummer bewust even over. We hebben het dan over het door Lynch zelf gepende en op de keper beschouwd nog net wat liefdevoller dan al de rest hier gebrachte “Milo”. Maar daarin gaat het dan ook over haar kersverse wederhelft.

Een als u het ons vraagt uitermate geslaagd huwelijk tussen twee werelden.

Claire Lynch

 

THE GOOD FOR NOTHIN’ BAND “Maniac World” (The Good For Nothin’ Band)

(3,5****)

Heerlijke groepsnaam, toch? The Good For Nothin’ Band! En het wordt allemaal nog beter, als je dan ook nog eens leert, dat Jon Roniger en kompanen hem ontleenden aan een stel zakkenrollende street performers die medio de jaren zeventig Bourbon Street onveilig maakten. Van de aandacht voor hun performance maakten die gebruik om de zakken van hun toeschouwers te bezoeken.

The Good For Nothin’ Band anno nu dat zijn  kopstuk Jon Roniger (zang en gitaar), Alex Massa (trompet), Russell Ramirez (trombone), Evan Paydon (bas) en Brendan Bull (drums). Een vijftal gespecialiseerd in wat ze zelf omschrijven als “sophisticated gutter jazz”. Een soort van singer-songwriter jazzvariant met uitlopers richting folk en blues, uitermate diep geworteld in New Orleans. En zoals dat wel vaker het geval is met muziekjes die ons uit die kontreien bereiken: tamelijk onweerstaanbaar.

“We don’t take ourselves too seriously, but we take our music very seriously,” aldus Roniger onlangs zelf over het door de vijf gebodene. En dat hoor je ook nadrukkelijk op hun debuutalbum “Maniac World” terug. Daarop klopt zo ongeveer alles. De tien eigen songs zijn zonder uitzondering van prima makelij, Ronigers zang is zonder meer aanstekelijk te noemen en het spel van zijn maats bepaald zwierig. Zo zou een zwoele zomeravond in het French Quarter in New Orleans kunnen klinken. Het ene moment loom, zwoel, ja zelfs sensueel, het andere swingend bij de beesten af.

Een aanradertje!

(Onze luistertips: de nummers “Fishin’ For Stars”, “DNA”, “Bosom Of Extremes”, “It Is What It Is” en “Snowing In New Orleans”.)

The Good For Nothin’ Band

 

TIM EASTON “American Fork” (Last Chance Records / At The Helm Records)

(4****)

Er zijn zo van die platen waar je als liefhebber van een lekkere pot Americana op z’n tijd nog net wat meer naar uitkijkt dan naar andere. De nieuwe Tim Easton was er voor mij er zo één. De Amerikaanse songsmid ontgoochelde me in het verleden immers nog nooit. En dat doet hij ook nu weer niet. Integendeel zelfs. Met “American Fork” levert hij wat mij betreft één van z’n boeiendste so far af. Met name de stilistische diversiteit van de acht songs erop sprak me vrijwel meteen heel erg aan.

Van start wordt er gegaan met het op de één of andere vreemde manier soulvolle “Right Before Your Own Eyes”. Inclusief fijn koperblaaswerk, sfeervolle toetsen en al even knappe ondersteunende zang. Vervolgens is er de daar bij nader inzicht echt wel perfect bij aansluitende trage “Killing Time”, waarin onze man zich nadrukkelijk richt tot alle passieve non-conformisten. Noem het maar een uitgesproken muzikaal call to arms aan hun adres. “Elmore James” is op zijn beurt een heerlijk swampy om zich heen stampend eerbetoon aan het adres van de blueslegende uit z’n titel en kant één wordt afgesloten met “Gatekeeper”, een met name van z’n heerlijk intense groove levend kleinood over de compleet verziekte entertainment business.

Kant twee dan. Die wordt aan de eerder bedaarde kant ingezet met het wel erg rustige “Burning Star”. En met “Alaskan Bars, Part 1”, een streepje sympathiek rammelende roots rock opgehangen aan de lotgevallen van een plaatselijke barfly, “Now vs. Now”, een volgende niet mis te verstane uithaal richting all things apathie, en “On My Way”, een slaapliedje voor zijn vijf jaar oude dochtertje, wordt vervolgens de kaap van het halve uur gerond.

Easton werd voor “American Fork” onder meer bijgestaan door Patrick Damphier (productie), multi-instrumentalist Robbie Crowell, Michael Rinne (bas), Jon Radford (drums) en de gerenommeerde Russ Pahl (pedal steel).

Tim Easton

 

RICHARD SHINDELL “Careless” (Continental Song City)

(4****)

Het laatste echt opzienbarende nieuws dat we over zingende songsmid Richard Shindell mochten vernemen was dat van zijn in het voorjaar van 2015 onder de nom de plume The Pine Hill Project verschenen samenwerking met collega Lucy Kaplansky “Tomorrow You’re Going”. In alle stilte werkte de beste man in respectievelijk New York en Buenos Aires ondertussen echter al een poosje aan een echte opvolger voor “Not Far Now”, zijn al in 2009 uitgebrachte laatste nieuwe studioplaat. Dat was het vorig najaar gepresenteerde “Thirteen Songs You May Or May Not Have Heard Before” immers zeker niet. Daarop was Shindell gewoon even in de weer met het oppoetsen van al wat ouder materiaal van ‘m.

Openen doet de Amerikaan dat nieuwe “Careless” met “Stray Cow Blues” een streepje lekkere laid-back roots & roll, waaraan liefhebbers van het materiaal van met name J.J. Cale, Eric Clapton en de jonge Dire Straits wel eens een flinke kluif zouden kunnen gaan hebben. Vervolgens is er het epische titelnummer. Echt een wolk van een luisterliedje! De kans is redelijk groot dat u nooit iemand mooier mea culpa hoorde slaan in een popdeuntje. Met in z’n kielzog het daar redelijk radicaal mee brekende “Infrared”. Dat is intelligente zomerse soft rock, zoals we die in het verleden bijvoorbeeld ook wel door acts als XTC en They Might Be Giants voorgeschoteld kregen.

Track nummer vier, het enigszins bedaard uit de hoek komende “The Deer On The Parkway”, zoekt het daarna in licht blues-georiënteerde songwateren. En met het daar met name qua mood perfect bij aansluitende en door Lucy Kaplansky van wat mooie backing vocals voorziene “All Wide Open” wordt daarop op innemende wijze de verzoening tussen een vader en z’n dochter bezegeld. Héél erg mooi! En dat zijn zeker ook het ogenschijnlijk vooral inspiratie uit de eigen leefwereld puttende “Your Guitar” en het inhoudsgewijs aan de verdwijning van een geliefd huisdier opgehangen “Abbie”.

Vanaf dan neemt Shindell even afscheid van het wereldse. Samen met hem kijken we in enkele van de laatste nummers van “Careless” nadrukkelijk neer op ons aller kluitje. Om te beginnen met het muzikaal speelse, maar tekstueel gezien aardig bittere “Atlas Choking”. En voorts ook nog met de prachtballade “Before You Go” en het enigermate etherisch aandoende “Satellites”. Afsluiten doen we echter met de voetjes weer stevig op de grond. Met het ijle “The Dome” met name. Onder een sfeervolle nachtelijke hemel, de blik omhoog, ons van alles afvragend en wachtend op verlichting. Een buitengewoon fraai sluitstuk voor een in haar geheel al even fraaie plaat!

Bij wijze van promotie van z’n nieuwe plaat toert Richard Shindell binnenkort ook doorheen Nederland. Tussen 3 en 9 september doet hij daarbij respectievelijk Lage Vuursche (In The Woods), Eindhoven (Meneer Frits), Den Bosch (Blue Room Sessions), Leiden (Qbus), Den Haag (Sociëteit Engels) en Bakkeveen (Muziekpodium) aan.

Richard Shindell, CRS

 

SARA WATKINS “Young In All The Wrong Ways” (New West / PIAS)

(3,5****)

“Young In All The Wrong Ways”, de ondertussen toch ook alweer derde soloplaat van de voorheen haar brood bij Nickel Creek verdienende Sara Watkins, is niet zomaar een nieuw album. “A breakup album with myself,” noemde de jonge Amerikaanse het onlangs zelf. Haar manier om een punt te zetten achter een periode in haar leven die haar vooral met veel twijfels had opgezadeld. Was ze wel wie en waar ze wilde zijn? Het antwoord op die vragen luidde nee. En dus brak Watkins resoluut met het verleden. Iets wat bijna vanzelfsprekend ook leidde tot een andere artistieke aanpak.

Een aanpak die haar op de één of andere manier vreemd genoeg weer wat dichter bij de muziek uit haar jaren bij Nickel Creek lijkt te brengen. Muziek, waarin folk, pop, bluegrass en andere elkaar op wonderlijke wijze omarmden. Al is het zeker niet zo, dat “Young In All The Wrong Ways” staat voor een retour. Verre van zelfs. Daarvoor maakt Watkins hier net wat teveel onverwachte stilistische bokkensprongen. En da’s maar goed zo ook.

Het ene moment voor haar doen buitengewoon stevig, het andere juist heel erg ingetogen maakt Watkins ons in de loop van tien liedjes deelachtig aan haar nieuwe gedachtenwereld. En voor het eerst zijn dat uitsluitend eigen songs. Logisch maar ook eigenlijk, gezien de zeer persoonlijke aanleiding tot deze nieuwe plaat.

Echte blijvertjes vonden wij met name het zich door opvallende tempowisselingen en behoorlijk scherp elektrisch gitaarwerk onderscheidende titelnummer, het werkelijk zalige mijmerpopdeuntje “The Love That Got Away”, het van uiterlijk zomers opgewekte “One Last Time”, het naar onze bescheiden mening erg radiovriendelijke, en passant schijnbaar moeiteloos de stap van pop naar rock en terug zettende “Move Me”, het zowel inhoudelijk als muzikaal gezien nadrukkelijk aan een trip doorheen woestijngebied refererende “Like New Year’s Day”, honky-tonk-escapade “The Truth Won’t Set Us Free” en de mooie trage “Without A Word”.

Voor de productie van “Young In All The Wrong Ways” deed Watkins een beroep op Gabe Witcher. En die was zo vriendelijk om voor het inblikken van het materiaal met gitarist Chris Eldridge en bassist Paul Kowert ook twee andere Punch Brothers mee aan boord te halen. Verder onder meer ook nog op de gastenlijst: collega’s Sarah Jarosz, Aoife O’Donovan en Jim James van My Morning Jacket.

Sara Watkins

 

STEPHEN SIMMONS “A World Without” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Eerlijk? Er zijn maar weinig singer-songwriters die wij een warmer hart toedragen dan de Amerikaan Stephen Simmons. En dat is al zo sinds onze eerste kennismaking met zijn werk ergens in de loop van 2004, ten tijde van zijn fantastische studiodebuut “Last Call”. Ondertussen goed en wel een album of tien diep in z’n carrière groeide Simmons uit tot één van de allerbesten in zijn vakgebied. Iets wat de echte connoisseurs natuurlijk al wel langer weten. Maar een doorbraak op wat grotere schaal, die kwam er helaas nog steeds niet. En dus veranderde onze man voor z’n nieuwe worp “A World Without” het geweer maar regelmatig even van schouder. Sommige van de deuntjes erop hengelen zo ons inziens vrij nadrukkelijk naar wat meer airplay en een daar logischerwijze ook uit voortvloeiende grotere verkoop. En da’s toch wel even wennen.

Openen mag “A World Without” Molly Jewell, Simmons’ vaste begeleidster wanneer hij op tournee is. Met een ingetogen pianoprelude meer bepaald. Vervolgens stoten we op een streepje vintage Simmons. Goudkoorts heerst in het bedaarde “West”. Eén van de vele liedjes hier, waarin we te maken krijgen met mensen on the move. Da’s zo ongeveer het centrale thema van de plaat, die deels ook autobiografisch blijkt. Fictie fijntjes afgewisseld met realiteit dus.

Een eerste nummer dat onze inleiding enigermate rechtvaardigt is het daaropvolgende “Puritan Cowboys”. Dat is immers een catchy roots rocker die ons meer dan eens deed terugdenken aan Tom Petty’s hit “I Won’t Back Down”. Als ideaal tegengewicht daarvoor is er vervolgens het titelnummer. “A World Without”. Geef toe, je dacht er net als ons van in den beginne al het woord love achter, en daarover gaat het dan ook. De immer aanwezige hoop op liefde. Daarna is er het op z’n Springsteens ingehouden bij een jong stel mee aan tafel aanschuivende “Fairy Tales (The Flower’s Burden)”. Opnieuw een liefdeskwestie. Ze houdt van me, ze houdt niet van me, weet u wel.

En over Springsteen gesproken, die zou ook wel eens model kunnen hebben gestaan voor de knappe rocker “Every Time”. Mede dankzij echt wel zalig elektrisch gitaarwerk van Dave Coleman zo ongeveer het dichtst dat Simmons al ooit bij een heuse hit kwam. In de ballad “The Music Highway” staat verwachtingsgetrouw het leven van een muzikant on the road centraal. En “One Fast Move” is opnieuw een echte dijk van een country rock song. Think Reckless Kelly! Zoiets.

Bleven dan nog onontgonnen: het ons van opzet best wel wat aan het werk van Simmons’ grote voorbeeld Don Williams herinnerende “Silver Moon Saloon”, het op soulvolle wijze in de eerste persoon enkelvoud aangereikte en zich resoluut aan dromen en het eigen geloof vasthoudende “Dreamers And Kings”, het onder meer met z’n pa en z’n zus gedeelde “Baby Brother’s Got A Baby Now” en de met fijn harmonicawerk omzoomde afsluiter “On Top Of A World”.

(Op 22 oktober aanstaande staat Stephen Simmons op het podium van het RAMBLIN’ ROOTS FESTIVAL in TivoliVredenburg in het Nederlandse Utrecht.)

Stephen Simmons

 

KAURNA CRONIN “Southern Loss” (Broken Silence)

(4****)

Kaurna Cronins laatste, het ergens medio vorig jaar verschenen “Glass Fool”, viel hier bepaald in goede aarde. We hadden het in verband met het op zeer aantrekkelijke wijze elementen uit genres als folk, Americana, pop en rock met elkaar versmeltende materiaal daarop over redelijk verslavend werkend spul. En dus was het hier dan ook volop uitkijken geblazen naar ’s mans nieuwe worp, het sinds kort in de betere platenzaak verkrijgbare “Southern Loss”.

Die plaat biedt volop meer van hetzelfde. Tien nummers lang toont de Australische zingende songsmid zich andermaal een ware meester in het afleveren van catchy roots pop. Van het als een kruisbestuiving tussen Crowded House en de prille versie van Prefab Sprout klinkende “”Forgetting The Blue” tot het over een lekker jazzy baslijntje gedrapeerde streepje goede raad “Don’t Grow Up To Fast”, van het bedaard rockende “Passion Parade” tot het eerder onopvallend hoge zangregionen opzoekende rootspopopstootje “Never Get You Off My Mind”, van het lichtjes bluesy uitgevallen “Always Never Alone” tot de knappe afsluitende ballad “Limping Dove” en alle anderen die we nog vergeten, dit smaakt andermaal naar veel meer!

Ideaal Radio 1-voer noemden we “Glass Fool” indertijd al en da’s iets wat zeker ook voor deze nieuwe worp weer geldt. Mocht dat ondertussen nog niet gebeurd zijn: hoogdringend te ontdekken, deze knaap uit Adelaide! Neem het maar van ons aan, je zal het je heus niet beklagen!

Kaurna Cronin 

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home