




CD-recensies februari 2010
Laatste update: dinsdag 9 februari 2010!
* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.
**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!
Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:
HANK SHIZZOE “Breather” - ELLIS PAUL “The Day After Everything Changed” - GRANT MOFF TARKIN “Long Lost Son” - THE SALTY DOGS “Brand New Reason” - JASON & THE SCORCHERS “Halcyon Times” - CRACKER “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” - BLUE MOON COWGIRLS “I Love You Honey” - THREE DAY THRESHOLD “Straight Out Of The Barrel” - THE MIGHTY STEF “100 Midnights” - SUSAN HICKMAN “Susan Hickman” - JUSTIN EVANS “The Owls & The Hounds” - FLATCAR RATTLERS “Which Side Are You On?” - OVERMOUNTAIN MEN “Glorious Day” - LOU VARGO “Sunday Night Serenade” - STACE ENGLAND & THE SALT KINGS “The Amazing Oscar Micheaux” - TONY DENIKOS “Already Gone” - RECKLESS KELLY “Somewhere In Time” - THE EARL BROTHERS “The Earl Brothers” - MARK WAYNE GLASMIRE “Life Goes On” - JAKE HOOKER “Lost Along The Way” - J.D. SOUTHER “Rain - Live At The Belcourt Theatre” - HAZY MALAZE “Connections” - THE SOJOURNERS “The Sojourners” - PILGRIM “Harbour Girl” - PATTY GRIFFIN “Downtown Church” - DAN KRIKORIAN “Colors And Chords” - KATY LIED “Echo Games” - JENNY BOHMAN “Coming Home” - K.C. MCKANZIE “Hammers & Nails” en “DryLand” - TERI JOYCE “Kitchen Radio” - RETO BURRELL “Go” - LOS LOBOS “Los Lobos Goes Disney” - VARIOUS ARTISTS “Crazy Heart” (Soundtrack) - LEON BROCK “Ordinary People” - THE COAL PORTERS “Durango” - RICHIE LAWRENCE “Melancholy Waltz” - JAY LINDEN “Under The Radar” - ALLISON MOORER “Crows” - SEAN KERSHAW & THE NEW JACK RAMBLERS “Coney Island Cowboy” - ANDI ALMQVIST “Glimmer” - I SEE HAWKS IN L.A. “Shoulda Been Gold 2001-2009” - JON DEE GRAHAM “It’s Not As Bad As It Looks”
HANK SHIZZOE “Breather” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(4****)
Thomas Erb is een hele grote! De sinds jaar en dag onder het pseudoniem Hank Shizzoe de Americanawereld verbazende Zwitser doet op z’n nieuwe worp “Breather” zo goed als alles zelf. Naast de zang, de productie en het aanleveren van het gros van de songs erop betekent dat concreet ook bijdragen op tal van gitaren, lap steel, bouzouki, ukelele, banjo, elektrische bas, piano, orgel en drums en het bijsturen van wat loops. Enkel Christophe Beck (drums), Michel Poffet (staande bas), Shirley Grimes (zang in “Shaker”) en Nico Erb (tamboerijn in “One Cup Of Coffee And A Cigarette”) zorgen voor enige inbreng van buitenaf. Maar veel meer dan de spreekwoordelijke puntjes op de i vormen hun bijdragen niet. Als “Breather” uitgroeit tot de fraaie plaat die het is, dan is dat toch vooral de verdienste van Shizzoe zelf. Die zorgt voortdurend voor voldoende variatie en vooral ook voor bakken aan sfeer. Dat doet hij zoals al gesteld voornamelijk met eigen materiaal. Maar niet uitsluitend dus. En als hij al aan het coveren gaat, dan kiest hij lang niet altijd voor de meest voor de hand liggende nummers. Of wat dacht je van het ooit nog door Adriano Celentano de eeuwigheid in geholpen “Svalutation” of Jacques Dutroncs “Et Moi Et Moi Et Moi”? Andere vreemde eenden in de bijt zijn David Lindley’s grappige “When A Guy Gets Boobs” en Jerry Irby’s “One Cup Of Coffee And A Cigarette”. Hoewel, vreemde eenden… Shizzoe eigent zich elk van de genoemde nummers schijnbaar moeiteloos toe en zorgt ervoor, dat ze perfect in zijn uit min of meer gelijke delen Americana, blues en rock bestaande muzikale mengvorm worden ingepast. Iets wat steeds weer tot uiterst interessante resultaten leidt. Hét absolute topmoment hier is voor ons echter één van ’s mans eigen liedjes. We hebben het dan over het vaagweg aan J.J. Cale herinnerende “Only In America”. Dat pakte ons met z’n relaxte groove meteen genadeloos in. Oók uitzonderlijk mooi: het aan lijzig snarenwerk en dito vocalen opgehangen “Split The Loot”.
ELLIS PAUL “The Day After Everything Changed” (Black Wolf Records)
(3,5****)
In de aanloop naar zijn nieuwe plaat “The Day After Everything Changed” beleefde singer-songwriter Ellis Paul eerder onverwacht allicht één van dé absolute hoogtepunten van zijn carrière. Het moet de beste man immers écht wel ontzettend deugd hebben gedaan om te constateren, dat zijn fans bepaald genereus ingingen op zijn verzoek om dat nieuwe album mee te helpen financiëren. In volle economische crisistijd kwamen zij met z’n allen met ruim 100.000 dollar over de brug om hun idool te steunen. Een hartverwarmend verhaal! En al even hartverwarmend klinkt Pauls nieuwe worp ook. Al dient daar wel meteen te worden aan toegevoegd, dat hij wat de muzikale invulling van de liedjes erop regelmatig flink richting Nashville lonkt. Misschien wel een gevolg van het feit, dat hij vijf van de vijftien songs hier samen met Kristian Bush van het aldaar redelijk succesvolle Sugarland schreef. Wat er ook van zij, folk(rock) kan je dit lang niet allemaal meer noemen. Wat ons uiteindelijk echter toch over de streep blijft trekken om Ellis Paul ook tot onze idolen te blijven rekenen, zijn ’s mans fantastische teksten en die heerlijk performante stem van ‘m. Zelfs iets als het extreem poppy ingevulde, je zou haast zeggen voor gebruik in grote stadions geconcipieerde “The Lights Of Vegas” klinkt dankzij Pauls bezielde voordracht aanvaardbaar. Iets wat overigens ook geldt voor andere, eveneens duidelijk over de nodige commerciële potentie beschikkende dingen als het door een speels betokkelde banjo en dito gitaren op sleeptouw genomen “Annalee” of het zacht rockende “River Road”. Op z’n best blijft Paul wat ons betreft echter duidelijk in het wat rustigere materiaal, als hij z’n arm om je schouder heen lijkt te slaan en je zijn verhalen als het ware influistert. Mooie voorbeelden daarvan zijn het een liefde in economisch moeilijke tijden bezingende “Rose Tattoo” en het titelnummer, waarin Paul het naar eigen zeggen heeft over mensen die voor een tweesprong in hun leven staan, nog onzeker over wat het lot hen brengen zal. Vooral dat laatste is een echte beauty. Daarin etaleert Paul weer de hand van een echte meester. Volgende keer weer graag meer van dattum als het even kan!
GRANT MOFF TARKIN “Long Lost Son” (Grant Moff Tarkin)
(4****)
Eind deze maand ergens verschijnt “The Honey & The Knife”, de nieuwe van Admiral Freebee. Een plaat, waaraan in de vaderlandse media naar alle waarschijnlijkheid maar amper te ontkomen zal vallen. Maar what about “Long Lost Son”, het tweede album van Grant Moff Tarkin? Zal men ook daar de nodige aandacht aan willen besteden? We vrezen het eerlijk gezegd niet. En dat is op de keper beschouwd doodjammer. Op die opvolger van “Quanah’s Hunting Day” uit 2008 wordt immers op bijzonder creatieve wijze omgesprongen met invloeden als Americana, folk, blues en indierock. Op sleeptouw genomen door de intimistische, bij momenten flink naar het ijle neigende zang van Julax schudt het viertal hier tien bijzonder fraaie songs uit de mouw. Daarin is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de verhalende, her en der aardig met het surrealistische flirtende teksten van diezelfde Julax en gitarist Huddie, waarin ze naar eigen zeggen op zoek gaan naar de mogelijkheden voor de menselijke ziel om de beperkingen van plaats, tijd en soort te overstijgen. Een soort van magisch realisme als het ware, waarin niets waar is en alles kan en mag. Wat het muzikale betreft klinkt wat daarbij uit de bus komt als een kruising tussen de Cowboy Junkies, Mazzy Star, Jesse Sykes & The Sweet Hereafter, Grant Lee Buffalo en Bettie Serveert. Bepaald niet de minste referenties! Maar verdiend zijn ze ons inziens hoe dan ook. Dit eclectisch opgevatte en van de eerste tot de laatste noot intrigerende geheel getuigt immers van internationale klasse. En die Julax, da’s gewoon één van de interessantste vrouwelijke stemmen in ons land überhaupt. Moest je dringend maar eens mee gaan kennismaken! Je zal het je absoluut niet beklagen!
THE SALTY DOGS “Brand New Reason” (Max Recordings)
(4****)
“Brand New Reason” is na de EP “King Of Broken Hearts”, “The Salty Dogs And Friends” en “Autoharpoon” ook alweer de vierde worp van de onvolprezen Salty Dogs en ook ditmaal is het er weer vol op. Het vanuit Little Rock, Arkansas actieve viertal rond zanger-songsmid Brad Williams grossiert op die nieuwe schijf andermaal in heerlijk authentieke country(rock). Voor zeven van de acht songs op “Brand New Reason” tekende Williams weer zelf. Het achtste is een van een goed gedoseerde shot countryeske R&B bediende cover van de Chuck Berry-hit “Nadine”. Maar juist dat nummer vinden wij eigenlijk één van de mindere momenten hier. Neen, geef ons dan maar de aangeschoten bar room swing van “Old Folks Home”, het met terugwerkende kracht rebellerende “Rock And Roll Will Never Stay”, de twangy Americana van “Another Day In A Small Town”, de heerlijk met de heupen wiegende en volop naar Bakersfield lonkende honky-tonk van “Second Chance”, het ingehouden countryrockende “Words May Talk” of het over een eerder traditioneel ritme uitgesmeerde en van een lekkere harmonica-intro voorziene “Every Now And Then”. Daarin tonen Williams (zang en gitaren), drummer Bart Angel, bassist Brent LaBeau en gitarist Nick Devlin zich immers pas echt op hun best. Wat concreet betekent, dat ze zich in die songs presenteren als één van dé interessantste country acts van het moment tout court. En dat houdt op zijn beurt dan weer in, dat fans van knapen als een Dwight Yoakam, een Stan Martin, een Waylon Jennings en een Buck Owens hier eigenlijk gewoon absoluut niet aan voorbij kunnen.
JASON & THE SCORCHERS “Halcyon Times” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(5*****)
Van een “retour de force” gesproken! De in 2008 door de Americana Music Association nog met een Lifetime Achievement Award bedachte Jason & The Scorchers knallen er op hun eerste nieuwe plaat in jaren op los als in hun beste dagen. Van de oorspronkelijke bezetting blijven weliswaar enkel nog Jason Ringenberg zelf en supergitarist Warner E. Hodges over, maar dat kan de pret absoluut niet drukken. In bassist Al Collins van de Stacie Collins Band en het Zweedse drumwonder Pontus Snibb vond men immers meer dan volwaardige vervangers voor Jeff Johnson en Perry Baggs. Die zorgen hier voor zo’n strakke backbeat, dat Ringenberg en Hodges zich weer volop kunnen concentreren op datgene waar ze ooit zo goed in bleken, te weten het voltrekken van het perfecte huwelijk tussen traditionele country en punk. En dan zijn er nog de bijdragen van “Honorary Scorchers” als Dan Baird, Ginger, Tommy Womack en oudgediende Baggs én de productionele hulp van Brad Jones. Om maar te zeggen, dat de condities voor “Halcyon Times” zo ongeveer ideaal waren. En dat is er verdomd aan te horen ook! Gelijk vanaf het retestrakke openingsnummer “Moonshine Guy / Releasing Celtic Prisoners” is het hier weer volop prijs. Naast country, rockabilly en punk duikt daarin voorwaar ook even voorzichtig de invloed van Ierse folk op. Via het een weinig bedaardere – Naar Scorchers-normen dan toch! – “Beat On The Mountain” gaat het vervolgens naar één van dé absolute prijsbeesten op “Halcyon Times”. Het als bezeten rockende “Mona Lee” zal ongetwijfeld snel gaan uitgroeien tot een uitgesproken favoriet op het live-repertoire van Ringenberg en co. En zo gaat het maar door! Via het stomende “Fear Not Gear Rot” over het verhalende “Mother Of Greed” tot het je al countryrockend alle hoeken van het canvas tonende “Gettin’ Nowhere Fast”, van het van een fraaie twaalfsnarige gitaarbijdrage en een geweldige tekst voorziene “Land Of The Free” tot het zijn titel alle eer aandoende “Twang Town Blues” en andere, Ringenberg en zijn maats laten er niet de minste twijfel over bestaan: ze zijn terug van weggeweest! En hoe! Als je dit na bijna dertig jaar in het vak nog kan opbrengen… Wow! (Releasedatum: 15 februari 2010.)
CRACKER “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Op 23 oktober 2008 trad het Amerikaanse collectief Cracker in de Harmonie in het Duitse Bonn aan voor het WDR Rockpalast Crossroads Festival. Men bracht er een zeventien songs tellende set, goed voor zo’n anderhalf uur amusement van de bovenste plank. Naast zo ongeveer elke klassieker op het eigen repertoire, gaande van “Teen Angst”, “The World Is Mine”, “Euro-Trash Girl”, “Big Dipper”, “One Fine Day” en “The Riverside” tot “Seven Days”, passeerden daarbij ook flink wat nummers van de toen nog te verschijnen CD “Sunrise In The Land Of Milk And Honey” de revue. En dat concert wordt ons nu door Blue Rose Records integraal aangeboden. Enerzijds verspreid over 2 cd’s, anderzijds als videoregistratie op DVD. Voor wie de gig indertijd mocht meemaken een mooi aandenken aan een memorabele avond, voor alle anderen gewoon een prima live-album van een band, die niet altijd even duidelijk de grenzen tussen gitaarrock tout court en de meer rootsy variant daarop lijkt weten te liggen. Maar dat zal ons nogal eens worst wezen! Wij genieten in elk van beide gevallen met evenveel plezier van deze zowel wat het geluidstechnische als wat het visuele aspect betreft bijzonder verzorgde registratie, waarmee die van Blue Rose Records hun uitstekende reputatie wat dat betreft weer maar eens alle eer aandoen.
BLUE MOON COWGIRLS “I Love You Honey” (Azalea City Recordings)
(3,5****)
De Blue Moon Cowgirls zijn strikt genomen vriendinnen Karen Collins, Ann Porcella en Lynn Healey, aangevuld met Ira Gitlin. De drie dames leerden elkaar zo’n tien jaar geleden kennen als gelijkgestemde muzikale geesten en trokken pas later gitarist Gitlin aan om wat ze voordien enkel in besloten kring brachten ook onstage te kunnen doen. Het resultaat is een potje volledig akoestisch gehouden country op z’n allerpuurst, gedragen door bij momenten werkelijk fenomenaal harmonieerwerk. Mocht hier nog van vinyl sprake zijn geweest, dan zouden we stellen, dat zo goed als uit elke door de naald gevoelde groef de liefde voor het gebrachte spat. Maar aangezien dat niet het geval is, houden we het er hier maar op, dat je wel écht heel erg van het countrygenre moet houden om er zó liefdevol als dat hier gebeurt mee om te kunnen springen. Het betreft daarbij weliswaar meestal covers van eerder als klassiek te bestempelen songgoed, maar dat kan de pret absoluut niet drukken. Collins, Porcella, Healey en Gitlin respectvol horen stoeien met dingen als “I Love You Honey” (Patsy Cline), “Until Then” (Ray Price), “The Likes Of You” (George Jones), “Weary Blues From Waiting” (Hank Williams), “Born To Be With You” (Sandy Posey) en “Happy Trails To You” (Sons Of The Pioneers) is immers een waar genot voor elk nog voor traditionele country vallend oor. En ook de enige original in het mandje, Collins’ “Goodbye Maria”, een streepje melancholische “border Americana” genre Tom Russell, is uit het juiste hout gesneden. Uit onze mond dan ook niets dan lovende woorden voor dit project. Het enige minpuntje vonden wij de met amper achttien minuten aan de eerder korte kant uitvallende lengte ervan.
THREE DAY THRESHOLD “Straight Out Of The Barrel” (Three Day Threshold)
(4****)
Lekker zou het langst duren, aldus een bekend Nederlands spreekwoord. Maar dat zulks lang niet altijd het geval hoeft te zijn, blijkt maar weer eens duidelijk naar aanleiding van “Straight Out Of The Barrel”, de zevende van Bostonites Three Day Threshold. Kier Byrnes en zijn handlangers jagen er op dat schijfje in nauwelijks meer dan een half uur elf nieuwe nummers door. En lekker dat het allemaal is! De “Godfathers of the New England Alt.-Country Music Scene”, zoals ze wel eens liefdevol genoemd worden, lieten zich voor dat album inspireren door een hen na een optreden op een privéfeestje aangeboden bezoek aan de vermaarde distilleerderij Jim Beam. Sloten drank en daarmee nogal eens gepaard gaande verschijnselen derhalve in de teksten van de songs erop, die vrijwel zonder uitzondering onder de noemer “feel good music” vallen. Van de geweldige country rock van “Whiskey River” tot het lekker ranzige roadhouse-stampertje “My Favorite Titty Bar”, van het wat bedaardere “Barroom” tot het met enkele shots adrenaline, rock & roll en rockabilly opgewaardeerde “Little Luna”, van het een weinig op een zuidelijke rockleest geschoeide “Gator Farm” tot het eerder onder de noemer klassieke country vallende “Little Bit Lonesome”, van de ongemeen geinige dronkemansgospel van “Faithful, Faithful” tot het aan een rotvaart voortjakkerende “Atlas Blues”, van het zich van gelijke delen Cash en bluegrass bedienende “Coffee/Whiskey” tot het daar ook nog eens een dosis folkgevoel aan toevoegende “Leaving Of Liverpool” en het afsluitende en ook al extreem aanstekelijke “Jim Beam”, dit zijn wat ons betreft gewoon elf voltreffers op rij! Zo mogen wij onze alt. country dus graag hebben, zie!
Three Day Threshold op MySpace
THE MIGHTY STEF “100 Midnights” (Edvins / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
The Mighty Stef wordt in zijn thuisland Ierland met enig gevoel voor overdrijving omschreven als van het beste wat dat land op muzikaal vlak te bieden had sinds U2. Een uitspraak, waarmee men de lat voor singer-songwrier Stefan Murphy wel erg hoog legt natuurlijk. En dan mag die Murphy al niet echt een groentje meer zijn, zulk een lofbetuiging ook effectief bewaarheden blijkt voor het ex-kopstuk van poppunkers de Subtonics naar onze bescheiden mening toch nog net iets té hoog gegrepen. Goed is hij al wel, maar zó goed (nog) niet. Murphy tracht op “100 Midnights” invloeden als Johnny Cash, Elvis Presley, Muddy Waters, de Stones, de Pogues en nog een handvol anderen tot iets geheel en al eigens samen te ballen. En stilistisch gezien bestrijkt hij daarop dan ook nogal wat terrein. Van pop over (garage)rock en gospel tot traditionele Ierse (folk)muziek en terug. Hulp is er daarbij onder andere van Shane MacGowan, met wie Murphy de enige cover hier deelt, een nogal eigenzinnige invulling van Townes Van Zandts “Waiting Around To Die”, en van Cait O’Riordain voor “Safe At Home”. Voor de productie tekenden Murphy zelf en ex-Pogues-manager Frank Murray.
SUSAN HICKMAN “Susan Hickman” (4L Clover / DMG)
(3***)
Beeldschone madammen en rootsy materiaal – doorgaans blijken die twee het niet al te best met elkaar te kunnen vinden, maar voor deze Susan Hickman maken we graag even een bescheiden uitzondering. De jonge Texaanse levert met haar titelloze debuutplaat immers een alleraardigst wegluisterend geheel af. Akkoord, wat ze doet helt dan wel regelmatig wat al té veel richting commerciële countrywateren af, de totaalindruk blijft wat ons betreft toch in orde. En dat heeft wellicht veel te maken met haar erg knappe zang. Hier en daar herinnert ze ons best wel een beetje aan de jonge Allison Moorer. En dat mag je rustig beschouwen als een serieus compliment. Voeg daar dan nog aan toe, dat Hickman voor haar materiaal een beroep deed op de expertise van schoon volk als een Bobby Pinson, een Brett James, een Mark Nesler, een Mila Mason en nog een handvol anderen, en dan weet je het wel. Hier wordt inderdaad commercieel succes nagestreefd, maar dan wel zonder daartoe de eigen roots volledig uit het oog te verliezen. Iets wat ook de afsluitende cover van de Gregg Allman-klassieker “Whipping Post” lijkt te willen onderlijnen. De soulvolle versie, die Hickman daarvan ten beste geeft, het zomers dartele “Sunday Paper”, het met een portie swing gekruide “Friday At The Latest” en de fraaie ballade “Wounded Heart” vonden wij overigens de mooiste nummers op deze door Doug Deforest geproduceerde eersteling.
JUSTIN EVANS “The Owls & The Hounds” (Cowboy Angel Music)
(4****)
Wij kregen hier de voorbije weken nogal wat goede tot ronduit uitstekende nieuwe singer-songwriter releases voor de kiezen, maar slechts zelden werden wij daardoor zó verrast als door “The Owls & The Hounds” van Justin Evans. Die ons voorheen totaal onbekende songsmid uit Georgia benadert het gegeven Americana immers op een als eerder apart te omschrijven wijze en kan daarbij beschikken over drie bepaald niet onderschatten troefkaarten. De eerste, die je daarvan bij het beluisteren van “The Owls & The Hounds” opvalt, is ’s mans ongemeen warme stem. Lekker diep, maar ondanks alle voorhanden zijnde gruis toch ook zijdezacht. Een in onze ogen goede referentie zou wat dat betreft Brandon Jenkins kunnen vormen. Vervolgens is er Evans’ delicate, louter dienende benadering van de akoestische gitaar. En tenslotte zijn er bovenal ook nog zijn songteksten, die niet zelden voorzichtig literaire trekjes vertonen. Met andere woorden, zo ongeveer alles klopt hier! Temeer daar Evans onder de productionele hoede van AJ Adams (Bloodkin, The Granfalloons) wat de stilistische invulling van zijn liedjes betreft bepaald geen risico’s schuwt. Het als eerbetoon aan die zwaar getroffen stad opgevatte “The Heart Of New Orleans” baadt zo bijvoorbeeld in een soort van ragtime sfeertje. En “Heart Of San Francisco” doet op zijn beurt iets moois met late night blues en jazz. “Blood And Whiskey” is dan weer erg fraaie, in steelklanken gedrenkte country rock, “Starlight Gown” een streepje in melancholie zwelgende Americana, “Poison Peaches” mede dankzij een fraaie fiddlebijdrage van David Blackmon (Widespread Panic) klassieke country met een zekere old-time feel en “Mercy Roadhouse” de twangy variant daarop. Het zijn slechts een handvol voorbeelden van uitstekende liedjes op een album tot aan de nok toe gevuld daarmee. En “The Owls & The Hounds” is wat ons betreft dan ook een aanrader van formaat!
FLATCAR RATTLERS “Which Side Are You On?” (Shut Eye)
(4****)
Het wordt stilaan flink drummen in het kielzog van collectieven als de Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers en de Foghorn String Band. Steeds meer beginnende groepen voelen zich dezer dagen immers geroepen om het ooit a priori als oubollig versleten bluegrassgenre een flinke trap onder de kont te verkopen. Zo ook de Flatcar Rattlers. Dat uit liefst zes verschillende staten gerekruteerde zevental actief vanuit Austin, TX brengt naar eigen zeggen “Guerilla Grass”. Bij nader inzicht blijkt men daarmee te doelen op een ongecontroleerd om zich heen meppende kruisbestuiving van bluegrass met outlaw country en rock & roll. Een soort van old-time punk, gebracht op akoestische instrumenten! Wat ze doen bruist regelrecht van de energie en zal zich dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moeiteloos een weg weten te banen naar de harten van liefhebbers van de hoger al genoemde en aanverwante acts. Opmerkelijk is bovendien, dat men dat met uitsluitend eigen materiaal doet.
OVERMOUNTAIN MEN “Glorious Day” (Ramseur / Lucky Dice Music)
(4,5*****)
De OverMountain Men? Nog nooit van gehoord, zeg je? Kan best zijn, maar toch zal het hier op de keper beschouwd ook voor jou ongetwijfeld om een blij weerzien blijken te gaan. “Glorious Day” is immers de debuut-CD van een band bestaande uit singer-songwriter David Childers, Avett Brothers-bassist Bob Crawford en het van Childers’ eind 2007 op non-actief geplaatste begeleidingsgroep The Modern Don Juans bekende duo Randy Saxon (gitaar) en Robert Childers (drums, percussie). Blikvanger op die plaat met voornamelijk nieuwe liedjes is het door Crawford voor de bekroonde documentaire “Six Seconds Of Freedom” gepende “Angola”. Die ondermeer op werkelijk oorstrelend mooi akoestisch gitaarwerk geënte trage werd door de makers van die film over de beruchte gevangenisrodeo in Louisiana’s Angola Prison meer dan terecht weerhouden als muzikaal decorum daarvoor. Maar hier valt nog zoveel meer te beleven! Van heftig schokschouderende roots rock (“Looking For Dr. Caligari”) tot in pop gedrenkte ballades (het met fraaie blazers en dito toetsenwerk behangen “Leaving England”), van een tussen Keltische folk en old time string band music twijfelend kleinood (“Glorious Day”) tot soulvolle roots pop (“Coney Island Express”), van nadrukkelijk met bluegrass stoeiende Americana (“Some Place Along The River”) tot pop tout court (“Magpies”, “Rembrandt”), van singer-songwriterij pur (“All I Ever Knew”) tot een hoogst aparte, welhaast Waitsiaanse proporties aannemende spielerei (“Altar Of Greed / Muddy Bottom / The Hunch”), Childers en zijn maats waren duidelijk niet van plan om zich met dit album gemakkelijk in één hoekje te laten drummen. En precies dat gegeven is het ons inziens, dat van “Glorious Day” een plaat maakt om te koesteren, om keer op keer opnieuw te blijven beluisteren en om ons aan het einde van het jaar misschien wel te herinneren als één van dé echte highlights van 2010. Al blijft dat wel nog even koffiedik kijken natuurlijk…
LOU VARGO “Sunday Night Serenade” (Lou Vargo)
(3,5****)
“Sunday Night Serenade” is na de in 2007 verschenen mini “American Disaster” een tweede teken van leven van de naar eigen zeggen vooral door Townes Van Zandt, Steve Earle en Guy Clark beïnvloede Amerikaanse singer-songwriter Lou Vargo. En opnieuw blijkt het daarbij slechts om een albumette te gaan. Slechts, omdat we het eigenlijk best wel jammer vinden, dat Vargo zichzelf andermaal die beperking oplegt. Van ons had het gerust wat meer mogen zijn! ’s Mans veelal melodieuze, vaak eerder naar het sombere neigende songs gaan ergens tussen Americana en roots rock immers op immer doordachte wijze in de clinch met zware onderwerpen als de geleidelijke teloorgang van de lang onaantastbaar geachte Amerikaanse droom en de zich ook in zijn eigen bestaan aandienende demonen. Dat levert wat ons betreft als knapste resultaten “Down In The Well” en “American Disaster” op. Het eerste is een met beide voeten stevig op de grond blijvende streep roots rock genre een Ray Wylie Hubbard of een Gurf Morlix, het tweede een zich aan gloedvol toetsenwerk en secure gitaarbijdragen optrekkende lap atmosferische Americana met een grootstadsrandje. Speciale vermeldingen verdienen hier ons inziens producer Don Kerce en vooral ook gitarist Danny Parks. Die zorgen er immers in grote mate voor, dat Vargo’s het verbruik van sloten whisky en tonnen sigaretten suggererende stem en knappe liedjes hier echt volop tot hun recht kunnen komen.
STACE ENGLAND & THE SALT KINGS “The Amazing Oscar Micheaux” (Rankoutsider / Sonic Rendezvous)
(4****)
Met “Greetings From Cairo, Illinois” deed Stace England in 2005 in kennerskringen al het nodige stof opwaaien en het heeft er echt alle aanschijn van, dat hij de impact van die plaat met zijn nieuwste alleen nog maar zal gaan overtreffen. Op “The Amazing Oscar Micheaux” richt hij zijn pijlen ditmaal op het hoogst aparte verhaal van de eerste Afro-Amerikaanse regisseur, die zijn films ook in “blanke” bioscopen vertoond wist. Op de man, die tussen 1919 en 1948 vriend én vijand geregeld recht naar de keel greep met zijn totaal compromisloze aanpak. Films als “Within Our Gates”, “Body & Soul”, “God’s Stepchildren”, “The Symbol Of The Unconquered” en “The Birth Of A Nation” genieten daardoor ook nu in kringen van connoisseurs nog steeds het nodige respect. Vooral de manier waarop Micheaux zwarten in beeld bracht, was regelrecht baanbrekend. Hij brak met alle bestaande stereotypen en lag zo mee aan de basis van een nieuwe kijk op kleurlingen. Voorwaar geen geringe prestatie en dat onderkende ook England. Die vestigt hier tussen regelmatig nadrukkelijk aan Neil Young en Crazy Horse herinnerende, luide gitaren opnieuw de aandacht op Micheaux. Het resultaat van die benadering is een vooral op tekstueel vlak beklijvende plaat, die wat ons betreft net wat meer rustige momenten had mogen kennen. Daarin vinden we England immers op z’n best. Een gevoel dat ons ook bij het beluisteren van veel Young-albums geregeld overvalt trouwens… Desalniettemin: een héél straffe plaat, dit!
Stace England & The Salt Kings
TONY DENIKOS “Already Gone” (Tony Denikos Music)
(4****)
Dit is verdomd straffe kost! Zo mogen wij onze Americana dus graag, zie! Heerlijk divers, zich noch op tekstueel, noch op muzikaal vlak ook maar aan enige beperking onderwerpend. En zelfs al hoor je hier bij momenten erg duidelijk, dat Tony Denikos knapen als een John Fogerty, een Lowell George en een John Prine ongetwijfeld tot zijn grote voorbeelden rekent, storen doet dat hoegenaamd nergens. Als een spons zuigt hij al die invloeden op om vervolgens bij het zichzelf uitwringen tot iets geheel eigens te komen. Zoals het bepaald de roede niet sparende “Big Easy Down” bijvoorbeeld. In dat duidelijk richting New Orleans georiënteerde funky swamprockertje spuwt hij zijn gal over de politici van zijn thuisland, die zijns inziens zwaar in de fout gingen toen Katrina The Big Easy zo niets ontziend hard trof. Vervolgens jaagt hij er in het speels lieflijke folkdeuntje “Norfolk Town” op z’n Prine’s een zo goed als volledig levensverhaal door. Erg mooie tekst heeft dat nummer! “Ug & Goola” is dan weer hele knappe rootspop, “River Don’t Rise” een dijk van een ingehouden rootsrocker en “Already Gone” een fraai staaltje vlees en bloed geworden sociale kritiek. Zelden het sluiten van een fabriek muzikaal zo treffend horen verwoorden als hier. Je hoeft absoluut niet voor Opel te hebben gewerkt om te begrijpen, wat Denikos je hier wil laten voelen. Andere hoogtepunten? Het zich eveneens in harde woorden voor zijn thuisland wentelende “Auction Block”, waarin “For sale!” mooi rijmt op “For shame!” en de States worden geveild aan de hoogst biedende, het aan het beste van John Fogerty en CCR herinnerende countryrockliedje “Laurelite” en de werkelijk hartverscheurend mooie Americana-trage “Broken Down Cowboys”. Enfin, zoals we hier ook hoger al stelden, verdomd straffe kost! En dat Denikos in januari in de Euro Americana Chart zulke hoge ogen gooide, verbaast ons dan ook absoluut niet meer! Horen is kopen!
RECKLESS KELLY “Somewhere In Time” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(4****)
Wat aanvankelijk gezien hun de jongste jaren in hun thuisland toch gestaag groeiende populariteit een eerder vreemd idee leek, werkt voor die van Reckless Kelly op “Somewhere In Time” wonderwel. Net op het moment dat ze stilaan in heel de States voet aan de grond begonnen te krijgen, besloten de broers Willy en Cody Braun en hun cohorten om terug wat meer op hun roots te gaan focussen. Vrij vertaald: ze namen zich voor om een CD vol met materiaal van hun jeugdheld, de semi-legendarische singer-songwriter Pinto Bennett in te blikken. Die stond als kopstuk van de Famous Motel Cowboys immers zowat aan de wieg van Reckless Kelly. En zijn materiaal wordt hier dan ook met de grootste omzichtigheid behandeld. Wat concreet betekent, dat men terug wat meer richting country evolueert. Al wordt dat in de eerste nummers van de plaat niet meteen duidelijk. Openingsnummer “Little Blossom” is extreem gitaarzwanger countryrockgeweld en ook het daaropvolgende, met Joe Ely gedeelde “The Ballad Of Elano DeLeon” knalt er bijzonder lekker tegenaan. Maar vanaf het derde nummer, het als een jong veulen dartel rondhuppelende “Bird On A Wire”, mogen de Stetsons opnieuw op. En zo dicht als met “I’ve Done Everything I Could Do Wrong” kwamen de heren wellicht nog nooit in de buurt van traditionele country. Dat is een tranentrekker van het allerbeste soort met pedal steel en fiddle à volonté voorhanden. En ook het op maat van eender welke honky-tonk in town gepresenteerde “I Hold The Bottle, You Hold The Wheel” berust op traditionalisme pur sang. Wat van “Somewhere In Time” in onze ogen echter de interessante plaat maakt die ze is, is het bijzonder gevarieerde aanbod erop. Met de hulp van gasten als Lloyd Maines, Mark “Sergio” Webb, Rob Matson, Teddy Ray Jones (Famous Motel Cowboys), Mickey Raphael (Willie Nelson Band), Bukka Allen, Joe Ely, broer Micky Braun (Micky & The Motorcars) en feestvarken van dienst Pinto Bennett zelve bewandelen die van Reckless Kelly hier zowat voortdurend de gouden middenweg tussen alternatieve country rock, Americana en het pure spul. Net als je aan één welbepaalde mood dreigt te gaan wennen, schakelen ze probleemloos over naar een andere. En precies dat gegeven maakt van “Somewhere In Time” misschien wel hun allerbeste plaat so far. Alleszins één van hun lekkerste überhaupt! En het mag dan al om Bennetts materiaal gaan, dit is op de keper beschouwd wel degelijk ontegensprekelijk een Reckless Kelly-plaat!
THE EARL BROTHERS “The Earl Brothers” (Big Hen Music)
(4****)
Voor wie met heimwee terugdenkt aan de hoogdagen van bluegrasscoryfeeën als een Bill Monroe, de Stanley Brothers of de Louvins of het betreurt die periode niet te hebben mogen meemaken vanwege toen nog te jong of nog in de maak is ook de vierde CD van de vanuit San Francisco actieve Earl Brothers weer essentieel luistervoer. Net als op voorgangers “Whiskey, Women & Death” (2004), “Troubles To Blame” (2006) en “Moonshine” (2008) serveren Robert Earl Davis (banjo, leadzang), Danny Morris (gitaar, leadzang), James Touzel (bas, zang) en Tom Lucs (fiddle, zang) immers ook daarop weer een fraai elftal aan hun grote voorbeelden nadrukkelijk naar de kroon stekende songs. Wat de vier brengen klinkt zó heerlijk authentiek, dat het eigenlijk maar amper te begrijpen valt, dat het niet in de jaren veertig of vijftig tot stand kwam. In tegenstelling tot heel wat andere vandaag de dag aan de weg timmerende bluegrass acts verzanden de Earl Brothers echter niet in louter imiteerwerk van hun grote voorbeelden. Hun volgens het principe “Minder is juist meer!” geconcipieerde songs vallen zo bijvoorbeeld meteen op door een wat scherper randje. Hun teksten blijken vaak straffe verhalen. En wat het louter muzikale aspect van hun oeuvre betreft laten “de broertjes” zich maar zelden betrappen op een al té grote voorliefde voor het etaleren van hun skills. Het zijn weliswaar stuk voor stuk virtuozen op hun instrumenten, maar die virtuositeit wordt te allen tijde ten dienste gesteld van het gebrachte songmateriaal. En zo hoort het eigenlijk ook! Het maakt van fraaie kleinoden als “Lightning”, “When The Lovin’s All Over”, “Won’t Be Around Anymore” en andere immers onvoorwaardelijke aanraders. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.
MARK WAYNE GLASMIRE “Life Goes On” (Traceway Muisc)
(2,5***)
Eerlijk is eerlijk, wij hebben het hier niet zo voor singer-songwriters, die zich in hun teksten voornamelijk beperken tot het benaderen van een onderwerp al zoveel behandeld als de liefde. Al valt daar ongetwijfeld veel over te vertellen. Maar dat is dan weer een heel ander verhaal… En dus zit Mark Wayne Glasmire eigenlijk al a priori met een serieus probleem opgezadeld. Zijn nieuwe CD “Life Goes On” bevat immers vooral songs, waarin die liefde centraal staat. Met af en toe, heel af en toe, heel even een zijstapje richting het leven zelve en het fervent najagen van wat geluk daarin. Weinig origineel allemaal, al u het ons vraagt. Wat kan Glasmire dan nog redden? Wel, de man beschikt over een mooie, erg heldere stem, die uitermate geschikt blijkt voor het brengen van zoveel zeemzoet vertier. En het feit, dat er zo nu en dan ook “echte” instrumenten als een banjo, een dobro, een fiddle en een mandoline opduiken in zijn tussen roots pop, folk, Americana en country hun weg naar commercieel succes zoekende liedjes helpt ook wel. Maar wij blijven het toch allemaal net een beetje te weinig vinden om hier echt met volle teugen van te kunnen genieten. Je moet al wel in een heel romantische bui verkeren om hier veel leukere CD’s van collega’s als pak ‘m beet een Rod Picott of een Slaid Cleaves voor te laten liggen. Neen, Glasmire kan zijn pijlen maar beter nadrukkelijk op Nashville beginnen richten. Daar horen platen van het genre van “Life Goes On” naar onze bescheiden mening nu eenmaal thuis.
JAKE HOOKER “Lost Along The Way” (Startex Records)
(4****)
Petje af voor Jake Hooker. Die leverde met “Lost Along The Way” zopas immers andermaal een sluitend bewijs voor de stelling dat traditionele country ook anno nu nog perfect leefbaar blijft. Net als op voorganger “The Outsider” uit 2007 gaat hij ook ditmaal weer ongestoord zijn gangetje met het overvloedig voorhanden zijnde muzikale erfgoed van zijn thuishaven. Daardoor claimt hij nadrukkelijk een eigen stek tussen gelijkgestemde geesten als een Justin Treviño, een James Hand, een Dale Watson en andere contemporaine honky-tonkers. Net als die knapen gaat Hooker op het door hemzelf en Jim Loessberg geproduceerde “Lost Along The Way” voor een oertraditioneel geluid. De melancholische dansvloervuller “Lost Along The Way” biedt daardoor naast het betere croonwerk van Hooker zelve ook uitgebreid fiddleplezier namens Bobby Flores en een sierlijke steel touch signé Paul Franklin. En in een vertolking van Ray Charles’ “Talkin’ ‘Bout You” gaat mede dankzij de vocale inbreng van good old Leon Rausch en zwierig pianowerk van Pig Robbins het dak er al swingend af. En what about “Drowning My Troubles Till They’ve Learned How To Swim”? Daarin wordt Ray Pennington op muzikaal overtuigende wijze bedankt voor een country classic die naam absoluut waardig. Enfin, Hooker steekt duidelijk in de vorm van zijn leven. Hij swingt en zingt hier voortdurend dat een echte lust voor het oor is. En als er toch al eens een mondje hulp nodig blijkt, dan weet hij daarvoor naast de al genoemde Rausch ook nog schoon volk als Jody Nix, supertalent Amber Digby en Tommy Hooker in de buurt. Mogen we dan ook met een gerust gemoed warm aanbevelen, lijkt ons, deze lap onversneden Texaans retro-countryplezier.
J.D. SOUTHER “Rain - Live At The Belcourt Theatre” (Slow Curve Records)
(3***)
Met John David Souther gaat het uitstekend, dank u! Met “If The World Was You” maakte de vooral voor zijn bijdragen als stille man achter The Eagles bekende singer-songwriter in 2008 een gesmaakte comeback. En dat succesverhaal krijgt nu met het zeven songs tellende “Rain” een gepast staartje. Het lijkt erop, of Souther het door de eerder genoemde plaat gecreëerde momentum met dit in het historische Belcourt Theatre in Nashville opgenomen live-tussendoortje best nog wel even wil vasthouden. Samen met muzikanten Jeff Coffin, Rod McGaha, Chris Walters, Jim Mayer en Jim White blikte hij er enigszins jazzy aandoende versies van de nummers “Rain”, “A Chorus Of Your Own”, “Journey Down The Nile” en “House Of Pride” van “If The World Was You” in. Aangevuld met vertolkingen van de door hemzelf mee gepende Eagles-hit “New Kid In Town”, het ondermeer in de uitvoering van Linda Ronstadt op haar in ’75 verschenen album “Prisoner In Disguise” bekende “Silver Blue” en zijn eigen grootste hit “You’re Only Lonely” levert dat net geen vijfendertig minuten aangenaam muzikaal vertier op. Een beetje braaf allemaal misschien wel, maar voor de rest best wel o.k., vooral dan die eigen versie van “New Kid In Town” en het immer mooie “You’re Only Lonely”. Zichzelf daarin enkel begeleidend op de akoestische leverde de Amerikaan daarmee toch enkele momenten af, die ons heel even deden opveren.
HAZY MALAZE “Connections” (Fargo / Munich)
(3,5****)
Toen Ryan Adams himself Neal Casal vrij kort na het verschijnen van “Blackout Love” in 2005 het hof maakte met de vraag om zijn Cardinals te vervoegen als gitarist, leek het nog prille verhaal van Hazy Malaze op nogal abrupt wijze al aan zijn einde te zijn gekomen. Met amper twee albums onder de arm, het al genoemde “Blackout Love” en het twee jaar eerder verschenen titelloze debuut van de groep, ging de stekker er onherroepelijk uit. That is, tot op de dag van vandaag toch. De onvoorspelbaarheid van zijn huidige broodheer blijkt Casal immers nog meer dan voldoende tijd en ruimte te laten om op gezette tijdstippen ook zijn eigen creatieve ei nog kwijt te kunnen. En daartoe behoorde klaarblijkelijk ook een nieuwe worp van Hazy Malaze. “Connections” heet die en hij bevat tien nieuwe volvette happen rootspop en -rock, variërend van eerder lijzig en met een licht psychedelisch randje in “Can’t Just Give It Away” tot (schoorvoetend) flirtend met blues en roadhouse rock in “On The Tarmac” en “My Black Cloud”, van recht-toe-recht-aan (pub)rockend in “Get Free” of “Josephine” tot knipogend richting delta blues in titelnummer “Connections”, van zich wentelend in een wolk van een slow power pop groove zoals in “Secrets Safe” tot aansluiting zoekend bij de “sound of sunny California” zoals in “Time Is Not On Our Side”. Met als absolute hoogtepunt wat ons betreft de ongemeen fraaie en al even soulvol gebrachte trage “Amazing Colors”. Die zou meteen ook als dé ideale brug naar Casals eerstvolgende soloplaat kunnen dienstdoen. En daarna mag Ryan Adams hem dan graag weer even terug hebben. Maar wel niet voor te lang, he!
THE SOJOURNERS “The Sojourners” (Black Hen / CRS / Munich)
(4****)
Na het ronduit sublieme “Downtown Church” van Patty Griffin opnieuw een niets minder dan verslavende gospelplaat! Verantwoordelijken van dienst daarvoor zijn ditmaal Will Sanders, Ron Small en Marcus Mosely oftewel The Sojourners. Die Canadese kleurlingen leerden we zowat een jaar of twee geleden pas goed kennen dankzij hun bijdrage aan Jim Byrnes’ “House Of Refuge”, eind 2007 door ons gebombardeerd tot het beste wat we dat jaar voor de kiezen hadden gekregen en dat in bepaald niet geringe mate door precies de inbreng van The Sojourners. Echte huisfavorietjes sindsdien met andere woorden, deze knapen op leeftijd, en daarin zal met het album “The Sojourners” zeker geen verandering gaan komen. Sanders, Small en Mosely verheffen soulvolle samenzang daarop immers zowat tot kunst. Met een zekere hang naar R&B in het de hoogdagen van platenlabels als Stax en Atlantic in herinnering roepende “Nobody Can Hang Me Around”, “When I Die” en “Strange Man”, tussen bluesy en eerder traditionalistisch in het recitatieve “Brother Moses Smote The Water”, quasi acapella en ongemeen broeierig in “Lead Me Guide Me”, neigend naar Americana in “It’s Hard To Stumble (When You’re On Your Knees)” of gewoon keurig met zijn drieën in lijn swingend godsvruchtige boodschappen over je uitlepelend. Hoe dan ook, je blijft als luisteraar achter met een gevoel vergelijkbaar met dat waarmee in het diepe Zuiden van de States nog wekelijks opgezweepte menigten kerkgangers voldaan weer naar huis worden gestuurd. Godsvruchtig ingesteld zijn of niet, het speelt hier geen rol van betekenis. Dit is gewoon rootsmuziek op z’n puurst! Beschikken over een open ingestelde geest volstaat wat ons betreft ruimschoots om hiervan ten volle te kunnen genieten.
PILGRIM “Harbour Girl” (Rootsy / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Van een eigenaardige combinatie gesproken! Het dezer dagen uit Karin Forsman (zang), Marcus Svensson (dobro, gitaren, zang), Peter Gran (mandoline, banjo, akoestische gitaar, zang) en Mikael Fahleryd (double bass) bestaande Zweedse viertal Pilgrim ging voor zijn nieuwe CD “Harbour Girl” een alliantie met niemand minder dan Kinks-baas Ray Davies aan. En zeg nu zelf, die had je toch niet meteen als producer van een met akoestische old time country en bluegrass gevulde plaat verwacht, he? Maar dat is dus wel degelijk het geval hier en meer zelfs nog, want met “Aunt Maria” en het titelnummer draagt hij ook twee songs tot het geheel bij. Twee prima liedjes! En zo zijn er hier wel meer te vinden. Ook zonder de vaste steun van haar tweelingzus Maria, die door omstandigheden tijdelijk op non-actief kwam te staan en daardoor rechtstreeks mee aan de basis lag van de naamsverandering van Pilgrim Sisters in Pilgrim, is Karin Forsman hier zanggewijs weer voortdurend goed voor het nodige kippenvel. Mooi het midden houdend tussen traditionele akoestische country en bluegrass wisselen zij en haar extreem getalenteerde kompanen eigen composities af met “grassy” covers van ondermeer het door Johnny Cash de eeuwigheid ingezongen “Ring Of Fire”, David Allan Coe’s “Would You Lay With Me (In A Field Of Stone)”, Eddy McDuffs wellicht via Buck Owens of George Jones ontdekte “Hello Trouble”, “Broadminded” van de Louvins en A.P. Carters “I’m Working On A Building”. Die gang van zaken resulteert andermaal in een prima plaat. Veel beter eigenlijk dan wat heel wat van de Amerikaanse spitsbroeders van het viertal regelmatig durven af te leveren. En dat lijkt ons zo ongeveer het mooiste compliment, dat je nachtegaaltje Forsman en haar maatjes kan maken.
PATTY GRIFFIN “Downtown Church” (EMI / CMG)
(5*****)
Patty Griffin heeft zich in het verleden al wel eens vaker op een zekere voorliefde voor gospel laten betrappen. En als dusdanig kwam het nieuws, dat haar volgende plaat een heus gospelalbum zou gaan worden ook niet echt als een verrassing. Net zo min als het een verrassing is, dat het weer een fabelachtig mooie plaat is overigens. “Downtown Church” brengt eigenlijk gewoon de bevestiging van iets wat we al véél en véél langer wisten, namelijk dat Griffin één van dé allermooiste stemmen van het moment heeft. Het is een van de eerste tot de laatste seconde beklijvende plaat, die spelenderwijze elk vooroordeel ten opzichte van het gospelgenre uit de weg zou moeten kunnen ruimen. Vooral haar eclectische benadering van dat gegeven en het inzetten van de juiste mensen op de juiste plaats helpen Griffin om van “Downtown Church” een werkelijk memorabel gebeuren te maken. Haar samen met de grote Emmylou Harris de ballade “Little Fire” horen brengen is zo bijvoorbeeld als kloppen op de poorten van de Hemel. Haar met de McCrarys, Jim Lauderdale en Buddy Miller tekeer horen gaan in het van een shot rockabilly bediende “Move Up” staat dan weer voor diezelfde poorten met geweld open trappen. “Death’s Got A Warrant”, opnieuw met assistentie van de McCrarys, is vervolgens pure gospelgrandeur, zoals die alleen in het Zuiden van de States lijkt te kunnen. Andere hoogtepunten? De in duet met Julie Miller gebrachte trage “Coming Home To Me”, het met de van de Mavericks bekende Raul Malo gedeelde “Virgen De Guadalupe”, het extreem rootsy, tegen een ogenblikkelijk op je trommelvliezen gebrande baslijn neergelegde “Wade In The Water” met gasten Regina McCrary en Mike Farris, het soulvolle, met de steun van Buddy Miller ingeblikte “Never Grow Old” en het lekker “mean” uit de hoek komende “I Smell A Rat”. Stuk voor stuk liedjes, die voor heel wat nieuwe gelovigen zouden moeten kunnen zorgen. En materiaal ook, dat ons voor het eerst in het nog jonge jaar alweer aan onze volgende eindejaarlijst deed denken. Een niets minder dan essentieel album!
DAN KRIKORIAN “Colors And Chords” (Dan Krikorian)
(3,5****)
“Colors And Chords” is na het in 2008 verschenen “Oxford Street” het tweede album van de vanuit Orange County actieve singer-songwriter Dan Krikorian. En afgaand op de tien liedjes daarop kunnen we stellen, dat de beste man de vergelijkingen met Josh Ritter, Joe Purdy, Damien Rice en Jack Johnson, die je her en der leest, wel rechtvaardigt. Hij brengt een aangenaam wegluisterende mix van pop, rock en folk, waarin voor de eigen wat dromerig aandoende stem voortdurend een hoofdrol weggelegd blijkt. Ze variëren van intimistisch tot voorzichtig soulvol, de kleinoden, waarin Krikorian zijn catchy teksten weet te verpakken. En het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, als je op z’n minst enkele van de songs hier vroeg of laat op de achtergrond in de één of andere populaire TV-reeks mocht terughoren. Wat Krikorian in het gezelschap van de van I See Hawks In L.A. bekende Shawn Nourse (productie, drums en percussie), gitarist Bob Boulding van de Young Dubliners, superbassist Taras Prodaniuk en toetsenman Carl Bryson aflevert, klinkt immers ontzettend af. Horen we beslist nog meer van, van deze knaap!
KATY LIED “Echo Games” (Katy Lied)
(3,5****)
Katy Lied is een Engels viermanschap, dat zo’n twee jaar geleden debuteerde met de CD “Late Arrival”. En nu is er de opvolger van die plaat, “Echo Games”. In de tien songs daarop focussen de Britten nogal nadrukkelijk op hun voornaamste troeven. In de eerste plaats is dat de heldere stem van frontvrouw Katie Harnett. Die heeft een werkelijk fenomenaal bereik en vertolkt op “Echo Games” met sprekend gemak de meest uiteenlopende gevoelens. Anderzijds vallen ook de gitaarbijdragen van Duncan Hamilton meteen op. Die blaast met eenzelfde gemak het nodige leven in liedjes, die zich onder zo uiteenlopende noemers als pop, roots rock en Americana laten vangen. Die Hamilton is trouwens ook het creatieve brein achter de groep. Hij draagt zo ongeveer al het songgoed aan. Al dient daar ditmaal wél bij te worden vermeld, dat hij zich voor enkele liedjes liet bijstaan door anderen, zoals Thea Gilmore, Dai Smith en multi-instrumentalist Nigel Stonier. Bij het beluisteren van “Echo Games” hebben wij ons hier herhaaldelijk zitten afvragen, waaraan dit ons deed denken, want het klonk bij momenten écht wel vertrouwd. Uiteindelijk schoot ons de naam River City People te binnen, de groep, waarin Siobhan Maher-Kennedy ooit nog het mooie weer maakte. Iets als “Piece By Piece” bijvoorbeeld is best wel vergelijkbaar met het materiaal van die band. Maar dat is maar een momentopname! Het twangy “Watch This Space” is zo al heel andere koek. Daar is duidelijk sprake van Americana. En ook het titelnummer met zijn wat aparte groove richt zijn blikken duidelijk richting andere oorden. Daar zou je durven zweren, dat Harnett zwaar beïnvloed werd door Jefferson Airplane en met name dan door Grace Slick.
JENNY BOHMAN “Coming Home” (Rootsy / Sonic Rendezvous)
(4****)
Leed blijkt vaak een uiterst interessante voedingsbodem voor muziek. Het is jammer, maar het is wel zo. Dat blijkt maar weer eens naar aanleiding van “Coming Home”, de eerste soloplaat van Jenny Bohman. Die Zweedse verdient al bijna twintig jaar lang haar boterham met het maken van muziek. Ondermeer bij de Monaco Blues Band en Little Jennie & The Bluebeans. Maar net nu ze zich wat meer wilde gaan toeleggen op het verbeteren van haar singer-songwritertalenten en een carrière onder eigen naam sloeg het noodlot tweemaal genadeloos hard toe. Kort voor het beëindigen van de opnames voor haar debuutplaat overleed vriend en producer Thomas Almqvist plots. Bohman werd daardoor danig getroffen, dat ze prompt besliste om de werkzaamheden aan haar visitekaartje voor een half jaar op te schorten. En toen ze de voorbije zomer haar rouwproces uiteindelijk voltrokken wist en opnieuw vol goede moed aan het werk ging, kwam plots een tweede, zo mogelijk nog tragischere boodschap. Bohman werd ernstig ziek. Diagnose: kanker. Een mens zou voor minder het hoofd buigen! Niet echter Bohman. Zij zette alles op alles om haar droom te realiseren. En dus werd “Coming Home” vooralsnog voltooid. En de Zweedse mag er terecht trots op zijn. “Coming Home” is immers een erg knap roots & bluesalbum geworden. Bohman zelf herinnert daarop zanggewijs een heel klein beetje aan Bonnie Raitt. En dat bedoelen we vooral als een compliment! Haar soulvolle strot en ook haar mondharmonicaspel blijken immers twee ontzettend sterke troefkaarten. “Coming Home” is overigens een lekker gevarieerd geheel geworden. “I Just Want Your Money” is zo bijvoorbeeld licht melancholische alt. country à la Lucinda, titelnummer “Coming Home” bluesy Americana met tonnen soul, “Democracy” een funky bluesje, “Billys Walk” blues tout court en “Right By Your Side” het soort van folky benadering van dat genre, waaraan Rory Block zich ook wel eens durft te wagen. De blues is – Begrijpelijkerwijze! – constant prominent aanwezig, maar wordt danig genuanceerd aangeboden, dat je toch nooit het gevoel krijgt van naar een volbloed-bluesalbum te luisteren. Grote klasse! En we kunnen met z’n allen dan ook alleen maar hopen, dat Bohman het belangrijkste gevecht van haar leven als overwinnaar zal afsluiten. Het zou echt doodjammer zijn, als zo’n groot talent ons al na één enkele plaat ontnomen zou worden.
(Je kan je dit album via de link hieronder voor amper 6 euro aanschaffen bij Sonic Rendezvous. Alleen al om Bohman te helpen bij het betalen van haar doktersrekeningen zou je dat eigenlijk op z’n minst moeten overwegen. Het goede nieuws is echter, dat er ook voor jou iets aan vastzit: een ronduit uitstekende plaat namelijk. Vooral doen dus!)
K.C. MCKANZIE “Hammers & Nails” en “DryLand” (t3 records)
(4****)
We hadden al zeer veel goeds over haar gelezen en gehoord, maar zelf hadden we tot voor kort nog niet mogen kennismaken met de muziek van K.C. McKanzie. En dat bleek na het beluisteren van “Hammers & Nails” (2008) en “DryLand” (2009), haar twee recentste albums, een serieus gemis te zijn geweest! Het fotomateriaal gebruikt voor de hoesjes van die platen deed ons al een beetje denken in de richting van collega’s als Gillian Welch en Rachel Harrington. En ook de muziek van McKanzie situeert zich nadrukkelijk in hetzelfde straatje als die van dat tweetal. Met haar fraaie, bitterzoete stem, een akoestische gitaar en een banjo als haar voornaamste bondgenoten schildert de jonge Duitse op elk van die beide platen in het gezelschap van haar “eigen Dave Rawlings” Budi (bas, banjo en percussie) een dertiental tafereeltjes, die je louter gevoelsmatig ogenblikkelijk lijken te willen meenemen naar meer rurale delen van de zuidelijke States en dan bij voorkeur nog zo’n goede zeventig tot tachtig jaar geleden. Net als de beide hoger genoemde dames slaagt McKanzie er echter in, dat old-time gevoel te vertalen naar een louter muzikaal gezien wat actuelere context. Haar fraaie, beurtelings wat meer naar Americana, folk, bluegrass en country overhellende liedjes moeten het vooral hebben van de atmosfeer, die ze vrijwel ogenblikkelijk creëren. Op delicate wijze, enigszins wrang melancholisch, buigen ze zich over het leven aan de zelfkant van de maatschappij. En daar is het aan de hand van deze uiterst getalenteerde dame aangenaam toeven. Fans van Welch en Harrington raden we deze schijfjes dan ook van ganser harte aan. Maar ook liefhebbers van pak ‘m beet een Alela Diane, een Jolie Holland of de Be Good Tanyas zullen hier wel raad mee weten. Werkelijk bloedmooi allemaal! En wij hebben ons dan ook al voorgenomen om snel op zoek te gaan naar “Weird Tunes From A Wild Mind” en “The Widow Tries To Hide”, de beide eerste platen van McKanzie uit 2004 en 2006. Euro Americana op z’n allerbest!
TERI JOYCE “Kitchen Radio” (Teri Joyce / Cow Island Music)
(3,5****)
We hebben het hier al wel eens vaker geschreven: ons kent ons in Texas. En met name in Austin is het als muzikant bon ton om op het werk van collega’s een handje te komen toesteken. Zelfs als het daarbij relatieve nieuwkomers betreft als deze Teri Joyce. Joyce kenden we vooralsnog enkel van door anderen opgenomen liedjes van haar. Met name Marti Brom, Ted Roddy, Karen Poston, Rick Broussard en Roger Wallace bedienden zich reeds van haar materiaal. En die laatste is wellicht bij wijze van wederdienst ook nadrukkelijk op het visitekaartje van Joyce aanwezig. Hij duikt links en rechts harmoniërend op en brengt ook enkele duetten met de debutante (“Let’s Stop Singin’ This Ol’ Song” en “Fifteen Minutes Of Shame”). Maar Wallace is hier lang niet de enige bekendheid in de buurt. Wij noteerden bijvoorbeeld ook nog de namen van Dave Biller, Jim Stringer, T Jarrod Bonta, Brad Fordham, Lisa Pankratz, Marty Muse, Cindy Cashdollar, Bobby Flores, Eamon McLoughlin, Floyd Domino, Jake Hooker, Justin Trevino en Brennen Leigh. In Austin noemen ze dit wellicht een all-star cast. Feit is, dat het een zeer onderhoudend album heeft opgeleverd, waarop traditionele country ouderwets lekker veertien nummers lang in het middelpunt van de belangstelling staat. En dat het daarbij ook nog eens uitsluitend eigen songs betreft is zeker een pluspunt. Dat Joyce over een gouden “honky-tonkstrotje” beschikt óók. Liefhebbers van het materiaal van dames als Rosie Flores, Susanna Van Tassel en Libbi Bosworth moeten hier wat ons betreft dan ook dringend aan. Zij zullen het zich immers absoluut niet beklagen dit door Joyce samen met Justin Trevino geproduceerde debuut in huis te hebben. “Pure country from a gal with a heart as big Texas” omschreef een fan het in een aanbeveling op online shop CD Baby en daarmee sloeg die eigenlijk spijkers met koppen. Kunnen ook wij ons helemaal in vinden!
RETO BURRELL “Go” (Echopark Music)
(3,5****)
Veel meer nog dan met zijn vorige platen bewijst Reto Burrell met het nieuwe “Go”, dat Zwitserland véél en véél te klein voor ‘m aan het worden is. Gelijk vanaf het openingsnummer van die plaat, de zalige melodieuze rocker “This Is It”, grijpt hij je bij je nekvel om je pas twaalf songs verder hongerend naar meer weer los te laten. Let wel, dit is niet langer de Burrell van zijn eerste platen. Waar daar de link met Americana nog redelijk voor de hand liggend was, hebben heel wat nummers op “Go” amper nog iets met dat genre te maken. Hier regeren nadrukkelijk pop, rock en af en toe de rootsvariant daarop. Maar dat doet uiteraard niets af aan de kwaliteit van Burrells songs. Het keurig de aandacht tussen ’s mans gruizige stem, zwierig pianowerk van Phil Parlapiano - What’s in a name? - en de elektrische gitaren van Burrell zelf en Jonny Polonsky verdelende “Suitcase” is bijvoorbeeld ronduit geweldig. Veel lekkerder rocken kan amper! En dan is er zeker ook nog “Some Days”, een mooie ballade, waarin Rich Mouser steelgitaargewijs toch even het element country wat weet aan te zwengelen. Of het gevoelige “Coming Home” ook, dat eigenlijk gewoon alles heeft om een lang radioleven te gaan leiden. Je ziet de in de lucht gehouden brandende aanstekers bij optredens al zo voor je… Maar - Eerlijk is eerlijk! - wij hebben het toch nog net iets meer voor de wat stevigere nummers hier. We denken dan aan dingen als het perfect bij de al eerder genoemde opener aansluitende “Heart & Bones”, het springerige “Uninvited Honesty”, het door het aandeel van enkele fanatiek gemolesteerde gitaren bijna uit de bocht gaande en met een snuif punk gekruide “Not As Cool As L.A.” of het ons mede dankzij de orgelinbreng van Rich Mouser van opzet een weinig aan Tom Petty herinnerende duetje met Tift Merritt “Dancing To The Rhythm Of The Rain”, nog een gedroomde singlekandidaat!
LOS LOBOS “Los Lobos Goes Disney” (Walt Disney Records)
(4****)
Dit moet zowat dé gezinsvriendelijkste plaat in tijden zijn! De onvolprezen wolven tackelen op hun nieuwste immers dertien stukken uit legendarische Disney-producties. Gecoverd worden songs uit films als “Sneeuwwitje En De Zeven Dwergen”, “Jungle Book”, “Robin Hood”, “Pinokkio”, “Toy Story”, “Lady En De Vagebond”, “101 Dalmatiërs” en andere evergreens bij het jonge grut. Van “Heigh-Ho” over “I Wan’na Be Like You” of “Not In Nottingham” tot “The Tiki Tiki Tiki Room”, van “Grim Grinning Ghosts” over “I Will Go Sailing No More” en “The Ugly Bug Ball” tot “Cruella De Vil”, van “Bella Notte” over “Zip-A-Dee-Doo-Dah” en “Bare Necessities” tot “Oo-De-Lally” en de medley “When You Wish Upon A Star / It’s A Small World”. En niet één Disney classic blijkt bestand tegen de Los Lobos treatment. Prachtig gewoon, hoe David Hidalgo, Cesar Rosas, Steve Berlin, Louie Perez, Conrad Lozano en Cougar Estrada erin slagen om van deze door de jaren heen toch compleet grijs gedraaide songs volstrekt nieuwe items te maken. Hun roots & roll-benadering zorgt ervoor, dat deze deuntjes niet langer uitsluitend voor een jeugdig publiek bestemd hoeven te zijn. Deze knaap hier lust er alvast wel pap van!
VARIOUS ARTISTS “Crazy Heart” (Soundtrack) (New West /sonic Rendezvous)
(4****)
Rond deze prent was de voorbije dagen nogal wat te doen in Amerikaanse rootsmuziekminnende middens. Tijdens de jongste uitreiking van de prestigieuze Golden Globe Awards kaapte “Crazy Heart” immers liefst twee van de hoofdprijzen weg. Jeff Bridges ging aan de haal met de trofee voor “Best Performance by an Actor in a Motion Picture – Drama” en Ryan Bingham en T Bone Burnett deden hetzelfde met die voor “Best Original Song – Motion Picture”. Hun thema voor de film, “The Weary Kind”, vertolkt door Bingham zelf, maakte ons alvast razend benieuwd naar het overige materiaal op de soundtrack. En dat blijkt reuze mee te vallen! Naast ouder spul van Buck Owens, The Louvin Brothers, Lightnin’ Hopkins, Waylon Jennings, Townes Van Zandt en Sam Phillips krijgen we ondermeer ook een zestal door Jeff Bridges in de film vertolkte liedjes te horen. En die variëren van gewoon goed tot ronduit uitstekend. Met name de fraaie Americana ballads “Hold On You” en “Brand New Angel”, het van opzet een weinig aan het stevigere materiaal van John Hiatt herinnerende rootsrockertje “”Somebody Else”, het melodieuze, door Stephen Bruton en Gary Nicholson aangedragen “Fallin’ & Flyin’” – Gebracht met Colin Farrell! - en het met ondermeer Buddy Miller, Greg Leisz en Joel Guzman ingeblikte en wat Zuiders aandoende “I Don’t Know” zorgen voor stof tot nadenken. Zou deze Jeff Bridges het op z’n minst eens niet even willen overwegen om ook als Americana act aan de slag te blijven? Zijn vertolking van de countryzanger Bad Blake smaakt immers volop naar meer! Wat een mooie, ontzettend warme stem heeft die man! Andere aandachtstrekkers op “Crazy Heart” zijn een hyperswingend “Gone, Gone, Gone” door Bridges’ collega Colin Farrell, een door acteur Robert Duvall meer vertelde dan gezongen versie van Billy Joe en Eddy Shavers “Live Forever” en Ryan Binghams bijdragen. Er is natuurlijk in de eerste plaats het al genoemde, prijswinnende “The Weary Kind”, een ongelooflijk mooie Americana-trage en wellicht één van de allermooiste songs op het repertoire van de man so far. Maar ook dat andere liedje van ‘m, “I Don’t Know”, is van uitstekende makelijk. Daarin komt hij bedaard countryrockend haast even sympathiek uit de hoek. Al bij al een voorbeeldige soundtrack, die in z’n liner notes door alle betrokkenen wordt opgedragen aan de onlangs overleden Stephen Bruton. Een schone geste!
Crazy Heart – New West Records
LEON BROCK “Ordinary People” (Saguaro Records)
(3,5****)
Ergens in het voorjaar van 2008 trok Leon Brock een streep onder zijn eigen verleden. Hij doekte The Red Sea Sharks op en vertrok aansluitend daarop met zijn camper richting de States. Zijn rondreizend bestaan aldaar tekende hij nauwkeurig op in een dagboek. En dat laatste zou na zijn terugkeer in Delft al snel aanleiding gaan geven tot een nieuw hoofdstuk in zijn carrière als muzikant. Slechts “gewapend” met een akoestische en een mondharmonica vertaalde hij zijn belevenissen in en observaties van de Verenigde Staten naar een elftal songs, die hij vervolgens in de beste singer-songwritertraditie met de hulp van pianist Guus Westdorp en bassist Martin Vermeer inblikte. In die liedjes treedt hij nogal nadrukkelijk in de voetsporen van knapen als een Townes Van Zandt, een Steve Earle, een Neil Young en een David Munyon. Vaardig heen en weer laverend tussen rootsy folk, Americana en country rock schildert hij ons “zijn Amerika”. En dat levert enkele uiterst fascinerende taferelen op. Het siert Brock overigens, dat hij zich voor het finaliseren van zijn teksten liet bijstaan door Dan McCann, voormalig bassist van Evan Johns & His H-Bombs. Het komt de authenticiteit van zijn materiaal alleen maar ten goede. Absolute topmomenten op deze eigenlijk gewoon in haar geheel bekorende CD zijn wat ons betreft de door gast Ad Vermeer met een streepje dobro opgeluisterde ballade “Eyes Of A Boy”, het op enigszins jazzy wijze “These Boots Are Made For Walking” heruitvindende “A Pair Of Cowboy Boots” en het ook muzikaal gezien zijn titel volgende “Mexican Border”. Vooral dat laatste met gastbijdragen op respectievelijk accordeon en flamencogitaar van Henk de Kat en Theo Blankenstein mag van ons rustig een indicatie vormen voor de door Brock in de toekomst te bewandelen weg. Puik werk, Leon!
THE COAL PORTERS “Durango” (Prima Records)
(4****)
Met “Durango” voegen The Coal Porters andermaal een heerlijke CD aan hun toch al aardig indrukwekkende oeuvre toe. Ex-Long Ryder Sid Griffin en zijn gezellen tasten op dat nieuwe, door de vermaarde Ed Stasium geproduceerde album verder de grenzen van het bluegrassgenre af. Voor de opnames ervan doken ze allemaal samen de studio in, alwaar ze, elkaar daarbij voortdurend in de ogen kijkend, resoluut op zoek gingen naar een authentieke live sound. Een weinig assistentie kregen ze daarbij van Tim O’Brien, die zijn mandoline liet spreken in “Roadkill Breakdown”, van Peter Rowan, die zang- en gitaargewijs een duit in het zakje kwam doen tijdens “Moonlight Midnight”, en van Ed Stasium, die her en der wat backing vocals verzorgde. Op “Durango” zal je overigens voornamelijk op eigen materiaal van de Porters stoten. Sid Griffin schreef vijf van de dertien songs erop, Neil Robert Herd droeg er op zijn beurt drie aan en Dick Smith tekende met “Roadkill Breakdown” voor één exemplaar. Voorts boog men zich ook nog over de traditionals “Pretty Polly” en “Sail Away, Ladies!”, die hier een compleet nieuw arrangement aangemeten krijgen, over Neil Youngs “Like A Hurricane” en over Tim O’Briens “Moonlight Midnight”. Het resultaat van dat alles is een van de eerste tot de laatste noot hoogst onderhoudende plaat, die met bluegrass als uitvalsbasis ook tal van andere rootsmuziekgenres aandoet: van Western swing in “The Squeaky Wheel Gets The Oil” tot roots rock in “Like A Hurricane” of Americana in “Permanent Twilight”. Erg lekker en derhalve ook warm aanbevolen! (Als extraatje krijg je bovendien ook nog een korte documentaire over de groep van de hand van Bibi Kangwana.)
RICHIE LAWRENCE “Melancholy Waltz” (Big Book Records)
(3***)
De naam Richie Lawrence associëren wij hier vooral met ‘s mans laatste project The Loose Acoustic Trio en met recente bijdragen aan nummers van I See Hawks In L.A., maar zijn muzikaal c.v. reikt eigenlijk al veel verder terug in de tijd. Tot ergens vroeg in de jaren tachtig meer bepaald. Je mag hier dus wel degelijk spreken over een ervaren rot in het vak. Een echte virtuoos is het, zowel op zijn Steinway, als op het accordeon. En dat laat hij duidelijk horen ook op zijn solodebuut “Melancholy Waltz”, een allesbehalve alledaagse rootsplaat. Het werkt bijvoorbeeld bepaald bevreemdend om flarden “Für Elise” doorheen “Bee’s Blues” te horen waaien. En nogal wat, met name van de tragere nummers lijken uitermate geschikt om als late night soundtracks in goedkope hoerententen of bedompte aftandse drankgelegenheden ergens in het diepe Zuiden van de States te fungeren. We denken dan bijvoorbeeld aan het voorzichtig frivole “Cafe Katie”, het met quasi dronken stem gebrachte “Faith Come Back To Me” en het volop de spirit van het New Orleans van weleer evocerende “For A While”. Dat laatste liedje, het old-timey “I Am Weary (Let Me Rest)”, een duetje met Katie Thomas, de fraaie, volop van de eigen goudbruine stem profiterende ballade “My Love” en het schitterende, accordeon- en Franglaisgewijs met een flinke snuif cajun gekruide “Danielle” zijn wat ons betreft meteen de vier absolute hoogtepunten van een plaat, die weliswaar een zekere gewenning vereist, maar daarna met elke beluistering weer een weinig aan charme wint.
JAY LINDEN “Under The Radar” (Jay Linden)
(5*****)
Wie net als ons een exemplaar van Jay Lindens in 2006 verschenen “Satchel” op de plank heeft staan, zal allicht niet erg veel overtuigende woorden nodig hebben om zich met gezwinde spoed ook ’s mans nieuwe “Under The Radar” aan te schaffen. De meningen waren indertijd vrijwel unaniem erg lovend. En superlatieven als “memorabel” en “tijdloos” vatten eigenlijk ook wel erg goed de muziek van Linden samen. Je wist gelijk al vanaf je eerste beluistering van die echt wel essentiële plaat, dat het er één was waar je nog graag en veel zou naar gaan teruggrijpen. En dat is ook het gevoel, dat ons meteen na het eerste rondje “Under The Radar” overviel. Ook dat is immers weer een echte wolk van een singer-songwriterplaat. Een plaat, die weer volop uitnodigt tot vergelijkingen met enkelen van de allergrootsten in het vak, als daar zijn een Townes Van Zandt, een Gordon Lightfoot en een Greg Brown. Net als “Satchel” werd ook Lindens nieuwste weer gewoon in de eigen living ingeblikt. En net als dat album werd ook dit nieuwe weer lekker naakt gehouden. Enkel producer Colin Linden (dobro, mandoline, bas en elektrische gitaar) en Chris Donahue (bas) mogen occasioneel een functionele duit mee in het zakje komen doen. En da’s maar goed zo ook. Alles waar het hier om draait zijn immers die heerlijke, een weinig verweerd aandoende stem van Linden zelf, zijn subtiele akoestische gitaarspel en vooral ook die schoonheden van songs van ‘m. ’s Mans verhalen zijn immer boeiend en het “minder is meer”-principe komt hen alleen maar ten goede. Je wordt zo als het ware gedwongen om te luisteren naar alle boeiends wat Linden te vertellen heeft. Elf van de zestien songs hier zijn overigens van de hand van de beste man zelf. “One Vessel” en “What’s The Matter With You” leende hij van zijn landgenoot Willie P. Bennett, “20 Million Things” van wijlen Lowell George, “Snake Song” van de grote Townes Van Zandt en het ondermeer al in uitvoeringen van Johnny Cash en Merle Haggard bekende “That Lucky Old Sun” van Haven Gillespie en Beasley Smith. Dat laatste liedje vonden wij één van de absolute hoogtepunten hier, samen met het deels biografisch, deels autobiografisch opgevatte “Foot Of Glory”, een indirecte aanmoediging om in het leven vooral je eigen verhaal te schrijven, banjodeun “Some Folks Do”, waarin hetzelfde thema nog wat meer uitgediept en tegelijk subtieler aan bod komt, en het verstilde, van een fraai streepje mondharmonica voorziene “When The Time Is Gone”. Weergaloos spul zondermeer!
ALLISON MOORER “Crows” (Rykodisc)
(4****)
Allison Moorer bewandelt op haar nieuwe CD “Crows” resoluut nieuwe paden. De dertien songs daarop breken stilistisch gezien met de grote meerderheid van haar eerdere materiaal. Onder de vleugels van de in Nashville op handen gedragen producer R.S. Field zet ze de tanden in dertien songs, die vooral tot doel lijken te hebben haar vocale capaciteiten te accentueren. En in dat opzicht herinneren ze wel een weinig aan het latere werk van haar zus Shelby Lynne. Alleen is het wel zo, dat de liedjes op “Crows” veelal dienen te worden gesitueerd tussen pop en folk, hoe soulvol de zang van Moorer bij momenten ook is. Nieuw is ook, dat de songs voor “Crows” voornamelijk achter de piano werden gecomponeerd. En dat levert uiteraard andere resultaten op dan op de akoestische gitaar. “Crows” beluisteren betekent dan ook in eerste instantie even wennen. Zodra je echter op dezelfde muzikale golflengte als Moorer komt te zitten, valt er hier ontzettend veel te beleven. Dan ga je plots met volle teugen genieten van dingen als het ergens in de buurt van de recentere creaties K.D. Lang strandende “Goodbye To The Ground”, de bezwerende en met ongelooflijk veel passie aan de man gebrachte pianoballade “Should I Be Concerned”, het op subtiele wijze voor een onhaalbare liefde waarschuwende “Just Another Fool” en het wel nog tegen een lekker gitaartje schurkende rootspopdondertje “The Broken Girl”, de wat ons betreft volkomen terechte eerste single van de plaat. Maar je bent dus wel gewaarschuwd! Met country en Americana heeft het allemaal véél en véél minder te maken dan vroeger. Amper nog eigenlijk.
SEAN KERSHAW & THE NEW JACK RAMBLERS “Coney Island Cowboy” (VCD)
(4****)
Niks zo lekker als een heerlijke lap onvervalste honky-tonk met veel branie vertaald naar het hier en nu op z’n tijd. En dat is exact wat Sean Kershaw en zijn New Jack Ramblers ons vanuit of all places Brooklyn serveren op hun CD-debuut “Coney Island Cowboy”. Kershaw, die als soldatenkind via Californië, Louisiana en het Duitse Heidelberg uiteindelijk in zijn huidige heimat verzeild geraakte, zette zijn eerste stappen in het muziekgebeuren als frontman van rockabilly act The Blind Pharaohs. Dat in het werk van zijn nieuwe groep ook sporen van dat genre opduiken is dan ook allesbehalve vreemd te noemen. Want voor alle duidelijkheid: Kershaw en de zijnen zijn absoluut niet vies van een zijsprongetje. Op “Coney Island Cowboy” vormen traditionele country, de huidige alternatieve variant daarop, rockabilly en swing vier zo goed als onafscheidelijke kompanen. Op dat in augustus van 2008 onder toezicht van Rick Miller van Southern Culture On The Skids in diens studio ingeblikte visitekaartje doen Kershaw en zijn maats het vooral met eigen materiaal. Enige uitzondering op die regel vormt het afsluitende “Six Days On The Road”, een met Miller een handje toestekend op de elektrische ingeblikte, stomende cover van die Dave Dudley-trucker classic. Bijzonder knap is het, hoe Kershaw en zijn troepen er niet enkel daarin slagen om het hoge adrenalinegehalte, dat hun optredens ongetwijfeld moet kenmerken, naar hun eerste album te vertalen. Dat is een kunstje, dat heel wat grote namen zelfs na jaren op de planken en vele uren in de opnamestudio maar niet geflikt krijgen. Wat ons betreft is dit met krassen op de ziel achterlatende zang, wilde gitaren, dito drums, wat jammerende pedal steel op zijn tijd en een met venijn bepotelde doghouse bass gevulde geheel dan ook een aanrader van jewelste. Niets minder dan “the real deal”, zeg maar.
Sean Kershaw & The New Jack Ramblers
ANDI ALMQVIST “Glimmer” (Rootsy / Sonic Rendezvous)
(5*****)
“Glimmer”, de nieuwe CD van de Zweed Andi Almqvist, staat voor bijzonder intrigerend gezelschap. Het is er één, die je besluipt, bekruipt en meteen ontzettend diep in je ziel treft. Meer dan op z’n vorige platen staat hij hier open voor invloeden van dichter bij huis. In het gezelschap van Bebe Risenfors (ondermeer akoestische bas, tuba, sax, accordeon, harmonica, mellotron, omnichord en glockenspiel), Pelle Ossler (gitaar), Sara Jefta (viool) en Conny Städe (drums) verzeilt hij daardoor dertien nummers lang in muzikale uithoeken, waar ook schoon volk als Tom Waits, Nick Cave en die van Tindersticks of Woven Hand wel eens pleegt te buurten. Het is er op een aangename manier beklemmend. Het doet er somber aan, maar je mag er wel graag vertoeven. Het heeft iets troosteloos, maar het blijft aantrekken. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met het gevoel, dat je overvalt, telkens wanneer je tegen sluitingstijd – Lees: bij het krieken van de dag! – met een aardig teveel aan geestrijk vocht achter de kiezen een naar bier, zweet en andere overtollige lichaamsvochten stinkende bruine kroeg verlaat voor nog van elke menselijke activiteit ontdane achterbuurtstegen. Een sfeertje, waarmee ook Bertolt Brecht en Kurt Weill wel raad zouden hebben geweten. Negen van de dertien songs droeg Almqvist in z’n eentje aan. Voor twee andere, met name “Merlin Hotel” en “She Lost The Sea But Found The Ocean”, liet hij zich bijstaan door respectievelijk Bebe Risenfors en Mirjam Timmer. Voor nog eens twee andere, in casu “My Birthday, The Moon Festival” en “Ich Geh’ Mit Meiner Laterne”, zocht hij zijn heil helemaal elders. Dat laatste is een Duitse traditional, voor het eerste ging hij in de leen bij Steve Kilbey (The Chuch). En het door de hypernerveuze banjo van Svante Sjöblom aangejaagde “Krumlov”, dat willen we je toch ook nog even meegeven, nam hij op voor een levend publiek in het Nederlandse Groningen. Het is één van dé absolute hoogtepunten op een wat ons betreft echte moordplaat. Een plaat, waarmee Almqvist onder alternatief ingestelde muzikale geesten flink wat nieuwe fans aan zich zou moeten kunnen binden.
I SEE HAWKS IN L.A. “Shoulda Been Gold 2001-2009” (American Beat Records)
(4****)
Het kleine Amerikaanse, vooral in heruitgaven van nog maar moeilijk verkrijgbare albums gespecialiseerde label American Beat Records is er verdomd vlug bij om die van I See Hawks In L.A. aan hun eerste “Greatest Hits” te helpen. Tussen aanhalingstekens die omschrijving, omdat de groep bij ons weten nog niet één echte hit wist te scoren. “Shoulda Been Gold” is overigens überhaupt geen klassiek opgevatte verzamelaar. Negen van de zeventien tracks erop werden van de drie laatste platen van het collectief, “Grapevine” (2004), “California Country” (2006) en “Hallowed Ground” (2008), geplukt. De overige acht liedjes omvatten niet eerder uitgebracht ouder materiaal (“Sexy Vacation”, “Soul Power” en lijflied “I See Hawks In L.A.”), een live-opname (“The Mystery Of Live”) en enkele speciaal voor de gelegenheid ingeblikte deuntjes. Tot die laatste categorie behoren ondermeer twee duetten met Carla Olson, de met een flink vleugje cajun besprenkelde countryzwaaier “Laissez Les Bon Temps Roulet” en de op eerder ingetogen wijze gebrachte Americana story song “Bossier City”. Ook nieuw is het titelnummer, “Shoulda Been Gold”. En voor dat laatste zouden de Eagles wel eens model kunnen hebben gestaan. Al bij al maar weinig op aan te merken, op deze collectie. Met hun uitermate verzorgde vertaling naar het hier en nu van cosmic country genre The Burrito Brothers en anderen gooien de Hawks hier bij Ctrl. Alt. Country alvast andermaal erg hoge ogen. Op naar “Deel 2” zouden we zeggen…
JON DEE GRAHAM “It’s Not As Bad As It Looks” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(4****)
De vastberadenheid, waarmee Texaans singer-songwriterinstituut Jon Dee Graham elk zich op zijn levensweg aandienend obstakel weglacht, is bewonderenswaardig. Alsof de aanslepende gezondheidsproblemen van zijn zoon al niet erg genoeg waren, trof het noodlot hem in juli van 2008 andermaal verschrikkelijk hard. Een zwaar verkeersongeval op de vermaarde I-35 plaatste hem toen opnieuw voor een reeks niet te onderschatten medische kosten. We hebben er al voor veel minder het hoofd zien buigen. Maar niet Jon Dee Graham dus. Amper een maand na dat ongeval stond de beste man alweer op de planken van de Continental Club in Austin. En nu, goed anderhalf jaar later, is er ook alweer een nieuwe CD van ‘m. En die kreeg de bijzonder veelzeggende titel “It’s Not As Bad As It Looks” mee. Muzikaal gezien doet Graham op deze nieuwe schijf amper iets nieuws. Maar je kan je de vraag stellen, of dat ook wel echt nodig was. Zijn vorige platen waren immers stuk voor stuk van uitstekende makelij. En dat geldt ook voor “It’s Not As Bad As It Looks” weer. Met die vertrouwd lekker aandoende gruizige scheur van ‘m gidst Graham ons vaardig doorheen een elftal aan songs, waarin hoop, nieuwe kansen en zonde en vergiffenis vrijwel voortdurend centraal staan. Nu eens stevig rockend, dan weer met de voet flink op het rempedaal brengen hij en zijn Fighting Cocks precies dat, wat je van hen verwacht. Die “vechthaantjes” zijn overigens Michael Hardwick, Andrew Duplantis, Joey Shuffield en Darren Hess. Voorwaar geen slecht gezelschap dus! En dat vindt ook Graham zelf, want die noemt deze nieuwe worp zijn beste sinds zijn debuut “Escape From Monster Island”. En daarmee was hij ons maar net voor…
Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!