CD-recensies oktober 2014

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

M. LOCKWOOD PORTER “27” - RACHAEL SAGE “Blue Roses” - LUKE TUCHSCHERER “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” - NELL ROBINSON “The Rose Of No-Man’s Land” - SLOWMAN “Happy Boy” - JAMES WILLIAMSON “Re-Licked” - DICK LEMASTERS “One Bird, Two Stones” - ELIOT BRONSON “Eliot Bronson” - POPA CHUBBY “I’m Feelin’ Lucky” - JAMES HAND “Stormclouds In Heaven” - LOST IMMIGRANTS “An Americana Primer: Vol. 3” - ANTHONY D’AMATO “The Shipwreck From The Shore” - MARTIN CARR “The Breaks” - THE PARSON RED HEADS “Orb Weaver” - THE MASTERSONS “Good Luck Charm” - THE LOST BROTHERS “New Songs Of Dawn And Dust” - TREML SCHUIER RILL “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll” - PIETER SIMONS “Lang Gezwegen” - PALADINS “More Of The Best Of Vol. I” - PARSONS THIBAUD “Eden” - PAUL THORN “Too Blessed To Be Stressed” - KENN MORR BAND “Afterimage” - MURALI CORYELL “Restless Mind” - GAL HOLIDAY AND THE HONKY TONK REVUE “Last To Leave” - LANEY JONES “Golden Road” - FAYSSOUX “I Can’t Wait” - CHRISTINE ALBERT “Everything’s Beautiful Now” - JUBAL LEE YOUNG “On A Dark Highway” - TRAILERPARK IDLERS “Fifty Gallons Of Lightning” - MAGGIE BJORKLUND “Shaken” - JOSEPH LEMAY “Seventeen Acres” - KENNY BUTTERILL “Troubadour Tales” - ROXANNE DE BASTION “Seeing You EP” - HANNAH ALDRIDGE “Razor Wire” - CAHALEN MORRISON & COUNTRY HAMMER “The Flower Of Muscle Shoals” - THE ROYS “The View” - TOM FREUND “Two Moons” - ROB MCHALE “Fields” - THE SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Burn & Shine” - NELSON WRIGHT “Orphans & Relics” - SID GRIFFIN “The Trick Is To Breathe” - WALTER SALAS-HUMARA “Curve And Shake” - JESSE BREWSTER “March Of Tracks” - JIM KEAVENY “Out Of Time” - CINA SAMUELSON “Roots & Memories” - ERNEST TROOST “O Love” - JAMES KEELAGHAN “History, The First 25 Years” - SPIKE FLYNN “Rough Landing” - CRIS CUDDY “The Best Kept Secret” - HARDIN BURNS “Down The Deep Well” - BOB CHEEVERS “On Earth As It Is In Texas” - KELLEY MICKWEE “You Used To Live Here” - PAUL COLLINS “Feel The Noise” - TOM GILLAM “Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” - MICKY & THE MOTORCARS “Hearts From Above” - LOS LONELY BOYS “Revelation” - DR. JOHN “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” - LEON BROCK “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness” - VINNIE’S TV “Grapes & Ghosts” - THE DEER RUN DRIFTERS “Appalachian Blues” - MARK JUNGERS “I’ll See You Again” - VICTOR CAMOZZI “Cactus & Roses” - LARKIN POE “Kin” - MICKEY CLARK & THE BLUE NORTHER “Reasons & Rhymes” - EDDIE SEVILLE “Ragged Hearts” - PAUL DOUGHERTY “River Pearl” - JEFFREY HALFORD & THE HEALERS “Rainmaker” - SLEEPY DRIVER “Ignatius” - JIM & LYNNA WOOLSEY “The Road That Brings You Home” - ADAM COHEN “We Go Home” - POLICE DOG HOGAN “Westward Ho!” - BRAD BOYER “Montagu Hotel” - TRENT MILLER “Burnt Offerings” - THE SNAKES “The Last Days Of Rock & Roll” - BLIND LEMON PLEDGE “Evangeline” - DAVE MCGRAW & MANDY FER “Maritime” - SWEETKISS MOMMA “A Reckoning Is Coming” - BENJAMIN FOLKE THOMAS “Too Close To Here” - STAN MARTIN “Whiskey Morning” - LOUDON WAINWRIGHT III “Haven’t Got The Blues (Yet)” - FINGERPISTOL “Stepped In It Again” - PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Gaste Live” - SLAM & HOWIE AND THE RESERVE MEN “Live All Over Europe” - REED TURNER “Ghosts In The Attic” - JEFF LARSON “Close Circle” - THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” - BUFORD POPE “Sticks In The Throat” - AUBURN “Nashville” - PAUL J. PHILLIPS “Magic” - BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” - TRUE NORTH “True North” - ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” - DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - LONESOME SHACK “More Primitive” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics”

                                                  

                                                                                                                                                                               

M. LOCKWOOD PORTER “27” (Black Mesa Records)

(4****)

“27” heet de opvolger van “Judah’s Gone”, het in juli van vorig jaar verschenen debuut van de jonge Amerikaanse songsmid M. Lockwood Porter. En die bevestigt daarmee hoegenaamd alle goeds wat al ten tijde van die voorganger over hem geschreven werd. Op z’n zevenentwintigste lijkt hij er helemaal klaar voor om net als Wilco, Ryan Adams, Neil Young en Bruce Springsteen, namen die in het verleden al wel eens genoemd werden als referentiepunten om zijn werk te situeren, te gaan meespelen op een wat hoger niveau. Van “27” straalt alvast eenzelfde tijdloosheid af, als van veel van de werken van precies die acts.

Porter presenteert zich op “27” als een behoorlijk poëtisch ingestelde verteller van verhalen, die niet echt lijkt te willen kiezen tussen Americana, indie folk en “straight-up” rock. Iets waarvan we in een nog niet zo heel erg ver verleden ook Ryan Adams al meermaals mochten verdenken. Met nauwelijks een kwart van zijn leven achter de rug kreeg bij Porter in de aanloop naar “27” een gevoel van desillusie stilaan de bovenhand. Was het dat maar…? Je kent dat gevoel vast ook wel! Ergens heel veel van verwachten en dan zwaar ontgoocheld moeten vaststellen, dat je hoop eigenlijk al die tijd vergeefs was… Dat gevoel en de naweeën van een stukgelopen relatie gingen voor een groot stuk de ondertoon van “27” bepalen. Enerzijds stoten we hier volop op de in een dergelijke case te verwachten melancholische buien, anderzijds echter ook op diepgewortelde gevoelens van opstandigheid.

Ruim achtendertig minuten lang laveert Porter handig tussen die twee gevoelspolen heen en weer. En dat blijkt in totaal goed voor tien topdeuntjes. Van de knappe rockballade “I Know You’re Gonna Leave Me” tot het de je van Big Star bekende protagonist van dat liedje lovende “Chris Bell”, van het alvast qua ritmiek z’n titel volledig waarmakende en “en passant” hier en daar een weinig naar Springsteen geurende “Restless” tot het zomers lome relatieliedje “Secrets”, van de atmosferische trage “Mountains” tot het bedaard rootsrockende “Different Kind Of Lonely”, van het wild rockend om zich heen schoppende “You Only Talk About Your Band” tot de alweer geweldige ballade “There To Here”, van het zo op het eerste gehoor op puur cynisme drijvende indie-popriedeltje “Love Me Like I’m Not Around” tot het akoestische afsluitertje “Couer d’Alene”, naar ook maar één enkel minder moment blijkt het hier vergeefs zoeken.

M. Lockwood Porter, Bandcamp

 

RACHAEL SAGE “Blue Roses” (MPress Records)

(4,5*****)

Ondertussen bijna twintig jaar en elf albums ver in haar carrière is de vanuit New York actieve zingende liedjesschrijfster Rachael Sage om voor ons volstrekt onverklaarbare redenen nog steeds  niet echt een “household name” aan deze kant van de Atlantische Oceaan. En dat terwijl ze eigenlijk gewoon in elk opzicht met de allerbesten mee kan. Sage is een geweldige songsmid, een uitstekende pianiste en bovenal ook een dijk van een zangeres. De aan het ongelooflijke grenzende lenigheid van haar stem doet ons telkens weer vol bewondering opkijken. Nu meer dan ooit eigenlijk!

“Blue Roses”, de nieuwe Sage, is immers een lichtjes fantastisch geheel geworden! Doorheen de dertien als vanouds op zonderlijke wijze invloeden uit zowel folk, pop, rock als klassieke muziek in zich verenigende liedjes erop loopt als rode draad het gegeven, dat elke enkeling een zekere impact op het leven, het lot van anderen hebben kan. Eigenlijk vormen ze met z’n allen gewoon één openlijke smeekbede om meer empathie. Een bepaald schoon uitgangspunt, niet?

Voor de productie van “Blue Roses” tekende Sage samen met de onder meer ook van z’n werk met Johnny Winter bekende John Shyloski zelf. Voor verdere studiobegeleiding viel ze ditmaal niet enkel terug op haar eigen tourbandje The Seguins, maar ook op schoon volk bekend uit de entourages van onder anderen Bruce Springsteen, Hall & Oates, Patti Smith, Rufus Wainwright, Garland Jeffreys, Ian Hunter en Daft Punk.

Opvallendste gaste is echter zeker folkicoon Judy Collins. In duet met haar brengt Sage een tot een ronduit fantastische pianoballade herwerkt “Helpless” van Neil Young. Een ontwapenend mooie afsluiter voor een al even ontwapenend mooi album, dat we van hier uit vooral aan fans van artiestes als Shawn Colvin, Sarah McLachlan, Rickie Lee Jones en Patty Griffin zouden willen aanbevelen. Zij zullen naar alle waarschijnlijkheid hun pret niet op kunnen bij ware songschoonheden als het werkelijk huiveringwekkend mooie titelnummer, het zich ook al met het thema transformatie inlatende “Wax”, het z’n titel zelfs muzikaal helemaal waarmakende “Misery’s Grace”, het al even gracieuze “Skywriting” en andere. Echt prachtig, hoe Sage’s woorden, haar stem en haar pianospel elkaar daarin steeds weer weten aan te vullen.

Iemand zou er dringend eens werk van moeten maken om met een doosje exemplaren van “Blue Roses” langs de kantoren van alle Radio 1-producers te lopen! Na een weekje in “heavy rotation” aldaar zouden er hier voor Sage wel eens heel veel deuren open blijken te kunnen gaan. Schoonheid is immers, om het met de woorden van de Griekse wijsgeer Aristoteles te zeggen, een betere hulp dan alle aanbevelingsbrieven...

Rachael Sage

 

LUKE TUCHSCHERER “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” (The Little Red Recording Company)

(4****)

De maand oktober had dit jaar al heel wat bijzonder aangename verrassingen voor ons in petto, maar “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense”, het solodebuut van de je misschien al wel van de Britse groep The Whybirds bekende zingende songsmid Luke Tuchscherer, willen we hier toch bij de allerbesten van dat lot onderverdelen. Tuchscherer, bij The Whybirds onder meer al verantwoordelijk voor schoonheden van songs als “Morning Light”, “Foolish Heart” en “The Crow’s Caw”, verkent met zijn eersteling voor eigen rekening een andere kant van zichzelf. Het akoestische krijgt daardoor redelijk nadrukkelijk de bovenhand op dat naar een werk van Charles Bukowski vernoemde geheel.

Onder de productionele hoede van Tom Peters nam Tuchscherer twaalf liedjes van eigen hand op, die hem pardoes tot in het kielzog van acts als de jonge Steve Earle, de Ryan Adams van in z’n begindagen en Thad Cockrell dreven. Niet zelden heel erg persoonlijk van aard. Maar ook sociale commentaren schuwt de Brit zeker niet. En zelfs aan het vertellen van echte verhalen waagt hij zich her en der ook.

Wat onze favorieten waren, wou je weten? Welnu, dat zijn in eerste instantie vooral het ergens tussen pure lust en berouw gedijende overspelliedje “(Lord Knows) I’m A Bad Man”, de buitengewoon lekker swingende countrydeun “When Day Is Done”, het bedaard twangende “Three Long Days” en zeker ook het ogenschijnlijk de ons zo stilaan te wachten staande “zwarte jaren” voorspellende “Hold On”. Maar – Eerlijk is eerlijk! – stel me morgen die vraag opnieuw en ik som je wellicht enkele van de acht resterende liedjes op. Want eigenlijk vind ik “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” gewoon één ijzersterk geheel. Americana van het allerfijnste soort! Tegelijk heel erg melodieus én inhoudelijk sterk.

En een aanrader van formaat derhalve dan ook!

Luke Tuchscherer

 

NELL ROBINSON “The Rose Of No-Man’s Land” (Compass Records)

(4****)

Americana-laatbloeiertje Nell Robinson pakt uit met haar meest prestigieuze project tot op heden. In een productie van de voor zijn werk voor anderen almaar meer onder de lovende woorden bedolven Joe Henry liet ze zich voor “The Rose Of No-Man’s Land” inspireren door ruim 250 jaar aan familiegeschiedenis. Vandaar ook de ondertitel “An American Family’s Musical Journey From The American Revolution To The Present”. Brieven, verhalen, gedichten, liedjes, Robinson liet voor het in kaart brengen van de (oorlogs)ervaringen van haar voorouders hoegenaamd geen enkele zich op haar weg aandienende bron ongebruikt. En dat leidt uiteindelijk dan ook quasi als vanzelfsprekend tot een heerlijk authentiek aanvoelend geheel.

Een geheel, waarin ze zich andermaal kan doen gelden als een bijzonder straffe zangeres. Iets wat haar in het verleden al meermaals vergelijkingen opleverde met groten der aarde als een Hazel Dickens, een Emmylou Harris, een Dolly Parton en een Patsy Cline. En dat zal ook ditmaal weer niet anders gaan zijn, geloof ons vrij! Met haar kristalheldere stem streelt Robinson immers voortdurend de zinnen. Bluegrass, country, Americana dan wel folk, het gaat haar allemaal even goed af. Ze laat met haar engelengezang de grenzen tussen die stijlen bij nader inzicht zo goed als volledig vervagen.

En ze stond er ditmaal overigens ook niet helemaal alleen voor. Dat de gerenommeerde Joe Henry bereid werd gevonden om het project in goede banen te leiden vermeldden we hoger al, dat ook Ramblin’ Jack Elliott, Kris Kristofferson, John Doe, Jim Nunally, schrijfster Maxine Hong Kingston en actrice Kathy Baker een aanzienlijke duit in het zakje kwamen doen nog niet. En dan hadden we het nog niet over kanjers van muzikanten als een Zach Harmon, een Greg Leisz, een Craig Eastman, een David Piltch, een Levon Henry en een Keith Little. Zij zorgen voor het muzikale decorum, Robinson doet de rest!

Tal van traditionals en songs van onder anderen Bill Monroe, Luther Presley, Rodney Crowell, Johnny Cash, Mel Tillis en Guy Clark passeren zo de revue. Naast diverse gesproken passages. Enkele brieven, een gedicht en een verhaal vormen als het ware het cement tussen de stenen der liedjes.

De muzikale schattenjagers onder jullie weten daarmee allicht genoeg…

Nell Robinson, Compass Records

 

SLOWMAN “Happy Boy” (Slowman)

(4****)

Dat de Zweed Svante “Slowman” Törngren een fantastische singer-songwriter is, dat wisten we natuurlijk al wel langer, maar met z’n derde album overtreft hij toch echt wel onze stoutste verwachtingen! Wat een mooie plaat is dat geworden, zeg! Vol met bijzonder aangenaam wegluisterende pop- en rockliedjes met her en der ook nadrukkelijk enige rootsinslag. Mochten dit de States zijn, dan zouden we wellicht spreken over AOR, zich voornamelijk op een publiek van volwassenen richtende rockmuziekjes. Een vlag die deze liedjeslading ons inziens grotendeels wel dekt.

Törngren toont zich in heel wat van de hier gebrachte deuntjes een meester in het verklanken van gevoelens. Grote zowel als kleine. En niet zelden herinnert hij daarbij aan de één of andere gerenommeerde vakcollega. Van Elliott Murphy tot Bruce Springsteen, van Steve Forbert tot Ray Davies, van Warren Zevon tot Bruce Hornsby of Willy DeVille, allemaal passeerden ze bij het beluisteren van “Happy Boy” in onze gedachten wel even de revue. En dat zou ik nu niet meteen slecht nieuws durven te noemen.

Van de heerlijke, buitengewoon catchy uit de hoek komende Heartland rock van “Time” tot de al even mooie pianoballade “Nothing To Pretend”, van het enkele tellen lang op een bluesy golf surfende “Into Gold” tot het hoegenaamd perfecte popdeuntje “Little Berlin”, van de ook al voor veelvuldig gebruik op Radio 1 geschikte en ons volop aan het recentere werk van opper-Kink Ray Davies herinnerende trage “Every Heart Is Crying” tot het voorwaar heel even voorzichtig jazzy aandoende titelnummer en alles wat dan nog volgen moet, dit is echt zonder uitzondering klasse-spul!

In een rechtvaardige wereld zou Svante Törngren na dit album met een gerust gemoed kunnen gaan rentenieren…

Slowman

 

JAMES WILLIAMSON “Re-Licked” (Leopard Lady Records)

(3***)

Tussen twee tournees door doken James Williamson, Steve Mackay, Mike Watt en Toby Dammit, de huidige live-incarnatie van de legendarische Stooges, eerder dit jaar samen de studio in om er een reeks liedjes in te blikken, die Williamson zo’n veertig jaar eerder samen met Iggy Pop had geschreven als materiaal voor de opvolger van hun classic “Raw Power”. Door gebrek aan een platendeal bleven die songs echter gewoon jarenlang op de plank liggen. Hier en daar belandde er ondertussen wel eens eentje op een bootleg, maar van een officiële release was er tot voor kort überhaupt geen sprake.

Maar daarin komt er dus nu verandering! Met “Re-Licked” bieden Williamson en co ons niet enkel die tien voor de opvolger van “Raw Power” bestemde liedjes, maar bovendien ook nog eens een reeks van een zestal “B-sides and Bonus Alternate Tracks” aan. In totaal zestien nummers, waarvoor ze telkens de hulp van de één of andere bekende of minder bekende zanger of muzikant inriepen. Voor het nogal nerveus uit de startblokken schietende openingsnummer “Head On The Curve” werd zo Dead Kennedys-kopstuk Jello Biafra opgetrommeld, de bluesy “valse trage” “Open Up And Bleed” en bonusje “Gimme Some Skin” worden gebracht met Carolyn Wonderland en het zich heftig shakend een weg naar je benen banende “Scene Of The Crime” werd gereserveerd voor Bobby Gillespie van Primal Scream. Onder het buitengewoon groovy “She Creatures Of The Hollywood Hills” prijkt vervolgens ook de naam Ariel Pink, voor het al bij al nogal “spooky” aandoende “Til The End Of The Night” mocht men rekenen op bijdragen van Alison Mossheart van The Kills en Dead Weather en het furieuze “I Gotta Right” leeft zo goed als volledig bij de gratie de onnavolgbare Lisa Kekaula van The BellRays. In barrockertje “Pinpoint Eyes” waart dan weer Joe Cardamone van The Icarus Line rond, voor het snedige “Wild Love” tekenden Mark Lanegan en opnieuw Alison Mossheart mee, voor het lichtjes geweldige “Rubber Leg” kreeg men Ron Young van Little Caesar op bezoek en voor het bij momenten aardig psychedelisch getinte “I’m Sick Of You” op zijn beurt dan weer Mario Cuomo van The Orwells. Voor de nog resterende bonussen gaven elk om beurt Nicke Andersson van de Zweedse garagerockgroep The Hellacopters (“Cock In My Pocket”), opnieuw Lisa Kekaula (“Heavy Liquid”), The Richmond Sluts (“Wet My Bed”), Gary Floyd van The Dicks (nogmaals “Cock In My Pocket”) en James George Thirlwell aka Clint Ruin of Foetus (“Rubber Leg”) acte de présence.

Een line-up die naar onze bescheiden mening veel indrukwekkender uitpakt dan het op “Re-Licked” gebodene zelf. Dat had op ons alleszins lang niet dezelfde impact als “Raw Power” indertijd. Maar ja, we zijn ondertussen dan ook al heel wat meer gewoon geraakt… Laat ons zeggen: goed, maar ook niet meer dan dat.

James Williamson

 

DICK LEMASTERS “One Bird, Two Stones” (Dick Le Masters)

(3,5****)

In het volop van geweldig gitarenwerk profiterende openingssalvo van “One Bird, Two Stones”, het ronduit grootse “Big Ol’ Buick”, gooit Texaan Dick LeMasters meteen één van z’n voornaamste troeven op tafel. Die best wel wat richting ZZ Top in z’n beste momenten afdwalende blues rock beauty vormt als het ware het ideale vehikel voor ’s mans vingervlugge snarenbehandeling. Een echte “guitar slinger” dus! Maar eveneens een uitstekende zanger en songsmid. Iets wat de beste man in de ons dan nog resterende tien songs overvloedig bewijzen zal.

“River Blues” bijvoorbeeld is een majestueus als de erin bezongen rivier aan je voorbij glijdende lap bluesplezier, “Pestilence & Locusts” vervolgens een op dezelfde leest als veel van het werk van Neil Young & Crazy Horse geschoeide deluxe-gitaarrocker en “Lightning From A Clear Blue Sky” een streepje onvervalste Texaanse Americana storytelling. “Three Fifty Seven” zoekt met name harmonicagewijs dan weer nadrukkelijk bluesoorden op, “Last Time I Saw You” blijkt klassiek, qua mood best wel wat aan Dylans “Knockin’ On Heaven’s Door” verwant singer-songwriterspul en het gitaarzwangere “Power In The Snake” rockte ons net niet volledig ondersteboven. Wachten dan nog op een kennismaking: het zich behoorlijk complexloos een plaatsje in de galerij der grote Texaanse songs opeisende “The Wages Of Sin”, het vertederende trage bluesniemendalletje “Need Your Lovin’, het zo goed als volledig aan tastbaar liefdesverdriet opgehangen “Held On Too Long” en het bij wijze van afsluiting weer een vet potje bluesrockende titelnummer.

LeMasters nam “One Bird, Two Stones” in z’n thuisstaat op in het gezelschap van collega-songsmid Douglas Greer, drummer Adam King en mondharmonicaspeler Dan Moser. Met die Greer was hij trouwens ook al enkele keren te bewonderen in Europa. Ten tijde van diens gesmaakte “Just A Man” was dat. En een nieuwe tournee met Greer lijkt ook al in de maak voor het stilaan nakende 2015. Als die straks met z’n nieuwe worp “Baja Louisiana” uitgepakt zal hebben, hebben ze immers allebei weer een goede reden om de oversteek naar rootsmuziekminnende delen van Europa nog eens te maken. Wij zullen er dan alvast graag bij zijn!

Dick LeMasters, CD Baby

 

ELIOT BRONSON “Eliot Bronson” (Saturn 5 Records)

(5*****)

Wat een beauty! Geen wonder, dat de recentelijk onder meer ook al voor z’n werk met Jason Isbell, Sturgill Simpson, Nikki Lane en Rival Sons geprezen Dave Cobb onmiddellijk toehapte, toen Eliot Bronson hem een van een muziekje ter kennismaking vergezeld mailtje stuurde met de vraag om z’n nieuwe plaat te produceren. Je voelt als het ware meteen, dat je hier met “een speciale” te maken hebt. Iemand die het nadrukkelijk in zich heeft om het heel erg ver te gaan schoppen.

Bronson blijkt hier immers niet enkel een briljante tekstdichter en een poëet van het zuiverste soort, maar vooral ook een echte dijk van een zanger! Heerlijk hoog durft hij te gaan! Hartverscheurend mooi gewoon! En wat het allemaal nog net dat beetje specialer maakt, is dat het Bronson zo verdomd gemakkelijk lijkt af te gaan. Alsof hij er niet de minste moeite hoeft voor te doen! Amper een week kostte het hem om de tien liedjes van “Eliot Bronson” te vereeuwigen. Met dank vooral aan Cobb voor het zalige atmosferische geluid daarvan. Al mag de rol van de andere bij het project betrokkenen in die context zeker ook niet worden onderschat. Naast Bronson (zang, akoestische gitaar, piano en harmonica) en Cobb (akoestische gitaar en percussie) zelve waren ook Brett Hartley (resonator- en elektrische gitaar en lap steel), Chris Powell (drums en percussie), Adam Gardner (bas, piano en mellotron), Mike Webb (keyboards en mellotron) en Kristen Rogers (zang) mee van de partij en dus medeverantwoordelijk voor één van de naar onze bescheiden mening gaafst klinkende platen van 2014 so far.

Laat je verleiden door intense ingetogen songschoonheden als “Nothing Like Me”, “You Wouldn’t Want Me If You Had Me”, “Time Ain’t Nothin’”, “Never Been A Friend Of Mine”, “Sleep On It” en “Baltimore” en wat uitbundiger spul à la “Comin’ For Ya North Georgia Blues” en “New Pain” en noteer “Eliot Bronson” vervolgens – Net als ons! – nu al even voor je eindejaarlijstje. Bronson verdient dat echt wel! Zijn in prachtliedjes gegoten poëtische overpeinzingen vormen hoe dan ook een echte aanwinst voor elke zichzelf respecterende platencollectie. En dan plakten we daar voor één keer bewust eens niet het woordje Americana voor…

Eliot Bronson

 

POPA CHUBBY “I’m Feelin’ Lucky” (Dixiefrog / Bertus)

(4****)

Snelle kopers van “I’m Feelin’ Lucky”, het nieuwe album van Ted “Popa Chubby” Horowitz, mogen rekenen op een heuse traktatie. Om z’n eerste vijfentwintig jaar op de planken te vieren voegt de olijke dikkerd aan z’n nieuwe album in beperkte oplage immers de bonus-cd “25 Years!” toe. Met daarop een tiental zeldzame tracks, voornamelijk uit zijn pre-Popa Chubby-tijd. Met acts als Bloodclot (hardcore punk), Noxcuse (hardcore punk) en City Opus with Joe Lobelle (soul) en in z’n eentje (pop, rock, funk en blues). Uitzondering op de regel en als dusdanig ook vreemde eend in de bijt blijkt het afsluitende, in 2013 met Street Docs ingeblikte “Popa Chubby Is An Old Ass Man”, een heuse hap blues rap. Door een manifest gebrek aan coherentie op de keper beschouwd eigenlijk vooral leuk als curiosum, dit bonusje.

Persoonlijk ben ik echter veel meer in mijn nopjes met het eigenlijke nieuwe album van Horowitz zelf, “I’m Feelin’ Lucky”. Dat is immers weer een bijzonder lekker plaatje geworden! Gelijk van bij het met de blik op z’n Robert Crays op het Zuiden gerichte “Three Little Words” ben ik graag mee. “Play this loud for best results!” Graag volg ik vanaf hier dat onder het lijstje met de gebrachte tracks geuite streepje advies. En met resultaat ook! Want wat knalt dat funky titelnummer plots machtig uit de boxen! En wat rockt het met collega-snarenwonder Mike Zito gepende en ook gebrachte “Rock On Bluesman” weer messcherp! Een heuse hattrick als opener, alstublieft! En dat blijkt vervolgens alleen nog maar het begin! Via het wervelende, met een gezonde dosis swing opgewaardeerde “One Leg At A Time” gaat het aansluitend aan een rotvaart richting het moddervette, z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Rollin’ And Tumblin’” en het heerlijk soulvolle, in duet met de lichtjes fantastische Dana Fuchs gebrachte “Come To Me”. Pas voor “Save Your Own Life” gaat de voet even van het gaspedaal. Dat blijkt immers traditionele bluesrock van het eerder lome, bij nader inzicht behoorlijk bezwerende type. En dan is er plots het naar hit ruikende “I’m A Pitbull (Nothin’ But Love)”. Een buitengewoon radiogenieke, bijna gerapte ode aan z’n naar eigen zeggen beste vriend, z’n pitbull. Resten dan nog: de ongemeen sfeervolle trage “Too Much Information” en het op aangepaste wijze de feestelijkheden uitluidende “The Way It Is”.

Prima plaatje, Ted! Op die manier mag je er van ons graag nog 25 jaar bij doen!

Ter ondersteuning van de release van “I’m Feelin’ Lucky” doet Popa Chubby binnenkort ook weer de Lage Landen aan. En Venlo (22-11: Royal Irene), Verviers (26-11: Spirit of 66), Amstelveen (27-11: P60), Drachten (28-11: Iduna), Vlissingen (29-11: De Piek) en Utrecht (30-11: De Helling) mogen dan rekenen op een tussenstop van de man.

Popa Chubby, Dixiefrog Records

 

JAMES HAND “Stormclouds In Heaven” (DJP Productions)

(4****)

Als groot liefhebber van hardcore country ben ik altijd weer zeer in mijn nopjes, als er weer eens wat nieuws van James “Slim” Hand komt aanwaaien. Sinds mijn eerste kennismaking met zijn muziek in 1999 heeft die Texaan me eigenlijk nog nooit ontgoocheld. Zowel “Shadows Where The Magic Was”, “Live At The Saxon Pub”, “Evil Things”, “The Truth Will Set You Free”, “Shadow On The Ground” als “Mighty Lonesome Man” waren en zijn hier nog steeds graag gehoorde gasten. Elk van die albums had mijns inziens heel wat te bieden aan wie net als mij altijd wel een boontje zal blijven hebben voor traditioneel geschoolde countrymuziekjes. En onder meer Willie Nelson, Kris Kristofferson, Ray Price en Ray Benson van Asleep At The Wheel outten zich bijvoorbeeld ook al als fans.

“Stormclouds In Heaven”, Hands nieuwste, toont hem nu van een enigszins andere kant dan gebruikelijk. Dat in een productie van Deborah J Perry samen met klasbakken als Brennen Leigh, Speedy Sparks, Lisa Pankratz, Cindy Cashdollar, Floyd Domino, Earl Poole Ball, Jason Roberts en anderen opgenomen geheel bevat immers een veertiental voornamelijk in gospel gedrenkte, nieuwe Hand-originelen. Niet zelden op smaak gebracht met wat bluegrassflair en al bij al lekker gevarieerd van ritmiek. Het ene moment volop uitnodigend tot het meestampen van catchy melodieën zoals die van het titelnummer, “Why O Why” en “The Devil Ain’t No Quitter”, het andere volop zwelgend in de melancholie. En daarbij uiteraard weer volop herinnerend aan genregroten als een Hank Williams, een Ernest Tubb en zeker ook een Lefty Frizzell.

Maar laat je door dat laatste zinnetje vooral niet afschrikken: James Hand is en blijft tot nader order immers ontegensprekelijk één van de meest authentieke, binnen het huidige countrygebeuren actieve talenten. Dat staat voor mij na “Stormclouds In Heaven” meer dan ooit als een paal boven water.

James Hand

 

LOST IMMIGRANTS “An Americana Primer: Vol. 3” (Lo-Fi Tofu Records)

(3,5****)

Deel drie in de zich ondertussen al over ruim twee jaar uitstrekkende triptiek “An Americana Primer” van het sympathieke Texaanse collectiefje Lost Immigrants. Het negende album trouwens al van James Dunning en de zijnen sinds “Waiting On Judgment Day”, hun in 2006 verschenen debuutplaat. En een verdomd sterke ook!

In een productie van de ook voor alle songs tekenende Dunning en Aaron Hass worden net als op het vorige volume ook ditmaal weer zeven nieuwe liedjes opgedist. Dunning neemt daarin de leadzang en diverse akoestische en elektrische gitaren voor z’n rekening. Chad Stewart van zijn kant tekende voor het drumwerk en wat backing vocals, Eric McGinnis was de bassist van dienst, Ryan Pool leverde bijdragen op orgel en piano, Blake Brownlee zorgde voor wat bijkomend elektrisch gitaargestoei en CC Cross en Marco Street verleenden de nodige vocale hand-en-spandiensten.

Het resultaat: een jong Texas op het lijf geschreven potje eigentijdse Americana. Nu eens heerlijk rockend, dan weer eerder ingetogen, maar immer soulvol. Met hier en daar wat red dirt aan de boots, zeg maar. Deed ons op de keper beschouwd dan ook best wel wat denken aan enigszins vergelijkbare acts als Reckless Kelly en Micky & The Motorcars. Met Dunning als bijzonder straffe lijsttrekker. Zijn schuurpapieren voordracht betekent naar onze bescheiden mening een fameus surplus voor het totaalgeluid van de groep.

Als leukste momenten noteerden wij het hyperaanstekelijke, duidelijk op luidkeels meelallende fans mikkende stampertje “Gimme A Holiday”, de zich flink wat ingetogener aandienende, heerlijk soulvolle nieuwe single “Love Love Love” en de vinnige alternatieve countryrocker “I Can’t Be Trusted With A Heart Like Yours”. Maar ook het op vurig gitaarwerk geënte “Reaching Out”, “valse trage” “Cry Me A River Blues”, power ballad “Straight To The Grave” en slowtje “Angel Wings” zijn eigenlijk bepaald niet te versmaden.

Lost Immigrants, CD Baby

 

ANTHONY D’AMATO “The Shipwreck From The Shore” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Zo’n twee jaar geleden al deed de jonge Amerikaan Anthony D’Amato hier voor het eerst van zich spreken. Als voorprogramma van Israel Nash Gripka meer bepaald. Onder meer de vaste klanten van de N9 in Eeklo waren toen al getuige van een hoogst origineel aanstormend talent. D’Amato die indertijd met “Paper Back Bones” in eigen beheer net z’n tweede langspeler had afgeleverd, werd er door zo menig een bezoeker als een flinke tip voor de toekomst genoteerd.

En gelijk hadden ze! Dat onderstreept D’Amato met z’n nieuwste, het zopas bij New West Records verschenen “The Shipwreck From The Shore”, met verve. Met de tien liedjes daarop vindt hij een eigen niche ergens op het kruispunt tussen Mark “E” Everett (eels), Connor Oberst (Bright Eyes) en Sufjan Stevens. Ergens tussen pop, rock en folk dus.

’s Mans deuntjes blijken op de keper beschouwd zonder uitzondering extreem catchy, maar ze hebben ook altijd wel iets van een scherp randje. En het orkestrale schuwt hij er bij momenten al helemaal niet in. D’Amato houdt duidelijk van geluidjes. Zij bepalen mee de “mood” van zijn liedjes. Zoals de kleurrijke glasramen in een kerk onder invloed van de zon als het ware.

Onze luistertips: het met licht vervormde stem gebrachte stampertje “Was A Time”, het een al even verslavende indruk nalatende “Back Back Back” en het bij voorbaat met een serieuze kans op falen rekening houdende relatieliedje “If It Don’t Work Out”. Dat laatste zouden wij hier zelfs een geknipte single-kandidaat durven te noemen.

Anthony D’Amato, New West Records

 

MARTIN CARR “The Breaks” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het kan verkeren! Bredero wist het al en voormalig Boo Radleys-gitarist Martin Carr nu ook. Raakte hij z’n tweede soloplaat eerst aan de straatstenen niet kwijt, dan zorgde het sinds jaar en dag vanuit de Duitse havenstad Hamburg actieve Tapete Records zomaar “out of the blue” alsnog voor de door Carr zo gegeerde doorbraak. En da’s maar goed ook, want als er al één ding is, dat de beste man ons op de opvolger van z’n solodebuut “Ye Gods And Little Fishes” duidelijk maakt, dan is het wel dat hij bij de Boo Radleys nog lang niet al zijn kruit verschoten had. Het tegendeel lijkt zelfs eerder waar!

“The Breaks” bevat gewoon heel wat van ’s mans allerbeste liedjes tot op heden. Indie-popdeuntjes van het werkelijk allerbeste soort. Het ene al beter dan het andere! Een kennismakingsrondje verdienen zo wat ons betreft zeker het zich als heel erg zomers aandienende en ons in al z’n aanstekelijkheid een beetje aan de Blow Monkeys herinnerende “The Santa Fe Skyway”, het ook al ongemeen zwierige, door de eigen harde godsdienstige opvoeding geïnspireerde “St. Peter In Chains”, het ingetogen “Mainstream” en het herfstige “Mountains”. Net als de met één voet stevig in sixties beat pop geworteld zittende oorwurm “Senseless Apprentice”, de mooie trage “I Don’t Think I’ll Make It” en titelnummer “The Breaks” zijn dat stuk voor stuk liedjes, waarmee je ons elke dag opnieuw graag enkele keren lastig mag komen vallen.

Een comeback van formaat noemen wij zoiets dan…

Martin Carr, Sonic Rendezvous

 

THE PARSON RED HEADS “Orb Weaver” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Jezelf blootstellen aan “Orb Weaver” van The Parson Red Heads heeft iets van een reis doorheen de tijd. Terug naar de late jaren zestig, vroege jaren zeventig met name en dat aan het handje van een viertal dat duidelijk zijn klassiekers kent. Cosmic country rock ja, maar evengoed met uitstapjes in andere richtingen. Met vrijwel doorlopend heerlijke jengel- of wijd uitwaaierende gitaren en veel al even fijn harmonieerwerk. De Byrds wezen alleszins als referentiepunten genoemd, maar zeker ook acts als Gram Parsons en de Flying Burrito Brothers, Crosby, Stills, Nash & Young, de Pure Prairie League en Poco.

Klinkt zo op het eerste gehoor misschien als muziek voornamelijk bestemd voor oude zakken, maar dat is het dus zeker niet. Daarvoor zorgen naast de knappe eigentijdse productie van Scott McCaughey van The Minus 5 vooral ook uitschieters richting de eighties en de hoogdagen van het Paisley popgebeuren en later ook het zich van onder de vleugels van het veel geloofde magazine No Depression langzaam ontvouwende nieuwe alternatieve countrywezen. De liedjes van Evan Way en Sam Fowles zijn vrijwel zonder uitzondering sterk te noemen, de muzikale invulling ervan is dat zeker ook en vooral wat betreft de vocale prestaties erin mag je zelfs rustig spreken van een echte glansprestatie.

Very West Coast indeed! En verduiveld lekker ook! Mag wat ons betreft zo onder de “w” van “Wow!”, deze derde van The Parsons Red Heads!

The Parson Red Heads, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

THE MASTERSONS “Good Luck Charm” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

“Good Luck Charm” is na het al in 2011 verschenen “Birds Fly South” de tweede langspeler samen van het vanuit Brooklyn actieve musicerende echtpaar Chris Masterson en Eleanor Whitmore. En net als z’n door critici zowat overal ter wereld letterlijk onder de superlatieven bedolven voorganger is ook dit album weer een echt juweeltje. Weer ga je bij het beluisteren ervan vrijwel voortdurend terugdenken aan andere illustere duo’s als Gram Parsons en Emmylou Harris, Gillian Welch en David Rawlings en zeker ook Buddy en Julie Miller. En dat zouden we hier nu niet meteen slecht gezelschap durven te noemen…

De Mastersons, ondertussen ook vast toegetreden tot Steve Earle’s Dukes, tonen zich hier beiden zeer bedreven op zowel akoestische als elektrische gitaren. En voor Eleanor mag je daar dan ook nog eens de viool aan toevoegen. Bij Neal Casal leenden ze voorts toetsenist John Ginty, Greg Leisz mag her en der naar goede gewoonte op de pedal steel excelleren en bassist George Reiff en drummer Mark Stepro doen het grootste deel van de rest. Al staan op de gastenlijst ook nog wel percussionist Jim Scott en vocalisten Peter Harper, Jason Blynn en Robert Marshall.

Stralend middelpunt van de belangstelling zijn en blijven echter “nach wie vor” de elkaar op echt wel heerlijke wijze aanvullende stemmen van Whitmore en Masterson. Meestal zingt zij en doet hij al harmoniërend z’n duit mee in het zakje. En de enkele uitzonderingen die er al gemaakt worden op die regel bewijzen eigenlijk enkel maar, dat dit een terechte “modus operandi” is ook. De soms voorzichtig wat aan de Jayhawks herinnerende Americana, country rock, folk-, roots- en een enkele keer ook heuse powerpop van de Mastersons vaart er echt wel bij.

Onze lievelingsnummers: het werkelijk sublieme titelnummer, het mede dankzij een machtig Pretenders-gitaartje voorwaar voorzichtig even hitgevoelige oorden aandoende “It’s Not Like Me” en de even snedige als catchy countryrocker “If I Wanted To”. Maar misschien zijn het er morgen wel weer gewoon drie andere, hoor! “Good Luck Charm” is immers weer van begin tot einde gewoon smullen geblazen!

The Mastersons, New West Records

 

THE LOST BROTHERS “New Songs Of Dawn And Dust” (Lojinx)

(5*****)

Deze plaat is al enkele dagen lang niet meer uit de buurt van mijn cd-speler weg te slaan. Maar “New Songs Of Dawn And Dust”, het met Bill Ryder-Jones als producer opgenomen nieuwe album van de Ieren Mark McCausland en Oisin Leech oftewel The Lost Brothers, is dan ook in één woord adembenemend. Met elke nieuwe luisterbeurt lijk ik zelfs nog wat meer te vallen voor de twaalf waarachtige songschoonheden erop. Helemaal wegsmelten doe ik telkens opnieuw de heren aan het harmoniëren slaan. Daar verandert zelfs het feit, dat ze in vergelijking met op voorganger “The Passing Of The Night” uit 2012 nu wat meer van vertrouwde paden Americana en folk durven af te dwalen, absoluut niets aan. Integendeel zelfs! Ik vind het allemaal nog net iets mooier dan voorheen!

Ik mag me maar wat graag laten meedrijven op de zachtjes voorbijkabbelende liedjesgolven van de oneigenlijke broers. Ik vind het echt zalig toeven in het gezelschap van hun me beurtelings of gelijktijdig aan de glansdaden van de Everlys, de Louvins en Simon & Garfunkel herinnerende muziekjes. Veel van de veelal eerder melancholisch uit de hoek komende deuntjes op “New Songs Of Dawn And Dust” stralen alvast eenzelfde tijdloosheid uit als het materiaal van elk van de genoemde acts.

Topmomenten als het in een zomers loom sfeertje van positivisme badende “Days Ahead”, het zich op buitengewoon intrigerende wijze in het behoorlijk verwarde gedachtengoed van een net van het front teruggekeerde soldaat verdiepende “Soldier’s Song”, het sfeergewijs ergens tussen iets van wijlen Johnny Cash en Simon & Garfunkel aanspoelende “Poor Poor Man”, de haar titel “en passant” helemaal waarmakende ballade “Hotel Loneliness”, het nog volop naar authentieke Americana geurende “Can I Stay With You” en andere behoren echt wel tot het allermooiste wat 2014 ons tot op heden op muzikaal vlak te bieden had.

Om de woorden van huisfavorietje Richard Hawley in verband met The Lost Brothers maar eens even naar m’n hand te zetten: om voor te sterven, zó mooi!

The Lost Brothers, Lojinx

 

TREML SCHUIER RILL “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll” (Creazione Unisono)

(4****)

Overgaan tot de aanschaf van “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll”, “de nieuwe van Markus Rill”, betekent eigenlijk gewoon je overgeven aan het beste van twee werelden. Strikt genomen deelt onze favoriete Duitser hier immers de spotlights met twee streekgenoten van ‘m. Met het duo Franz Schuier en Hubert Treml met name. Zij waren met z’n tweeën onder de vlag “b.o.s.s.” immers verantwoordelijk voor de oorspronkelijke versies van alle nummers op “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll”. Markus Rill van zijn kant tekende voor vertalingen van het Duits naar het Engels van deze “brucig Ogrichte singa Songs". En dat zorgt geregeld voor het nodige vuurwerk!

Gelijk van bij het z’n titel helemaal waarmakende openingsnummer “Heart & Soul & Rock ‘n’ Roll” bekruipt je als eerder toevallige luisteraar volop de goesting om op zoek te gaan naar de originelen van de elf liedjes hier. Mede door het karakteristieke toetsenwerk van Schuier en de gitaarfinesses van Treml waait er immers daadwerkelijk een krachtige Springsteen-wind doorheen dat liedje. En Rill, die valt natuurlijk al evenmin uit zijn rol. Zijn schuurpapieren stem en z’n vaardige, haar Amerikaanse spitsbroeders meer dan waardige schrijverspen doen de rest.

Van de prachttrage “Elvis Is Alive”, die wat ons betreft zomaar van “The River” had weggelopen kunnen zijn, tot het mede door een buitengewoon gloedvolle saxpartij van Martin Jungmeyer echt van de soul bulkende “Girl On The A-Train”, van de mooie pianoballade “More Than You Know” tot het heerlijk zomers wegrockende “Jane”, van “Pony On The Plains”, alweer zo’n knappe trage, tot het hier misschien nog het dichtst in de buurt van “vintage Rill” komende “Tomorrow It Will” en al wat er dan nog volgen moet, dit is gewoon top-singer-songwriterspul, dat het absoluut verdient om tot ver buiten de Duitse landsgrenzen gehoord te worden!

Warm aanbevolen!

Markus Rill

 

PIETER SIMONS “Lang Gezwegen” (Pieter Simons)

(3,5****)

Dat het afsluiten van een lange beroepsloopbaan niet noodzakelijk hoeft te leiden tot een hulpeloze val in een diep zwart gat bewijst de vanuit het Nederlandse Noord-Limburg actieve songsmid Pieter Simons. Sommigen onder jullie zullen de man allicht al kennen van zijn bijdragen als muzikant aan onder meer Pulsief en Parelmoer. Voor alle anderen weze hier vermeld, dat de recentelijk gepensioneerde Simons niet enkel met de schrijverspen, maar ook op z’n accordeon een aardig eindje uit de voeten kan. Iets wat hij op het onlangs onder de productionele leiding van Bart-Jan Baartmans in diens studio Wild Verband opgenomen “Lang Gezwegen” meer dan eens uitgebreid etaleert.

Samen met diezelfde Baartmans (gitaren, banjo, basgitaar en zang), Sjoerd van Bommel (drums en percussie), Mike Roelofs (toetsen), Charles van Dommelen (mondharmonica en zang) en nog een handjevol gastartiesten blikte Simons daar in Boxmeer in oktober van vorig jaar een tiental liedjes in, waaraan hij goed en wel een jaar eerder, even na zijn opruststelling, was beginnen te schrijven. Het merendeel daarvan laat zich vangen onder de petten folk rock en Americana. Gebracht, zoals de titel dat al uitgebreid laat uitschijnen, in het Nederlands en met een stem die ons beurtelings wat deed denken aan die van wijlen Bram Vermeulen, Frank Boeijen, onze eigenste Guido Belcanto en de vermaarde Drs. P.

Vooral in het op buitengewoon speelse wijze aan de man gebrachte anti-oorlogsliedje “Niet Geschoten…” was het de laatste die ons vrijwel onmiddellijk voor de geest kwam. Meer sprekend dan zingend eigenlijk vult Pieters daarin op de stippeltjes wijs aan met de woorden “…altijd prijs!”. En daar valt natuurlijk absoluut niks tegen in te brengen. Andere bijzonder fijne momenten op het in z’n geheel überhaupt erg sympathieke “Lang Gezwegen” zijn wat ons betreft ondermeer het aan de melodie van Richard Thompsons “Keep Your Distance” opgehangen “Alles Of Niets”, het de aan de grond zittenden onder ons bedaard rockend wat moed insprekende “Toon Je Vuur!” en vooral ook de ballade “’n Nieuwe Papa”. Daarin verwerkte Simons op erg knappe wijze het gegeven, dat bij een echtscheiding meestal vooral de kinderen de dupe zijn. En dat niet enkel op het moment van de breuk tussen hun ouders, maar ook bij de pogingen van die twee om een nieuw leven met een andere wederhelft aan te vatten. Vooral met dat liedje laat Simons best wel diep in z’n kaarten kijken. Daarin toont hij immers, dat hij niet enkel goed is in het observeren van de wereld om zich heen, maar dat hij ook in staat is om uit wat hij ziet ook de juiste conclusies te trekken en die dan in een pakkend liedje te vatten.

Al bij al mag je wat ons betreft rustig stellen dat deze liedjesschrijver op jaren een fijne aanwinst is. Met z’n met beide voeten stevig in de dagdagelijkse realiteit geplante, vaak behoorlijk gevoelige teksten als z’n voornaamste bondgenoten. De herkenbaarheid van z’n onderwerpen nodigt alleen maar uit tot nog wat aandachtiger luisteren. En zo hoort het toch gewoon ook, niet?

Pieter Simons

 

PALADINS “More Of The Best Of Vol. I” (Lux Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een deluxe-hap uit het gemeenschappelijke verleden van Dave Gonzalez, Thomas Yearsley en Brian Fahey oftewel The Paladins. Het collectiefje, dat ons tussen 1986 en 2007, met knappe albums als “The Paladins” (1986), “Years Since Yesterday” (1988), “Let’s Buzz” (1990), “Ticket Home” (1994), “Million Mile Club” (1996), “Rejiveinated” (1999), “Slippin’ In” (1999), “Palvoline No. 7” (2001), “El Matador” (2003) en “Power Shake” (2007) regelmatig compleet, maar dan ook echt compleet wist te vloeren. Met z’n onweerstaanbare mix van elementen uit voornamelijk blues, rockabilly en rock & roll bleek het drietal zowel op plaat als live zo goed als steeds te imponeren.

En het doet dan ook bijzonder veel deugd om middels de verzamelaar “More Of The Best Of Vol. I” weer eens met de neus op de feiten te worden gedrukt: The Paladins waren in hun marktsegment gewoon van het allerbeste wat er op dat moment verkrijgbaar was. Afgetrapt wordt er met heel pril werk, met name het al uit 1982 stammende “Double Datin’”. Vervolgens gaat het over een trits nummers van enkele van hun nog voor Alligator Records verschenen platen – met name “The Paladins” en “Let’s Buzz” – richting hun echte hoogdagen. En die mogen wij graag laten beginnen met het rootsrockmeesterwerkje “Ticket Home” uit 1984, naar onze bescheiden mening nog altijd één van dé allerbeste albums ooit gemaakt. En dat onderstrepen enkele lappen lillend rood rockvlees als het titelnummer en “15 Days” ook nu nog steeds vetjes. Ook van de partij: “Elvis’ Sister”, “Irene”, “Tore Up From The Floor Up”, “Soulfarm”, “Looking For A Girl Like You”, “Don’t Come Calling” en “Too Late Baby”. En afgerond wordt er met de beide nummers van een vorig jaar verschenen 7”, te weten “Should Have Been Dreamin’” een “Wicked”. Heerlijk gewoon! “18 kick ass songs indeed!” Voor één keer spreken we het begeleidende schrijven maar eens niet tegen…

En wat het allemaal nog net iets mooier maakt dan het zo al was, is het feit dat de toevoeging “Vol. 1” het ons nu al toelaat om volop te gaan dromen van meer! Dan met hopelijk nog wat meer “rare ones”!

Lux Records, Sonic Rendezvous

 

PARSONS THIBAUD “Eden” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Joseph Parsons en Todd Thibaud hebben samen weer eens een nieuwe plaat uit. Na “Parsons Thibaud” uit 2007 en “Transcontinental Voices” van drie jaar geleden hun derde ondertussen al. Hieronder alvast de bijsluiter!

Verpakking: “Eden” is verkrijgbaar in een verpakking met tien songs. Vijf van Thibaud. Vijf van Parsons.

Te gebruiken bij: Verschijnselen, die gepaard gaan met hoge nood aan onthaasting.

Gebruiksaanwijzing: 1 tot 2 draaibeurten, bij voorkeur laat ’s avonds, zullen ervoor zorgen, dat optimale relaxatieresultaten worden bereikt.

Bewaren en houdbaarheid: Bewaren laat zich deze folk rock, Americana en akoestische roots pop het best op kamertemperatuur naast werk van vergelijkbare acts als Crosby, Stills, Nash & Young, Simon & Garfunkel, Milk Carton Kids, Hardpan, 4 Way Street en US Rails. Door zijn unieke samenstelling is “Eden” onbeperkt houdbaar.

Gebruiksvoorzorgen: Het meer dan driemaal per dag tot zich nemen van “Eden” kan aanleiding geven tot (extreme) verslavingsverschijnselen.

Ingrediëntenlijst: “Everything Changes”, “When Nothing Left Is True”, “Cost Of Eden”, “Dreams We Dare”, “Heart That Never Falters”, “Hollywood”, “Near You”, “Time Is Due”, “Nothing To Me” en “Waterfalls”, tien eerder somber uitgevallen, intimistische liedjes over de vele veranderingen inherent aan een mensenleven. Twee prachtige, karaktervolle stemmen, enkele akoestische gitaren, wat harmonica en percussie. That’s it!

Parsons Thibaud, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PAUL THORN “Too Blessed To Be Stressed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Mocht u zich na al die jaren – De beste man timmert ondertussen plaatgewijs al zo’n slordige achttien jaar lang fameus aan de weg! – nog steeds afvragen, waarom nieuwe albums van de Amerikaanse zingende songsmid Paul Thorn steevast hoge toppen scheren in zo ongeveer alle Americana charts, dan krijgt u met “Too Blessed To Be Stressed” andermaal fameus lik op stuk. Ruim elf nummers lang toont Thorn zich daarop immers wederom van z’n allerbeste kant. En niet opnieuw met covers zoals ten tijde van voorganger “What The Hell Is Goin’ On?”, maar met vrijwel uitsluitend eigen materiaal ditmaal. Enkel het funky, door Carlo J. Ditta gepende “kontschuddertje” “Get You A Healin’” vormt wat dat betreft een uitzondering. Onder alle andere songs prijken de namen van Thorn zelf en Billy Maddox en een enkele keer ook die van z’n bassist Ralph Friedrichsen.

“Too Blessed To Be Stressed” klinkt als geheel een stuk opener dan veel van Thorns eerdere werk. En dat schrijft hij zelf voornamelijk toe aan het feit, dat hij onder invloed van de liedjes van anderen als een Allen Toussaint, een Ray Wylie Hubbard, een Elvin Bishop, een Lindsey Buckingham of Buddy & Julie Miller op “What The Hell Is Goin’ On?” veel meer aandacht aan de vocale hooks is gaan besteden. Voor het eerst mogen vaststellen, dat concertbezoekers je liedjes al vanaf de tweede passage van het refrein meezingen, doet duidelijk iets met een mens…

Verder bevat “Too Blessed To Be Stressed” ditmaal vooral ook aan universele waarheden opgehangen songs. Ook wat dat betreft is er dus een duidelijke breuk met Thorns verleden. Veel van ’s mans eerdere liedjes ontsproten immers vooral aan voorvallen in z’n eigen leven.

Gelijk van bij het lijzig (roots)rockend resoluut z’n weg richting het collectieve bewustzijn zoekende “Everything’s Gonna Be Alright”, waarin zonder ook maar de minste vorm van terughoudendheid de simpele dingen des levens worden verheerlijkt, is het meteen volop prijs. Vanaf dan weet je het eigenlijk al wel! Dit wordt een echt toppertje! En nog voor die gedachte goed en wel koud is, slaat Thorn al een tweede keer snoeihard toe. Met het heerlijk funkende titelnummer met name, waarin hij klinkt als een wat jongere Joe Cocker in z’n allerbeste momenten. Prijsbeest nummer drie is meteen daarop aansluitend het volop van Michael Grahams fijn toetsenwerk profiterende en überhaupt behoorlijk groovy uit de hoek komende “Everybody Needs Somebody”. Klassiek singer-songwriter-spul, als u het ons vraagt, dat liedje! En daarvan laat er zich op “Too Blessed To Be Stressed” wel meer aanwijzen. Van het zomerse popniemendalletje “I Backslide On Friday” tot het ongemeen soulvolle “This Is A Real Goodbye”, van het vlijmscherpe, maatschappijkritische rockertje “Mediocrity Is King” tot het ons sfeergewijs in de verte ergens aan iets van Tony Joe White herinnerende “Don’t Let Nobody Rob You Of Your Joy”, van het z’n roots nog nadrukkelijk in de blues hebbende “Old Stray Dogs & Jesus” tot het door de geweldige McCrary Sisters van zeer fijne backing vocals voorziene “What Kind Of Roof Do You Live Under” en de werkelijk bloedmooie (trage) afsluiter “No Place I’d Rather Be”, dit is echt één langgerekte weldaad voor rootsmuziekminnende oren.

Heerlijke plaat gewoon… En sowieso een klant voor onze stilaan weer vaste vormen aannemende eindejaarslijst!

Paul Thorn, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

KENN MORR BAND “Afterimage” (PWR Records)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot voor kort niet erg vertrouwd was met het werk van de Amerikaan Kenn Morr en zijn band. Tot mijn grote verbazing gingen er aan ’s mans nieuwe cd “Afterimage” al acht releases vooraf. En afgaande op het daarop gebodene dringt een serieus inhaalmanoeuvre zich op! Het blijkt op “Afterimage” immers te gaan om akoestische herinterpretaties van nummers van die eerdere platen.

Morr zelve (zang, harmonica, akoestische gitaar en piano) en zijn maats Tom Hagymasi (viool, mandoline, bouzouki, knopaccordeon en harmony vocals), Bob Gaspar (djembe, conga’s en percussie) en Pat Ryan (basgitaar en harmony vocals) maakten er voor de gelegenheid een gezellig potje van in de studio en dat hoor je eraan ook! Gewoon “the old fashioned way” met z’n allen samen in één ruimte, lekker live musiceren! En dat leidt hier bijna als vanzelfsprekend tot een ongedwongenheid die je anders alleen maar vruchteloos kan nastreven. Heerlijk relaxed glijden Morr en co doorheen liefst achtentwintig eigen liedjes. Vele daarvan met behoorlijk diepzinnige teksten. Aangenaam luistervoer zonder meer. Catchy in het bijzonder door Morrs sonore baszang. Klinkt als een kruising tussen Elliott Murphy, Leonard Cohen en Bob Geldof. Zoiets…

Er enkele nummers uitlichten heeft hier wat mij betreft absoluut geen zin. Noem het folk rock, roots pop of Americana, noem het zoal je wil! Feit is, dat we hier te maken hebben met een bijzonder aangenaam wegluisterende pot akoestische rootsmuziek. Aanbevolen niet enkel aan liefhebbers van het materiaal van het hier hoger al genoemde drietal, maar bijvoorbeeld ook aan deze van het oeuvre van knapen als een Jackson Browne, een Tom Petty en een Mark Knopfler.

Kenn Morr Band

 

MURALI CORYELL “Restless Mind” (Shake-It-Sugar Records)

(3,5****)

Als opvolger voor de in 2012 verschenen dubbele concertregistratie “Live” houdt Murali Coryell met “Restless Mind” nu weer gewoon een studioplaat achter de hand. En de zoon van jazzgitaarlegende Larry Coryell strooit daarop naar ondertussen goede gewoonte kwistig met soulvolle lappen blues(rock) in het rond. (Iets wat met nooit echt ontkende invloeden reikend van naamgenoten BB en Albert King tot Jimi Hendrix, de jonge Clapton en Albert Collins overigens niet echt hoeft te verbazen ook.)

Funky rockend gunt hij ons met “Waiting And Wasting Away” een vliegende start. Vervolgens gaat het via het ranzig soulvolle “Kiss Me First” en het sfeergewijs voorwaar een weinig aan het seventies-werk van Santana herinnerende titelnummer richting de zomerse R&B-stamper “I’m So Happy” en het opnieuw aardig funky getinte “Sex Maniac”. Voor de knappe sleper “Crime Of Opportunity” gaat het tempo dan even spectaculair omlaag, alvorens er met “I Can’t Give You Up” weer lustig op los mag worden gefeest. Heerlijk catchy R&B-kleinood is dat, met fijn blaaswerk van Joe Morales (sax) en Jimmy Shortell (trompet) als extra toegevoegde waarde. En diezelfde twee zien we ook opduiken in het meteen daaropvolgende, net wat tragere, maar daarom zeker niet minder aanstekelijke “Tag Along”.

Aan schuifelrocktempo gaat het in de slipstream daarvan eerder gezapig doorheen het veelzeggend getitelde “I Need Someone To Love” om vervolgens met de licht exotisch getinte “valse trage” “Lonely Eyes” een heus slotoffensiefje aan te kondigen. En dat laatste bestaat dan uit het bedaard (blues)rockende “Everyday Is A Struggle” en een knappe lezing van het zwoele, je ongetwijfeld ook in de uitvoering van wijlen Marvin Gaye bekende “Let’s Get It On”.

Murali Coryell

 

GAL HOLIDAY AND THE HONKY TONK REVUE “Last To Leave” (HTRP Music)

(4****)

Nummer drie voor Gal Holiday en haar immer energieke Honky Tonk Revue! Na hun titelloze debuut uit 2007 en het van vier jaar geleden daterende en wel heel erg toepasselijk getitelde “Set Two” is er nu “Last To Leave”, een twaalf songs rijke schreeuw om de aandacht van elke rechtgeaarde liefhebber van old school country en rockabilly. Tegelijk heerlijk authentiek en met één teen in het hier en nu en mede daardoor geschikt voor consumptie door een behoorlijk ruim publiek.

Vooral aan Vanessa “Gal Holiday” Niemanns verrassende cover van de Pat Benatar-hit “Love Is A Battlefield” zou je zomaar hitpotentie durven toe te dichten! En dat zelfs in onze contreien! Wat onlangs nog voor de Baseballs kon, zou voor deze aanstekelijke country-rockabilly-hybride zeker ook moeten kunnen. Is overigens de enige cover hier, dat liedje. Voor de rest van het materiaal tekenden Niemann en haar maats zelf. En vooral zijzelf en bassist David Brouilette bleken daarbij zeer actief.

Zelf spreekt Niemann in verband met die nieuwe liedjes over een verklanking van hun lotgevallen van de voorbije drie jaren. Een periode van veel reizen en veranderen, van groei- en andere pijntjes, maar ook van veel liefde, vriendschap en “lots of good times”. En dat resulteert vanzelfsprekend dan ook in een behoorlijk gevarieerd aandoend geheel.

“The Long Black Ribbon” is zo bijvoorbeeld een heerlijke streep twangy hard country, “She’s A Killer” een met een aardige dosis swing kruisbestoven rockabilly en “Broke Down And Broke” een lang niet enkel inhoudelijk last van de blues hebbende, maar op de keper beschouwd toch nadrukkelijk een countryliedje blijvende oorwurm. Het aanstekelijke “Teach Me How To Two Step” doet countrygewijs z’n titel dan weer alle eer aan, “South Of I-12” blijkt een bedaard rockende country road song en het volledig a capella ingezette “The Ballad Of Addie & Zack” heeft naar ons gevoel minstens evenveel met folk als met Americana vandoen. Bij de sfeervolle trage “Broken Rings” mogen er à volonté tranen in je pilsje en “Rainy Nights, Sunny Days” speelt even met een nachtelijke bruine-kroegtoestanden evocerend jazzmotiefje.

Killer stuff indeed!

Gal Holiday And The Honky Tonk Revue

 

LANEY JONES “Golden Road” (Laney Jones)

(4****)

Wat een plaat! De jonge Laney Jones blies ons met haar “Golden Road” voorwaar compleet van de sokken! Geen wonder, dat haar naam zich momenteel als een lopend vuurtje verspreidt over rootsmuziekminnende delen van het wereldwijde web. De in Florida geboren en getogen, maar momenteel omwille van haar studies aan het Berklee College of Music in Boston residerende Jones heeft naar ons gevoel echt alles om het op termijn helemaal te gaan maken! Een dijk van een stem, knappe liedjes en buitengewoon vaardige vingers ook. Dat laatste illustreert ze hier op zowel op de banjo als op de ukelele.

Ruim vierendertig minuten lang streelt ze de zinnen. En dat met een tiental eigen originelen met hun roots in folk, old-time en bluegrass. De “missing link” tussen Gillian Welch en Alison Krauss als het ware! Luister maar eens naar dingen als het volop van het werkelijk sprankelende banjowerk erin profiterende “Broken Hearts”, het met een snuif rock gekruide “Devil Down”, de bluesy sleper “Black Coffee”, het sfeervolle “Rise No More” of het wat jazzy aandoende “Pour Out The Whiskey”! Wedden, dat je het snel met ons eens zal zijn, dat we hier te maken hebben met één van dé in het oog te houden talenten voor de komende jaren?

Vooral je voordeel mee doen, zouden we zo zeggen! En snel ook!

Laney Jones, CD Baby

 

FAYSSOUX “I Can’t Wait” (Red Beet Records)

(4****)

Haar vorige plaat, het ondertussen ook alweer zes jaar geleden verschenen “Early”, was er naar onze bescheiden mening eentje voor de eeuwigheid. En ook op het zopas op de markt belande “I Can’t Wait” hoeft er wat ons betreft absoluut weer geen houdbaarheidsdatum te worden vermeld. Ook dat is immers weer een album, waarvan je als luisteraar gelijk al na de eerste beluistering ervan weet, dat je er nog héél vaak naar zal teruggrijpen. Heerlijk relaxed en van een werkelijk tijdloze schoonheid.

Peter Cooper tekende net als bij voorganger “Early” ook nu weer voor de productie, al liet hij zich daarbij ditmaal wel bijstaan door snarenvirtuoos Thomm Jutz. Verder ook nog van de partij tijdens de opnamen van “I Can’t Wait”: Brandon Turner (akoestische gitaren en harmony vocals), Sierra Hull (mandoline), Justin Moses (fiddle en banjo), Mark Fain (bas), Pat McInerney (percussie), Jen Gunderman (accordeon en piano) en Eric Brace, Donna Ulisse en Tom T. Hall (allen zang). Fayssoux McLean zelf nam naast de zang ook her en der wat akoestisch gitaarwerk voor haar rekening. En de heren Jutz en Cooper deden op hun beurt hetzelfde.

Samen waden ze doorheen materiaal van Kieran Kane (“I Can’t Wait”), David Ball (“When The Thought Of You Catches Up With Me”), Mose Allison (“My Brain”), Merle Haggard (“Mama’s Hungry Eyes”), RB Morris (“Hell On A Poor Boy”), Tom T. en Dixie Hall (het ook met de eerste van dat tweetal gebrachte “I Made A Friend Of A Flower Today”), Jim Lauderdale (“Some Things Are Too Good To Last”) en Fayssoux zelve. Onder een vijftal composities prijkt haar naam, alleen of samen met die van Peter Cooper, dan wel Cooper én Thomm Jutz. Een aardige vooruitgang ten opzichte van ten tijde van “Early”. Toen mochten er immers slechts twee eigen nummers mee tegenaan.

Liefhebbers van authentieke, nog volledig akoestisch gebrachte en mede daardoor wat rustiek aandoende Americana weten daarmee ons inziens genoeg! Zij zullen hier net als ons en bekende bewonderaars als Emmylou Harris, Dolly Parton en Rodney Crowell twaalf nieuwe redenen vinden om Fayssoux McLean stevig aan de borst te drukken. Om het met de woorden van haar mentor Peter Cooper samen te vatten: “She’s a profound pleasure, pleasurably profound.”

Fayssoux, Red Beet Records

 

CHRISTINE ALBERT “Everything’s Beautiful Now” (Moon House Records)

(3,5****)

De voorbije jaren waren op persoonlijk vlak behoorlijk hard voor Christine Albert. Hard in dat opzicht, dat de Texaanse op korte tijd nogal wat dierbaren verloor. Je weet wel, die fase, waar we ooit allemaal doorheen moeten en die met het ouder worden alleen maar dichter blijft komen…

Zoals het een goede songsmid past profiteerde Albert echter optimaal van de situatie. Bij wijze van eerbetoon aan hen die gingen verwerkte ze haar verdriet in enkele nieuwe liedjes, die samen met materiaal van onder anderen Shake Russelll en Dana Cooper, Tom Peterson, Jackson Browne en Warren Zevon op haar nieuwe album “Everything’s Beautiful Now” belandden. Veelal eerder gevoelige dingen, die nu eens eerder richting roots pop, dan weer eerder richting Americana, folk of country overhellen. Met als voornaamste blikvangers zo op het eerste gezicht allicht het titelnummer en “Old New Mexico”. Het eerste, de even aangrijpende als mooie pianoballade “Everything’s Beautiful Now”, hing Albert op aan een handvol van de laatste woorden van haar schoonmoeder Darleen op haar sterfbed. Het tweede is een met de legendarische Jerry Jeff Walker geschreven en ook samen met hem gebrachte streep verhalende Americana. Bovendien ook van de partij in dat liedje: collega Eliza Gilkyson.

Andere opvallende momenten op “Everything’s Beautiful Now”: het mede dankzij opnieuw de piano van Chris Gage en de dobro van Lloyd Maines een aardig eindje richting enigszins jazzy aandoende wateren afdrijvende “On That Beautiful Day”, het mild gestemd op het eigen leven terugblikkende rootspopluisterdeuntje “Flower Of The Moon”, prachtige covers van “For A Dancer” van Jackson Browne en “Keep Me In Your Heart” van wijlen Warren Zevon en de ronduit schitterende afsluiter, de met veel gevoel gebrachte Americana-ballade “My Heart’s Prayer”.

Dingen als deze maken van “Everything’s Beautiful Now” het soort van plaat dat je enkel kan maken als je heel goed bij de les was toen het leven zelf doceerde. En dan nog… Je moet er bij wijze van spreken al voor tot in je laatste studiejaar zijn doorgestoten…

Christine Albert, CD Baby

 

JUBAL LEE YOUNG “On A Dark Highway” (Reconstruction Records)

(3,5****)

Is het überhaupt nog wel nodig om hier te vermelden dat Jubal Lee Young de zoon is van songwiters Steve Young en Terrye Newkirk? Wellicht niet. Waarom het dan toch doen, zal u zich afvragen. Wel, we hebben er een goede reden voor. Op z’n nieuwe cd “On A Dark Highway” waagt de jonge Young zich immers aan twee covers. Van… pa Steve en ma Terrye inderdaad. Vandaar dus…

Van z’n vader leent hij het ruim drie minuten lang als een heuse countrywervelwind doorheen je bestaan razende “The White Trash Song”, van zijn moeder het zich walsgewijs fraai voor de Sooner State verbuigende “My Oklahoma”. Vreemd genoeg klinkt hij in dat laatste juist meer dan zijn vader…

Dat hij zich precies aan dat liedje over Oklahoma boog was overigens ook helemaal geen toeval. De grote meerderheid van de nummers op “On A Dark Highway” blijken iets te maken te hebben met één der vele Amerikaanse staten. Voor Young dé gelegenheid om zijn eigen “road miles” te vertalen, te verklanken naar songgoed. Met een voor de gelegenheid doorgaans veel nadrukkelijker rockgetint geluid als voorheen. Met veel ruimte voor de elektrische gitaar alleszins. En die bespeelt “this time around” niet producer Thomm Jutz maar Young zelve.

Een potje bij momenten lekker wild om zich heen schoppende country rock is het resultaat. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het aan de vele nog volop hun zin doende vrije (country)radiostations in de Lone Star State opgedragen “Texas Pirate Radio”, de wel erg stevige groet aan het adres van z’n “Sweet Home Tennessee”, de door Michael Webb van buitengewoon sfeervol toetsenwerk voorziene Heartland rocker “My Kind Of Crazy” en het snedige duo “Under A Rock In Arkansas” en “Texas Girls”.

De volle vierenveertig minuten gaat het er gelukkig niet even stevig aan toe. Naast het al genoemde “My Oklahoma” zijn er voorts ook nog de fragiele trage “Careful With Your Heart”, het op zijn eigen manier soulvolle “Fearlessly” en de knappe rootspopdeun “She” als rustpuntjes. En dan vergaten we bijna nog het titelnummer. Want ook daarvoor ging de voet immers tijdelijk van het gaspedaal.

Al bij al gewoon weer een prima plaatje! En – Eerlijk is eerlijk! – we hadden van Jubal Lee Young eigenlijk gewoon ook niks anders verwacht…

Jubal Lee Young, CD Baby

 

TRAILERPARK IDLERS “Fifty Gallons Of Lightning” (Fortune Records)

(3,5****)

De Trailerpark Idlers – Vrij vertaald: de leeglopers uit het woonwagenpark! – zijn een hoogst interessant alternatief countrybandje uit “of all places” Norrkoping in Zweden. De groep werd al in 2006 boven de doopvont gehouden door zanger-gitarist Morgan Hellmann en bassist JK Anderson. En de huidige line-up ervan is al sinds 2008 samen. Toen vervoegden zangeres Miss LisaLee en tweede gitarist Ben Dee Salmeranta immers de rangen. Met verder overigens ook nog Gustav Berry als fiddler.

“Fifty Gallons Of Lightning” bleek tot onze grote verbazing al het twaalfde album van de groep. En het deed hier alvast spontaan de drang naar een serieus inhaalmanoeuvre ontstaan. Want de “Idlers” benaderen het door ons zo gesmaakte alt-countrygegeven op wel zeer interessante wijze. Eigenzinnigheid “rules” hier! Invloeden als de Carter Family, de Louvin Brothers, Hank Williams, de Stones, Johnny Cash, Nick Cave en de Ramones gaan als het ware samen in een grote betonmolen. En afhankelijk van de precisie waarmee die bestanddelen samengemikt en aan het draaien worden gebracht, komen er telkens weer andere resultaten vrij.

Openingsnummer “Bend & Obey” vormt zo bijvoorbeeld de wat ons betreft ideale introductie tot Miss LisaLee en haar maats. Old-timey stringband music misschien, maar dan wel met weerhaakjes stevig in het vlees van het hier en nu verankerd. Meteen daarna lijkt het wel alsof Nick Cave en Kylie Minogue de handen weer eens in elkaar hebben geslaan. Met als resultaat het sfeervolle streepje schuifelcountry “Goodbye Baby”. “Moonshinin’ Man” is aansluitend daarop één van dé absolute prijsbeesten van “Fifty Gallons Of Lightning”. Rammelcountry met een bluesy biesje van de allerbovenste plank gewoon, dat liedje! “Where Did You Go, Mary-Anne?” blijkt vervolgens een heerlijke epische folktrage, “Seven Horses” opnieuw zo’n sympathiek alternatief countryrammelaartje en “Sing With The Bird, Talk To The Cat” een maar moeilijk onder woorden te brengen beurt voor het bluegrassgenre.

In de prachtballade “God Damn You” wijst zo ongeveer alle bewijsmateriaal overduidelijk richting de Carters, het hypernerveuze “I Fell Again” klinkt bij momenten als het ware als “Lou Reed gone Americana” en “So Long Little Darlin’” is gewoon een hele lekkere bruisende old-timey countrydeun met een wat scherper randje tout court. “Losing Myself” strandt in al zijn aangename klaaglijkheid muzikaal gezien ergens in de buurt van ons aller Lucinda en “Get Down On Your Knees, Sinner” kruidt z’n sowieso al aardig catchy uit de hoek komende countrygumbo ook nog eens met een royale prise rete-aanstekelijke rockabilly. Met het verhalende “Willy Went Wild” belanden we vervolgens in Cash-Boom-Chicka-Boom-territorium en het afsluitende “My Woman Sings Hallelujah All Night Long” verraadt nadrukkelijker dan wat dan ook hier een zekere voorliefde voor Nick Cave en zijn Bad Seeds.

Trailerpark Idlers

 

MAGGIE BJORKLUND “Shaken” (Bloodshot Records / Bertus)

(4****)

Haar roots mogen we dan al in Deense bodem moeten gaan zoeken, louter muzikaal gezien schuilt er naar onze als steeds bescheiden mening in Maggie Bjorklund toch meer van een Amerikaanse. De voorbije jaren wierp ze zich zo bijvoorbeeld steeds vaker op als een begenadigd talent op de pedal steel. En ook haar solodebuut “Coming Home”, in 2011 opgenomen met schoon volk als die van Calexico, Jon Auer en Mark Lanegan, verraadde überhaupt veel meer affiniteit met de States dan met Europa. Elementen uit (alternatieve) country, pop en rock vielen elkaar daarop als oude bekenden bij een blij weerzien in de armen. Niet zelden gebracht met een psychedelisch randje of gekenmerkt door een zwaar filmisch karakter.

En in dat opzicht is er op “Shaken” maar weinig nieuws onder de zon te bekennen. Bjorklund zweert duidelijk trouw bij haar succesformule. Behoorlijk turbulente tijden in haar eigen leven zingt en speelt ze van zich af in de nabijheid van kanjers als de je onder meer van zijn samenwerkingen met PJ Harvey bekende producer-gitarist John Parish, bassist Jim Barr uit de entourage van Portishead, drummer John Covertino van Calexico en celliste Barb Hunter. En verder is er ook nog een opgemerkte cameo van Lambchop-kopstuk Kurt Wagner. Met hem deelt Bjorklund de quasi onaards schone sleper “Fro Fro Heart”.

En op de keper beschouwd sleept “Shaken” zich eigenlijk gewoon in z’n geheel statig voort. De plaat heeft iets nadrukkelijk herfstigs over zich. Met daarbij voortdurende hoofdrollen voor Bjorklund als een openlijk met haar gevoelens worstelende sirene en haar pedal steel als ideaal uitdrukkingsmiddel voor zoveel emotionaliteit.

Gaan we naar ons gevoel, als binnenkort de bladeren weer in alle hevigheid beginnen vallen, dan ook nog heel wat plezier aan beleven, aan dit schijfje!

Maggie Bjorklund, Bloodshot Records

 

JOSEPH LEMAY “Seventeen Acres” (Joseph LeMay Music)

(5*****)

Een eerste keer luisteren naar “Seventeen Acres”, de onlangs verschenen debuutplaat van de jonge Amerikaanse singer-songwriter Joseph LeMay, heeft zo ongeveer hetzelfde effect op een mens als in een moment van onoplettendheid in een achteloos ergens op een stoep achtergelaten bolletje gebruikte kauwgom trappen. Je kan daarna nog doen wat je wil, er vanaf geraken is bepaald niet vanzelfsprekend… Daar waar het op je schoenen achtergebleven “sticky” goedje echter al snel een bron van ergernis gaat vormen, blijken LeMays een enigszins vergelijkbare uitwerking hebbende muziekjes al even ras metgezellen waar je eigenlijk absoluut niet meer zonder wil. De elf songs op ’s mans debuut werkten op ons alvast hoogst verslavend. Wij zouden zelfs zó ver durven te gaan, om “Seventeen Acres” tot het selecte kransje der allerbeste Americana-cd’s van 2014 tot op heden te rekenen.

Maar het is dan ook een geheel met een wat apart ontstaansverhaal. Eigenlijk werd het zaad ervoor geplant, toen LeMay en zijn op dat moment nog kersverse bruid Molly besloten om hun drukke leventje in Nashville te verruilen voor een bestaan ver weg van alles en iedereen in West Tennessee. In een aftandse, nog helemaal leefbaar te maken “singlewide trailer” vond onze man niet enkel de door hem zo begeerde rust, maar ook tonnen aan inspiratie voor het materiaal dat uiteindelijk op zijn eersteling belanden zou. (En voor later nog te volgen platen!)

Voor elf lappen Americana en rootsy pop, die ons vooral in rustigere momenten wel eens deden denken aan het materiaal van de door ons ook heel erg gewaardeerde zingende songsmid Clarence Bucaro. Ook stemgewijs bewandelt LeMay trouwens enigszins vergelijkbare paden als deze laatste. Ook hij heeft aan z’n gloedvolle falset een bepaald niet te onderschatten bondgenoot. Zeker in de al even aangesproken introvertere nummers. Die krijgen zowel door hun precieuze, eerder sobere muzikale invulling, als door LeMays buitengewoon warmbloedige benadering van zijn eigen teksten een zeker aura van tijdloosheid om zich heen. De rust die van veel van LeMays liedjes uitgaat reflecteert als het ware perfect hun “roots” in het ongerepte. En hunkeren we daar ergens diep vanbinnen niet allemaal een beetje naar?

Van het autobiografische, in z’n titel naar de omvang van de streep van Molly’s grootvader verworven land waarop hun huidige onderkomen zich bevindt verwijzende titelnummer tot het ook al volop in gevoelens van oprechte liefde badende “You Still Do It” of het schokschouderende streepje country soul “Crazy Woman”, van de intimistische parel “Fruit On The Vine” tot het volledig a capella gedeclameerde “Warrant For My Worry” of het op de keper beschouwd eerder herfstig aandoende “Call It Quits”, van de knappe ingehouden rootsrocker “Nothing You Can Do” tot het aan de naam van een lokaal plantje opgehangen “Possumhaw”, het op bijzonder lentefrisse wijze zijn wederhelft bejubelende swingertje “Molly My Girl” en de werkelijk bloedmooie ballades “Redwing” en “Just So”, dit is allemaal zó ontzettend mooi… Eigenlijk schieten woorden ons gewoon tekort voor een passende beschrijving….

Wat ons betreft heeft Joseph LeMay met “Seventeen Acres” de eerste regels van een langlopend succesverhaal geschreven. Hopelijk volgt u ons in die opvatting en kunnen we de beste man eerlang ook op podia hier te lande bewonderen.

Joseph LeMay

 

KENNY BUTTERILL “Troubadour Tales” (NoBullSongs.com Records)

(4****)

Met de Canadees Kenny Butterill zullen wij hier altijd wel iets van een speciale band blijven hebben. Zijn vorige cd, het knappe “Just A Songwriter”, was immers één van de allereerste albums, die we voor Ctrl. Alt. Country bespraken. In april van 2003 was dat. Ruim elf jaar geleden al dus. Véél te lang eigenlijk…

Maar goed, nu is er dus weer eens nieuws van de beste man. En hoe! “Troubadour Tales” is niets minder dan een superieure Americana-cd. Beklijvend van minuut één tot en met minuut negenenveertig. Echt tot de nok toe gevuld met pareltjes. We overlopen ze hier alvast even met je! Om te beginnen is er het heerlijk satirische, in onvervalste JJ Cale-schuifelstijl afgeleverde “Good Thing That Couldn’t Happen Here”. Wat een entrée! En enkel nog maar het topje van de ijsberg, zo zal al snel blijken… Aan een behoorlijk stevig tempo volgen de hoogtepunten elkaar daarna op.

Via het zomers lome, in eerste instantie vooral door de aanwezigheid van good old Donovan op de mondharmonica erin opvallende “Gaia Blues” over de bedaarde countryrocker “Old Man And The Kid” tot “Flying With Buddha”, een niet enkel heel erg spiritueel, maar ook heel erg bluesy aandoend intermezzo. Van het romantische, maar bepaald niet melig werkende “Cyrano’s Song” over het schitterende JJ Cale-eerbetoon “Hocus Pocus” tot het sfeergewijs ergens in de buurt van Jimmy Buffett strandende “Pajaro Dunes”. Van de met Audrey Auld gedeelde ode aan een simpel leven “Dead End Of The Dirt Road” over de door Sarah Elizabeth Campbell – Hier voor het laatst aan het werk vlak voor haar dood! – mee naar eenzame hoogten getilde ballade “The Greatest Love Story Never Told” tot het ons van opzet weer aan JJ Cale herinnerende “True North”. Van “Willie We Miss Ya”, een tweede eerbetoon, ditmaal aan het adres van de legendarische Willie P. Bennett, over het dromerige “Woman In A Canoe” tot de afsluitende bonus track, een reprise van openingsnummer “Good Thing That Couldn’t Happen Here”. Wat ons betreft niet één enkel “accident de parcours”! Precies zoals het hoort na zulk een lang uitgevallen afwezigheid dus…

Produceren deed Butterill dit uit louter eigen liedjes opgetrokken muzikale bouwwerk overigens ook zelf. Muzikale hand-en-spandiensten waren er daarbij niet enkel van het al genoemde trio Donovan Leitch, Audrey Auld en Sarah Elizabeth Campbell, maar ook van tal van anderen, waaronder Ray Bonneville, Zoe Muth, Redd Volkaert, Cindy Cashdollar, David Grier, Washboard Hank, Rob Ickes, John Reischman en Linda McRae ons opvielen als de bekendsten.

Kenny Butterill, CD Baby

 

ROXANNE DE BASTION “Seeing You EP” (Hidden Trail Records)

(4****)

U houdt van wel van artiestes als een Suzanne Vega, een Joni Mitchell, een Judy Collins, een Martha Wainwright of een Laura Marling? Dan is de kans vrij groot, dat u ook aan deze in Duitsland geboren, maar ondertussen wel in Engeland, in Londen meer bepaald, verzeild geraakte jonge chanteuse een flink kluif zal hebben. Met haar kristalheldere stem zal ze u ogenblikkelijk in vervoering brengen, met haar even mooie, als eenvoudige liedjes volledig vloeren. Alsof er een engeltje op uw tong piest, zo lekker!

Veritabele songschoonheden als het breekbare “Wasteland”, waarin ze het onder meer heeft over het wellicht bekendste stukje Berlijnse Muur, de vermaarde East Side Gallery, en de atmosferische pianoballade “Rerun” zullen u ogenblikkelijk doen hunkeren naar meer. Meer, zoals hier ook al geboden in het titelnummer en het afsluitende “Same Moon”, twee al even prachtige introspectieve deuntjes.

Om er romanticus John Keats nog maar eens bij te sleuren: “a joy forever”, want ontegensprekelijk “a thing of beauty”!

Roxanne de Bastion

 

HANNAH ALDRIDGE “Razor Wire” (TroddenBlack Entertainment)

(4****)

Schone Hannah Aldridge heeft het duidelijk van geen vreemden. De nu zesentwintigjarige Amerikaanse uit Muscle Shoals is immers een dochter van plaatselijk icoon Walt Aldridge, een man met een curriculum zó lang dat je er moeiteloos de afstand tussen datzelfde Shoals en Nashville mee overbrugt. Het klassieke verhaal van de appel die nooit echt ver van de boom valt dus…

En van die Hannah Aldridge is er nu “Razor Wire”, een met producer Chris Mara in Nashville ingeblikte collectie liedjes, waarvoor wat ons betreft regelmatig de omschrijving ronduit verbluffend uit de kast mag. Negen van de tien daarvan zijn eigen originelen, het tiende is een passenderwijze ook met diens groep The 400 Unit gebrachte cover van streekgenoot Jason Isbells “Try”. Verdere studio-hand-en-spandiensten werden Aldridge onder meer verleend door Andrew Sovine (elektrische en akoestische gitaren en lap steel), Brad Pemberton (drums en percussie), Lane Baker (bas en backing vocals), Andrew Higley (keyboards en zaag) en James en Dylan LeBlanc (backing vocals en leadgitaar in de soulvolle rootssleper “Lie Like You Love Me”).

Dat laatste is wat mij betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten op “Razor Wire”, al moet me zo ongeveer in één en dezelfde adem dan wel van het hart dat er daarvan op het album nogal wat te rapen vallen. Ik noem in die context bijvoorbeeld graag ook al openingsnummer “You Ain’t Worth The Fight”, een me in al z’n rockende verbetenheid zowel aan Maria McKee als aan Tom Petty herinnerende afscheidssong. Of “Old Ghost” ook, een op lijzig twangend gitaarwerk van Andrew Sovine als een fluitje van een cent diepe voren doorheen het luisteraarsbewustzijn trekkend rootsrockertje. Om nog maar te zwijgen van het “moody”, door de op bezwerende wijze “zingende” zaag van Andrew Higley mee naar eenzame hoogten getilde sfeerstukje “Strand Of Pearls”, het samen met Dylan LeBlanc gebrachte titelnummer, de “schijnpianoballade” “Parchman” en “Howlin’ Bones”, een nog a capella ingezette, maar al snel naar alle mogelijke in de buurt opduikende instrumenten grijpende en van pure woede levende onafhankelijkheidsverklaring. En dan zijn er ook nog de door haar zesjarige, naar Jackson Browne vernoemde zoon geïnspireerde trage “Black And White”, het hoger al even ter sprake gekomen “Lie Like You Love Me”, een de scheidingslijn tussen louter lust en de verslaving aan daarmee gepaard gaande gevoelens zo goed als volledig uitvlakkende sleper, en het meteen daaropvolgende “Lonesome”, waarin Aldridge zich in een wel heel erg melancholische bui over de ogenschijnlijk nog steeds flink aan haar knagende scheiding van haar eigen ouders buigt. “I can’t put my finger on it,” fluisterzingt ze daarin, “I don’t know who’s to blame, but the one thing that I’m sure of is lonesome goes both ways.” Laat aan duidelijkheid maar bitter weinig te wensen over… Afgesloten wordt er met een volledig akoestisch gehouden reprise van het titelnummer.

“Dark Americana” is de omschrijving die Aldridge naar verluidt zelf graag op haar materiaal plakken mag. En die benaming heeft ook best wel iets. Met name het scherpe randje, dat aan veel van haar teksten zit, rechtvaardigt wat ons betreft het adjectief “dark” volkomen.

Hannah Aldridge

 

CAHALEN MORRISON & COUNTRY HAMMER “The Flower Of Muscle Shoals” (Free Dirt Records / Music & Words)

(5*****)

Een beetje rootsmuziekliefhebber kent deze knaap natuurlijk al een poosje als één helft van het onvolprezen old-time duo Cahalen Morrison & Eli West. Met die West leverde Morrison de voorbije jaren achtereenvolgens de prachtalbums “The Holy Coming Of The Storm” (2010), “Our Lady Of The Tall Trees” (2012) en “I’ll Swing My Hammer With Both My Hands” (2014) af. Stuk voor stuk echte toppers in hun genre. En dat kan zeker ook weer gezegd worden van ‘s mans nieuwste.

“The Flower Of Muscle Shoals”, z’n zelfs met een meteen aansprekende titel gezegende debuut met z’n nieuwe groep Country Hammer, is één groot feest voor getrainde countryoren. Veel meer dan voorheen durft Morrison op dat nieuwe album bij tijd en wijle z’n old-time roots ten dele te verloochenen. Met Jim Miller (leadzang, harmony vocals, akoestische gitaar en Telecaster), Robert Adesso (harmony vocals en akoestische gitaar), Mary Maass (fiddle), Dave Harmonson (pedal steel) en Michael Thomas Connolly (elektrische en akoestische bassen en accordeon) waadt de beste man hier twaalf nummers lang doorheen een stroom aan country van het werkelijk allerbeste soort. Tekstueel verrassend sterk, muzikaal verbluffend goed! Enerzijds de invloed van literaire voorgangers als een Gabriél Garcia Marquez, een Tomas Tranströmer, een Waddie Mitchell en vooral ook een Cormac McCarthy nergens ontkennend, anderzijds muzikaal zó breed gaand, dat “The Flower Of Muscle Shoals” iets krijgt van een geslaagde spagaat tussen de grote Hank Williams zaliger en Dwight Yoakam in z’n beste momenten.

Gelijk van bij het door Country Dave op z’n pedal steel onderbouwde en door Morrison klaaglijk de avond in gecroonde “Nighttime Is Here On The Valley” weet je als luisteraar instinctief pertinent zeker dat er je mooie dingen te wachten staan. Moois als het zacht swingende titelnummer “The Flower Of Muscle Shoals”, het ons op de één of andere manier wel wat aan Porter Wagoner herinnerende “Cascabel Valley”, het als een volleerde two-stepper over een hardhouten honky-tonk dansvloer zwevende “Sorrow Lines The Highway Of Regret”, het op wel heel erg aansprekende wijze “gepickte” countrybluesje “The Delta Divine”, de ook al ronduit sublieme “tegeltrekker” “Over And Over And Over Again”, de zich in een diepe poel van berouw wentelende ballade “I’ve Won Every Battle, But I’ve Lost Every War”, het vrijwel van z’n eerste tot z’n laatste noot tussen Western swing en bluegrass twijfelende “Our Love Is Like A Hurricane” en het op vergelijkbare wijze het muzikale erfgoed van Doug Sahm aan een eerder onopvallende cajun feel helpende “San Luis”. En dan vergaten we hier bijna nog de tranen met tuiten richting je biertje huilende sleper “Through Your Window”, het ook al met een catchy cajun-motiefje stoeiende, zomerse Americana-deuntje “Hobbled And Grazing” en het afsluitende, quasi op z’n Dwight Yoakams wat rock & roll z’n country binnensmokkelende “A Daisy In Tennessee”.

Ergens hoog daarboven onderbreken Hank, Buck, Johnny, Porter en wat van hun vaste kaartmaats momenteel naar alle waarschijnlijkheid even hun wekelijkse potje. Goedkeurend leunen ze voorzichtig over hun wolk om een glimp van die knaap daar beneden op te kunnen vangen. Met een brede grijns om de mond weten ze zich alvast weer voor een poosje verzekerd van gepaste navolging…

Cahalen Morrison & Country Hammer, Music & Words

 

THE ROYS “The View” (Rural Rhythm)

(4****)

Toch wel één van dé bluegrass-succesverhalen van de voorbije jaren, dat van The Roys. En het ziet er ook niet meteen naar uit, dat broer en zus Lee en Elaine Roy zich in hun drang naar voren nog makkelijk zullen laten afstoppen. Met elke nieuwe plaat weer tonen ze zich wat zelfverzekerder. En dat leidde in het geval van hun vierde, het onlangs verschenen “The View”, tot het terugvallen op hun eigen touring band voor het inblikken ervan. In hun eigen studio moesten elf nieuwe liedjes eraan geloven. Onder alle elf prijkte mee de naam van Lee, onder een vijftal ook die van Elaine.

“The View” staat op de keper beschouwd voor louter ouderwets geschoold bluegrassvertier. Daarmee bedoelen we dat het album werd ingespeeld door een zich van respectievelijk een akoestische gitaar, een fiddle, een mandoline, een banjo, een dobro en een staande bas bedienend collectiefje, dat doorgaans braafjes naar de wetten van het genre luistert. Alles lijkt daarbij voortdurend te draaien rond de elkaar zeer mooi aanvullende stemmen van de beide Roys en hun ook al eerder traditioneel opgevatte teksten. Familie, God en vaderland vormen daarin zo’n beetje de hoekstenen.

Met als uitschieters wat ons betreft het uitermate lentefrisse liefdesliedje “No More Lonely”, de op subtiele wijze de ziekte van Alzheimer aankaartende ballade “Sometimes”, het vingervlug ja tegen het leven zeggende “Live The Life You Love”, titelnummer “The View”, het met mandoline-maestro Doyle Lawson in de buurt neergelegde eerbetoon aan de doopvader van het bluegrassgenre Bill Monroe “Mandolin Man” en “Northern Skies”, een met name van de fantastische wisselwerking tussen banjo en mandoline erin levende instrumental.

The Roys

 

TOM FREUND “Two Moons” (Surf Road Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Noteert u even mee in uw agenda? Van 15 tot en met 22 november aanstaande trekt de Amerikaanse songsmid Tom Freund doorheen de Lage Landen. En op donderdag 30 november doet hij daarbij ook het onvolprezen CC De Breughel in het Limburgse Bree voor een optreden aan. Iets om naar uit te kijken, gelooft u ons vrij!

In ons boek heeft Freund al lang niets meer te bewijzen. Ben Harpers maatje is gewoon een geweldige singer-songwriter, punt! Een meester-troubadour met een aangenaam melancholisch aandoende stem en een handje voor het pennen van echte wolken van liedjes. Beluister bij gelegenheid maar eens het drietal “Angel Eyes”, “Same Old Shit Different Day” en “Me And Bernice” van zijn nieuwe cd “Two Moons” en je zal ons allicht meteen bijtreden in die stelling. Het eerste is als het ware een antwoord op Randy Newmans hitje “I Love L.A.”. In dat overigens ook louter muzikaal gezien best wel wat aan Newman herinnerende liedje drukt Freund op bijzonder sfeervolle wijze zijn dankbaarheid aan het adres van zijn vrienden in de “City of Angels” uit. Het tweede is totaal andere koek. De titel doet je aanvankelijk even het allerergste verwachten, maar het blijkt achteraf al bij al nogal mee te vallen. Diep vanbinnen is Tom Freund nu eenmaal een onverbeterlijke positivo. “Too much craziness in my world,” stelt hij het ene moment vast om er het volgende zowat in één en dezelfde adem nog aan toe te voegen “I hope that craziness never goes away!” “Me And Bernice” tenslotte is eigenlijk al een wat ouder liedje, dat Freund speciaal voor de gelegenheid opnieuw opnam.

Voorts van die weer volop in melancholie en nostalgie badende nieuwe plaat zeer zeker ook nog het vermelden waard: de nummers “Next Time Around” en “Weekend Guy”, al was het alleen al maar omdat daarin respectievelijk Serena Ryder en Brett Dennen even hun opwachting komen maken. Zij zijn samen met de al even genoemde Ben Harper (in “Angel Eyes”), de je wellicht van zijn bijdragen aan Counting Crows bekende snarentovenaar David Immerglück en drummer Michael Jerome zowat de bekendste namen op de gastenlijst voor “Two Moons”.

Tom Freund, Lucky Dice Music

 

ROB MCHALE “Fields” (Wooden Door Records)

(3,5****)

Eens om de zoveel tijd komt er hier wel weer eens een nieuwe zingende songsmid voorbij, die ik als liefhebber van het Americana-genre pur sang zonder enige aarzeling stevig aan de borst kan drukken. Dat gebeurt bij nader inzicht zelfs meerdere keren per jaar. Het overkwam me bijvoorbeeld ook in 2010, toen ik zomaar “out of the blue” “Company Town”, het debuut van de vanuit North Carolina actieve Rob McHale, voorgeschoteld kreeg. Een erg mooie plaat was dat, waarin ik me echt ogenblikkelijk helemaal kon vinden.

En van die Rob McHale is er nu, goed en wel vier jaar later, eindelijk een nieuwe. En ook dat is weer een uitstekende plaat geworden. Tot de nok toe gevuld met liedjes met één oog op wat is en nog komen moet, het andere op wat al (een poosje) voorbij is. Het hier en nu, gezien door een niet zelden (maatschappij)kritische bril, hand in hand met verleden en toekomst. Met oog daarbij ook voor de eigen heimat en familie. En dat in een productie van Chris Rosser.

Bijzonder warmbloedige songs, gebracht met een al even warmbloedige stem. En precies dat is wat mij betreft McHale’s voornaamste troefkaart. Want hoe knap ook zijn liedjes en teksten, zonder die fraaie gebronsde stem van ‘m zou het toch allemaal niet hetzelfde geweest zijn.

Enkele luistertips: het duidelijk recht vanuit het hart komende “Back Home”, het ook al uitstekende, enige tellen lang richting Ierland lonkende “The Castlebar Races”, het gevoelige “Mother’s Love” en titelnummer “Fields”. Stuk voor stuk erg fraaie lappen (folky) Americana. ’t Is moeilijk om er niet van te houden…

Rob McHale, CD Baby

 

THE SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Burn & Shine” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Phil Bass (drums, percussie, backing en lead vocals), “Gentleman” Phil Hurley (gitaar, resonator, lap steel, backing en lead vocals), Josh Zee (tal van gitaren, backing en lead vocals) en Lonnie Trevino (diverse bassen, ukelele, percussie, glockenspiel, backing en lead vocals), je kan er na het bestuderen van de line-up amper om heen… The South Austin Moonlighters tellen inderdaad vier leadzangers in hun rangen. Hoogst opmerkelijk toch!

En dat blijkt bij nader inzicht ook hun muziek. Dit is “not your typical Lone Star State stuff”. Dit is gewoon Americana op z’n gevarieerdst. Voor inspiratie bij momenten behoorlijk nadrukkelijk terugharkend naar het verleden, puttend uit ruim dertig jaar aan rijkgevulde muziekgeschiedenis, te weten de sixties, de seventies en de eighties. Maar dan wel op hoogst eigenzinnige wijze. Dat wordt al vrij snel duidelijk…

Ik moet toegeven, dat het voor mij best wel even wennen was aan openingssalvo “IED” en “Land Mines”. Het ene een soort van “groovy” intro, het andere een streep (met elke nieuwe beluistering weer wat aan kracht bij winnende) power pop. En ook het daaropvolgende “Found My Way Back” vloerde mij niet direct. Hoe funky van opzet dan ook…

Maar nummer vier (“Old Engine”) bleek plots wél de perfecte tackle. Die uit quasi gelijke delen country, soul en (Southern) rock opgetrokken sleper had me meteen stevig bij m’n nekvel. En van dan af ging het plots snel. Wedden, dat na het ouderwets lekker rammelende, op “vettige achterbuurtengitaarwerk” geënte “Down To Hell”, het werkelijk als een sneltrein aan je voorbij knallende countryrockertje “King Of Friday Night”, het behoorlijk nadrukkelijk richting Motown – En meer bepaald de Four Tops dan! – lonkende “Can’t Live Without You”, het extreem catchy, elke hoek van de bar verkennende rockertje “One More Time”, het ritmegewijs de karakteristieke “chain gangs” van weleer imiterende bluesje “29 Miles”, het rootsfunkopstootje “Moonlight Ride”, de broeierige soulballade “Falling Out Of Love”, de reprise van een stukje “Moonlight Ride”, het al bij al behoorlijk sixties aandoende “Once I Saw A UFO”, het op voorbeeldige wijze blues en rock in zich verenigende “Burn & Shine” en “schuifelaar” “I’ll Be Around” ook jouw wijsvinger in geen tijd op de repeat-toets van je cd-speler zal belanden?

Markeer dus maar met een opvallend kleurtje: “De South Austin Moonlighters zijn geweldig!” Dat is ondertussen wat mij betreft namelijk verplichte leerstof…

The South Austin Moonlighters, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

NELSON WRIGHT “Orphans & Relics” (Nelson Wright)

(3,5****)

Begin 2013 lieten we ons hier al eens aardig lovend uit over de muziek van Nelson Wright. Naar aanleiding van ’s mans eerste cd “Still Burning” was dat. En al het goede wat we over die plaat al te vertellen hadden zouden we hier en nu eigenlijk zomaar kunnen herhalen met betrekking tot Wrights nieuwe worp “Orphans & Relics”. Ook daarop toont de beste man zich immers weer een meester in het naar aanstekelijke deunen vertalen van levendige verhalen. Negen stuks ditmaal.

En met die liedjes bestrijkt hij nogal wat muzikaal terrein. Openingsnummer “Miller’s Wheel” zou je zo met wat goede wil bijvoorbeeld kunnen bestempelen als Dylaneske Americana, het meteen daaropvolgende “Orphans Of The Past” als rootsy singer-songwriter rock en “Mama It Will Surely Do” als een akoestisch bluesje. “Who’s Fooling Who” stoeit vervolgens op aanstekelijke wijze met een speels jazzmotiefje, “Falling Out Of Something” doet iets vergelijkbaars met duidelijk aan rockabilly ontleende elementen en “Ten O’Clock Blues” is qua klankkleur z’n titel helemaal getrouw een sleper van het allerzuiverste soort. Door de aderen van “In Another Lifetime” vloeien aansluitend zowel wat jazz als folk, “Once I Was Loved By You” neigt naar croonen met een rootsy randje en het afsluitende “The Last Call Blues” is “just that”. Iets voor fans van knapen als een Tom Waits en een Dr. John, dat laatste liedje. En voor ons meteen ook de “primus inter pares”.

Wright blikte “Orphans & Relics” onder de productionele hoede van Michael Thomas Connolly op volledig analoge wijze in. Het resultaat van hun samenwerking is daardoor al bij al behoorlijk “vintage” gaan klinken. En precies dat was eigenlijk een beetje Wrights bedoeling, zo blijkt. Kwestie van de muziek die hem ooit zelf inspireerde gevoelsmatig zo dicht mogelijk te benaderen. Het ontlokte aan z’n maatje Connolly in een bevlogen moment alvast de veelzeggende omschrijving “dirty Americana”. Wij van onze kant houden het op “rootsy singer-songwriter stuff voor fijnproevers”.

Nelson Wright, CD Baby

 

SID GRIFFIN “The Trick Is To Breathe” (Prima Records)

(4****)

Was het echt alweer bijna tien jaar geleden, dat ex-Long Ryders-kopstuk Sid Griffin nog eens een soloplaat had afgeleverd? Niet te geloven eigenlijk! ’t Is aan dingen als deze, dat je merkt dat de tijd bepaald niet stilstaat. Je wordt ouder, papa…

Voor dat nieuwe album van ‘m, de opvolger van “As Certain As Sunrise” uit 2005, opteerde Griffin voor een totaal andere aanpak dan we de voorbije jaren van ‘m gewoon waren geraakt. Hij besloot nu eens geen beroep te doen op de muzikale kunstjes van z’n vaste maats, de Coal Porters, en trok voor de opnames van “The Trick Is To Breathe” richting de States. Naar Nashville meer bepaald, waar hij in het gezelschap van een groepje muzikanten, waarvan hij de meesten nooit eerder ontmoet had, elf eigen nieuwe liedjes en een cover van “Get Together” van de Youngbloods vereeuwigde. Samen met Thomm Jutz tekende hij zelf voor de productie. Muzikale hand-en-spandiensten verrichten Sierra Hull (mandoline), Justin Moses (banjo, fiddle en dobro), Mark Fain (staande bas), Paul Griffith (drums en percussie), diezelfde Jutz (akoestische gitaar), James T. Brown (backing vocals) en David Henry (strings).

Samen werkten zij een bij nader inzicht aardig varieerd geheel uit. Openingsnummer “Ode To Bobbie Gentry” herinnert zo bijvoorbeeld sfeergewijs met name door het gitaarwerk erin een weinig aan de vroege Dire Straits en aan JJ Cale. Vervolgens gaat het met “Blue Yodel No. 12 & 35” richting onvervalste old-time bluegrass. En met het ingetogen tweetal “Circle Bar” en “Between The General & The Grave” verdient Griffin zich wat ons betreft heel even een plaatsje naast groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Guy Clark. Dan is er het tegelijk een glimlach en een gevoel van vertedering oproepende “Elvis Presley Calls His Mother After The Ed Sullivan Show”. Een sterk staaltje “vintage Griffin”! En eigenlijk ideaal als overgang naar het met collega Greg Trooper geschreven “Everywhere”. Opnieuw een mooi staaltje van zachtjes aan je voorbijkabbelende singer-songwriter Americana. En dan is er die ene cover! En wat voor één! Wie had er achter “Get Together” van de Youngbloods een van de vitaliteit bijna uit z’n voegen barstende bluegrassdeun vermoed? Ik alvast niet!

Net voorbij halverwege belandden we daarmee. Wat ons dan nog rest zijn een wervelend instrumentaal intermezzo (“Front Porch Fandango”), een door acht van de bij de opnamen van “The Trick Is To Breathe” betrokkenen voorgedragen gedicht (“Punk Rock Club”), een streepje folk (“Who’s Got A Broken Heart”), een streepje ingetogen verhalende country (“We’ve Run Out Of Road”) en een streepje “grass” (het buitengewoon energieke “I’ll Forget You Very Well”).

Prima plaat!

Sid Griffin

 

WALTER SALAS-HUMARA “Curve And Shake” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ten huize Ctrl. Alt. Country eigenlijk altijd al een graaggeziene gast geweest, deze Walter Salas-Humara, en daarin zal ook met “Curve & Shake” weer geen verandering gaan komen. Met z’n eerste soloplaat sinds “Radar” uit 1995 meldt het Silos-kopstuk zich wat ons betreft zelfs behoorlijk indrukwekkend terug. Ruim tien nummers lang herinnert hij er ons op dat album weer aan, waarom we hem ooit net als zoveel anderen onvoorwaardelijke trouw zwoeren.

Gelijk van bij het openingsnummer, het aan ’s mans hese voordracht een zekere kwetsbaarheid ontlenende “Counting On You” zit het goed. Een bijzonder mooi liedje is dat! En ook het meteen daaropvolgende, samen met Jerry Joseph gepende en zich in een behoorlijk psychedelisch aandoend rockgewaad vertonende “The Craziest Feeling” scoorde direct hoog op onze “enthousiasmemeter”. Al bij onze eerste beluistering van “Curve And Shake” wisten we na die twee nummers al, dat “onze Walter” ons ook nu weer niet ontgoochelen zou. Een gevoel, dat zich al snel volledig bewaarheiden zou.

Onder meer het uitermate sfeervolle titelnummer, de naar onze normen echt wel extreem catchy folkpopdeun “Satellite”, de verbluffend knappe rockballade “What We Can Bring”, het al van I’m Not Jim, Salas-Humara’s project met schrijver Jonathan Lethem, bekende, maar hier wat meer richting een Silos-geluid gestuwde duo “Hoping For A Comeback” en “Uncomplicated” – Zie de cd “You’re All My People” uit 2008! – en de trage “I Love That Girl” waren daarvoor verantwoordelijk.

Al bij al een erg overtuigend album van een man waarvan we eigenlijk gewoon ook niks anders verwacht hadden. Met de medewerking van onder anderen de groep GrooveSession, Jerry Joseph & The Jackmormons, gitarist Jason Victor van Steve Wynns Miracle 3, top-percussionist Wally Ingram en vriendinnetje Amy Bagget. Produceren deed Salas-Humara “Curve And Shake” zelf.

Walter Salas-Humara, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

JESSE BREWSTER “March Of Tracks” (Crooked Prairie Records)

(3,5****)                         

“March Of Tracks”, een op het eerste gezicht misschien wat vreemd aandoende titel voor een plaat, maar bij nader inzicht toch ook weer niet zó raar. Een jaar lang werkte de jonge Amerikaan Jesse Brewster immers aan z’n derde. Twaalf maanden lang, aan het zichzelf opgelegde tempo van één track per maand. En die werd dan gelijk ook digitaal beschikbaar gesteld aan zijn fans. Een soort van defilé aan nieuwe liedjes dus. Een “march of tracks”!

En die twaalf liedjes, aangevuld met nog twee verdere nieuwe nummers, belandden onlangs dus ook effectief op een cd. Een album, waarop Brewster zich aandient als een met het oog op de toekomst zeker in het oog te houden talent. De man verstaat immers als geen ander de kunst om aan genres als country, folk, Southern rock en soul elementen voor extreem catchy, ogenblikkelijk toegankelijke te deunen te ontlenen. Nummers, waaraan je (in een wat rechtvaardigere wereld) als recensent voorwaar zomaar hitpotentie zou durven toe te dichten. En dat zowel aan tal van de op “March Of Tracks” in ruime mate aanwezige, al dan niet met country besprenkelde rockertjes, als aan de op dit soort van plaat haast verplicht ook van de partij zijnde ballads.

Van het heerlijk gruizig van leer trekkende “Make Or Break” tot het wat melancholischer rockende “Circles”, van de aan een onafwendbaar afscheid opgehangen trage “Left To Lose” tot de fraaie roots pop van “Rest Of My Life”, van het van tal van muzikale walletjes, waaronder Americana en gypsy jazz, tegelijk etende “World Closing In” tot het heerlijk funky uit de luidsprekers knallende “Can’t Keep A Good Man Down”, van de ongemeen sfeervolle instrumental “Far Cry From Home” tot de bij momenten op knap vierstemmig harmonieerwerk terende radiohit-in-wording “Innocent Sinners” en andere, “Jesse Brewster delivers”! En dat eigenlijk gewoon continu! Ik zou alvast geen nummer op “March Of Tracks” durven aan te duiden, dat ik echt slecht vind. Wel integendeel zelfs!

Als ik zou moeten kiezen tussen de nieuwe Ryan Adams en deze hier, dan zou mijn keuze zeer snel gemaakt zijn! In tegenstelling tot die plaat heeft Brewsters derde mij namelijk wél heel wat te bieden!

Jesse Brewster

 

JIM KEAVENY “Out Of Time” (Jim Keaveny)

(3,5****)

Nog niet eens zo heel erg lang geleden volstond het als het ware om een akoestische gitaar om te gorden en een wat rauwere keel open te zetten om prompt tot de zoveelste nieuwe Dylan te worden gebombardeerd. Niet dat iemand daar ook echt naar op zoek was, maar soit, dat speelde voor de handige zakenjongens die er zich zo fanatiek mee bezighielden natuurlijk geen enkele rol. Zij zochten zelfs met die wetenschap ergens in het achterhoofd gewoon driftig verder naar een volgend goudhaantje. En ze zouden zich wellicht de koning te rijk hebben gevoeld, mocht er in die dagen plots iemand als deze Jim Keaveny zijn komen aanwaaien.

Niet dat de in Bismarck, Dakota geboren en na heel wat omzwervingen uiteindelijk via Austin in Terlingua belande Keaveny niet z’n eigen merites zou hebben of zo, maar hij herinnert nu eenmaal in zo menig een opzicht wat aan “Ol’ Bawb”. Vooral door zijn stem en zijn manier van zingen dan. Datzelfde nasale geschuur, diezelfde wat lome voordracht. Maar dan wel in een door Dylan niet zo vaak aangedane context. Eentje van “Dust bowl Americana, sprinkled with a hint of 60s garage rock, Tex-Mex and a sense of humour,” aldus het begeleidende schrijven. Wat Dylan, wat Woody, wat Townes, zoiets.

Veertien knappe songs in totaal telt zijn vijfde soloplaat “Out Of Time”. En de titel daarvan blijkt ook geenszins misplaatst. Prachtdeuntjes als het de feestelijkheden openende Americana-tweetal “Eugene To Yuma” en “From The Black” lijken immers daadwerkelijk stevig geworteld te zitten in lang vervlogen songtradities. Zonder daardoor ook maar even gedateerd te gaan klinken lijkt Keaveny graag terug te grijpen naar “het muzikale land van ooit”. Met als z’n voornaamste bondgenoten die geweldige rasperige stem van ‘m, de eigen akoestische en een mondharmonica fladdert hij daarbij vaardig heen en weer tussen genres als Americana, folk, blues en andere.

Onze luistertips: het hoger al genoemde duo “Eugene To Yuma” en “From The Black”, de echt wel prachtige trage “I Found A Girl”, de uitermate aanstekelijke, door wijlen Doug Sahm ergens daarboven ongetwijfeld op een goedkeurend knikje onthaalde Tex-Mex-rockescapade “Parkin’ Meter” en het ronduit bezwerend werkende bluesje “Someone To Talk The Blues”.

Jim Keaveny

 

CINA SAMUELSON “Roots & Memories” (Cool Country Music)

(4****)

Met “Roots & Memories” is de Zweedse Cina Samuelson al aan haar vierde cd toe. Na drie eerdere albums gevuld met eigen nummers opteerde ze ditmaal voor een collectie songs van anderen. Deuntjes, waar ze onder invloed van een tante al als klein meisje leerde naar luisteren. Liedjes, die er haar later toe aanzetten om ook zelf country te gaan zingen.

Liedjes van onder anderen Dallas Frazier, Merle Haggard, George Jones, Buck Owens, Justin Tubb, Conway Twitty, Willie Nelson en Harlan Howard passeren zo de revue. Liedjes als “Ain’t Had No Living”, “Everybody’s Had The Blues”, “I’ll Give You My Heart”, “There’s More To Leaving Than Just Saying Goodbye”, “Honky Tonk Merry Go Round”, “Please Help Me I’m Falling”, “Mommy, Can I Still Call Him Daddy”, “Treat Me Mean Treat Me Cruel”, “What A Man My Man Is” en “You Took Him Off My Hands”. Met als opvallendste verschijningen: “Take Me”, gepend door wijlen George Jones en Leon Payne en hier gebracht in duet met publiekslieveling Dale Watson, “Love Is No Excuse”, ván Justin Tubb en hier mét Justin Trevino, en “Are You Sure”, ooit nog aan papier toevertrouwd door good old Willie Nelson en hier mee bevleugeld door Bobby Flores.

Opgenomen zoals dat vroeger ook steevast gebeurde, met z’n allen lekker samen in de studio, “live off the floor”. En dus klinkt “Roots & Memories” ook gewoon als een klassieke countryplaat. Met een geweldige zangeres als het stralende middelpunt van de belangstelling. Want dat is ze dus wel degelijk, he, deze Samuelson. Er vloeit een beetje Patsy Cline door haar aderen!

“I truly hope that these songs will catch your heart as they once caught mine!” Met die woorden hengelde Samuelson vooraf eerder bescheiden naar onze aandacht. Maar die bescheidenheid mag ze achteraf bekeken rustig opbergen, hoor! Dit is immers een prachtig staaltje van pure “old school country”.

Cina Samuelson

 

ERNEST TROOST “O Love” (Travelin’ Shoes Records)

(3,5****)

Bijzonder fijn schijfje weer, hoor, deze nieuwe van de Amerikaanse volbloed-songsmid Ernest Troost. Op de opvolger van het ook al erg toffe “Ernest Troost Live At McCabe’s” uit 2011 experimenteren de beste man en z’n gelegenheidsbegeleiders er bij momenten op los met elektrische gitaren en drums en dergelijke, wat behoorlijk nadrukkelijk resulteert in een veel voller geluid dan voorheen. En dat nieuwe pak zit Troost echt als gegoten!

Voor de productie liet hij zich ditmaal bijstaan door Dennis Reed en Louise Hatem. En in de studio mochten nogal wat in en om L.A. bekende muzikanten een handje toesteken. We noemen hier in dat verband graag even de namen van nachtegaaltje Nicole Gordon, bassisten Dave Stone en Mark “Pocket” Goldberg, drummers Ralph Humphrey en Steve Mugalian, percussioniste Debra Dobkin en fiddler Charlie Bisharat, muzikanten waarvan u vast al wel eens hoorde spreken in verband met acts als Richard Thompson, Bonnie Raitt, Dave Alvin, Chuck Prophet, Leon Redbone, Frank Zappa, Brian Wilson, Canned Heat en andere. Best wel schoon volk dus!

Dertien liedjes brengt Troost ditmaal in totaal. En die bestrijken puur stilistisch gezien nogal wat terrein. Nerveus boogiënd knallen we er al gelijk flink tegenaan met “Old Screen Door”. Daarna zijn er achtereenvolgens het vakkundig “gepickte” bluesje “Pray Real Hard”, het rootsy rockende titelnummer en het verstilde “Close”, een mooie, ons inziens volop onder de noemers folk en Americana vallende ballade. Met het bedaarde “Harlan County Boys” belanden we vervolgens even in bluegrassterritorium, om gelijk daarop met het intimistische “The Last To Leave” voorwaar even aan het walsen te slaan, in “Weary Traveler” een cursus “Hoe andere genres kruisbestuiven met rock & roll?” te krijgen en met “I’ll Be Home Soon” en “Storm Comin’” terug een eindje richting respectievelijk klassiek country singer-songwriterspul en akoestische blues op te schuiven. En uitgeluid worden we met een al even divers viertal. Met voorop de lieflijke folkdeun “Bitter Wind” en het opnieuw akoestisch bluesgetinte “When It’s Gone” en meteen in het kielzog daarvan de heerlijk warmbloedige, bij nader inzicht best wel wat Youngiaans aandoende Americana van “All I Ever Wanted” – Ontegensprekelijk het allermooiste nummer op “O Love”! – en het z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “The Last Lullaby”.

Onze coach zou zeggen: “Van afval in het spel überhaupt geen sprake!”

Ernest Troost, CD Baby

 

JAMES KEELAGHAN “History, The First 25 Years” (Borealis Records)

(5*****)

Waarom deze songsmid vooralsnog niet uitgroeide tot een echte wereldster is voor mij één groot raadsel. Veel beter dan de Canadees James Keelaghan worden ze immers niet gemaakt. Album na album opnieuw bewijst de beste man, waarom hij door velen van hen die hem wel kennen als de allerbeste liedjesschrijver van zijn land wordt beschouwd. En dat wil in de thuishaven van coryfeeën als een Leonard Cohen, een Gordon Lightfoot en een Neil Young toch al wat zeggen, niet?

Enfin, van die James Keelaghan is er nu, ruim vijfentwintig jaar ver in zijn carrière, de retrospectieve “History, The First 25 Years”. En die mag wat mij betreft gerust als voorbeeld voor nog te volgen vergelijkbare items worden gebruikt. “History” is gewoon prachtig van vormgeving en zo mogelijk nog mooier van inhoud! Het geheel ziet er op het eerste gezicht uit als een boek en bevat naast een achttien songs tellende en de loopbaan van onze man op treffende wijze illustrerende cd ook nog een dvd met een de verhalen achter z’n liedjes vertellende Keelaghan en een zeer verhelderend, 28 pagina’s dik en zijn hele levensgeschiedenis ook effectief samenvattend booklet. What more can you want?

Wat de muziek betreft worden we vergast op net geen tachtig minuten pure schoonheid. Folk- en rootsmuziek van één van haar allerbeste praktikanten überhaupt. Liedjes met een verleden op albums als “My Skies”, “A Recent Future”, “House Of Cards”, “Compadres”, “Timelines”, “Then Again”, “Small Rebellions”, “Road” en “Buddy Where You Been”. Voor het merendeel door Keelaghan zelf gepende prachtdeuntjes als “Abraham”, “Glory Bound”, “Lazarus”, “Sweetgrass Moon”, “Boom Gone To Bust”, “Fire Of Calais”, “Somewhere Ahead”, “Red River Rising”, “Rebecca’s Lament”, “Kiri’s Piano”, “Cold Missouri Waters”, “My Skies” en andere. “Medusa” schreef hij samen met Karine Polwart, “Mi Vida” samen met Oscar Lopez. Enkel het immer groene “Spanish Is The Loving Tongue” is een echte vreemde eend in de bijt.

Kan als kennismaking met één van de beste songwriters van de voorbije drie decennia überhaupt tellen. En als u mij niet op mijn woord zou willen geloven, dan is dit wat ’s mans gerespecteerde collega David Francey over hem liet optekenen: “James Keelaghan is a voice in contemporary Canadian songwriting that has helped us define who we are as a people. He writes with great humanity and honesty, with an eye to the past and a vision of the future. He has chronicled his times with powerful and abiding songs, with heart and eyes open.” Bijzonder mooie woorden en geloof me vrij, ze kloppen echt als een bus!

James Keelaghan, Borealis Records

 

SPIKE FLYNN “Rough Landing” (Spike Flynn)

(4****)

Mijn bespreking van Spike Flynns eerste cd “It’s Alright” in september van 2010 was bij nader inzicht al een liefdesbetuiging van het allerzuiverste soort. Met zijn teksten, “hem door eigen ervaringen ingegeven lappen poëzie, waaruit een grote bereidheid blijkt om het leven te accepteren zoals het is”, wist hij me toen al tot diep in m’n binnenste te beroeren. En dat is met het op “Rough Landing”, zijn “moeilijke tweede”, gebodene absoluut niet anders. Integendeel zelfs! De dertien liedjes daarop zijn in veel gevallen gewoon nog mooier dan die op die al zo gesmaakte voorganger. Aan te bevelen met name aan liefhebbers van het materiaal van klassieke singer-songwriters als Guy Clark, Townes Van Zandt en John Prine.

Laat je net als mij verleiden door veritabele songschoonheden als een “Fate And Freedom”, een “All You Lonesome Hobos” of een “Frozen Words (Neon Lit Cafe No. 2)”. In de eerste van dat drietal treffen we Flynn op zoek naar vrijheid en vrede in een enigszins zonderling café aan. Hij ontmoet er onder meer Fate, Death en Despair. Maar hun fatalisme haalt het uiteindelijk niet van de visie van Love. Op bezwerende wijze schrijft zij het positieve slot aan een tot dan toe eerder grimmig verhaal. Met de liefde als de sleutel voor een verder volledig zelf uit te stippelen levensweg. Echt een dot van een story song, dat liedje!

En ook in nummer twee van ons lijstje slaat Flynn volop aan het filosoferen. Tegen een mooie singer-songwriter country-achtergrond steekt hij daarin een hart onder de riem van alle zich in eenzaamheid en eindeloze twijfel wentelende zwervers. En dan is er nog nummer drie! En da’s op de keper beschouwd zo’n beetje mijn persoonlijke favoriet op “Rough Landing”. Flynn schreef het nummer vanuit het behoorlijk wanhopige standpunt van een door haar man met een kind achtergelaten vrouw. Zó en niet anders hoort naar mijn bescheiden mening een gebroken hart dus te klinken!

Heel wat vrolijker gaat het er dan weer aan toe in “Re-incarnation Train Whistle Blues”. Quasi terloops zijn titel alle eer aandoend verpakt dat nummer een vurige liefdesboodschap in pure kolder. Flynn, zelf duidelijk een non-believer als het gaat over reïncarneren, gunt een Boeddhistische waarheden verkondigende gesprekspartner met de tong aardig diep in de wang geplant heel even “het voordeel van de twijfel”. Hij richt zich tot z’n geliefde en spreekt de gevleugelde woorden: “Yes if it’s true and I feel that it may be, that’s cause for celebration. ‘Cause I’m coming back as a big steel train and you’re goin’ to be my railway station!” Een heel erg brede glimlach is dan op z’n plaats, niet?

Opnieuw vier sterren dus maar voor deze buitengewoon sympathieke zingende songsmid uit New South Wales, Australië!

Spike Flynn

 

CRIS CUDDY “The Best Kept Secret” (Cris Cuddy Music)

(3,5****)

Cris Cuddy is wat je noemt een “artist’s artist”. Terwijl zijn eigen carrière de voorbije jaren niet echt helemaal van de grond leek te willen komen, werden heel wat van zijn liedjes ondertussen wel door tal van andere artiesten met het nodige succes opgenomen. Van het in eigen land erg populaire Prairie Oyster (“Long & Lonesome Old Freight Train”) tot de Spinney Brothers (“Sally’s Waltz”), Jim Hurst (“Long & Lonesome”) en zelfs Mickey Newbury (“What If Frankie Doesn’t Like It”), stuk voor stuk deden ze maar wat graag een beroep op de songs van Cuddy. En het selecte clubje daarvan op ’s mans onlangs verschenen tiende “The Best Kept Secret” maakt al snel duidelijk waarom. Cuddy’s songs zijn inderdaad echte snoepjes van liedjes.

Van de mooie zomerse ballade “The Honey Tree” tot “Amy”, een jazzy eerbetoon aan de veel te vroeg overleden Amy Winehouse, het op bedaarde wijze het laatste stuk van z’n titel alle eer aandoende “The IBMA Blues”, het ingetogen, met z’n maat Jim Hurst gebrachte “Passing Through” of het speelse, aan een ingehouden rockabilly-motiefje opgehangen titelnummer, van het reflectieve dronkemanslied “Whisky Train” tot het door Emory Lester fiddlegewijs met wat klassieke countryflair opgewaardeerde “(Got A) Brand New Heartache”, de prachtige, bijna Springsteen-eske Americana-trage “Drive-Thru Daiquiri Bar”, de songgeworden reeks levenslessen “Ask The Flask”, de met een vleugje Mexicaanse romantiek overgoten love song “She Reminded Me Of You” en nog een handvol anderen, het zal je als liefhebber van het betere (Americana-)liedje echt heel erg moeilijk vallen om hier niet ogenblikkelijk ongeremd van gaan te houden.

Dit mooie album links laten liggen betekent ons inziens niet enkel Cris Cuddy maar vooral ook jezelf flink tekort doen!

Cris Cuddy, CD Baby

 

HARDIN BURNS “Down The Deep Well” (Ithaca Records)

(3,5****)

Het duo Hardin Burns debuteerde al in 2012 met het album “Lounge”. Nu, goed en wel twee jaar later, is er hun tweede worp “Down The Deep Well”. En net als z’n voorganger is ook dat weer een knappe Americana-plaat geworden. Geproduceerd door Andrew Hardin zelf samen met Gabriel “Gabe” Rhodes en gevuld met bijna louter eigen songs van het tweetal. Enkel een zeer mooie lezing van Richard Thompsons “Walkin’ On A Wire” vormt wat dat betreft een uitzondering.

Maar voorts dus een heerlijke “roots gumbo” met uitsluitend nog eigen ingrediënten. Met daarbij uiteraard veel ruimte voor de respectievelijke “fortes” van beide protagonisten. In het geval van Jeannie Burns – je nog bekend van haar rol binnen The Burns Sisters – is dat haar buitengewoon lenige, soulvolle stem, in het geval van Andrew Hardin – die velen allicht vooral zullen associëren met z’n verleden langs songsmid Tom Russell – uiteraard zijn expressieve gitaarspel. De nodige studio-ondersteuning vonden de twee bij Dony Wynn (drums en percussie), David Carroll (staande bas), Gabe Rhodes (keyboards, accordeon en een enkele keer gitaar) en Terry Burns (harmony vocals).

Geopend worden de feestelijkheden met het titelnummer. En dat strandt mede onder impuls van een aardig hypnotische groove ergens tussen country, folk en blues. Vervolgens is er meteen al het misschien wel allermooiste nummer van de plaat, “Back Porch”. Burns zingt daarin echt de sterren van de hemel naar beneden, Hardin bedrijft als het ware de liefde met z’n akoestische en Wynn zorgt voor wat vederlichte percussie. Het resultaat is zo’n typische laid-back beauty van een song zoals die inderdaad alleen ergens op een “back porch” in het diepe Zuiden van de States lijken te (kunnen) worden gemaakt. Bij “Blooming” dachten we hier vervolgens dan weer meteen aan acts als Bobbie Gentry en Tony Joe White. Nummers van elk van beiden zouden naar ons gevoel alvast perfect voor en achter dat liedje passen. Iets wat in het geval van de atmosferische Americana-sleper “Gentle Rain” overigens met evenveel waarheidsgehalte voor nogal wat van het materiaal van Lucinda Williams zou kunnen gelden.

Het enigszins aparte “The Call” komt vervolgens in al z’n lijzigheid voorzichtig even in de buurt van het universum van wijlen J.J. Cale, in het daaropvolgende “Ache” lijkt het wel of Chrissie Hynde van de Pretenders een eenmalig uitstapje richting bluesy wateren ondernomen heeft en “Get Back Home” is gewoon lekkere, quasi onopvallend aan je voorbij schuifelende singer-songwriter country. In “Run” slaan Jeannie en zus Terry dan samen met Andrew tegen een opvallend twangy gekleurde achtergrond aan het harmoniëren, alvorens met het al genoemde “Walkin’ On A Wire” de enige coverhalte wordt aangedaan en met het afsluitende “Wave Of Your Hand” de tenten weer dicht in de buurt van J.J. Cale worden opgeslagen. Met name Hardins gitaarspel noopt herhaaldelijk tot die laatste vergelijking. Maar dat mag u wat ons betreft eerder als een compliment dan als een minpunt beschouwen!

Hardin Burns

 

BOB CHEEVERS “On Earth As It Is In Texas” (Private Angel Records)

(4****)

“On Earth As It Is In Texas”, of hoe een op een onbewaakt moment op een Britse gitaarkoffer verzeild geraakte Amerikaanse bumper sticker aanleiding kan geven tot een liedje. Het overkwam Bob Cheevers toen hij in 2012 doorheen Europa trok. Meer nog, één liedje werden er snel vijftien. En een volledig nieuw album was op die manier meteen ook geboren.

Een conceptalbum eigenlijk. Voor elk van de vijftien liedjes erop nodigde Cheevers immers een andere muzikale vriend uit. Het “centerpiece”, het al genoemde “On Earth As It Is In Texas”, blikte hij zo bijvoorbeeld samen met Bradley Kopp in. Verder eveneens van de partij: Walt Wilkins voor “The Sound Of A Door”, Van Wilks voor het aardig bluesy aandoende “One More Nail”, Stephen Doster voor het prachtige “My Guitar, The Man In The Moon And My Heart”, Slim Bawb en z’n pedal steel voor het gevoelige “My First Rodeo”, Will Sexton en z’n akoestische voor het beklijvende “Made In Mississippi”, Chis Gage voor het z’n eigen dagdagelijkse (nasale) lotgevallen mooi samenvattende “You Sound Just Like Willie”, Dustin Welch en z’n banjo voor het enigszins beklemmend werkende “Snake Oil Man”, Andre Moran voor “Falling Hard On Easy Street”, multi-instrumentalist Chip Dolan en z’n accordeon voor het op die manier met een bescheiden prise Tex-Mex-gevoel gekruide “Creaky Old Bones”, Warren Hood en z’n immer vibrante fiddle voor “Hey Hey Billy”, Jeff Tveraas en z’n akoestische voor de machtige ballade “West Texas Sundown”, Greg Whitfield eveneens op de akoestische voor het lang niet enkel titelgewijs Willie-esk werkende “Blue Eyes Always On My Mind”, de onvolprezen Marvin Dykhuis ook al op de akoestische voor “I Don’t Need A Thing” en Charlie White op de elektrische voor het afsluitende “Paradise Lost”.

Weer vijftien verhalen van het soort waarvan Cheevers zelf zo graag mag zeggen “I don’t know if these stories are true, but they happened to me”. En wie zijn wij dan, om zelfs maar te proberen om daar iets tegen in te brengen? Het enige wat ons dan nog rest, is je hier nog snel even mee te geven, dat “On Earth As It Is In Texas” andermaal een prima Bob Cheevers-plaat geworden is. Z’n tiende commercieel verkrijgbare ondertussen al. Doe er vooral je voordeel mee!

Bob Cheevers

 

KELLEY MICKWEE “You Used To Live Here” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Tussen 2005 en 2012 verschenen van Kelley Mickwee al een handvol platen. ’t Is te zeggen, platen waarbij ze redelijk prominent betrokken was toch. Met Jed Zimmerman leverde ze als het duo Jed And Kelley in 2005 “Lose To Win” en in 2007 “Songs To Take Home” af. Twee leuke albums, die het tweetal onder meer vergelijkingen met andere Americana-paren als Gram & Emmylou en Buddy & Julie opleverden. Met de all-girl Americana act The Trishas deed ze daar vervolgens tussen 2010 en 2012 nog eens twee eenheden bij. Met name hun debuut-EP “They Call Us The Trishas” en het knappe “High, Wide And Handsome”.

Een nobele onbekende kunnen we Mickwee dus niet echt meer noemen. Maar toch… Ik moet eerlijk bekennen, dat het toch even geduurd heeft voor er hier een belletje ging rinkelen, toen ik onlangs voor het eerst met haar solodebuut “You Used To Live Here” geconfronteerd werd. Ik kende dat gezicht wel, maar vanwaar ook al weer… Op zo’n momenten is er dan gelukkig het internet! In no time ben je weer bij en kan je met de muziek aan de slag!

En die is ronduit F-E-N-O-M-E-N-A-A-L! Hierbij verwordt alles wat Mickwee tot op heden gedaan had tot louter een voorspel. Dit is een muzikale “grand cru”, een hemels half uurtje, zeven nummers lang vingers en duimen aflikken. Vijf eigen nummers en covers van John Fullbrights “Blameless” en Eliza Gilkysons “Dark Side Of Town” serveert Mickwee ons. Een zevental, waarvoor ze met voorbedachten rade haar huidige thuishaven Austin heel even weer ruilde voor haar vroegere, te weten Memphis. Daar liet ze zich bijstaan door een select groepje lokale muzikanten bestaande uit haar wederhelft Tim Regan (Wurlitzer, piano, B3, elektrische gitaar), Eric Lewis (pedal steel), Paul Taylor (drums) en Mark Edgar Stuart (bas). En dan waren er ook nog wat opgemerkte gasten. Met name Kevin Welch, met wie ze de country soul beauty “River Girl” pende, Owen Temple, met wie ze de ballade “Beautiful Accidents” uitwerkte, en Brandy Zdan, u wellicht ook bekend van het lichtjes fantastische Twilight Hotel.

De grote Aretha Franklin zo dicht mogelijk benaderen, dat was Mickwee’s uitgangspunt. Aan ons nu om uit te maken, of haar dat ook daadwerkelijk gelukt is. En ik ben eerlijk gezegd geneigd om hier te verdedigen, dat ze op z’n minst sfeergewijs bij momenten al aardig dicht in de buurt komt. Om nu te zeggen, dat ze al een Aretha zou zijn… Dat nu ook weer niet, maar Mickwee kan wel terugvallen op een ongelooflijk soulvolle stem, op fantastische begeleiders en op geweldig songmateriaal. En dat maakt van dit solodebuut een echte heerlijkheid van een plaat.

Openingsnummer “River Girl” is meteen een echte moordsong. Meer Memphis soul dan Americana, een wolk van een trage, te situeren ergens in de buurt van het allerbeste van Bonnie Raitt. Met subliem gitaarwerk van co-auteur Kevin Welch en een al even machtige toetsenbijdrage van Tim Regan. Vervolgens is er het met Phoebe Hunt gepende “Take Me Home”. Dat blijkt een ingetogen countryballade, die mede dankzij de zachtjes jammerende pedal steel van Eric Lewis bij momenten aardig richting het oeuvre van de Cowboy Junkies overhelt. “Beautiful Accidents” dan maar. Geschreven met collega Owen Temple en ook in duet met deze laatste gebracht. Opnieuw een heel erg mooie Americana-trage. Titelnummer “You Used To Live Here”, geboren uit een korte “werkflirt” met Jimmy “Daddy” Davis van Walt Wilkins’ Mystiqueros, koppelt aansluitend daarop hemelse Memphis soul aan een swampy groove. En ook John Fullbrights “Blameless” had zich amper een betere vertolking dan die van Mickwee hier kunnen wensen. Blijven dan nog achter: het met Jonny Burke uitgewerkte en zich onderkoeld twangend volop in lust wentelende “Hotel Jackson” en een eveneens briljante cover van Eliza Gilkysons “Dark Side Of Town”, met Brandy Zdan zowel vocaal als op de lap steel behoorlijk nadrukkelijk aanwezig.

Bull’s eye, Ms. Mickwee! U heeft ons hiermee echt recht in het hart getroffen!

Kelley Mickwee, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PAUL COLLINS “Feel The Noise” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

Deze man was ooit één van mijn jeugdhelden. Aan het eind van de jaren zeventig viel ik immers als een blok voor “Different Kind Of Girl” en “Rock N Roll Girl”, twee nummers van het debuut van zijn groep The Beat, later noodgedwongen herdoopt tot Paul Collins’ Beat omwille van mogelijke naamverwarring met het in dezelfde periode actieve Britse skagroepje, dat toen hitgewijs net volop aan de bak was dankzij nummers als “Best Friend”, “Hands Off She’s Mine” en “Mirror In The Bathroom”.

Maar onze Paul Collins, die had dus niets met ska, die stond voor rock & roll pur sang van het type powerpop, een muziekgenre dat net op hetzelfde moment ook “boomde”. Men denke bijvoorbeeld maar even weemoedig terug aan lekkere dingen als “My Sharona” van The Knack, “My Best Friend’s Girl” van The Cars, “Back Of My Hand” van The Jags, “I Want You To Want Me” van Cheap Trick, “Hard To Get” van The Rubinoos, “What I Like About You” van The Romantics en andere. Dat waren nog eens tijden!

En precies naar die tijden neemt Collins ons op zijn nieuwe plaat mee terug. Alsof zijn klok ruim dertig jaar heeft stilgestaan! “Feel The Noise” maant hij ons gelijk in het openingsnummer aan, het inleidende salvo tot ruim vierendertig minuten ouderwets lekker, niet bepaald zuinig naar de betere pop- en rockmuziek van de (late) sixties terugharkend muzikaal vertier, opgenomen in klassieke driemansbezetting. Een elektrische gitaar, een bas en drums, meer is er doorgaans niet nodig om ’s mans op rete-aanstekelijke melodieën geënte liedjes te laten slagen.

Bij catchy songs als de echt volop van sprankelend gitaarwerk van producer Jim Diamond profiterende oorwurm “Only Girl”, het springerige “Baby I Want You”, het bij nader inzicht zo’n beetje als geloofsbelijdenis fungerende “I Need My Rock N’ Roll”, het met enkele lekker luid mee te brallen regels gezegende “Don’t Know How To Treat A Lady” en de mooie, helemaal niets met de gelijknamige Troggs-hit uit ’66 te maken hebbende trage “With A Girl Like You” en andere waanden wij ons zo weer volle drie decennia jonger. Met het door het trio Holland-Dozier-Holland gepende “Reach Out I’ll Be There” prijkt er overigens wel één cover op “Feel The Noise”. Die Motown classic krijgt hier een muzikale makeover mee, die mij voorwaar heel even aan Joe Strummer en z’n Clash in hun hoogdagen deed terugdenken.

Na zoveel fraais is er eigenlijk maar één enkele conclusie mogelijk! Om het met de woorden van Collins zelf te zeggen: “Keep on rocking!” Gaan we zeker doen, Paul…

Paul Collins, Alive Naturalsound, Sonic Rendezvous

 

TOM GILLAM “Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” is na “Play Loud, Dig Deep” van een jaar of vijf geleden al Tom Gillams tweede live-cd. En net als de titel van die plaat verraadt ook die van ’s mans nieuwe eigenlijk gewoon weer alles wat er ons te wachten staat. Was “Play Loud, Dig Deep” inderdaad nog aan de luide (rockende) kant, dan werd tijdens de opnames van “Last Night On Earth” alles akoestisch gehouden, wat ook effectief resulteerde in een erg relaxed geheel.

Het naar de titel van één van de liedjes op z’n voorganger “Good For You” uit 2012 vernoemde nieuwe album van Gillam ontstond eigenlijk als bij toeval. Het was z’n US Rails-collega Matt Muir die de tegenwoordigheid van geest had om het eenmalige, in december 2013 in het Barrington Coffee House in ’s mans thuishaven New Jersey afgewerkte akoestische optreden te vereeuwigen. Muir, die trouwens net als Ben Arnold hier en daar ook wat muzikale hand- en spandiensten mocht verlenen. Allebei zongen ze occasioneel een mondje mee, Muir verzorgde wat percussie en Arnold kroop zo nu en dan achter de piano.

Doorgaans horen we echter enkel Gillam op z’n akoestische gitaar of diezelfde piano. In, gezien het tijdstip van opnemen niet meer dan logisch ook, nogal wat materiaal van “Good For You”. We mogen hier in dat verband zowel titelnummer “Last Night On Earth” als “Goodbye Goodtime”, “Right Here, Right Now” en “A Train, The Rain & Other Things” vernoemen. Voorts uiteraard ook van de partij enkele klassiekers op het repertoire van Gillam zoals een “Outside The Lines”, een “Rainbow Girl” en een “Where Is Bobby Gentry”. En gelukkig ook de prachtige Terri Hendrix-cover “Hand Me Down Blues”, misschien wel het allermooiste moment überhaupt hier.

Tom Gillam, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MICKY & THE MOTORCARS “Hearts From Above” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Drie lange jaren hebben ze ons laten wachten op een nieuwe cd, de broertjes Braun, en da’s op de keper beschouwd veel te lang voor een succesvolle act als Micky & The Motorcars. Maar goed, ze hadden er dan ook hun redenen voor. Er was vooreerst natuurlijk de compleet onverwachte dood van bassist Mark McCoy, die bij een ongeval om het leven kwam. En er was, mede als een gevolg daarvan, de dringende nood aan geheel en al nieuw personeel.

De Motorcars anno 2014 zijn dan ook niet langer deze van ten tijde van “Raise My Glass” en de voorgangers daarvan. Als nieuwelingen in de groep mogen we begroeten gitarist Dustin Shaefer, bassist Joe Fladger en drummer Paugh. En zij zorgen in een coproductie met Reckless Kelly-baas Willy Braun en “schone gasten” als diezelfde Braun en andere broer Cody, Jon Dee Graham, Bukka Allen, Marty Muse en Brian Standefer voor een album dat in z’n geheel een pak zonniger overkomt dan “Raise My Glass”. Doorgaans een aardig eindje wegrockend ook!

Frontman Micky Braun schoof bij het schrijven van zijn deel van het materiaal voor de plaat naar goede gewoonte aan tafel bij tal van getalenteerde collega’s. Met Ted Russell Kamp en z’n broer Willy schreef hij zo bijvoorbeeld het zomers-speelse “My Girl Now”, met Brian Keane tekende hij voor de knappe Red Dirt-rocker pur sang “Fall Apart”, voor het echt rete-aanstekelijke “Southbound Street” en het afsluitende “Tonight We Ride”, met Jason Eady voor het al even pakkende, op een enigszins bluesy aandoende vibe terende “Hurt Again” en met Dustin Welch en opnieuw Willy Braun voor de met een vleugje weemoed besprenkelde Americana-oorwurm “Destined To Fall”. Überhaupt opvallend aanwezig “this time around”, die Willy Braun. Zijn naam prijkt (mee) onder maar liefst zes van de twaalf gebrachte nummers.

Eén cover ook op “Hearts From Above” en dat is het je misschien al wel van Alejandro Escovedo’s “Real Animal” bekende en door diezelfde Escovedo samen met Chuck Prophet gepende “Sister Lost Soul”. Dat liedje wordt hier onder meer door een bepaald niet onaanzienlijke fiddle-bijdrage van Cody Braun in een eigentijds honky-tonk-keurslijf met bescheiden Spector-trekjes gewrongen. Héél knap!

Zoals bij nader inzicht heel “Hearts From Above” eigenlijk. Wij zouden in verband met deze nieuwe zelfs voorzichtig durven te gewagen van de allerbeste Micky & The Motorcars tot op heden!

Micky & The Motorcars, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

LOS LONELY BOYS “Revelation” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Prachtige nieuwe plaat alweer van een groep die me door de jaren heen eigenlijk nog nooit echt ontgoocheld heeft. Maar ditmaal zijn het dan ook niet de minsten, die de opnames in goede banen hebben geleid. De onder meer om zijn werk met John Mellencamp, R.E.M. en de Blasters geprezen Don Gehman en Emmy-winnaar Matthew Gerrard tekenden voor de job van producer. Gehman nam acht van de gebrachte nummers voor zijn rekening, Gerrard de resterende vier.

Afgetrapt wordt er met het met name accordeongewijs zeer nadrukkelijk naar de Mexicaanse roots van Garza-broertjes terugharkende “Blame It On Love”. Een hitgevoelige deun zoals je die ooit eigenlijk eerder van Los Lobos verwacht zou hebben. Vervolgens gaat het via de beklijvende latino funk van “Give A Little More” richting de catchy zomerse rootspopdeun “It’s Just My Heart Talkin’”, het voorwaar even voorzichtig richting de sixties lonkende “There’s Always Tomorrow”, het soulvolle en inderdaad erg sensuele “So Sensual” en het nu al tot een toekomst als “signature song” van de band gedoemde “Familia”. “Don’t Walk Away” belandt op zijn beurt dan weer ergens heel dicht in de buurt van groot groepsvoorbeeld Carlos Santana, “Can’t Slow Down” blijkt een killer rock song, “Dream Away” een ingehouden, me intro-gewijs even aan Ritchie Valens’ “La Bamba” herinnerende streep adembenemende etno-roots pop en “The Greatest Ever” een wolk van een ballade. Resten dan nog: de venijnige, meer dan zomaar een klein beetje richting hard rock neigende bluesrockescapade “Rule The World” en “Everything About You”, een verdere, het immer prachtige harmonieerwerk van de broertjes Garza etalerende trage.

Benieuwd, of die Garza’s hiermee eindelijk ook in onze contreien wat meer voet aan de grond gaan krijgen.

Los Lonely Boys, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DR. JOHN “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” (Concord Records / Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

De ene muzieklegende uit New Orleans met een eerbetoon aan de andere. En wie beter om de legendarische Louis “Satchmo” Armstrong te eren dan Dr. John? Inderdaad ja… Net als wijlen “Satch” indertijd zelf belichaamt ook Mac Rebennack immers zo ongeveer alles wat er anno nu leeft op rootsmuziekvlak in de “Crescent City”. Blues, jazz, R&B, funk, rock & roll, je zegt het maar! In zijn eigen onnavolgbare stijl tackelt de “Dokter” echt alles wat hem op z’n weg voor de voeten komt. Ook hier weer!

En aangezien Armstrong wordt gezien als één van dé meest invloedrijke trompettisten aller tijden is het eigenlijk niet meer dan vanzelfsprekend, dat Dr. John er daarvan een heel bataljon uitnodigde om hem tijdens de opnames van “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” bij te staan. Met name Nicholas Payton (“What A Wonderful World” en “Gut Bucket Blues”), Terence Blanchard (“Mack The Knife” en “Wrap Your Troubles In Dreams”), Arturo Sandoval (“Tight Like This” en “Memories Of You”), Wendell Brunious (“That’s My Home”), James “12” Andrews (“Dippermouth Blues”) en NOLA-legende The Dirty Dozen Brass Band (“When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)”) kwijten zich met brio van hun taak. Samen met Rebennack zelve en een echt de ogen uitstekende keurtroep aan andere muzikale gasten maken zij van dit eerbetoon een schoolvoorbeeld van hoe het eigenlijk zou moeten. Geen slaafs de originelen volgende nieuwe vertolkingen van Satch-hits hier, maar speels-respectvolle vertalingen daarvan naar het hier en nu.

De fantastische Blind Boys Of Alabama en de hoger al even genoemde Nicholas Payton helpen Dr. John zo bijvoorbeeld om uit het ondertussen zo ongeveer door de halve muziekwereld gecoverde “What A Wonderful World” toch nog een terzake doende, heerlijk swingende streep New Orleans R&B te puren. En ook die andere onomkomelijke Satchmo-klassieker, de evergreen “Mack The Knife”, bruist hier mede dankzij Mike Ladd en Terence Blanchard weer echt van het leven. Zo funky als hier hoorde je die classic allicht nog nooit! En het kan zelfs allemaal nóg leuker! Getuige daarvan het door de Cubaanse rapper Telmary (Diaz) en de onvolprezen Arturo Sandoval van een heuse Latin touch voorziene “Tight Like This”, voor ons meteen één van dé absolute hoogepunten van “Ske-Dat-De-Dat”.

Verder zeker ook niet te versmaden: het samen met Bonnie Raitt zwierig richtig het collectieve onderbewustzijn gecroonde “I’ve Got The World On A String”, een heerlijk funky uitgevallen lezing van “Gutbucket Blues”, de met de dezer dagen zo’n beetje alomtegenwoordige McCrary Sisters gebrachte passionele songtweeling “That’s My Home” en “Nobody Knows The Trouble I’ve Seen”, het net als “What A Wonderful World” eveneens met The Blind Boys Of Alabama gedeelde en mede daardoor nadrukkelijk naar een eigen plaatsje in de soulhemel dingende “Wrap Your Troubles In Dreams”, het door Shemekia Copeland van een gezonde dosis sexappeal voorziene “Sweet Hunk O’Trash” en het afsluitende “When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)”, hier door de buitengewoon lentefrisse blazersbijdragen van de Dirty Dozen Brass Band en het karakteristieke gelal van de “Night Tripper” himself weer als vanouds barstend van de “joie de vivre”.

Als je het ons vraagt: een echt feest van een plaat!

Dr. John, Proper Records

 

LEON BROCK “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness” (Saguaro Records)

(3,5****)                         

“We wilden iets doen dat opvalt,” aldus Delftenaar Leon Brock over de fraaie verpakking van zijn nieuwe album “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness”. “In plaats van de lelijke standaard ‘jewel box’ hebben wij de cd in blik verpakt. Als je de muziek niet mooi vindt, kun je er nog altijd je sigaartjes in opbergen.” Maar over dat laatste hoeft hij zich naar onze bescheiden mening allerminst zorgen te maken, onze noorderbuur. Die nieuwe van ‘m is immers echt wel een prima plaat geworden. Met tien streepjes tot aandachtig luisteren en meer dan eens instemmend knikken uitnodigende top-Americana.

Net als op z’n ondertussen vijf jaar geleden verschenen eerste soloplaat “Ordinary People” toont Brock zich ook hier immers weer als een man die daadwerkelijk iets te vertellen heeft. En als dusdanig als dankbaar surrogaat voor zo ongeveer alles wat dezer dagen vierentwintig uur op vierentwintig ethergewijs de revue passeert. Brock durft het aan om zich heen te kijken en in zijn liedjes hoofdschuddend te verwerken wat hij daarbij zoal aan onbegrijpelijk menselijk gedrag te zien krijgt. De absurditeit van behandelingen met botox bijvoorbeeld (“Welcome To The Botox Nation”), de van nog maar bitter weinig verantwoordelijkheidszin getuigende houding van sommigen op de weg ook (“My Egomobile”), de vraag waarom mannen toch zoveel geweld plegen (“Why Do Men”), het zijn maar enkele voorbeelden van door de beste man in zijn teksten aangesneden onderwerpen.

Het feit, dat hij die teksten bovendien ook nog eens mooi weet te verpakken is een ander serieus pluspunt. Voor het merendeel van zijn “verhalen over moderne waanzin” blijkt Americana een afdoende noemer. Soms wat meer country, soms wat meer folk, soms wat meer blues. En soms mag er al eens een andere invloed z’n opwachting maken ook. Zo waait doorheen het hier hoger al even genoemde “Why Do Men” een frisse flamencowind en krijgt het bij nader inzicht bijzonder speels opgevatte “A Two Pint State Of Mind” bij momenten voorwaar even een heus “La Bamba”-achtig ondertoontje mee.

Onze luistertips: de echt zalige, door Guus Westdorp en Henk de Kat van respectievelijk fraai piano- en accordeonwerk – Een Tex-Mex-toets! – voorziene countryschuifelaar “My Egomobile” en “Highway Prostitute”, het beklijvende verhaal van een al wat oudere, haar klandizie letterlijk van de snelweg plukkende prostituee.

Leon Brock

 

VINNIE’S TV “Grapes & Ghosts” (Vinnie’s TV)

(3,5****)

“Grapes & Ghosts” is de deels in het Ierse Cork, deels in Parijs ingeblikte eersteling van Vinnie’s TV, een behoorlijk eigenzinnig agerend zevenkoppig gezelschap geschaard rond ene Wade Lynch. Die ook in Cork wonende singer-songwriter schreef de grote meerderheid van het materiaal voor dat debuut. En hij schuwde er bepaald niet voor om er een gevarieerd potje van te maken. Invloeden als een Nick Drake, Grateful Dead, The Band en andere komen nadrukkelijk aan bod. Evenals een flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor traditionele Ierse volksmuziek.

Dat alles maakt, dat het er als een klassieke LP uitziende “Grapes & Ghosts” – U weet wel: vinylzwart, met “echte namaakgroefjes” en met een mooi label in het midden! – zich  bepaald niet gemakkelijk laat categoriseren. Het is soms gewoon heel veel dingen tegelijk. Neem nu het zwierige “Hole In My Boat” bijvoorbeeld. Dat is ten dele zwaar verslavend werkende traditionele Ierse folk, ten dele country, ten dele rockabilly. En “These Walls” blijkt vervolgens dan weer een maar net niet aan het walsen gaand streepje folk, compleet inclusief beheerst rockgitaarsnarengewriemel en dito countryfiddlegewoel. Wél makkelijk te plaatsen lijkt aanvankelijk de mooie trage “500 Miles”. Maar schijn bedriegt! Ook in de cover van die Hedy West-klassieker vechten bij nader inzicht pop en folk immers om de aandacht van de luisteraar, zij het net iets minder nadrukkelijk dan in voorgaande voorbeelden misschien.

Maar goed, je begrijpt ondertussen al wel waar dit naartoe gaat, natuurlijk… Om echt ten volle van “Grapes & Ghosts” van Vinnie’s TV te kunnen genieten moet je ernaar luisteren met een open geest. Je mag vooral niet (teveel) in hokjes gaan denken en moet openstaan voor occasionele verrassingen. Alleen dan zal je na enkele beluisteringen vallen als een blok voor de melodieuze hoogstandjes van Lynch en co. Want, neem het maar van ons aan, dit is een echt groeiplaatje!

Vinnie’s TV

 

THE DEER RUN DRIFTERS “Appalachian Blues” (The Deer Run Drifters)

(3,5****)

The Deer Run Drifters zijn een sympathiek Americana-kwintetje uit Floyd, een klein Appalachenstadje in het Zuidwesten van Virginia. De groep bestaat uit twee broederparen en een gemeenschappelijke vriend. Broers Chris en Joe Link springen daarbij allicht het meest in het oog. Chris schrijft immers het leeuwendeel van de songs, fungeert als leadzanger van de groep en blijkt bovendien ook goed uit de weg te kunnen op de akoestische. Joe van zijn kant zingt backings en bespeelt de mandoline. Broederpaar nummer twee zijn Sean en Shane Edgell. De eerste van die twee tekent eveneens voor backing vocals, akoestische gitaar en harmonica, de tweede voor alle banjobijdragen. Will Norton, de enige “niet-broer” ten slotte, doet het op de bas.

Samen produceren de heren het soort van muziek dat dankzij enigszins vergelijkbare acts als Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers, de Hackensaw Boys en andere de jongste jaren ongelooflijk aan populariteit aan het winnen is. Je zou het in navolging van alternatieve country alternatieve bluegrass kunnen noemen. Zoiets. Old-time stringband music vertaald naar het hier en nu. Akoestische muziek met z’n roots ergens bij het begin van de vorige eeuw maar met de beide voeten toch ook stevig in het jaar onzes Heren 2014 geplant.

En eigenlijk klopt op eersteling “Appalachian Blues” al meteen zo’n beetje alles. De licht nasale zang van Chris Link sprak me gelijk heel erg aan, de liedjes zijn knap, de teksten al evenzeer en muzikaal staat het album echt als een huis. De sfeer die ervan uitgaat is zó warmbloedig. Ze verleent aan “Appalachian Blues” een voor een debuut lang niet vanzelfsprekende geloofwaardigheid. Niets hier klinkt té gekunsteld of té gemaakt. Dit is op de keper beschouwd gewoon een heel erg sterk visitekaartje van een bandje, waarvan in de nabije toekomst ongetwijfeld nog heel veel gaan horen.

Très sympa!

The Deer Run Drifters, CD Baby

 

MARK JUNGERS “I’ll See You Again” (American Rural Records)

(4****)

Mark Jungers heeft als songsmid ondertussen al zoveel kilometers op z’n teller, dat alles quasi als vanzelfsprekend voor ‘m lijkt te gaan. En precies dat gegeven maakt van z’n zevende, het zopas verschenen “I’ll See You Again”, het lekkere album dat het toch wel is. Een “reality dealer” noemde een Amerikaanse collega hem naar aanleiding van een eerdere plaat ooit en die omschrijving blijkt ook na enkele beluisteringen van ’s mans nieuwe worp nog te staan als een huis. Ook op “I’ll See You Again” weer zijn veel van de songs bij nader inzicht louter marionetten aan de draden van de werkelijkheid van alledag. Met Jungers in de rol van vaardige poppenspeler, die tegen een achtergrond van country, folk, roots rock en nog wel wat andere usual suspects onder de ruimzittende sombrero, die Americana door de jaren heen toch wel geworden is, songgewijs speelt met alle hem ooit door het leven zelve aangereikte touwtjes.

Volop genieten geblazen is het quasi “en passant” van naar onze normen als veritabele songschoonheden te bestempelen dingen als de bedaard (country)rockende road song “I’ll Be Home”, het met een leuk streepje mondharmonica opgewaardeerde en ons van opbouw een beetje aan iets van Tom Petty herinnerende “I Don’t Want To Live There”, het omineuze stukje storytelling “Johnson Farm”, de sympathieke rootsrocker “That’s What They Say”, de Americana beauty “Do You Still Care”, het swampy bluesje “Everybody Knows But Me” en andere. Met een speciale vermelding nog voor het afsluitende “Ran Out Of Tears”. Dat begint op de mondharmonica als iets van Dylan in z’n hoogdagen maar bloeit gaandeweg open tot een prachtig staaltje van rootsy country.

Voor de productie van “I’ll See You Again” tekende Jungers zelf. Tussen de namen van de bij de opnamen ervan betrokkenen stootten we onder meer op die van Gurf Morlix (pedal steel en baritongitaar) en Gabe Rhodes (accordeon).

Mark Jungers, CD Baby

 

VICTOR CAMOZZI “Cactus & Roses” (Volvo Records)

(4****)

Met z’n twee voorgaande cd’s, z’n in 2008 verschenen debuut “3 Peso Cigar” en het daar drie jaar later op volgende “Roadside Paradise”, maakte de Texaanse singer-songwriter Victor Camozzi op ons een behoorlijk verpletterende indruk. En we waren dan ook maar wat blij, toen we onlangs vernamen, dat die ruiggevooisde songsmid eindelijk een derde klaar had. “Cactus & Roses” is de titel daarvan en om maar gelijk met de deur in huis te vallen, het is opnieuw een erg knap geheel geworden.

Kluizenaar Camozzi vergast ons op tien nieuwe liedjes, waarin hij op geheel eigen wijze de meest uiteenlopende gevoelens weet te verklanken. Van een schaamteloze liefdesverklaring in eerder ongebruikelijke bewoordingen (“Pretty Smile”) tot een ingetogen betoog over de door het voorgoed inslapen van een dierbare losgeweekte gevoelens (“Like A Child”) of een in exquise gitaargerinkel gehulde botsing met het eigen ouder worden (“The Other Side Of The Mountain”). Het leven van alledag misschien, maar dan wel bekeken door een niet zo alledaags brilletje. En precies dat maakt wat ons betreft van Camozzi de boeiende songsmid die hij is. Hij weet gewoon altijd opnieuw weer te verrassen.

Hoe de protagonisten in titelnummer “Cactus & Roses” elkaar steeds weer kwetsen en toch samen blijven, hoe hijzelf en z’n broer in een bar een onvergetelijk (vluchtig) avontuur beleven met een “Lost Girl”, hoe hij in “Bottom Of My Broken Heart” zelfs in een stukgelopen relatie naar het positieve op zoek gaat, hoe in het gelijknamige liedje een als “Crooked” bestempelde zich afvraagt, hoe dat dan wel komt en of je het nog kan veranderen, het zijn stuk voor stuk de zinnen prikkelende onderwerpen. En zo hebben wij ze hier graag…

Slotsom: het door Matt Downs geproduceerde en met melodieuze, vaak met een melancholisch randje afgwerkte liedjes gevulde “Cactus & Roses” van Victor Camozzi is een echte aanrader voor wie houdt van traditionele songschrijverij op z’n Texaans. Zeker zij die wel eens iets op plegen te zetten van andere, enigszins vergelijkbare troubadours als een Robert Earl Keen, een Steve Earle, een Guy Clark of een Kris Kristofferson moeten hier ons inziens beslist eens naar luisteren!

Victor Camozzi, CD Baby

 

LARKIN POE “Kin” (RH Music)

(4****)       

Na de EP’s “Spring”, “Summer”, “Fall”, “Winter”, “Thick As Thieves” en “Killing Time” (met Blair Dunlop) en het met de Noor Thom Hell gedeelde “The Sound Of The Ocean Sound” is er nu met “Kin” eindelijk een eerste volwaardige Larkin Poe-langspeler. En daarop laten de zussen Rebecca en Megan Lovell zich behoolijk gaan. Met een nimmer aflatende vlijt vlakken ze ruim veertig minuten lang minutieus elke zich op hun pad aandienende muzikale grens uit. En de noemer rootsmuziek blijkt uiteindelijk dan ook ruimschoots onvoldoende als de lading dekkende vlag voor “Kin”.

Gelijk van bij openingsnummer “Jailbreak” wordt ons duidelijk gemaakt, dat dit nieuwe Larkin Poe-album nadrukkelijk anders is dan om het even welke van zijn voorgangers. Heerlijk intens slidend worden we daarop swampy rockterritorium ingelokt. Een muzikale voedingsbodem, die we vervolgens even snel ook weer verlaten voor een aanstekelijke, ergens ver aan T. Rex verwante boogie-opstoot luisterend naar de veelzeggende titel “Don’t”. Daarop aansluitend gaat het via het nerveuze “Stubborn Love” (late sixties folk rockgewijs vertaald naar het hier en nu) en het aan een bezwerende lome rock groove opgehangen “Dandelion” richting “Crown Of Fire”, een met name van de ingehouden spanning erin levend streepje klasse-rootspop, “Elephant”, een in dezelfde muzikale uithoek gepresenteerde, aan zo’n typische chain gang beat van weleer opgehangen deluxe-oorwurm, en “High Horse”, een uitermate sympathieke rootsrocker.

“Sugar High” blijkt op zijn beurt dan weer iets te hebben met hard rock, “Jesse” stoeit folkgewijs met een eigentijds beatpatroon en het behoorlijk onderkoeld gebrachte “Banks Of Allatoona” doet inzake sensualiteit de veel hippere Lana Del Rey ogenblikkelijk zwaar naar adem happen. Ten slotte krijgt het ons al van de EP “Spring” bekende “We Intertwine” een lichtjes geweldige opknapbeurt mee alvorens met de werkelijk pijnlijk mooie pianoballade “Overachiever” de boeken weer dicht kunnen.

Meer dan ooit lijkt de toekomst Larkin Poe na “Kin” toe te lachen. Leek die toekomst eerst nog uitsluitend in rootsmuziekminnende kringen te moeten worden gezocht, dan ziet het er ondertussen naar uit, dat ook de rest van de wereld eraan zal moeten geloven. Met “Kin” verdienen de Lovells wat ons betreft zondermeer hun doorbraak op een wat grotere schaal.

Larkin Poe

 

MICKEY CLARK & THE BLUE NORTHER “Reasons & Rhymes” (sonaBLAST! Records)

(5*****)

“Reasons & Rhymes”, de nieuwe van Amerikaanse singer-songwriter op jaren Mickey Clark en zijn groep The Blue Norther, bleek ten huize Ctrl. Alt. Country typisch zo’n geval van “liefde op het eerste gehoor”. Eén enkele keer beluisteren en ik was compleet verkocht! Maar ja, beter worden ze wat mij betreft dan ook amper nog gemaakt. Dit is storytelling op z’n allerbest! Heel wat van de tien songs op “Reasons & Rhymes” mogen naar mijn, zoals altijd bescheiden, mening zomaar naast die van genregrootmeesters als een John Prine, een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Kris Kristofferson, een Willie Nelson en een Gordon Lightfoot worden geplaatst. Ze baden in datzelfde compleet ongedwongen sfeertje, dat van zo menig een countrydeuntje uit met name de eerste helft van de jaren zeventig door de jaren heen een klassieker gemaakt heeft. Mocht Clark deze plaat in pakweg ’74 of ’75 hebben afgeleverd, dan zouden er nu naar alle waarschijnlijkheid  ook enkele classics aan hem werden toegedicht.

Kandidaten daarvoor genoeg alleszins op “Reasons & Rhymes”. Met als “primus inter pares” het werkelijk verbluffend mooie “Song For Rudell (Stitch)”. Daarin eert Clark op beklijvende wijze één van zijn eigen jeugdvrienden, een jonge bokskampioen, die om het leven kwam tijdens een poging om een vriend te redden uit de golven van de Ohio-rivier. Een echt kippenvelmoment!

Erg mooi vond ik verder onder meer ook nog het autobiografische “Reasons And Rhymes”, het zalig swingende “Waddy Peytona”, instant-oorwurmen “Bakersfield Wine” en “I Remember Loving You”, de echt wel van veel respect getuigende cover van Kris Kristoffersons “Sunday Mornin’ Comin’ Down”, het voorzichtig rockende “Sweet Evangeline” en het z’n titel muzikaal best wel de nodige eer aandoende “Bluegrass Saturday Nights”.

Om het met de woorden van de grote Gordon Lightfoot samen te vatten: “What a jim dandy album you have here! Great songs, great lyrics, great vocals, great arrangements.” Die twee zinnetjes uit zijn mond zeggen eigenlijk hoegenaamd alles. Noem het door Clark samen met vakman Jim Rooney geproduceerde “Reasons & Rhymes” wat mij betreft daarom gerust nu al een kandidaat voor de titel van (traditionele) countryplaat van het jaar. Een echte aanrader van formaat!

Mickey Clark

 

EDDIE SEVILLE “Ragged Hearts” (Temple Ward Music)

(4****)

Ik wist, dat ik zijn naam al wel eens eerder gehoord had, alleen ging er niet direct meer een belletje rinkelen in welke context nu precies. Totdat ik de namen van het producerende trio van “Ragged Hearts” las: Paul Orofino, Frank Carillo en Eddie Seville. Frank Carillo! Dat was het dus, he! Eddie Seville is één van Carillo’s vaste begeleiders, één van diens Bandoleros.

Met “Ragged Hearts” is de beste man al aan zijn derde soloplaat toe. Op de opvolger van “The King’s Highway” van twee jaar geleden doet hij het met elf eigen liedjes. Voornamelijk te omschrijven als singer-songwriter country, de alternatieve variant daarvan en zachte roots(y) rock. Aan te bevelen met name aan liefhebbers van het materiaal van John Hiatt, Steve Earle en Buddy Miller, aldus die van de door mij vaak bezochte online shop CD Baby. Maar dat vind ik toch net iets te beperkend werken. Ik zou er namelijk graag nog de namen van John Mellencamp en Bob Seger aan toe willen voegen. Aan de laatste van dat tweetal herinnert Seville me een weinig qua stem en manier van zingen. En eerstgenoemde hoor ik wel wat terug in met een rockrandje afgewerkte liedjes als “A Crooked Mile”, “Love’s Got A Hold” en “I’m Pacing Myself”.

In elk geval, hij verkeert tussen schoon volk, “den Eddie”! En dat heus niet alleen waar het de door mij opgesomde referenties betreft. Dat leert een vlugge blik op het lijstje met de bij het tot stand komen van “Ragged Hearts” betrokkenen. Namen als Frank en Andrew Carillo, Augie Meyers, Bob Loveday, Marty Ballou en tal van anderen zou ik nu niet meteen meer als nobele onbekenden durven te bestempelen.

Enkele luistertips van onzentwege: de bijzonder lekker weghappende Americana love song “The Queen Of Kerosene”, de ook al erg passionele “valse trage” “Blind Love”, het hier eerder al eens even genoemde rootsy rockertje “Love’s Got A Hold” en de Seger-eske afsluiter “The Hardest Thing To Do”.

Eddie Seville, CD Baby

                                       

PAUL DOUGHERTY “River Pearl” (Bake It Black Records)

(3,5****)  

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot enkele weken geleden nog nooit van Paul Dougherty gehoord had. En da’s best wel vreemd te noemen, aangezien de beste man al ruim vijfentwintig jaar als artiest actief is. En des te meer als je weet dat hij al meer dan tien jaar lang vanuit buurland Duitsland aan de weg timmert. Gewoon onder mijn (nochtans continu actieve) radar doorgevlogen…

Maar daaraan wordt hier en nu verholpen met een bespreking van ’s mans nieuwe worp, het onlangs verschenen “River Pearl”. Want da’s nu eens exact het soort van plaat dat je nodig hebt om tot volgeling bekeerd te worden… Een uitermate gevarieerd Americana-geheel, dat wel eens snel een hele grote vriendenkring aan zich zou kunnen gaan binden. Zeg, dat wij het gezegd hebben! Je hoort her en der weliswaar behoorlijk nadrukkelijk de invloed van groten der aarde als een Bob Dylan, een Van Morrison, een Townes Van Zandt en anderen, maar bovenal toch een prima zingende songmid met een eigen smoelwerk en met meer dan genoeg branie om zich niet aan één enkel genre te binden.

Gelijk van bij het openingsnummer, de stormachtige bluesrocker “Rock Me To The Bone”, was ik mee met Dougherty. Om vervolgens van de ene in de andere verrassing te vallen: via de epische, van een bluegrassrandje voorziene folkdeun “River Pearl” en het soulvolle, me zowel wat aan Van Morrison als aan Elliott Murphy herinnerende “Honeysuckle Rose” over de lichtjes geweldige swampy rocker “Eve Of Destruction” en het op bedaarde (country)wijze verhalende “Teddy The Dancin’ Bear” tot het met name gitaargewijs ergens in de buurt van de jonge R.E.M. strandende “Cain” en de bluesschuiver “Doin’ The Time”, van het Dylan-eske “How I Learned To Stop Worrying & Love The NSA” en de mooie Americana-trage “Time” tot het nerveus “rockende en rollende” “Black Cat Bone”, het “creepy” “The Devil’s Spine”, de fijne countryrocker “Memphis Son” en de afsluitende pianoballede “Rusted Jesus”.

Je mag nu al opschrijven, dat ik voor het bespreken van een volgende plaat van Paul Dougherty wel ergens op de eerste rij zal zitten!

(P.S.: Dougherty zelf gelooft zo sterk in zijn materiaal, dat hij je op zijn eigen webstek de keuze laat: je kan ervoor betalen, maar je mag het ook gratis downloaden. Aan jou de keuze!)

Paul Dougherty

 

JEFFREY HALFORD & THE HEALERS “Rainmaker” (Shoeless Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)            

Voor onze eerste kennismaking met de Amerikaanse rootsrocker Jeffrey Halford en z’n Healers moeten we al een aardig poosje terug in de tijd. Naar 1999 meer bepaald en de cd “Kerosene”, tot onze grote verbazing indertijd ’s mans derde al, want daarvóór had hij met “Toxic” en “Nine Hard Days” ook al twee albums afgeleverd. En sindsdien zijn we hem altijd wel een beetje blijven volgen. Via lekkere schijfjes als “Hunkpapa” en “Railbirds” tot het chartgewijs eindelijk ook relatief succesvolle “Broken Chord” uit 2007.

2007… Dat wil dus inderdaad zeggen, dat het ondertussen ruim zeven jaar geleden is, dat Halford en de zijnen ons nog eens op wat nieuws vergast hebben. En da’s eigenlijk gewoon veel te lang voor een songsmid van het kaliber van die Halford. De beste man weet immers wel raad met woorden. Het is naar ons gevoel zelfs niet overdreven om te stellen, dat z’n teksten her en der een literair randje vertonen.

Zelf heeft hij het in verband met “Rainmaker”, zijn zevende ondertussen, over “a redemptive journey that just happens to be a collection of songs”. Een in liedjes gevat kiekje van de o zo rijke ziel van z’n thuisland: verleden, heden en zelfs al wat toekomst.

En ook zuiver muzikaal gezien sluit “Rainmaker” wel wat bij die laatste vaststelling aan. Sure, we hebben hier te maken met een rootsrockgeheel, maar dan wel ééntje dat een kruisbestuiving met elementen uit tal van andere genres absoluut niet schuwt. Wat country, wat folk, wat blues, zelfs wat gospel, het moet allemaal kunnen… En ook in deze context bekruipt je voortdurend het gevoel, dat verleden, heden en toekomst elkaar liefdevol omarmen. In een met Bruce Kaphan en Paul Olguin gedeelde productie herinnert Halford er ons hier nog eens elf nummers lang aan, waarom we hem in het verleden zo graag voorbij zagen komen.

Liedjes als het met de nodige Delta-klei nog aan de cowboy boots hangend gebrachte bluesvariantje “Second Chance”, het aan een muur van behoorlijk aanstekelijk werkende gitaarklanken opgehangen klasse-rockertje “Nature’s Choir”, het eveneens op “da blues” geënte, maar ondertussen ook wel zo ongeveer alle andere kanten uitkijkende opdondertje “North Beach”, het omineuze, hier en daar met een aan de Doors herinnerend streepje orgel opgewaardeerde titelnummer, de ongemeen soulvolle trage “Joaquin” en de warmbloedige “desert Americana” van “Mexico”, het zijn maar enkele voorbeelden van de wat ons betreft alvast als zeer geslaagd te bestempelen eclectische benadering van hun favoriete rootsrockgegeven door Halford en z’n maats.

Hopelijk laten ze ons op een volgende worp weer geen zeven jaar wachten!

Jeffrey Halford & The Healers

 

SLEEPY DRIVER “Ignatius” (Black Bell Productions)

(3,5****)                             

“Ignatius” is na “Steady Now”, “In A Low Dark Light” en de mini “Light Sleeper” het ondertussen vierde teken van leven van het al sinds 2007 aardig aan de weg timmerende Sleepy Driver, het vanuit het Canadese Fredericton actieve rootsrockcollectiefje rond zanger-songsmid Peter Hicks. En het zou ons eerlijk gezegd heel erg verbazen mocht dat album het net als z’n voorgangers niet prima gaan doen in kringen van liefhebbers van het genre. Aan goede kritieken alvast weer geen gebrek. En daar willen wij er hier maar al te graag nog eentje aan toevoegen.

Hicks presenteert zich met “Ignatius” immers andermaal als een uitstekende liedjesschrijver. Twaalf serveert hij er ditmaal, het ene al mooier dan het andere. Een heerlijke mix van rustiger en wat bruisender spul, die nadrukkelijk uitnodigt tot herhaaldelijk beluisteren. Met wat ons betreft een lichte voorkeur voor de wat tragere, atmosferischere dingen, zoals openingsnummer “I Know You Know I Know” en “Curtains” bijvoorbeeld. Maar dan wel met de nadruk op het woordje “lichte”! Ook ritmischer en bij momenten best wel wat zwaarder aandoend materiaal als het zomers radiogenieke rockertje “Cold Black River”, het licht twangende, daar quasi perfect bij aansluitende “Forgotten Songs”, het bezwerende “Down To The River” en het echt wel rete-aanstekelijke “Two Cigarettes” ging er hier in als zoete koek.

En dan hadden we het nog niet eens over het allermooiste nummer hier. Dat is ontegensprekelijk de met gaste Tina Gaudreau van het plaatselijke hardrockbandje Mad Mary gedeelde trage “All Roads”. Echt een wolk van een rootsrockballade, dat liedje! Verder ook nog héél erg leuk: de lentefrisse alternatieve countryriedel “Rosalyn”.

Sleepy Driver

 

JIM & LYNNA WOOLSEY “The Road That Brings You Home” (Broken Record Records)

(4****)

“The Road That Brings You Home” is het buitengewoon geslaagd te noemen debuut van echtelieden Jim en Lynna Woolsey. Al ruim drie decennia lang traden die twee samen op, maar pas nu vonden ze de moed om het ook allemaal wat professioneler aan te pakken en met echte profs aan hun eersteling samen te gaan werken.

Met Randy Kohrs en Mike Sumner in de eerste plaats, die de job van producer deelden en terloops ook dobro- en banjogewijs een flinke duit in het zakje deden. Maar ook met Clay Hess (mandoline), Mark Fain (staande bas) en Tim Crouch (fiddle).

Dat alles op dit visitekaartje ogelooflijk af klinkt, hoeft derhalve ook niet echt te verbazen. Wat al wat meer tot de verbeelding mag spreken, is het vrijwel doorlopend van een geweldige kwaliteit getuigende songmateriaal van het duo. Hun inhoudelijk zo goed als uitsluitend door hun eigen leven (van alledag) gevoede liedjes blijken stuk voor stuk echte plaatjes. Bedaarde bluegrassjuweeltjes, opgehangen niet enkel aan het muzikale vakmanschap van dat straffe groepje gelegenheidsbegeleiders, maar vooral ook aan de eigen samenzang van de Woolseys.

Onze luistertips: het echt wel bloedmooie titelnummer, het diep in het eigen familieverleden van Jim Woolsey gravende verhaal van “Rude Jenne” en het door Randy Kohrs van een buitengewoon sfeervolle dobroachtergrond voorziene “The Ride”.

Het ontdekken alleszins méér dan waard!

Jim & Lynna Woolsey, CD Baby           

 

ADAM COHEN “We Go Home” (Cooking Vinyl /V2)

(4****)

Dat het niet altijd even interessant is om een pa te hebben die Leonard Cohen heet en een heus popicoon is, mocht zoonlief Adam de voorbije jaren aan den lijve ondervinden. Toen hij in ’98 debuteerde was het natuurlijk nog wel een handig opstapje om als “de zoon van” vrijwel meteen door een behoorlijk groot publiek te worden opgepikt. Maar in de daaropvolgende jaren ging de aanleiding tot dat prille succes zich in zekere zin snel tegen hem keren. In die zin dat zo ongeveer alles wat hij deed steeds weer werd afgewogen tegen het werk van zijn ouweheer. En laat dat nu net zijn, wat de jonge Cohen te allen prijze wou vermijden…

Met zijn vorige plaat, het in 2011 verschenen en aanvankelijk nog als zijn afscheid van de “business” bedoelde “Like A Man”, viel voor Adam Cohen onverwachterwijze echter alles in de juiste plooien. Mede dankzij die intimistische beauty kwam hij erachter, dat eigenlijk enkel de eigen roots, de eigen familie, zijn thuis en het zichzelf (leren) kennen er toe deden. Hij kwam als het ware in het reine met zichzelf. En dat resulteerde eigenaardig genoeg uiteindelijk ook in zijn grootste commercieel succes so far. Cohen Jr. was nu definitief gelanceerd!

En dus was het wat ons betreft ook volop uitkijken naar ’s mans vijfde, het eerdaags te verschijnen “We Go Home”. Een plaat, die haar titel bij nader inzicht in meer dan één opzicht alle eer aandoet. Zo nam Cohen ze bijvoorbeeld grotendeels op in het kleine witte huisje op het Griekse eiland Hydra waar hij een groot deel van zijn kindertijd doorbracht en werkte hij ze verder af in zijn geboortehuis in Montreal. Zich daarbij terdege bewust van het feit, dat velen daardoor prompt weer in de richting van zijn vader zouden gaan wijzen, counterde hij alvast bij voorbaat door te stellen, dat zijn roots nu eenmaal óók dáár liggen. En “My muse is my home!”, aldus nog de jonge Cohen.

En die muze heeft hem ons inziens andermaal aan een zeer fraai album geholpen. Een echt groeibriljantje! Een plaat, die met elke nieuwe beluistering weer wat meer van haar vele interessante geheimen prijsgeeft. En veel van die geheimen blijken zich te situeren op het niveau van dialogen met zijn “ouwe”, zijn zeven jaar oude zoon Cassius en zichzelf. Al zitten er natuurlijk ook wel weer enkele liefdesliedjes in het pakketje.

Door zijn manier van zingen benadert hij daarbij vooral in vele van de wat zachtere nummers effectief (weer) zijn pa. We denken in die optiek bijvoorbeeld aan het hoogst vertederende “Song Of Me And You” en aan het al even knappe, nog als pianoballade ingezette, maar gaandeweg tot volbloed-popsong uitgroeiende “What Kind Of Woman”. Maar goed, die stem is er nu eenmaal, he…

Een andere duidelijk herkenbare invloed is Randy Newman. Diens muzikale geest waart alvast nadrukkelijk doorheen het aanstekelijke titelnummer “We Go Home”.

(Op 11 oktober aanstaande treedt Adam Cohen op in de Brusselse Botanique. Eén dag later is Het Depot in Leuven aan de beurt.)

Adam Cohen

 

POLICE DOG HOGAN “Westward Ho!” (Union Music Store)

(4****)

Wat een heerlijke plaat is dit! Werkelijk barstend van de “joie de vivre”. Aanstekelijker kan het welhaast niet. Wat de acht van het Britse collectief Police Dog Hogan op hun binnenkort te verschijnen nieuwe cd “Westward Ho!” doen duldt absoluut geen tegenstand. Je moet er als luisteraar gewoonweg in mee.

Is het Americana, een mengvorm van country en folk, een samengaan van folk en pop, een verstedelijkte vorm van bluegrass, who actually cares? De naam onder het plaatje doet hier wat ons betreft eigenlijk volstrekt niet terzake. Wat dan wel? Het feit dat we op deze derde van Police Dog Hogan twaalf vrijwel zonder uitzondering uitstekende songs geserveerd krijgen, dat de groep in James Studholme een fantastische zanger en al even geweldige gitarist aan boord heeft en dat alle overige betrokkenen op instrumenten als gitaren, banjo, mandoline, fiddle, accordeon, trompet en piano hun bovenste best doen om hem in alles wat hij doet ook van een zo perfect mogelijke muzikale achtergrond te voorzien.

In een productie van de onvolprezen Al Scott van de bij momenten best wel wat met de groep verwante Oysterband slagen die van Police Dog Hogan erin om de muzikale grenzen tussen hun thuisland en de States flink te laten vervagen. Americana, country en bluegrass worden door Studholme en co opgewaardeerd met een kloeke dosis Britse eigenheid en “en passant” ook intraveneus bediend met een flinke shot folk.

Het meest in het oog springende liedje van het geheel is daarbij ontegensprekelijk “Home”. Dat buitengewoon sfeervolle kleinood, inclusief een heuse rap-passage ergens halverwege, onstond onder de vleugels van het liefdadigheidsproject Music in Prisons als een samenwerking met de groep Platform 7, een bandje bestaande uit louter ex-gedetineerden. Andere absoluut niet te versmaden momenten hier: het zich volop in bluegrass wentelende en mede daardoor volstrekt onweerstaanbare “West Country Boy”, de mooie “valse trage” “St. Lucie’s Day”, het ons een heel klein beetje aan de Pogues in hun hoogdagen herinnerende “From The Land Of The Miracles” en het zich op bedaard smekende wijze tot het personage uit zijn titel richtende “Ethan Frome”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niets minders op, hoor!

Police Dog Hogan

 

BRAD BOYER “Montagu Hotel” (Thunderbird Records)

(5*****)

Ooit sierde een sticker met het opschrift “I Love Texas Music” mijn me toen op zo ongeveer elke tocht richting muziek aan de man brengende gelegenheden vergezellende draagtas. Die tas is intussen al lang zaliger, mijn uitgesproken voorliefde voor Texaanse muziek is dat echter zeker niet. Daarvan zal ik wellicht nooit meer echt “verlost” raken. En da’s dan de schuld van knapen als deze Brad Boyer. Weer één van die o zo typische Lone Star State acts! Een songwriter met dat zekere “je ne sais quoi” meer, dat ginder bij momenten zo vanzelfsprekend lijkt. Een naam om met stip te onthouden alleszins weer…

In een productie van Lisa Morales presenteert die Boyer ons op z’n tweede cd “Montagu Hotel” twaalf eigen nieuwe liedjes. De helft daarvan schreef hij in z’n eentje, voor de andere helft schoven collega’s als Matt Harlan, de net al even genoemde Lisa Morales, Bruce W. Cline en Jack Wisdom een stoel bij. En niet alleen bij het schrijven van z’n nieuwe nummers kon Boyer op heel wat bekende bijstand rekenen, ook bij het inblikken ervan was het net niet aanschuiven geblazen. Zo stootten we bij het doornemen van de gastenlijst onder meer op de namen van Joe Ely, Cindy Cashdollar, Jeff Plankenhorn, Rick Richards, Ron Flynt, Tom Gillam, Noel McKay en “Scrappy” Jud Newcomb, om enkel nog maar de bekendsten van het lot te noemen.

Samen tekenden zij voor twaalf veritabele delicatessen uit de afdeling “fijne Texaanse songwaren”. Openingsnummer “Big Rig Driver” is er meteen zo één. Da’s immers een heerlijke lap swingende rig rock, gedeeld met niemand minder dan Joe Ely. En na die dartele start laat Boyer je als luisteraar een flinke poos helemaal niet meer los. Ruim zesenveertig minuten lang houdt hij je probleemloos in zijn ban. Met achtereenvolgens het van een bluesy ondertoontje voorziene “Mockingbirds”, de ronduit sublieme ballade “Long Cold December”, het door Carlos Alvarez accordeongewijs met wat Tex-Mex-bestanddelen gekruide “Five Stones And A Sling”, het me in z’n geheel best wel wat aan Bruce Robison herinnerende “Tonight I’m Gonna Lose”, de behoorlijk snedig uit de hoek komende countryrocker “The Light”, het door Lisa Morales vocaal mee op smaak gebrachte rootsrockertje “Smile”, de samen met huisfavorietje Matt Harlan gepende story song “The Ring”, het onder meer door de mandoline van Jeff Plankenhorn en de dobro van Cindy Cashdollar naar hemelse hoogten getilde streepje vintage Americana “Trouble”, de recht-toe-recht-aan rock & roll van “Texas Darlin’”, het misschien wel allermooiste liedje hier, het z’n titel stilistisch gezien zo ongeveer alle mogelijke eer aandoende “The Last Folksinger”, en tenslotte ook nog het titelnummer, dat het moet hebben van een soort van mid-seventies pop- en rockgevoel.

Wat mij betreft ontegensprekelijk een twaalf op twaalf. Een rapport, waarmee je al thuiskomen kan dus…

Brad Boyer, CD Baby

 

TRENT MILLER “Burnt Offerings” (Bucketfull Of Brains)

(3,5****)

Trent Miller mag dan al afkomstig zijn uit de buurt van Turijn, dat is absoluut niet te horen aan wat hij brengt op “Burnt Offerings”. De ondertussen al een poosje in Londen residerende troubadour grossiert daarop immers andermaal in eigenzinnige Americana. Americana, duidelijk beïnvloed door Gene Clark, wiens schaduw bij momenten nogal nadrukkelijk over dit album hangt.

Met wat hij op zijn ondertussen derde serveert zal Miller naast bij fans van die ex-Byrd ongetwijfeld ook de nodige bijval gaan oogsten in kringen waar Richard Hawley, Edwyn Collins, Townes Van Zandt en Guy Clark tot het op regelmatige basis genuttigde luistervoer behoren. “Burnt Offerings” blijkt op de keper beschouwd immers één grote smeltkroes van elementen uit genres als rock, folk en Americana, zo nu en dan overgoten met een goth-sausje.

Het de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer zet wat dat betreft meteen de toon. Lijzig croonend zoekt Miller zich daarin een weg doorheen een bos aan atmosferische gitaarklanken. Chris Isaak meets Richard Hawley, zoiets. Vervolgens is er dan “Lupita’s Dream”, wat ons betreft ontegensprekelijk het knapste liedje op “Burnt Offerings”. Dat nummer, überhaupt wat vlotter van aard, heeft een zo mogelijk nog bezwerendere uitwerking dan z’n voorganger.

Andere topmomenten hier: de bloedmooie ballade “Hearts On A Wire”, het ons best wel wat aan de dagen van Gene Clark bij de Gosdin Brothers herinnerende “Your Black Heart” en het ook al very sixties aandoende “Sands Of Time”.

Trent Miller, Bucketfull Of Brains

 

THE SNAKES “The Last Days Of Rock & Roll” (Bucketfull Of Brains)

(4****)

“The Last Days Of Rock & Roll” is na “Songs From The Satellites” uit 2006 en “Sometime Soon” uit 2010 al de derde cd van het in Uncut ooit liefdevol tot “Muswell Hill’s own Whiskeytown” omgedoopte viermanscollectiefje The Snakes. Samen met Bap Kennedy en The Redlands Palomino Co. allicht zo ongeveer het beste wat de Britse eilanden dezer dagen op alternatief countryvlak te bieden hebben, dat bandje rond zanger-gitarist-songsmid Simon Moor. Dat bewijzen ze ook op “The Last Days Of Rock & Roll” weer ten voeten uit.

Je zou het kwartet op basis van het daarop gebrachte songelftal zomaar in één en dezelfde adem durven noemen met klassieke acts als de Jayhawks, het al genoemde Whiskeytown, de Stones en de Flying Burrito Brothers. Het blijkt immers quasi onmogelijk om niet meteen als een blok te vallen voor dingen als de met Hannah Elton-Wall van The Redlands Palomino Co. gedeelde, zwierige countryrocker “Too Hard”, het Stonesy duo “The Band Played On” en “Here We Go Again”, de onder uitermate sympathiek rinkelende gitaren bedolven Ian Tyson-oorwurm “The French Girl”, de warmbloedige trage “Three Little Wishes”, het de huidige (almaar meer tot vluchtigheid uitnodigende) muziekbusiness op toepasselijke wijze tartende titelnummer “The Last Days Of Rock & Roll” en tal van anderen.

The Snakes overstijgen – Zoveel moge ondertussen al wel duidelijk zijn! – ruimschoots het niveau van zo menig een Americana act uit het land dat ooit aan het genre zijn naam verleende. Dat op zich al zouden we een verdienste durven noemen, maar daarmee zouden we de Britten dan flink tekortdoen. Dit is immers vooral een erg lekkere plaat, van Britse makelij of niet…

The Snakes, Bucketfull Of Brains

 

BLIND LEMON PLEDGE “Evangeline” (OFEH Records)

(4****)

Ik hou wel van wat diversiteit, dat weet u als regelmatige lezer van deze pagina’s onderhand wel. En dus zal u het straks, na het lezen van dit stukje, ook wel helemaal niet vreemd meer vinden, dat ik “Evangeline”, de nieuwe van Blind Lemon Pledge, als een ronduit heerlijke plaat ervaar. Wat James Byfield, want zo heet onze man in de kijker dus echt, op die vierde onder zijn pseudoniem aan stijlen bij elkaar harkt, tart zo ongeveer elke verbeelding. “A musical journey through the heart of Americana and Blues,” noemt hij het zelf en dat is het maar net ook. Een smeltkroes aan smaken en smaakjes. En ’t is een verdomd goede, die het geheel nalaat, zeker weten!

Aftrappen doet Byfield z’n nieuwe songtiental met “Buley’s Farm”. Quasi a capella zoekt en vindt hij daarin aansluiting bij de door John Lomax verzamelde prison songs. U weet wel van die door de tik van houwelen aan hypnotische ritmes geholpen gezangen van tot dwangarbeid veroordeelde, geketende gevangenen. Vervolgens is er “Jennie Bell”. En dat is meteen geheel en al andere koek. We hebben hier immers te maken met een fraaie akoestische ballade, gedragen door de fluwelen zang van Byfield zelve en al even zachtzinnige klanken uit de eigen akoestische. “Next in line” is dan “Brimstone Joe”, een fijn streepje “N’awlins noise”, dat nadrukkelijk de mosterd lijkt te hebben gehaald bij respectievelijk de classic “St. James Infirmary” en de muziek van Jelly Roll Morton. En na dát catchy opdondertje staat Byfield gelijk alweer klaar met een nieuwe verrassing. “Midnight Association” blijkt mede door de knappe slidebijdrage erin immers een bijzonder lekker in het gehoor liggende bluesrocker. En onder de noemer blues valt ook het volgende nummer. “Go Jump The Willie” is z’n titel volledig getrouw echter een delicieus staaltje jump jive blues.

Goed en wel halverwege zijn we daarmee! En nóg is de honger van Blind Lemon Pledge naar stilistische variatie lang niet uitgeput. In “Language Of Love” smokkelt hij zo bijvoorbeeld ongegeneerd een snuif salsa naar binnen, in het daaropvolgende “Ham And Eggs” doet hij er lustig op los harmoniërend het “Great American Songbook” aan, het trage “How Can I Still Love You” flirt aansluitend bluesgewijs met late night jazz, “You Had Me At Goodbye” is een met wat country op smaak gebracht ingetogen folkrockertje en het afsluitende titelnummer valt wat ons betreft nadrukkelijk onder de noemer “deep Delta blues”.

In alle eerlijkheid: ik ken verzamelaars, die heel wat minder gevarieerd zijn dan deze schijf! Ongelooflijk eigenlijk, dat deze songcollectie uiteindelijk toch nadrukkelijk als één enkel geheel aanvoelt. En alle credits dáárvoor gaan naar James Byfield zelve, die door zijn indringende manier van zingen en zijn geweldige snarenbehandeling al die vaak dunne lijntjes tussen verschillende stijlen zomaar weet weg te vlakken. A really great job you’ve done here, Mr. Byfield!

Blind Lemon Pledge

 

DAVE MCGRAW & MANDY FER “Maritime” (Dave McGraw & Mandy Fer / Lucky Dice Music)

(5*****)

Binnenkort mogen we Dave McGraw en Mandy Fer onder meer begroeten op het Country Festival in Sint-Truiden (12/09) en in de Breugehel in Bree (18/09), maar voor het zo ver is vergasten ze ons terloops eerst nog even op één van de allermooiste rootsplaten van 2014 so far. Geen wonder, dat “Maritime” in geen tijd wist door te stoten naar de top spot in de Euro Americana Chart! De twaalf liedjes op die plaat zijn immers van een bij momenten haast onaardse splendeur.

Ergens tussen (indie) pop, folk en Americana doen McGraw en Fer zo’n vijfenvijftig minuten lang ongekunsteld hun wonderlijke ding. Hun ons respectievelijk aan Patty Griffin en Jeffrey Foucault herinnerende stemmen omarmen elkaar daarbij bijna voortdurend in door de band genomen eerder aan de rustig kant blijvende liedjes. Hun ongemeen intense natuurbetrokkenheid daarbij ten volle outend loodsen ze ons in hun teksten respectvol langsheen heel wat van het fraais dat deze aardkluit ons nog altijd te bieden heeft. Maar lang niet enkel de natuur in al haar aspecten komt daarin aan bod. Zo weerklinkt bijvoorbeeld in openingsnummer “Helicopter” meteen al de roep om een aanpassing van de nog altijd veel te soepele Amerikaanse wapenwetgeving en weerspiegelt “Carillon” een bijzonder beiaardconcert waarvan de twee nog niet zo heel erg lang geleden tijdens een bezoek aan Amsterdam getuige mochten zijn.

Zelf sturen Fer en McGraw ter verfraaiing akoestische en elektrische gitaren en een tamboerijn bij. En zijn voorts ook nog van de partij: drummer Andrew Lauher, bassist Christopher Merrill, lapsteeler Mike Grigoni, celliste Sasha Von Dassow en één enkele keer ook Jerome Holloway (harmony vocals in “Helicopter”). Samen tekenen ze voor twaalf op de één of andere manier een ongelooflijke rust uitstralende deuntjes, die je als luisteraar keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Wij zouden in dit verband graag willen gewagen van volstrekt tijdloze schoonheid.

Hoe dan ook: een verplichte aanschaf!

Dave McGraw & Mandy Fer, Lucky Dice Music

 

SWEETKISS MOMMA “A Reckoning Is Coming” (SweetKiss Momma)

(3,5****)

Met de opvolger van hun ergens vroeg in 2011 verschenen debuutplaat “Revival Rock” maken die van het uit de buurt van Seattle actieve SweetKiss Momma andermaal flink wat indruk. In een productie van de je wellicht wel van Wilco bekende Ken Coomer serveren Jeff Hamel en de zijnen daarop “de nouveau” tien heerlijke lappen met Southern soul doordrenkte rock & roll. Als invloeden noemden we hier in dat verband al eens ooit eerder klassieke rock acts als Lynyrd Skynyrd, The Allman Brothers en The Black Crowes en daar staan we ook nu nog altijd volop achter.

Onze naar goede gewoonte volslagen onverbintelijke luistertips: het met een waarlijk hypnotische groove gezegende “Fix My Hair”, het door een losgeslagen gitarentweeling aangejaagde en mede onder invloed daarvan echt als bezeten aan zijn kettingen snokkende titelnummer, de soulvolle trage “Same Old Stories”, het behoorlijk funky aandoende en ons inziens ook erg radiogenieke “Get Some Love”, de machtige boogie-opstoot “Dirty Uncle Deezer” (Dat harmonicaatje alleen al! Wow…) en de volledig akoestisch gehouden afsluitende reprise van “Breathe Rebel”.

Damn good, indeed!

SweetKiss Momma

 

BENJAMIN FOLKE THOMAS “Too Close To Here” (Bucketfull Of Brains)

(4,5*****)

Ondertussen iets meer dan vijf jaar geleden verliet de Zweed Benjamin Folke Thomas zijn thuisland om zijn muzikale geluk in Londen te gaan beproeven. En dat bleek vrijwel meteen een goede zet. Al snel wist hij zich in de hippe hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk immers op te werken tot een graaggeziene gast in concertmiddens. Zijn nochtans enigszins apart aandoende Americana sloeg duidelijk aan. Vergelijkingen met Dylan in z’n tweede decennium en wijlen Warren Zevon deden de sympathieke songsmid veel goed.

En dat resulteerde al in 2010 in een eerste plaat. Een EP toen nog, bij dezen opgevolgd door een eerste volwaardige, in de studio ingeblikte langspeler. En wat voor één! Moet je als aficionado van artisanaal vervaardigd liedgoed wel van houden, van dat schijfje! Elf nummers lang topkwaliteit biedt het! Met een Thomas die verrast als zanger, gitarist en vooral ook als songsmid. Gelijk van bij het ons snarengewijs nadrukkelijk aan de prille Dire Straits herinnerende openingsnummer “Someday” had hij ons alvast aandachtig bij de les. En dat zouden we ruim eenenveertig minuten blijven ook. Songs als de op een ietwat vreemde manier melodieus werkende Americana-deun “Love Somebody”, het Dylan-eske “Blues For You”, het ergens tussen blues en sixties folk gevonden “Extend No Greeting”, het Warren Zevon terloops even vernoemende maar al bij al toch eerder aan Springsteen refererende “Bye Bye Baby (Bye Bye)”, de geweldige eigentijdse folkballade “Let Her Down” en andere zijn immers vrijwel zonder uitzondering groots te noemen.

Produced by The Swedish Folk Maffia lezen we in het begeleidende booklet. En ook die uit Benjamin Folke Thomas zelf, zijn gitarist Henning Sernhede en zijn bassist Johannes Mattsson bestaande entiteit verdient wat ons betreft een dikke pluim. Dankzij de samenwerking van die drie klinkt alles hier immers zo uitzonderlijk lekker en vooral ook af. Eén opvallende gast willen we hier tenslotte ook nog even vermelden. En dat is BJ Cole, onder meer verantwoordelijk voor de mooie dobropartij in het hoger al even genoemde “Extend No Greeting”.

Benjamin Folke Thomas, Bucketfull Of Brains

 

STAN MARTIN “Whiskey Morning” (Twangtone Records)

(4****)

“This record was made ‘old school’ in honor and tribute to the legends of country music,” aldus Stan Martin zelve vooraf over zijn zopas verschenen vijfde studioplaat “Whiskey Morning”. En in een met de legendarische Dave Roe gedeelde productie serveert de beste man hier daadwerkelijk elf liedjes, die een dergelijke stelling rechtvaardigen. Liedjes, die “en passant” weliswaar nadrukkelijk de invloed van gereputeerde knapen als een Buck Owens, een Merle Haggard en een Dwight Yoakam verraden, maar die op de keper beschouwd  toch vooral Martins eigen niet geringe talenten onderstrepen. Enerzijds zijn (soms ook een heel klein beetje aan Yoakam herinnerende) vocale kunstjes, anderzijds zijn vaardige vingers. Vaardig met de pen, maar vooral ook op de snaren van z’n Telecaster en tal van andere gitaren.

Wat Martin daarbij bijzonder interessant maakt, is het feit, dat hij zowel op liefhebbers van klassieke country als van Americana lijkt te willen mikken. Het maakt van “Whiskey Morning” alleszins een bijzonder gevarieerd geheel. Openingsnummer “Champagne Wishes” is zo bijvoorbeeld een lekker twangende countryrocker, “Come On Trouble” klassiek geschoolde honky tonk en “If” een veritabele parel van een ballade. “Little Bit Right” rockt vervolgens opnieuw een aardig eindje weg, “Damn This Town” blijkt een schoolvoorbeeld van verhalende Americana en “Reasons For Drinking You Gone” is gewoon sublieme Bakersfield country anno nu. Wat ons betreft meteen ook het allermooiste liedje hier, dat laatste. Aansluitend gaat het via het nerveuze, sixties country duidelijk nog hoog in het vaandel dragende “Running Away” over de ons volop aan grootheden als Kris Kristofferson, Gordon Lightfoot en Rodney Crowell herinnerende trage “Singer Of Songs” en het countrypopgewijs voorzichtig even tot in het vaarwater van de Mavericks afdrijvende “The Note” tot bij het zwaar melancholische titelnummer en het afsluitende, behoorlijk Everly-esk ingevulde “Wrapped Around Your Finger”.

Samen goed voor net geen veertig minuten topcountry van een man die het wat ons betreft volop verdient gehoord te worden. Van hieruit bijzonder warm aanbevolen!

Stan Martin, CD Baby

 

LOUDON WAINWRIGHT III “Haven’t Got The Blues (Yet)” (Proper / Rough Trade)

(5*****)

Welk een excellent geheel alweer, deze inmiddels toch ook al zesentwintigste langspeler van Loudon Wainwright III. De binnenkort achtenzestig wordende Amerikaanse singer-songwriter lijkt daarop zo ongeveer in de vorm van zijn leven te verkeren. In een productie van de legendarische David Mansfield serveert hij veertien uit nogal wat verschillende stijlvaten tappende songschoonheden, die je als luisteraar regelmatig naar adem doen happen. Na afloop van je eerste luisterbeurt weet je ’t meteen: voor platen als deze zit er een repeat-toets aan je cd-speler.

Recht-toe-recht-aan rockend knalt Wainwright bij ons binnen met het qua intensiteit voorwaar even met Jerry Lee Lewis in zijn hoogdagen wedijverende “Brand New Dance”. Vervolgens is er dan “Spaced”. Invloeden uit Balkan style gypsy jazz, klezmermuziek en folk dingen daarin net geen vier minuten lang ongegeneerd naar onze gunsten. En dat ook al swingend als de spreekwoordelijke tiet! Pas met het derde liedje, vreemd genoeg juist luisterend naar de titel “In A Hurry”, neemt Wainwright voor het eerst wat gas terug. Dat blijkt immers een uitermate relaxte folkpopdeun. En als dusdanig ook de als het ware ideale aanloop naar het waarlijk grootse “Depression Blues”. Daarmee treedt “onze man” heel even in de voetsporen van bluesgrootheden als Blind Lemon Jefferson en Sleepy John Estes. Aansluitend is er dan “The Morgue”, oftewel dood en verval in een tête-à-tête met “shitty love”, tegen een achtergrond van old-timey jazz met een zeker vaudeville-gehalte.

Een volgend absoluut hoogtepunt is wat ons betreft het met ronduit zalig accordeonwerk gelardeerde en ergens tussen pop, folk en country strandende “Harmless”. Net als het er meteen op volgende Americana-riedeltje “Man & Dog” eigenlijk gewoon “vintage Wainwright”, dat nummer. Volgende halte: de met een bijdrage van “engelenstem” Aoife O’Donovan gezegende parel “Harlan Country”. Zij is samen met de in “I Knew Your Mother” toch net iets minder nadrukkelijk opduikende Martha Wainwright slechts één van de vele muzikale gasten op het wat dat betreft goed gestoffeerde “Haven’t Got The Blues (Yet)”.

Resten dan nog: het weer behoorlijk “rockerig” uit de hoek komende “Looking At The Calendar”, de zich wat al té vroeg aandienende alternatieve kerstdeun “I’ll Be Killing You This Christmas”, het voorzichtig gospelesk ingevulde “God & Nature”, het louter stilistisch gezien z’n titel alleen maar tegensprekende titelnummer van de plaat en weemoedige afsluiter “Last Day Of The Year”.

U merkte het al: aan variatie absoluut geen gebrek hier! Dát en het feit dat Wainwright voor de gelegenheid zowel goed bij stem als bij pen was, maken naar ons gevoel van “Haven’t Got The Blues (Yet)” de geweldige plaat die het is. Gaat, als u het ons vraagt, straks zonder ook maar de minste twijfel in heel wat eindejaarslijstjes van zogeheten kenners opduiken…

Loudon Wainwright III, Proper Records

 

FINGERPISTOL “Stepped In It Again” (Avery International Recording)

(4****)

Op hun derde album gooien die van FingerPistol het roer behoorlijk radicaal om. Met de “fifteen tracks of toe-tapping, boot-scootin’ country” op “Stepped In It Again” lijken ze niet langer (uitsluitend) op een Americana-publiek te mikken. En fans van knapen als een Dale Watson, een Jesse Dayton, een Ted Roddy, een Ed Burleson en aanverwanten zouden naar onze bescheiden mening aan dat nieuwe album van de groep rond Dan Hardick dan ook wel eens een vette kluif kunnen hebben. Dat klinkt verdorie als “Bakersfield by way of Austin”!

Country zo puur als het maar kan met andere woorden. Met daarbij een gedeelde (vocale) hoofdrol voor de ook voor alle songs verantwoordelijk tekenende Hardick en de zoetgevooisde Suzee Brooks. De warme, ons (heel) voorzichtig een beetje aan die van Dale Watson herinnerende baritonstem van Hardick wijst in acht songs de te volgen traditionele richting aan, die van nachtegaaltje Brooks in zes verdere. Wat dat betreft stoten we hier op slechts twee vreemde eenden in de bijt. “Never” blijkt immers een behoorlijk nadrukkelijk aan godenpaar Johnny en June schatplichtig duetje. En “Cherokee Shuffle” tenslotte is een korte instrumentale fiddle-exercitie.

Onze favorieten hier: het zwierige, vrijwel meteen tot meeneuriën of meezingen uitnodigende titelnummer, het hoegenaamd uit elke porie naar Texaanse barlucht geurende “Country Music Made A Drinker Out Of Me”, het subtiel swingende, door Brooks gedragen “Take Back This Heartache”, het zo mogelijk nog sprankelendere “Bottle Of Whiskey” en vooral ook het de grote Hank Williams op onnavolgbare wijze erende “Songs About Hank Williams”.

FingerPistol, CD Baby

 

PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Gaste Live” (Woo-Hoo Records)

(5*****)

Ongenode gasten zullen Peter Beeker en z’n maats hier wellicht nooit worden. Daarvoor ben ik door de jaren heen wat al té verslaafd geraakt aan hun muziek. Voor mij is dit vijfmanschap zonder meer het allerbeste wat Nederland op (roots)rockvlak te bieden heeft. Limburger of niet, Beeker en co vloeren je met hun liedjes in hun eigen dialect vroeg of laat genadeloos. En het is de ongebreidelde passie, die het hem daarbij wellicht doet.

En precies die passie is nog net wat manifester dan anders aanwezig op “Gaste Live”, het zopas verschenen nieuwe album van de heren. Daarop tien liedjes, ingeblikt op diverse locaties in hun thuisland. Meer bepaald in de Take Five in Venlo, in de ECI Cultuurfabriek in Roermond, in Gebouw-T in Bergen op Zoom en in poptempel Paradiso in Amsterdam. En bij het noteren van de naam van die laatste bühne moest ik toch onwillekeurig even terugdenken aan de gevleugelde woorden van Beekers collega Jack Poels van Rowwen Hèze. ’t Is een kwestie van geduld inderdaad…

Maar goed, terug tot de orde van de dag! “Gaste Live” dus. En da’s ruim drie kwartier lang balanceren op het scherp van de snee. Bij momenten al lang meer rock dan roots, maar “who cares”! Wat Beeker en z’n maats hier serveren is quasi even meedogenloos als een shot whisky op nuchtere maag. Het vergt wat van een mens, maar het is wel verdomde lekker! Je denkt aan de Stones in hun allerbeste dagen, aan een Ryan Adams, aan Wilco ook. Alleen, ik heb me in geen tijden zo geamuseerd met een plaat van die acts, als met deze hier. Gelijk van bij het lekker rockende “Bitter” is het zwaar prijs. Een eerste van tien muzikale homeruns, zo blijkt. Want ook het van een shot country(rock) bediende “Door Ut Stof Neet Meer”, de buitengewoon soulvolle en doorleefde tragen “Letste Van De Lien” en “Non-Stop”, het hypernerveus om zich heen schoppende “Metroman” en ouwe getrouwen als “Valentijn”, “Baedel Neet”, “Bliej Das Se D’r Bis” en lijflied “Laef Hard” hebben het stuk voor stuk in zich. Ze doen je als het ware nu al snakken naar een volgende doortocht van de heren ergens bij jou in de buurt.

Veel beter worden live-platen amper (nog) gemaakt!

Peter Beeker & Ongenode Gaste

 

SLAM & HOWIE AND THE RESERVE MEN “Live All Over Europe” (Wanted Men Recordings / Membran)

(4****)

De titel spreekt met betrekking tot de nieuwe van Slam & Howie And The Reserve Men echt wel boekdelen. Het betreft hier immers daadwerkelijk de eerste, in diverse Europese landen ingeblikte live-cd van de Zwitsers. Twintig nummers staan erop, vereeuwigd tijdens zeventien verschillende gigs in zeven verschillende landen. Zo’n beetje “all over the map” dus inderdaad…

Afgetrapt wordt er met het veelzeggende “Wanna Be On The Road Again”. Dat in een club in het Tsjechische Sušice ten gehore gebrachte stampertje kruist op hoogst aanstekelijke wijze bluegrass met recht-toe-recht-aan rock. Vervolgens belanden we met het stilistisch uit ongeveer hetzelfde vaatje tappende “Johnny” in Le Tigre in het Franse plaatsje Séléstat. En ook ons land wordt aangedaan. Het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in Herselt meer bepaald. Liefst twee bijdragen werden aan hun doortocht aldaar vorig jaar ontleend. Het supersonische, zo’n beetje als hun lijflied fungerende “Bastard Speed Country Boys” en een gesmaakte cover van Steve Earle’s “Johnny Come Lately”. Samen met een okselfrisse benadering van de traditional “Old Dan Tucker” meteen ook de enige vreemde eend in de bijt hier, dat nummer. Voorts uitsluitend eigen songs, zoals het beatgewijs voorzichtig even met rockabilly flirtende “Wakin’ Up”, (countryrock)rustpuntje “Walk Away”, meezinger “Crossfire”, de folkpunker “Ronnie Free”, de deluxe-rocker “Berlin”, het al even zwierige “Drinkin’ & Ramblin’” – Die andere “signature song” van de heren! – en het buitengewoon sfeervolle “Desert Train”. Concertgangers in Tsjechië, Frankrijk, Spanje, Italië, Zwitserland, Duitsland en ons land genoten er echt met volle teugen van.

En dat hoeft eigenlijk allerminst te verbazen, aangezien de eigenzinnige mix van elementen uit country, bluegrass, folk, rock en punk die Lt. Slam en de zijnen serveren vrijwel ogenblikkelijk ongelooflijk aanstekelijk werkt. Hierbij stil blijven zitten is echt zo goed als uitgesloten! Mocht het je toch lukken, dan ben je wellicht dringend aan een bezoekje aan je huisarts toe…

Slam & Howie And The Reserve Men

 

REED TURNER “Ghosts In The Attic” (Reed Turner)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met deze buitengewoon getalenteerde knaap moeten we ondertussen ook alweer vijf jaar terug in de tijd. Meer bepaald naar 2009 dus, toen hij ons verraste met zijn onder de hoede van Clay Cook ingeblikte debuut “All My Running”. Toen al was duidelijk, dat Reed Turner geen gewone was. Zijn capaciteiten als storyteller sprongen meteen volop in het oog. Een gegeven, dat goed en wel twee jaar later overigens ook al bevestiging vond op ’s mans tweede, de als één kant van een ouderwetse LP opgevatte en van een veelzeggende titel voorziene EP “Side One: See How Far I Can Get”.

Nu, wederom drie jaar later, vloert Turner ons echter pas helemaal. Met “Ghosts In The Attic”, z’n door veel van onze Amerikaanse collega’s eigenlijk onterecht als z’n “sophomore effort” bestempelde nieuwe langspeler. Z’n eerste plaat, die hij in z’n eigenlijke thuishaven Austin opnam overigens. Onder het productionele toezicht van Matt Noveskey en met de nodige studiohulp van bekend en minder bekend volk als Pat Harris (bas), Brian Broderick (gitaren), David Sierra (drums en percussie), Phoebe Hunt (fiddle en zang), John Arndt (piano), Kim Deschamps (pedal steel) en Ellie Carroll (zang) vereeuwigde Turner (zang, gitaren en mondharmonica) er in een studio van Test Tube Audio tien nieuwe liedjes. Uitsluitend eigen materiaal, waaronder één enkele co-write met het al genoemde duo Harris en Hunt (“Long Gone”).

En in die liedjes gaat Turner, daarbij weliswaar vrijwel voortdurend netjes binnen de grenzen van het americanagenre blijvend, stilistisch gezien behoorlijk ruim. Gelijk van bij het eerste nummer grijpt hij je als luisteraar stevig bij je nekvel om je pas ruim drie kwartier later weer terug los te laten. Dat eerste liedje, de bedrieglijk lieflijke folkrocktrage “Modern Man”, leeft volop van de in de tekst ervan opgebouwde spanning. Van woorden als “Time is the devil’s throne. It’ll drag you down and just keep kicking.” bijvoorbeeld word je – Hoe waar ze ook zijn! – als luisteraar nu niet meteen vrolijk… En met dat eerste deuntje is de toon meteen ook gezet, zo blijkt al snel. Het er direct op volgende tweetal “Ghost In The Attic” en “Killed That Girl (‘Cause She Was Killin’ Me)” – Alleen die titel al! – gaat zelfs nog een eindje verder. Je denkt bij het “creepy” blueskarakter ervan vrijwel meteen terug aan het materiaal van zulke acts als Sixteen Horsepower, Wovenhand, Hyacinth House en Grant Lee Buffalo. En dat is wat ons betreft best wel goed gezelschap.

“Room For Doubt” is vervolgens weer een pak rustiger. Twijfel regeert daadwerkelijk volop in dat als sfeervolle americanaballade te bestempelen kleinood. Met een speciale vermelding voor Kim Deschamps’ werkelijk sublieme bijdrage op de pedal steel erin. Via het loodzware, zo op het eerste gehoor uit gelijke delen folk, blues, jazz en rock bestaande “Long Gone”, de voor Turners doen best wel behoorlijk glad aandoende countryrocker “Locking Doors” en het op eenzaam snarengetokkel geënte “Familiar Sound” belanden we bij “The Fire”, naar ons gevoel één van dé absolute hoogtepunten van “Ghosts In The Attic”. De beste Neil Young is in die trage rocksong even niet veraf. Resten dan nog: de knappe rootspopballade “Long Way To Go” en het ons in al zijn vocale grandeur voorwaar heel even aan Jeff Buckley zaliger herinnerende “The Sculptor & The Stone”.

Gaan we nog héél veel van horen, van deze knaap! Jonge storytellers van dit kaliber kom je immers lang niet alle dagen tegen…

Reed Turner

 

JEFF LARSON “Close Circle” (NCompass Music)

(4****)

Net als z’n voorganger “Left Of A Dream” is ook Jeff Larsons nieuwe worp “Close Circle” weer een hoogst aangename “trip down memory lane” geworden. Al na enkele tellen waan je je als luisteraar andermaal ergens in de vroege seventies. En dat in Californië meer bepaald. Daar waar melodieuze soft rock steeds weer beter bleek te klinken dan waar dan ook ter wereld.

Naar aanleiding van zijn vorige platen doken met betrekking tot Larson her en der al de nodige vergelijkingen op met onder meer America en Crosby, Stills, Nash & Young. En daar zouden wij er hier en nu graag nog een paar aan toevoegen door het noemen van de namen van Jackson Browne en Randy VanWarmer. En van de Eagles bij momenten ook wel. Een fluwelen stem, memorabele melodieën, mooie teksten, instrumentaal vakmanschap, kortom hier vind je net als bij de genoemde acts zo ongeveer alles wat je je als luisteraar maar wensen kan. En dus zou je denken, dat Larsons muziek ook uitermate geschikt is voor gebruik op grote schaal. In een wat rechtvaardigere wereld zouden dingen als de zich meteen knus tussen je oren nestelende ballade “Rescue”, het bedaard rockende “Following The Echoes”, de op wel bijzonder subtiele wijze met wat mandolineklanken besprenkelde trage “Even When The Rain Comes”, het als een zacht zomerbriesje aan je voorbij waaiende perfecte popdeuntje “Goodbye Ocean Street Beaches”, het voorzichtig wat meer richting Americana anno nu overhellende “Always The Mystery” en andere ons inziens vrijwel continu de ether vullen.

Voor de productie van dit pareltje tekenden naast Larson zelf ook Jeff Pevar en Hank Linderman. En buiten die twee verleenden verder onder anderen ook Dewey Bunnell en Gerry Beckley van America, de je misschien ook wel uit de entourage van Brian Wilson bekende Jeffrey Foskett, Jeddrah, Randell Kirsch, Jim McCarty, Jeff Jarboe en Dave Nachmanoff de nodige muzikale hand-en-spandiensten.

Très sympa allemaal!

Jeff Larson, CD Baby

 

THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” (The Oldtime Stringband / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van de band zegt in dit geval hoegenaamd alles. Old-time stringband music is immers daadwerkelijk wat er op het programma staat. Deels traditioneel spul, deels covers. Enkel het door respectievelijk Shelly O’Day en Nout Grupstra geschreven drietal “Little Liza Jane”, “High Sierra” en “Fare You Well My Bonny” vormt wat dat betreft een uitzondering. Maar ook die drie liedjes sluiten muzikaal gezien perfect aan bij de rest hier.

The Oldtime Stringband is overigens een Nederlands gezelschap. De groep bestaat uit Nico Keereweer (fiddle en zang), Ton Knol (gitaar en zang), Ruud Spil (banjo en zang), Shelly O’Day (gitaar, autoharp en zang), Nico Druijf (double bass en zang) en Nout Grupstra (fiddle, cajunaccordeon en zang). En met “Chicken Crows For Day” is men ondertussen al aan zijn tweede cd toe. Eerder verscheen immers ook reeds “Gotta Quit Kickin’ My Dog Around”.

Wat ons vooral aanspreekt in de muziek van The Oldtime Stringband, is de ongebreidelde spelvreugde die er van af spat. Vrijwel te allen tijde hoor je, dat alle betrokkenen zich tijdens het opnemen van “Chicken Crows For Day” kostelijk geamuseerd moeten hebben. En dat werkt hoogst aanstekelijk! Zo is het bijvoorbeeld zo goed als onmogelijk om stil te blijven zitten bij de door Nico Druijf gezongen versie van “good old” Jimmie Rodgers’ “Waiting For A Train”, bij de door de banjo van Spil aangejaagde lezing van de traditional “Bowling Green” en het zwierige, hier hoger al even genoemde “Fare You Well My Bonny”. Samen met erg mooie versies van Holly Tashians “Home” en Neil Youngs “Dance Dance Dance”, het cajunwalsje “La Valse de La Belle” – Met een vocale glansrol voor O’Day! – en het op ongemeen sfeervolle wijze de feestelijkheden aflsuitende “Pretty Saro” zijn dat onze muzikale “plats préférés” hier.

Vermelden we tot slot ook nog even, dat The Oldtime Stringband binnenkort zal aantreden op de tweede editie van het COUNTRYfestival in Groot-Gelmen bij Sint-Truiden. Op dag twee van het gebeuren meer bepaald. Op zaterdag 13 september dus, als Château de la Motte verder onder meer ook nog Irene Kelley, Eriksson Delcroix, The Whiskey Gentry en Los Pacaminos (mét voormalig popidool Paul Young) begroeten zal.

The Oldtime Stringband, Sonic Rendezvous

 

BUFORD POPE “Sticks In The Throat” (Unchained)

(4****)

Voor deze man braken we hier al eens eerder een lans. Remember zijn “Matching Numbers” van zo’n jaar of twee geleden? Wij alleszins nog wél, want dat was typisch zo’n plaat, die je graag binnen handbereik hebt tijdens lange ritten met de wagen. En zo maken wij er nogal wat, vandaar…

Hebben we de voorbije twee jaar dus ook heel veel gedraaid, dat “Matching Numbers”. En iets ergens diep hier vanbinnen suggereert nu al volmondig, dat zulks ook wel zal gaan gebeuren met Buford Pope’s nieuwe, z’n vijfde al, “Sticks In The Throat” heet die. Want ook dat is weer een dijk van een melodieuze rockplaat geworden, met her en der – Zij het ditmaal ook maar met mondjesmaat! – van die door ons zó gesmaakte rootskantjes.

Onder de productionele hoede van groepslid Amir Aly (piano, Hammond, Wurlitzer en harmony vocals) blikten Buford Pope (zang, akoestische gitaar, banjo en harmonica) en z’n maats Pelle Jernryd (elektrische gitaar, slide, lap steel en harmony vocals), Jörgen Lindström (bas en harmony vocals) en Mattias Pedersen (drums, percussie en harmony vocals) elf nieuwe liedjes in. Elf eigen composities van Buford Pope. Elf nummers, uitermate geknipt voor die heerlijke schuurpapieren strot van ‘m. Een stem die je doet terugdenken aan die van Rod Stewart in z’n hoogdagen, maar die hier en daar ook wel wat met die van Bryan Adams gemeen heeft. En dus komt het eigenlijk best wel goed uit, dat het materiaal op “Sticks In The Throat” beduidend meer richting rock overhelt als dat op z’n voorganger. Dat valt op. Gelijk van bij het onder stevig gitaarwerk kreunende openingsnummer “Don’t Take It Out On Me” al. Fans van de net al even genoemde Adams hebben daar ons inziens echt wel een flinke kluif aan. Via het melodieuze, mede door Aly’s toetsenwerk enigszins Springsteeniaans aandoende “She’s Gotta Country Mouth” belanden we vervolgens bij “Stand Up For Your Man”, opnieuw zo’n meedogenloze rockstreep. In “valse trage” “Love Affair” doet Pope het dan bijna op z’n Tom Petty’s even wat rustiger aan. Maar da’s maar voor even, wat in het daaropvolgende titelnummer gaat hij gewoon weer recht-toe-recht-aan. Zou wel eens een hitje kunnen worden, dat nummer! Hebben we dan nog te goed: de melodieuze rockers “Go Your Own Way”, “Highway”, “Give It Up”, “I’ll Get Over That” en “What Will Your Mama Say” en de mooie (rootsy) trage “You’re The Drug I Like To Use”.

Geen Zlatan hier, maar wel een verdomd sterk Zweeds elftal! Songelftal welteverstaan!

Buford Pope

 

AUBURN “Nashville” (Scarlet Records)

(3,5****)

Na een scheiding van meer dan een decennium vielen de leden van Auburn elkaar ergens in 2011 gewoon terug in de armen. En het eerste tastbare resultaat van die reünie was het een jaar later op de wereld losgelaten en al bij al behoorlijk lovend onthaalde “Indian Summer”. Daarop wisten zangeres Liz Lenten en haar cohorten op aanstekelijke wijze een brug te slaan tussen verleden en heden, tussen akoestisch en elektrisch, tussen pop, rock, folk, country en blues. “Insgesamt” een weinig retro aandoend, maar ook weer net niet teveel!

En met die omschrijving zitten we op de keper beschouwd ook voor opvolger “Nashville” weer helemaal juist. Stralend middelpunt van de belangstelling is andermaal Lenten. Met haar honingzoete (“So sweet it’ll make your hair curl!”) stem trekt ze quasi onopvallend alle liedjes naar zich toe. Een gegeven, waaraan ook de inbreng van echte toptalenten als Thomm Jutz (gitaren) en Mark Fain (bas) “überhaupt” niets veranderen kan. Die Jutz was het trouwens ook die tekende voor de bijzonder warmbloedige productie van “Nashville”.

En hij was op die manier dus ook medeverantwoordelijk voor een “an sich” erg Europees aandoend potje Americana. Meer “rootsy” dan “roots”, maar wel erg mooi!

Auburn

 

PAUL J. PHILLIPS “Magic” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Met de EP “Magic” is de dezer dagen vanuit New York City actieve Paul J. Phillips inmiddels al aan zijn derde soloplaat toe. En ook daarop stoeit hij, net als op voorgangers “Shooting Cars, Building Stars” en “Every Time I Leave”, weer uitgebreid met elementen uit genres als pop, rock, folk, blues en soul.

Geopend wordt er in stijl met eerste single “Time, Time”, een streep heerlijk rammelende ingehouden bluesy roots rock. Vervolgens gaat het richting single nummer twee, het ons van opzet op de één of andere manier aan iets van T. Rex herinnerende “Magic”. Poppy van uiterlijk, maar dan wel met een dikke laag soul en R&B daaronder! Het derde van de amper vijf liedjes op “Magic” is “Fly Boy”. En ook dat koppelt weer veel soulgevoel aan een an sich best wel radiovriendelijke popdeun. Resten dan nog: het zijn titel de nodige eer aandoende “Da Blues” en “Till It’s Gone”, een hoogst catchy, bepaald lekker voor zich uit jengelende rootspopdeun.

Verre van kwaad allemaal! En bij een volgende gelegenheid mag het van ons dan ook graag (weer) wat meer zijn…

Paul J. Phillips

 

BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” (Blue Colorado Music)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n album “What’ll It Be?” me onverwacht in de schoot werd geworpen nog nooit van Barry Ollman gehoord had. En dat hoeft eigenlijk niet eens te verwonderen ook, aangezien het daarbij nog maar om ’s mans eerste album blijkt te gaan. En dat ondanks een – Afgaande op de foto op de eromheenzittende digipak! – al redelijk gezegende leeftijd.

Met “What’ll It Be?” verrast Ollman alleszins in hoogst aangename zin. Gelijk van bij het openingsnummer, het me een weinig aan James Taylor herinnerende en met Graham Nash gebrachte “Imogen’s Lament”, had hij meteen mijn volle aandacht. Hoe hij daarin bij monde van een stilaan een dag ouder wordende fotografe al mijmerend de angst voor wat nog komen zal verwoordt, zet aan tot nadenken. “With no fear of dying, that never seemed hard. She’s much more afraid of losing her sight…” Zo had ik het allemaal nog niet bekeken… Maar ik mag er bijvoorbeeld ook niet aan denken, zelf ooit doof te eindigen. Dat zou zo’n beetje op hetzelfde neerkomen, denk ik…

Enfin, de toon is daarmee gezet. Bijzonder bedachtzaam schildert Ollman op “What’ll It Be?” tien erg mooie, in het leven van alledag hun bestaansreden vindende songportretten. Naar eigen zeggen allemaal met een welbepaalde reden. En wellicht is het precies dat gegeven, dat er een hoge mate aan authenticiteit aan verleent. Veel van het door de beste man gebrachte materiaal is van het eerder rustige type. Zoals het luisterliedjes naar mijn bescheiden mening eigenlijk gewoon betaamt ook. Maar er zijn ook wel wat uitzonderingen op die regel. “Banker’s Holiday” rockt mede dankzij een gesmaakte elektrische gitaarbijdrage van de je van Springsteens E Street Band bekende Garry Tallent bijvoorbeeld een aardig eindje weg. En ook het zomers geklede “popdondertje” “Almost Time” heeft een dergelijk licht opgewonden karakter. Maar het merendeel van het materiaal valt dus onder de noemer ballades. En – Eerlijk is eerlijk! – daarin is Ollman ook gewoon op z’n best. Die honingzoete, zoals eerder al even aangegeven, wat aan James Taylor refererende stem van ‘m doet het ‘m daarin keer op keer opnieuw! Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als “Lean In Close”, “Blue Colorado”, “The Old Country” of het afsluitende “Almost Time” en je zal me daarin allicht maar wat graag bijtreden.

Een mooie stem, erg mooie liedjes, die dan ook nog eens worden gebracht door louter topmuzikanten, wat wil een mens eigenlijk nog meer?

Barry Ollman, CD Baby

 

TRUE NORTH “True North” (True North)

(3,5****)

Het feit dat ze op verschillende continenten wonen weerhield er singer-songwriters Eva Hillered, Patrick Rydman en Janni Littlepage absoluut niet van om een mooie vriendschapsband te smeden en samen te gaan werken. En zo ontstond uiteindelijk ook True North. Een trio dat in eerste instantie opvalt door z’n werkelijk puntgave harmonieerwerk. Als Hillered, Rydman en Littlepage samen gaan zingen, dan hangt er geregeld even wat magie in de lucht.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de door Littlepage gepende, aan de groep ook haar naam verlenende ballade “True North”. Prachtig, hoe de stemmen van de drie elkaar daarin aanvullen! Dat heerlijke rootspopdeuntje is wat ons betreft meteen ook het absolute hoogtepunt van de voorliggende EP. Daarop verder ook nog: het ingehouden rootsrockende “New Way ‘Round”, het wat meer naar folkpop overhellende “Back To The Mother”, het op buitengewoon boeiende wijze met een americanagegeven omspringende “The Death Of Mr. Jones” en de warmbloedige, al na één enkele beluistering tot luidkeels meezingen uitnodigende eigentijdse countryriedel “Floats On Water”.

Vijf liedjes, die wat ons betreft nu al doen uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van dit Zweeds-Amerikaanse drietal!

True North

 

ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” (DarkSideOut Records)

(4,5*****)

Voor onze eerste kennismaking met de Ier Ultan Conlon moeten we al terug naar 2011. Op het knappe John Martyn-eerbetoon “Johnny Boy Would Love This” stootten we toen immers niet enkel op bijdragen van onder anderen Beck, David Gray, Paolo Nutini, Beth Orton en Lisa Hannigan, maar ook op ‘s mans uitvoering van “Back To Stay”. Wat googelen leerde ons aansluitend, dat Conlon met dat nummer al bepaald niet meer aan zijn proefstuk toe was.

De beste man debuteerde al in 2004 met een naar zichzelf vernoemde EP. Twee jaar later nam hij vervolgens samen met de eveneens uit Galway afkomstige John Conneely onder de vlag UltanJohn de langspeler “Really Gone” op. En in 2009 volgde ook nog zijn eerste solo-lp “Bless Your Heart”, een plaat die door lokale krant The Evening Herald prompt werd bestempeld als “The most impressive Irish debut since Damien Rice’s ‘O’”. Een erg mooie geloofsbrief…

Benieuwd, wat ze ginder denken van Conlons nieuwste worp. Dat schijfje, het onlangs verschenen “Songs Of Love So Cruel”, vinden wij immers op onze beurt bepaald indrukwekkend. Gelijk van bij onze eerste beluistering van het aan het geheel zijn titel verlenende openingsnummer “In The Mad” waren wij compleet verkocht. Wat een heerlijke rootspopdeun was dat! Herinnerde ons tegelijk aan Ron Sexsmith, aan Roy Orbison en aan Bruce Springsteen. Huiveringwekkend mooi gewoon! En, zoals later zou blijken, de inzet van net geen achtendertig minuten topamusement. Van een album boordevol prachtige verhalen, veelal gevuld met hartzeer, muzikaal te situeren ergens tussen pop, rock, folk en country. Doorgaans van het wat rustigere soort, al zorgen songs als het al genoemde “In The Mad”, “Lonely Avenues” en “The Golden Sands” bij tijd en wijle wel voor wat tegengewicht.

Had op ons quasi dezelfde impact als het debuut van de eerder al genoemde Ron Sexsmith en Richard Hawley’s magistrale tweeluik “Lady’s Bridge” en “Truelove’s Gutter”. En laat dat nu net enkele van onze lievelingsplaten aller tijden zijn…

Ultan Conlon

 

DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” (American Blues Label Group / Import)

(4****)

“Screaming In The Wind” is de door de onder meer om zijn werk met Buddy Guy, George Thorogood, Johnny Winter en Susan Tedeschi alom geprezen Tom Hambridge geproduceerde derde van bluesrocker Dudley Taft. Na “Left For Dead” uit 2011 en “Deep Deep Blue” van vorig jaar een derde staaltje van ’s mans aanzienlijke talenten als zanger en gitaarbeul.

Die nieuwe cd bevat een dozijn nieuwe liedjes, waarvan Taft het leeuwendeel ook zelf schreef. Sommige met Hambridge en Richard Fleming, het gros echter gewoon in z’n eentje. En natuurlijk stootten we hier ook op enkele covers. Gelijk bij het begin al. Tafts cover van Skip James’ “Hard Time Killing Floor Blues” deed ons spontaan op zoek gaan naar onze oude Led Zep- en Cream-platen. Zo goed? Zo goed! En ook zijn meteen daaropvolgende uitvoering van Freddie Kings “Pack It Up” mocht er wat ons betreft absoluut zijn. Heerlijk soulvol gebracht, dat nummer! En vanaf dan ging het aan een echte rotvaart verder doorheen eigen materiaal: via de met z’n hoofd nog volop in de seventies levende bluesy hardrocker “Red Line” over het zich op bezwerende wijze voortslepende titelnummer en het zalig vonkende “3DHD” tot het heerlijk funky neergelegde “I Keep My Eyes On You”, de wederom van de soul bulkende trage “The Reason Why”, het ons op de één of andere manier aan ZZ Top herinnerende “Rise Above It”, vreemde eend in de bijt “Barrio”, de eigenzinnige, beenharde Delta-blueshybride “Sleeping In The Sunlight”, het behoorlijk psychedelisch uit de hoek komende “Tears In The Rain” en het afsluitende bluesrockmonster “Say You Will”.

Roodheet van de eerste noot tot de laatste! Ruim eenenvijftig minuten lang! En met gesmaakte gastbijdragen van onder anderen toetsenist Reese Wynans, de Muscle Shoals Horn Section en de onnavolgbare McCrary-zussen.

Dudley Taft

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

LONESOME SHACK “More Primitive” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Lonesome Shack is de naam van een uit zanger-gitarist Ben Todd, bassist Luke Bergman en drummer Kristian Garrard bestaand trio uit Seattle dat dezer dagen behoorlijk van zich doet spreken. En de tien voornaamste redenen voor die “buzz” zijn allicht terug te vinden op “More Primitive”, het onlangs verschenen nieuwe album van de groep.

Ruim tweeënveertig minuten lang serveren Todd en co daarop effectief behoorlijk primitief aandoende blues- en boogiehybriden, die je anno 2014 nu niet meteen van een stel jonge “bleekgezichten” als hen zou verwachten. Je denkt aan een John Lee Hooker, aan een RL Burnside, aan Canned Heat, aan Little Feat ook. Ritmisch totaal ongekunsteld, op het randje van het bezwerende af, lekker rauw ook. En bovenal: ongemeen authentiek!

Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de nadrukkelijk aan de oude Hooker herinnerende boogie “Wrecks”, het wild “hipshakend” op dansgrage benen mikkende “Head Holes”, het op de keper beschouwd bepaald hypnotisch werkende “Old Dream” of het over een echte “killer bassline” heen gedrapeerde titelnummer en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen! ’t Is dat we hier vooraf al afdoende ingelicht waren over de afkomst van dit schijfje of we waren de oorsprong ervan gegarandeerd ergens helemaal anders – In een totaal verkeerde buurt! – gaan zoeken.

Dit één keer horen is het ook kopen!

Lonesome Shack, Alive Naturalsound Records, Sonic Rendezvous

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” (Proper Records / Rough Trade)

(4****)

Folklegende Richard Thompson trekt dit jaar zowat de hele zomer lang solo doorheen de UK. En om ook wat (actueel) plaatmateriaal beschikbaar te hebben, dat aan het toch wel wat aparte karakter van die live shows beantwoordt, dook hij nog snel even de studio in en blikte er nieuwe versies van zo menig een klassieker op het eigen repertoire in.

“Acoustic Classics” lost de belofte van z’n titel met andere woorden helemaal in. Het album bevat immers louter akoestische versies van veertien liedjes, die Thompson zelf selecteerde uit de overvloed aan materiaal uit z’n ondertussen ruim veertig jaar overspannende loopbaan als singer-songwriter. Eén groot feest der herkenning dus! Of wat dacht u van van alle (overbodige) franje ontdane uitvoeringen van klassiekers als “I Want To See The Bright Lights Tonight”, “Walking On A Wire”, “Down Where The Drunkards Roll”, “Persuasion”, “1952 Vincent Black Lightning”, “I Misunderstood”, “From Galway To Graceland”, “Valerie”, “Shoot Out The Lights”, “Beeswing”, “Dimming Of The Day” en vele andere?

Thompson straalt hier zowel als zanger, als op de akoestische. En eerlijk? Zó horen we hem eigenlijk nog het liefst van al.

Richard Thompson, Proper Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home