CD-recensies augustus 2014

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

PAUL COLLINS “Feel The Noise” - TOM GILLAM “Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” - MICKY & THE MOTORCARS “Hearts From Above” - LOS LONELY BOYS “Revelation” - DR. JOHN “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” - LEON BROCK “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness” - VINNIE’S TV “Grapes & Ghosts” - THE DEER RUN DRIFTERS “Appalachian Blues” - MARK JUNGERS “I’ll See You Again” - VICTOR CAMOZZI “Cactus & Roses” - LARKIN POE “Kin” - MICKEY CLARK & THE BLUE NORTHER “Reasons & Rhymes” - EDDIE SEVILLE “Ragged Hearts” - PAUL DOUGHERTY “River Pearl” - JEFFREY HALFORD & THE HEALERS “Rainmaker” - SLEEPY DRIVER “Ignatius” - JIM & LYNNA WOOLSEY “The Road That Brings You Home” - ADAM COHEN “We Go Home” - POLICE DOG HOGAN “Westward Ho!” - BRAD BOYER “Montagu Hotel” - TRENT MILLER “Burnt Offerings” - THE SNAKES “The Last Days Of Rock & Roll” - BLIND LEMON PLEDGE “Evangeline” - DAVE MCGRAW & MANDY FER “Maritime” - SWEETKISS MOMMA “A Reckoning Is Coming” - BENJAMIN FOLKE THOMAS “Too Close To Here” - STAN MARTIN “Whiskey Morning” - LOUDON WAINWRIGHT III “Haven’t Got The Blues (Yet)” - FINGERPISTOL “Stepped In It Again” - PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Gaste Live” - SLAM & HOWIE AND THE RESERVE MEN “Live All Over Europe” - REED TURNER “Ghosts In The Attic” - JEFF LARSON “Close Circle” - THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” - BUFORD POPE “Sticks In The Throat” - AUBURN “Nashville” - PAUL J. PHILLIPS “Magic” - BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” - TRUE NORTH “True North” - ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” - DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - LONESOME SHACK “More Primitive” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” - EILEEN ROSE “Be Many Gone” - HEGE BRYNILDSEN “Till Harry” - CURTIS HARDING “Soul Power” - JIM STAPLEY “Long Time Coming” - TIP JAR “Back Porch” - THE DELTA SAINTS “Live At Exit/In” - NQ ARBUCKLE “The Future Happens Anyway” - CORB LUND “Counterfeit Blues” - WILLIAM CLARK GREEN “Rose Queen” - HANK SHIZZOE “Songsmith” - MAX GOMEZ “Rule The World” - JESS KLEIN “Learning Faith” - EASTON STAGGER PHILLIPS “Resolution Road” - MARY GAUTHIER “Trouble & Love” - BEN MILLER BAND “Any Way, Shape Or Form” - THE DEVIL MAKES THREE “I’m A Stranger Here” - BEN VAUGHN “Texas Road Trip” - WAYLON JENNINGS “Analog Pearls Vol. 1” - BRIGITTE DEMEYER “Savannah Road”

                                                  

                                                                                                                                                 

PAUL COLLINS “Feel The Noise” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

Deze man was ooit één van mijn jeugdhelden. Aan het eind van de jaren zeventig viel ik immers als een blok voor “Different Kind Of Girl” en “Rock N Roll Girl”, twee nummers van het debuut van zijn groep The Beat, later noodgedwongen herdoopt tot Paul Collins’ Beat omwille van mogelijke naamverwarring met het in dezelfde periode actieve Britse skagroepje, dat toen hitgewijs net volop aan de bak was dankzij nummers als “Best Friend”, “Hands Off She’s Mine” en “Mirror In The Bathroom”.

Maar onze Paul Collins, die had dus niets met ska, die stond voor rock & roll pur sang van het type powerpop, een muziekgenre dat net op hetzelfde moment ook “boomde”. Men denke bijvoorbeeld maar even weemoedig terug aan lekkere dingen als “My Sharona” van The Knack, “My Best Friend’s Girl” van The Cars, “Back Of My Hand” van The Jags, “I Want You To Want Me” van Cheap Trick, “Hard To Get” van The Rubinoos, “What I Like About You” van The Romantics en andere. Dat waren nog eens tijden!

En precies naar die tijden neemt Collins ons op zijn nieuwe plaat mee terug. Alsof zijn klok ruim dertig jaar heeft stilgestaan! “Feel The Noise” maant hij ons gelijk in het openingsnummer aan, het inleidende salvo tot ruim vierendertig minuten ouderwets lekker, niet bepaald zuinig naar de betere pop- en rockmuziek van de (late) sixties terugharkend muzikaal vertier, opgenomen in klassieke driemansbezetting. Een elektrische gitaar, een bas en drums, meer is er doorgaans niet nodig om ’s mans op rete-aanstekelijke melodieën geënte liedjes te laten slagen.

Bij catchy songs als de echt volop van sprankelend gitaarwerk van producer Jim Diamond profiterende oorwurm “Only Girl”, het springerige “Baby I Want You”, het bij nader inzicht zo’n beetje als geloofsbelijdenis fungerende “I Need My Rock N’ Roll”, het met enkele lekker luid mee te brallen regels gezegende “Don’t Know How To Treat A Lady” en de mooie, helemaal niets met de gelijknamige Troggs-hit uit ’66 te maken hebbende trage “With A Girl Like You” en andere waanden wij ons zo weer volle drie decennia jonger. Met het door het trio Holland-Dozier-Holland gepende “Reach Out I’ll Be There” prijkt er overigens wel één cover op “Feel The Noise”. Die Motown classic krijgt hier een muzikale makeover mee, die mij voorwaar heel even aan Joe Strummer en z’n Clash in hun hoogdagen deed terugdenken.

Na zoveel fraais is er eigenlijk maar één enkele conclusie mogelijk! Om het met de woorden van Collins zelf te zeggen: “Keep on rocking!” Gaan we zeker doen, Paul…

Paul Collins, Alive Naturalsound, Sonic Rendezvous

 

TOM GILLAM “Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” is na “Play Loud, Dig Deep” van een jaar of vijf geleden al Tom Gillams tweede live-cd. En net als de titel van die plaat verraadt ook die van ’s mans nieuwe eigenlijk gewoon weer alles wat er ons te wachten staat. Was “Play Loud, Dig Deep” inderdaad nog aan de luide (rockende) kant, dan werd tijdens de opnames van “Last Night On Earth” alles akoestisch gehouden, wat ook effectief resulteerde in een erg relaxed geheel.

Het naar de titel van één van de liedjes op z’n voorganger “Good For You” uit 2012 vernoemde nieuwe album van Gillam ontstond eigenlijk als bij toeval. Het was z’n US Rails-collega Matt Muir die de tegenwoordigheid van geest had om het eenmalige, in december 2013 in het Barrington Coffee House in ’s mans thuishaven New Jersey afgewerkte akoestische optreden te vereeuwigen. Muir, die trouwens net als Ben Arnold hier en daar ook wat muzikale hand- en spandiensten mocht verlenen. Allebei zongen ze occasioneel een mondje mee, Muir verzorgde wat percussie en Arnold kroop zo nu en dan achter de piano.

Doorgaans horen we echter enkel Gillam op z’n akoestische gitaar of diezelfde piano. In, gezien het tijdstip van opnemen niet meer dan logisch ook, nogal wat materiaal van “Good For You”. We mogen hier in dat verband zowel titelnummer “Last Night On Earth” als “Goodbye Goodtime”, “Right Here, Right Now” en “A Train, The Rain & Other Things” vernoemen. Voorts uiteraard ook van de partij enkele klassiekers op het repertoire van Gillam zoals een “Outside The Lines”, een “Rainbow Girl” en een “Where Is Bobby Gentry”. En gelukkig ook de prachtige Terri Hendrix-cover “Hand Me Down Blues”, misschien wel het allermooiste moment überhaupt hier.

Tom Gillam, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MICKY & THE MOTORCARS “Hearts From Above” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Drie lange jaren hebben ze ons laten wachten op een nieuwe cd, de broertjes Braun, en da’s op de keper beschouwd veel te lang voor een succesvolle act als Micky & The Motorcars. Maar goed, ze hadden er dan ook hun redenen voor. Er was vooreerst natuurlijk de compleet onverwachte dood van bassist Mark McCoy, die bij een ongeval om het leven kwam. En er was, mede als een gevolg daarvan, de dringende nood aan geheel en al nieuw personeel.

De Motorcars anno 2014 zijn dan ook niet langer deze van ten tijde van “Raise My Glass” en de voorgangers daarvan. Als nieuwelingen in de groep mogen we begroeten gitarist Dustin Shaefer, bassist Joe Fladger en drummer Paugh. En zij zorgen in een coproductie met Reckless Kelly-baas Willy Braun en “schone gasten” als diezelfde Braun en andere broer Cody, Jon Dee Graham, Bukka Allen, Marty Muse en Brian Standefer voor een album dat in z’n geheel een pak zonniger overkomt dan “Raise My Glass”. Doorgaans een aardig eindje wegrockend ook!

Frontman Micky Braun schoof bij het schrijven van zijn deel van het materiaal voor de plaat naar goede gewoonte aan tafel bij tal van getalenteerde collega’s. Met Ted Russell Kamp en z’n broer Willy schreef hij zo bijvoorbeeld het zomers-speelse “My Girl Now”, met Brian Keane tekende hij voor de knappe Red Dirt-rocker pur sang “Fall Apart”, voor het echt rete-aanstekelijke “Southbound Street” en het afsluitende “Tonight We Ride”, met Jason Eady voor het al even pakkende, op een enigszins bluesy aandoende vibe terende “Hurt Again” en met Dustin Welch en opnieuw Willy Braun voor de met een vleugje weemoed besprenkelde Americana-oorwurm “Destined To Fall”. Überhaupt opvallend aanwezig “this time around”, die Willy Braun. Zijn naam prijkt (mee) onder maar liefst zes van de twaalf gebrachte nummers.

Eén cover ook op “Hearts From Above” en dat is het je misschien al wel van Alejandro Escovedo’s “Real Animal” bekende en door diezelfde Escovedo samen met Chuck Prophet gepende “Sister Lost Soul”. Dat liedje wordt hier onder meer door een bepaald niet onaanzienlijke fiddle-bijdrage van Cody Braun in een eigentijds honky-tonk-keurslijf met bescheiden Spector-trekjes gewrongen. Héél knap!

Zoals bij nader inzicht heel “Hearts From Above” eigenlijk. Wij zouden in verband met deze nieuwe zelfs voorzichtig durven te gewagen van de allerbeste Micky & The Motorcars tot op heden!

Micky & The Motorcars, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

LOS LONELY BOYS “Revelation” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Prachtige nieuwe plaat alweer van een groep die me door de jaren heen eigenlijk nog nooit echt ontgoocheld heeft. Maar ditmaal zijn het dan ook niet de minsten, die de opnames in goede banen hebben geleid. De onder meer om zijn werk met John Mellencamp, R.E.M. en de Blasters geprezen Don Gehman en Emmy-winnaar Matthew Gerrard tekenden voor de job van producer. Gehman nam acht van de gebrachte nummers voor zijn rekening, Gerrard de resterende vier.

Afgetrapt wordt er met het met name accordeongewijs zeer nadrukkelijk naar de Mexicaanse roots van Garza-broertjes terugharkende “Blame It On Love”. Een hitgevoelige deun zoals je die ooit eigenlijk eerder van Los Lobos verwacht zou hebben. Vervolgens gaat het via de beklijvende latino funk van “Give A Little More” richting de catchy zomerse rootspopdeun “It’s Just My Heart Talkin’”, het voorwaar even voorzichtig richting de sixties lonkende “There’s Always Tomorrow”, het soulvolle en inderdaad erg sensuele “So Sensual” en het nu al tot een toekomst als “signature song” van de band gedoemde “Familia”. “Don’t Walk Away” belandt op zijn beurt dan weer ergens heel dicht in de buurt van groot groepsvoorbeeld Carlos Santana, “Can’t Slow Down” blijkt een killer rock song, “Dream Away” een ingehouden, me intro-gewijs even aan Ritchie Valens’ “La Bamba” herinnerende streep adembenemende etno-roots pop en “The Greatest Ever” een wolk van een ballade. Resten dan nog: de venijnige, meer dan zomaar een klein beetje richting hard rock neigende bluesrockescapade “Rule The World” en “Everything About You”, een verdere, het immer prachtige harmonieerwerk van de broertjes Garza etalerende trage.

Benieuwd, of die Garza’s hiermee eindelijk ook in onze contreien wat meer voet aan de grond gaan krijgen.

Los Lonely Boys, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DR. JOHN “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” (Concord Records / Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

De ene muzieklegende uit New Orleans met een eerbetoon aan de andere. En wie beter om de legendarische Louis “Satchmo” Armstrong te eren dan Dr. John? Inderdaad ja… Net als wijlen “Satch” indertijd zelf belichaamt ook Mac Rebennack immers zo ongeveer alles wat er anno nu leeft op rootsmuziekvlak in de “Crescent City”. Blues, jazz, R&B, funk, rock & roll, je zegt het maar! In zijn eigen onnavolgbare stijl tackelt de “Dokter” echt alles wat hem op z’n weg voor de voeten komt. Ook hier weer!

En aangezien Armstrong wordt gezien als één van dé meest invloedrijke trompettisten aller tijden is het eigenlijk niet meer dan vanzelfsprekend, dat Dr. John er daarvan een heel bataljon uitnodigde om hem tijdens de opnames van “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” bij te staan. Met name Nicholas Payton (“What A Wonderful World” en “Gut Bucket Blues”), Terence Blanchard (“Mack The Knife” en “Wrap Your Troubles In Dreams”), Arturo Sandoval (“Tight Like This” en “Memories Of You”), Wendell Brunious (“That’s My Home”), James “12” Andrews (“Dippermouth Blues”) en NOLA-legende The Dirty Dozen Brass Band (“When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)”) kwijten zich met brio van hun taak. Samen met Rebennack zelve en een echt de ogen uitstekende keurtroep aan andere muzikale gasten maken zij van dit eerbetoon een schoolvoorbeeld van hoe het eigenlijk zou moeten. Geen slaafs de originelen volgende nieuwe vertolkingen van Satch-hits hier, maar speels-respectvolle vertalingen daarvan naar het hier en nu.

De fantastische Blind Boys Of Alabama en de hoger al even genoemde Nicholas Payton helpen Dr. John zo bijvoorbeeld om uit het ondertussen zo ongeveer door de halve muziekwereld gecoverde “What A Wonderful World” toch nog een terzake doende, heerlijk swingende streep New Orleans R&B te puren. En ook die andere onomkomelijke Satchmo-klassieker, de evergreen “Mack The Knife”, bruist hier mede dankzij Mike Ladd en Terence Blanchard weer echt van het leven. Zo funky als hier hoorde je die classic allicht nog nooit! En het kan zelfs allemaal nóg leuker! Getuige daarvan het door de Cubaanse rapper Telmary (Diaz) en de onvolprezen Arturo Sandoval van een heuse Latin touch voorziene “Tight Like This”, voor ons meteen één van dé absolute hoogepunten van “Ske-Dat-De-Dat”.

Verder zeker ook niet te versmaden: het samen met Bonnie Raitt zwierig richtig het collectieve onderbewustzijn gecroonde “I’ve Got The World On A String”, een heerlijk funky uitgevallen lezing van “Gutbucket Blues”, de met de dezer dagen zo’n beetje alomtegenwoordige McCrary Sisters gebrachte passionele songtweeling “That’s My Home” en “Nobody Knows The Trouble I’ve Seen”, het net als “What A Wonderful World” eveneens met The Blind Boys Of Alabama gedeelde en mede daardoor nadrukkelijk naar een eigen plaatsje in de soulhemel dingende “Wrap Your Troubles In Dreams”, het door Shemekia Copeland van een gezonde dosis sexappeal voorziene “Sweet Hunk O’Trash” en het afsluitende “When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)”, hier door de buitengewoon lentefrisse blazersbijdragen van de Dirty Dozen Brass Band en het karakteristieke gelal van de “Night Tripper” himself weer als vanouds barstend van de “joie de vivre”.

Als je het ons vraagt: een echt feest van een plaat!

Dr. John, Proper Records

 

LEON BROCK “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness” (Saguaro Records)

(3,5****)                         

“We wilden iets doen dat opvalt,” aldus Delftenaar Leon Brock over de fraaie verpakking van zijn nieuwe album “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness”. “In plaats van de lelijke standaard ‘jewel box’ hebben wij de cd in blik verpakt. Als je de muziek niet mooi vindt, kun je er nog altijd je sigaartjes in opbergen.” Maar over dat laatste hoeft hij zich naar onze bescheiden mening allerminst zorgen te maken, onze noorderbuur. Die nieuwe van ‘m is immers echt wel een prima plaat geworden. Met tien streepjes tot aandachtig luisteren en meer dan eens instemmend knikken uitnodigende top-Americana.

Net als op z’n ondertussen vijf jaar geleden verschenen eerste soloplaat “Ordinary People” toont Brock zich ook hier immers weer als een man die daadwerkelijk iets te vertellen heeft. En als dusdanig als dankbaar surrogaat voor zo ongeveer alles wat dezer dagen vierentwintig uur op vierentwintig ethergewijs de revue passeert. Brock durft het aan om zich heen te kijken en in zijn liedjes hoofdschuddend te verwerken wat hij daarbij zoal aan onbegrijpelijk menselijk gedrag te zien krijgt. De absurditeit van behandelingen met botox bijvoorbeeld (“Welcome To The Botox Nation”), de van nog maar bitter weinig verantwoordelijkheidszin getuigende houding van sommigen op de weg ook (“My Egomobile”), de vraag waarom mannen toch zoveel geweld plegen (“Why Do Men”), het zijn maar enkele voorbeelden van door de beste man in zijn teksten aangesneden onderwerpen.

Het feit, dat hij die teksten bovendien ook nog eens mooi weet te verpakken is een ander serieus pluspunt. Voor het merendeel van zijn “verhalen over moderne waanzin” blijkt Americana een afdoende noemer. Soms wat meer country, soms wat meer folk, soms wat meer blues. En soms mag er al eens een andere invloed z’n opwachting maken ook. Zo waait doorheen het hier hoger al even genoemde “Why Do Men” een frisse flamencowind en krijgt het bij nader inzicht bijzonder speels opgevatte “A Two Pint State Of Mind” bij momenten voorwaar even een heus “La Bamba”-achtig ondertoontje mee.

Onze luistertips: de echt zalige, door Guus Westdorp en Henk de Kat van respectievelijk fraai piano- en accordeonwerk – Een Tex-Mex-toets! – voorziene countryschuifelaar “My Egomobile” en “Highway Prostitute”, het beklijvende verhaal van een al wat oudere, haar klandizie letterlijk van de snelweg plukkende prostituee.

Leon Brock

 

VINNIE’S TV “Grapes & Ghosts” (Vinnie’s TV)

(3,5****)

“Grapes & Ghosts” is de deels in het Ierse Cork, deels in Parijs ingeblikte eersteling van Vinnie’s TV, een behoorlijk eigenzinnig agerend zevenkoppig gezelschap geschaard rond ene Wade Lynch. Die ook in Cork wonende singer-songwriter schreef de grote meerderheid van het materiaal voor dat debuut. En hij schuwde er bepaald niet voor om er een gevarieerd potje van te maken. Invloeden als een Nick Drake, Grateful Dead, The Band en andere komen nadrukkelijk aan bod. Evenals een flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor traditionele Ierse volksmuziek.

Dat alles maakt, dat het er als een klassieke LP uitziende “Grapes & Ghosts” – U weet wel: vinylzwart, met “echte namaakgroefjes” en met een mooi label in het midden! – zich  bepaald niet gemakkelijk laat categoriseren. Het is soms gewoon heel veel dingen tegelijk. Neem nu het zwierige “Hole In My Boat” bijvoorbeeld. Dat is ten dele zwaar verslavend werkende traditionele Ierse folk, ten dele country, ten dele rockabilly. En “These Walls” blijkt vervolgens dan weer een maar net niet aan het walsen gaand streepje folk, compleet inclusief beheerst rockgitaarsnarengewriemel en dito countryfiddlegewoel. Wél makkelijk te plaatsen lijkt aanvankelijk de mooie trage “500 Miles”. Maar schijn bedriegt! Ook in de cover van die Hedy West-klassieker vechten bij nader inzicht pop en folk immers om de aandacht van de luisteraar, zij het net iets minder nadrukkelijk dan in voorgaande voorbeelden misschien.

Maar goed, je begrijpt ondertussen al wel waar dit naartoe gaat, natuurlijk… Om echt ten volle van “Grapes & Ghosts” van Vinnie’s TV te kunnen genieten moet je ernaar luisteren met een open geest. Je mag vooral niet (teveel) in hokjes gaan denken en moet openstaan voor occasionele verrassingen. Alleen dan zal je na enkele beluisteringen vallen als een blok voor de melodieuze hoogstandjes van Lynch en co. Want, neem het maar van ons aan, dit is een echt groeiplaatje!

Vinnie’s TV

 

THE DEER RUN DRIFTERS “Appalachian Blues” (The Deer Run Drifters)

(3,5****)

The Deer Run Drifters zijn een sympathiek Americana-kwintetje uit Floyd, een klein Appalachenstadje in het Zuidwesten van Virginia. De groep bestaat uit twee broederparen en een gemeenschappelijke vriend. Broers Chris en Joe Link springen daarbij allicht het meest in het oog. Chris schrijft immers het leeuwendeel van de songs, fungeert als leadzanger van de groep en blijkt bovendien ook goed uit de weg te kunnen op de akoestische. Joe van zijn kant zingt backings en bespeelt de mandoline. Broederpaar nummer twee zijn Sean en Shane Edgell. De eerste van die twee tekent eveneens voor backing vocals, akoestische gitaar en harmonica, de tweede voor alle banjobijdragen. Will Norton, de enige “niet-broer” ten slotte, doet het op de bas.

Samen produceren de heren het soort van muziek dat dankzij enigszins vergelijkbare acts als Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers, de Hackensaw Boys en andere de jongste jaren ongelooflijk aan populariteit aan het winnen is. Je zou het in navolging van alternatieve country alternatieve bluegrass kunnen noemen. Zoiets. Old-time stringband music vertaald naar het hier en nu. Akoestische muziek met z’n roots ergens bij het begin van de vorige eeuw maar met de beide voeten toch ook stevig in het jaar onzes Heren 2014 geplant.

En eigenlijk klopt op eersteling “Appalachian Blues” al meteen zo’n beetje alles. De licht nasale zang van Chris Link sprak me gelijk heel erg aan, de liedjes zijn knap, de teksten al evenzeer en muzikaal staat het album echt als een huis. De sfeer die ervan uitgaat is zó warmbloedig. Ze verleent aan “Appalachian Blues” een voor een debuut lang niet vanzelfsprekende geloofwaardigheid. Niets hier klinkt té gekunsteld of té gemaakt. Dit is op de keper beschouwd gewoon een heel erg sterk visitekaartje van een bandje, waarvan in de nabije toekomst ongetwijfeld nog heel veel gaan horen.

Très sympa!

The Deer Run Drifters, CD Baby

 

MARK JUNGERS “I’ll See You Again” (American Rural Records)

(4****)

Mark Jungers heeft als songsmid ondertussen al zoveel kilometers op z’n teller, dat alles quasi als vanzelfsprekend voor ‘m lijkt te gaan. En precies dat gegeven maakt van z’n zevende, het zopas verschenen “I’ll See You Again”, het lekkere album dat het toch wel is. Een “reality dealer” noemde een Amerikaanse collega hem naar aanleiding van een eerdere plaat ooit en die omschrijving blijkt ook na enkele beluisteringen van ’s mans nieuwe worp nog te staan als een huis. Ook op “I’ll See You Again” weer zijn veel van de songs bij nader inzicht louter marionetten aan de draden van de werkelijkheid van alledag. Met Jungers in de rol van vaardige poppenspeler, die tegen een achtergrond van country, folk, roots rock en nog wel wat andere usual suspects onder de ruimzittende sombrero, die Americana door de jaren heen toch wel geworden is, songgewijs speelt met alle hem ooit door het leven zelve aangereikte touwtjes.

Volop genieten geblazen is het quasi “en passant” van naar onze normen als veritabele songschoonheden te bestempelen dingen als de bedaard (country)rockende road song “I’ll Be Home”, het met een leuk streepje mondharmonica opgewaardeerde en ons van opbouw een beetje aan iets van Tom Petty herinnerende “I Don’t Want To Live There”, het omineuze stukje storytelling “Johnson Farm”, de sympathieke rootsrocker “That’s What They Say”, de Americana beauty “Do You Still Care”, het swampy bluesje “Everybody Knows But Me” en andere. Met een speciale vermelding nog voor het afsluitende “Ran Out Of Tears”. Dat begint op de mondharmonica als iets van Dylan in z’n hoogdagen maar bloeit gaandeweg open tot een prachtig staaltje van rootsy country.

Voor de productie van “I’ll See You Again” tekende Jungers zelf. Tussen de namen van de bij de opnamen ervan betrokkenen stootten we onder meer op die van Gurf Morlix (pedal steel en baritongitaar) en Gabe Rhodes (accordeon).

Mark Jungers, CD Baby

 

VICTOR CAMOZZI “Cactus & Roses” (Volvo Records)

(4****)

Met z’n twee voorgaande cd’s, z’n in 2008 verschenen debuut “3 Peso Cigar” en het daar drie jaar later op volgende “Roadside Paradise”, maakte de Texaanse singer-songwriter Victor Camozzi op ons een behoorlijk verpletterende indruk. En we waren dan ook maar wat blij, toen we onlangs vernamen, dat die ruiggevooisde songsmid eindelijk een derde klaar had. “Cactus & Roses” is de titel daarvan en om maar gelijk met de deur in huis te vallen, het is opnieuw een erg knap geheel geworden.

Kluizenaar Camozzi vergast ons op tien nieuwe liedjes, waarin hij op geheel eigen wijze de meest uiteenlopende gevoelens weet te verklanken. Van een schaamteloze liefdesverklaring in eerder ongebruikelijke bewoordingen (“Pretty Smile”) tot een ingetogen betoog over de door het voorgoed inslapen van een dierbare losgeweekte gevoelens (“Like A Child”) of een in exquise gitaargerinkel gehulde botsing met het eigen ouder worden (“The Other Side Of The Mountain”). Het leven van alledag misschien, maar dan wel bekeken door een niet zo alledaags brilletje. En precies dat maakt wat ons betreft van Camozzi de boeiende songsmid die hij is. Hij weet gewoon altijd opnieuw weer te verrassen.

Hoe de protagonisten in titelnummer “Cactus & Roses” elkaar steeds weer kwetsen en toch samen blijven, hoe hijzelf en z’n broer in een bar een onvergetelijk (vluchtig) avontuur beleven met een “Lost Girl”, hoe hij in “Bottom Of My Broken Heart” zelfs in een stukgelopen relatie naar het positieve op zoek gaat, hoe in het gelijknamige liedje een als “Crooked” bestempelde zich afvraagt, hoe dat dan wel komt en of je het nog kan veranderen, het zijn stuk voor stuk de zinnen prikkelende onderwerpen. En zo hebben wij ze hier graag…

Slotsom: het door Matt Downs geproduceerde en met melodieuze, vaak met een melancholisch randje afgwerkte liedjes gevulde “Cactus & Roses” van Victor Camozzi is een echte aanrader voor wie houdt van traditionele songschrijverij op z’n Texaans. Zeker zij die wel eens iets op plegen te zetten van andere, enigszins vergelijkbare troubadours als een Robert Earl Keen, een Steve Earle, een Guy Clark of een Kris Kristofferson moeten hier ons inziens beslist eens naar luisteren!

Victor Camozzi, CD Baby

 

LARKIN POE “Kin” (RH Music)

(4****)       

Na de EP’s “Spring”, “Summer”, “Fall”, “Winter”, “Thick As Thieves” en “Killing Time” (met Blair Dunlop) en het met de Noor Thom Hell gedeelde “The Sound Of The Ocean Sound” is er nu met “Kin” eindelijk een eerste volwaardige Larkin Poe-langspeler. En daarop laten de zussen Rebecca en Megan Lovell zich behoolijk gaan. Met een nimmer aflatende vlijt vlakken ze ruim veertig minuten lang minutieus elke zich op hun pad aandienende muzikale grens uit. En de noemer rootsmuziek blijkt uiteindelijk dan ook ruimschoots onvoldoende als de lading dekkende vlag voor “Kin”.

Gelijk van bij openingsnummer “Jailbreak” wordt ons duidelijk gemaakt, dat dit nieuwe Larkin Poe-album nadrukkelijk anders is dan om het even welke van zijn voorgangers. Heerlijk intens slidend worden we daarop swampy rockterritorium ingelokt. Een muzikale voedingsbodem, die we vervolgens even snel ook weer verlaten voor een aanstekelijke, ergens ver aan T. Rex verwante boogie-opstoot luisterend naar de veelzeggende titel “Don’t”. Daarop aansluitend gaat het via het nerveuze “Stubborn Love” (late sixties folk rockgewijs vertaald naar het hier en nu) en het aan een bezwerende lome rock groove opgehangen “Dandelion” richting “Crown Of Fire”, een met name van de ingehouden spanning erin levend streepje klasse-rootspop, “Elephant”, een in dezelfde muzikale uithoek gepresenteerde, aan zo’n typische chain gang beat van weleer opgehangen deluxe-oorwurm, en “High Horse”, een uitermate sympathieke rootsrocker.

“Sugar High” blijkt op zijn beurt dan weer iets te hebben met hard rock, “Jesse” stoeit folkgewijs met een eigentijds beatpatroon en het behoorlijk onderkoeld gebrachte “Banks Of Allatoona” doet inzake sensualiteit de veel hippere Lana Del Rey ogenblikkelijk zwaar naar adem happen. Ten slotte krijgt het ons al van de EP “Spring” bekende “We Intertwine” een lichtjes geweldige opknapbeurt mee alvorens met de werkelijk pijnlijk mooie pianoballade “Overachiever” de boeken weer dicht kunnen.

Meer dan ooit lijkt de toekomst Larkin Poe na “Kin” toe te lachen. Leek die toekomst eerst nog uitsluitend in rootsmuziekminnende kringen te moeten worden gezocht, dan ziet het er ondertussen naar uit, dat ook de rest van de wereld eraan zal moeten geloven. Met “Kin” verdienen de Lovells wat ons betreft zondermeer hun doorbraak op een wat grotere schaal.

Larkin Poe

 

MICKEY CLARK & THE BLUE NORTHER “Reasons & Rhymes” (sonaBLAST! Records)

(5*****)

“Reasons & Rhymes”, de nieuwe van Amerikaanse singer-songwriter op jaren Mickey Clark en zijn groep The Blue Norther, bleek ten huize Ctrl. Alt. Country typisch zo’n geval van “liefde op het eerste gehoor”. Eén enkele keer beluisteren en ik was compleet verkocht! Maar ja, beter worden ze wat mij betreft dan ook amper nog gemaakt. Dit is storytelling op z’n allerbest! Heel wat van de tien songs op “Reasons & Rhymes” mogen naar mijn, zoals altijd bescheiden, mening zomaar naast die van genregrootmeesters als een John Prine, een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Kris Kristofferson, een Willie Nelson en een Gordon Lightfoot worden geplaatst. Ze baden in datzelfde compleet ongedwongen sfeertje, dat van zo menig een countrydeuntje uit met name de eerste helft van de jaren zeventig door de jaren heen een klassieker gemaakt heeft. Mocht Clark deze plaat in pakweg ’74 of ’75 hebben afgeleverd, dan zouden er nu naar alle waarschijnlijkheid  ook enkele classics aan hem werden toegedicht.

Kandidaten daarvoor genoeg alleszins op “Reasons & Rhymes”. Met als “primus inter pares” het werkelijk verbluffend mooie “Song For Rudell (Stitch)”. Daarin eert Clark op beklijvende wijze één van zijn eigen jeugdvrienden, een jonge bokskampioen, die om het leven kwam tijdens een poging om een vriend te redden uit de golven van de Ohio-rivier. Een echt kippenvelmoment!

Erg mooi vond ik verder onder meer ook nog het autobiografische “Reasons And Rhymes”, het zalig swingende “Waddy Peytona”, instant-oorwurmen “Bakersfield Wine” en “I Remember Loving You”, de echt wel van veel respect getuigende cover van Kris Kristoffersons “Sunday Mornin’ Comin’ Down”, het voorzichtig rockende “Sweet Evangeline” en het z’n titel muzikaal best wel de nodige eer aandoende “Bluegrass Saturday Nights”.

Om het met de woorden van de grote Gordon Lightfoot samen te vatten: “What a jim dandy album you have here! Great songs, great lyrics, great vocals, great arrangements.” Die twee zinnetjes uit zijn mond zeggen eigenlijk hoegenaamd alles. Noem het door Clark samen met vakman Jim Rooney geproduceerde “Reasons & Rhymes” wat mij betreft daarom gerust nu al een kandidaat voor de titel van (traditionele) countryplaat van het jaar. Een echte aanrader van formaat!

Mickey Clark

 

EDDIE SEVILLE “Ragged Hearts” (Temple Ward Music)

(4****)

Ik wist, dat ik zijn naam al wel eens eerder gehoord had, alleen ging er niet direct meer een belletje rinkelen in welke context nu precies. Totdat ik de namen van het producerende trio van “Ragged Hearts” las: Paul Orofino, Frank Carillo en Eddie Seville. Frank Carillo! Dat was het dus, he! Eddie Seville is één van Carillo’s vaste begeleiders, één van diens Bandoleros.

Met “Ragged Hearts” is de beste man al aan zijn derde soloplaat toe. Op de opvolger van “The King’s Highway” van twee jaar geleden doet hij het met elf eigen liedjes. Voornamelijk te omschrijven als singer-songwriter country, de alternatieve variant daarvan en zachte roots(y) rock. Aan te bevelen met name aan liefhebbers van het materiaal van John Hiatt, Steve Earle en Buddy Miller, aldus die van de door mij vaak bezochte online shop CD Baby. Maar dat vind ik toch net iets te beperkend werken. Ik zou er namelijk graag nog de namen van John Mellencamp en Bob Seger aan toe willen voegen. Aan de laatste van dat tweetal herinnert Seville me een weinig qua stem en manier van zingen. En eerstgenoemde hoor ik wel wat terug in met een rockrandje afgewerkte liedjes als “A Crooked Mile”, “Love’s Got A Hold” en “I’m Pacing Myself”.

In elk geval, hij verkeert tussen schoon volk, “den Eddie”! En dat heus niet alleen waar het de door mij opgesomde referenties betreft. Dat leert een vlugge blik op het lijstje met de bij het tot stand komen van “Ragged Hearts” betrokkenen. Namen als Frank en Andrew Carillo, Augie Meyers, Bob Loveday, Marty Ballou en tal van anderen zou ik nu niet meteen meer als nobele onbekenden durven te bestempelen.

Enkele luistertips van onzentwege: de bijzonder lekker weghappende Americana love song “The Queen Of Kerosene”, de ook al erg passionele “valse trage” “Blind Love”, het hier eerder al eens even genoemde rootsy rockertje “Love’s Got A Hold” en de Seger-eske afsluiter “The Hardest Thing To Do”.

Eddie Seville, CD Baby

                                       

PAUL DOUGHERTY “River Pearl” (Bake It Black Records)

(3,5****)  

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot enkele weken geleden nog nooit van Paul Dougherty gehoord had. En da’s best wel vreemd te noemen, aangezien de beste man al ruim vijfentwintig jaar als artiest actief is. En des te meer als je weet dat hij al meer dan tien jaar lang vanuit buurland Duitsland aan de weg timmert. Gewoon onder mijn (nochtans continu actieve) radar doorgevlogen…

Maar daaraan wordt hier en nu verholpen met een bespreking van ’s mans nieuwe worp, het onlangs verschenen “River Pearl”. Want da’s nu eens exact het soort van plaat dat je nodig hebt om tot volgeling bekeerd te worden… Een uitermate gevarieerd Americana-geheel, dat wel eens snel een hele grote vriendenkring aan zich zou kunnen gaan binden. Zeg, dat wij het gezegd hebben! Je hoort her en der weliswaar behoorlijk nadrukkelijk de invloed van groten der aarde als een Bob Dylan, een Van Morrison, een Townes Van Zandt en anderen, maar bovenal toch een prima zingende songmid met een eigen smoelwerk en met meer dan genoeg branie om zich niet aan één enkel genre te binden.

Gelijk van bij het openingsnummer, de stormachtige bluesrocker “Rock Me To The Bone”, was ik mee met Dougherty. Om vervolgens van de ene in de andere verrassing te vallen: via de epische, van een bluegrassrandje voorziene folkdeun “River Pearl” en het soulvolle, me zowel wat aan Van Morrison als aan Elliott Murphy herinnerende “Honeysuckle Rose” over de lichtjes geweldige swampy rocker “Eve Of Destruction” en het op bedaarde (country)wijze verhalende “Teddy The Dancin’ Bear” tot het met name gitaargewijs ergens in de buurt van de jonge R.E.M. strandende “Cain” en de bluesschuiver “Doin’ The Time”, van het Dylan-eske “How I Learned To Stop Worrying & Love The NSA” en de mooie Americana-trage “Time” tot het nerveus “rockende en rollende” “Black Cat Bone”, het “creepy” “The Devil’s Spine”, de fijne countryrocker “Memphis Son” en de afsluitende pianoballede “Rusted Jesus”.

Je mag nu al opschrijven, dat ik voor het bespreken van een volgende plaat van Paul Dougherty wel ergens op de eerste rij zal zitten!

(P.S.: Dougherty zelf gelooft zo sterk in zijn materiaal, dat hij je op zijn eigen webstek de keuze laat: je kan ervoor betalen, maar je mag het ook gratis downloaden. Aan jou de keuze!)

Paul Dougherty

 

JEFFREY HALFORD & THE HEALERS “Rainmaker” (Shoeless Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)            

Voor onze eerste kennismaking met de Amerikaanse rootsrocker Jeffrey Halford en z’n Healers moeten we al een aardig poosje terug in de tijd. Naar 1999 meer bepaald en de cd “Kerosene”, tot onze grote verbazing indertijd ’s mans derde al, want daarvóór had hij met “Toxic” en “Nine Hard Days” ook al twee albums afgeleverd. En sindsdien zijn we hem altijd wel een beetje blijven volgen. Via lekkere schijfjes als “Hunkpapa” en “Railbirds” tot het chartgewijs eindelijk ook relatief succesvolle “Broken Chord” uit 2007.

2007… Dat wil dus inderdaad zeggen, dat het ondertussen ruim zeven jaar geleden is, dat Halford en de zijnen ons nog eens op wat nieuws vergast hebben. En da’s eigenlijk gewoon veel te lang voor een songsmid van het kaliber van die Halford. De beste man weet immers wel raad met woorden. Het is naar ons gevoel zelfs niet overdreven om te stellen, dat z’n teksten her en der een literair randje vertonen.

Zelf heeft hij het in verband met “Rainmaker”, zijn zevende ondertussen, over “a redemptive journey that just happens to be a collection of songs”. Een in liedjes gevat kiekje van de o zo rijke ziel van z’n thuisland: verleden, heden en zelfs al wat toekomst.

En ook zuiver muzikaal gezien sluit “Rainmaker” wel wat bij die laatste vaststelling aan. Sure, we hebben hier te maken met een rootsrockgeheel, maar dan wel ééntje dat een kruisbestuiving met elementen uit tal van andere genres absoluut niet schuwt. Wat country, wat folk, wat blues, zelfs wat gospel, het moet allemaal kunnen… En ook in deze context bekruipt je voortdurend het gevoel, dat verleden, heden en toekomst elkaar liefdevol omarmen. In een met Bruce Kaphan en Paul Olguin gedeelde productie herinnert Halford er ons hier nog eens elf nummers lang aan, waarom we hem in het verleden zo graag voorbij zagen komen.

Liedjes als het met de nodige Delta-klei nog aan de cowboy boots hangend gebrachte bluesvariantje “Second Chance”, het aan een muur van behoorlijk aanstekelijk werkende gitaarklanken opgehangen klasse-rockertje “Nature’s Choir”, het eveneens op “da blues” geënte, maar ondertussen ook wel zo ongeveer alle andere kanten uitkijkende opdondertje “North Beach”, het omineuze, hier en daar met een aan de Doors herinnerend streepje orgel opgewaardeerde titelnummer, de ongemeen soulvolle trage “Joaquin” en de warmbloedige “desert Americana” van “Mexico”, het zijn maar enkele voorbeelden van de wat ons betreft alvast als zeer geslaagd te bestempelen eclectische benadering van hun favoriete rootsrockgegeven door Halford en z’n maats.

Hopelijk laten ze ons op een volgende worp weer geen zeven jaar wachten!

Jeffrey Halford & The Healers

 

SLEEPY DRIVER “Ignatius” (Black Bell Productions)

(3,5****)                             

“Ignatius” is na “Steady Now”, “In A Low Dark Light” en de mini “Light Sleeper” het ondertussen vierde teken van leven van het al sinds 2007 aardig aan de weg timmerende Sleepy Driver, het vanuit het Canadese Fredericton actieve rootsrockcollectiefje rond zanger-songsmid Peter Hicks. En het zou ons eerlijk gezegd heel erg verbazen mocht dat album het net als z’n voorgangers niet prima gaan doen in kringen van liefhebbers van het genre. Aan goede kritieken alvast weer geen gebrek. En daar willen wij er hier maar al te graag nog eentje aan toevoegen.

Hicks presenteert zich met “Ignatius” immers andermaal als een uitstekende liedjesschrijver. Twaalf serveert hij er ditmaal, het ene al mooier dan het andere. Een heerlijke mix van rustiger en wat bruisender spul, die nadrukkelijk uitnodigt tot herhaaldelijk beluisteren. Met wat ons betreft een lichte voorkeur voor de wat tragere, atmosferischere dingen, zoals openingsnummer “I Know You Know I Know” en “Curtains” bijvoorbeeld. Maar dan wel met de nadruk op het woordje “lichte”! Ook ritmischer en bij momenten best wel wat zwaarder aandoend materiaal als het zomers radiogenieke rockertje “Cold Black River”, het licht twangende, daar quasi perfect bij aansluitende “Forgotten Songs”, het bezwerende “Down To The River” en het echt wel rete-aanstekelijke “Two Cigarettes” ging er hier in als zoete koek.

En dan hadden we het nog niet eens over het allermooiste nummer hier. Dat is ontegensprekelijk de met gaste Tina Gaudreau van het plaatselijke hardrockbandje Mad Mary gedeelde trage “All Roads”. Echt een wolk van een rootsrockballade, dat liedje! Verder ook nog héél erg leuk: de lentefrisse alternatieve countryriedel “Rosalyn”.

Sleepy Driver

 

JIM & LYNNA WOOLSEY “The Road That Brings You Home” (Broken Record Records)

(4****)

“The Road That Brings You Home” is het buitengewoon geslaagd te noemen debuut van echtelieden Jim en Lynna Woolsey. Al ruim drie decennia lang traden die twee samen op, maar pas nu vonden ze de moed om het ook allemaal wat professioneler aan te pakken en met echte profs aan hun eersteling samen te gaan werken.

Met Randy Kohrs en Mike Sumner in de eerste plaats, die de job van producer deelden en terloops ook dobro- en banjogewijs een flinke duit in het zakje deden. Maar ook met Clay Hess (mandoline), Mark Fain (staande bas) en Tim Crouch (fiddle).

Dat alles op dit visitekaartje ogelooflijk af klinkt, hoeft derhalve ook niet echt te verbazen. Wat al wat meer tot de verbeelding mag spreken, is het vrijwel doorlopend van een geweldige kwaliteit getuigende songmateriaal van het duo. Hun inhoudelijk zo goed als uitsluitend door hun eigen leven (van alledag) gevoede liedjes blijken stuk voor stuk echte plaatjes. Bedaarde bluegrassjuweeltjes, opgehangen niet enkel aan het muzikale vakmanschap van dat straffe groepje gelegenheidsbegeleiders, maar vooral ook aan de eigen samenzang van de Woolseys.

Onze luistertips: het echt wel bloedmooie titelnummer, het diep in het eigen familieverleden van Jim Woolsey gravende verhaal van “Rude Jenne” en het door Randy Kohrs van een buitengewoon sfeervolle dobroachtergrond voorziene “The Ride”.

Het ontdekken alleszins méér dan waard!

Jim & Lynna Woolsey, CD Baby           

 

ADAM COHEN “We Go Home” (Cooking Vinyl /V2)

(4****)

Dat het niet altijd even interessant is om een pa te hebben die Leonard Cohen heet en een heus popicoon is, mocht zoonlief Adam de voorbije jaren aan den lijve ondervinden. Toen hij in ’98 debuteerde was het natuurlijk nog wel een handig opstapje om als “de zoon van” vrijwel meteen door een behoorlijk groot publiek te worden opgepikt. Maar in de daaropvolgende jaren ging de aanleiding tot dat prille succes zich in zekere zin snel tegen hem keren. In die zin dat zo ongeveer alles wat hij deed steeds weer werd afgewogen tegen het werk van zijn ouweheer. En laat dat nu net zijn, wat de jonge Cohen te allen prijze wou vermijden…

Met zijn vorige plaat, het in 2011 verschenen en aanvankelijk nog als zijn afscheid van de “business” bedoelde “Like A Man”, viel voor Adam Cohen onverwachterwijze echter alles in de juiste plooien. Mede dankzij die intimistische beauty kwam hij erachter, dat eigenlijk enkel de eigen roots, de eigen familie, zijn thuis en het zichzelf (leren) kennen er toe deden. Hij kwam als het ware in het reine met zichzelf. En dat resulteerde eigenaardig genoeg uiteindelijk ook in zijn grootste commercieel succes so far. Cohen Jr. was nu definitief gelanceerd!

En dus was het wat ons betreft ook volop uitkijken naar ’s mans vijfde, het eerdaags te verschijnen “We Go Home”. Een plaat, die haar titel bij nader inzicht in meer dan één opzicht alle eer aandoet. Zo nam Cohen ze bijvoorbeeld grotendeels op in het kleine witte huisje op het Griekse eiland Hydra waar hij een groot deel van zijn kindertijd doorbracht en werkte hij ze verder af in zijn geboortehuis in Montreal. Zich daarbij terdege bewust van het feit, dat velen daardoor prompt weer in de richting van zijn vader zouden gaan wijzen, counterde hij alvast bij voorbaat door te stellen, dat zijn roots nu eenmaal óók dáár liggen. En “My muse is my home!”, aldus nog de jonge Cohen.

En die muze heeft hem ons inziens andermaal aan een zeer fraai album geholpen. Een echt groeibriljantje! Een plaat, die met elke nieuwe beluistering weer wat meer van haar vele interessante geheimen prijsgeeft. En veel van die geheimen blijken zich te situeren op het niveau van dialogen met zijn “ouwe”, zijn zeven jaar oude zoon Cassius en zichzelf. Al zitten er natuurlijk ook wel weer enkele liefdesliedjes in het pakketje.

Door zijn manier van zingen benadert hij daarbij vooral in vele van de wat zachtere nummers effectief (weer) zijn pa. We denken in die optiek bijvoorbeeld aan het hoogst vertederende “Song Of Me And You” en aan het al even knappe, nog als pianoballade ingezette, maar gaandeweg tot volbloed-popsong uitgroeiende “What Kind Of Woman”. Maar goed, die stem is er nu eenmaal, he…

Een andere duidelijk herkenbare invloed is Randy Newman. Diens muzikale geest waart alvast nadrukkelijk doorheen het aanstekelijke titelnummer “We Go Home”.

(Op 11 oktober aanstaande treedt Adam Cohen op in de Brusselse Botanique. Eén dag later is Het Depot in Leuven aan de beurt.)

Adam Cohen

 

POLICE DOG HOGAN “Westward Ho!” (Union Music Store)

(4****)

Wat een heerlijke plaat is dit! Werkelijk barstend van de “joie de vivre”. Aanstekelijker kan het welhaast niet. Wat de acht van het Britse collectief Police Dog Hogan op hun binnenkort te verschijnen nieuwe cd “Westward Ho!” doen duldt absoluut geen tegenstand. Je moet er als luisteraar gewoonweg in mee.

Is het Americana, een mengvorm van country en folk, een samengaan van folk en pop, een verstedelijkte vorm van bluegrass, who actually cares? De naam onder het plaatje doet hier wat ons betreft eigenlijk volstrekt niet terzake. Wat dan wel? Het feit dat we op deze derde van Police Dog Hogan twaalf vrijwel zonder uitzondering uitstekende songs geserveerd krijgen, dat de groep in James Studholme een fantastische zanger en al even geweldige gitarist aan boord heeft en dat alle overige betrokkenen op instrumenten als gitaren, banjo, mandoline, fiddle, accordeon, trompet en piano hun bovenste best doen om hem in alles wat hij doet ook van een zo perfect mogelijke muzikale achtergrond te voorzien.

In een productie van de onvolprezen Al Scott van de bij momenten best wel wat met de groep verwante Oysterband slagen die van Police Dog Hogan erin om de muzikale grenzen tussen hun thuisland en de States flink te laten vervagen. Americana, country en bluegrass worden door Studholme en co opgewaardeerd met een kloeke dosis Britse eigenheid en “en passant” ook intraveneus bediend met een flinke shot folk.

Het meest in het oog springende liedje van het geheel is daarbij ontegensprekelijk “Home”. Dat buitengewoon sfeervolle kleinood, inclusief een heuse rap-passage ergens halverwege, onstond onder de vleugels van het liefdadigheidsproject Music in Prisons als een samenwerking met de groep Platform 7, een bandje bestaande uit louter ex-gedetineerden. Andere absoluut niet te versmaden momenten hier: het zich volop in bluegrass wentelende en mede daardoor volstrekt onweerstaanbare “West Country Boy”, de mooie “valse trage” “St. Lucie’s Day”, het ons een heel klein beetje aan de Pogues in hun hoogdagen herinnerende “From The Land Of The Miracles” en het zich op bedaard smekende wijze tot het personage uit zijn titel richtende “Ethan Frome”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niets minders op, hoor!

Police Dog Hogan

 

BRAD BOYER “Montagu Hotel” (Thunderbird Records)

(5*****)

Ooit sierde een sticker met het opschrift “I Love Texas Music” mijn me toen op zo ongeveer elke tocht richting muziek aan de man brengende gelegenheden vergezellende draagtas. Die tas is intussen al lang zaliger, mijn uitgesproken voorliefde voor Texaanse muziek is dat echter zeker niet. Daarvan zal ik wellicht nooit meer echt “verlost” raken. En da’s dan de schuld van knapen als deze Brad Boyer. Weer één van die o zo typische Lone Star State acts! Een songwriter met dat zekere “je ne sais quoi” meer, dat ginder bij momenten zo vanzelfsprekend lijkt. Een naam om met stip te onthouden alleszins weer…

In een productie van Lisa Morales presenteert die Boyer ons op z’n tweede cd “Montagu Hotel” twaalf eigen nieuwe liedjes. De helft daarvan schreef hij in z’n eentje, voor de andere helft schoven collega’s als Matt Harlan, de net al even genoemde Lisa Morales, Bruce W. Cline en Jack Wisdom een stoel bij. En niet alleen bij het schrijven van z’n nieuwe nummers kon Boyer op heel wat bekende bijstand rekenen, ook bij het inblikken ervan was het net niet aanschuiven geblazen. Zo stootten we bij het doornemen van de gastenlijst onder meer op de namen van Joe Ely, Cindy Cashdollar, Jeff Plankenhorn, Rick Richards, Ron Flynt, Tom Gillam, Noel McKay en “Scrappy” Jud Newcomb, om enkel nog maar de bekendsten van het lot te noemen.

Samen tekenden zij voor twaalf veritabele delicatessen uit de afdeling “fijne Texaanse songwaren”. Openingsnummer “Big Rig Driver” is er meteen zo één. Da’s immers een heerlijke lap swingende rig rock, gedeeld met niemand minder dan Joe Ely. En na die dartele start laat Boyer je als luisteraar een flinke poos helemaal niet meer los. Ruim zesenveertig minuten lang houdt hij je probleemloos in zijn ban. Met achtereenvolgens het van een bluesy ondertoontje voorziene “Mockingbirds”, de ronduit sublieme ballade “Long Cold December”, het door Carlos Alvarez accordeongewijs met wat Tex-Mex-bestanddelen gekruide “Five Stones And A Sling”, het me in z’n geheel best wel wat aan Bruce Robison herinnerende “Tonight I’m Gonna Lose”, de behoorlijk snedig uit de hoek komende countryrocker “The Light”, het door Lisa Morales vocaal mee op smaak gebrachte rootsrockertje “Smile”, de samen met huisfavorietje Matt Harlan gepende story song “The Ring”, het onder meer door de mandoline van Jeff Plankenhorn en de dobro van Cindy Cashdollar naar hemelse hoogten getilde streepje vintage Americana “Trouble”, de recht-toe-recht-aan rock & roll van “Texas Darlin’”, het misschien wel allermooiste liedje hier, het z’n titel stilistisch gezien zo ongeveer alle mogelijke eer aandoende “The Last Folksinger”, en tenslotte ook nog het titelnummer, dat het moet hebben van een soort van mid-seventies pop- en rockgevoel.

Wat mij betreft ontegensprekelijk een twaalf op twaalf. Een rapport, waarmee je al thuiskomen kan dus…

Brad Boyer, CD Baby

 

TRENT MILLER “Burnt Offerings” (Bucketfull Of Brains)

(3,5****)

Trent Miller mag dan al afkomstig zijn uit de buurt van Turijn, dat is absoluut niet te horen aan wat hij brengt op “Burnt Offerings”. De ondertussen al een poosje in Londen residerende troubadour grossiert daarop immers andermaal in eigenzinnige Americana. Americana, duidelijk beïnvloed door Gene Clark, wiens schaduw bij momenten nogal nadrukkelijk over dit album hangt.

Met wat hij op zijn ondertussen derde serveert zal Miller naast bij fans van die ex-Byrd ongetwijfeld ook de nodige bijval gaan oogsten in kringen waar Richard Hawley, Edwyn Collins, Townes Van Zandt en Guy Clark tot het op regelmatige basis genuttigde luistervoer behoren. “Burnt Offerings” blijkt op de keper beschouwd immers één grote smeltkroes van elementen uit genres als rock, folk en Americana, zo nu en dan overgoten met een goth-sausje.

Het de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer zet wat dat betreft meteen de toon. Lijzig croonend zoekt Miller zich daarin een weg doorheen een bos aan atmosferische gitaarklanken. Chris Isaak meets Richard Hawley, zoiets. Vervolgens is er dan “Lupita’s Dream”, wat ons betreft ontegensprekelijk het knapste liedje op “Burnt Offerings”. Dat nummer, überhaupt wat vlotter van aard, heeft een zo mogelijk nog bezwerendere uitwerking dan z’n voorganger.

Andere topmomenten hier: de bloedmooie ballade “Hearts On A Wire”, het ons best wel wat aan de dagen van Gene Clark bij de Gosdin Brothers herinnerende “Your Black Heart” en het ook al very sixties aandoende “Sands Of Time”.

Trent Miller, Bucketfull Of Brains

 

THE SNAKES “The Last Days Of Rock & Roll” (Bucketfull Of Brains)

(4****)

“The Last Days Of Rock & Roll” is na “Songs From The Satellites” uit 2006 en “Sometime Soon” uit 2010 al de derde cd van het in Uncut ooit liefdevol tot “Muswell Hill’s own Whiskeytown” omgedoopte viermanscollectiefje The Snakes. Samen met Bap Kennedy en The Redlands Palomino Co. allicht zo ongeveer het beste wat de Britse eilanden dezer dagen op alternatief countryvlak te bieden hebben, dat bandje rond zanger-gitarist-songsmid Simon Moor. Dat bewijzen ze ook op “The Last Days Of Rock & Roll” weer ten voeten uit.

Je zou het kwartet op basis van het daarop gebrachte songelftal zomaar in één en dezelfde adem durven noemen met klassieke acts als de Jayhawks, het al genoemde Whiskeytown, de Stones en de Flying Burrito Brothers. Het blijkt immers quasi onmogelijk om niet meteen als een blok te vallen voor dingen als de met Hannah Elton-Wall van The Redlands Palomino Co. gedeelde, zwierige countryrocker “Too Hard”, het Stonesy duo “The Band Played On” en “Here We Go Again”, de onder uitermate sympathiek rinkelende gitaren bedolven Ian Tyson-oorwurm “The French Girl”, de warmbloedige trage “Three Little Wishes”, het de huidige (almaar meer tot vluchtigheid uitnodigende) muziekbusiness op toepasselijke wijze tartende titelnummer “The Last Days Of Rock & Roll” en tal van anderen.

The Snakes overstijgen – Zoveel moge ondertussen al wel duidelijk zijn! – ruimschoots het niveau van zo menig een Americana act uit het land dat ooit aan het genre zijn naam verleende. Dat op zich al zouden we een verdienste durven noemen, maar daarmee zouden we de Britten dan flink tekortdoen. Dit is immers vooral een erg lekkere plaat, van Britse makelij of niet…

The Snakes, Bucketfull Of Brains

 

BLIND LEMON PLEDGE “Evangeline” (OFEH Records)

(4****)

Ik hou wel van wat diversiteit, dat weet u als regelmatige lezer van deze pagina’s onderhand wel. En dus zal u het straks, na het lezen van dit stukje, ook wel helemaal niet vreemd meer vinden, dat ik “Evangeline”, de nieuwe van Blind Lemon Pledge, als een ronduit heerlijke plaat ervaar. Wat James Byfield, want zo heet onze man in de kijker dus echt, op die vierde onder zijn pseudoniem aan stijlen bij elkaar harkt, tart zo ongeveer elke verbeelding. “A musical journey through the heart of Americana and Blues,” noemt hij het zelf en dat is het maar net ook. Een smeltkroes aan smaken en smaakjes. En ’t is een verdomd goede, die het geheel nalaat, zeker weten!

Aftrappen doet Byfield z’n nieuwe songtiental met “Buley’s Farm”. Quasi a capella zoekt en vindt hij daarin aansluiting bij de door John Lomax verzamelde prison songs. U weet wel van die door de tik van houwelen aan hypnotische ritmes geholpen gezangen van tot dwangarbeid veroordeelde, geketende gevangenen. Vervolgens is er “Jennie Bell”. En dat is meteen geheel en al andere koek. We hebben hier immers te maken met een fraaie akoestische ballade, gedragen door de fluwelen zang van Byfield zelve en al even zachtzinnige klanken uit de eigen akoestische. “Next in line” is dan “Brimstone Joe”, een fijn streepje “N’awlins noise”, dat nadrukkelijk de mosterd lijkt te hebben gehaald bij respectievelijk de classic “St. James Infirmary” en de muziek van Jelly Roll Morton. En na dát catchy opdondertje staat Byfield gelijk alweer klaar met een nieuwe verrassing. “Midnight Association” blijkt mede door de knappe slidebijdrage erin immers een bijzonder lekker in het gehoor liggende bluesrocker. En onder de noemer blues valt ook het volgende nummer. “Go Jump The Willie” is z’n titel volledig getrouw echter een delicieus staaltje jump jive blues.

Goed en wel halverwege zijn we daarmee! En nóg is de honger van Blind Lemon Pledge naar stilistische variatie lang niet uitgeput. In “Language Of Love” smokkelt hij zo bijvoorbeeld ongegeneerd een snuif salsa naar binnen, in het daaropvolgende “Ham And Eggs” doet hij er lustig op los harmoniërend het “Great American Songbook” aan, het trage “How Can I Still Love You” flirt aansluitend bluesgewijs met late night jazz, “You Had Me At Goodbye” is een met wat country op smaak gebracht ingetogen folkrockertje en het afsluitende titelnummer valt wat ons betreft nadrukkelijk onder de noemer “deep Delta blues”.

In alle eerlijkheid: ik ken verzamelaars, die heel wat minder gevarieerd zijn dan deze schijf! Ongelooflijk eigenlijk, dat deze songcollectie uiteindelijk toch nadrukkelijk als één enkel geheel aanvoelt. En alle credits dáárvoor gaan naar James Byfield zelve, die door zijn indringende manier van zingen en zijn geweldige snarenbehandeling al die vaak dunne lijntjes tussen verschillende stijlen zomaar weet weg te vlakken. A really great job you’ve done here, Mr. Byfield!

Blind Lemon Pledge

 

DAVE MCGRAW & MANDY FER “Maritime” (Dave McGraw & Mandy Fer / Lucky Dice Music)

(5*****)

Binnenkort mogen we Dave McGraw en Mandy Fer onder meer begroeten op het Country Festival in Sint-Truiden (12/09) en in de Breugehel in Bree (18/09), maar voor het zo ver is vergasten ze ons terloops eerst nog even op één van de allermooiste rootsplaten van 2014 so far. Geen wonder, dat “Maritime” in geen tijd wist door te stoten naar de top spot in de Euro Americana Chart! De twaalf liedjes op die plaat zijn immers van een bij momenten haast onaardse splendeur.

Ergens tussen (indie) pop, folk en Americana doen McGraw en Fer zo’n vijfenvijftig minuten lang ongekunsteld hun wonderlijke ding. Hun ons respectievelijk aan Patty Griffin en Jeffrey Foucault herinnerende stemmen omarmen elkaar daarbij bijna voortdurend in door de band genomen eerder aan de rustig kant blijvende liedjes. Hun ongemeen intense natuurbetrokkenheid daarbij ten volle outend loodsen ze ons in hun teksten respectvol langsheen heel wat van het fraais dat deze aardkluit ons nog altijd te bieden heeft. Maar lang niet enkel de natuur in al haar aspecten komt daarin aan bod. Zo weerklinkt bijvoorbeeld in openingsnummer “Helicopter” meteen al de roep om een aanpassing van de nog altijd veel te soepele Amerikaanse wapenwetgeving en weerspiegelt “Carillon” een bijzonder beiaardconcert waarvan de twee nog niet zo heel erg lang geleden tijdens een bezoek aan Amsterdam getuige mochten zijn.

Zelf sturen Fer en McGraw ter verfraaiing akoestische en elektrische gitaren en een tamboerijn bij. En zijn voorts ook nog van de partij: drummer Andrew Lauher, bassist Christopher Merrill, lapsteeler Mike Grigoni, celliste Sasha Von Dassow en één enkele keer ook Jerome Holloway (harmony vocals in “Helicopter”). Samen tekenen ze voor twaalf op de één of andere manier een ongelooflijke rust uitstralende deuntjes, die je als luisteraar keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Wij zouden in dit verband graag willen gewagen van volstrekt tijdloze schoonheid.

Hoe dan ook: een verplichte aanschaf!

Dave McGraw & Mandy Fer, Lucky Dice Music

 

SWEETKISS MOMMA “A Reckoning Is Coming” (SweetKiss Momma)

(3,5****)

Met de opvolger van hun ergens vroeg in 2011 verschenen debuutplaat “Revival Rock” maken die van het uit de buurt van Seattle actieve SweetKiss Momma andermaal flink wat indruk. In een productie van de je wellicht wel van Wilco bekende Ken Coomer serveren Jeff Hamel en de zijnen daarop “de nouveau” tien heerlijke lappen met Southern soul doordrenkte rock & roll. Als invloeden noemden we hier in dat verband al eens ooit eerder klassieke rock acts als Lynyrd Skynyrd, The Allman Brothers en The Black Crowes en daar staan we ook nu nog altijd volop achter.

Onze naar goede gewoonte volslagen onverbintelijke luistertips: het met een waarlijk hypnotische groove gezegende “Fix My Hair”, het door een losgeslagen gitarentweeling aangejaagde en mede onder invloed daarvan echt als bezeten aan zijn kettingen snokkende titelnummer, de soulvolle trage “Same Old Stories”, het behoorlijk funky aandoende en ons inziens ook erg radiogenieke “Get Some Love”, de machtige boogie-opstoot “Dirty Uncle Deezer” (Dat harmonicaatje alleen al! Wow…) en de volledig akoestisch gehouden afsluitende reprise van “Breathe Rebel”.

Damn good, indeed!

SweetKiss Momma

 

BENJAMIN FOLKE THOMAS “Too Close To Here” (Bucketfull Of Brains)

(4,5*****)

Ondertussen iets meer dan vijf jaar geleden verliet de Zweed Benjamin Folke Thomas zijn thuisland om zijn muzikale geluk in Londen te gaan beproeven. En dat bleek vrijwel meteen een goede zet. Al snel wist hij zich in de hippe hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk immers op te werken tot een graaggeziene gast in concertmiddens. Zijn nochtans enigszins apart aandoende Americana sloeg duidelijk aan. Vergelijkingen met Dylan in z’n tweede decennium en wijlen Warren Zevon deden de sympathieke songsmid veel goed.

En dat resulteerde al in 2010 in een eerste plaat. Een EP toen nog, bij dezen opgevolgd door een eerste volwaardige, in de studio ingeblikte langspeler. En wat voor één! Moet je als aficionado van artisanaal vervaardigd liedgoed wel van houden, van dat schijfje! Elf nummers lang topkwaliteit biedt het! Met een Thomas die verrast als zanger, gitarist en vooral ook als songsmid. Gelijk van bij het ons snarengewijs nadrukkelijk aan de prille Dire Straits herinnerende openingsnummer “Someday” had hij ons alvast aandachtig bij de les. En dat zouden we ruim eenenveertig minuten blijven ook. Songs als de op een ietwat vreemde manier melodieus werkende Americana-deun “Love Somebody”, het Dylan-eske “Blues For You”, het ergens tussen blues en sixties folk gevonden “Extend No Greeting”, het Warren Zevon terloops even vernoemende maar al bij al toch eerder aan Springsteen refererende “Bye Bye Baby (Bye Bye)”, de geweldige eigentijdse folkballade “Let Her Down” en andere zijn immers vrijwel zonder uitzondering groots te noemen.

Produced by The Swedish Folk Maffia lezen we in het begeleidende booklet. En ook die uit Benjamin Folke Thomas zelf, zijn gitarist Henning Sernhede en zijn bassist Johannes Mattsson bestaande entiteit verdient wat ons betreft een dikke pluim. Dankzij de samenwerking van die drie klinkt alles hier immers zo uitzonderlijk lekker en vooral ook af. Eén opvallende gast willen we hier tenslotte ook nog even vermelden. En dat is BJ Cole, onder meer verantwoordelijk voor de mooie dobropartij in het hoger al even genoemde “Extend No Greeting”.

Benjamin Folke Thomas, Bucketfull Of Brains

 

STAN MARTIN “Whiskey Morning” (Twangtone Records)

(4****)

“This record was made ‘old school’ in honor and tribute to the legends of country music,” aldus Stan Martin zelve vooraf over zijn zopas verschenen vijfde studioplaat “Whiskey Morning”. En in een met de legendarische Dave Roe gedeelde productie serveert de beste man hier daadwerkelijk elf liedjes, die een dergelijke stelling rechtvaardigen. Liedjes, die “en passant” weliswaar nadrukkelijk de invloed van gereputeerde knapen als een Buck Owens, een Merle Haggard en een Dwight Yoakam verraden, maar die op de keper beschouwd  toch vooral Martins eigen niet geringe talenten onderstrepen. Enerzijds zijn (soms ook een heel klein beetje aan Yoakam herinnerende) vocale kunstjes, anderzijds zijn vaardige vingers. Vaardig met de pen, maar vooral ook op de snaren van z’n Telecaster en tal van andere gitaren.

Wat Martin daarbij bijzonder interessant maakt, is het feit, dat hij zowel op liefhebbers van klassieke country als van Americana lijkt te willen mikken. Het maakt van “Whiskey Morning” alleszins een bijzonder gevarieerd geheel. Openingsnummer “Champagne Wishes” is zo bijvoorbeeld een lekker twangende countryrocker, “Come On Trouble” klassiek geschoolde honky tonk en “If” een veritabele parel van een ballade. “Little Bit Right” rockt vervolgens opnieuw een aardig eindje weg, “Damn This Town” blijkt een schoolvoorbeeld van verhalende Americana en “Reasons For Drinking You Gone” is gewoon sublieme Bakersfield country anno nu. Wat ons betreft meteen ook het allermooiste liedje hier, dat laatste. Aansluitend gaat het via het nerveuze, sixties country duidelijk nog hoog in het vaandel dragende “Running Away” over de ons volop aan grootheden als Kris Kristofferson, Gordon Lightfoot en Rodney Crowell herinnerende trage “Singer Of Songs” en het countrypopgewijs voorzichtig even tot in het vaarwater van de Mavericks afdrijvende “The Note” tot bij het zwaar melancholische titelnummer en het afsluitende, behoorlijk Everly-esk ingevulde “Wrapped Around Your Finger”.

Samen goed voor net geen veertig minuten topcountry van een man die het wat ons betreft volop verdient gehoord te worden. Van hieruit bijzonder warm aanbevolen!

Stan Martin, CD Baby

 

LOUDON WAINWRIGHT III “Haven’t Got The Blues (Yet)” (Proper / Rough Trade)

(5*****)

Welk een excellent geheel alweer, deze inmiddels toch ook al zesentwintigste langspeler van Loudon Wainwright III. De binnenkort achtenzestig wordende Amerikaanse singer-songwriter lijkt daarop zo ongeveer in de vorm van zijn leven te verkeren. In een productie van de legendarische David Mansfield serveert hij veertien uit nogal wat verschillende stijlvaten tappende songschoonheden, die je als luisteraar regelmatig naar adem doen happen. Na afloop van je eerste luisterbeurt weet je ’t meteen: voor platen als deze zit er een repeat-toets aan je cd-speler.

Recht-toe-recht-aan rockend knalt Wainwright bij ons binnen met het qua intensiteit voorwaar even met Jerry Lee Lewis in zijn hoogdagen wedijverende “Brand New Dance”. Vervolgens is er dan “Spaced”. Invloeden uit Balkan style gypsy jazz, klezmermuziek en folk dingen daarin net geen vier minuten lang ongegeneerd naar onze gunsten. En dat ook al swingend als de spreekwoordelijke tiet! Pas met het derde liedje, vreemd genoeg juist luisterend naar de titel “In A Hurry”, neemt Wainwright voor het eerst wat gas terug. Dat blijkt immers een uitermate relaxte folkpopdeun. En als dusdanig ook de als het ware ideale aanloop naar het waarlijk grootse “Depression Blues”. Daarmee treedt “onze man” heel even in de voetsporen van bluesgrootheden als Blind Lemon Jefferson en Sleepy John Estes. Aansluitend is er dan “The Morgue”, oftewel dood en verval in een tête-à-tête met “shitty love”, tegen een achtergrond van old-timey jazz met een zeker vaudeville-gehalte.

Een volgend absoluut hoogtepunt is wat ons betreft het met ronduit zalig accordeonwerk gelardeerde en ergens tussen pop, folk en country strandende “Harmless”. Net als het er meteen op volgende Americana-riedeltje “Man & Dog” eigenlijk gewoon “vintage Wainwright”, dat nummer. Volgende halte: de met een bijdrage van “engelenstem” Aoife O’Donovan gezegende parel “Harlan Country”. Zij is samen met de in “I Knew Your Mother” toch net iets minder nadrukkelijk opduikende Martha Wainwright slechts één van de vele muzikale gasten op het wat dat betreft goed gestoffeerde “Haven’t Got The Blues (Yet)”.

Resten dan nog: het weer behoorlijk “rockerig” uit de hoek komende “Looking At The Calendar”, de zich wat al té vroeg aandienende alternatieve kerstdeun “I’ll Be Killing You This Christmas”, het voorzichtig gospelesk ingevulde “God & Nature”, het louter stilistisch gezien z’n titel alleen maar tegensprekende titelnummer van de plaat en weemoedige afsluiter “Last Day Of The Year”.

U merkte het al: aan variatie absoluut geen gebrek hier! Dát en het feit dat Wainwright voor de gelegenheid zowel goed bij stem als bij pen was, maken naar ons gevoel van “Haven’t Got The Blues (Yet)” de geweldige plaat die het is. Gaat, als u het ons vraagt, straks zonder ook maar de minste twijfel in heel wat eindejaarslijstjes van zogeheten kenners opduiken…

Loudon Wainwright III, Proper Records

 

FINGERPISTOL “Stepped In It Again” (Avery International Recording)

(4****)

Op hun derde album gooien die van FingerPistol het roer behoorlijk radicaal om. Met de “fifteen tracks of toe-tapping, boot-scootin’ country” op “Stepped In It Again” lijken ze niet langer (uitsluitend) op een Americana-publiek te mikken. En fans van knapen als een Dale Watson, een Jesse Dayton, een Ted Roddy, een Ed Burleson en aanverwanten zouden naar onze bescheiden mening aan dat nieuwe album van de groep rond Dan Hardick dan ook wel eens een vette kluif kunnen hebben. Dat klinkt verdorie als “Bakersfield by way of Austin”!

Country zo puur als het maar kan met andere woorden. Met daarbij een gedeelde (vocale) hoofdrol voor de ook voor alle songs verantwoordelijk tekenende Hardick en de zoetgevooisde Suzee Brooks. De warme, ons (heel) voorzichtig een beetje aan die van Dale Watson herinnerende baritonstem van Hardick wijst in acht songs de te volgen traditionele richting aan, die van nachtegaaltje Brooks in zes verdere. Wat dat betreft stoten we hier op slechts twee vreemde eenden in de bijt. “Never” blijkt immers een behoorlijk nadrukkelijk aan godenpaar Johnny en June schatplichtig duetje. En “Cherokee Shuffle” tenslotte is een korte instrumentale fiddle-exercitie.

Onze favorieten hier: het zwierige, vrijwel meteen tot meeneuriën of meezingen uitnodigende titelnummer, het hoegenaamd uit elke porie naar Texaanse barlucht geurende “Country Music Made A Drinker Out Of Me”, het subtiel swingende, door Brooks gedragen “Take Back This Heartache”, het zo mogelijk nog sprankelendere “Bottle Of Whiskey” en vooral ook het de grote Hank Williams op onnavolgbare wijze erende “Songs About Hank Williams”.

FingerPistol, CD Baby

 

PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Gaste Live” (Woo-Hoo Records)

(5*****)

Ongenode gasten zullen Peter Beeker en z’n maats hier wellicht nooit worden. Daarvoor ben ik door de jaren heen wat al té verslaafd geraakt aan hun muziek. Voor mij is dit vijfmanschap zonder meer het allerbeste wat Nederland op (roots)rockvlak te bieden heeft. Limburger of niet, Beeker en co vloeren je met hun liedjes in hun eigen dialect vroeg of laat genadeloos. En het is de ongebreidelde passie, die het hem daarbij wellicht doet.

En precies die passie is nog net wat manifester dan anders aanwezig op “Gaste Live”, het zopas verschenen nieuwe album van de heren. Daarop tien liedjes, ingeblikt op diverse locaties in hun thuisland. Meer bepaald in de Take Five in Venlo, in de ECI Cultuurfabriek in Roermond, in Gebouw-T in Bergen op Zoom en in poptempel Paradiso in Amsterdam. En bij het noteren van de naam van die laatste bühne moest ik toch onwillekeurig even terugdenken aan de gevleugelde woorden van Beekers collega Jack Poels van Rowwen Hèze. ’t Is een kwestie van geduld inderdaad…

Maar goed, terug tot de orde van de dag! “Gaste Live” dus. En da’s ruim drie kwartier lang balanceren op het scherp van de snee. Bij momenten al lang meer rock dan roots, maar “who cares”! Wat Beeker en z’n maats hier serveren is quasi even meedogenloos als een shot whisky op nuchtere maag. Het vergt wat van een mens, maar het is wel verdomde lekker! Je denkt aan de Stones in hun allerbeste dagen, aan een Ryan Adams, aan Wilco ook. Alleen, ik heb me in geen tijden zo geamuseerd met een plaat van die acts, als met deze hier. Gelijk van bij het lekker rockende “Bitter” is het zwaar prijs. Een eerste van tien muzikale homeruns, zo blijkt. Want ook het van een shot country(rock) bediende “Door Ut Stof Neet Meer”, de buitengewoon soulvolle en doorleefde tragen “Letste Van De Lien” en “Non-Stop”, het hypernerveus om zich heen schoppende “Metroman” en ouwe getrouwen als “Valentijn”, “Baedel Neet”, “Bliej Das Se D’r Bis” en lijflied “Laef Hard” hebben het stuk voor stuk in zich. Ze doen je als het ware nu al snakken naar een volgende doortocht van de heren ergens bij jou in de buurt.

Veel beter worden live-platen amper (nog) gemaakt!

Peter Beeker & Ongenode Gaste

 

SLAM & HOWIE AND THE RESERVE MEN “Live All Over Europe” (Wanted Men Recordings / Membran)

(4****)

De titel spreekt met betrekking tot de nieuwe van Slam & Howie And The Reserve Men echt wel boekdelen. Het betreft hier immers daadwerkelijk de eerste, in diverse Europese landen ingeblikte live-cd van de Zwitsers. Twintig nummers staan erop, vereeuwigd tijdens zeventien verschillende gigs in zeven verschillende landen. Zo’n beetje “all over the map” dus inderdaad…

Afgetrapt wordt er met het veelzeggende “Wanna Be On The Road Again”. Dat in een club in het Tsjechische Sušice ten gehore gebrachte stampertje kruist op hoogst aanstekelijke wijze bluegrass met recht-toe-recht-aan rock. Vervolgens belanden we met het stilistisch uit ongeveer hetzelfde vaatje tappende “Johnny” in Le Tigre in het Franse plaatsje Séléstat. En ook ons land wordt aangedaan. Het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in Herselt meer bepaald. Liefst twee bijdragen werden aan hun doortocht aldaar vorig jaar ontleend. Het supersonische, zo’n beetje als hun lijflied fungerende “Bastard Speed Country Boys” en een gesmaakte cover van Steve Earle’s “Johnny Come Lately”. Samen met een okselfrisse benadering van de traditional “Old Dan Tucker” meteen ook de enige vreemde eend in de bijt hier, dat nummer. Voorts uitsluitend eigen songs, zoals het beatgewijs voorzichtig even met rockabilly flirtende “Wakin’ Up”, (countryrock)rustpuntje “Walk Away”, meezinger “Crossfire”, de folkpunker “Ronnie Free”, de deluxe-rocker “Berlin”, het al even zwierige “Drinkin’ & Ramblin’” – Die andere “signature song” van de heren! – en het buitengewoon sfeervolle “Desert Train”. Concertgangers in Tsjechië, Frankrijk, Spanje, Italië, Zwitserland, Duitsland en ons land genoten er echt met volle teugen van.

En dat hoeft eigenlijk allerminst te verbazen, aangezien de eigenzinnige mix van elementen uit country, bluegrass, folk, rock en punk die Lt. Slam en de zijnen serveren vrijwel ogenblikkelijk ongelooflijk aanstekelijk werkt. Hierbij stil blijven zitten is echt zo goed als uitgesloten! Mocht het je toch lukken, dan ben je wellicht dringend aan een bezoekje aan je huisarts toe…

Slam & Howie And The Reserve Men

 

REED TURNER “Ghosts In The Attic” (Reed Turner)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met deze buitengewoon getalenteerde knaap moeten we ondertussen ook alweer vijf jaar terug in de tijd. Meer bepaald naar 2009 dus, toen hij ons verraste met zijn onder de hoede van Clay Cook ingeblikte debuut “All My Running”. Toen al was duidelijk, dat Reed Turner geen gewone was. Zijn capaciteiten als storyteller sprongen meteen volop in het oog. Een gegeven, dat goed en wel twee jaar later overigens ook al bevestiging vond op ’s mans tweede, de als één kant van een ouderwetse LP opgevatte en van een veelzeggende titel voorziene EP “Side One: See How Far I Can Get”.

Nu, wederom drie jaar later, vloert Turner ons echter pas helemaal. Met “Ghosts In The Attic”, z’n door veel van onze Amerikaanse collega’s eigenlijk onterecht als z’n “sophomore effort” bestempelde nieuwe langspeler. Z’n eerste plaat, die hij in z’n eigenlijke thuishaven Austin opnam overigens. Onder het productionele toezicht van Matt Noveskey en met de nodige studiohulp van bekend en minder bekend volk als Pat Harris (bas), Brian Broderick (gitaren), David Sierra (drums en percussie), Phoebe Hunt (fiddle en zang), John Arndt (piano), Kim Deschamps (pedal steel) en Ellie Carroll (zang) vereeuwigde Turner (zang, gitaren en mondharmonica) er in een studio van Test Tube Audio tien nieuwe liedjes. Uitsluitend eigen materiaal, waaronder één enkele co-write met het al genoemde duo Harris en Hunt (“Long Gone”).

En in die liedjes gaat Turner, daarbij weliswaar vrijwel voortdurend netjes binnen de grenzen van het americanagenre blijvend, stilistisch gezien behoorlijk ruim. Gelijk van bij het eerste nummer grijpt hij je als luisteraar stevig bij je nekvel om je pas ruim drie kwartier later weer terug los te laten. Dat eerste liedje, de bedrieglijk lieflijke folkrocktrage “Modern Man”, leeft volop van de in de tekst ervan opgebouwde spanning. Van woorden als “Time is the devil’s throne. It’ll drag you down and just keep kicking.” bijvoorbeeld word je – Hoe waar ze ook zijn! – als luisteraar nu niet meteen vrolijk… En met dat eerste deuntje is de toon meteen ook gezet, zo blijkt al snel. Het er direct op volgende tweetal “Ghost In The Attic” en “Killed That Girl (‘Cause She Was Killin’ Me)” – Alleen die titel al! – gaat zelfs nog een eindje verder. Je denkt bij het “creepy” blueskarakter ervan vrijwel meteen terug aan het materiaal van zulke acts als Sixteen Horsepower, Wovenhand, Hyacinth House en Grant Lee Buffalo. En dat is wat ons betreft best wel goed gezelschap.

“Room For Doubt” is vervolgens weer een pak rustiger. Twijfel regeert daadwerkelijk volop in dat als sfeervolle americanaballade te bestempelen kleinood. Met een speciale vermelding voor Kim Deschamps’ werkelijk sublieme bijdrage op de pedal steel erin. Via het loodzware, zo op het eerste gehoor uit gelijke delen folk, blues, jazz en rock bestaande “Long Gone”, de voor Turners doen best wel behoorlijk glad aandoende countryrocker “Locking Doors” en het op eenzaam snarengetokkel geënte “Familiar Sound” belanden we bij “The Fire”, naar ons gevoel één van dé absolute hoogtepunten van “Ghosts In The Attic”. De beste Neil Young is in die trage rocksong even niet veraf. Resten dan nog: de knappe rootspopballade “Long Way To Go” en het ons in al zijn vocale grandeur voorwaar heel even aan Jeff Buckley zaliger herinnerende “The Sculptor & The Stone”.

Gaan we nog héél veel van horen, van deze knaap! Jonge storytellers van dit kaliber kom je immers lang niet alle dagen tegen…

Reed Turner

 

JEFF LARSON “Close Circle” (NCompass Music)

(4****)

Net als z’n voorganger “Left Of A Dream” is ook Jeff Larsons nieuwe worp “Close Circle” weer een hoogst aangename “trip down memory lane” geworden. Al na enkele tellen waan je je als luisteraar andermaal ergens in de vroege seventies. En dat in Californië meer bepaald. Daar waar melodieuze soft rock steeds weer beter bleek te klinken dan waar dan ook ter wereld.

Naar aanleiding van zijn vorige platen doken met betrekking tot Larson her en der al de nodige vergelijkingen op met onder meer America en Crosby, Stills, Nash & Young. En daar zouden wij er hier en nu graag nog een paar aan toevoegen door het noemen van de namen van Jackson Browne en Randy VanWarmer. En van de Eagles bij momenten ook wel. Een fluwelen stem, memorabele melodieën, mooie teksten, instrumentaal vakmanschap, kortom hier vind je net als bij de genoemde acts zo ongeveer alles wat je je als luisteraar maar wensen kan. En dus zou je denken, dat Larsons muziek ook uitermate geschikt is voor gebruik op grote schaal. In een wat rechtvaardigere wereld zouden dingen als de zich meteen knus tussen je oren nestelende ballade “Rescue”, het bedaard rockende “Following The Echoes”, de op wel bijzonder subtiele wijze met wat mandolineklanken besprenkelde trage “Even When The Rain Comes”, het als een zacht zomerbriesje aan je voorbij waaiende perfecte popdeuntje “Goodbye Ocean Street Beaches”, het voorzichtig wat meer richting Americana anno nu overhellende “Always The Mystery” en andere ons inziens vrijwel continu de ether vullen.

Voor de productie van dit pareltje tekenden naast Larson zelf ook Jeff Pevar en Hank Linderman. En buiten die twee verleenden verder onder anderen ook Dewey Bunnell en Gerry Beckley van America, de je misschien ook wel uit de entourage van Brian Wilson bekende Jeffrey Foskett, Jeddrah, Randell Kirsch, Jim McCarty, Jeff Jarboe en Dave Nachmanoff de nodige muzikale hand-en-spandiensten.

Très sympa allemaal!

Jeff Larson, CD Baby

 

THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” (The Oldtime Stringband / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van de band zegt in dit geval hoegenaamd alles. Old-time stringband music is immers daadwerkelijk wat er op het programma staat. Deels traditioneel spul, deels covers. Enkel het door respectievelijk Shelly O’Day en Nout Grupstra geschreven drietal “Little Liza Jane”, “High Sierra” en “Fare You Well My Bonny” vormt wat dat betreft een uitzondering. Maar ook die drie liedjes sluiten muzikaal gezien perfect aan bij de rest hier.

The Oldtime Stringband is overigens een Nederlands gezelschap. De groep bestaat uit Nico Keereweer (fiddle en zang), Ton Knol (gitaar en zang), Ruud Spil (banjo en zang), Shelly O’Day (gitaar, autoharp en zang), Nico Druijf (double bass en zang) en Nout Grupstra (fiddle, cajunaccordeon en zang). En met “Chicken Crows For Day” is men ondertussen al aan zijn tweede cd toe. Eerder verscheen immers ook reeds “Gotta Quit Kickin’ My Dog Around”.

Wat ons vooral aanspreekt in de muziek van The Oldtime Stringband, is de ongebreidelde spelvreugde die er van af spat. Vrijwel te allen tijde hoor je, dat alle betrokkenen zich tijdens het opnemen van “Chicken Crows For Day” kostelijk geamuseerd moeten hebben. En dat werkt hoogst aanstekelijk! Zo is het bijvoorbeeld zo goed als onmogelijk om stil te blijven zitten bij de door Nico Druijf gezongen versie van “good old” Jimmie Rodgers’ “Waiting For A Train”, bij de door de banjo van Spil aangejaagde lezing van de traditional “Bowling Green” en het zwierige, hier hoger al even genoemde “Fare You Well My Bonny”. Samen met erg mooie versies van Holly Tashians “Home” en Neil Youngs “Dance Dance Dance”, het cajunwalsje “La Valse de La Belle” – Met een vocale glansrol voor O’Day! – en het op ongemeen sfeervolle wijze de feestelijkheden aflsuitende “Pretty Saro” zijn dat onze muzikale “plats préférés” hier.

Vermelden we tot slot ook nog even, dat The Oldtime Stringband binnenkort zal aantreden op de tweede editie van het COUNTRYfestival in Groot-Gelmen bij Sint-Truiden. Op dag twee van het gebeuren meer bepaald. Op zaterdag 13 september dus, als Château de la Motte verder onder meer ook nog Irene Kelley, Eriksson Delcroix, The Whiskey Gentry en Los Pacaminos (mét voormalig popidool Paul Young) begroeten zal.

The Oldtime Stringband, Sonic Rendezvous

 

BUFORD POPE “Sticks In The Throat” (Unchained)

(4****)

Voor deze man braken we hier al eens eerder een lans. Remember zijn “Matching Numbers” van zo’n jaar of twee geleden? Wij alleszins nog wél, want dat was typisch zo’n plaat, die je graag binnen handbereik hebt tijdens lange ritten met de wagen. En zo maken wij er nogal wat, vandaar…

Hebben we de voorbije twee jaar dus ook heel veel gedraaid, dat “Matching Numbers”. En iets ergens diep hier vanbinnen suggereert nu al volmondig, dat zulks ook wel zal gaan gebeuren met Buford Pope’s nieuwe, z’n vijfde al, “Sticks In The Throat” heet die. Want ook dat is weer een dijk van een melodieuze rockplaat geworden, met her en der – Zij het ditmaal ook maar met mondjesmaat! – van die door ons zó gesmaakte rootskantjes.

Onder de productionele hoede van groepslid Amir Aly (piano, Hammond, Wurlitzer en harmony vocals) blikten Buford Pope (zang, akoestische gitaar, banjo en harmonica) en z’n maats Pelle Jernryd (elektrische gitaar, slide, lap steel en harmony vocals), Jörgen Lindström (bas en harmony vocals) en Mattias Pedersen (drums, percussie en harmony vocals) elf nieuwe liedjes in. Elf eigen composities van Buford Pope. Elf nummers, uitermate geknipt voor die heerlijke schuurpapieren strot van ‘m. Een stem die je doet terugdenken aan die van Rod Stewart in z’n hoogdagen, maar die hier en daar ook wel wat met die van Bryan Adams gemeen heeft. En dus komt het eigenlijk best wel goed uit, dat het materiaal op “Sticks In The Throat” beduidend meer richting rock overhelt als dat op z’n voorganger. Dat valt op. Gelijk van bij het onder stevig gitaarwerk kreunende openingsnummer “Don’t Take It Out On Me” al. Fans van de net al even genoemde Adams hebben daar ons inziens echt wel een flinke kluif aan. Via het melodieuze, mede door Aly’s toetsenwerk enigszins Springsteeniaans aandoende “She’s Gotta Country Mouth” belanden we vervolgens bij “Stand Up For Your Man”, opnieuw zo’n meedogenloze rockstreep. In “valse trage” “Love Affair” doet Pope het dan bijna op z’n Tom Petty’s even wat rustiger aan. Maar da’s maar voor even, wat in het daaropvolgende titelnummer gaat hij gewoon weer recht-toe-recht-aan. Zou wel eens een hitje kunnen worden, dat nummer! Hebben we dan nog te goed: de melodieuze rockers “Go Your Own Way”, “Highway”, “Give It Up”, “I’ll Get Over That” en “What Will Your Mama Say” en de mooie (rootsy) trage “You’re The Drug I Like To Use”.

Geen Zlatan hier, maar wel een verdomd sterk Zweeds elftal! Songelftal welteverstaan!

Buford Pope

 

AUBURN “Nashville” (Scarlet Records)

(3,5****)

Na een scheiding van meer dan een decennium vielen de leden van Auburn elkaar ergens in 2011 gewoon terug in de armen. En het eerste tastbare resultaat van die reünie was het een jaar later op de wereld losgelaten en al bij al behoorlijk lovend onthaalde “Indian Summer”. Daarop wisten zangeres Liz Lenten en haar cohorten op aanstekelijke wijze een brug te slaan tussen verleden en heden, tussen akoestisch en elektrisch, tussen pop, rock, folk, country en blues. “Insgesamt” een weinig retro aandoend, maar ook weer net niet teveel!

En met die omschrijving zitten we op de keper beschouwd ook voor opvolger “Nashville” weer helemaal juist. Stralend middelpunt van de belangstelling is andermaal Lenten. Met haar honingzoete (“So sweet it’ll make your hair curl!”) stem trekt ze quasi onopvallend alle liedjes naar zich toe. Een gegeven, waaraan ook de inbreng van echte toptalenten als Thomm Jutz (gitaren) en Mark Fain (bas) “überhaupt” niets veranderen kan. Die Jutz was het trouwens ook die tekende voor de bijzonder warmbloedige productie van “Nashville”.

En hij was op die manier dus ook medeverantwoordelijk voor een “an sich” erg Europees aandoend potje Americana. Meer “rootsy” dan “roots”, maar wel erg mooi!

Auburn

 

PAUL J. PHILLIPS “Magic” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Met de EP “Magic” is de dezer dagen vanuit New York City actieve Paul J. Phillips inmiddels al aan zijn derde soloplaat toe. En ook daarop stoeit hij, net als op voorgangers “Shooting Cars, Building Stars” en “Every Time I Leave”, weer uitgebreid met elementen uit genres als pop, rock, folk, blues en soul.

Geopend wordt er in stijl met eerste single “Time, Time”, een streep heerlijk rammelende ingehouden bluesy roots rock. Vervolgens gaat het richting single nummer twee, het ons van opzet op de één of andere manier aan iets van T. Rex herinnerende “Magic”. Poppy van uiterlijk, maar dan wel met een dikke laag soul en R&B daaronder! Het derde van de amper vijf liedjes op “Magic” is “Fly Boy”. En ook dat koppelt weer veel soulgevoel aan een an sich best wel radiovriendelijke popdeun. Resten dan nog: het zijn titel de nodige eer aandoende “Da Blues” en “Till It’s Gone”, een hoogst catchy, bepaald lekker voor zich uit jengelende rootspopdeun.

Verre van kwaad allemaal! En bij een volgende gelegenheid mag het van ons dan ook graag (weer) wat meer zijn…

Paul J. Phillips

 

BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” (Blue Colorado Music)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n album “What’ll It Be?” me onverwacht in de schoot werd geworpen nog nooit van Barry Ollman gehoord had. En dat hoeft eigenlijk niet eens te verwonderen ook, aangezien het daarbij nog maar om ’s mans eerste album blijkt te gaan. En dat ondanks een – Afgaande op de foto op de eromheenzittende digipak! – al redelijk gezegende leeftijd.

Met “What’ll It Be?” verrast Ollman alleszins in hoogst aangename zin. Gelijk van bij het openingsnummer, het me een weinig aan James Taylor herinnerende en met Graham Nash gebrachte “Imogen’s Lament”, had hij meteen mijn volle aandacht. Hoe hij daarin bij monde van een stilaan een dag ouder wordende fotografe al mijmerend de angst voor wat nog komen zal verwoordt, zet aan tot nadenken. “With no fear of dying, that never seemed hard. She’s much more afraid of losing her sight…” Zo had ik het allemaal nog niet bekeken… Maar ik mag er bijvoorbeeld ook niet aan denken, zelf ooit doof te eindigen. Dat zou zo’n beetje op hetzelfde neerkomen, denk ik…

Enfin, de toon is daarmee gezet. Bijzonder bedachtzaam schildert Ollman op “What’ll It Be?” tien erg mooie, in het leven van alledag hun bestaansreden vindende songportretten. Naar eigen zeggen allemaal met een welbepaalde reden. En wellicht is het precies dat gegeven, dat er een hoge mate aan authenticiteit aan verleent. Veel van het door de beste man gebrachte materiaal is van het eerder rustige type. Zoals het luisterliedjes naar mijn bescheiden mening eigenlijk gewoon betaamt ook. Maar er zijn ook wel wat uitzonderingen op die regel. “Banker’s Holiday” rockt mede dankzij een gesmaakte elektrische gitaarbijdrage van de je van Springsteens E Street Band bekende Garry Tallent bijvoorbeeld een aardig eindje weg. En ook het zomers geklede “popdondertje” “Almost Time” heeft een dergelijk licht opgewonden karakter. Maar het merendeel van het materiaal valt dus onder de noemer ballades. En – Eerlijk is eerlijk! – daarin is Ollman ook gewoon op z’n best. Die honingzoete, zoals eerder al even aangegeven, wat aan James Taylor refererende stem van ‘m doet het ‘m daarin keer op keer opnieuw! Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als “Lean In Close”, “Blue Colorado”, “The Old Country” of het afsluitende “Almost Time” en je zal me daarin allicht maar wat graag bijtreden.

Een mooie stem, erg mooie liedjes, die dan ook nog eens worden gebracht door louter topmuzikanten, wat wil een mens eigenlijk nog meer?

Barry Ollman, CD Baby

 

TRUE NORTH “True North” (True North)

(3,5****)

Het feit dat ze op verschillende continenten wonen weerhield er singer-songwriters Eva Hillered, Patrick Rydman en Janni Littlepage absoluut niet van om een mooie vriendschapsband te smeden en samen te gaan werken. En zo ontstond uiteindelijk ook True North. Een trio dat in eerste instantie opvalt door z’n werkelijk puntgave harmonieerwerk. Als Hillered, Rydman en Littlepage samen gaan zingen, dan hangt er geregeld even wat magie in de lucht.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de door Littlepage gepende, aan de groep ook haar naam verlenende ballade “True North”. Prachtig, hoe de stemmen van de drie elkaar daarin aanvullen! Dat heerlijke rootspopdeuntje is wat ons betreft meteen ook het absolute hoogtepunt van de voorliggende EP. Daarop verder ook nog: het ingehouden rootsrockende “New Way ‘Round”, het wat meer naar folkpop overhellende “Back To The Mother”, het op buitengewoon boeiende wijze met een americanagegeven omspringende “The Death Of Mr. Jones” en de warmbloedige, al na één enkele beluistering tot luidkeels meezingen uitnodigende eigentijdse countryriedel “Floats On Water”.

Vijf liedjes, die wat ons betreft nu al doen uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van dit Zweeds-Amerikaanse drietal!

True North

 

ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” (DarkSideOut Records)

(4,5*****)

Voor onze eerste kennismaking met de Ier Ultan Conlon moeten we al terug naar 2011. Op het knappe John Martyn-eerbetoon “Johnny Boy Would Love This” stootten we toen immers niet enkel op bijdragen van onder anderen Beck, David Gray, Paolo Nutini, Beth Orton en Lisa Hannigan, maar ook op ‘s mans uitvoering van “Back To Stay”. Wat googelen leerde ons aansluitend, dat Conlon met dat nummer al bepaald niet meer aan zijn proefstuk toe was.

De beste man debuteerde al in 2004 met een naar zichzelf vernoemde EP. Twee jaar later nam hij vervolgens samen met de eveneens uit Galway afkomstige John Conneely onder de vlag UltanJohn de langspeler “Really Gone” op. En in 2009 volgde ook nog zijn eerste solo-lp “Bless Your Heart”, een plaat die door lokale krant The Evening Herald prompt werd bestempeld als “The most impressive Irish debut since Damien Rice’s ‘O’”. Een erg mooie geloofsbrief…

Benieuwd, wat ze ginder denken van Conlons nieuwste worp. Dat schijfje, het onlangs verschenen “Songs Of Love So Cruel”, vinden wij immers op onze beurt bepaald indrukwekkend. Gelijk van bij onze eerste beluistering van het aan het geheel zijn titel verlenende openingsnummer “In The Mad” waren wij compleet verkocht. Wat een heerlijke rootspopdeun was dat! Herinnerde ons tegelijk aan Ron Sexsmith, aan Roy Orbison en aan Bruce Springsteen. Huiveringwekkend mooi gewoon! En, zoals later zou blijken, de inzet van net geen achtendertig minuten topamusement. Van een album boordevol prachtige verhalen, veelal gevuld met hartzeer, muzikaal te situeren ergens tussen pop, rock, folk en country. Doorgaans van het wat rustigere soort, al zorgen songs als het al genoemde “In The Mad”, “Lonely Avenues” en “The Golden Sands” bij tijd en wijle wel voor wat tegengewicht.

Had op ons quasi dezelfde impact als het debuut van de eerder al genoemde Ron Sexsmith en Richard Hawley’s magistrale tweeluik “Lady’s Bridge” en “Truelove’s Gutter”. En laat dat nu net enkele van onze lievelingsplaten aller tijden zijn…

Ultan Conlon

 

DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” (American Blues Label Group / Import)

(4****)

“Screaming In The Wind” is de door de onder meer om zijn werk met Buddy Guy, George Thorogood, Johnny Winter en Susan Tedeschi alom geprezen Tom Hambridge geproduceerde derde van bluesrocker Dudley Taft. Na “Left For Dead” uit 2011 en “Deep Deep Blue” van vorig jaar een derde staaltje van ’s mans aanzienlijke talenten als zanger en gitaarbeul.

Die nieuwe cd bevat een dozijn nieuwe liedjes, waarvan Taft het leeuwendeel ook zelf schreef. Sommige met Hambridge en Richard Fleming, het gros echter gewoon in z’n eentje. En natuurlijk stootten we hier ook op enkele covers. Gelijk bij het begin al. Tafts cover van Skip James’ “Hard Time Killing Floor Blues” deed ons spontaan op zoek gaan naar onze oude Led Zep- en Cream-platen. Zo goed? Zo goed! En ook zijn meteen daaropvolgende uitvoering van Freddie Kings “Pack It Up” mocht er wat ons betreft absoluut zijn. Heerlijk soulvol gebracht, dat nummer! En vanaf dan ging het aan een echte rotvaart verder doorheen eigen materiaal: via de met z’n hoofd nog volop in de seventies levende bluesy hardrocker “Red Line” over het zich op bezwerende wijze voortslepende titelnummer en het zalig vonkende “3DHD” tot het heerlijk funky neergelegde “I Keep My Eyes On You”, de wederom van de soul bulkende trage “The Reason Why”, het ons op de één of andere manier aan ZZ Top herinnerende “Rise Above It”, vreemde eend in de bijt “Barrio”, de eigenzinnige, beenharde Delta-blueshybride “Sleeping In The Sunlight”, het behoorlijk psychedelisch uit de hoek komende “Tears In The Rain” en het afsluitende bluesrockmonster “Say You Will”.

Roodheet van de eerste noot tot de laatste! Ruim eenenvijftig minuten lang! En met gesmaakte gastbijdragen van onder anderen toetsenist Reese Wynans, de Muscle Shoals Horn Section en de onnavolgbare McCrary-zussen.

Dudley Taft

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

LONESOME SHACK “More Primitive” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Lonesome Shack is de naam van een uit zanger-gitarist Ben Todd, bassist Luke Bergman en drummer Kristian Garrard bestaand trio uit Seattle dat dezer dagen behoorlijk van zich doet spreken. En de tien voornaamste redenen voor die “buzz” zijn allicht terug te vinden op “More Primitive”, het onlangs verschenen nieuwe album van de groep.

Ruim tweeënveertig minuten lang serveren Todd en co daarop effectief behoorlijk primitief aandoende blues- en boogiehybriden, die je anno 2014 nu niet meteen van een stel jonge “bleekgezichten” als hen zou verwachten. Je denkt aan een John Lee Hooker, aan een RL Burnside, aan Canned Heat, aan Little Feat ook. Ritmisch totaal ongekunsteld, op het randje van het bezwerende af, lekker rauw ook. En bovenal: ongemeen authentiek!

Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de nadrukkelijk aan de oude Hooker herinnerende boogie “Wrecks”, het wild “hipshakend” op dansgrage benen mikkende “Head Holes”, het op de keper beschouwd bepaald hypnotisch werkende “Old Dream” of het over een echte “killer bassline” heen gedrapeerde titelnummer en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen! ’t Is dat we hier vooraf al afdoende ingelicht waren over de afkomst van dit schijfje of we waren de oorsprong ervan gegarandeerd ergens helemaal anders – In een totaal verkeerde buurt! – gaan zoeken.

Dit één keer horen is het ook kopen!

Lonesome Shack, Alive Naturalsound Records, Sonic Rendezvous

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” (Proper Records / Rough Trade)

(4****)

Folklegende Richard Thompson trekt dit jaar zowat de hele zomer lang solo doorheen de UK. En om ook wat (actueel) plaatmateriaal beschikbaar te hebben, dat aan het toch wel wat aparte karakter van die live shows beantwoordt, dook hij nog snel even de studio in en blikte er nieuwe versies van zo menig een klassieker op het eigen repertoire in.

“Acoustic Classics” lost de belofte van z’n titel met andere woorden helemaal in. Het album bevat immers louter akoestische versies van veertien liedjes, die Thompson zelf selecteerde uit de overvloed aan materiaal uit z’n ondertussen ruim veertig jaar overspannende loopbaan als singer-songwriter. Eén groot feest der herkenning dus! Of wat dacht u van van alle (overbodige) franje ontdane uitvoeringen van klassiekers als “I Want To See The Bright Lights Tonight”, “Walking On A Wire”, “Down Where The Drunkards Roll”, “Persuasion”, “1952 Vincent Black Lightning”, “I Misunderstood”, “From Galway To Graceland”, “Valerie”, “Shoot Out The Lights”, “Beeswing”, “Dimming Of The Day” en vele andere?

Thompson straalt hier zowel als zanger, als op de akoestische. En eerlijk? Zó horen we hem eigenlijk nog het liefst van al.

Richard Thompson, Proper Records

 

EILEEN ROSE “Be Many Gone” (Holy Wreckords / Bertus)

(4****)

In Engeland was “Be Many Gone”, het nieuwe album van de bloedmooie Eileen Rose, al een poosje uit. Van begin dit jaar om precies te zijn. En we lazen er dan ook al een heleboel recensies over. De ene al lovender dan de andere. Volgens heel wat critici is het ontegensprekelijk de beste Rose-cd tot op heden. En dat is een stelling, die we hier graag bij willen treden.

Met voor de gelegenheid de nodige productionele bijstand van de je onder meer uit Frank Blacks Catholics bekende Rich Gilbert en met verder ook nog wat studiohulp van een handvol gerenommeerde namen uit Nashville als daar zijn een Buddy Spicher (fiddle), een Johnnie Barber (drums) en een Brad Albin (bas) serveert Rose op haar jongste een buitengewoon smakelijk negengangenliedjesmenu. Als entreetje is er de melodieuze, nadrukkelijk naar lang vervlogen tijden hunkerende alternatieve country van het met een veelzeggende titel gezegende “Queen Of The Fake Smile”. Via een bordje door Spichers fiddle op onnavolgbare wijze ingeleid “één-tegel-materiaal” gaat het vervolgens naar het eigenlijke hoofdgerecht. Stijlvolle, bedaard twangende country soul (“Prove Me Wrong”), catchy border music (het in duet met Frank Black gebrachte “Each Passing Hour”), rammelende country rock met een niet bepaald subtiele knipoog richting R&B (“Just Ain’t So”) en een stel broeierige alt-countrytragen (“Wake Up Silly Girl”, “Comfort Me” en “There Will Be Many Gone”) blijken daarvan tot ons groot jolijt de nogal uiteenlopende bestanddelen te zijn. En een nagerechtje wacht er ons natuurlijk ook nog. “Space You Needed” meer bepaald, een streepje ongemeen lekkere, al bij al behoorlijk atmosferisch aandoende country soul.

Heerlijke plaat! Moet je eigenlijk gewoon hebben…

Eileen Rose

 

HEGE BRYNILDSEN “Till Harry” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

“Hege”, de van begin vorig jaar daterende, door Fats Kaplin geproduceerde eerste cd van Hege Brynildsen, viel hier echt zeer goed in de smaak. Ik werd toen in hoge mate gecharmeerd door de zingende Noorse liedjesschrijfster. Haar me best wel wat aan de muziek van dames als een Iris DeMent en een Gillian Welch herinnerende escapades richting Americana, country en folk waren nu niet meteen wat je vanuit Noorwegen verwachtte, maar ze klonken zó authentiek en waren zó verdomd goed, dat je er als luisteraar graag naar teruggreep.

Ik vrees er echter voor, dat haar nieuwe, het volledig in haar eigen landstaal gebrachte “Till Harry”, op termijn niet diezelfde werking op me zal gaan hebben. Daarop staan overwegend (wat) rustige(re) liedjes. Ik denk dan in eerste instantie aan tussen pop en folk strandende pianoballades als “Mitt Hjärta Itu”, “Sommarsång” en “När Jag Blickar Ut I Världen” of op het snijvlak tussen country en pop neergelegde tragen als “Lilla Ängel” en “Tindrande Stjärnor”. Voorts – Gelukkig! – ook enkele als (broodnodig) tegengewicht voor zoveel ingetogens fungerende dingen als de bedaarde countryrocker “Två Fåglar” en het “bluegrassy” “Den Enda Han Ville Ha”.

Geen onaardige liedjes allemaal, maar ook niet meer dan dat. En dan is er natuurlijk ook nog de voor de meeste niet-Noren vervelende factor van het niet-begrijpen… Volgende keer dus toch maar gewoon weer in het Engels, Hege?

Hege Brynildsen, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

CURTIS HARDING “Soul Power” (Burger Records / Import)

(4****)

De ergens aan de vooravond van de eighties in “Motor City” Detroit geboren, maar ondertussen wel al een poosje in “Hot” Atlanta residerende Curtis Harding dient zich met “Soul Power” aan als één van de interessantere nieuwe acts actief op de scheidingslijn tussen rock en soul.

Harding is een zanger-gitarist-songsmid, wiens liedjes op wonderbaarlijke wijze een brug weten te slaan tussen soul zoals die in de jaren zestig welig tierde en het hier en nu. Geïnspireerd voornamelijk door groten der aarde als een Otis Redding, een Sam Cooke, een Bo Diddley en een B.B. King zoekt hij in zijn muziek evengoed aansluiting bij wat dezer dagen zoal allemaal voor garage rock doorgaat. En als je houdt van het werk van qua uitgangspunt enigszins vergelijkbare acts als Black Joe Lewis & The Honeybears en The Bellrays, dan zal dit ook wel aan jou besteed zijn.

Onze luistertips: het zomers groovy, deels falsetto gebrachte “Freedom”, het al rockend heerlijk aan zijn kettingen snokkende “Surf” en het zich schokschouderend een weg doorheen een hard R&B-fundament drillende “I Don’t Wanna Go Home”.

Héél erg goed allemaal…

Burger Records

 

JIM STAPLEY “Long Time Coming” (Mita Records / Universal)

(4****)

Met “Long Time Coming”, zijn door de gerenommeerde Tony Visconti geproduceerde nieuwe album, presenteert youngster Jim Stapley zich zo ongeveer als een certitude voor de toekomst. De jonge Brit toont zich daarop immers een onwaarschijnlijk goede rockzanger. Een shouter van het werkelijk allerbeste soort. Om even aan te geven hoe goed we hem wel vinden: de namen van knapen als een John Farnham, een Paul Rodgers (Bad Company) en een Lou Gramm (Foreigner) kwamen ons tijdens onze eerste beluistering van “Long Time Coming” spontaan voor de geest.

Gelijk van bij het er behoorlijk stevig inhakkende openingsnummer “No Good Reason” wekte Stapley onze interesse. Wat was dat, man? Wat een schreeuwertje! En welk een lekkere seventies aandoende heavy rock sound ook! Na ruim zevenenveertig minuten wisten we het al zeker: dit wordt op korte termijn een hele grote!

Stapley wisselt op dat “Long Time Running” stevige, bij momenten ook andere roots als blues, soul en country verradende rockuithalen af met tal van power ballads. En vooral met een aantal van de nummers uit die laatste categorie zou hij het wel eens heel goed kunnen gaan doen op radio en televisie. Wij denken dan met name aan melodieuze dingen als een “Heartstrings” of een “New Religion”. Dat laatste zou mits de nodige airplay wel eens zomaar een knoeperd van een zomerhit kunnen worden!

Als de Engelsen op het jongste WK voetbal even performant uit de hoek waren gekomen als hun jonge landgenoot hier, zouden ze met de vingers in de neus wereldkampioen zijn geworden…

Jim Stapley, Mita Records

 

TIP JAR “Back Porch” (Shine A Light Records)

(4****)

De mooiste liedjes worden tot nader order nog altijd door het leven zelf geschreven. Goede songwriters weten dat. Ze plukken als het ware voortdurend de vruchten van alledag. En met de juiste pen – En vooral ook stem! – op smaak gebracht vormen die dan de basis voor een doorgaans hoogst appetijtelijk muzikaal potje. Artisanale fijnkost, zoiets. Muziek met een hoge herkenbaarheidsfactor. Muziek, die kortom een buitengewoon uitnodigende werking op je heeft. De Nederlander Bart de Win is er wat ons betreft een echte meester in. Met albums als “The Simple Life”, “Little World” en “Easy To See” wist hij hier de voorbije jaren keer op keer opnieuw de juiste snaar te raken. Ergens uit het diepe tussen Americana, folk en pop dook hij echt de ene na de andere muzikale parel op.

En dat is ook op z’n nieuwe project “Back Porch” weer niet anders. Al mogen we strikt genomen eigenlijk niet spreken van “zijn” nieuwe project. “Back Porch” is immers een heuse partnerjob geworden. Een duoplaat met de met een werkelijk engelachtig mooie stem gezegende Arianne Knegt. Een samenwerkingsverband dat in het verleden overigens al meermaals zijn waarde bewezen had. Op elk van de hoger al even genoemde albums was Arianne immers ook van de partij. En telkens weer viel daarbij op, hoe zalig de stemmen van de Win en Knegt matchten. Daar kon je als aandachtige luisteraar gewoon niet omheen. En ook als artiest dus niet klaarblijkelijk. Op het onder de gemeenschappelijke vlag Tip Jar uitgebrachte “Back Porch” staan er nu immers twaalf samenwerkingen tussen het stel. Tien van de gebrachte nummers schreef de Win in z’n eentje, onder het zomers soulvolle “Lonely Song” prijkt ook de naam van Martijn de Win en het ons louter muzikaal gezien een beetje aan de zo gesmaakte samenwerkingen tussen Chip Taylor en Carrie Rodriguez van enkele jaren geleden herinnerende “Crossroads” droeg Knegt aan.

Een betere titel dan “Back Porch” hadden de twee voor hun eerste samen naar ons gevoel ook niet kunnen verzinnen. Gelijk van bij het door een fijne banjobijdrage van Harry Hendriks het bluegrassgenre voorzichtig de hand reikende “I Won’t Hide” heb je als luisteraar immers het gevoel met zicht op je zonovergoten achtertuin de dag van je af te mogen laten glijden. Na het eerder al genoemde “Lonely Song”, de bedaarde, nog op een klassieke leest geschoeide country van titelnummer “Back Porch”, het ergens tussen Americana en folk wortel geschoten hebbende “One Biscuit”, de werkelijk oorstrelend mooie ballade “You Will Be Fine”, de al even ontwapenende trage “Love Of My Life”, Knegts “Crossroads” en tal van andere roots-toppertjes open je pas ruim vierenveertig minuten later na het afsluitende, met jazz, blues en country tegelijk stoeiende “As Long As I’ve Got You” compleet voldaan weer je ogen. Die heb je eerder, na enkele ogenblikken van met de juiste soundtrack intens genieten van het landschap dichtgeknepen om je ten volle te kunnen overgeven aan de verdere wonderwerken van de Win en Knegt. Zo mooi kan het leven nog zijn…

Gelijk opnieuw een rondje? Of toch maar eerst op zoek gaan naar de tip jar om er die dubbel en dik verdiende fooi in achter te laten?

Tip Jar

 

THE DELTA SAINTS “Live At Exit/In” (The Delta Saints, Inc.)

(4****)

Wie na hun EP’s “Pray On” en “A Bird Called Angola” van ondertussen zo’n jaar of drie geleden en de vorig jaar verschenen volwaardige langspeler “Death Letter Jubilee” nog zou twijfelen aan de capaciteiten van The Delta Saints, die krijgt met “Live At Exit/In” fameus lik op stuk. Waren drie genoemde items an sich al ronduit uitstekende platen, dan bewijst deze nieuwe worp voor eens en voor altijd, dat je Ben Ringel en z’n kornuiten toch vooral live beleefd moet hebben om er écht over mee te kunnen spreken. Iets wat bezoekers van onder meer het BRBF en Moulin Blues van vorig jaar wellicht graag zullen beamen.

De “bourbon-fueled, bayou rock” van de Delta Saints krijgt er live als het ware nog een extra dimensie bij. Bezwete lichamen lijken immers als de spreekwoordelijke rode stierenlap op de heren Ringel, Fitch, Supica, Azzi en Kremer te werken. Hun energiek distillaat uit genres als blues, funk, gospel, Southern en roots rock wint er op een podium alleszins nog ongelooflijk veel aan intensiteit bij. Het wordt dan hoegenaamd onmogelijk om er nog onbewogen bij te blijven.

Laat je verleiden tot een muzikale one-night stand met dingen als “Bird Called Angola”, “Drink It Slow”, “The Devil’s Creek”, “Death Letter Jubilee”, “Pray On”, “Chicago / Boogie”, “Cigarette”, “3000 Miles”, “Liar” en de Gnarls Barkley-cover “Crazy” en je zal gegarandeerd achterblijven als een fan voor het leven! Echte bommen zijn het!

Eind augustus zijn de heren trouwens ook weer in de buurt voor enkele optredens. Op 25 augustus doen ze The Spirit of 66 in Verviers aan, op 29 augustus treden ze op het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in Herselt op en één dag later is Westerpop in het Nederlandse Delft aan de beurt.

The Delta Saints

 

NQ ARBUCKLE “The Future Happens Anyway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

NQ Arbuckle is het ondertussen al ruim twaalf jaar lang flink aan de weg timmerende Canadese alternatieve countrybandje van Neville “NQ” Quinlan. En met “The Future Happens Anyway” zijn hij en zijn maats Mark en Peter Kesper, Jason Sniderman en John Dinsmore ondertussen dan ook al lang niet meer aan hun proefstuk toe. Eerder verschenen ook al de hoegenaamd zonder uitzondering aan te bevelen albums “Hanging The Battle-Scarred Pinata” (2002), “Last Supper In A Cheap Town” (2005), “XOK” (2008) en het samen met landgenote Carolyn Mark ingeblikte “Let’s Just Stay Here” (2009).

Over hun zonet geloste vijfde willen we het hier vandaar echter hebben, want dat is een héél erg goede! Het is een plaat, die je als luisteraar laat inzien, waarom Quinlan en de zijnen reeds meermaals voor een Juno Award werden genomineerd en door genreconnoisseurs al een poosje in één en dezelfde adem worden genoemd met andere vooraanstaande CanAmericana acts als Blue Rodeo, Blackie & The Rodeo Kings en The Sadies. In de schemerzone tussen alt-country en roots en Heartland rock zorgen zij hier vrijwel constant voor nieuw lekkers.

Quinlans ongemeen attractieve stem zorgt daarbij geregeld voor het nodige kippenvel. We hebben het hier duidelijk over schuurpapier van het allerbeste soort! Stralend in zowel de geregeld opduikende ballades als in de lekker gevarieerde rockers. Je denkt daarbij onwillekeurig aan Springsteen, aan The Band, aan Neil Young, aan Tom Waits, aan Steve Earle,… Enfin, aan nogal wat genregrootheden. Voorts zeker ook een pluim op de hoed van Peter Kesper. Diens gitaar is ons inziens voor de sound van NQ Arbuckle immers minstens even noodzakelijk als de stem van de voorman van de groep.

Gastrollen noteren we tenslotte op het door John Dinsmore geproduceerde “The Future Happens Anyway” ook nog voor onder anderen Melissa McClelland en Luke Doucet (van het duo Whitehorse) en leden van Elliott Brood, Great Lake Swimmers en Wooden Sky. En natuurlijk willen we op de valreep ook nog even aan je kwijt, dat naast elf eigen nieuwe nummers ook vertolkingen van William Whitings “Eternal Father, Strong To Save” – Ook wel “The Navy Hymn”! – en vooral ook wijlen Vic Chesnutts “Panic Pure” “The Future Happens Anyway” haalden. Dat laatste zouden wij samen met het aan Springsteen ten tijde van “The Ghost Of Tom Joad” herinnerende “The Civil War Is Over” hier zelfs nog snel tot absoluut hoogtepunt van het album durven uit te roepen.

NQ Arbuckle, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

CORB LUND “Counterfeit Blues” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

Wat doe je als rootsartiest, als je van het ene moment op het andere de kans krijgt  om in de legendarische Sun Studios in Memphis een plaat te gaan opnemen? Juist, ja… Je schuift alles aan de kant en je smijt je. Je smijt je alsof je leven ervan afhangt. En dat was dan ook exact wat de Canadees Corb Lund deed, toen hem onlangs die eer te beurt viel. Alleen… Er waren twee addertjes… De opnamen zouden voor een CMT-TV-special gefilmd worden en ze mochten niet langer dan twee dagen in beslag nemen. Van een uitdaging gesproken!

Maar dan wel ééntje, die Lund maar wat graag aanging. Meer nog, hij nam zich voor om ten volle te profiteren van de eigenheid van de door zo ongeveer al hun gebruikers tot in den treure toe geroemde opnamestudio’s. “Live” zou hij er een even ruw als puur eerbetoon aan het ook ruim een halve eeuw later nog door velen quasi verafgood geluid van Sun inblikken. Twaalf liedjes in totaal, materiaal ontleend aan twee eerdere platen van ‘m, met name “Five Dollar Bill” uit 2003 en “Hair In My Eyes Like A Highland Steer” uit 2006, helemaal Lund, maar dan wel met een Sun-randje! En met aan variatie alvast absoluut geen gebrek. Bij Lunds plantenlabel heeft men het over “a spirited set of rockabilly, rock & roll and honky tonk country”. Maar hoe ruim op het eerste gezicht ook, die vlag dekt ons inziens haar lading toch nog niet helemaal. Daarvoor is Lund anno 2014 gewoon té eclectisch ingesteld.

Het album opent alvast ongemeen sterk met het zwaar slidegestuurde net-niet-titelnummer “Counterfeiters’ Blues”. Vervolgens gaat het via een streepje outlaw country (“Good Copenhagen”), een onvervalste rockabilly-stamper (“Big Butch Bass Bull Fiddle”), wat hypernerveuze country rock (“Hair In My Eyes Like A Highland Steer”) en wat catchy Western swing (“Little Foothills Heaven”) richting het onvolprezen “Five Dollar Bill”, ondertussen uitgegroeid tot één van Lunds absolute “signature songs”. “Buckin’ Horse Rider” is door zijn scherpe randje dan weer te omschrijven als alternatieve C&W, “Hurtin’ Albertan” twijfelt tussen Buckaroo twang en rockabilly pur sang, “(Gonna) Shine Up My Boots” is gewoon een vrolijk, van verlangen overlopend klassiek countrydeuntje, “Truck Got Stuck” wat aanstekelijke “tongue in cheek” rig rock, “Roughest Neck Around” een buitengewoon fijne streep countryrock en het afsluitende “Truth Comes Out” sfeervolle, enigszins “creepy” aandoende Americana.

De deluxe-uitvoering van “Counterfeit Blues” bevat naast het eigenlijke album op cd ook nog een dvd. Daarop de bijna een uur durende CMT-TV-special met naast interviews ook heel wat performances, waarvan er een aantal hier voor het eerst hun opwachting maken.

Corb Lund, New West Records

 

WILLIAM CLARK GREEN “Rose Queen” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Eerlijkheid duurt in de liedjes van de jonge Texaan William Clark Green het langst. Nu meer dan ooit. De jongeman, die het aandurft cultheld Willis Allan Ramsey als zijn grote voorbeeld te noemen, schrijft naar eigen zeggen vanuit het hart. En dat lijkt hem geen windeieren te gaan leggen ook. Met name zijn nieuwe liedjes gaan er in z’n thuisstaat immers in als zoete koek. “It’s About Time”, de behoorlijk rockende eerste single van z’n nieuwe album “Rose Queen”, deed het ontzettend goed op tal van Texaanse radiostations. En “She Likes The Beatles”, de aan een veelheid van tegenstellingen tussen de protagonist ervan en zijn wederhelft opgehangen opvolger daarvan deed het zelfs nog beter. Met dat sterk staaltje van Red Dirt Americana scoorde Green onlangs zijn eerste nummer 1 in de Texas Music Chart.

En afgaande op wat er verder nog zoal op de door veterane Rachel Loy geproduceerde opvolger van de langspelers “Dangerous Man” en “Misunderstood” staat, zal het zeker niet z’n laatste zijn ook. Met zijn krachtige, karaktervolle stem als zijn voornaamste bondgenoot wurmt Green zich daarop immers doorheen een echt wel ijzersterk songelftal. Liedjes met op de keper beschouwd louter fijne refreinen en dito melodieën. Veelal lekker rockend van aard, al worden wat midtempo materiaal en ballads bij tijd en wijle zeker ook niet geschuwd.

Onze favorieten: het zich als een zalige lijzige roadhouse rocker aandienende titelnummer, de beide eerder al genoemde singles, “Hangin’ Around”, de wederom zeer radiogeniek rockende opvolger daarvan, en vooral ook het zich al stuiterend een weg richting het luisteraarsonderbewustzijn verhalende “Dead Or In Jail”.

Puur muzikaal bekeken bij nader inzicht eigenlijk typisch een gevalletje van oude wijn in nieuwe zakken, deze collectie. Maar storen doet dat hier allerminst. Daarvoor is Green gewoon veel te goed in wat hij doet. Hierbij haalt allicht zo ongeveer elke liefhebber van Texaanse roots rock luidkeels meezingend bij tijd en wijle graag weer eens even de luchtgitaar boven, wij voorop…

William Clark Green, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

HANK SHIZZOE “Songsmith” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Voor de productie van z’n nieuwe cd “Songsmith” riep Hank Shizzoe de hulp in van z’n landgenoot Stephan Eicher. En dat bleek bij nader inzicht een briljante zet. Zelden klonk de Zwitserse blues- en rootsvirtuoos immers beter dan hier. Eicher zorgde duidelijk voor de zo broodnodige nieuwe uitdagingen.

Gelijk van bij openingsnummer “Rocket Ship” is het er vol op. Met z’n enigszins futuristisch aandoende swamp sound en z’n hypnotische beat legt dat de lat voor alles wat dan nog volgen moet meteen erg hoog. Maar geen nood, met z’n gelegenheidsmaatje Eicher in de buurt lost Shizzoe in de elf verdere nummers op “Songsmith” ogenschijnlijk probleemloos alle zo hooggespannen verwachtingen in. Via de mooie, ons een weinig aan Nick Cave in z’n wat bezadigdere momenten herinnerende pianoballade “He Is Not” over het voorzichtig met moderne elektronica stoeiende en toepasselijkerwijze meer parlando dan gezongen gebrachte “I Talk Too Much” en de in duet met Shirley Grimes opgevoerde trage “Light Up” tot “Like It’s 1929”, een absoluut briljant nummer, dat op cabareteske wijze een brug slaat tussen de economische crisis van het jaar uit z’n titel en die anno nu. In het hart van “Songsmith” stoten we vervolgens op de atmosferische “bluesicana” van het titelnummer en het twangy, louter sfeermatig bij momenten behoorlijk zwaar aan de muziek van die van Calexico refererende “The Ghost Of Pain”. Blijven daarna nog over: de onder meer over lentefrisse ukeleleklanken heen gedrapeerde “singalong” “iTune (Song For Jony)”, het “spacey” rootspopdeuntje “Planned Obsolescence”, de werkelijk sublieme americanaballade “Thanks To You”, de niets ontziende bluesrocker “Where I Come From” en “I Sing”, een even aanstekelijke als aparte adaptatie van Charles Trenets hit “Je Chante” uit 1937.

Duidelijk Shizzoe’s meest gevarieerde worp tot op heden, dit album. En misschien ook wel z’n beste…

Hank Shizzoe, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MAX GOMEZ “Rule The World” (New West Records / Warner Music)

(4****)

In de States is dit juweel al een behoorlijk poosje uit. Zo’n anderhalf jaar al bij benadering. En vraag me nu niet, waarom het zo lang heeft geduurd om het ook hier op de markt te brengen, want daarop moet ik je het antwoord compleet verschuldigd blijven. Meer zelfs nog, je zou hier alleen maar op het nodige onbegrip met betrekking tot die lange periode in de wachtkamer stuiten. Was echt nergens goed voor… En het zou me ook volstrekt niet verbazen, mocht Max Gomez ondertussen z’n volgende plaat alweer klaar hebben. Zo gaat dat dan immers…

Een beauty als deze ontzeg je een geïnteresseerd publiek wat mij betreft trouwens sowieso niet zó lang. (Wedden, dat veel van de lezers van deze webstek hem ondertussen al kochten via importkanalen? Ik zou het alleszins begrijpen…) “Rule The World” is immers wat je noemt een echt droomdebuut. De vanuit Taos, New Mexico de wereld voor het eerst vragend in de ogen kijkende Max Gomez doet het daarop uitsluitend met eigen nummers. Eén daarvan schreef hij samen met z’n alom gerespecteerde collega Shawn Mullins (het schoorvoetend rockende “Love Will Find A Way”), één met z’n producer Jeff Trott (het na een wat tragere intro echt helemaal openbloeiende rootspoppareltje “Run From You”) en één met enkele van z’n muzikanten (de pianoballade “Black And White”). De overige zeven zijn solocreaties.

Het merendeel van Gomez’ liedjes laat zich vangen onder de noemers country, folk en rootspop. En dat met een onmiskenbare voorliefde voor ballads en andere wat rustigere liedjesvormen dan nog. Met uitzondering misschien van het een aardig eindje richting de blues overhellende “Ball And Chain”. Dat zou je met enig gevoel voor overdrijving de vreemde eend in de bijt hier kunnen noemen.

Gaan we in de komende jaren ongetwijfeld nog heel veel van horen, van deze knaap met z’n wat weemoedig aandoende stem!

Max Gomez, New West Records

 

JESS KLEIN “Learning Faith” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Een compleet zwart frontje met ergens in het midden enkel twee reeksen witte letters eroverheen: “learning faith” en “jess klein”. Nu niet meteen de meest in het oog springende cover, die de Amerikaanse Jess Klein haar nieuwe cd heeft aangemeten. En veel aandacht zal ze er naar onze bescheiden mening dan ook zeker niet mee trekken. Maar gelukkig is er ook nog de muziek. En dat is een geheel en al ander verhaal!

Ten derde male ondertussen ging Klein daarvoor een samenwerkingsverband met Mark “Professor Feathers” Addison aan. En de man, die recentelijk onder meer ook al met de Band Of Heathens en Guy Forsyth voortreffelijk werk afleverde, drukte flink zijn stempel op “Learning Faith”. Zowel de opnamen, de mixing als de productie vielen onder zijn bevoegdheid en tussendoor vond hij ook nog de tijd om onder andere aan tal van gitaren, bassen en toetseninstrumenten de nodige bijdragen te ontlokken. Klein zelf betokkelde zowel akoestische als elektrische gitaren en gasten als Honeybrowne’s Billy Masters (elektrische gitaren), Rob Hooper en John Paul Keenon (drums), BJ Lazarus (mandoline) en Wendy Colonna (backing vocals) deden de rest.

Stralend middelpunt van de belangstelling zijn zoals op elk van Kleins voorgaande albums echter ook nu weer haar zwaar verleidelijke (licht)ruwe stem en haar bijzonder diepgaande teksten. In die laatste gaat ze voor de gelegenheid echt helemaal loos. In die zin, dat ze naar eigen zeggen voor het eerst echt alleen maar gedaan heeft, waar ze zin in had. En dat werkte klaarblijkelijk behoorlijk bevrijdend. Het centale thema van “Learning Faith” ligt voor de hand. Op de keper beschouwd is het zelfs gewoon een conceptalbum, volledig gewijd aan processen waarbij een zeker geloof ontwikkeld wordt – een geloof in mensen, een geloof in het universum, een geloof in een hogere kracht.

Verpakken doet Klein haar teksten over het algemeen in americana- en rootsrockliedjes met een ietwat scherp randje. Sommige eerder atmosferisch van aard (het titelnummer en het afsluitende “Long Way Down” bijvoorbeeld), andere gewoon recht-toe-recht-aan voorbijdenderend (het catchy “So Fucking Cool” en het al even snedige “Dear God”). Een leuke ballade kan zo nu en dan naar goede gewoonte bij wijze van afwisseling echter ook (“If There’s A God” en het radiogenieke “Loving You”).

Jess Klein, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

EASTON STAGGER PHILLIPS “Resolution Road” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Is het écht al weer meer dan vijf jaar geleden, dat de heren Easton, Stagger en Phillips ons met hun voortreffelijke debuutplaat “One For The Ditch” wisten te verrassen? Wat gaat de tijd toch snel, he… En al zeker in goed gezelschap! En dat zijn de songsmeden Tim Easton, Leeroy Stagger en Evan Phillips ontegensprekelijk. Zowel voor eigen rekening, als samen.

Hun nieuwe album namen de drie begin 2013 verspreid over twee weken in Staggers eigen studio, de Rebeltone Ranch, op. Easton nam daarbij het leeuwendeel van de bas-, mandola-, gitaar-, piano- en orgelgitaarpartijen voor zijn rekening, Stagger en Phillips betokkelden hun respectieve gitaren. Zingen deden ze uiteraard allemaal. En dat zowel apart als samen. En dat harmonieerwerk blijkt ook ditmaal weer goed voor een gegarandeerde meerwaarde. Net zoals ten tijde van “verrassingshit” “One For The Ditch”.

Als geheel klinkt “Resolution Road” echter anders dan zijn voorganger. Rijkelijker geïnstrumenteerd alleszins. Doordachter gearrangeerd al evenzeer. In haar totaliteit laat de productie “this time around” eigenlijk absoluut niets te wensen over. De muzikale perfectie wordt hier vrijwel voortdurend benaderd of zelfs helemaal bereikt. In die mate, dat je geneigd bent om te denken, dat men hiermee op zoek wil naar een breder publiek. En geloof ons vrij, de potentie daartoe is ruimschoots voorhanden. Tussen wat de drie heren op en over de stijlgrenzen tussen Americana, roots pop en folk rock brengen zou in een wat rechtvaardigere wereld zo nu en dan zelfs een bescheiden hitje te vinden moeten zijn.

Afgetrapt wordt er met Phillips’ “Alway Came Back To You”, een buitengewoon knappe, meteen ongegeneerd naar blijvende genegenheid hengelende atmosferische rootsrocker. Vervolgens rocken ook Stagger en Easton op hun beurt bedaard een eindje weg met respectievelijk “Traveller” en “Stay”. Laatstgenoemde blijkt trouwens het best bedeeld hier. Van hem prijken er immers vier songs op “Resolution Road”, van de beide anderen “slechts” drie.

Wij onthielden van die tien songs naast het al genoemde “Alway Came Back To You” vooral ook het harmoniezwangere “Lucilia”, het verhalende Stagger-hoogstandje “Life Of Crime”, het ons op de één of andere manier een weinig aan de Jayhawks herinnerende “So Much In Tune” en het mede door de lekkere slap bass erin heerlijk twangy uit de hoek komende “Hwy Is My Home”. Met materiaal van dat kaliber in handen hoeven ze wat ons betreft met een volgende plaat absoluut niet weer vijf jaar te wachten.

Easton Stagger Phillips, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MARY GAUTHIER “Trouble & Love” (Proper Records / Rough Trade)

(5*****)

Na het in hoge mate autobiografische “The Foundling” uit 2010 tekent Mary Gauthier hier en nu met haar nieuwe studioworp “Trouble & Love” andermaal voor een echte vijfsterrenplaat.

Voor de opnames ervan trok ze ditmaal samen met de onder meer van zijn werk met Delbert McClinton bekende Patrick Granada richting de studio van Ricky Skaggs net buiten Nashville. Daar zocht en vond ze studiohulp bij onder anderen collega-songwriters Darrell Scott, Beth Nielsen Chapman en Ashley Cleveland. En bij gitaarlegende Duane Eddy ook. Hij leende zijn karakteristieke gitaar immers aan het extreem broze, door Gauthier samen met de onvolprezen Gretchen Peters gepende “How You Learn To Live Alone”. Eén van de allermooiste liedjes die wij in 2014 al voorgeschoteld kregen, dat nummer! En één van de sleutelnummers ook op een album dat probeert een weerspiegeling te zijn van het menselijke leven in zijn totaliteit. Een gevolg van het feit dat de liedjes op “Trouble & Love” hun kiem vonden in een voor Gauthier werkelijk gitzwarte periode. Een periode gekenmerkt vooral door verlies en verdriet. En dus bestempelt Gauthier zelf haar nieuwe plaat ook als “a transformation record”. Als een poging “om terug normaal te worden”.

Onder het motto “There’s no such thing as going too deep.” maakt Gauthier ons hier dus opnieuw deelachtig aan bepaalde facetten van haar eigen bestaan. En ze doet dat ook dit keer weer op een dermate ontwapenende manier, dat je als luisteraar compleet gevloerd achterblijft. Eerlijk is eerlijk: platen als deze maakt de nochtans nog altijd veel hoger aangeschreven staande Lucinda Williams naar onze bescheiden mening al een poosje niet meer. Dringend met z’n allen stevig aan de boezem drukken dus, deze geweldige liedjesschrijfster! Haar veelal balladeske, soms bedaard rockende americanaliedjes ontgoochelen op de keper beschouwd eigenlijk nooit. Ze leven als het ware op van de erin vertolkte gevoelens van melancholie en aanverwante stemmingen. En zo wordt héél somber plots ook héél mooi.

Mary Gauthier, Proper Records

 

BEN MILLER BAND “Any Way, Shape Or Form” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Billy Gibbons van ZZ Top is een danig grote fan van dit trio, dat hij er zijn bandmaats van meende te moeten overtuigen om het drietal bij wijze van ruggensteuntje een poosje op sleeptouw te nemen. En zo belandden Ben Miller, Scott Leeper en Doug Dicharry tijdens het voorbije 2013 ook zonder noemenswaardige media-aandacht vooraf al op tal van gerenommeerde Europese podia. Met als absolute hoogtepunt een triomfantelijke doortocht op het vermaarde Montreux Jazz Festival.

Daar en elders gooiden Miller en co hoge ogen met hun op veelal zelf in elkaar geknutselde instrumenten gebrachte “Ozark stomp”, een amalgaam van elementen uit country, bluegrass, Delta blues, jazz, rock en andere, daaraan ver of minder ver verwante genres. Muziek, stralend in al haar bewust gezochte eenvoud, maar tegelijk ook barstend van de energie en de passie. Aanstekelijker vind je ze amper! Van het nadrukkelijk naar het muzikale erfgoed van de Appalachen lonkende “The Outsider” tot de uitermate catchy boogie-oefening “You Don’t Know”, van de bevreemdende Americana van “Ghosts” tot het volop met Delta-klei besmeurde bluesstampertje “Hurry Up And Wait”, de knappe countrytrage “I Feel For You”, de wat aparte vaudeville jazz van “23 Skidoo”, de hypernerveuze funky bluesrock  van “Burning Building”, een eigenzinnige eigentijdse interpretatie van de traditional “The Cuckoo”, het aanstekelijke bluegrassniemendalletje “Twinkle Toes” en andere, hier móet je gewoon van houden!

Vermelden we tenslotte ook nog even, dat voor de productie van dit in totaal dertien eenheden tellende kleinood een beroep werd gedaan op niemand minder dan de recent onder meer nog om z’n werk met Jack White, de Kings Of Leon en Wanda Jackson geprezen Vance Powell. En dat was duidelijk de juiste man op de juiste plaats op het juiste moment…

Ben Miller Band, New West Records

 

THE DEVIL MAKES THREE “I’m A Stranger Here” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Wat zouden we dit voor het ogenblik met z’n allen graag willen… Een Duivel, die er eens drie zou willen maken… In één wedstrijd dan! In de nakende kwartfinales tegen Argentinië bijvoorbeeld al… Maar goed, da’s natuurlijk een heel ander verhaal. Hier horen we het tot nader order nog altijd gewoon over muziek te hebben. Zoals over “I’m A Stranger Here” bijvoorbeeld, van het trio The Devil Makes Three, vandaar dus…

En om maar gelijk een open deur in te trappen: dat door de dezer dagen zo’n beetje alomtegenwoordige Buddy Miller geproduceerde en ook van bijkomend gitaarwerk voorziene nieuwe album van Pete Bernhard (zang en gitaar), Lucia Turino (bas en backing vocals) en Cooper McBean (gitaar, diverse banjo’s en backing vocals) is er één om duimen en vingers bij af te likken. Heerlijk onconventioneel! Met lak aan eender welke stilistische begrenzing. Akkoord, old-timey klinkt het zo ongeveer allemaal wel. Maar dan wél “tailor-made” voor “jonge oren”. Hier en daar ook opgewaardeerd met een elektrische noot. En misschien is het wel net dat gegeven, dat van dit amalgaam van elementen uit onder andere country, Western swing, ragtime, jug band music, New Orleans en gypsy jazz, Appalachen- en andere folk, blues en gospel zo’n aanstekelijk geheel maakt. Een muzikaal ADHD’ertje dat je als luisteraar maar wat graag in de armen sluit. Ritmisch vrijwel voortdurend overtuigend, meer zelfs nog, bij momenten zwaar verslavend.

Van de je met z’n gypsy ondertoontje meteen overrompelende achterbuurtenjazz van openingsnummer “Stranger” over het ons louter sfeermatig voorzichtig even aan Morphine herinnerende rockertje “Worse Or Better” tot de banjogestuurde, de belofte uit z’n titel helemaal inlossende ballade “A Moment’s Rest”, de hyperkinetische bluegrass-stamper “Dead Body Moving”, het swampy rockende “Hand Back Down” en zo ongeveer al de rest hier, dit is echt killer stuff! En wat het allemaal net nog wat interessanter maakt, is dat onze drie protagonisten het hier uitsluitend met eigen materiaal doen. Love it!

The Devil Makes Three, New West Records

 

BEN VAUGHN “Texas Road Trip” (Munster Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wie – Net als ons! – in geen tijd zwaar in z’n nopjes is als dingen als “Who Where You Thinkin’ Of” en “(Hey Baby) Que Paso” van de Texas Tornados, “Mendocino” van de Sir Douglas Quintet, “Buena” van Joe “King” Carrasco of “Half A Boy And Half A Man” van Nick Lowe radiogewijs voorbij komen waaien, die moet hoognodig aan “Texas Road Trip”, de echt wel rete-aanstekelijke nieuwe van singer-songwriter Ben Vaughn. Die toog voor de opnamen van z’n jongste worp immers effectief naar Texas en liet er zich bijstaan door louter lokale topmuzikanten. Onder meer Augie Meyers, Alvin Crow, John X Reed, Speedy Sparks en Mike Buck hielpen hem daar in het verre Austin bij het realiseren van wat ontegensprekelijk z’n allerbeste plaat tot op heden is.

Gelijk van bij het extreem catchy, door Meyers’ uit de duizenden herkenbare orgeltje aangejaagde “Boomerang” zit de (Tex-Mex-)sfeer er goed in. En dat zal zo een tijdje blijven ook! Zo is het bijvoorbeeld erg moeilijk om niet met een superbrede grijns op je gelaat te eindigen na het beluisteren van het nog even uit hetzelfde muzikale vaatje tappende en van een ronduit zalige tekst voorziene “(I’m Gonna) Miss Me When I’m Gone”. En ook de daaropvolgende trage old-school R&B van “I’ll Stand Alone” – Met Augie Meyers ditmaal op de piano! – is naar onze bescheiden echt geweldig! Evenals de schokschouderende Tex-Mex-countryrockers “Fire In The Hole” en “Sleepless Nights”, de als fijne ballade verpakte road song “Texas Rain”, het met de tong diep in de wang geplant gebrachte “She Fell Out The Window” en het snedige, met Bill Lloyd gepende “Seven Days Without Love”. En dan vergaten we bijna nog het lijzige stampertje “Six By Six” en vooral ook het licht psychedelisch getinte, zich zo ongeveer als het toppunt van machogedrag uitende “Heavy Machinery”. Of wat dacht u van een behoorlijk dubbelzinnig geladen uiting als “We’re talking heavy machinery, baby, when it comes to my love…” Goed dat we weten, dat grapjurk Vaughn op z’n tijd graag even met ons dollen mag…

Met platen als deze binnen handbereik als soundtrack mag de zomer van 2014 van ons een heel erg warme worden!

Ben Vaughn, Munster Records, Sonic Rendezvous

 

WAYLON JENNINGS “Analog Pearls Vol. 1” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Onder de noemer “Analog Pearls” trapte het zo ongeveer voortdurend naar geluidsperfectie op zoek zijnde Duitse Stockfisch Records onlangs een op het eerste gezicht voor het label enigszins atypische nieuwe reeks af. Maar die schijn bedriegt, aldus eigenaar Günter Pauler. Het is immers net zijn bedoeling om met die nieuwe productlijn uitstekend klinkende en ook muzikaal overtuigende analoge opnamen van weleer van een voortbestaan onder een dikke laag stof te redden. En de eerste aan wiens materiaal deze eer te beurt valt, is Waylon Jennings.

In 1964 nam wijlen de countrylegende in de Audio Recorders Studio in Phoenix, Arizona begeleid door zijn toenmalige groep The Waylors een handvol liedjes op, waarvan er uiteindelijk een twaalftal op plaat zouden belanden. Vooralsnog vooral covers. Van bekende en wat minder bekende dingen als “Stepping Stone”, “The Real House Of The Rising Sun”, “Kisses Sweeter Than Wine”, “Unchained Melody”, “Four Strong Winds”, “Sing The Girls A Song, Bill”, “Don’t Think Twice It’s Alright”, “River Boy”, “The Twelfth Of Never” en “Sally Was A Good Old Girl” meer bepaald. Enkel “Just To Satisfy You” en “Charlie Lay Down The Gun” waren prille aanduidingen van een groot schrijftalent in wording. Bij momenten wat rock & roll aandoend allemaal à la een Roy Orbison of een Buddy Holly, elders wat meer folkgetint en natuurlijk ook al country.

Nu dus verkrijgbaar op Super Audio CD. Door de vaklui van Stockfisch Records zorgvuldig geremasterd uiteraard. En als dusdanig best wel een leuke aanvulling voor elke collectie met zin voor het verleden.

Stockfisch Records

 

BRIGITTE DEMEYER “Savannah Road” (Brigitte DeMeyer Music / PIAS Rough Trade)

(5*****)

De vanuit Nashville actieve Brigitte DeMeyer heeft met haar zesde cd “Savannah Road” wat mij betreft eindelijk haar al wel langer verdiende “ticket to the stars” beet. Het merendeel van de nummers op die opvolger van het ook al verre van misselijke “Rose Of Jericho” van zo’n drie jaar geleden schreef de bekoorlijke Amerikaanse samen met collega Will Kimbrough. En dat is zo goed als een kwaliteitsgarantie.

De dochter van een koppel Belgische en Duitse inwijkelingen in de States levert met “Savannah Road” zonder meer één van de mooiste americanaplaten van 2014 so far af. Dertien liedjes lang baant ze zich op bijzonder soulvolle wijze een weg naar het luisteraarshart. Namen als die van Rory Block en meer nog die van Bonnie Raitt mogen daarbij voor vooralsnog oningewijden als referentie gelden. Net als dat tweetal beschikt DeMeyer over een ongemeen expressief stel “pipes”. Iets wat door Kimbroughs even wonderschone als subtiele, echt volledig ten dienste van het liedje staande snarenbijdragen eigenlijk alleen nog maar meer gaat opvallen. Volop genieten geblazen is het daardoor wat ons betreft onder meer van de verfijnd ingehouden back porch americana van “Conjure Woman”, het in al zijn eenvoud niets minder dan briljante akoestische bluesje “Big Man’s Shoe”, de soulvolle trage “Please Believe Me” en vooral ook van swampy titelnummer “Savannah Road”. Verdere verbluffend knappe momenten: het funky “Honey Hush”, het spooky “Worker”, het ons louter sfeergewijs even aan Tony Joe White herinnerende “Lightnin’ Poor” en het waarlijk van de soul bulkende “Build Me A Fire”.

Zullen we ons straks ongetwijfeld als één van dé muzikale hoogtepunten van 2014 herinneren, dit schijfje! Een aanrader van formaat dan ook!

Brigitte DeMeyer, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home