CD-recensies januari 2017

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

MANDOLIN ORANGE “Blindfaller” - JOHN CALVIN ABNEY “Far Cries And Close Calls” - STEPHEN FEARING “Every Soul’s A Sailor” - SHANNON LYON “My Throat Is Soar” - RORY BLOCK “Keepin’ Outta Trouble, A Tribute To Bukka White” - OSBORNE JONES “Only Now” - CARTER SAMPSON “Queen Of Oklahoma And Other Songs By Carter Sampson” - AJ HOBBS “Too Much Is Never Enough” - HIDDEN AGENDA DELUXE AND CARTER SAMPSON “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” - CHRIS MURPHY “The Tinker’s Dream” - STEVE HUSSEY & JAKE EDDY “The Miller Girl” - SUSAN KANE “Mostly Fine” - TRAILERPARK IDLERS “Alligator Days” - RIVERS “Both Of Your Wings” - JAMES MCARTHUR AND THE HEAD GARDENERS “Burnt Moth” - COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” - VOODOO SWING “To You, My Friend” - DOWN HARRISON “Down Harrison” - JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” - RICHARD LINDGREN “Malmostoso” - THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” - JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” - GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” - UB40 FEATURING ALI, ASTRO & MICKEY “Unplugged” + “UB40’s Greatest Hits” - JOHN CEE STANNARD “It’s Christmas Time” - JEFF BOORTZ “Half The Time” - LITTLE HOOK “Little Hook” - C. DANIEL BOLING “These Houses” - DALE WATSON “Under The Influence” - CS NIELSEN “Jericho Road” - PETE SINJIN “The Heart And The Compass” - JESSE DAYTON “The Revealer” - HICKORY SIGNALS “Noise Of The Waters” - LITTLE STEVE & THE BIG BEAT “Another Man” - JACK TEMPCHIN “One More Song” - ANDREA TERRANO “Innamorata” - BAND OF FRIENDS “Repeat After Me” - DOUGLAS GREER “Baja Louisiana” - M. LOCKWOOD PORTER “How To Dream Again” - JEREMY & THE HARLEQUINS “Into The Night” - JD FOX & THE VELVET STREET BAND “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” - ANY VEGETABLE “Veg Out!” - PARSONSFIELD “Blooming Through The Black” - IMPERIAL CROWNS “The Calling” - THISELL “II” - AARON LEE TASJAN “Silver Tears”

 

MANDOLIN ORANGE “Blindfaller” (Yep Roc / V2)

(4****)

Wat een mooie plaat alweer, deze opvolger van het ondertussen goed en wel anderhalf jaar geleden verschenen “Such Jubilee”! Met “Blindfaller” nemen Emily Frantz en Andrew Marlin wat ons betreft weer enkele treden tegelijk bij het realiseren van hun ambitie om het tot de absolute top van het Americanagenre te schoppen. Ergens tussen country, bluegrass en folk vonden ze op weg naar “Blindfaller” al snuffelend zo menig een nieuwe rootstruffel. De tien liedjes erop zijn van een werkelijk superieure kwaliteit.

De zang is quasi voortdurend van een niets minder dan verbluffende schoonheid. Van beiden trouwens! En als ze dan ook nog eens aan het harmoniëren slaan… Wow! Wordt je als luisteraar ogenblikkelijk heel stil van! Daar ga je even voor zitten om er echt ten volle van te kunnen genieten. Neem nu zoiets als het een duidelijke hang naar traditionele country vertonende “Picking Up Pieces” bijvoorbeeld. Da’s met als kers op de taart de zachtjes huilende pedal steel van Allyn Love een heus staaltje van Americanaperfectie. Kippenvel gegarandeerd!

En daarvan vind je er op “Blindfaller” nog wel meer. Van het op bedaarde wijze naar de Appalachen lonkende “Lonesome Whistle” en de heerlijke, door Frantz naar eenzame hoogten getilde ballad “Cold Lover’s Waltz” tot “Hard Travelin’”, de zwierig rockende vreemde eend in de bijt hier, of het afsluitende “Take This Heart Of Gold” en dan vergeten we er nog wel enkele…

Zeker aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van acts als Gillian Welch en David Rawlings.

Mandolin Orange

 

JOHN CALVIN ABNEY “Far Cries And Close Calls” (Continental Song City / CRS)

(4****)

John Calvin Abney is al de zoveelste ons door het Nederlandse CRS aangereikte songsmid uit Oklahoma die veel meer dan een bestaan ergens diep in de marge verdient. Dat hadden we eigenlijk al moeten weten naar aanleiding van ’s mans in 2014 en 2015 verschenen platen “Empty Candles”, “Better Luck” en “Vice Versa Suite”, maar die ontgingen ons jammerlijk. En dan is het maar goed, dat je op andere betrouwbare bronnen terug kan vallen natuurlijk. Waarvoor bij dezen de nodige dank!

De vanuit Tulsa actieve Abney maakte in eerste instantie vooral naam als helpende hand voor anderen. Met bijdragen op respectievelijk gitaar, pedal steel, keyboards en drums hielp hij door de jaren heen zo menig een collega een flink eind verder. Maar dan gingen plots ook zijn eigen vingers aan het jeuken. En met een pen ertussen leverde dat al snel heel fijne resultaten op. Sla er de hoger vernoemde albums maar eens even op na, je zal ons ongetwijfeld niet gaan tegenspreken. Of beter nog: geef je over aan “Far Cries And Close Calls”, de nieuwe van Abney. Is net als “Wilder Side” van Carter Sampson een echt snoepje.

Alternatieve country van het betere soort sowieso. Niet zelden eerder bedachtzaam van aard. Maar zeker niet uitsluitend zo. Daarvoor verandert Abney zelf het muzikale geweer te graag van schouder. Dompelt hij je het ene moment nog onder in een weldadig warm bad van weemoedige klanken (“Way Out”), dan gaat hij het andere net zo makkelijk even aan het rocken (“I’ll Be Here, Mairead”, “Jailbreak”). En da’s maar goed zo ook, want het garandeert je als luisteraar een lekker gevarieerd geheel dat hoegenaamd nergens aan spankracht dreigt te verliezen.

Onze luistertips: het op de keper beschouwd een weinig Dylanesk aandoende “Goodbye Temporarily”, de zonet ook al even vermelde trage “Way Out” en het daar louter sfeergewijs best wel wat bij aansluitende duo “Imposter” en “In Such A Strange Town”. Al zeggen we ook tegen de lekkere rockers “Jailbreak” en “Weekly Rate Palace” zeker niet neen.

John Calvin Abney, Bandcamp (CRS)

 

STEPHEN FEARING “Every Soul’s A Sailor” (Lowden Proud Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Na “My Throat Is Soar” van Shannon Lyon gisteren ook vandaag weer een Canadese singer-songwriterschijf in de aanbieding. “Every Soul’s A Sailor” meer bepaald, de nieuwe worp van de door de jaren heen steeds actiever geworden Stephen Fearing. Als je hem al niet kennen zou van zijn eigen soloplaten en zijn werk met collega Andy White als Fearing & White dan is de kans vrij groot dat hij als lid van Blackie And The Rodeo Kings en door samenwerkingen met onder anderen Nick Lowe, Shawn Colvin, Bruce Cockburn en Richard Thompson onverwachterwijze toch al op je radar terechtkwam.

Eind deze maand strijkt Fearing weer eens even in de Lage Landen neer. Onder meer een optreden in de Breughel in Bree (26-01) staat daarbij op het programma. En zij die er hun weg heen zullen vinden zullen door Fearing ongetwijfeld mee worden getroond op een vergelijkbare reis doorheen het leven zelve als deze die ons op “Every Soul’s A Sailor” wordt aanbevolen. Een tien songeenheden tellende wandeling langsheen de vele kronkelende paden die ons dagdagelijkse bestaan voor ons in petto houdt. De paden die ervoor zorgen dat we gepokt en gemazeld altijd maar verder van huis belanden.

En haast even rijk aan variatie blijkt “Every Soul’s A Sailor” ook stilistisch gezien. Van pop songs over een bluesje en folky spul tot recht-toe-recht-aan rockend rootsy materiaal, Fearing bewijst hier uitgebreid het allemaal in de vaardige vingers te hebben. En dat met aan echte lekkernijen absoluut geen gebrek! Of wat dacht u van hemelse dingen als het bedaarde countrybluesje “The Things We Did”, de knappe, in onvervalste rootsrockmodus ingeblikte protestsong “Blowhard Nation”, de met collega Rose Cousins gedeelde trage “Gone But Not Forgotten” of het atmosferische titelnummer “Every Soul’s A Sailor”?

Noem dit maar een eerste echt toppertje voor 2017! Als dit het niveau voor het nieuwe jaar wordt, dan staan er ons verdorie nog heel wat fraaie dingen te wachten…

Stephen Fearing, Lucky Dice Music

 

SHANNON LYON “My Throat Is Soar” (Cockadoodle Doo Records / Continental Song City / CRS)

(3***)

Voor het debuut van de Canadese songsmid Shannon Lyon moeten we ondertussen al zo’n drieëntwintig jaar terug in de tijd. Naar 1994 en het toen verschenen “Buffalo White” meer bepaald. Het eerste in een reeks van inmiddels veertien albums. Met als recentste toevoeging het zopas verschenen “My Throat Is Soar”.

Die plaat blikte de voormalige wereldburger gewoon thuis in. In zijn eigen woonst annex studio in de buurt van het befaamde Lake Huron. Weg van welke vorm van haast dan ook. En dat hoor je aan het erop gebodene ook. De twintig tracks op “My Throat Is Soar” zijn wat je noemt vintage singer-songwriter stuff. Aan een Tascam 414 Mkll cassette 4 track recorder toevertrouwde overpeinzingen van een troubadour die door de jaren heen duidelijk geleerd heeft de tering naar de nering te zetten. Doorgaans minimaal bewapend met slechts een akoestische gitaar en een mondharmonica neuzelt Lyon er net geen drieënvijftig minuten flink op los. Stripped down is duidelijk de meest geschikte term om zijn niet zelden behoorlijk persoonlijk uitvallende mijmeringen hier mee te vatten. Spiernaakte schoonheid is daarbij met enige regelmaat het resultaat.

Onze luistertips: het drietal “Lake Huron”, “Lonelier Than You And Me” en “The Sandwich Man”.

Shannon Lyon, Bandcamp (CRS)

 

RORY BLOCK “Keepin’ Outta Trouble, A Tribute To Bukka White” (Stony Plain / CRS)

(4****)

“Keepin’ Outta Trouble” is ondertussen al het zesde deel in de reeks door Rory Block op de wereld losgelaten eerbetonen aan haar eigen grote voorbeelden. Eerder passeerden in de “Mentor Series” al Son House, Mississippi Fred McDowell, Reverend Gary Davis, Mississippi John Hurt en Skip James de revue, ditmaal is het de beurt aan Bukka “Booker T. Washington” White. En ook die krijgt van Block weer een hier fel gesmaakte beurt mee.

Met “Keepin’ Outta Trouble”, “Bukka’s Day”, “Spooky Rhythm”, “Gonna Be Some Walkin’ Done” en “Back To Memphis” draagt La Block zelf vijf nieuwe songs in Bukka White country blues style aan. Die laten horen in welke mate ze wel door haar in 1977 overleden held beïnvloed werd. “Aberdeen Mississippi Blues”, “Fixin’ To Die Blues”, “Panama Limited”, “Parchman Farm Blues” en “New Frisco Train” plukte ze op hun beurt dan weer van ‘s mans omvangrijke repertoire. En ook die brengt ze volledig solo als betroffen het eigen originelen. Met eerbied en passie daarbij quasi voortdurend als haar voornaamste bondgenoten.

Volstrekt tijdloos spul is het resultaat. Country blues van het allerbeste soort, gebracht door één van de fijnste akoestische blues acts van de laatste drie decennia überhaupt. Moet ik nog zeggen, dat ik dit een heuse aanrader van formaat vind?

Rory Block, CRS Bandcamp

 

OSBORNE JONES “Only Now” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Met “Only Now” bereikt de hier al wel vaker geroemde samenwerking tussen David-Gwyn Jones en David Osborne wat ons betreft een fameus hoogtepunt. Na “Long Night Moon” van eind 2009, “Out Of Blue Yonder” van zo’n jaar of drie later en “In The Moment” uit het najaar van 2014 is het al de vierde van het duo. En wat voor één! In een productie van Rick Shea en geflankeerd door nogal wat schoon volk schudden beide heren een tiental knappe nieuwe songs uit de mouw, waarin ze naar ondertussen goede gewoonte op vaardige wijze een spagaat maken tussen traditionele country en het hier en nu.

Mee van de partij zijn naast Rick Shea onder meer ook nog bassist David Jackson, drummers Shawn Nourse en Don Heffington, gitaristen Pete Anderson en Jerry Donahue, fiddler Jim Shirey, percussionist John Palmer en zingende collega’s Cindy Wasserman en Gia Ciambotti. Een uitermate getalenteerd zootje dat de heren Osborne en Jones met plezier weer van een authentieke sound hielp voorzien.

Ruim achtendertig minuten lang is het hier zo genieten geblazen: van de laid-back old school country rock van openingsnummer “Down To Austin” over de best wel wat aan wijlen Elvis Presley refererende pathos van het titelnummer en het met name accordeongewijs met een zekere border music vibe opgewaardeerde “You Used To” tot het de blik ongegeneerd richting Bakersfield wendende “Heartstrings And Six Strings” of het met wat popgevoel besprenkelde “Any Given Day”, van de mooie ballad “The Bond” en het daaropvolgende en volop aan legendes als Merle Haggard en George Jones herinnerende duo “Bricks And Mortar” en “I Think She Still Cares” over de catchy singalong song “Never Crossed My Mind” tot de afsluitende tranentrekker “With A Heavy Heart”.

Prima plaat!

Osborne Jones (CRS Bandcamp)

 

CARTER SAMPSON “Queen Of Oklahoma And Other Songs By Carter Sampson” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Door het overweldigende succes van haar jongste album “Wilder Side” is Carter Sampson ineens aardig hot in flinke delen van Europa. En dat heeft uiteraard zo zijn gevolgen. Aan belangstelling voor optredens is er hoegenaamd geen gebrek momenteel en ook de vraag naar haar ondertussen al lang niet allemaal even gemakkelijk meer verkrijgbare oudere werk zwengelt nog alle dagen aan. Dat deed bij de artieste en haar platenlabel alvast het idee rijzen om uit te pakken met een compilatie met het beste van wat aan “Wilder Side” voorafging. Die kreeg als titel Sampsons koosnaampje “Queen Of Oklahoma” mee en is vooralsnog enkel verkrijgbaar als download en tijdens optredens van de artieste. Als je echt een fysiek exemplaartje wil, zal je er dus even de deur voor uit moeten. Al kan je dat in dit geval bezwaarlijk een straf noemen…

Van Sampsons debuutplaat “Fly Over The Moon” uit 2004 krijgen we op “Queen Of Oklahoma” maar één nummer te horen en da’s “Annie”. Van “Good For The Meantime” uit 2009 prijken er op de compilatie in totaal vijf liedjes. Met name het bedwelmend mooie, wat klaaglijk aandoende “Payne County Line”, de ronduit heerlijke ballad “Let’s Get Back”, de mijmercountry van “Meantime”, “afstootliedje” “I Don’t Want Him” en de ingetogen rootsrocker “Honeybee” werden goed genoeg bevonden. Veel groter nog is de oogst van het ook al geweldige “Mockingbird Sing” uit 2011. Daarvan worden er liefst zes songeenheden geserveerd. Respectievelijk de bedaarde red dirt rocker “Be My Wildwood Flower”, het aan de collectie haar naam verlenende “Queen Of Oklahoma” uiteraard ook, het aardig venijnig uit de hoek komende “Jesse James”, de mooie countrysoultrage “Don’t Leave Me Stranded”, het catchy niemendalletje “Sanctuary” en afsluiter “Better Ways”. “Wild Bird” en “I Am Yours” ten slotte zijn twee songs van het van twee jaar geleden daterende akoestische tussendoortje “Thirty Three”.

Wie Sampson enkel kende van “Wilder Side” zal haar hierna enkel nog maar wat steviger aan de borst willen drukken. Iets zegt ons zelfs, dat met name het album “Mockingbird Sing” hierdoor hoog op zo menig een verlanglijstje zal komen te staan. Wie houdt van krachtige stemmen, catchy, op een Oakie-leest geschoeide Americana en interessante teksten heeft daar daadwerkelijk een vette kluif aan. Net als aan deze compilatie trouwens! Warm aanbevolen!

Carter Sampson, Bandcamp

 

AJ HOBBS “Too Much Is Never Enough” (Booker Records)

(5*****)

Dit zou zomaar eens dé countrysensatie van het volgende voorjaar kunnen gaan worden, menen we hier oprecht. Wat de vanuit Californië nog volop aan de weg timmerende AJ Hobbs op z’n eerste volwaardige langspeler presteert deed ons immers met plezier terugdenken aan de hoogdagen van de outlaw (country) movement ergens halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw. Aan de hoogdagen van schoon volk als Waylon Jennings, Willie Nelson, Tompall Glaser, Kris Kristofferson Merle Haggard en anderen.

Ik mag dan wel een volbloed-Californian zijn, aldus Hobbs zelf, er zit ook “a whole lot of Texas in my heart”. En dat hoor je ook! Gelijk vanaf de opener, het aan zijn eigen, ondertussen definitief tot het verleden behorende drankprobleem refererende titelnummer straalt over de verschijning Hobbs een ster zo groot als de Lone Star State. In die wervelende beauty wordt meteen ook duidelijk, waarom Hobbs het in verband met zijn muziek zelf graag over “outlaw soul” mag hebben. Schrijf het maar op: “Too Much Is Never Enough” is een kanjer van een hit in wording. Beter kon Hobbs z’n eerste echte langspeler wat ons betreft amper aftrappen.

Al waren we daar nog eens elf nummers later al lang niet meer zo zeker van… “Too Much Is Never Enough” barst immers maar net niet uit z’n voegen van de klasseliedjes. Van het met een bijzonder hoog Waylon-gehalte neergelegde “Life Without You” en de ook al aan z’n eigen levensverhaal so far opgehangen outlaw stomp “The Loser” over een erg soulvolle interpretatie van wijlen Merle Haggards “The Bottle Let Me Down” en de binnenkort als eerste single te verschijnen country gospel groover “over Jezus, de duivel en z’n vader” “Daddy Loved The Lord” tot het met wat (country)rockgevoel afgekruide “Eastside”, van het catchy “Shit Just Got Real”, een nieuwe, best wel wat aan Jerry Reed herinnerende versie van dat eerder ook al op z’n (nog onder de naam Cal King uitgebrachte) eerste EP prijkende nummer, en het met een gezonde dosis Western swing geïnjecteerde “Are You Going To Tennessee?” over de met co-producer Ted Russell Kamp gepende valse trage “A Whole Lot Of You And Me” en het bedaarde, met Dominique Pruitt gebrachte countryduetje “Take It Slow” tot het ter ere van enkele van z’n eigen grote helden geconcipieerde “Waylon & Merle” en het afsluitende “Tomorrow I’ll Be Hurtin’”, een werkelijk bloedmooie trage op z’n Haggards, echt niet één enkel moment van zwakte te bekennen hier.

In een ietwat rechtvaardige wereld wordt 2017 dan ook zo goed als zeker het jaar van deze AJ Hobbs. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

AJ Hobbs

 

HIDDEN AGENDA DELUXE AND CARTER SAMPSON “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Nooit gedacht, dat ik het effectief nog eens uit mijn strot zou krijgen, maar zie hier: “Dit is een verdomd mooie kerstplaat!” Ik durf zelfs nog verder te gaan: een aantal van de nummers hierop zullen hier ook in de komende maanden nog uitstekende diensten gaan bewijzen. Voilá, het is er uit!

En wie zijn het, die er na al die jaren uiteindelijk in geslaagd zijn om mij toch tot een dergelijke uitspraak te verleiden? Awel, dat zijn Oakie songstress Carter Sampson en de Nederlandse rootshelden van Hidden Agenda Deluxe. Die doen met “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” zo ongeveer alles goed. Zó krijgt Kerstmis eindelijk de soundtrack die het al lang verdiende! Wat er concreet op neerkomt, dat enkel de mooiste kerstliedjes van anderen werden weerhouden en aangevuld met een stel eigen, voor de gelegenheid uitgebroede originelen.

Tot die laatste categorie behoren onder meer BJ Baartmans’ onwaarschijnlijk mooie sleper “For Saviour’s Sake” en het afsluitende, door Eric Devries ook al met veel verve gebrachte “Xmas Eve In Amsterdam”. Voor de liedjes uit de eerste passeerde men langs het oeuvre van Elvis Presley, Steve Earle, Bob Dylan, Jesse Winchester, Dolly Parton en Chris Rea. Met onder meer knappe versies van dingen als “I’ll Be Home For Christmas”, “Driving Home For Christmas”, “Hard Candy Christmas”, “Snow” en “I Shall Be Released” tot gevolg.

Chapeau!

Hidden Agenda Deluxe & Carter Sampson (CRS Bandcamp)

 

CHRIS MURPHY “The Tinker’s Dream” (Teahouse Records)

(3,5****)

“The Tinker’s Dream” is bij nader inzicht exact het soort van plaat geworden dat je vroeg of laat van een in de buurt van New York geboren Ier als Chris Murphy verwachtte. Een album tot de nok toe gevuld met “Original Irish Fiddle Music”, zoals de ondertitel het hebben wil. Origineel in die zin, dat het hier stuk voor stuk nummers van de hand van Murphy zelve betreft.

Murphy is überhaupt één van de fijnste fiddlers die wij kennen en wat hij zoal allemaal in zijn mars heeft blijkt hier meer dan ooit. In het gezelschap van schoon volk als Ted Russell Kamp, DJ Bonebrake, Tom Moose, Zac Leger, Trevor Hutchinson van The Waterboys, Andy Reilly van Celtic Woman en vele, vele anderen laat hij twaalf nummers lang zijn licht schijnen op het muzikale erfgoed van het land van herkomst van z’n voorvaderen. Jigs, reels en airs vormen daarbij bijna als vanzelfsprekend de muzikale hoofdmoot. Enkele gezongen liedjes (“Wicklow”, “Small Wonder” en “Cape Horn”), een walsje (“The Hayloft Waltz”) en een horlepiep (“The Artful Dodger”) kunnen terloops ook.

Een geheel echt wel barstend van de joie de vivre. Een beetje lente in het hartje van de winter…

Chris Murphy

 

STEVE HUSSEY & JAKE EDDY “The Miller Girl” (Merf Records)

(3,5****)

“Toeval is logisch,” aldus ooit het vermaarde Nederlandse voetbalorakel Johan Cruijff. En zoals wel vaker met zijn uitspraken sloeg het legendarische nummer veertien ook daarmee spijkers met koppen. Dat blijkt ook nu maar weer eens. Dat Steve Hussey en Jake Eddy elkaar vonden was immers puur toeval. Maar ergens toch ook helemaal logisch. Voortvloeiend uit wat bedoeld was als een eenmalig opnameproject in de aanloop naar Hussey’s huwelijk. Het wederzijdse respect bleek daarna echter zo groot, dat meer gewoonweg niet kon uitblijven. En dat meer werd hun gemeenschappelijke debuut samen, het nu voorliggende “The Miller Girl”.

Voor de songs daarop zorgde veteraan Hussey. Wat hij aandroeg resulteerde in een soort van Americana-conceptalbum. Vertrekkend vanuit het verhaal van een verworpene die beetje bij beetje zijn weg in het leven weet te hervinden. Hussey neemt ook de zang voor zijn rekening. Eddy van zijn kant excelleert op tal van instrumenten. Met name op de akoestische gitaar, de banjo en de mandoline toont hij zich een echte kei. Maar ook de ukelele, de guitarlele, de akoestische bas en de dobro hebben op z’n zeventiende (!) maar weinig geheimen meer voor ‘m. Hussey vult aan met wat getokkel op de akoestische, de ukelele en de guitarlele.

Zo ongeveer voor elk wat wils overigens op “The Miller Girl”. Van akoestische rootspopliedjes van het genre waarmee ook James Taylor en aanverwanten wel eens durven uit te pakken tot luistercountry, -bluegrass en –Americana het kan hier in een bijna voortdurend heerlijk relaxed aandoende context zo’n beetje allemaal. Het maakt van “The Miller Girl” een bijna onopvallend goed geheel. En da’s dan weer geen toeval…

Steve Hussey & Jake Eddy

 

SUSAN KANE “Mostly Fine” (Susan Kane)

(4****)

Met maar liefst vier albums van Susan Kane op de plank mag ik me zo stilaan wel een fan beginnen noemen, denk ik. Met die vier heb ik immers het volledige oeuvre van de vanuit New York actieve Americana-artieste constant te mijner beschikking. Ik maakte kennis met de muziek van Kane in 2004. Toen verscheen haar debuut “So Long”. In 2008 leverde ze vervolgens het ook al knappe “Highway Bouquet” af. En in 2012 maakte ze me eens te meer blij met nummer drie, het hier ook nu nog erg regelmatig gedraaide “A Word Child”.

Nu, wederom vier jaar later, is er uiteindelijk haar nieuwe, het zopas verschenen “Mostly Fine”. En die plaat breekt toch wel wat met haar voorgangers. In die zin, dat het ditmaal een grotendeels akoestisch gehouden geheel is geworden. Met veel akoestische gitaar, dobro, fiddle, mandoline, lap steel, banjo en accordeon en met een feel die meer dan ooit uitnodigt tot het gebruik van de term Americana. Met dank daarvoor onder meer aan het adres van producer Jeff Eyrich en gasten als Abbie Gardner (Red Molly), Lisa Gutkin (Klezmatics), Ira Levin, David Bernz en studio-eigenaar Fred Gillen, Jr.

Zeven Kane-originelen staan er op “Mostly Fine” en die zijn, wel… mostly fine. Zoals het leven zelf, aldus Kane. En dan mag je eigenlijk best tevreden zijn, want perfectie bestaat nu eenmaal niet. Van die zeven liedjes blijken er overigens twee co-writes. Het even mooie als bedaarde “Love Can Die” over een recent verlaten vrouw die in de ogen van haar kind haar ex herkent schreef Kane samen met de ons volslagen onbekende Pat Schneider en voor het bitterzoete countryduetje “Worn Out Lines” ging ze samen zitten met de hoger al even genoemde Fred Gillen, Jr.

Voorts stoten we op “Mostly Fine” ook nog op enkele welgemikte covers. Het lekker folky swingend gebrachte “Brown Eyed Women” en de mooie afsluitende trage “Comes A Time” leende Kane bij Robert Hunter en Jerry Garcia, zeg maar Grateful Dead, terwijl voor de werkelijk sublieme ballad “A Man Of Much Merit”, bij nader inzicht opgehangen aan de laatste woorden van een stervende, de songcatalogus van de weliswaar een stuk minder bekende, maar wel onder meer onze protagoniste zelve en Willie Nile tot z’n fanschare rekenende Rob Morsberger aangedaan werd. Een stel liedjes die door hun thematiek perfect aansluiten bij Kane’s eigen creaties, waarin het emotionele als vanouds weer een erg belangrijke rol speelt.

“Mostly Fine” is wat ons betreft niks minder dan een uitgesproken aanrader voor eenieder die houdt van intelligente rootsy luisterliedjes.

Susan Kane

 

TRAILERPARK IDLERS “Alligator Days” (Something Wicked)

(4****)

De Trailerpark Idlers zijn een bepaald interessant alternatief countrygezelschap uit het Zweedse Norrköping. Miss LisaLee (zang en akoestische gitaar), Morgan Hellman (zang, akoestische gitaar en percussie), Pentti Salmenranta (elektrische gitaar) en JK Anderson (doghouse bass) grossieren samen al ruim tien jaar lang in wat je noemt het betere spul. En het goede nieuws daarbij is, dat ze nog met elk album beter lijken te worden ook. Zo is “Alligator Days”, hun zonet verschenen dertiende tot op heden, wat ons betreft een echt blijvertje. Een typische groeiplaat ook. Een interessante verkenning van the weird side of country.

In het frenetische “Everytime I Hear The Sound Of A Train” lijkt het zo bijvoorbeeld alsof Zijne Bezetenheid Zelve Nick Cave zich enkele tellen lang aan trad country en rockabilly bezondigt, het bezwerende “A Whisper From All Woods” klinkt op zijn beurt als Walkabouts-frontvrouwe Carla Torgerson voor de gelegenheid aan het hoofd van de Tennessee Three, terwijl het daaropvolgende “Black Rock Special 238” dan weer eerder iets heeft van madman Jerry Lee Lewis in z’n countryhoogdagen. Het omineuze, zo ongeveer volledig onthaaste “Kate” is vervolgens een gitzwarte leaving song, “200 Miles & 20 Years From Home” koppelt op hoogst aanstekelijke wijze wat van de waanzin van de Cramps aan wat Cash-boom-chicka-boom en afsluiter “Gospel Train To Heaven” is gewoon topcountry tout court.

Het zijn slechts zes voorbeelden van wat er in het wereldje van de Trailerpark Idlers zoal allemaal kan. Tien van de twaalf songs op “Alligator Days” blijken overigens originelen. Het merendeel van de hand van Morgan Hellman, de overige drie van Miss LisaLee. Afgewerkt wordt het geheel met covers van de classics “Tombstone Every Mile” van Dick Curless en “Born To Cry” van Dion DiMucci.

Kort samengevat: het soort van country waarmee je ook in wat alternatiever ingestelde kringen gemakkelijk zou moeten kunnen scoren.

Trailerpark Idlers

 

RIVERS “Both Of Your Wings” (Rivers)

(3,5****)

Rivers is een nog relatief jong Amsterdams collectiefje onder aanvoering van de ravissante Annika Ijdo. Die studeerde een poosje in de States en dat is duidelijk te horen aan de liedjes op de EP “Both Of Your Wings”. Met het materiaal daarop solliciteren zij (zang en mandoline) en haar kompanen Ralf Pouw (bas), Benjamin Rheinländer (drums, percussie en backing vocals), Jasper Zuidervaart (dobro, gitaren en backing vocals), Bram van Langen (gitaar, mandoline en backing vocals), Korné ter Steege (banjo, mandoline, gitaren, lap steel en backing vocals), Danny La Haye (double bass) en Tim Langendijk (pedal steel) nadrukkelijk naar een stekje op de plank bij de liefhebbers van het materiaal van onder meer Ilse DeLange en de Common Linnets. Wat ze brengen valt inderdaad ook onder de noemer country pop.

Maar dan wel van het eerder smaakvolle type. Doorgaans erg sterk van melodie en daardoor ook hoogst catchy. Fraai ingezongen bovendien en met instrumentalerwijs nogal wat banden met zowel Americana, folk als bluegrass. Heel radiovriendelijk op de keper beschouwd ook. Met name dingen als het licht melancholische “Sober”, het aanstekelijke uptempo-niemendalletje “Me & Marie”, stampertje “Rebel” en de fraaie trage “Both Of Your Wings” laten zich al na één enkele beluistering quasi niet meer van tussen je oren wegslaan.

Ook wel leuk: de niet op deze EP verkrijgbare, maar ondertussen als separate download beschikbaar gestelde single “Real Christmas”, waarin Ijdo en co het opnemen voor alles waar het eigenlijk om draait tijdens de eindejaarsdagen. Noem het maar een pleidooi voor echte, nog niet aan commercie ten prooi gevallen Kerst.

Rivers

 

JAMES MCARTHUR AND THE HEAD GARDENERS “Burnt Moth” (Moorland Records)

(3,5****)

“Burnt Moth” is na het ook al zeer mooie en heel erg lovend onthaalde “Strange Readings From The Weather Station” van zo’n twee jaar geleden al het tweede album van Welshmen James McArthur. En bekoren doet de beste man daarop als vanouds met enigszins omfloerst overkomende folky deuntjes met hoog herfstgehalte. Weldadig aandoend als je lichaam achter glas strelende zonnestralen tijdens de eerste koude dagen van het najaar, zoiets. Heerlijk vertrouwd aandoend eigenlijk. Net als z’n gitaarspel trouwens. Dat roept bij momenten in al z’n verfijning immers herinneringen op aan icoon Bert Jansch.

En daarmee hebben we meteen al twee van McArthurs vier voornaamste troeven benoemd. Nummers drie en vier zijn gereserveerd voor respectievelijk ’s mans fluwelen stem en z’n begeleiders van The Head Gardeners. Met de eerste verdient hij zich wat ons betreft zomaar een plekje in de buurt van iemand als Nick Drake zaliger. En wat Jim Willis, John O’Sullivan en gasttuiniers Samantha Whates, Joel Magill en Colin Somervell betreft, die werken de zo al over “Burnt Moth” hangende flou artistique nog wat meer in de hand met gesmaakte bijdragen op onder meer viool, mandoline, pedal steel en bas of met wat backing vocals. McArthur zelf draagt daartoe op zijn beurt bij met inspanningen op zowel akoestische gitaren als piano, harmonica, drums en wat percussie-instrumenten.

“Burnt Moth” hoort naar ons gevoel thuis onder de hoofding “delicate eigentijdse folk met een manifest retro randje”.

James McArthur And The Head Gardeners

 

COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” (Country Lips)

(3,5****)

Eindelijk nog eens een plaat die de dezer dagen steeds vaker ten onrechte ten tonele gevoerde omschrijving alternative country ook daadwerkelijk verdient. Gesigneerd Country Lips. Een uit de heren Austin “Sheriff” Jacobsen (bas), Trevor Pendras (elektrische gitaar en zang), Miles Burnett (drums en zang), Hamilton Boyce (elektrische gitaar en zang), Alex Leake (akoestische gitaar en zang), Jonah Byrne (fiddle), Kenny Aramaki (keys) en Gus Clark (accordeon en mandoline) bestaand achtmanschap uit Seattle, dat met “Till The Daylight Comes” op ongemeen aanstekelijke wijze Johnny Cashke, George Joneske, Johnny Paycheckske en Merle Haggardje speelt. Dat alles wat goed was in het verleden ongegeneerd eigenzinnig vertaalt naar het hier en nu. Met vaak onwaarschijnlijke resultaten. Zo waaien doorheen “Reason I’m Drinking”, om maar iets te zeggen, bijvoorbeeld totaal onverwacht zelfs wat heuse skatonen voorbij.

Dertien heerlijk rammelende songkleinoden staan er in totaal op “Till The Daylight Comes”. Gaande van klassiek gestijlde slepers tot wat heviger spul waarvoor gelijkgezinde Amerikanen graag termen als raucous of rowdy uit de kast mogen halen. Van typisch barverdriet tot voer voor lekker wilde feestjes dus. Deed ons op de één of andere manier best wel wat denken aan een ander favorietje van weleer, het onvolprezen Accident Clearinghouse met name. Als u van dat fijne bandje hield, dan is de kans ons inziens vrij groot, dat u ook hiervoor gewillig overstag zal gaan.

Try it, you’ll like it!

Country Lips

 

VOODOO SWING “To You, My Friend” (Chromodyne)

(4****)

Shorty Kreutz (gitaren en zang), Tommy Collins (bas en zang) en Walter Spano (drums) pakken op hun ondertussen toch ook alweer achtste album samen uit met een heus songelftal aan goede redenen om hen weer wat steviger aan de borst te drukken. Als het er op aankomt om rock & roll en rockabilly op een ertoe doende manier naar het hier en nu te vertalen dan staan de heren echt wel op de eerste rij. Aan niet zo hoog met vakjesgrenzen oplopende creativiteit alvast absoluut geen gebrek hier! Het maakt van “To You, My Friend” een waar roots-totaalpakketje.

Afgetrapt wordt er met het hypernerveuze “You Ain’t Doin’ Me Right”. Vervolgens gaat het richting het sympathiek hortende en stotende en met flink wat blues en soul gekruide “You’re Gonna Miss Me One Day”. De rootsy stomper “So Fine” valt daarna meteen op door het wat aparte gebruik van keys erin. En “’Murica” is in het zog daarvan redelijk klassieke ‘billy met een buitengewoon lekker basmotiefje als naar ons gevoel voornaamste surplus.

“The Rambler” is dan recht-toe-recht-aan roots rock, “Too Much Drinkin’” doet iets fijns met trad country, titelnummer “To You, My Friend” leunt weer even nadrukkelijk aan bij het muzikale verleden van de drie en “Don’t Tell Me That You Love Me” durft het zelfs aan om van bil te gaan met bluegrass. Resten er ons dan nog: de wervelende instrumental “Chokin’ The Chicken”, het jazzy, met de verrukkelijke Holly Pyle van House Of Stairs in onvervalste jaren ’20 retrostijl neergelegde “If Hell Has A Place For Me” en het afsluitende, duidelijk door Led Zeppelin geïnspireerde “Fadin’ Away”.

Voor de wat ons betreft buitengewoon geslaagde productie van “To You, My Friend” tekende Olivier Zahm.

Voodoo Swing

 

DOWN HARRISON “Down Harrison” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het voorliggende “Down Harrison” blijkt bij nader inzicht niks minder dan een echte singer-songwriterplaat. Maar dan wel eentje gebracht door een groep. Alles draait om de jarenlang op de plank liggen gebleven liedjes van zanger-songsmid Jesper Willaume met wie bassist Tommy Cassemar en drummer Pelle Alsing al eens eerder samenwerkten voor het album “This Year The Summer Will Be Long”. Nadat die eersteling van ‘m door omstandigheden niet werd uitgebracht trok Willaume zich uit het muziekwereldje terug. Zijn toekomst lag vanaf dat moment in het restaurantwezen.

Nu, goed en wel vijftien jaar later, ligt er met het titelloze debuut van de groep Down Harrison plots wel iets van die Willaume in de winkel. Samen met het al genoemde tweetal, gitarist-toetsenist Micke Wedberg en gast Olaf Gustafsson (op gitaar en pedal steel) knalt hij daarop doorheen tien knappe eigen liedjes. Door de band genomen aardig intelligent uit de hoek komend spul met een redelijk hoge aaibaarheidsfactor. Nadrukkelijk bestemd voor veelvuldig radiogebruik. Met het nodige pop- en rockbloed in de aderen. Maar ook met een zekere hang naar meer rootsy oorden. Zoals bijvoorbeeld ook Crowded House en Chris Isaak die ooit hadden, al resulteert dat hier toch in iets totaal anders.

Als mooiste nummers van het lot onthielden wij na enkele draaibeurten het behoorlijk melancholische, op uitermate fijn elektrisch gitaarwerk drijvende “Everyone’s To Blame”, het bedaarde, überhaupt wat retro aandoende “Hell’s Cold” en titelnummer “Down Harrison”.

Down Harrison

 

JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” (Black Hen Music)

(4****)

Voor iemand met een staat van dienst als de hare is Jenny Whiteley eigenlijk altijd relatief onbekend gebleven in Europese rootskringen. En u weet hoe dat gaat, onbekend maakt onbemind. Vandaar van hieruit nog maar eens een poging om de Canadese aan wat meer naambekendheid te helpen, want geloof ons vrij, die verdient ze echt wel ten volle. Overtuig u daarvan vooral zelf door haar vier vorige platen even op te snorren. Van haar inmiddels nog maar moeilijk verkrijgbare titelloze debuut uit 2000 over het drie jaar later verschenen “Hopetown” en het magistrale “Dear” uit 2006 tot “Forgive And Forget” uit 2009, het zijn echt stuk voor stuk ijzersterke gehelen. Albums, waarmee ze in eigen land onder meer al vergelijkingen met groten der aarde als een Emmylou Harris en een Lucinda Williams wist te oogsten. That good? That good indeed!

En dat onderstreept ze ook met haar nieuwe worp “The Original Jenny Whiteley” weer. Da’s bij nader inzicht een soort van eerbetoon aan haar eigen muzikale afkomst geworden. Aan de haar jonge jaren zo ongeveer volledig beheerst hebbende folk, blues, bluegrass, jug band en old-time country. Aan roots music tout court. Op het menu derhalve ook heel wat naar haar jeugd terugharkend spul. Liedjes die ze toen al aanleerde tijdens optredens met familiebandjes als The Original Sloth Band en de Junior Jug Band, maar ook andere pas veel later op haar repertoire opgedoken traditionals en zelfs wat in dezelfde trant geschreven originelen.

Zonder uitzondering smaakvolle covers zijn er zo van Chris Coole’s “100 Dollars”, van de traditionals “In The Pines”, “Groundhog” en “Things Are Coming My Way”, van Bob Dylans versie van “Oxford Town”, van Uncle Dave Macons “Morning Blues”, van Will Shade’s “Stealin’, Stealin’” en van Mike Herrons “Log Cabin Home In The Sky”.

En tot de categorie der originals behoren de sprankelende old-time bluegrass van het door Whiteley samen met haar wederhelft Joey Wright gepende en op de keper beschouwd echt wel van een veelzeggende titel voorziene “Banjo Girl”, het heerlijk moody, de zangeres in onvervalste slow jug band style in het Frans opvoerende “Malade” en ten slotte ook “Higher Learning”, naar eigen zeggen een ode aan haar eigen jazz- en old-time-helden van weleer.

Voor de productie van “The Original Jenny Whiteley” tekende de ook verder zowat alomtegenwoordige Sam Allison. Ook voor hem een dikke pluim!

Jenny Whiteley

 

RICHARD LINDGREN “Malmostoso” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Al op zijn vorige album “Sundown On A Lemon Tree” waren heel duidelijk sporen van tijdens een recente tournee doorheen Italië aangeknoopte vriendschappen te bekennen en het hoeft ons inziens dan ook niet echt te verwonderen, dat Richard Lindgren op z’n nieuwe plaat z’n hart helemaal aan dat land verloren lijkt te hebben. Zo verwijst de titel ervan bijvoorbeeld al niet meer naar z’n Zweedse thuishaven Malmö, maar is het een verklanking van, een vertaling naar het Italiaans van het doorgaans eerder verdrietige, mistroostige sfeertje dat er over de plaat hangt.

Lindgren nam zijn tiende studioplaat op in Pavia. En hij deed daarbij ook uitsluitend een beroep op lokale muzikanten. Onder hen onder meer toetsenist Riccardo Maccabruni, met wie hij ook het nummer “St Vincent’s Blues” schreef. Diezelfde Maccabruni tekende overigens samen met Simone Giorgi en Charley Goodride ook voor de productie van “Malmostoso”.

Op dat album valt er naar goede Lindgren-gewoonte weer aardig wat te genieten. Na gehelen als het hier hoger al genoemde “Sundown On A Lemon Tree”, “Postcards From Elsewhere”, “A Man You Can Hate”, “Grace” en andere hoeven we je allicht al lang niet meer te overtuigen van ’s mans capaciteiten als songsmid. Met zijn uitzonderlijk warme hese stem – Think Steve Forbert! – weet hij hier alvast steeds weer de juiste snaar te betokkelen. En met name als het gaan om het songgewijs vereeuwigen van gevoelens vloert hij ons keer op keer opnieuw. Hoe uiteenlopend van aard dan ook.

Onze ook nu weer compleet onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Dunce’s Cap”, het bluesy “Evil Love” en de intimistische akoestische ballad “Bluesy Moss”.

Richard Lindgren

 

THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Gelijk al vanaf het eerste moment waarop Jack Torrey en Page Burkum in “Stoplight Kisses” samen aan het zingen gaan kan je er hoegenaamd niet omheen: veel dichter kan je het geluid van de legendarische Everly Brothers in hun hoogdagen nauwelijks benaderen. Heerlijk gewoon, hoe de twee hier vervolgens nog ruim een half uur langer ongegeneerd lang vervlogen tijden blijven evoceren. En dat dan ook nog eens uitsluitend met eigen materiaal! Je houdt het amper voor mogelijk!

Van de heerlijk melancholisch uitgevallen ballad “You’re Dreaming” of het uit zo ongeveer hetzelfde materiaal opgetrokken “Queen Of Them All” over het sympathiek een aardig eindje wegrockende “Clown Collector”, het zomers lijzig neergelegde “Mississippi” en de mooie trage “Powder Blue” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, en passant met een royale snuif manouche gekruide “Change Your Ways Or Die”, de typische Everly country van “If I Can’t Win”, de al even nadrukkelijk aan Don en Phil refererende rocker “No More Crying The Blues”, het ingetogen “Adios Maria” en het afsluitende “Traveler’s Paradise”, werkelijk alles is hier even mooi. Dat zoiets anno 2016 nog kan… Incroyable!

Voor de productie van het van hieruit bij deze bijzonder warm aanbevolen “You’re Dreaming” werd een beroep gedaan op huisfavorietje JD McPherson.

The Cactus Blossoms

 

JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Jonah Tolchin toog voor de opnames van z’n nieuwe album “Thousand Mile Night” naar de legendarische FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama. Daar, in het geboorteoord van zo menig een Southern soul classic, blikte hij onder de productionele auspiciën van veelkunner Marvin Etzioni zijn wat ons betreft sterkste plaat tot op heden in. Een tien songs rijke tour de force, die je als liefhebber van rootsy singer-songwriterspul in geen tijd op het puntje van je stoel heeft.

Van ingetogen soulvol spul genre openingsnummer “Beauty In The Ugliest Of Days” over groovy ingehouden Southern roots rock met bluesinslag à la het titelnummer tot een simpele countrydeun als “I Wonder”, van een intimistische folkpoptrage als het door gast Sam Amidon vakkundig met wat fiddle en banjo besprenkelde “Completely”, het daar op z’n minst gevoelsmatig perfect bij aansluitende tweetal “Paint My Love” en “Song About Home”, het ergens op de dunne grens tussen folk en alternatieve country gedijende “Unless You Got Faith” – een ronduit heerlijk pleidooi voor durven af te gaan op je geloof – tot het gitzwarte, ons op de één of andere manier een weinig aan Tom Waits herinnerende “Where The Hell Are My Friends”, de z’n titel quasi terloops volkomen getrouw blijvende bluesy rocker “Working Man Blues #22” of de niets minder dan spraakmakende afsluitende Skip James-cover “Hard Time Killing Floor Blues”, Tolchin dwingt je zo goed als voortdurend mee in zijn verhaal.

Echt wel behoorlijk straffe kost allemaal!

Jonah Tolchin

 

GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” (Acony Records / V2)

(5*****)

Ondertussen precies twintig jaar geleden deed Gillian Welch voor het eerst van zich spreken met het magistrale “Revival”. Voor de zangeres zelf alvast aanleiding genoeg om even achterom te kijken. En dat doet ze met het onder supervisie van haarzelf en partner in crime Dave Rawlings ontstane “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg”. Het betreft daarbij een eenentwintig songeenheden tellende terugblik die volop durft af te wijken van de geijkte paden. We krijgen hier immers voor één keer niet het originele album aangevuld met wat vlug bij elkaar geharkte outtakes, maar een volledig uit niet eerder verschenen materiaal bestaand geheel.

Op “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” prijken zo naast uiteindelijk uit de boot gevallen dingen als “Go On Downtown”, “Red Clay Halo”, “Georgia Road”, “I Don’t Want To Go Downtown”, “455 Rocket”, “Wichita”, “Riverboat Song” en “Old Time Religion” ook nog een hele reeks alternate versions & mixes (“Orphan Girl”, “Annabelle”, “Pass You By”, “By The Mark”, “Only One And Only”, “One More Dollar” en “Paper Wings”) , demo’s (“Paper Wings”, “Tear My Stillhouse Down”, “Orphan Girl”, “Dry Town” en “Acony Bell”) en een enkele live-radio-opname (“Barroom Girls”). Stuk voor stuk opnames die meer inzicht verschaffen in het ongetwijfeld erg boeiende ontstaansproces van wat ons betreft nog steeds één van de allerbelangrijkste Americana-platen überhaupt.

Een waar voorbeeld als dusdanig voor allen die het overwegen om in de toekomst nog eens op één van hun platen terug te kijken! Zó en niet anders doe je dat dus! Dat nummer twee snel volgen moge!

Gillian Welch

 

UB40 FEATURING ALI, ASTRO & MICKEY “Unplugged” + “UB40’s Greatest Hits” (UMC)

(4****)

Nooit gedacht, dat ik hier op Ctrl. Alt. Country ooit nog eens aandacht aan zou gaan besteden… Maar zie hier! De nieuwe van UB40! Noem het gerust maar één van m’n eigen guilty pleasures. Indertijd in de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig ongelooflijk veel plezier aan beleefd, aan het materiaal van Birminghams fijnsten. En dus vond ik het ook geweldig nieuws toen ik drie jaar geleden vernam, dat zanger Ali Campbell, tweede stem Terence “Astro” Wilson en toetsenist Michael “Mickey” Virtue elkaar na jaren van scheiding elkaar terug in de armen waren gevallen. Met als eerste resultaat indertijd het album “Silhouette” en nu dus “Unplugged”.

Op dat veelzeggend getitelde geheel doen Campbell en co het inderdaad met akoestische versies van hun oude hits. Met als meest in het oog springende tracks ontegensprekelijk het door Campbell voor de gelegenheid niet met de wat ons betreft volstrekt onnavolgbare Chrissie Hynde van de Pretenders maar in duet met z’n eigen tweeëntwintigjarige dochter Kaya gebrachte “I Got You Babe”, het met de eveneens vanuit Birmingham actieve Pato Banton gedeelde “Baby Come Back” en de Prince-cover “Purple Rain”. Al zijn ook de nieuwe stripped down-versies van “Kingston Town”, “Red Red Wine”, “Many Rivers To Cross”, “(I Can’t Help) Falling In Love With You”, “One In Ten”, “Homely Girl”, “Please Don’t Make Me Cry”, “Food For Thought”, “Cherry Oh Baby”, “Rat In Mi Kitchen”, “Tyler” en zo zeker niet te versmaden.

Als bonus krijgen we op een tweede schijfje ook nog de originelen van veel van de hier vertolkte nummers: de twintig grootste hits van UB40 verzameld op een kluitje. Ideaal spul voor binnenkort onder de kerstboom, als u het ons vraagt!

UB40

 

JOHN CEE STANNARD “It’s Christmas Time” (CastIron Recordings)

(3,5****)

It’s that time of the year again… De boom en het stalletje mogen stilaan weer worden opgediept, de wenskaarten alvast maar geprepareerd, vuurwerk voor alle zekerheid ook al maar besteld. En er moet natuurlijk hoogdringend ook alweer over geschenken en eindejaarsmenu’s nagedacht worden. Dat hoort nu eenmaal allemaal zo. En precies daar houden wij dus niet van, zie. Dat alles in die laatste dagen van het jaar plots lijkt te moeten. Ook in de muziekindustrie. Daar lijkt het er hoe langer hoe meer op, dat je er niet echt bij hoort als je niet minstens één keer in je leven een kerstplaat hebt ingeblikt. En al zeker in de States. Daar is het inmiddels zo goed als een verplichting.

Veel meligheid dus binnenkort ongetwijfeld weer op de radio. En ook zo in onze brievenbus allicht. De eersten die het dit jaar zo ver brachten zijn de Brit John Cee Stannard en zijn maatjes van Blues Horizon. Zij confronteren ons op de vijf songeenheden tellende EP “It’s Christmas Time” nadrukkelijk met de vraag “Who says you can’t play the blues at Christmas?”. Ja, wie eigenlijk? Van hieruit zullen ze alvast geen negatief antwoord oogsten. Bedaard swingend zoals in het van heerlijk smoelschuifwerk voorziene “Christmas On My Own”, lekker laid-back groovend zoals in het titelnummer, ingetogen stoeiend met het bij BK Turner geleende “Beggin’ Santa Clause” en net niet helemaal loos gaand in een voor de gelegenheid tot “Let Me Go Home – It’s Christmas” omgedoopt “Let Me Go Home, Whiskey”, je ongetwijfeld ook wel bekend in de geweldige eerdere uitvoering van Amos Milburn, zó wordt Kerstmis verdorie nog echt fun! Enkel de afsluitende ballad “Winter Love” hadden Stannard en co wat ons betreft echt wel achterwege mogen laten. Hadden we hen heus niet kwalijk genomen…

Desondanks nu al een dikke merci aan het adres van bluesmens Stannard en de zijnen. Onze (muzikale) eindejaarsdagen hebben ze hiermee immers alvast een heel klein beetje gered.

John Cee Stannard

 

JEFF BOORTZ “Half The Time” (Jeff Boortz Music)

(3,5****)

Jeff Boortz is een ons tot voor kort volslagen onbekende singer-songwriter uit Houston, TX. Met “Half The Time” blijkt hij nochtans al aan z’n derde cd toe. En afgaande op de kwaliteit van dat tien songeenheden tellende geheel hebben we met de beide voorgangers ervan wel degelijk wat gemist.

Voor de opnames van “Half The Time” toog Boortz naar Nashville. Naar The Rendering Plant meer bepaald. Daar werkte hij samen met een heus elitegroepje aan muzikanten. Gitarist John Jackson kent u bijvoorbeeld van zijn werk voor onder anderen Lucinda Williams en Bob Dylan, Ken Coomer uiteraard als drummer van Wilco, Fats Kaplin als een fenomeen op fiddle en pedal steel en drummer-percussionist Marco Giovino onder meer van Robert Plants Band Of Joy. Bepaald niet de eersten de besten dus! En dat vertaalt zich uiteraard ook naar de manier waarop Boortz hier z’n materiaal aan de man gebracht krijgt.

Vrijwel voortdurend handig heen en weer laverend tussen Americana en roots rock laat hij hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om nieuwe vrienden te maken. Gelijk van bij het als een dronkeman over het slappe koord tussen die beide genres waggelende titelnummer heeft hij je als liefhebber bij de les. En daar houdt hij je bijna achtendertig minuten lang ook. Zoals met het wulpse, door Kaplin fiddlegewijs van de nodige zuiderse flair bediende “Wanna Spend Money On A Girl”, de knappe melodieuze countryrocker “Travis County Line”, het swampy “Stay Love” of de soulvol-broeierige trage “Take Back What You Said”. Dat laatste en het er meteen op volgende, lekker vinnig rockende “Driving With The Headlights Off Again” en in het kielzog daarvan ook story song “Baton Rouge” zijn wat ons betreft de sterkste momenten van een geheel vol daarmee. Ook het afsluitende trio bestaande uit “Hey Passion” (licht bluegrassgetinte meezing-Americana), “Silver Lining” (enigszins Dylan-esk aandoende, alternatieve mijmercountry) en “Since You’re Gone” (bedaarde roots rock) valt immers bepaald niet uit de toon.

Al bij al gewoon een erg sterke plaat van een artiest die het absoluut verdient om gehoord te worden. Ook hier!

Jeff Boortz, CD Baby

 

LITTLE HOOK “Little Hook” (Naked / Donor Productions / Bertus)

(4****)

Zanger-gitarist Renaud Lesire behoeft hier allicht geen introductie meer. Hij speelde de voorbije jaren immers met heel wat schoon bluesvolk samen. Van Candye Kane en James Harman over Rusty Zinn, Junior Watson en Keith Dunn tot Kyle Jester, Gene Taylor en Johnny Sansone. Nu is er echter de nieuwe groep van Lesire, kortweg Little Hook. En dat blijkt een teamverband met de je onder meer van de Electric Kings en de Elmore D. Band bekende harmonicavirtuoos Big Dave Reniers, de zijn sporen onder andere al in Last Call verdiend hebbende drummer-percussionist Steve Wouters en bassist-gitarist Bart Mulders.

Zij doen het op de titelloze debuutplaat van Little Hook met tien eigen nummers. Negen van de hand van kopstuk Lesire, eentje door diezelfde Lesire gedeeld met Big Dave. En het gaat daarbij door de band genomen over behoorlijk groovy spul, waarin vrijwel voortdurend ontzettend veel blijkt te kunnen. Dit rockt, dit swingt, dit funkt, dit groovet! Kortom: dit pakt!

Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de wel van een heel toepasselijke titel voorziene Hill country blues beauty “Hillburner”, het stomende “Tell Me Baby”, de ongegeneerd wat naar Canned Heat-territorium overhellende Lesire-Reniers-co-write “Hooked”, de sfeervolle instrumental “Weedpicker” of het op bezwerende wijze voorwaar zelfs even met het Franse chansongenre flirtende “Mourir Debout” en andere, wedden dat je geen twee draaibeurten nodig zal hebben om compleet verkocht te zijn? Het tegendeel daarvan zou ons alvast flink verbazen…

Little Hook

 

C. DANIEL BOLING “These Houses” (Berkalin Records)

(3,5****)

C. Daniel Boling is wat je noemt een ware laatbloeier. Pas op zijn vijftigste ging de beste man met zijn liedjes de hort op en dat al vrij snel met het nodige succes ook. Zo was hij bijvoorbeeld twee jaar geleden nog de laureaat van de gerenommeerde Kerrville New Folk songsmidcompetitie. En ook zijn inmiddels zeven albums genieten in kennerskringen het nodige aanzien.

Met als zijn voornaamste bondgenoten z’n ongemeen warme tenorstem en z’n eigen eveneens zeer herkenbare stijl van gitaarspelen toont hij ook op z’n door Jono Manson geproduceerde nieuwe weer ruim driekwartier lang waarom. In navolging van tal van groten der aarde als bijvoorbeeld een Steve Goodman, een James Taylor en een Pete Seeger vertelt Boling verhalen over de meest uiteenlopende karakters en feiten. Niet zelden ook over zichzelf en z’n eigen naasten. Daarnaast gaat hij op “These Houses” in enkele liedjes ook nadrukkelijk in op de hem door een aantal oorlogsveteranen vertelde verhalen. Dat is met name zo in het fraaie duo “I Brought The War With Me” en “Crumble”. Met vooral dat eerste wat ons betreft als een waar hoogstandje, opgetrokken als het is rond de veelzeggende woorden “I never faced battle completely alone, till I brought the war with me when I came back home.”

Nog zo’n veritabele schoonheid van een liedje is “Mama’s Radio”. Daarin herinnert Boling zich één van zijn eigen verjaardagen als kind. Zijn moeder, die wist dat ze hem uit louter armoede die bewuste dag geen geschenk zou kunnen geven, had dan maar een gedicht voor ‘m geschreven, waarmee ze ook deelnamen aan een door een lokaal radiostation uitgeschreven poëziewedstrijd. En u raadt het al: ze wonnen de wedstrijd en hielden er naast een leuke prijs ook een erg mooie herinnering aan over. Een warme herinnering, die Boling nu naast vele andere songgewijs met ons deelt. Ons deed het qua stijl van vertellen vaak een beetje denken aan het recentere materiaal van de Duitse troubadour Reinhard Mey. Net als deze laatste slaagt ook Boling er terugkijkend op z’n eigen bestaan met sprekend gemak in om bij zijn luisteraars de juiste snaar te raken. Veel van wat hij vertelt klinkt nu eenmaal erg herkenbaar.

C. Daniel Boling

 

DALE WATSON “Under The Influence” (Dale Watson / BFD / RED)

(4****)

Al bij al vrij snel na de live-cd “Live At The Big T Roadhouse: Chicken S#!+ Bingo Sunday” is er met “Under The Influence” alweer een nieuwe plaat van Dale Watson. Als naar goede gewoonte in het gezelschap van zijn voor de gelegenheid met Earl Poole Ball en T Jarod Bonta (beide op piano) aangevulde Lone Stars eert de Texaan daarmee naar eigen zeggen een aantal van zijn persoonlijke helden. Een aantal maar, want van overduidelijke invloeden op ’s mans stijl als Elvis en Ray Price staat er bijvoorbeeld al niets op “Under The Influence”.

Wie covert hij hier dan wel allemaal? Wel, dat is om te beginnen Conway Twitty, van wie hij de trage “Lonely Blue Boy” ten gehore brengt. Vervolgens leeft hij zich met brio in “You’re Humbuggin’ Me” van Lefty Frizzell in, leent hij “Lucille” nu eens niet bij Little Richard maar wel bij z’n idool Waylon Jennings, doet hij de ook al betreurde Buck Owens enkele minuten lang herleven met een overtuigende versie van diens “Made In Japan” en waant zich even Bob Wills in het heerlijk swingende “Here In Frisco”.

Next stop is Merle Haggard. Van The Hag brengt Watson met veel gevoel de ballad “Here In Frisco”. En dan zijn er ook nog ’s mans lezingen van “Pretty Red Wine” van Mel Tillis, “Pure Love” van Ronnie Milsap, “I Don’t Want To Go Home” van Doug Sahm, “Most Wanted Woman In Town” van Roy Head, “If You Want To Be My Woman” van opnieuw Merle Haggard en “Long Black Veil” van Johnny Cash. Nu ja, “van…”, eerder “opgenomen door…” natuurlijk.

Feit is, dat Watson met “Under The Influence” wederom garant staat voor ruim vijfendertig minuten kwaliteitscountry traditional style. En nu steeds meer van zijn helden er het bijltje bij gaan neerleggen, dringt hij zich hiermee naar ons gevoel dan ook weer wat nadrukkelijker op als één van hun erfgenamen. Als één van de weinigen die het in zich hebben om de vlam van het countrygenre brandende te houden. Real country, that is of course.

Dale Watson

 

CS NIELSEN “Jericho Road” (Songcrafter Music)

(5*****)

Als u dit jaar maar één plaat meer kopen zou, doet u zichzelf dan een groot plezier en laat het vooral deze zijn. U haalt er naar onze bescheiden mening één van de allerbeste albums van het lopende jaar mee binnen. Een Americana beauty in de waarste zin van het woord. Een geheel bulkend van de songs die weliswaar veel van je vergen als luisteraar, maar je ook enorm veel teruggeven. Materiaal met een tot op zekere hoogte literair karakter. Liedjes waarin er tussen de regels door bijna evenveel gebeurt als in de teksten zelf. Een weinig archaïsch van karakter misschien, maar precies dat draagt ons inziens bij tot de enorme zeggingskracht ervan. Alsof je je enkele ogenblikken lang op het kruispunt tussen Cash, Cave en Springsteen ten tijde van Nebraska lijkt te bevinden. Al zijn zeker ook Dylan, Lead Belly en the late great Hank Williams invloeden geweest.

De wanhoop sprekend uit de woorden van een soldaat in openingsnummer “Twentieth Century”, het gitzwarte Bijbelse karakter van titelnummer “Jericho Road”, de Hank meets Johnny murder song op ingehouden walstempo “The Misfit”, de grimmige old-time verleidingspoging “Frosty Morn”, de broeierige omineuze country storytelling van “Help Me In My Unbelief”, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Bepaald vrolijk word je van CS Nielsens liedjes niet, maar ze zijn echt zonder uitzondering verbluffend knap.

Met als absolute hoogtepunten wat ons betreft het viertal “You Can’t Escape”, “Snake Handler”, “Ethan Edwards (And Me)” en “Lullaby”. Het eerste een voor kippenvel garant staande terugblik op de ogenschijnlijk lang niet altijd even gemakkelijke relatie met z’n eigen vader, het tweede het relaas van een schijnbaar eindeloos aanslepende queeste naar vergiffenis, naar die ene, alles goedmakende blik in the eyes of mercy, het derde een aan het beeld van een afbrandende boerderij opgehangen streepje verhalende Americana over een bestaan compleet zonder hoop. En dan hadden we het nog niet over dat slaapliedje. Zelfs dat krijgt hier een aardig donker randje mee. Wat gebeurde er immers met de mama van het in het holst van de nacht door haar ouweheer toegezongen kind op de achterbank van de wagen?

CS Nielsen

 

PETE SINJIN “The Heart And The Compass” (Hootenanny Arts)

(3,5****)

Van de Amerikaan Pete Sinjin kende ik voorheen eigenlijk alleen het album “Better Angels Radio”. Met z’n zopas verschenen nieuwe “The Heart And The Compass” blijkt de beste man tot mijn grote verbazing echter al aan zijn vierde worp toe. En dus dringt een bescheiden inhaalbeweging zich op. “The Heart And The Compass” is immers opnieuw een erg mooie plaat geworden. Een soort van onbewuste ode aan de liefde. Geen kleffe bedoening, maar een bij momenten juist adembenemende verkenning van de brede waaier aan emoties hand in hand gaand met dat onderwerp. Met het eigen hart naar eigen zeggen als onontbeerlijk kompas.

Elf liedjes staan er in totaal op “The Heart And The Compass”. En met dat geheel nestelt Sinjin zich wat mij betreft comfortabel ergens in de slipstream van grote voorbeelden als een Rodney Crowell, een Ryan Bingham, een John Prine en een Townes Van Zandt. Met name het sterk evocatieve karakter van zijn liedjes blijkt daarbij een serieus pluspunt. En ook ’s mans melodieën scoorden op onze persoonlijke appreciatiemeter meteen erg hoog.

Liedjes als de met collega Michaella Anne gebrachte ballad “Stolen Afternoon, 1951”, het vrijwel meteen door de gezonde dosis witte soul erin opvallende “Can’t Be So”, het met Kira Smith gepende en aangenaam een eindje weg (country)rockende “Dirty Windshield”, het heerlijk swingende “Goodbye Knoxville”, de knappe trage “Desperate Kind Of Love” en andere nodigen al snel uit tot een bezoekje aan de repeat-toets van je cd-speler. Noem “The Heart And The Compass” daarom gerust maar een erg aangename verrassing.

Pete Sinjin

 

JESSE DAYTON “The Revealer” (Blue Elan Records)

(5*****)

Als we het allemaal een beetje goed bijgehouden hebben, dan is Jesse Dayton met “The Revealer” al aan zijn negende langspeler toe. Het begon allemaal in 1995 met het onvolprezen “Raisin’ Cain” en via het al even geweldige “Tall Texas Tales” (2000), “Hey Nashvegas” (2001), “Country Soul Brother” (2004), “South Austin Sessions” (2006), de met Brennen Leigh gedeelde duettenplaat “Holdin’ Our Own And Other Country Duets” (2007), “One For The Dance Halls” (2011) en ’s mans eerbetoon aan één van z’n eigen helden “Jesse Sings Kinky” (2012) belandden we uiteindelijk in het hier en nu. En dat op de keper beschouwd met één van Daytons beste platen überhaupt. Het door John Evans geproduceerde en met buitengewoon fraai artwork van Charlie Terrell opgewaardeerde “The Revealer” is wat je noemt een roots trip hors catégorie. Twaalf songs lang is het weer volop genieten geblazen!

En gelijk vanaf de aftrap al ook! Openingsnummer “Daddy Was A Badass” blijkt immers een overheerlijk groovy streepje outlaw country opgehangen aan een ijzersterke verhalende tekst, waarin de vader van de verteller na een aardig bewogen leven aan z’n einde komt door met z’n 1963 Pan Head Harley Davidson van een klif te rijden. Vervolgens vernemen we van Dayton in het wervelende, door Riley Osbourne pianogewijs flink aangejaagde “Holy Ghost Rock N Roller” waarom hij z’n ziel verloor aan des duivels muziek. Het flink wat bezadigder neergelegde en het eigen muzikantenbestaan bezingende “The Way We Are” strandt aansluitend daarop ergens dicht in het kielzog van wijlen countryicoon Waylon Jennings.

“Eatin’ Crow And Drinkin’ Sand” blijkt op zijn beurt een greasy lapje country rock, “Possum Ran Over My Grave” een knappe tip of the hat aan het adres van de grote George Jones, Mike Stinsons “Take Out The Trash” een ferme rootsrockende terugblik op een voorbije, maar duidelijk nog niet vergeten liefdesrelatie, “Mrs. Victoria (Beautiful Thing)” een countrybluesje gewijd aan het gewaardeerde zwarte hulpje ten huize van de ik-persoon en het werkelijk rete-aanstekelijke “3 Pecker Goat” laat rock & roll weer enkele minuten lang volop regeren.

Hebben we dan nog niet gehad: “Match Made In Heaven”, een klassiek countryduet met Brennen Leigh, het zalig swingende en volop van een woordspeling goed voor een glimlach levende “I’m At Home Gettin’ Hammered (While She’s Out Gettin’ Nailed)”, de mooie ballad “Never Started Livin’” en afsluiter “Big State Motel”, een moody blik achter de schermen van het toevluchtsoord van de King of Nothin’ en zo menig een lower companion.

Voor wie het ondertussen nog niet door moest hebben: “The Revealer” is een ronduit geweldige schijf! Eén van dé toppers van 2016 eigenlijk.

Jesse Dayton

 

HICKORY SIGNALS “Noise Of The Waters” (Hickory Signals)

(4****)

“Noise Of The Waters” is na hun titelloze debuutplaat van twee jaar geleden al de tweede EP van het jonge Britse folkduo Laura Ward en Adam Ronchetti oftewel Hickory Signals. Zes nummers staan er ditmaal op. Drie eigen dingen, drie vreemde eenden.

Tot de eerste categorie behoren de lentefrisse spring-in-‘t-veld “Here I Am”, het moody “Bows And Arrows” en het verhalende “Take The Window”. Eén ding hebben die drie kleinoden alvast gemeen: het blijken zonder uitzondering perfecte vehikels voor de fraaie stem van Ward. De ongelooflijke zeggingskracht die daarvan uitgaat nodigt nu al uit tot boude voorspellingen voor de toekomst.

De overige drie liedjes ontleende het duo zoals hoger reeds gesteld aan het verleden. Het mysterieuze “Unquiet Grave” en afsluiter “Irish Ways” zijn adaptaties van traditionals, voor prijsnummer “Noise Of The Waters” baseerde men zich op het door de zee geïnspireerde gedicht van James Joyce met dezelfde titel. Een ronduit heerlijk staaltje van atmosferische folk, dat laatste liedje.

Wat ons betreft duidelijk een folk act om in het oog te houden, deze Hickory Signals! Gaan we ongetwijfeld nog heel veel van horen!

Hickory Signals

 

LITTLE STEVE & THE BIG BEAT “Another Man” (CRS)

(4****)

Eén van dé albums van het moment vind ik persoonlijk “Another Man”, het ongemeen knappe albumdebuut van het jonge Nederlandse rootsvijfmanschap Little Steve & The Big Beat, je misschien al wel bekend van Blues Peer of van hun tour doorheen de Benelux samen met Mike Morgan zo’n jaar of wat geleden.

Steven “Little Steve” van der Nat (zang en gitaar), Martijn “Tinez” van Toor (tenorsax), Evert Hoedt (baritonsax), Bird Stevens (basgitaar en tamboerijn) en Jody van Ooijen (drums en percussie) grossieren op hun eerste volwaardige langspeler een dik half uur lang in wat wij zouden willen noemen rete-aanstekelijke soulvolle R&B. Echt ongelooflijk goed allemaal!

Openingsnummer “Just Fooling Around” gaat meteen los in de winkelhaak. Dat hortend en stotend om je aandacht bedelende gitaartje! Die bezwerende saxen! Die bloedgeile zang! Wat wil een mens in godsnaam nog meer? Het antwoord op die vraag duurt nog zo’n tien nummers lang. Van het soulvolle, noem het gerust Stax-rijpe “Teasin’ Without Pleasin’” tot het sensueel met de heupen wiegende “Dangerous Kind” met z’n lekker swingende pianobijdrage van Bas Janssen, van het sympathiek een aardig eindje weghonkende “Things” over de heerlijke soul ballad “Another Man” tot de wervelende, ondertussen volkomen terecht zijn weg richting Radio 1 gevonden hebbende single “Brand New Man”, van het al even catchy rockertje “Change My Ways” of de swingende R&B van “Just One More Time” tot het afsluitende “Live & Learn”, dit is spek naar de bek van elke liefhebber van het materiaal van acts als Nick Waterhouse, James Hunter, JD McPherson, St. Paul & The Broken Bones, Nathaniel Rateliff & The Night Sweats, Sharon Jones & The Dap-Kings, Leon Bridges en bij uitbreiding natuurlijk ook platenlabels als Daptone Records, Stax, Atlantic, Chess en andere.

Eén enkele keer beluisteren en je bent geheid verkocht! Vooral doen!

Little Steve & The Big Beat, CRS

 

JACK TEMPCHIN “One More Song” (Blue Elan Records)

(3,5****)

Als de Amerikaanse songsmid Jack Tempchin hier te lande al enige naambekendheid geniet, dan heeft hij die vooral te danken aan zijn samenwerkingen met de Eagles. Met als absoluut moment de gloire uiteraard hun vertolking van zijn “Peaceful Easy Feeling”. Al zal Tempchin zelf allicht ook lezingen van zijn materiaal door ander schoon volk als een Emmylou Harris, een George Jones, een Glen Campbell, een Patty Loveless, een Trisha Yearwood en vele, vele anderen als belangrijke wapenfeiten op zijn palmares aanhalen. En dat mag hij natuurlijk ook.

Zelf ging hij zich de voorbije jaren ook steeds nadrukkelijker als artiest presenteren. Onder meer met het album “Learning To Dance” en de EP “Room To Run” probeerde hij de nodige zieltjes te winnen. En dat doet hij nu met de twaalf songeenheden tellende collectie “One More Song” nog eens dunnetjes over. In een productie van Joel Piper doet hij daarop enkele keren zijn eigen songcatalogus van weleer aan, maar het gros van de liedjes erop blijkt toch nieuw.

Openingsnummer “Slow Dancing” is meteen al een eerste terugblik. Dat ooit nog door Johnny Rivers ingeblikte nummer krijgt hier een hele fraaie intimistische soloversie mee. Wat ons betreft gelijk hét hoogtepunt van “One More Song”. Verder zijn er ook nieuwe versies van het speelse, door Tempchin in een ver verleden al eens met de Funky Kings gebrachte “Singing In The Street”, van het breekbare, door Hoyt Axton ooit nog regelmatig live opgevoerde “Circle Ties That Bind” en van “One More Song”, een fraaie ballad die u zich misschien nog wel herinnert in de uitvoering van wijlen Kate Wolf op haar album “An Evening In Austin”.

Andere mooie momenten: het majestueuze, samen met Bobby Whitlock kort na diens huwelijk geschreven “Old River”, het voorzichtig jazzy aandoende “Around Midnight” en het op de keper beschouwd best wel een weinig Dylanesk aandoende “So Long My Friend”. Bij het horen van dat soort van liedjes begrijp je ogenblikkelijk waarom Tempchin het zelf in verband met “One More Song” heeft over het eren van zijn coffeehouse roots. Alles draait daarin daadwerkelijk weer even gewoon om de zanger en zijn liedje. En om het op die manier connecteren met z’n publiek natuurlijk.

Jack Tempchin

 

ANDREA TERRANO “Innamorata” (Atlantic Jaxx Recordings)

(3,5****)

Not your typical Ctrl. Alt. Country stuff, dit, maar wel a real treat en daarom hebben we het er hier toch maar even over. “Innamorata” is de nieuwe plaat van de Italiaanse gitaarvirtuoos Andrea Terrano. En wat die daarop brengt is van een werkelijk zinnenstrelende schoonheid. Begeleid door collega-gitarist Rafa Marchante, zijn vader en een stel bevriende muzikanten op onder meer strijkers, percussie en fluit en in een productie van Felix Buxton (Basement Jaxx) waadt Terrano op “Innamorata” zomers elegant doorheen elf nieuwe eigen composities.

Het resultaat is het soort van plaat waarbij je als luisteraar in no time aan het wegdromen gaat, het rusteloze dagdagelijkse bestaan ver achter je latend en je ergens op een parelwit, nog volslagen maagdelijk strand wanend. Invloeden uit zowel Latin, folk, klassieke Italiaanse soundtracks als wereldmuziek laten zich daarbij duidelijk aanwijzen. En precies dat gegeven draagt bij tot de ongelooflijke muzikale rijkdom van het nagenoeg volledig instrumentale “Innamorata”. Het ene moment is wat Terrano daarop doet eerder romantisch van aard, het andere nodigt het uit tot een dansje. Evocatief, sensueel en gloedvol allemaal, maar vooral ook ontzettend mooi. En om die reden dat plaatsje hier dus…

Atlantic Jaxx Recordings

 

BAND OF FRIENDS “Repeat After Me” (Band Of Friends / Bertus)

(3,5****)

“Repeat After Me” is bij nader inzicht de eerste volwaardige langspeler van het uit de je allicht nog van hun werk voor wijlen Rory Gallagher bekende tweetal Gerry McAvoy en Ted McKenna en de Nederlandse zanger-gitarist Marcel Scherpenzeel bestaande trio Band Of Friends. Hun zowat een jaar of twee geleden verschenen debuut “Too Much Is Not Enough” bevatte immers maar zeven nummers. Op de nieuwe worp van de drie prijkt een heus songelftal.

En met uitzondering van het nog door Frankie Miller gepende “A Sense Of Freedom” gaat het daarbij uitsluitend om eigen originals. Blues rock van het al bij al eerder kloeke soort. Opgenomen in onvervalste old school style. Alle liedjes ontstonden immers gewoon in de studio. “We both rehearsed and wrote the songs at the same time,” aldus daarover Gerry McAvoy.

De mooiste van het lot vonden wij het melodieuze slow-rockertje “Repeat After Me”, de al genoemde Frankie Miller cover, de lekkere trage “Homeland” en het sympathiek rondstuiterende “Soul To Soul”.

Band Of Friends

 

DOUGLAS GREER “Baja Louisiana” (Zilker Park Records)

(4,5*****)

Ergens diep in de zomer van 2006 was het, dat we ons hier op een onbewaakt moment over “Just A Man” bogen, de toen net verschenen eersteling van de vanuit muziekstad par excellence Austin, TX debuterende Douglas Greer. Als “een schoolvoorbeeld van hoe Americana volgens ons hoort te klinken” omschreven we dat geheel in een vlaag van enthousiasme en we hadden er ook prompt vier sterren voor over. Aanraden deden we de plaat aan allen die onder anderen Ryan Adams, Steve Earle, James McMurtry, Joe Ely en Robert Earl Keen een warm hart toedroegen.

Ruim tien jaar later zijn we ondertussen. Zo lang heeft hij ons na dat razend knappe debuut inderdaad op onze honger laten zitten, de bebrilde songsmid uit Texas. Tot daar het slechte nieuws. Het goede is, dat zo ongeveer elke letter die we hier zowat een decennium geleden aan papier toevertrouwden nog steeds van toepassing blijkt. Ruim elf nummers lang bewijst Greer ook op “Baja Louisiana” immers weer uit het allerbeste singer-songwriter-hout gesneden te zijn. In een productie van de je onder meer van zijn werk met Eliza Gilkyson bekende Mark Hallman en met studiobijstand van diezelfde Hallman, David Grissom, Bradley Kopp en Michael Ramos trakteert hij op net iets meer dan veertig minuten Lone Star State Americana van de werkelijk bovenste plank.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de vlijmscherpe, een teloorgegane liefde definitief bezegelende outlaw style country rocker “Take My Name Off Your Facebook Page”, naar het voor een vriendinnetje voor één nacht gepende “Miss Right Now” of de werkelijk bloedmooie, je als luisteraar gelijk vanaf de eerste beluistering al bij de keel grijpende ballad “Christmas In The Travis County Jail” en je zal het allicht direct met ons eens zijn, dat dit een plaat is die niet één rechtgeaarde liefhebber van Americana zich zou moeten laten ontgaan. Eén van de allerbeste van 2016 eigenlijk. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

(O, en by the way: ook “Just A Man” blijft na al die jaren nog steeds een heus aanradertje!)

Douglas Greer

 

M. LOCKWOOD PORTER “How To Dream Again” (Hidden Trail Records)

(4****)

Na zijn vorige, het ondertussen goed en wel twee jaar geleden verschenen “27” ging het plots allemaal heel snel voor de vanuit Berkeley, California actieve songsmid M. Lockwood Porter. Met die plaat oogstte hij ineens zoveel lof, dat velen hem prompt als één van dé Amerikaanse talenten voor de nabije toekomst gingen zien. En zulks brengt natuurlijk zekere verplichtingen met zich mee. Noblesse oblige, weet u wel. Zijn nieuwe zou zeer goed moeten zijn. Iets waarvan ook onze man zelf zich maar al te bewust was, zo blijkt nu. Die verse van ‘m, het zopas verschenen “How To Dream Again” is immers opnieuw “een plaatje van een plaat” geworden.

De songs erop zijn echt zonder uitzondering weer ware beauties. Openingsnummer “American Dreams Denied” lijkt zo verdorie wel Springsteen met in z’n rug voor de gelegenheid die van Sugar of de Replacements. De meteen daarop aansluitende ballads “Burn Away” en “Bright Star” gaan thematisch gezien in op de onzekerheid eigen aan elke liefde, net als de bedaarde, enigszins Dylanesk aandoende rootsrocker “Strong Enough” in het zog daarvan ook. En in “Joe Hill’s Dream” borrelt Lockwood Porters interesse in sociale rechtvaardigheid zowaar even op. Een buitengewoon straf openingssalvo, als u het ons vraagt.

En ook wat volgt is even briljant. Van de opnieuw volop aan Springsteen in z’n hoogdagen herinnerende trage “Reach The Top” over de zelfs alleen al titelgewijs aan duidelijkheid niets te wensen overlatende rocker “The Future Ain’t What It Used To Be” tot het afsluitende “Dream Again” en alles daartussenin, hoegenaamd niets dan zuivere songhoogstandjes hier. Met teksten die alleen nog maar dieper lijken te willen gaan dan die op de beide voorgangers van “How To Dream Again”. Zelfs je relatief goed in je vel voelen resulteert bij iemand als Lockwood Porter immers in nieuwe vragen, nieuwe dromen. En die blijken bij momenten het louter persoonlijke een aardig eindje te durven overstijgen.

Bijzonder knappe rootsplaat zonder meer! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

M. Lockwood Porter

 

JEREMY & THE HARLEQUINS “Into The Night” (Yep Roc / V2)

(3,5****)

Met de release van hun tweede album “Into The Night” lijken jonge New Yorkers Jeremy Fury en z’n Harlequins nu echt wel helemaal klaar voor een bestorming van de hitlijsten in hun vaderland. Met hun eigenzinnige vertaling van met name rock & roll en rockabilly naar het hier en nu doen ze wat ons betreft alvast volkomen terecht van zich spreken. Dat was al zo naar aanleiding van hun vorig jaar verschenen debuut “American Dreamer” en geloof ons vrij, dat zal ook nu weer niet anders gaan zijn. Onder meer Bruce Springsteens rechterhand Steve “Little Steven” Van Zandt outte zich recentelijk ook reeds nadrukkelijk als fan.

Tien tracks en zo’n tweeëndertig minuten lang nemen Fury en de zijnen ons op hun tweede mee op een leerzame trip richting achtereenvolgens het verleden en de toekomst van hun favoriete muziek. Aanvankelijk nog redelijk poppy ingesteld met het al wel lekker knallende, maar tegelijk ook heel erg radiovriendelijk geconcipieerde titelnummer. Vanaf track twee gaan de remmen echter helemaal los. “No One Cares” teert zo bijvoorbeeld volop op een soort van gemuteerde Diddley beat, “Rhythm Don’t Lie” lanceert Gene Vincent aanstekelijk swingend in een raket vers l’avenir, voor het aangenaam klaaglijke “For Angels” lijkt men inspiratie te hebben gevonden bij de vele rockende girl bands die de sixties ooit rijk waren en “Let Her Run”, een klassiek opgevatte Amerikaanse road song for the modern age, jengelt er enkele minuten lang heerlijk op los.

“Big Beat” is vervolgens opnieuw een streepje rete-aanstekelijke rock & roll-nostalgie geschoeid op Amerikaanse leest, “Drinkin’ By Myself” blijkt zenuwachtige nachtwinkelbilly anno nu, “Critical Condition” deed ons heel even denken aan Mink DeVille, “There’s A Girl” op zijn beurt aan de wat romantischere momenten van de Everlys en ook afsluiter “Oh Yeah (I Did It Again)” klonk ons op de één of andere manier meteen heel vertrouwd in de oren, al konden we er niet direct de vinger op leggen van wie of van waar.

Op basis van dit ongemeen sterke songtiental durven we hier nu al te stellen, dat Jeremy en z’n Harlequins bij een volgende doortocht allicht niet meer al te veel introductie zullen behoeven. Real cool stuff!

Jeremy & The Harlequins

 

JD FOX & THE VELVET STREET BAND “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” (Beehive Records)

(4****)

Ik zou het hier naar aanleiding van het verschijnen van “My Friend” opnieuw kunnen gaan hebben over het behoorlijk rijk gevulde muzikale verleden van Jan De Vos, maar dat doe ik ditmaal gemakshalve niet. Alleen een verwijzing naar het eind 2011 door de beste man uitgebrachte “The Roadmaster” kan er nog net van af. En dat uiteindelijk ook enkel maar omdat het effectief de voorloper is van De Vos’ nieuwe worp.

Tackelde hij indertijd bij wijze van eerbetoon nog het materiaal van toetsenist-componist Spooner Oldham dan is het op “My Friend” nu de beurt aan dat van een andere legende uit Alabama. Met name dat van Donnie Fritts. Kent u ongetwijfeld ook wel van dingen als het hier te lande door die van UB40 en Pretenders-frontvrouwe Chrissie Hynde de hitlijsten in gekweelde “Breakfast In Bed” en “Choo Choo Train” van The Box Tops, om er maar enkele te noemen.

Van hem brengt Jan “JD Fox” De Vos hier naast dat tweetal verder ook bekende en minder bekende dingen als “Memphis Women And Chicken”, “If You Say So”, “Take Time To Love”, “Zero Willpower”, “Rainbow Road”, “Why Is My Day So Long” en andere. Met als opvallende bonus track het samen met onder meer tributee Fritts zelf in Muscle Shoals ingeblikte titelnummer.

Voor de productie van het bijzonder sfeervolle “My Friend” tekende de zich alsmaar beter in zijn rol van Vlaamse soul man inlevende De Vos zelf samen met Jan Chartrain. Voor het inspelen ervan deed hij verder onder meer ook nog een beroep op toetsenman Wim Verbeke, gitarist Piet Decalf, bassiste Leen Van Reyn, drummer Tony Gyselinck, percussionist Firmin De Maître en pianiste Lies Demeyer. Gezongen en gesproken bijdragen leveren verder ook nog Gunther De Grom en Bonnie Fuqua.

Net als voorganger “The Roadmaster” een echte aanrader van formaat, deze plaat! Je zou bijna gaan hopen, dat De Vos daar in de buurt van Alabama nog veel idolen heeft rondlopen…

(Een fysiek exemplaartje van “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” kan besteld worden via contact@jdfox.be. Voorts kan u het album ook downloaden via iTunes of gewoon beluisteren via Spotify.)

JD Fox

 

ANY VEGETABLE “Veg Out!” (CRS)

(3,5****)                

De hier te lande lichtjes legendarische Felice Damiano sloot indertijd zijn gesmaakte kookprogramma met tv-kok Herwig Van Hove steevast af met de gevleugelde woorden “Maak er een lekker potje van!”. En da’s nu precies wat die van het debuterende Nederlandse Any Vegetable doen. Ze maken er op hun eersteling een alleraardigst potje van. Tien nummers lang zetten ze je als luisteraar bijna voortdurend op het verkeerde been. Telkens als je denkt uiteindelijk toch een gepast label voor hun muzikale gumbo beet te hebben gooien ze het plots toch weer over een andere boeg. Muzikaal eclecticisme heet zoiets. Productioneel maar net in goede banen geleid door Okieson Sebastiaan van Bijlevelt.

Blues, rock, pop, funk, Americana,… You name it, they play it! Nadrukkelijk iets voor muzikale omnivoren dus. Voor mensen die niet vies zijn van een verrassende move op z’n tijd. Voor wie een gemuteerde funkopstoot à la “Sweet Magnolia White” gerust naast poppy Americana genre “The Greatest Lie Ever Told”, ouderwetse, ons mede door de zang wat aan Herman Brood zaliger herinnerende rock als “Don’t Really Think So” of een hoogst bizarre, wat onderkoeld gebrachte cover van de ABBA-klapper “The Name Of The Game” mag.

Fresh music indeed, om het met wat aan het bandlogo ontleende woorden te zeggen. Maar overtuig u daarvan via onderstaande link vooral zelf!

Any Vegetable

 

PARSONSFIELD “Blooming Through The Black” (Signature Sounds / V2)

(3,5****)      

Het vanuit Northampton, MA flink aan de weg timmerende vijftal van Parsonsfield behoort tot het almaar minder select wordende groepje van nieuwkomers dat zich geroepen voelt om door de jaren heen vrijwel steevast met rootsmuziek geassocieerde instrumenten als de banjo en de mandoline in een rockgeluid binnen te smokkelen. Wat Chris Freeman (zang en banjo), Antonio Alcorn (mandoline), Max Shakun (zang, traporgel en gitaar), Harrison Goodale (bas) en Erik Hischmann (drums) samen brengen dienen we volgens hun broodheren te catalogeren onder de hoofding alt.-folk. Met folk en bluegrass weliswaar nog nadrukkelijk als voornaamste invloeden, maar overduidelijk verrijkt met een aan jaren blootstelling aan rock & roll refererende spirit.

Dat zulks bij momenten best wel spannende muziekjes oplevert, zal allicht ook u wel niet verbazen. En al zeker niet meer als we er u ook nog eens bij vertellen, dat voor de productie van “Blooming Through The Black” opnieuw de in het verleden onder meer al om zijn knappe werk met Josh Ritter geprezen Sam Kassirer werd aangetrokken. Opnieuw, want de beste man tekende inderdaad ook al present voor de drie jaar geleden verschenen debuutplaat van de vijf. Een plaat die ze indertijd nog uitbrachten onder hun in juli 2014 afgezworen vorige groepsnaam Poor Old Shine.

Enkele onverbintelijke luistertips willen we u alvast niet onthouden. Om te beginnen bijvoorbeeld al het catchy “Ties That Bind Us” waarmee het hier in volle herfst voorwaar eensklaps weer een beetje lente werd. En verder zeker ook nog het radiovriendelijke, op de keper beschouwd maar heel erg langzaam al z’n geheimen prijsgevende “Stronger”, het ook al supersympathiek voorbij gestompt komende titelnummer of het volop van een zalige feel good groove profiterende “Across Your Mind”.

Fans van acts als Mumford & Sons en aanverwanten zouden daarmee zo ongeveer genoeg moeten weten.

Parsonsfield

 

IMPERIAL CROWNS “The Calling” (DixieFrog / Borderline Blues / Bertus)

(4****)

Helemaal terug van een poosje weggeweest en daar zijn we hier verdomd blij om ook: The Imperial Crowns, ladies and gentlemen. Eén van de allerbeste blues & roots acts ever, period! Groothandelaars in wat ze zelf ooit omschreven als “ferocious blues, psyche-delta soul & pumpin’ funk”. Rete-aanstekelijk rootsvertier, goed voor zo ongeveer hetzelfde effect op een mens als een nietsvermoedende straal urine op prikkeldraad onder stroom. Wie albumvoorgangers “Imperial Crowns”, “Hymn Book”, “Preachin’ The Blues Live!” of “Star Of The West” in huis heeft, weet waarover we spreken. Al is die voorkennis zeker niet nodig om ten volle te kunnen genieten van de nieuwe van de charismatische Jimmie Wood en de zijnen.

Gelijk van bij het wervelende openingsnummer, het heerlijk greasy uit de speakers knallende credo “I Gotta Right (To Wear These Rock & Roll Shoes)” is het immers weer prijs. Zit daar maar eens bij stil! Als je dat kan, dan lijkt een doktersbezoek ons dringend geboden. Vervolgens gaat het via de broeierige swamp funk van het titelnummer, de magistrale soulvolle slow scorcher “Grace Under Pressure”, het op z’n Stones een eindje voor zich uit pompende “Wasn’t Love At First Sight”, het van een kingsize shot ingehouden boogie bediende “Love N’ The Devil”, het radiovriendelijke “Something Of Value” en nog een vijftal anderen aan een rotvaart richting een climax met het afsluitende “Question Mark”, opnieuw zo’n geweldige rootsrockopstoot waarbij je als luisteraar bijna ogenblikkelijk onwillekeurig aan de Stones en de Black Crowes in hun hoogdagen aan het denken gaat.

Blij ze terug te hebben!

(En ook live trouwens! Op 5 november al in Theater Nieuwe Kok in Assen en één dag later net over de grens in De Bosuil in Weert. Be there, zouden we zo zeggen!)

Imperial Crowns

 

THISELL “II” (Rootsy / Sonic RendezVous)

(4****)

Heerlijke plaat alweer, deze tweede van de Zweedse troubadour Peter Thisell. Veel breekbaarder dan dit worden ze amper nog gemaakt. Dat is althans de indruk die je bij het gros van de songs op de opvolger van ’s mans ook al erg lovend onthaalde debuut hebt. Uiterst subtiele Americana- en folkminiatuurtjes zijn het, met een behoorlijk hoog melancho-gehalte. Fragiele herfstige beauties, waarin de klaaglijke stem van Thisell zelve bijna voortdurend met vaste hand regeert. Met zachte slierten piano-, viool- en accordeonnoten als haar voornaamste hofdienaren.

Referenties, vroeg u? Wel, daarvoor zouden we u moeten meetronen tot in de buurt van andere gepatenteerde treurwilgen als een Jason Molina, een Will Oldham of een Neil Young in zijn wat bedaardere momenten. Wie houdt van hun werk zal zich ook wel kunnen vinden in prachtige zwaarmoedige kleinoden als een “The Sun Sets In The Weeds”, “If I Sing My Song”, “The Worlds Last Cigarette” en andere.

Wat ons betreft een veritabel potje top-Scandicana, dit tien pareltjes tellende geheel.

Thisell                

 

AARON LEE TASJAN “Silver Tears” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Dit is er eentje, waar men momenteel in rootskringen in de States maar niet over uitgesproken lijkt te kunnen raken. Een heel grote toekomst wordt ‘m toegedicht, deze Aaron Lee Tasjan. En da’s an sich eigenlijk best wel een beetje bizar. Met een verleden bij onder meer de New York Dolls, Semi Precious Weapons, Everest, Alberta Cross, Drivin’ N’ Cryin’ en Madison Square Gardeners kan je Tasjan immers allesbehalve een nog onbeschreven blad noemen. Al verdiende hij in het gros van die bands dan ook vooral zijn sporen als gitarist. Zijn debuut als songwriter maakte hij pas in 2014 met de EP “Crooked River Burning”, vorig jaar gevolgd door een eerste volwaardige worp luisterend naar de titel “In The Blazes”. En met name met die laatste ging de bal flink aan het rollen. Onder meer het vermaarde Rolling Stone, NPR en American Songwriter spaarden de lof voor Tasjan bepaald niet.

Benieuwd, hoe die publicaties zullen gaan reageren op ’s mans nieuwe album. Met de twaalf songs daarop maakt hij wat ons betreft immers nog pakken meer indruk dan met deze op “In The Blazes”. Een grandioze opstoot van creativiteit is het. Heerlijk gevarieerd vooral ook. En beïnvloed door nogal wat schoon volk, zo blijkt. Het plezant grillige openingsnummer “Hard Life” zou zo bijvoorbeeld best van de hand van Harry Nilsson geweest kunnen zijn, het meteen daaropvolgende “Little Movies” strandt in al zijn muzikale grandeur ergens heel dicht in het zog van Jeff Lynne en diens ELO, de romantische countryrocker “Memphis Rain” plaatst Tasjan dan weer eerder ergens in de buurt van Michael Fracasso, “Dime” toont hem in onvervalste Traveling Wilburys-modus, “Refugee Blues” heeft wel wat met Neil Young en Crazy Horse en “Till The Town Goes Dark” toont onze man als een devote bewonderaar van Tom Petty. Samen met Elliott Smith misschien wel Tasjans voornaamste inspiratiebron, die laatste. Dat hoor je bijvoorbeeld ook nog terug in het klaaglijke “On Your Side”.

Voor de productie van dit ronduit geweldige album tekende Father John Misty-bassist Eli Thomson.

Aaron Lee Tasjan

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home