CD-recensies april 2014

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SIMONE FELICE “Strangers” - BEVERLEY MARTYN “The Phoenix And The Turtle” - CARRIE TREE “Home To The Invisible” - LACHLAN BRYAN AND THE WILDES “Black Coffee” - BLAIR DUNLOP “House Of Jacks” - PHIL GAMMAGE “Adventures In Bluesland” - DAVID ROTH “Will You Come Home” - MATT HARLAN “Raven Hotel” - NICKY EGAN “The 45 Homestead Project” - DIRT RIVER RADIO “Rock N Roll Is My Girlfriend” - WILL KIMBROUGH “Sideshow Love” - PAUL CEBAR TOMORROW SOUND “Fine Rude Thing” - DEADMAN “Chimes At Midnight & How Shall We Then Live?” - KALLE MATTSON “Someday, The Moon Will Be Gold” - NICK MOSS BAND “Time Ain’t Free” - MATHIAS LILJA “Mathias Lilja” - BOB CORRITORE “Taboo” - SLOW FOX “Oh My” - RUSTY ROOTS “Your Host” - HT ROBERTS & BRUNO DENECKERE & THE LANDED GENTRY “Heroes & Has-Beens” - SLAM AND HOWIE AND THE RESERVE MEN “Sons Of Ancient Time” - DAVID SERBY AND THE LATEST SCAM “David Serby And The Latest Scam” - BASTARD SONS OF JOHNNY CASH “New Old Story” - SCOTT H. BIRAM “Nothin’ But Blood” - LYDIA LOVELESS “Somewhere Else” - NEXT STOP: HORIZON “The Harbour, My Home” - ROBBY HECHT “Robby Hecht” - ELIZA GILKYSON “The Nocturne Diaries” - AD VANDERVEEN “Beat The Record” - JACOB LATHAM “Midnight Train” - THE SOFT HILLS “Departure” - NANCARROW “Heart” - THE GRAND OPENING “Don’t Look Back Into The Darkness” - JIM SUHLER “Panther Burn” - ROBERT ELLIS “The Lights From The Chemical Plant” - CLAY MCCLINTON “Bitin’ At The Bit” - THE PALOMINOS “Come On In” - A.J. CROCE “Twelve Tales” - SONS OF BILL “The Gears EP” - BILL PRITCHARD “A Trip To The Coast” - JOHN GORKA “Bright Side Of Down” - NINE BELOW ZERO “Don’t Point Your Finger” en “Third Degree” - HARPETH RISING “Tales From Jackson Bridge” - HONEY DON’T “Heart Like A Wheel” - AGGIELAND “You Make My Day” - SHANTELL OGDEN “Better At Goodbye” - TINSLEY ELLIS “Midnight Blue” - MIRACULOUS MULE “Deep Fried” - CLARA HILL “Walk The Distance” - DAVID GRISSOM “How It Feels To Fly” - DIVERSE ARTIESTEN “Songs For Slim, Rockin’ Here Tonight, A Benefit Compilation For Slim Dunlap” - SHAVER “Shaver’s Jewels – The Best Of Shaver” - JOSEPH PARSONS “Empire Bridges” - EMILY SMITH “Echoes” - HENRY PRIESTMAN “The Last Mad Surge Of Youth” - OYSTERBAND “Diamonds On The Water” - TIA MCGRAFF “Break These Chains” - WYATT EASTERLING “Goodbye Hello” - HALDEN ELECTRIC “Women” - BAP KENNEDY “Let’s Start Again” - THE BACKCORNER BOOGIE BAND “Faico Faico” - BIRDS OF CHICAGO “Live From Space” - THE BELLE GAME “Ritual Tradition Habit” - FRED EAGLESMITH “Tambourine” - JOE NOLAN “Tornado” - LAYLA ZOE “The Lily” - D.B. RIELLY “Cross My Heart + Hope To Die” - BORIS MCCUTCHEON AND THE SALT LICKS “Might Crash!” - DOUG TIELLI “Keresley” - RODNEY PARKER & 50 PESO REWARD “The Apology: Part 2” - ERIC BIBB “Jericho Road” - HOWE GELB “The Coincidentalist” - MARTYN JOSEPH “Tires Rushing By In The Rain” - PATTY GRIFFIN “American Kid” - MATT THE ELECTRICIAN “It’s A Beacon It’s A Bell” - BOB WOODRUFF “The Year We Tried To Kill The Pain” - LEYLA MCCALLA “Vari-Colored Songs” - ANNIKA FEHLING “Rust & Gold” - JESS KLEIN “Behind A Veil” - DAN BAKER “Pistol In My Pocket” - ED ASKEW “For The World” - OF MONTREAL “Lousy With Sylvianbriar” - ANDY FAIRWEATHER LOW & THE LOWRIDERS “Zone-O-Tone” - CHRISTIAN KJELLVANDER “The Pitcher” - CHET O’KEEFE “Because Of You” - DAYNA KURTZ “Secret Cannon Vol. 2” - PATTY GRIFFIN “Silver Bell”

 

 

SIMONE FELICE “Strangers” (Team Love Records)

(5*****)

Als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkoopt Simone Felice van dit album losweg een paar miljoen exemplaren. De je onder meer al van zijn bijdragen aan The Felice Brothers en The Duke & The King bekende Amerikaan levert met zijn tweede soloplaat “Strangers” immers een volstrekt tijdloos geheel af. Een echte instant-klassieker als het ware. Een plaat, waarvan je al na één enkele beluistering weet, dat je ze voor de rest van je leven zal gaan koesteren als een ware schat.

Elk van de in totaal tien nieuwe liedjes erop heeft dat zekere “je ne sais quoi” dat elke houdbaarheidsdatum a priori compleet overbodig lijkt te maken. Denk in dat verband bijvoorbeeld ook maar even aan heel wat pareltjes op het repertoire van Dylan, Leonard Cohen, Gordon Lightfoot, Cat Stevens en The Band. Zij zouden de zo ongeveer perfecte invalshoek kunnen vormen om je voor het eerst aan dit meesterwerk te wagen. Als aanloop richting het werk van een bescheiden genie. Poëtische grandeza quasi voortdurend koppelend aan een onwaarschijnlijke diepgang en een al even ontwapenende eerlijkheid zal het je ogenblikkelijk vloeren, zeker weten…

Dingen als het zomers warmbloedige “Molly-O!” en zich volop in melancholie wentelende “merveilles” als “If You Go To L.A.”, “Our Lady Of The Gun”, “Bye Bye Palenville”, “The Best That Money Can Buy”, “Bastille Day” en andere staan voor niets minder dan (roots)pop-perfectie.

Eén van dé gedoodverfde kandidaten dan ook om straks aan het eind van het jaar helemaal bovenaan het lijstje met onze favoriete schijven van de voorbije maanden te prijken, dit album. Een niets minder dan essentiële aanschaf!

Simone Felice

 

BEVERLEY MARTYN “The Phoenix And The Turtle” (Les Cousins)

(4****)

Voor het eerst in veertien jaar pakt Beverley Martyn weer eens uit met nieuw materiaal. Het album “The Phoenix And The Turtle” bevat in totaal negen liedjes. Liedjes, die ze schreef doorheen zowat haar gehele carrière. Van haar allereerste eigen nummer ooit, het ingetogen “Sweet Joy”, tot “Reckless Jane”, een nooit eerder ingeblikte samenwerking met wijlen Nick Drake. En alleen al dat laatste liedje maakt een aanschaf van “The Phoenix And The Turtle” ons inziens meer dan de moeite waard. Van een werkelijk volstrekt tijdloze schoonheid is het! Met het werk van Drake (uiteraard) als een uitstekend referentiepunt.

En dat “Reckless Jane” is lang niet de enige veritabele songschoonheid hier! Ook het op een enigszins bevreemdende manier bluesy aandoende “Going To Germany” en het in al zijn grandeur voorwaar voorzichtig even aan Janis Joplin herinnerende “When The Levee Breaks”, heropnames van twee liedjes die Martyn al aan het begin van haar loopbaan bij jug band The Levee Breakers placht te zingen, het bedaard voortkabbelende “Potter’s Blues”, het daadwerkelijk tot veelvuldig laatavondgebruik uitnodigende “Nighttime” en het uit hetzelfde muzikale vaatje tappende tweetal “Women & Malt Whiskey” en “Jesse James” konden hier alleen maar op goedkeurend geknor rekenen.

“The Phoenix And The Turtle” werd door Martyn onder de productionele hoede van Mark Pavey ergens in Wales ingeblikt. Naast hand-en-spandiensten van diezelfde Pavey op tal van gitaren bevat het album ook bijdragen van ex-Counting Crows-bassist Matt Malley en de je misschien wel van zijn werk voor Los Lobos bekende drummer Victor Bisetti.

Echt verbluffend goed!

Beverley Martyn

 

CARRIE TREE “Home To The Invisible” (Wild Cedar Records)

(3,5****)

De uit Brighton afkomstige Britse songsmid Carrie Tree wist onze aandacht in eerste instantie vooral te trekken met een toch wel als hoogst apart te bestempelen cover. Haar werkelijk magistrale, van alle overbodige franje ontdane lezing van de Portishead-hit “Glorybox” meer bepaald. Hoe de jonge Engelse zich dat indertijd ook door ons heel erg gesmaakte nummer eigen maakte sprak meteen tot onze verbeelding. En dus dompelden we ons ook met het nodige plezier onder in haar nieuwe album “Home To The Invisible”.

Die plaat bleek op de keper beschouwd vol te staan met eerder delicate folkliedjes die het toelieten levenslijnen te trekken richting onder anderen Joni Mitchell, Nick Drake en John Martyn. We hebben het dan over dingen als het buitengewoon breekbaar aandoende openingsnummer “Never Said Goodbye”, “Better Next Time” en andere. Her en der bleken er ook uitlopers te vinden tot in Zuid-Afrika. Zo reisde Tree voor het inblikken van “Mama Kita” bijvoorbeeld naar Durban af. Daar verbleef ze zo’n twee weken en werkte ze samen met onder meer zangers Albert Mazibuko van Ladysmith Black Mambazo en Zamo Mbutho uit Miriam Makeba’s band. Het behoeft allicht geen betoog, dat het resultaat dan ook zeer authentiek aanvoelt. Net als “Graceland” van Paul Simon een heel mooi voorbeeld voor de stelling dat een botsing tussen diverse culturen niet altijd tot grote stukken hoeft te leiden.

Andere opvallende momenten op “Home To The Invisible”: het op wel heel subtiele wijze met wat elektronische geluiden besprenkelde “Perfectly Cast”, het wat levendiger dan het merendeel van de songs hier ingevulde “Wild Winds” en de voor de mens Tree naar verluidt behoorlijk karakteristieke “Water Song”. Stuk voor stuk ideale kompanen voor in de late uurtjes.

Carrie Tree

 

LACHLAN BRYAN AND THE WILDES “Black Coffee” (WJO)

(4,5*****)

Wat een heerlijke plaat! (Net als z’n voorgangers “Ballad Of A Young Married Man” en “Shadow Of The Gun” trouwens…) Alternatieve Australische country van het werkelijk allerbeste soort. En onlangs in eigen land dan ook terecht bekroond tot “Best Alt. Country Album” van het jaar.

Lachlan Bryan en kompanen staan garant voor een als ronduit subliem te omschrijven mix van elementen uit country, folk en rock & roll. Met de nadruk uiteraard op het eerste van dat drietal en dat in de ruimste zin van het woord. Soms horen we de (country)rocker, veelal de troubadour, af en toe ook de traditionalist in Bryan. Allemaal even vaardig. En voortdurend vakbekwaam ondersteund door de Wildes ook.

Veel van het materiaal voor “Black Coffee” schreef Bryan zo’n jaar of anderhalf geleden tijdens een liefst drieëntwintig staten aandoende tournee doorheen de States. Hij vond er naar eigen zeggen inspiratie in “run-down hotels, roadside diners, desert landscapes and cheap, supermarket six-packs”. In “een Amerika in het voorbijrijden” als het ware. En die atmosfeer ademt “Black Coffee” eigenlijk ook. Overtuig jezelf daarvan bij gelegenheid maar eens middels een beluistering van dingen als het met Bill Chambers gebrachte en gestaag voorbijrockende “309”, het voorzichtig wat richting een old-time-geluid lonkende “Big Fish”, het op de keper beschouwd eerder als rock & roll dan als country te bestempelen “You, Me And The Blues”, de omineuze rootsy trage “Deathwish Country” of het op bijzonder soulvolle wijze met Zoe Rinkel gedeelde “Dragging My Chain”. En dan hadden we het nog niet over de sublieme authentieke Americana van het titelnummer en “Change In The Wind”, het lang niet alleen tekstueel dreigend aandoende “The CEO Must Die”, de al bij al eerder traditioneel ingevulde ballade “Kiss Me Or Kill Me” en het afsluitende, ons samen met z’n “surrogaatzus” Melody Pool aangereikte juweeltje “Forty Days And Nights”.

Zouden we durven aan te beleven aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Kieran Kane, een Radney Foster en een Steve Earle. Echt wel heel erg straffe rootsmuziek dus!

Lachlan Bryan, Bandcamp

 

BLAIR DUNLOP “House Of Jacks” (Rooksmere Records)

(4****)

De Britse hypemachine heeft er met Blair Dunlop weer een vette kluif bij. De man wordt sinds z’n onwaarschijnlijk mooie debuutplaat “Blight & Blossom” van goed en wel anderhalf jaar geleden en de met de dames van Larkin Poe gedeelde EP “Killing Time” van vorig jaar naar onze bescheiden mening terecht als één van dé te volgen (folk)talenten van de toekomst geroemd. Iets wat hem vorig jaar tijdens de BBC Radio 2 Folk Awards alvast de felbegeerde Horizon Award opleverde.

En dus waren de verwachtingen met betrekking tot z’n moeilijke (volwaardige) tweede hier ook hooggespannen. Zou Dunlop al het over hem vertelde en geschreven goede kunnen bevestigen of net niet? Wij kennen tot ons grote geluk ondertussen het antwoord op die vraag. En dat is… Ja! Ja! En nog eens ja! Het qua productie iets minder licht dan z’n voorganger uitgevallen “House Of Jacks” is een echte schoonheid van een singer-songwriterplaat geworden. Strandend ergens tussen folk en pop lijkt het elf songs tellende geheel niets minder een stralende toekomst te wachten. Het zou ons alvast absoluut niet verbazen mocht Dunlops tweede in groten getale aftrek gaan vinden.

Dunlops voornaamste troeven? Zijn mooie, rustgevende stem, zijn kristalheldere gitaarspel en vooral ook zijn verhalen. Als mooie voorbeelden van dat laatste staan onder andere het zich aan een wel heel erg diepgewortelde liefde overgevende titelnummer, het op sfeervolle wijze het drastisch veranderende lot van een jonge Italiaanse voetballer bezingende “The Ballad Of Enzo Laviano” en het deterministische “Chain By Design” als een huis.

Dunlop lijkt bij het schrijven van deze en andere liedjes vrijwel voortdurend voor zijn vak klassieke normen en waarden te hebben nagestreefd. Maar dat betekent hoegenaamd niet, dat het resultaat er oubollig is door gaan klinken. Wel integendeel zelfs! Door voor een wat ruimer instrumentarium dan voorheen te opteren verleende de beste man aan zijn nieuwe worp juist een meer eigentijds karakter.

Dit horen is het ook kopen!

Blair Dunlop

 

PHIL GAMMAGE “Adventures In Bluesland” (World Wide Vibe)

(3,5****)

Phil Gammage levert met z’n nieuwste een plaat af, waarvan je de titel wel heel erg letterlijk mag nemen. In een productie van Kevin Tooley en met de nodige studiohulp van Don Fiorino (lap steel en banjo), Richard Demler (bas), Kevin Tooley (drums en percussie) en Joe Nieves (background vocals) tackelt hij (zang, gitaar en harmonica) op “Adventures In Bluesland” in totaal dertien de grenzen van het bluesgenre flink aftastende nummers. Een zevental daarvan blijken eigen composities, de rest zijn covers. Onder meer van de ZZ Top-hit “La Grange” en de traditionals “In The Pines” en “Wayfaring Stranger”. Veelal moody, behoorlijk groovy spul, hier en daar afgewisseld met een wat wilder nummer. Met daarbij vrijwel voortdurend een uitgesproken hoofdrol voor de ons best wel wat aan die van wijlen Elvis Presley herinnerende baritonstem van Gammage zelf. Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het heerlijk nerveuze “Kills Me When You’re Gone”, de lome, quasi dronken aandoende R&B van “Trying To Get To You” en zeker ook ’s mans geslaagde verbouwing van het hoger al even genoemde “In The Pines”.

Phil Gammage

 

DAVID ROTH “Will You Come Home” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Zanger-songsmid David Roth gebruikt zijn liedjes om ons tot op zekere hoogte deelachtig te maken aan zijn eigen leven. In de twaalf songs op “Will You Come Home” neemt hij ons mee op een trip langsheen diverse haltes in z’n bestaan tot op heden. Met zijn warme stem, z’n geoefende pen en de eigen akoestische daarbij als z’n voornaamste bondgenoten schildert hij in z’n liedjes verhalen, anekdotes en herinneringen. Het resultaat is wat wij ruim vijftig minuten luistervoer voor gevorderden zouden willen noemen. Een reeks betoverende melodieën als vehikel voor een stel welgemeende boodschappen. Fraai mee ingekleurd door Ian Melrose, Lutz Möller, Lucile Chaubard, Don Ross, Manfred Leuchter, Beo Brockhausen, Kerstin Blodig, Alessandro Gulino, Hans-Jörg Maucksch, Lea Morris en Mike Silver. Luisterliedjes, te situeren ergens tussen akoestische pop, kleinkunst en folk. En aan te bevelen derhalve ook in eerste instantie aan pakweg de liefbbers van de muziek van James Taylor en aanverwanten.

David Roth, Stockfisch Records

 

MATT HARLAN “Raven Hotel” (Berkalin Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

We hebben nog maar zelden een album met zoveel overwicht de eerste plaats in de Euro Americana Chart weten claimen, als “Raven Hotel” van Matt Harlan deze maand. De momenteel door onze contreien tourende Texaanse songsmid degradeerde met z’n derde de nochtans verre van misselijke concurrentie als het ware tot louter bijrolletjes. En wat meer is… Terecht ook! Want “Raven Hotel” is wederom een bescheiden meesterwerk! Veel beter kan je Texaanse Americana anno nu wel niet maken!

In een productie van de indertijd ook al mee voor het welslagen van z’n geweldige debuut “Tips & Compliments” verantwoordelijke Rich Brotherton en met de nodige studiohulp van diezelfde Brotherton (akoestische en elektrische gitaren, banjo, lap steel, dobro, bas, synth en zang) en z’n vrouw Maddy (viool) en collega’s als een Bukka Allen (accordeon, orgel, piano), Floyd Domino (keyboards), Glenn Fukunaga (diverse bassen), John Green (drums en percussie), John Mills (tenorsax), Mickey Raphael (harmonica) en z’n eigen vrouw Rachel Jones (zang) waadt Harlan op z’n nieuwe worp omzichtig doorheen twaalf eigen nieuwe liedjes. Liedjes, waarmee hij zich zo stilaan toch wel van een eigen plaatsje tussen zingende en schrijvende groten der aarde als een Guy Clark, een Lyle Lovett en een Robert Earl Keen weet te verzekeren. Liedjes, gebaseerd op scherpzinnige waarnemingen en derhalve ook rijk aan tekstuele hoogstandjes. Met de poëzie te allen tijde ten dienste van het liedje, zeg maar. Soms (zacht country)rockend (“Rock & Roll”), soms eerder jazzy (“Burgundy & Blue”), geënt op elementen ontleend aan het bluegrassgenre (“Half Developed Song”) of folk (het ongemeen prachtige titelnummer) of Americana tout court (“Rearview Display”).

Enkele van onze geprefereerde momenten: de even simpele, als mooie Texicana van “Old Spanish Moss”, de in duet met z’n vrouw Rachel gebrachte schuifelaar “Slow Moving Train”, het van achter een verleidelijke sluier van gitaar- en orgelklanken naar je lonkende rootspopjuweeltje “The Optimist” en “Old Allen Road”, een weemoedig ingekleed stukje troubadoursdiepzinnigheid.

“One good thing about music,” aldus wijlen Bob Marley ooit in een wel zeer helder moment, “when it hits you, you feel no pain.” En da’s maar goed ook, want anders lagen we dankzij de brave Matt Harlan nu ergens ferm af te zien…

(Matt Harlan in België: 3 april, CC de Breughel, Bree – 12 april, N9, Eeklo)

Matt Harlan, Sonic Rendezvous

 

NICKY EGAN “The 45 Homestead Project” (Ropeadope)

(4****)

Op haar eigen webstek noemt aanstormend roots’n’soul-talent Nicky Egan onder meer Candi Staton, Janis Joplin, Sarah Vaughan, Etta James, Otis Redding, Norah Jones, Bonnie Raitt, Joni Mitchell, Aretha Franklin, James Brown en Dan Auerbach als grote inspiratiebronnen. Maar er is er, als je ‘t ons vraagt, toch eentje, die ze lijkt te – Willen? – vergeten… En dat is wijlen Amy Winehouse. Haar stem en haar manier van zingen herinneren immers meer dan zomaar een klein beetje aan die van het veel te vroeg overleden supertalent. En net als die Winehouse wist ook Egan ons dus zonder pardon te vloeren.

De zeven nummers van haar tweede album “The 45 Homestead Project” zijn van die aard, dat je er als luisteraar vrijwel ogenblikkelijk aan verslingerd geraakt. Dingen als het tegelijk aan Winehouse en de legendarische Temptations in hun hoogdagen herinnerende “Made A Fool Of Me”, het als een zacht zomerbriesje voorbijwaaiende “I Tried”, het zwoele “Left Unsaid”, het met een warmbloedige toetsenbijdrage omzoomde en wellicht mede daardoor buitengewoon radiovriendelijk overkomende “Rules Within” en het van opzet wel iets van enkele van Marvin Gaye’s vele meesterwerken hebbende “Train Trials” nestelen zich meteen knus tussen je oren.

Best wel vreemd eigenlijk, dat er tot op heden nog geen van de grotere platenmaatschappijen op Egans wagentje gesprongen is. Dit bulkt naar onze bescheiden mening in al z’n authenticiteit immers toch van de commerciële potentie!

Een echte ontdekking!

Nicky Egan, Bandcamp

 

DIRT RIVER RADIO “Rock N Roll Is My Girlfriend” (Bad Reputation)

(4****)      

Die van het Australische Dirt River Radio maken zich op om in de nadagen van 2014 voor het eerst ook Europese podia onveilig te komen maken en dat zullen we geweten hebben ook. Bij wijze van opwarmertje kregen we onlangs alvast “Rock N Roll Is My Girlfriend”, het derde album van het viertal uit de buurt van Melbourne voorgeschoteld. En dat beviel ons heel erg goed. Zo goed zelfs, dat we nu alvast uitkijken naar het momenteel door de groep ergens in de buurt van hun thuishaven ingeblikte nieuwe album, dat als veelbelovende werktitel “Tea & Pornography” meekreeg.

In afwachting daarvan nemen we echter graag nog een poosje genoegen met “Rock N Roll Is My Girlfriend”. Dat album namen zangers-gitaristen Heath Brady en Danger Alexander en hun maats op onder de productionele hoede van de je misschien ook wel van zijn werk met Midnight Oil of Paul Kelly bekende Matt Voight. En diens voornaamste opdracht bestond er “this time around” in om de vibe van de Stones-klassieker “Exile On Main Street” zo dicht mogelijk te benaderen. Een missie, waarin hij wonderwel slaagde. Hij wist het live-geluid van de band alvast perfect naar de nieuwe studioplaat te vertalen.

Wie houdt van onder gruis bedolven stembanden, heftige gitaarescapades en het liefst dan nog van meerdere exemplaren van het type Gretsch tegelijk, van classic rock vermengd met wat blues en zelfs alternatieve country, die zit bij Dirt River Radio goed voor ruim eenenveertig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Uptempo gitaarrockers worden op “Rock N Roll Is My Girlfriend” afgewisseld met zo menig een wat meer ingetogen momentje. Raakpunten zijn er daarbij met tal van classic en Southern rock acts, naast natuurlijk met de Stones en de Black Crowes. Knap trouwens ook, hoe men er voortdurend zorg voor draagt bij zoveel vingervaardigheid het liedje nooit echt uit het oog te verliezen.

Onze lievelingsmomenten: de behoorlijk nadrukkelijk het gebruik van anabole steroïden verradende speed country van “Fuck You * I Miss You”, het ongemeen soulvolle “New York City”, de knappe, op geheel en al natuurlijke wijze een aardig eindje richting Americana overhellende power ballad “All The Good Girls” en de vanuit nagenoeg heel zijn wezen om veelvuldig radiogebruik smekende melodieuze rocker “Blackhearted”. Nummers van dat kaliber staan quasi garant voor een hoogst opwindende live act. Iets waarvan we ons op woensdag 1 oktober in het Manuscript in Oostende ook effectief kunnen gaan overtuigen overigens, want daar zal de band dan uitgebreid ten dans spelen.

Dirt River Radio

 

WILL KIMBROUGH “Sideshow Love” (Daphne Records / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Gevraagd naar een eigen omschrijving van z’n net verschenen zevende soloplaat had muzikaal manusje-van-al Will Kimbrough onlangs een bijzonder leuk antwoord klaar. “I like to think of it as a trip from Saturday night to Sunday morning. From flirt to first kiss, from heart to heart all night conversation to sunup and coffee and oh-my-God-what-are-we-going-to-do-now? With killer guitar parts.” Een wel bijzonder treffende samenvatting, aangezien het merendeel van de songs erop daadwerkelijk focust op de liefde in zowat al haar aspecten. Zo ongeveer elke halte tussen smachtend verlangen en pure lust wordt daarin wel ergens aangedaan. En dat levert als geheel weer een bijzonder fijne Americana-plaat op.

Kimbrough produceerde het album zelf. Al kreeg hij daarbij wel de nodige hulp van David Henry. En die was naar goede gewoonte ook van de partij op z’n cello. Andere betrokkenen: bassisten Chris Donohue en Tim Marks, drummer-percussionist Paul Griffith, gitarist Pat Buchanan (voor de slidebijdrage in “Dance Like Grownups Dance”) en zangeres Lisa Oliver Gray. Maar het merendeel van het werk deed Kimbrough zoals we dat door de jaren heen van hem gewoon geraakt zijn uiteraard ook nu weer zelf. En dat betekent, dat we hem hier niet enkel horen zingen, maar ook aan de slag weten op respectievelijk gitaren, mandoline, banjo, elektrische bas, keyboards en wat percussie-instrumenten. Een manusje-van-al inderdaad, zoals we al schreven…

Alle songs voor “Sideshow Love” schreef Kimbrough daarenboven ook zelf. Zij het, dat dat zo nu en dan wel gebeurde met een schrijfgrage andere pen in de buurt. Met name die van collega’s Jeff Finlin (voor het bedaarde, maar hypernerveuze rootsy rockertje“When Your Loving Comes Around”), John Deaderick (voor het zomers sensuele rootspopdeuntje “Dance Like Grownups Dance”), Joy Lynn White (voor de verbluffend mooie Americana-ballade “Has Anybody Seen My Heart”) en Carter Wood (voor het in dezelfde buurt als het vorige liedje residerende en van de ingehouden spanning levende “Who Believes In You”).

Samengevat: “Sideshow Love” mag worden ondergebracht onder de hoofdingen Americana, country(rock) en roots pop. En binnen elk van die vakjes verdient de plaat het wat ons betreft ook te worden aanbevolen.

Will Kimbrough, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

PAUL CEBAR TOMORROW SOUND “Fine Rude Thing” (Groovesburg Joys / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Holy shit, wat een geweldige plaat is dit! Een echte bom! Niet meteen gemakkelijk te categoriseren, maar what the fuck! Dit is ruim veertig minuten lang frenetisch bonken op de poorten van de rootsmuziekhemel. Van het op bezeten wijze met een schijnbaar aan het repertoire van Elvis Costello en z’n Attractions in hun formatieve jaren ontleende beat aan de slag gaande titelnummer tot de aan min of meer dezelfde periode refererende en z’n titel echt wel alle eer aandoende pub rock van “Summer Starts Right Now”, van het samen met Chuck Mead gepende en op een gigantische swampy soulgolf surfende “Baby Shake” tot het op z’n Al Greens gecroonde – Gekreunde? – “You Owe It To You”, van het zwaar verslavende, een Afrikaans ritme op een Westerse funkleest mishandelende “The Whole Thing” of het extreem catchy, ook al bandeloos (loom) funky uit de hoek komende “Might Be Smiling” tot het met lentefris gitaargerinkel en dito orgelgezoem opgewaardeerde mid-tempo rockertje “Not Necessarily True”, van het bijzonder radiogenieke “rootspopdondertje” “Yeah Yeah” tot het zo’n beetje op z’n Van Morrisons met een soulgegeven omspringende “Just That Cold”, van het samen met Cesar Rosas van Los Lobos geconcipieerde en onder een dijk van een groove krakende “Shack & Shambles” tot “Like Loving People Do”, de in een onvervalst skagewaad gehulde “grande finale”, niet één nummer dat we hiervan nog zouden willen missen! Dit wordt onze soundtrack voor een hopelijk weer lekker hete zomer! Zeker weten…

Paul Cebar Tomorrow Sound, Sonic Rendezvous

 

DEADMAN “Chimes At Midnight & How Shall We Then Live?” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Bepaald ambitieus projectje, dit! Not your typical stuff… Daarmee wou Steven Collins ditmaal duidelijk geen genoegen nemen. De onder de “nom de plume” Deadman al sinds enkele jaren flink aan de weg timmerende Texaan opteert hier en nu voor een combinatie van film en muziek. Met de “arty”, aan vier van z’n nieuwe liedjes opgehangen kortfilm “Chimes At Midnight” als visuele aanvulling op “How Shall We Then Live?”, z’n  – Helaas! – amper zes songs tellende nieuwe cd.

Helaas, want dat songzestal is weer om duimen en vingers bij af te likken! Het is direct goed prijs met “Young And Alive”! Beurtelings een eerder onopvallende melodieuze americanadeun en een creepy, gitaargestuurde rootsrocker met Collins’ berookte stem als stralend middelpunt van de belangstelling. Vervolgens is er hét klapstuk hier! En dat is echt wel ontegensprekelijk “Javert”. Dat klinkt als “Collins gone Cohen by way of Cave”. Ongelooflijk atmosferisch, licht exotisch ook, zwaar verslavend alleszins. Dan volgt het bedaarde folkrockdeuntje “Hard Pill”. Ook al zéér mooi, best wel een beetje Dylan-esk en geïnspireerd naar verluidt door de gedichtenbundel “Strange Land” van Todd Hearon. Via “Our Fellow Man” – een streepje twangy “Johnny & June country” met fraai gitaarwerk van Bryce Clark en een gezongen bijdrage van Brennen Leigh – gaat het dan nog langs het werkelijk grootse titelnummer – atmosferische breedbeeldamericana genre Daniel Lanois in z’n beste dagen, met opnieuw machtig gitaarwerk – en “Things Have Changed” – een Dylan-cover inderdaad, mede dankzij fijn accordeonwerk van Matt Lara net als veel van z’n voorgangers hier badend in een wat apart sfeertje.

Voor de muziek alleen al meer dan de moeite waard! Maar als bonus is er zoals hier al eerder gesteld ook nog de kortfilm “Chimes At Midnight”. En alsof dat nog niet volstaan zou, ook nog eens een fijn 40 pagina’s tellend boekwerkje met naast de teksten van de liedjes een fraai foto-essay. Niet zo heel erg veel nieuwe muziek misschien, maar wél véél waar voor je geld…

Deadman, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

KALLE MATTSON “Someday, The Moon Will Be Gold” (Trickser Tonträger / Sonic Rendezvous)

(4****)

Mocht de naam Kalle Mattson je nog niets zeggen, dan hoef je je daarvoor – Zelfs als doorgewinterde (roots)muziekliefhebber! – geenszins te schamen. Geen van ’s mans drie voorheen verschenen platen, te weten “Whisper Bee” uit 2009, “Anchors” uit 2011 en de EP “Lives In Between” uit 2012, kwamen tot op heden immers aan een Europese release toe. En dat is eigenlijk hoogst merkwaardig te noemen. Zeker als we daarvoor mogen afgaan op het op “Someday, The Moon Will Be Gold” gebrachte. Dat is immers een heel bijzondere collectie liedjes. Een heel erg sterke ook.

De Canadees Mattson toont zich daarop een hoogst begenadigde singer-songwriter. Eentje gezegend met een ietwat aparte ijle stem en met een zwak voor orkestrale muziekjes van het genre waarin ook die van Calexico en de Triffids ooit plachten uit te blinken. Ergens tussen folk, pop en rock met andere woorden. Daarbij soms behoorlijk snedig uit de hoek komend, zoals in het doortastende “Hurt People Hurt People” of de het album voorafgaande single “An American Dream”, maar veelal toch eerder filmisch – Lees: een pak ingetogener! – van karakter.

Afgaande op het succes van enkele van z’n online te bekijken video’s een certitude voor de toekomst, deze Mattson! Twee daarvan gingen “viraal”. Eentje, die voor “Thick As Thieves” met name, werd ondertussen zelfs al meer dan een miljoen maal bekeken. En dat zou wat ons betreft met nieuwe dingen als het bedaarde “Eyes Speak”, het deze plaat aan haar titel helpende “The Moon Is Gold”, het lentefrisse “popdondertje” “Pick Me Up”, het met collega Jeremy Fisher gepende “In The Morning Light” of de werkelijk wonderschone ballade “A Love Song To The City” zomaar opnieuw mogen gebeuren ook.

Hoogst dringend te ontdekken!

Kalle Mattson, Trickser, Sonic Rendezvous

 

NICK MOSS BAND “Time Ain’t Free” (Blue Bella Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Time Ain’t Free”, de nieuwe van de Nick Moss Band, zou je met wat goede wil kunnen vergelijken met dat je op feestjes om de haverklap onder de neus geduwde vermaledijde schoteltje met hapjes. Telkens weer wat anders, telkens lekker, telkens smakend naar meer… Maar dat krijg je dan meestal niet. Bij z’n volgende passage liggen er op het schoteltje immers steevast nieuwe dingen. En dat gevoel had ik bij het luisteren naar “Time Ain’t Free” dus ook meermaals. Denken van “Verdomme dit is goed, snel op naar meer van dattum!”, maar dan kwam er… iets totaal anders!

Moss gebruikt de blues, R&B en jaren zeventig rock als an sich al vrij breed uitgangspunt. Maar van daaruit kan het dan ook nog eens te allen tijde echt alle kanten uit. En dat ruim veertien nummers lang. Van gewaagde lome bluesrock in “She Wants It” over het me in al zijn nervositeit hier en daar even aan “Radar Love” van de Golden Earring herinnerende “Was I Ever Heard” tot het over een gesyncopeerd ritme fameus struttende “Light It Up”, van het soulvol richting Memphis lonkende “Fare Thee Well” over het heavy funkende titelnummer tot de hyperkinetische roadhouse R&B van “Been Gone So Long”, van de Muscle Shoals-soul van “Tell You Somethin’ ‘Bout Yourself” en “EZ Bree Zee” over de gospelesk opgevatte ballade “I Want The World To Know” en het licht exotisch gekleurde, me door z’n muzikale aanpak even aan Santana doen denkende “Walkin’ On A Ledge” tot het ongemeen funky “(Big Mike’s) Sweet Potato Pie” en andere, tijd voor eender welke vorm van verveling dan ook laten Moss en co je hier zeker niet.

Opvallend gegeven: tweede gitarist Michael Ledbetter mag van bandleader Moss in liefst zes van de veertien nummers de lead vocals voor z’n rekening nemen. Onder meer ook in de Faces-cover “Bad ‘N’ Ruin”. Voor de productie tekende Moss zelf.

Nick Moss Band, Sonic Rendezvous

 

MATHIAS LILJA “Mathias Lilja” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dit mag dan al Mathias Lilja’s solodebuut zijn, groen achter de oren is de beste man al lang niet meer. Zo’n twintig jaar geleden al zette de Zweed zijn eerste stappen in het “Musikgeschäft” bij het een nadrukkelijke hang naar “all things sixties” etalerende garagerockcollectiefje The Strollers. Met die groep maakte hij rond de eeuwwisseling onder meer het bijzonder knappe lp-tweetal “Falling Right Down” en “Captain Of My Ship”. Na het opdoeken ervan verbond hij z’n lot vervolgens opnieuw aan een dergelijke als behoorlijk retro te bestempelen act. The Maharadjas meer bepaald. En mocht u die nog niet kennen, dan raden wij u een snel rondje YouTube aan. Is immers ook zeer de moeite waard, dat bandje!

Maar nu is er dus de eerste solo-cd van Lilja. En daarop toont hij zich van een geheel en al andere kant. Net als ons deelt de Zweed z’n voorliefde voor al wat ouder spul immers met die voor Americana singer-songwriters van alle tijden. Als inspiratiebronnen voor zijn zopas verschenen visitekaartje noemt hij zo zelf onder anderen grootheden als een Gram Parsons, een Clarence White, een Guy Clark, een Blaze Foley en een Townes Van Zandt. En van de hand van die laatste stamt ook de enige cover op dat geheel. Het betreft daarbij een hele fijne, met heel veel gevoel gebrachte interpretatie van “No Place To Fall”.

De overige negen songs op “Mathias Lilja” zijn zonder uitzondering eigen deuntjes. Enkel voor het afsluitende “Let It Grow” kreeg hij wat hulp van de ons volslagen onbekende Rebecca Olsson. Dat laatste is één van de vele behoorlijk melancholisch uitvallende wijsjes hier. Maar net als een aantal van de andere nummers heeft het naar z’n einde toe de neiging om zich te openen tot wat fellers. Zij het dan ook niet zo fel als bijvoorbeeld “Evil” en “Devil’s Almanac”. Doorgaans is het hier echter droefgeestigheid troef. Met regelmatig opvallende muzikale rollen voor instrumenten als de pedal en lap steel van co-producer Clas Olofsson en de dobro van Lilja zelf en occasioneel ook de viool van Kajsa Zetterlund. Zij vormen als het ware de “blanket of sorrow” over Lilja’s zacht-warme, echt wel uitstekend voor materiaal van dit type geschikte stem.

Kortom de in z’n thuishaven Örebro opgenomen eersteling voor eigen rekening van Mathias Lilja plaatst hem daadwerkelijk ergens dicht in de buurt van het voorheen opgesomde rijtje zingende en schrijvende medemensen. Al moet je er dus hier en daar wel een wat scherper randje bijdenken. En ook wat van dat zo moeilijk te definiëren Scandicana-gevoel….

Erg mooie plaat!

Mathia Lilja, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

BOB CORRITORE “Taboo” (Delta Groove Music)

(4****)

Naast “good old” Charlie Musselwhite was het de jongste jaren vooral Bob Corritore die van zich deed spreken als bluesharmonicamaestro. Onder meer middels bijzonder gesmaakte samenwerkingen met onder anderen John Primer, Tail Dragger, Kid Ramos en Dave Riley catapulteerde de beste man zichzelf wat ons betreft zomaar tot in de bovenste schuif met momenteel nog actieve bluesinstrumentalisten. Enfin, om een lang verhaal flink in te korten, wij zijn dus duidelijk fans van z’n altijd weer zeer gedisciplineerde spel. Vooral het feit, dat hij zichzelf altijd weer tot op zekere hoogte weet weg te cijferen ten dienste van het liedje, weten we hier zeer te waarderen. We zouden ze immers geen eten willen geven, de bluesartiesten die het daar heel wat moeilijker mee hebben…

Met het fonkelnieuwe “Taboo” krijgt die Corritore ‘this time around” eenmalig zijn geheel eigen canvas. Ditmaal is hij de ontegensprekelijke ster. De baas in het kot als het ware. Maar zelfs in die hoedanigheid blijft hij behoorlijk bescheiden. In de twaalf veelal eigen nummers op die verse worp van ‘m blijkt er immers met name voor gitaristen Junior Watson en Jimmie Vaughan, toetsenmannen Fred Kaplan en Papa John DeFrancesco en saxofonist Doug James een zeer belangrijke, niet zelden dragende rol weggelegd. Zij zijn er met z’n allen eigenlijk medeverantwoordelijk voor, dat “Taboo” over zijn volle lengte weet te blijven boeien. Zij doen op “Taboo” wat Corritore normaal elders doet. En dat werkt!

Welke kant het hier ook uitgaat, het blijkt zo ongeveer allemaal even smakelijk! Heerlijk soulvol in “Shuff Stuff”, behoorlijk jazzy in “Mr. Tate’s Advice”, tijdelijk lekker exotisch in onder meer het Kid Ramos-eerbetoon “Fabuloco”, slow & groovy in “Potato Stomp” en het sensuele “Many A Devil’s Night”, meer ritmisch georiënteerd in dingen als het catchy “Ruckus Rhythm”, aanzettend tot een ouderwets potje foottappin’ in het al even aanstekelijke “T-Town Ramble”, je alle geneugten van het nachtleven laten proevend in de z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende afsluiter “Bob’s Late Hours”, enzovoort. Wij kunnen er hier maar geen genoeg van krijgen!

Echt waar, een dijk van een instrumentaal bluesalbum!

Bob Corritore, Delta Groove Music

 

SLOW FOX “Oh My” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het amper zeven liedjes tellende “Oh My” wordt ons door de Zweedse Sofia Henricsson, ook wel Slow Fox, aangereikt als “het kleine zusje” van haar goed een jaar geleden verschenen debuut “Like The Birds”. De songs erop pasten om de één of andere reden niet op dat visitekaartje, maar bleken anderzijds ook gewoon té goed om zomaar ongebruikt op de plank achter te blijven. En dus ontstond “Oh My”. Met daarop vijf volslagen nieuwe liedjes en alternatieve, van alle overbodige franje ontdane, akoestische versies van het titelnummer en “None The Wiser” van haar eersteling.

Veelal eerder weemoedig aandoende dingen, grotendeels akoestisch gehouden, zonder uitzondering buitengewoon sfeervol. Met “front and center” de ook nu weer een diepe indruk nalatende fluwelen stem van Henricsson zelve. En met als topmomenten wat ons betreft de met haar labelmaatje Chet O’Keefe ingeblikte Kinky Friedman-cover “Marilyn And Joe”, het aan het minialbum zijn titel ontlenende en naar Slow Fox-normen behoorlijk wulpse “My Oh My”, de broeierige andere versie van “None The Wiser” en openingsnummer “Rainy Waltz”, een verdere dot van een ballade.

Het mag dan met zijn net geen eenentwintig minuten allemaal al niet veel zijn, het is wel allemaal zeer mooi…

Slow Fox, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

RUSTY ROOTS “Your Host” (Rusty Roots)

(4****)

Onlangs gehoord in een Nederlandse tv-commercial: “Verandering is het enige wat blijft…” Wat ons betreft een gedachte met een waarheidswaarde zo groot als Burj Khalifa, de sinds het voorjaar van 2010 als het hoogste gebouw ter wereld te boek staande wolkenkrabber in Dubai. En misschien, héél misschien, ook wel de drijfveer achter “Your Host”, het nieuwe album van de onvolprezen Rusty Roots. Onder het motto “Stilstaan is achteruitgaan” gooien de vier Limburgers op hun vierde album het roer zo goed als volledig om. Op die nieuwe gaat de klok immers resoluut op rock.

Gelijk van bij de eerste tonen van openingsnummer “Come On Home” wordt al duidelijk, dat Jan Bas en zijn maats niet zomaar Mario Goossens van Triggerfinger als producer hebben aangetrokken. Een heerlijk strakke rockstreep is dat nummer! ’n Beetje “Stones”, ’n beetje “Zep”, ’n Beetje “Keys” ook wel. Met gitaren zo scherp als pas geslepen oestermessen, klaar voor wat voor materiaal dan ook! En ideaal derhalve als aanloop richting het wat ons betreft absolute klapstuk van “Your Host”. En dat is ontegensprekelijk het ongelooflijk catchty uit de hoek komende “Sidewalk”. Een drumpartij die wel ontleend lijkt aan iets van T. Rex, zang en gitaren opnieuw op hoog Led Zep-niveau, een dijk van een melodie! Dit moet gewoon een hit worden! De brede radioschouders van StuBru er enkele dagen onder en klaar is Kees!

En wat houden onze gastheren verder nog zoal voor ons in petto? Wel, dat zijn in die volgorde de licht funky uitvallende trage midtempo rocker “Better Lover”, het door z’n wat aparte gitaarbenadering en soulvolle zangpartij vrijwel meteen in het gehoor springende “Ohoo”, het heerlijk om zich heen stampende en al evenmin van soul gespeend gebleven “Take Me Down” en de ronduit bezwerend uit de hoek komende trage “Smiling Face”. Of nog: de ook al openlijk om radioaandacht bedelende deluxe rocker “All I Want”, het enigszins omineuze, zijn titel ook sfeergewijs werkelijk alle eer aandoende “Backdoor Man”, de retestrakke “meebruller” “Bed Of Roses”, de nog net iets meer dan het gros van het materiaal op “Your Host” een zekere affiniteit met de blues verradende moordsleper “Fades Out” en de ook alweer onweerstaanbaar om zich heen hakkende (licht funky) afsluiter “Tell It Like It Is”.

Zo goed als niets is anno 2014 nog zoals het voorheen was in het universum van Rusty Roots. Maar het is er wel nog altijd even lekker toeven! En dat is an sich al een hele geruststelling…

Rusty Roots

 

HT ROBERTS & BRUNO DENECKERE & THE LANDED GENTRY “Heroes & Has-Beens” (Deep Blue Something / Donor Productions / Bertus)

(5*****)

HT Roberts en Bruno Deneckere hadden zich voor deze eerste tot een gezamenlijk album leidende samenwerking eigenlijk geen beter ogenblik kunnen uitkiezen. Dankzij de hele hype rond “The Broken Circle Breakdown” en het mediagestuurde succes van Robby Longo blijken country en americana in Vlaanderen plots immers op wat grotere schaal te kunnen. Zelfs een nieuwe single van wijlen Johnny Cash haalt plots probleemloos allerhande hitlijsten. En hoe lang was zoiets al niet geleden…? Enfin, je kan hier dus duidelijk spreken van het ijzer smeden als het heet is. En of dat dan bewust of onbewust gebeurt, maakt eigenlijk niet eens zo heel veel uit.

Feit is, dat je deze krachtenbundeling van twee “onzer besten” gewoon uit volle borst hoort toe te juichen. ’t Is alsof Merle Haggard en Willie Nelson eindelijk weer eens zouden zijn samengekomen voor een plaat. Iets van die strekking. En een vergelijkbare impact zou het ook moeten hebben. Binnen het  Belgische americanagebeuren kennen Roberts en Deneckere immers hun gelijke niet. Echte pioniers zijn het. De voorbije vijftien jaar brachten ze samen ook al evenveel soloplaten uit. En daaronder zo menig een waar pareltje. We herinneren u bijvoorbeeld graag aan “Crescent Of The Moon”, “Someday” en “Walking On Water” van Deneckere en “Acres Of Time”, “Fingernail Moon”, “Motion/Still” en “Spirit Level” – Om er maar enkele te noemen! – van Roberts. Stuk voor stuk gehelen waarop beide heren aangaven in niets voor heel wat van hun Amerikaanse spitsbroeders onder te moeten doen. Meer nog: ze zouden in de States wellicht moeiteloos met de allerbesten mee kunnen.

Stel je voor, wat het geeft, als twee zulke kanjers dan ook nog eens samen aan de bak gaan! Een echte dijk van een plaat inderdaad. Een plaat, waarop werkelijk alles klopt. Een plaat, die je als Vlaming met elke nieuwe beluistering weer wat meer vervult van trots. Dit is immers niks minder dan klassieke country! Veertien nummers lang – Zeven van de hand van Roberts, zeven van die van Deneckere! – exploreren beide protagonisten samen met Niels Verheest (toetsen), Serge Bakker (bas) en Niels Delvaux (drums en percussie) oftewel The Landed Gentry een voor Lagelanders zoals we allemaal weten absoluut niet vanzelfsprekend muzikaal landschap. Americana, country, bluegrass en folk vormen afwisselend de hoofdbestanddelen van songs, die quasi voortdurend op zo ongeveer elk niveau weten te overtuigen. Zowel op tekstueel als op muzikaal vlak laten ze absoluut niets te wensen over. Zo menig een klassiekertje in wording, zeg maar…

Om te beginnen het echt wel volstrekt tijdloze “The Frame”, waarin Roberts en Deneckere tegen een zomers lome country-achtergrond samen elke vorm van oppervlakkigheid doorprikken. “You can buy the boots, you can wear the hat, but that don’t make you a cowboy!” Alle toekomstige, zich voor hun optredens aandienende poseurs zijn bij dezen gelijk gewaarschuwd! Volgende parel dan maar! En dat is de voorzichtig wat richting bluegrass overhellende Deneckere-compositie “The River And The Eagle”. Daarin wordt op adembenemend mooie wijze even stilgestaan bij wat in elk leven uiteindelijk onontkomelijk blijkt. Vervolgens zijn er de enigszins verzopen aandoende countryrocksleper “Amsterdam”, de een achtergelaten liefde bezingende en derhalve ook volop in hartzeer badende trage “She’s In My Heart” en het zo ongeveer als “vintage HT Roberts” te bestempelen folky americanadeuntje “Fallow Fields”. En dan hadden we het hier nog niet over het broeierige, op wel heel subtiele wijze met wat bluesgevoel besprenkelde “Eye Of A Storm”, het door Verheest enthousiast op de piano aangezwengelde swingertje “Back Into My Life Again”, het aan het album z’n titel verlenende streepje melancholie “Nashville”, het zachtjes twangend aan de term zelfrelativering een eigen draai meegevende “Cowboy For Hire”, het bijna deemoedig naar liefdes van weleer reikende “I Miss You, Ladies” en de ogenschijnlijk nog bij wijlen Gram Parsons in de leer geweest zijnde “valse” honky-tonktrage “Love Will Do”. Of over het lijzige, ons tegelijk aan “good old” Willie Nelson en Jimmy Buffett herinnerende “No Way (Falling Out Of Love)” ook, de eenzaamheid op bijna tastbare wijze verklankende Deneckere-schuifelaar “Such A Blue Night” en de afsluitende ballade “Below The Surface”.

Veertien songs, veertien voltreffers! Een echte “must-have” dus! En hopelijk ook gewoon het begin van een op regelmatige basis herbekeken concept!

HT Roberts & Bruno Deneckere & The Landed Gentry

 

SLAM AND HOWIE AND THE RESERVE MEN “Sons Of Ancient Time” (Wanted Men Records / Irascible)

(4****)

“Sons Of Ancient Time”, de vijfde van het Zwitserse rockcollectief Slam & Howie & The Reserve Men, is het soort van plaat dat maar enkele tellen nodig heeft om zich voor een poosje knus tussen de oren van z’n luisteraars te nestelen. Gelijk van bij het door een wel heel erg sympathieke banjo aangejaagde en derhalve ook uitermate aanstekelijk rockende openingsnummer “Wanna Be On The Road Again” waren wij alvast compleet verkocht. Met hun zwierige melange van (roots) rock, Americana en (punky) folk toveren Slam & Howie en hun maats echt “in no time” een brede glimlach om je lippen. Nummers als het al genoemde “entreetje”, het gelijk daaropvolgende “We Ain’t Fallin’ Back”, het werkelijk wervelende “Johnny”, het hyperkinetische “Gotta Move On”, het zich na een wat rustigere intro tot een deluxe countryrocker ontwikkelende “Denial Of The Will” en andere mikken zonder ook maar de minste gêne op dansgrage benen onder rootsvriendelijke rompen. Enkele rustpuntjes zoals “Inside Out”, het verhalende “Man On The Hill”, het enigszins atypisch ingekleurde “Friday Night” en het afsluitende “No Quick Fix” zorgen dan weer voor wat gecontroleerd tegengewicht. Al bij al een bijzonder lekkere plaat! En eigenlijk zou elke festivalorganisator in dit apenlandje er terstond een exemplaartje van toegestuurd moeten krijgen! Het zou Slam & Howie & The Reserve Men gegarandeerd ook hier flink wat gigs opleveren en de bezoekers van alle “durvende” festivals “one hell of a good time”.

(Op 18 april aanstaande kan je Slam & Howie & The Reserve Men samen met The Dinosaur Truckers en Derek W Dunn van de .357 Stringband gaan bekijken in JC De Klinker in Aaarschot.)

Slam & Howie & The Reserve Men

 

DAVID SERBY AND THE LATEST SCAM “David Serby And The Latest Scam” (David Serby)

(3,5****)

Na zijn vorige plaat, het volledig akoestische, de economische en sociale realiteit in zijn thuisland onder de loep nemende “Poor Man’s Poem”, vond David Serby het onlangs weer eens tijd voor wat anders. Niet opnieuw honky-tonk, zoals voor voorgangers “I Just Don’t Go Home” (2006), “Another Sleepless Night” (2007) en “Honky Tonk & Vine” (2009) maar lekkere retro-roots-pop. Geïnspireerd naar eigen zeggen vooral door Dave Edmunds en Nick Lowe ten tijde van Rockpile. En dat is een ten huize Ctrl. Alt. Country nog altijd als zeer aangenaam ervaren referentie. Mag u echt te allen tijde mee afkomen!

En al zeker in “gezinsverpakkingen” à la “David Serby And The Latest Scam”! Met vijftig songs trok Serby naar verluidt studiowaarts, twintig daarvan belandden uiteindelijk verspreid over twee schijfjes op zijn nieuwe plaat. Waar voor je geld dus! Muzikale waar, ingespeeld door David Serby zelf (zang en slaggitaar), Edward Tree (leadgitaar en toetsen), de je onder andere van Dave Alvin’s Guilty Men bekende Gregory Boaz (bas) en Dale Daniel van de Hacienda Brothers (drums). Tree tekende ook weer voor de productie.

Veelal up-tempo spul, soms wat meer pop-, soms wat meer rockgeoriënteerd. Voor zijn teksten vaak puttend uit door Serby met anderen gevoerde gesprekken. Mensen in zijn omgeving trapten als het ware de thema-voorzetten en onze man maakte die dan songgewijs netjes af. Enkele rustpuntjes vallen wat dat betreft extra op. De ballade “I’ll Meet You There” onder andere. Daarin heeft Serby het over het in staat zijn om op emotioneel vlak nog contact te hebben met iemand met wie dat fysiek niet meer kan. Of “Better With My Hands” ook. Dat laatste buigt zich over de zeer uiteenlopende manieren waarop mannen en vrouwen met elkaar communiceren, zeker als het slecht gaat.

Andere uitgesproken toppertjes hier: het ons volop aan “fijne mens” Wreckless Eric in zijn beste dagen herinnerende “Do I Still Need To Worry?”, het zich al bijna even heerlijk speels en wispelturig aandienende “You’re Bored” en vooral ook het tegelijk grappig en diepzinnig uit de hoek komende “Amnesia”.

David Serby

 

BASTARD SONS OF JOHNNY CASH “New Old Story” (Randm Records)

(4,5*****)

Wederom een vlag die bij nader inzicht haar lading voortreffelijk blijkt te dekken. “New Old Story” zegt in dit geval immers effectief alles. Net als in het verleden al met de albums “Walk Alone”, “Distance Between”, “Mile Markers” en “Bend In The Road” mikt zanger-songsmid Mark Stuart ook met “New Old Story” weer op de harten van countryliefhebbers met zin voor traditie. Maar laat je vooral niet misleiden door ’s mans “nom de plume”. Veel meer dan in die van “The Man In Black” treedt hij op “New Old Story” in de voetsporen van Merle Haggard en wat anderen. Zich daarbij hoegenaamd uitstekend geruggensteund wetend door snarenvirtuozen Mike Butler (elektrische, akoestische en baritongitaren), Dennis Caplinger (banjo, dobro, fiddle, mandoline, akoestische gitaar) en Alex Watson (elektrische gitaar) en ander bekwaam volk als pedal-steeler Dave Berzansky, pianist Ed Kornhauser, orgelist Archie Thompson, accordeonist Lou Fannuchi, bassist Patrick McClory, drummer Dave Raven en achtergrondvocaliste Arabella Harrison bedient Stuart zich op z’n vijfde tien nummers lang van een weer buitengewoon rijk gevuld Americana-palet.

We verklaren ons nader. Even een lijstje met alle voorhanden zijnde muzikale ingrediënten. Te weten: zwierige dansvloervullers van het genre waarop ook “The Hag” in betere tijden wel een patent leek te hebben (“No Honky-Tonks”, “Leave A Light On”, “New Old Story”), een feestelijke, Zuiders geïnspireerde meezinger, waarmee je voorwaar de Mavericks zomaar naar de kroon zou kunnen steken (“Into The Blue”), een border song pur sang (“El Troubadour”), huiveringwekkend mooie tear-in-your-beer stuff (het steelzwangere “Bounds Of Your Heart”), een zich al twangend wijds uitdijende Americana road song (“Highway Bound”), een klassiek geschoolde honky-tonktrage (“Well Worn Heart”), even lichtjes richting het countrybluesgenre uitwijkend verhalend spul (“Poor Man’s Son”) en een ergens vrij dicht in de buurt van Chris Isaak strandende ballade (“Ain’t No Tellin’”).

Geen wonder, dat deze Stuart sinds jaar en dag mag rekenen op tal van “friends in high places”. Wijlen Johnny Cash was naar verluidt een fan van ‘m. Merle Haggard eveneens. Willie Nelson ook. En wie zouden wij dan zijn, mochten we ons wagentje niet gezwind willen aanhangen? Als hij platen van dit kaliber blijft maken, blijven ook wij met veel plezier Stuart-fan voor het leven.

Bastard Sons of Johnny Cash, Randm Records, NoiseTrade

 

SCOTT H. BIRAM “Nothin’ But Blood” (Bloodshot Records / Bertus)

(3,5****)

Als vanouds doet Scott H. Biram ook op “Nothin’ But Blood” z’n roepnaam weer alle eer aan. Met als leidmotief “Wat je zelf doet, is meestal beter gedaan!” veegt “het vuil eenmansorkestje” op z’n nieuwste een in zijn universum nog maar zelden samen aangetroffen hoeveelheid aan stijlen op een hoopje. Van bezadigd achteroverleunende Mississippi blues (“Slow & Easy”) tot bedaard twangende country rock (“Gotta Get To Heaven”), van retestrakke punk blues (“Alcohol Blues”) tot “softe”, voorwaar even aan “good old” Willie Nelson herinnerende singer-songwriter Americana (“Never Comin’ Home”), van maar net niet uit de bocht gaande rauwe punk rock (“Only Whiskey”, “Church Point Girls”) tot creepy gestijlde bluesvertellingen van het type waarmee ook Seasick Steve wel eens durft uit te pakken (“Jack Of Diamonds”, “Backdoor Man”), van “country meets rock & roll” genre “Nam Weed” tot een onvervalst (in deze context bijna lieflijk aandoend) akoestisch bluesje (“I’m Troubled”), van een streep door hyperkinetisch snarengewriemel ingeleide stoner metal (“Around The Bend”) tot een stel gospelhymnes en spirituele ballades (de cd bonus tracks “Amazing Grace”, “When I Die” en “John The Revelator”), het kan hier zowat voortdurend echt alle kanten op. Straffe kost!

Scott H. Biram, Bloodshot Records

 

LYDIA LOVELESS “Somewhere Else” (Bloodshot Records / Bertus)

(3,5****)

Welkom andermaal in de wondere wereld van Lydia Loveless! Een wereld, waarin het goed en wel twee jaar na het verschijnen van haar veelbejubelde tweede “Indestructible Machine” nog altijd zalig toeven blijkt. Ook op haar nieuwste, “Somewhere Else”, biedt Loveless immers weer alles waar een rock & roll junk met zin voor roots anno nu maar om vragen kan. De “hillbilly punk with a honky-tonk heart” van weleer is daarop niet echt meer. Daarvoor zijn de elementen pop en rock tussentijds wat al te zwaar beginnen doorwegen, zij het wel nog steeds met het bepalende lid roots ervoor. Loveless koppelt op “Somewhere Else” de lichthese sensualiteit van de Stevie Nicks van in haar hoogdagen aan de spring-in-‘t-veld-vitaliteit van de ons altijd lief gebleven Maria McKee van ten tijde van Lone Justice.

Tien songs lang proberen de schone Amerikaanse en haar maats “this time around” zoveel mogelijk genregrenzen te negeren. En dat levert bijna als vanzelfsprekend een erg gevarieerd en derhalve ook erg boeiend geheel op. Tussen het behoorlijk wanhopige, volop de warmbloedige intensiteit van Paul Westerbergs Replacements evocerende openingsnummer “Really Wanna See You” en de ongemeen knappe, de feestelijkheden gehuld in zalig rinkelende gitaren afsluitende cover van het door wijlen Kirsty MacColl gepende pophitje “They Don’t Know” verandert het “stijlgeweer” zowat om de haverklap van schouder: van broeierige Heartland rock in “Wine Lips” tot twangbeladen alt. country deluxe in “Chris Issak”, van naadloos op het repertoire van Tom Petty’s Heartbreakers en het hier al eerder vernoemde Lone Justice aansluitend spul als “To Love Somebody” tot voorzichtig aan de Pretenders op hun toppunt herinnerende “pop meets punk” à la de supertrage “Hurts So Bad”, van nog maar weinig aan de verbeelding overlatende mid-tempo rock als die van “Head” tot na een lome start echt wel volledig ontbolsterend aanverwant liedgoed als “Verlaine Shot Rimbaud”, van buitengewoon smakelijke country rock genre “Somewhere Else” tot een door een akoestische gitaar op het juiste pad geholpen “valse trage” als “Everything’s Gone”.

“Als je echt in rock & roll gelooft, dan smeek je in je gebeden om mensen als Lydia Loveless,” lazen we ergens. En we hadden het bij nader inzicht verdomme zelf niet beter kunnen verwoorden…

Lydia Loveless, Bloodshot Records

 

NEXT STOP: HORIZON “The Harbour, My Home” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wie op zoek gaat naar de meest originele bandnamen ooit moet vroeg of laat wel uitkomen bij het uit Pär Hagström en Jenny Roos bestaande Zweedse duo Next Stop: Horizon. Dat pas sinds 2010 samenwerkende koppel uit Göteborg debuteerde goed en wel een jaar later met het erg knappe “We Know Exactly Where We’re Going”. Een titel, die korte tijd later al enigermate omineus zou blijken. Hagström en Roos zijn immers zo eigenzinnig als wat. Ze zijn daadwerkelijk wellicht de enigen, die weten waar ze nu precies heen willen. Hun muziek is al even zonderling als hun naam. Invloeden uit zowat alle denkbare hoeken komen samen in de elf “The Harbour, My Home” bevolkende songs. Met stipnoteringen voor elementen uit pop, rock, (Europese) folk en jazz. En liefst met zoveel mogelijk tegelijk.

Vergelijkingen met wie of wat dan ook zijn hier echt volledig uit den boze. Je zal het voor één keer moeten doen met de naakte feiten. En dat zijn de volgende. Hagström en Roos zingen beide. Vaak ook samen. Hun muziek verrast zo ongeveer te allen tijde. En dat zowel qua vormgeving, als qua instrumentale invulling. Voor dat laatste komen zo ongeveer alle instrumenten in aanmerking die de twee ooit verzamelden. “Elektrische orgels, traporgels, instrumenten met veel snaren, instrumenten met weinig snaren, bogen, bellen, piano’s, dingen waarop je kan slaan en dingen die geen namen hebben,” aldus het duo zelf. Allemaal worden ze in hun eigen analoge studio vroeg of laat wel eens bepoteld.

Ze zijn lang niet allemaal even vrolijk, de resultaten van die aanpak, maar bij nader inzicht wél lekker spannend. En “The Harbour, My Home” zouden we dan ook vooral willen bestempelen als luistervoer voor muzikale ontdekkingsreizigers. Voor luisteraars met een open geest. Voor hen die niet meteen een vlakgom bovenhalen als er buiten de lijntjes wordt gekleurd.

Next Stop: Horizon, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

ROBBY HECHT “Robby Hecht” (Old Man Henry Records)

(4****)

Dit is een plaat, waar we hier de voorbije weken echt wel hebben naar uitgekeken. Wij leerden haar maker, de vanuit Nashville actieve Robby Hecht, pas kennen een poosje na het verschijnen van zijn tweede langspeler “Last Of The Long Days”. Ergens laat in 2011 moet dat geweest zijn. Wat snel opzoekingswerk leerde ons toen, dat de beste man in de jaren daarvoor onder meer op de jaarlijks plaatsvindende en voor heel wat grote namen in het Americana-wereldje al belangrijk gebleken wedstrijden voor songsmeden in Kerrville en Telluride al de nodige prijzen had weggekaapt en dat “Last Of The Long Days” niet z’n eersteling was. Daarvoor moesten we al terug naar 2008. Toen debuuteerde Hecht aan de hand van producer Lex Price en in het gezelschap van bekende collegae als Mindy Smith en Jill Andrews met het ook al erg knappe “Late Last Night”. Een indrukwekkend visitekaartje, zeker aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een James Taylor, een Slaid Cleaves en een Rod Picott. Vol met folk-pop van het werkelijk allerbeste soort!

En dat geldt eigenlijk ook weer voor ’s mans derde, het naar zichzelf vernoemde “Robby Hecht”. Daarvoor keerde de lang door een bipolaire stoornis afgeremde Hecht terug naar de onder meer ook om zijn werk met k.d. lang en Mindy Smith geroemde Lex Price. En die zag er ook ditmaal weer op toe, dat de twaalf songs die Hecht hem voorlegde elk beetje aandacht kregen dat ze verdienden. Eén van die twaalf liedjes bleek een cover. Meer bepaald het van de laatste van Gillian Welch, “The Harrow & The Harvest”, geplukte “Hard Times”. Verder ook één songsamenwerking met Amy Speace (het ingetogen allegorische “The Sea And The Shore” over een onmogelijke liefde) en ééntje met de hier onlangs ook zelf nog besproken Wyatt Easterling (het zachtjes twangende “Papa’s Down The Road Dead”). Voorts uitsluitend eigen nieuwe liedjes, waarin Hecht het bijna voortdurend heeft over de verschillende fases in een langdurige relatie en een in zichzelf gekeerd leven. Behoorlijk persoonlijk spul dus. Vooral dan iets als “Feeling It Now”, waarin hij ons onderdompelt in het vat met zijn eigen met extreme stemmingswisselingen gebrandmerkte ervaringen. Die rustige, behoorlijk kwetsbaar aandoende ballade toont ons trouwens meteen ook Hechts sterkste kant. Zijn honingzoete stem leent zich immers het best tot het brengen van dergelijk materiaal.

Hechts nieuwe liedjes zijn zonder ook maar de minste uitzondering weer geweldig te noemen. Zijn derde herinnert over het algemeen eigenlijk best wel wat aan de hoogdagen van het akoestische popgenre bij het begin van de jaren zeventig. Hechts uitermate geslaagde combinatie van weldoordachte songteksten en simpele, maar beklijvende melodieën zou toen ongetwijfeld flink brokken hebben gemaakt. Onze “plats préférés” hier: het atmosferische, door Hecht zelf als een “spooky murder ballad” omschreven “Barrio Moon”, de in duet met de ook zelf lichtjes fantastische Rose Cousins gebrachte (licht countryeske) trage “Soon I Was Sleeping”, het mede door de blazersinbreng erin heerlijk soulvolle “The Light Is Gone” en het eerder al even aangestipte duo “Papa’s Down The Road Dead” en “Feeling It Now”.

(Op maandag 23 juni doet Robby Hecht samen met z’n collega David Berkeley de Meneer Frits in het Nederlandse Eindhoven aan voor een optreden.)

Robby Hecht

 

ELIZA GILKYSON “The Nocturne Diaries” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Toen Eliza Gilkyson besloot haar nieuwe plaat “The Nocturne Diaries” te noemen, had ze daar ook echt alle redenen toe. De eigen liedjes erop ontstonden immers zonder uitzondering ergens in het holst van de nacht. En ook de inspiratie voor de twee enige in haar concept passende covers vond ze daar, ergens tussen de zeer late en de zeer vroege uurtjes. Het betreft daarbij John Gorka’s “Where No Monument Stands” en het door haar vader Terry geschreven “Fast Freight”.

Wat betreft de thematische invulling van haar materiaal legde die nieuwe aanpak Gilkyson alvast geen windeieren. Vreemd, vond ze ook zelf, hoe je ’s nachts heel andere songs gaat schrijven dan overdag. Het lijkt wel alsof de écht grote onderwerpen pas na het ondergaan van de zon helemaal tot leven komen. Vaak eerder zware gedachten over de eigen sterfelijkheid, over de behoorlijk bedenkelijke stand van zaken met betrekking tot de wereld anno nu, over je (lang niet altijd even lichte) plichten als menselijk wezen, over mislukkingen, verlies, angsten en dergelijke tieren dan welig. Ze zetten je als het ware aan het wikken en wegen. En als je, zoals Gilkyson, sterk genoeg daartoe bent, dan werkt dat zich met zulk gedachtengoed inlaten op den duur eerder louterend dan beklemmend. Zij omschrijft het als “a journey through the dark night of the soul that ends at the light of dawn with a sense of gratitude, a renewed commitment to care, and a stubborn little ray of hope”.

En zo komt het dat op “The Nocturne Diaries” “An American Boy”, een prachtig liedje over een op het vervaarlijke af tikkende jeugdige tijdbom, hand in hand kan gaan met iets als “No Tomorrow”, een warme oproep tot het even volledig loslaten van al de je dagdagelijkse leven inkleurende dingen (de tv, je computer, de afwas,…) om zo elkaar ouderwets weer te vinden. Bijna op z’n Lucinda’s wijst Gilkyson ons in die door haarzelf overigens van heerlijk elektrisch gitaarwerk voorziene trage de weg naar een beter, een meer menselijk bestaan. En dat doet ze verder onder meer ook nog in het bedrieglijk opgewekte, door Rich Brotherton (mandoline en banjo) en Warren Hood (fiddle) met piekfijn Americana-snarenwerk en Lucy Kaplansky met zalige backing vocals opgewaardeerde “Eliza Jane”. Daarin bant ze alvast tijdelijk haar eigen neiging om overal het “worst case scenario” voor klaar te hebben met de van een straaltje hoop doordrongen woorden “This world’s still got half a chance…”

Enfin, u heeft ondertussen al wel begrepen, dat het nuttigen van “The Nocturne Diaries” voor de wat aandachtigere luisteraars onder u een uitermate lonende onderneming kan gaan blijken. Stof tot nadenken alvast meer dan genoeg! En ook wat betreft hun muzikale omkadering laten de op het album gebrachte liedjes maar bitter weinig te wensen over. Tussen folk – Soms met een pop- of rockrandje! – en Americana vond Gilkyson voor haar nieuwe songgoed twaalf uitermate geschikte niches. En met schoon volk als Ray Bonneville, Ian McLagan, John Egenes, Cisco Ryder, Mike Hardwick, Chris Maresh, Rich Brotherton, Warren Hood, Jens Lysdal, Kamran Hooshmand, Delia Castillo en Lucy Kaplansky ronselde ze bovendien ook de ideale muzikale metgezellen om deze te helpen vullen.

Hier moet je – om Gilkysons eigen woorden uit één van de liedjes op “The Nocturne Diaries” louter gemakshalve maar eens even in een andere context te gebruiken – van houden “like there’s no tomorrow”. ’t Is haast allemaal even bloed- en bloedmooi! En ik durf dan ook nu al onomwonden te stellen, dat dit straks – binnen een maand of tien – één van dé muzikale hoogtepunten van 2014 zal blijken te zijn!

Eliza Gilkyson, Red House Records, Music & Words

 

AD VANDERVEEN “Beat The Record” (Ad Vanderveen / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De naam Ad Vanderveen op een cd aantreffen is eigenlijk gewoon niets minder dan een kwaliteitsgarantie. Al sinds jaar en dag geldt de Nederlander immers als één van de beste Europese singer-songwriters in zaken Americana en folk en daarin zal ook met z’n nieuwe worp “Beat The Record” zeker geen verandering gaan komen. Op z’n zevenenvijftigste toont Vanderveen zich daarop zelfverzekerder dan ooit.

Twaalf nummers lang is het weer volop genieten geblazen! Genieten van eenvoudige, maar beklijvende melodieën. Genieten van ’s mans heerlijke, met de jaren alleen maar beter geworden zang. Genieten van z’n superieure gitaarspel. En genieten vooral ook van z’n prachtige, niet zelden persoonlijke filosofische en spirituele inzichten uitdiepende teksten. Een drietal daarvan zijn overigens co-writes met z’n (ook door ons zeer) gewaardeerde collega’s David Olney, John Hadley en Thomm Jutz. Met die laatste pende Vanderveen het weliswaar ingetogen, maar bijzonder warmbloedig gebrachte folkdeuntje “Believe”, een soortement ode aan het geloof in alles wat je als mens sterken kan. Met Olney en Hadley dan weer het “Beat The Record” afsluitende duo “Wavelength” en “Sad Saturday Night”. Het één een pracht van een rootspopliedje over dat soms zo bevreemdende gevoel van met iemand helemaal op dezelfde golflengte te zitten, het andere, gebracht door alle betrokken protagonisten samen, het misschien wel allermooiste nummer op “Beat The Record”, een wolk van een in hartzeer badende akoestische slow country song.

Andere, zonder uitzondering minstens even beklijvende momenten: openingsnummer “Bottomless Heart”, dat mede dankzij een markante harmonicabijdrage louter muzikaal gezien nogal nadrukkelijk in het kielzog van de jonge Dylan verzeild geraakt, “Believe”, een wolk van een dromerig luister(pop)liedje, het volop van een bluesy feel profiterende “The Abyss”, het voorzichtig Youngiaanse “Solid Love”, de pianoballade “Driftwood” en het ook al van een intraveneuze shot akoestische blues bediende “Funny Mirror”.

Vanderveen komt hier op de keper beschouwd meer dan ooit erg dicht in de buurt van voorbeelden en notoire groten der aarde als een Bob Dylan, een Neil Young, een Townes Van Zandt, een Guy Clark en – Waarom ook niet? – een David Olney. Hij legt de lat voor z’n concurrentie alleszins weer ontzettend hoog!

Ad Vanderveen, Sonic Rendezvous

 

JACOB LATHAM “Midnight Train” (Jake Latham Music)

(3,5***)

Leuke eersteling van een jongeling uit Bloomington, Indiana. Amper negentien is hij, maar dat hoor je absoluut niet aan het materiaal op “Midnight Train”. De vijf eigen liedjes daarop presenteren Jacob Latham (zang, gitaar, mandoline, harmonica) als een in het oog te houden talent. Zeker, er is nog de nodige groeimarge, maar toch… Dingen als het weemoedige, met een fijn mondharmonicaatje en dito mandolinespel opgewaardeerde “Pay Attention To The Rain”, het nogal opzichtig tussen bluegrass en roots rock twijfelende “Where Do We Go From Here”, het atmosferische titelnummer, het bij momenten voorwaar zelfs even van een licht Waitsiaanse toets voorziene “Don’t Let Them In” en het zwierig afsluitende “John Brown” zullen beslist in goede aarde vallen bij liefhebbers van zulke acts als Mumford & Sons, de Avett Brothers, The Lumineers, Blitzen Trapper, Iron + Wine en aanverwanten. Ze doen ons nu alvast met belangstelling uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van “Young Jacob”!

Jacob Latham, Bandcamp, iTunes

 

THE SOFT HILLS “Departure” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Heeft z’n titel zeker niet gestolen, deze nieuwe van The Soft Hills. Het album lijkt als geheel immers daadwerkelijk een vertrek uit eerder gefrequenteerde muzikale territoria in te willen luiden. Het element Americana wordt alvast zo goed als volledig verdrongen op “Departure”.

Een verandering die wellicht grotendeels is toe te schrijven aan twee factoren. Enerzijds begon mastermind Garrett Hobba met het schrijven van de liedjes voor het nieuwe album van z’n band tijdens een langdurig verblijf in Europa. Anderzijds verhuisde hij recentelijk ziektegedwongen een poosje van z’n eigenlijke thuishaven, het regenachtige Seattle, naar “Sunny Southern California”. Het eerste verklaart de vele op “Departure” herkenbare Europese invloeden (vroege Pink Floyd, Joy Division en andere Factory Records acts, Czars), het tweede het wat aparte “zonnig melancholische” kantje dat bij momenten aan de plaat lijkt te zitten (een weinig Beach Boys). Dromerige zangpartijen alom, zeer fraai harmonieerwerk ook, afgewerkt met een altijd weer lekker laagje “snarenglazuur”. En met opvallend veel toetsenbijdragen nu ook.

Voor ons normaliter niet bepaald dagelijkse kost, maar wel verdomd lekker!

Je kan The Soft Hills binnenkort live aan het werk zien in Amsterdam (Paradiso, 2 april), Utrecht (dB’s, 3 april) en Eeklo (N9, 4 april).

The Soft Hills, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

NANCARROW “Heart” (Randm Records)

(3,5****)

Wat we hier hebben, is een nog relatief jong alternatief countrygezelschapje onder aanvoering van de amper vierentwintig jaar oude en z’n familienaam aan de band lenende singer-songwriter Graham Nancarrow. Naast uit Nancarrow zelve (zang, akoestische gitaar) bestaat de groep verder uit Tommy Andrews (leadgitaar, zang), Russel Hayden (lap steel, zang), Joe Weisiger (bas) en Ron Kerner (drums). Namen, die je als aandachtige lezer misschien al wel bekend zijn uit de entourages van acts als Steve Earle, Rhett Miller, Murry Hammond, Shooter Jennings, The White Buffalo, Commanche Moon, The Dukes Of Haggard en andere. Stuk voor stuk gelouterde muzikanten dus. En dat is aan “Heart”, de helaas amper zes tracks tellende nieuwe van Nancarrow, te horen ook.

Op hun tweede cd, de opvolger van het al in 2012 verschenen “Valley Of The Deer”, laten Nancarrow en co andermaal duidelijk verstaan, dat we hun wortels zowel in traditionele country als in meer eigentijdse alternatieve muziekvormen dienen te zoeken. En dat levert hier en nu, zoals eerder al even aangestipt, alvast weer zes zeer bevlogen momenten op, die nu al reikhalzend doen uitkijken naar meer. Of nee, maak daar maar direct véél meer van! En al zeker als we ook verder bestookt zouden worden met dingen als de outlaw country op speed van het z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Party” of het door gast Joey Guevarra – Zo heet ie echt! – van achter z’n piano serieus mee opgefokte titelnummer. Dan gaat het dak er hier immers echt wel compleet vanaf! Deden ons door al hun punky energie voorwaar even terugdenken aan de hoogdagen van Jason & The Scorchers, die nummers. Elders, zoals in de ballade “Smokey Tavern” of het lekker twangy swingende “I’m Gone” bijvoorbeeld, belandt Nancarrow dan weer enkele tellen lang in het vaarwater van knapen als een Dwight Yoakam of een Moot Davis, of schuwt hij een old-timey ramble niet, ten getuige daarvan het aanstekelijke “Fun”. Heel even gaat hij zelfs voor héél erg traditioneel (op z’n Bakersfields) met het sympathieke “Second Last Resort”.

Is dan ook zeker een aanradertje!

Nancarrow, Randm Records, NoiseTrade, iTunes

 

THE GRAND OPENING “Don’t Look Back Into The Darkness” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De kans is behoorlijk groot, dat wie net als ons wel van wat muzikale melancholie op zijn tijd houdt al één of meerdere platen van The Grand Opening op de plank heeft staan. Dat eenmansproject van de vanuit Stockholm al een poosje flink aan de weg timmerende John Roger Olsson verdiende in het verleden terecht al meermaals vergelijkingen met acts als The Blue Nile, American Music Club, Red House Painters, Tindersticks, Talk Talk en tal van aanverwanten. Vergelijkingen, die zeker daar waar het de door Olsson opgeroepen muzikale moods betreft ontegensprekelijk van toepassing zijn. Maar de beste man voegt daar dan wel de nodige eigenheid aan toe. Een prise van die typisch Zweedse mistroostigheid, zeg maar.

“Don’t Look Back Into The Darkness” evoceert als het ware perfect het bij velen bestaande beeld van een leven op de buiten in Zweden. Een flink geromantiseerd beeld, eerder flou van aard, met eenzaamheid als vast bestanddeel. Olsson streelt met zijn warme, maar immer zwaar melancholisch aandoende stem de zinnen. En dat doet hij tegen een achtergrond van voornamelijk eerder monotoon uit de hoek komende gitaarklanken. Elektrische, evenals akoestische. Waarvoor hij in beide gevallen zelf tekent trouwens. Net als voor occasionele bijdragen op onder meer ook piano, orgel, harmonium, vibrafoon en xylofoon. Vaste maats Jens Pettersson (drums en percussie), Patric Thorman (elektrische en akoestische bassen) en Leo Svensson Sander (cello, zingende zaag, harmonium en synthesizer) en gasten Johan Norin (trompet), Otto Johansson (baritongitaar), Anna Ödlund en Johan Krantz (beiden backing vocals) doen (veelal) uiterst behoedzaam de rest.

Het resultaat is een album van nergens minder dan beklijvende schoonheid, tot de nok toe gevuld met volstrekt tijdloze liedjes, waarin Olsson op zoek gaat naar z’n eigen verleden en zich vragen stelt bij onze plaats op de wereld. Iets wat hij nog eens extra onderlijnt met een foto uit de oude doos op de cover ervan. We zien zijn eigenfamilie, vereeuwigd tijdens één of ander boottochtje. Een idyllisch tafereeltje voorwaar, ware het niet, dat in het midden van de foto het beeld van één familielid compleet vervaagd blijkt. Als een geest bepaalt het onze laatste – En derhalve blijvende! – indruk eigenlijk zowat volledig…

The Grand Opening, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

JIM SUHLER “Panther Burn” (Underworld Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als we het goed hebben, dan was het uit 2007 stammende “Tijuana Bible” de laatste officiële Jim Suhler-release die ons bereikte. Bijna zeven jaar geleden ondertussen. Een flinke time-out dus, die Suhler zich gegund heeft. Maar dat had zo zijn redenen. De beste man trok tussentijds immers met z’n gerespecteerde collega George Thorogood de hort op. En als lid van diens Destroyers zag hij tussen talloze gigs door grote stukken van de wereld.

Maar nu is hij dus terug, die Suhler. En hoe! “Panther Burn” is een echte dijk van een bluesrockplaat geworden. Boordevol eigen nieuwe nummers en stilistisch gezien hoegenaamd van geen kleintje vervaard. Titelnummer “Panther Burn” is zo bijvoorbeeld een broeierige groover in onvervalste Texas style, “I Declare” – Mede dankzij buitengewoon lekker mondharmonicawerk van Fabulous Thunderbird Kim Wilson! – heerlijke honky-tonk/roadhouse blues en “swampy slow mover” “Across The Brazos” koppelt bedaard poppy pianogepingel aan al even goed hun plaats kennende zydeco-accordeonklanken en een flink stuk extrovertere gitaaruithalen. “Leave My Blues Behind” lonkt R&B-gewijs vervolgens behoorlijk nadrukkelijk richting Memphis, “I See You” schopt in bezwerende shuffle-modus grote klodders deltaklei van z’n boots en de intimistische instrumental “Remember Mama” – Signé Bernstein! – blijkt de enige vreemde eend in de bijt.

En wat houdt Suhler dan nog voor ons in petto? Wel, eerst en vooral, de overheerlijke, zijn twee voornaamste inspiratiebronnen onthullende Americana-schuifelaar “Texassippi”. Dat en het er meteen op volgende en behoorlijk omineus aandoende streepje roots & roll “Sky’s Full Of Crows” zijn misschien wel de twee allerbeste nummers van het uitstekende geheel dat “Panther Burn” al bij al toch wel is. Al zijn het wild (blues)rockende “Between Midnight And Day”, het duidelijk op een Southern rockleest geschoeide “Dinosaur Wine”, het samen met toetsenist Tim Alexander gebrachte “Amen Corner” – De tweede instrumentale hier! –, de met Carolyn Wonderland en Asleep At The Wheel-kopstuk Ray Benson gedeelde gospel-bluessleper “All God’s Children Get The Blues Sometimes”, het op hypernerveuze wijze met “ze fonk” flirtende “Jump Up, Sister” en het afsluitende stampertje “Worldwide Hoodoo” ook absoluut niet te versmaden.

Een comeback in stijl dus!

Jim Suhler, Underworld Records, Sonic Rendezvous

 

ROBERT ELLIS “The Lights From The Chemical Plant” (New West / Warner Music)

(5*****)

In geen tijd stootte “The Lights From The Chemical Plant”, na “The Great Re-Arranger” uit 2009 en het al veel bejubelde “Photographs” van goed en wel twee jaar geleden de ondertussen derde langspeler van de in Texas geboren maar dezer dagen in Nashville wonende singer-songwriter Robert Ellis, door naar de top van de Euro Americana Chart. En dat gebeurde wat ons betreft alvast volledig terecht. Met “The Lights From The Chemical Plant” zet Ellis immers wederom enkele gigantische stappen vooruit. Als geheel klinkt het album daardoor misschien net iets minder strikt Americana dan we dat van hem gewoon waren geworden, maar goed, dat was ‘s mans bedoeling dan ook. Hij had immers vooraf al laten optekenen, dat hij van z’n nieuwe plaat verwachtte, dat ze meer de richting van de Paul Simons en de Randy Newmans, de richting van de andere helft van zijn (muzikale) opvoeding zou uitgaan. En die was nu eenmaal meer geworteld in pop. Wat maakt, dat we veel van het songmateriaal hier – Ondanks een nog redelijk nadrukkelijke Americana-/country-invloed! – menen te mogen situeren in de buurt van knapen als het al genoemde duo, James Taylor en Tom Waits.

In een productie van de onder meer al voor zijn werk met die laatste, maar ook met Norah Jones en met de Kings Of Leon bekende Jacquire King presenteert Ellis ons elf quasi volmaakte liedjes. Bepaald apart en dat zeker niet enkel door zijn opvallende (licht) nasale voordracht. Ellis lijkt hier wel te schilderen met woorden. En met klanken! Zelf speelt hij om te beginnen een meer dan geslaagd potje gitaar. Maar het wonderlijke van zijn muziek schuilt toch vooral in zijn gestoei met diverse invloeden. Het lijkt wel alsof hij over een eerste laagje Americana dan wel pop altijd één of meerdere lagen aan andere muziekelementen heeft willen uitstrijken. Gaande van R&B en soul tot bossa nova en jazz in tal van verschijningsvormen. En precies dat gegeven verleent aan “The Lights From The Chemical Plant” een zinnenprikkelend randje.

Onze lievelingsmomenten: het op bijna dromerige wijze de feestelijkheden voor geopend verklarende en met een zalig streepje pedal steel opgewaardeerde “TV Song”, het bepaald bezwerend werkende, aan het album ook z’n titel verlenende “Chemical Plant”, de bijna misselijk makend mooie ballade “Bottle Of Wine” – Dat verzopen pianootje! Heerlijk gewoon! – en de eigenzinnige Paul Simon-cover “Still Crazy After All These Years”. Die vier verdienen naar onze bescheiden mening de omschrijving “primus inter pares”.

Moordplaat!

Robert Ellis, New West Records

 

CLAY MCCLINTON “Bitin’ At The Bit” (Red Chilli / Sonic Rendezvous)

(4****)

Met “Bitin’ At The Bit” steekt de jonge McClinton de oude voor het eerst echt naar de kroon. Clay McClintons vierde plaat is ontegensprekelijk z’n meest ambitieuze tot op heden. “Out Of The Blue” (2004), “Son Of A Gun” (2006) en “Livin’ Out Loud” (2010) lijken na het horen van dat twaalf songs sterke geheel wel louter als inleiding daartoe te hebben gediend. Als springplank boven één van de smakelijkste Texaanse muzikale gumbo’s van de voorbije jaren… Een uitermate gevarieerd geheel met daarop voornamelijk liedgoed gepend met “vriend van de familie” Gary Nicholson en diverse anderen, maar ook covers van materiaal van z’n ouweheer (het ook in duet met deze laatste gebrachte “Victim Of Life’s Circumstances”), Mickey Newbury (“Just Dropped In”), Elmer Laird (“Poison Love”) en Stephen Bruton (“What A Little God Can Do”).

Nicholson was trouwens behoorlijk alomtegenwoordig, want hij gordde niet enkel geregeld de akoestische gitaar om, maar produceerde “Bitin’ At The Bit” ook. Ander schoon personeel daarop: gitaristen Colin Linden, Bob Britt, Jon Sanchez, James Pennebaker, Guthrie Trapp en Kenny Vaughn, steelgitaarlegende Dan Dugmore, bassisten Steve Mackey en Ed Friedland, drummers Tom Hambridge en Lynn Williams, fiddler Larry Franklin, toetsenman-accordeonist Joel Guzman en backing vocalist Perry Coleman.

Stilistisch gezien bestrijkt McClinton op “Bitin’ At The Bit” ongemeen veel terrein: van klassiek geschoolde country (“Beer Joint”) tot de rockvariant daarop (het lekker twangy gebrachte “Wildflowers” of het met “vaderlief” gedeelde “Victim Of Life’s Circumstances”), van Americana “the Texas way” (de ballades “Sound Of A Small Town” en “A Woman That Can’t Be Explained” of Newbury’s soulvolle klassieker “Just Dropped In”) tot roadhouse rock pur sang (“Stories We Can Tell”), van nadrukkelijk met R&B flirtende stuff (het catchy “Nobody Knows My Baby”) tot enkele datzelfde kunstje ook met Tex-Mex flikkende items (het door Joel Guzmans zoals steeds voorbeeldige accordeonspel flink opgewaardeerde “Hydrated” en zeker ook het superaanstekelijke “Poison Love”), van Zuiders-zomerse roots pop (“What A Little Love Can Do”) tot singer-songwriterspul zoals dat enkel nog in de Lone Star State lijkt te worden gemaakt (het atmosferische, met George Ensle geschreven “Bound For Glory”).

Voor ons is het duidelijk: de omschrijving “de zoon van Delbert” mag vanaf nu echt wel definitief achterwege worden gelaten!

Clay McClinton, Sonic Rendezvous

 

THE PALOMINOS “Come On In” (Randm Records)

(4****)

Mocht dit een vinyl EP’tje geweest zijn, dan was het er eentje van het type, waarvan je er als koper gelijk twee in huis diende te halen, omdat je bij voorbaat al wist, dat je je eerste exemplaar na verloop van tijd toch helemaal grijs zou gaan draaien. Zo goed? Zo goed! Bakersfield twang zoals je er al lang geen meer hoorde. Bij momenten zó vervaarlijk dicht in het kielzog van de grote Buck Owens en z’n Buckaroos, dat je je als luisteraar voorwaar even naar de vroege sixties teruggecatapulteerd waant. Met zanger Lance Hawkins nadrukkelijk in de buurt van diezelfde Owens en Brian Hofeldt van de Derailers, met buitengewoon lekker harmonieerwerk van Thomas Zurek, met doorlopend aanstekelijk twangend snarengerinkel dankzij opnieuw die laatste en met een uitstekende ritmetandem ook in de gedaante van bassist James Zurek en drummer Craig Packham.

Met “Come On In”, “What’s Her Name?”, “No You Don’t”, “It Could Happen To Anyone”, “Macon, Georgia”, “Mr. Used To Be” en “You Provide The Heartbreak (I’ll Provide The Wine)” – Zeven originelen, by the way! – nemen de Palominos je mee op een trip naar véél countryvriendelijkere tijden. Naar de hoogdagen van het genre, toen artiesten nog volop dachten met hun hart en niet met hun portemonnee. En de vier knapen uit San Diego mikken daarbij nadrukkelijk op dansgrage benen. Zo menig een hardhouten vloer zal weldra met hun songmateriaal z’n voordeel gaan doen. Wedden?

Warm aanbevolen aan iedereen met een hart voor traditionele country en met name dan de Bakersfield-variant daarop.

The Palominos, Randm Records, iTunes, NoiseTrade

 

A.J. CROCE “Twelve Tales” (Compass Records / Music & Words)

(4****)

Van alle momenteel musicerende kinderen van bekende muzikale ouders is Adrian James “A.J.” Croce zonder ook maar de minste twijfel onze absolute favoriet. Gelijk al van bij z’n naar zichzelf vernoemde en nog volop in jazzy sferen vertoevende debuut uit ’93 drukten we de beste man hier stevig aan de borst. En – Eerlijk is eerlijk! – die plaat draaien we nu nog altijd zeer geregeld. Iets wat an sich een klein wonder mag heten, gezien het geweldige volume aan nieuwe muziekjes, die we hier wekelijks te verwerken krijgen.

En nu is de zoon van wijlen Jim Croce er dus weer met een nieuwe schijf. En wat voor één! Voor “Twelve Tales” werden klaarblijkelijk kosten noch moeite gespaard. Liefst zes producers huurde de jonge Croce ervoor in. En met elk van hen blikte hij twee tracks in. Met ondertussen wijlen “Cowboy” Jack Clement nam hij op in Nashville, met de al even legendarische Allen Toussaint in New Orleans, met de onder meer om zijn werk met Tom Waits geroemde Greg Cohen in New York, met Kevin Killen in Stamford en met Mitchell Froom en Tony Berg in L.A.

En bij zo’n werkwijze drong er zich hier natuurlijk meteen één vraag nadrukkelijk op: was dat “Twelve Tales” überhaupt wel een album en geen loutere collectie los “songzand”? Zelfs A.J. Croce zelf sprak vooraf immers over “a cohesive collection of six 45’s”. En we waren dan ook zeer benieuwd naar het resultaat van zowat een jaar aan hard muzikantenlabeur. Croce had ons voorheen immers nog nooit echt ontgoocheld. En om maar gelijk met het goede nieuws in huis te vallen: dat doet hij ook nu weer niet. Daaraan kon op de keper beschouwd zelfs zoveel productionele diversiteit niets veranderen. Het leverde zelfs juist één van Croce’s beste albums tot op heden op. Een heerlijk divers geheel, waarvan de afzonderlijke delen wonderwel blijken samen te gaan. En dat gegeven zouden we hier zonder al té veel schroom durven toe te schrijven aan de zang en het pianospel van Croce Jr.

Hoogtepunten werkelijk zat op “Twelve Tales”. Wat Croce tussen Americana, blues, soul, pop en jazz aan kleine songwondertjes opraapt, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Zo waren wij hier bijvoorbeeld behoorlijk ondersteboven van dingen als de dromerige, bij momenten een weinig Beatle-esk aandoende popdeun “Right On Time”, het met “Cowboy” Jack Clement kort voor diens dood ingeblikte en ons tegelijk best wel wat aan de jonge Charlie Rich en aan Dr. John herinnerende “Easy Money”, het van dezelfde sessie stammende en over een aantrekkelijke country beat neergelegde “Momentary Lapse Of Judgement”, het met z’n idool Leon Russell gepende en z’n titel op ongemeen soulvolle wijze helemaal waarmakende “Rollin’ On” en de ook al werkelijk sublieme afsluitende ballade “The Time Is Up”. En dan zouden we bijna nog de fijne country soul van “What Is Love”, de gloedvolle trage “Tarnished And Shining” of het zomers lijzige popfenomeen “Make It Work” vergeten.

Afijn, u heeft het natuurlijk al lang begrepen, dit is een plaat die u maar best niet kan laten liggen. Kwestie van uzelf vooral niet tekort te doen…

Compass Records, Music & Words

 

SONS OF BILL “The Gears EP” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met het zeven tracks tellende EP’tje “The Gears” trachten de nu al enkele jaren vanuit Charlottesville, Virginia de wereld met top-Americana bestokende Sons Of Bill ons het wachten op hun volgende volwaardige langspeler wat aangenamer te maken. Ideaal natuurlijk ook ter ondersteuning van hun net nu lopende Europese tournee, die hen naast naar tal van locaties in de UK en Duitsland onder andere ook naar Oud-Heverlee (Listwaar, 28-02), Leiden (Q-Bus,01-03) en Enschede (Nix en Meer, 03-03) zal brengen.

Op “The Gears” vinden we in afwachting van nieuwe worp “Love & Logic” alvast drie nagelnieuwe liedjes terug. “Brand New Paradigm”, “Road To Canaan” en “Bad Dancer” meer bepaald, die mede door een werkelijk excellente productie van ex-Wilco-lid Ken Coomer uitgroeien tot evenveel nieuwe hoogtepunten op het nog jonge repertoire van de broers James, Sam en Abe Wilson. Drie nummers, die nu al volop doen uitkijken naar de opvolger van het trio “A Far Cry From Freedom”, “One Town Away” en “Sirens”. Vooral “Brand New Paradigm” vinden wij een echte moordsong. Daarin voltrekken de Wilsons het als het ware perfecte huwelijk tussen pop, rock en Americana. “Road To Canaan” is op zijn beurt een prachtige, volop in weemoed zwelgende trage, terwijl het aansluitende, door een sympathieke banjo en dito gitaren aangejaagde deluxe-rockertje “Bad Dancer” wel eens zomaar een hit zou kunnen gaan worden.

Volgemaakt worden de ruim vijfendertig minuten looptijd van “The Gears” met twee live tracks van het tot op heden enkel digitaal verkrijgbare album “With Kerosene Instead”, te weten de “valse trage” “Turn It Up” en de Neil Young-cover “Unknown Legend”, en twee akoestische herinterpretaties van al wat oudere nummers, met name de pianoballade “Santa Ana Winds” en het ook al van “Sirens” stammende “Radio Can’t Rewind”.

Sons Of Bill, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

BILL PRITCHARD “A Trip To The Coast” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Lang, lang geleden viel ik op een zonnige zomerdag tijdens het meepikken van een hoofdstedelijk terrasje als een blok voor ene Angelique. Een echte “coup de foudre” was het. Er was absoluut geen ontkomen aan… De schone uit het gelijknamige liedje van de toendertijd vanuit Frankrijk actieve Brit Bill Pritchard wou me gedurende weken, zelfs maanden maar niet meer loslaten. ’s Mans combinatie van een Frans sixties-popgevoel en eigentijdse Britse singer-songwriterij (inclusief markant rinkelende gitaartjes) deed het hem echt wel volledig voor me. En ik ben hem in de daaropvolgende jaren dan ook vanop een zekere afstand blijven volgen. Iets wat bij nader inzicht zeer lonend bleek. Albums als de compilatie “The Death Of Bill Posters” (met daarop ’s mans eerste twee platen “Bill Pritchard” en “Half Million”), “Three Months, Three Weeks & Two Days”, “Jolie” en het met Daniel Darc gedeelde “Parce Que” zijn zelfs zoveel jaren later ten huize Metten nog altijd erg graag geziene gasten. En lang niet enkel bij mij, durf ik te denken. Hier in België was Bill Pritchard in tegenstelling tot in zijn thuisland immers vrij snel redelijk succesvol. In die mate althans, dat je zijn werk met enige regelmaat op de radio hoorde. En vooral dan “Angelique” natuurlijk…

Nu, zowat een kwart eeuw verder, duikt Bill Pritchard quasi vanuit het niets plots met een nieuwe plaat op. En daarop blijkt zijn al bij al toch wel wat wat aparte aanpak (gelukkig) amper aan charme te hebben ingeboet. Wel integendeel eigenlijk. Pritchard verleidt met een eigenzinnige benadering van het gegeven vintage. Hij laat oude tijden herleven zonder daarbij in anachronismen te moeten vervallen. Zijn alledaagse liedjes over “de liefde en ander leed” in en om Stoke-On-Trent weten als vanouds te beklijven. En of het nu wat vlottere gitaarpopdeunen dan wel melodieuze ballades zijn doet daarbij absoluut niets ter zake. Al na één enkele beluistering vloerde Pritchard ons als in “goede oude tijden”. Met de rinkelende gitaarpopdeun “Trentham”, met het uit hetzelfde vaatje tappende en al even catchy “Yeah Yeah Girl”, met het voorwaar even een weinig richting het muzikale universum van Chris Isaak afdwalende “Posters”, met het door zijn Franse zang met Engelse tongval weer heel even aan het goddelijke “Angelique” refererende “Tout Seul”,… Ach, met zo goed als alles hier eigenlijk. Met een weinig Bill Pritchard als soundtrack lijken veel warmere dagen plots zomaar weer binnen handbereik te liggen… Terrasjesdagen, inderdaad…

Très, très sympa!

Bill Pritchard, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

JOHN GORKA “Bright Side Of Down” (Blue Chalk / Red House / Music & Words)

(4,5*****)

Is het echt alweer vier jaar geleden, dat John Gorka nog eens uitpakte met nieuw materiaal? Dat leek eigenlijk helemaal niet zo. Maar dat heeft allicht veel te maken met het feit, dat we ’s mans laatste studioplaat, “So Dark You See”, zó lang en zó intens zijn blijven koesteren. En misschien ook wel een beetje met zijn vooralsnog als eenmalig te bestempelen project samen met Lucy Kaplansky en Eliza Gilkyson. Van dat multi-getalenteerde collectiefje – Red Horse, remember? – verscheen tussentijds in 2010 immers ook nog een album.

Maar goed, nu is er, na dat zo lange intermezzo, dus “Bright Side Of Down”. Gorka’s inmiddels toch ook alweer twaalfde cd en – Om gelijk maar met het goede nieuws te beginnen! – naar onze bescheiden mening één van z’n beste, misschien zelfs wel z’n allerbeste überhaupt. Twaalf nummers brengt hij erop. Elf daarvan zijn eigen composities, het twaalfde een met nachtegaaltje Amilia Spicer gedeelde en met buitengewoon veel eerbied gebrachte cover van wijlen Bill Morrissey’s “She’s That Kind Of Mystery”. Die Spicer blijkt overigens lang niet de enige getalenteerde gast(e) op “Bright Side Of Down”. Ook Eliza Gilkyson en Lucy Kaplansky (“Bright Side Of Down”), Claudia Schmidt (“Procrastination Blues”), Antje Duvekot (“Really Spring”) en Michael Johnson (“Holed Up Mason City”) zongen graag een mondje mee. En op die manier droegen ze elk hun steentje bij tot een album, dat je wat ons betreft rustig mag omschrijven als “vintage Gorka”. Heerlijke, volledig akoestisch gehouden Americana- en folkliedjes, uiteraard weer grotendeels gedragen door de zalig warm aandoende baritonstem van Gorka zelve en gezegend met uit het leven van alledag gekerfde inhouden. Gorka liet zich daarvoor ditmaal naar eigen zeggen vooral inspireren door een in Minnesota doorgebrachte winter en lente. De overgang van de ijzige diepten van die winter naar een beetje bij beetje wedergeboren aarde tijdens de eropvolgende lente vormt als het ware de rode draad doorheen “Bright Side Of Down”. Al valt de scheidingslijn tussen enerzijds de seizoenen anderzijds het persoonlijke zeker niet altijd even duidelijk te trekken.

En dat levert een – Zoals hier hoger reeds even gesteld! – bijzonder hoogstaand geheel op. Een plaat zonder minpunten, maar ook zonder echte uitschieters. Heel egaal van kwaliteit eigenlijk. Prachtig van begin tot einde. En als we er toch al enkele pareltjes van tussen zouden moeten opduiken, dan zouden het wellicht de volgende liedjes zijn: het accordeongewijs met een subtiele prise cajun-gevoel opgewaardeerde en bedrieglijk opgewekt aandoende “Holed Up Mason City”, het zwaar melancholische, met de dames Gilkyson en Kaplansky gedeelde titelnummer, de prachtballade “Thirstier Wind” en zeker ook het afsluitende “Really Spring”. Uit dat laatste willen we je hier bij wijze van coda vooral de volgende positieve passage niet onthouden: “I will draw the world at morning, coming out of the night,” zingt Gorka erin, “I will draw the world the way it is, but I’ll make it feel alright.” Iets om over na te denken…

John Gorka, Red House Records, Music & Words

 

NINE BELOW ZERO “Don’t Point Your Finger” en “Third Degree” (A&M / Universal UMC)

(4,5***** en 4****)

Na hun vorig jaar al heruitgegeven live-debuut “Live At The Marquee” nu opnieuw een dubbele dosis met extraatjes overladen geremasterde reissues van het indertijd vanuit Londen de wereld met elke release telkens weer even wat beter makende bluesrockcolletiefje Nine Below Zero. Ditmaal gaat het daarbij om de twee eerste studioplaten van het viertal, het al in 1981 verschenen “Don’t Point Your Finger” en het van een klein jaar later daterende “Third Degree”.

Studiodebuut “Don’t Point Your Finger” was in de eerste plaats een poging om het ijzer te smeden toen het nog volop heet was. In het kielzog van “Live At The Marquee” mochten Dennis “The Menace” Greaves en zijn maats zich met betrekking tot (media)aandacht immers heel even “on top of the world” wanen. De legendarische Glyn Johns werd als producer aangetrokken en met hem blikte men in amper twaalf dagen tijd in de vermaarde Olympic Sound Studios in Barnes het fulminante, ook ruim drieëndertig jaar later nog altijd terzake doende “Don’t Point Your Finger” in. Daarop voornamelijk eigen materiaal van de hand van Greaves en z’n maats, onder andere de knappe single “Helen”. Enkel voor “Treat Her Right” en “Rockin’ Robin” ging men muzikaal vreemd.

Als bonus biedt men ons op een bijkomend schijfje de op 24 oktober 1981 voor de BBC in The Granary in Bristol afgewerkte gig aan. Daar bracht men naast een zevental nummers van “Don’t Point Your Finger” ook al enkele voorsmaakjes op het toen nog te verschijnen “Third Degree” (“11+11”, “Sugarbeat (And Rhythm Sweet)” en “True Love Is A Crime” en een heleboel covers van materiaal van anderen. We noemen in dat verband onder meer graag dingen als “Ridin’ On The L&N”, “I Can’t Quit You Baby”, “I Can’t Help Myself” en “Why Don’t You Try Me Tonight”. Alleen al dat laatste viertal maakt het meer dan de moeite waard om een hernieuwde aanschaf van “Don’t Point Your Finger” te overwegen.

En dat geldt op de keper beschouwd eigenlijk al evenzeer voor “Third Degree”. Met als fameuze lijsttrekker de indertijd nog in de pilootaflevering van de cult comedy show “The Young Ones” ten gehore gebrachte single “11+11”! Van dat album krijgen we hier liefst twee versies. De oorspronkelijke – opnieuw met Glyn Johns opgenomen, maar door platenlabel A&M botweg geweigerd vanwege te ruw van geluid – en een met Simon Boswell ingeblikte tweede. Op de eerste van die twee staan met de single “Why Don’t You Try Me Tonight”, “Mama Talk To Your Daughter” en “Johnnie Weekend” een drietal nummers die de oospronkelijk gelanceerde versie niet zouden halen. Ze telde ook één nummer minder en is verder vooral interessant, omdat ze perfect aantoont, hoe bepalend het geluid voor het uiteindelijke eindproduct wel is.

Fans van “new kids in town” The Strypes, maar ook van al wat oudere acts als The Jam, The Truth, The Stones en The Who zullen hier ongelooflijk veel plezier aan beleven. En dan hadden we het nog niet over al die anderen onder jullie, die R&B en blues en de rockvariant daarop een warm hart toedragen!

Nine Below Zero

 

HARPETH RISING “Tales From Jackson Bridge” (Grimm Rising)

(4****)

“Tales From Jackson Bridge”, het toch ook al vierde album van het Amerikaanse folkcollectiefje Harpeth Rising, ontleende z’n titel aan de thuishaven van leadzangeres-violiste Jordana Greenberg. Die Greenberg en haar collega’s kent u misschien nog wel van hun recente bijdrage aan singer-songwriter Tim Grimms laatste cd “The Turning Point”. Voor ons toen alvast aanleiding genoeg om eens wat te gaan grasduinen in het ons voorheen volslagen onbekende verleden van het bandje. En daarin stootten we op drie cd’s: hun titelloze debuut, het knappe “Dead Man’s Hand” uit 2011 en de opvolger daarvan mét David Greenberg van ondertussen goed en wel twee jaar geleden, “The End Of The World”.

Op “Tales From Jackson Bridge” maken Greenberg (viool en zang) en haar collega’s Rebecca Reed-Lunn (banjo en zang), Maria Di Meglio (cello en zang) en Chris Burgess (percussie en zang) het je als luisteraar lang niet altijd even gemakkelijk. Hun klassieke opleiding zorgt ervoor, dat ze vrijwel voortdurend een ongelooflijke expertise etaleren. Dat hun nog jonge leeftijden volledig negerende vakmanschap wordt gekoppeld aan zoveel passie voor muziek, dat je – Moeilijk of niet! – wel mee moet in hun verhaal. Een verhaal, dat sociale commentaren koppelt aan zowel filosofische overpeinzingen als humoristische intermezzo’s. Geen al te lichte kost dus, maar materiaal dat juist wat van je vergt als luisteraar. En dat ook niet enkel wat betreft het inhoudelijke aspect van de liedjes. Ook de muzikale invulling ervan blijkt immers behoorlijk divers. Zich uitstrekkend tussen (old-time en experimentele) folk en bluegrass en klassieke muziek bestrijken de elf songs op “Tales From Jackson Bridge” bij nader inzicht behoorlijk wat terrein. En al helemaal als je weet, dat er regelmatig ook nog eens elementen uit andere genres komen binnenwaaien.

Wat voor ons aan het materiaal op “Tales From Jackson Bridge” z’n charme verleent, zijn enerzijds de indrukwekkende kunstjes van Greenberg en co op viool, banjo en cello, anderzijds hun meerstemmige zang – Bij momenten echt niet van deze wereld! – en hun gevarieerde liedjesmateriaal. Onze luistertips: het naar de Griekse godin van de chaos vernoemde “Eris”, het ook al instrumentale “House Of The Rising Sun” en het speelse (“You Won’t Hear It From Me”).

Bepaald indrukwekkend! En niet meteen vergelijkbaar met iets wat u al kende - u bent bij dezen dus gewaarschuwd…

Harpeth Rising, CD Baby

 

HONEY DON’T “Heart Like A Wheel” (2Dolla Reccas)

(4****)

Bill Powers en Shelley Gray kent u misschien nog wel van hun gewaardeerde bijdrage aan het destijds vanuit Colorado flink aan de weg timmerende bluegrasscollectiefje Sweet Sunny South. Of misschien zelfs wel van hun in 2009 verschenen titelloze debuut samen. Dat was een nog volop bij hun verleden aansluitende lap old-time bluegrass van het werkelijk allerbeste soort. Alleen al de moeite waard voor het sprankelende “You Can’t Get Your Kicks On Route ‘66”!

Die Powers en Gray pakken hier en nu uit met “Heart Like A Wheel”. En die tweede onder de vlag Honey Don’t klinkt beduidend anders dan z’n voorganger. De bluegrass-aanpak van weleer heeft ondertussen moeten wijken voor een veel meer Americana gekleurd geluid. Naar eigen zeggen onder invloed van schoon volk als een Robert Hunter, een John Prine, een John Hartford, Buddy & Julie Miller ook, Finnders & Youngberg en andere muzikale duo’s als Anne & Pete Sibley.

Het resultaat is een heerlijk gevarieerd geheel, dat werkelijk van de eerste tot de laatste tel weet te bekoren. Van de soulvolle trage “Breakin’ Down” tot het lekker rockende “Rock And A Hard Place”. Van het vertederende streepje Americana “Feel Like Going Home” tot de schuifelcountry van titelnummer “Heart Like A Wheel” of de wervelende, zijn titel alle eer aandoende (jam) instrumental “Barry’s Wild Ride”. Van het zachtjes twangend nog steeds een zekere hang naar bluegrass etalerende “Colorado Wine” tot het heel erg rootsy ingevulde, net als “Rock And A Hard Place” flink van gast-fiddle-werk van Betse Ellis van The Wilders profiterende “Playing In The Devil’s Electric Band”. Van het strijdvaardige “Stand Up!” tot een werkelijk onwaarschijnlijk mooie rootspopversie van de Blondie-hit “Heart Of Glass”. Negen nummers en negenmaal prijs ook!

Honey don’t? Naaaaaa…… Honey do! Please, honey do!

Honey Don’t, CD Baby

 

AGGIELAND “You Make My Day” (ICUB4T / Music & Words)

(4****)

Onopvallend goed zijn, kan dat? Luisteren naar “You Make My Day”, het nieuwe album van het duo Aggie de Kruijf-Stephan Jankowski oftewel Aggieland, is die vraag beantwoord weten. Het kan wel degelijk! “Door onze songs delen we met anderen wat ons bezighoudt en drijft,” aldus de Kruijf zelf over de twaalf nieuwe liedjes daarop. En daar menen wij op onze beurt dan weer uit af te mogen leiden, dat de twee echt wel de nodige voldoening uit hun dagdagelijkse bestaan moeten puren. Dat gevoel laten hun liedjes alleszins achter.

De songs op “You Make My Day” spreken hoe dan ook zonder uitzondering aan. En dat niet enkel door hun herkenbare, aan het leven van alledag ontleende thema’s, maar ook – En vooral! – door hun knappe muzikale invulling. Die is als vanouds zeer Amerikaans van concept. Folk- en Americana-georiënteerd, maar evengoed wat poppy, soulvol tot zelfs jazzy bij momenten. Heel erg af! Hemeltergend mooi gezongen (de Kruijf), van groovy snarenwerk (Jankowski) bediend, met als surplus hier en daar een likje sax (Anne Zwaga), wat sfeervolle percussie (Osama Meleegi) of toetsenondersteuning (Mike Roelofs). Voor bas- en drumbijdragen tekenden respectievelijk Paddy van Rijswijk en Sjoerd van Bommel.

Vrijwel uitsluitend eigen liedjes worden zo gebracht. Enkel het afsluitende “You Got To Walk That Lonesome Valley” vormt wat dat betreft een uitzondering. Die door de Kruijf en Jankowski “im Alleingang” gebrachte lezing van een traditionele Amerikaanse hymne behoort meteen ook tot dé absolute topmomenten van “You Make My Day”. Al zijn er dat hier bij nader inzicht best wel veel. Ook liedjes als het soulvol-warmbloedige titelnummer, de ballade “I Tell My Heart”, het verstilde Americana-kleinood “Maybe We’re Not Alone” en vele andere zijn van die aard, dat wij er hier graag de titel van het album voor in de mond zouden willen nemen. Ze kleuren je dag, inderdaad… Warm aanbevolen derhalve ook, dit schijfje!

Aggieland, Music & Words

 

SHANTELL OGDEN “Better At Goodbye” (Hip Farm Chic Records)

(4****)

Vanuit het verre Nashville bereikte ons onlangs het album “Better At Goodbye” van ene Shantell Ogden. Een voor ons nog volslagen nieuwe naam, maar zeker al geen nieuwkomer in het vak meer, die Ogden. Ze debuteerde immers al in 2008 met “Water Through Stone” en liet daarop drie jaar later ook nog “Stories Through Songs” volgen, zo leerde ons een snel rondje googelen. En de titel van dat laatste album vat Ogdens materiaal eigenlijk heel mooi samen. Het vertellen van verhalen via haar liedjes blijkt inderdaad zo’n beetje haar specialisme. Verhalen, opgehangen aan echte emoties, aan het leven zelve als het ware. Verhalen, waarin eerlijkheid nog volop regeert. En als je die dan ook nog eens kan brengen met een stem van het glasheldere kaliber van die van Ogden, dan lijkt de toekomst je wel erg breed toe te lachen. Wij dachten in dat verband bijvoorbeeld heel even aan dames als een Gretchen Peters, een Suzy Bogguss en een Trisha Yearwood. En dat mag je vooral als een serieus compliment beschouwen! Net als die dames brengt Ogden op haar derde “Better At Goodbye” country met zo nu en dan een bescheiden Americana-randje. Heerlijk gezongen, fraai geïnstrumenteerd, gewoon helemaal af eigenlijk. En wij nodigen je dan ook graag uit, om bij gelegenheid vooral eens even kennis te willen maken met dingen als het initieel qua ritmiek een heel klein beetje aan Springsteens “I’m On Fire” herinnerende “Looking For My Last”, de werkelijk wonderschone ballade “Love Shouldn’t Hurt” en het al even beklemmende relaas van een onbeantwoorde liefde “Better At Goodbye”. Voorwaar een hoogst aangename ontdekking, deze Shantell Ogden!

Shantell Ogden

 

TINSLEY ELLIS “Midnight Blue” (Landslide / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat een geweldige plaat alweer, deze nieuwe van Tinsley Ellis! In het gezelschap van de je onder meer ook van zijn werk met Delbert McClinton bekende toetsenist Kevin McKendree, de van de Tedeschi Trucks Band geleende bassist Ted Pecchio en drummer Lynn Williams bewijst de beste man met tien nieuwe nummers van eigen hand andermaal, dat blues rock lang niet zo’n eentonige bedoening hoeft te zijn als veel van zijn even vingervlugge collega’s ons maar al té vaak willen doen geloven.

Bij Ellis draait op “Midnight Blue” juist alles om zoveel mogelijk variatie. Het album biedt als het ware voor elk wat wils: van een heerlijke “slow burner” die zó lijkt te zijn weggeplukt uit de buurt van de legendarische Fleetwood Mac-hit “Need Your Love So Bad” (het magistrale “See No Harm”) tot een al even sympathieke, zich over zo’n typisch gesyncopeerd ritme aandienende Louisiana rocker (“It’s Not Funny”), van groovy soulvol materiaal (“Surrender”, “Peace And Love” en “Harder To Find”) tot onder virtuoos vingerwerk kreunende (blues)rockers (“Mouth Turn Dry” en “That’s My Story”), van een quasi op z’n Texaans aan je voorbij “struttende” kuitenbijter (“The Only Thing”) tot sensuele late night stuff van de werkelijk allerbovenste plank (“Kiss Of Death”). En dan vergaten we bijna nog het misschien wel allerbeste nummer van de plaat! Met name openingsnummer “If The River Keeps Rising”, dat na een elegische akoestische inleiding ontbolstert tot een heerlijke streep roots & roll, met glansrollen voor zowel de gitaar als de stem van protagonist Ellis.

Festivalorganisatoren weten bij deze, wat hun te doen staat…

Tinsley Ellis, Landslide Records, Sonic Rendezvous

 

MIRACULOUS MULE “Deep Fried” (Bronze Rat Records / V2)

(5*****)

De broers Michael J en Patrick Sheehy genieten ten huize Ctrl. Alt. Country al een poosje van een heuse cultstatus. Eeuwige dankbaarheid zijn we de twee met name verschuldigd omwille van hun pioniersrol met betrekking tot de onvolprezen “Spoonful”-reeks van Glitterhouse Records. Zij lagen met hun dj-set tijdens de 2007-editie van het Duitse Orange Blossom Special Festival immers mee aan de basis van die ondertussen al ruim tachtig eenheden tellende droomcollectie vroege soul, 50’s R&B, ranzige funk, garage rock, exotica, titty twisters, oercountry, atypische rock & roll en rockabilly, ska en – op de één of andere, niet altijd even duidelijke manier – aanverwanten.

En de daar toen al geëtaleerde kennis van het verleden resulteert hier en nu in een ronduit sublieme eigen plaat. Een plaat, waarop dat verleden op verbluffende wijze aansluiting met het jaar onzes Heren 2014 weet te vinden. Een plaat, waarop tal van spirituele traditionals intraveneus van een shot vunzigheid worden bediend. “Gospel meets roots & roll and blues,” zoiets… En dan zijn er ook nog de eigen songs van het trio! Dingen als het tegen een met totale waanzin flirtende late sixties beat neergelegde bluesrockertje “Satisfied”, het z’n titel qua uitgestraald beklemmend gevoel alvast alle eer aandoende “Evil On My Mind” en het van een scherp psychedelisch randje voorziene “Country Circuit Preacher”.

“Om op te dansen, te bidden, te vrijen en te vechten!”, aldus het begeleidende schrijven. We hadden het zelf niet beter kunnen omschrijven…

Plaat van het jaar! Nu al zeker weten…

Miraculous Mule, Bronze Rat

 

CLARA HILL “Walk The Distance” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

“Walk The Distance” is naar onze bescheiden mening niet meteen Clara Hills beste album geworden. Na een break van vier jaar hadden we gewoon meer en beter van haar verwacht. Meer songs en melodieën, minder gespeel met geluidjes eigenlijk. Minder geëxperimenteer tout court. Misschien hadden we dan “Walk The Distance” wel stevig aan onze boezem gedrukt. Want zingen kan ze natuurlijk wel, deze Hill. Als ze de melancholische folkpoptoer opgaat, zijn er wat ons betreft zelfs maar weinigen die hetzelfde torenhoge niveau weten te halen. Joni Mitchell, Beth Orton, het zijn zomaar wat namen, waaraan we dan spontaan gaan denken… Maar dan wel met een wat avontuurlijker kantje uiteraard… Jammer dus, dat de ijle klanklandschappen op “Walk The Distance” bijna voortdurend de bovenhand hebben. Daardoor lijken sommige dingen hier voorwaar zelfs niet echt meer van deze wereld. En dat is toch echt waar Hill haar prille jeugd – Waar ze ons hier mee naartoe wil nemen! – heeft doorgebracht. Kortom: wél ideaal om een poosje mee te chillen, maar helaas ook niet meer dan dat…

Clara Hill, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

DAVID GRISSOM “How It Feels To Fly” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met “How It Feels To Fly” is de als sessiemuzikant een waar begrip zijnde Texaanse meester-gitarist David Grissom ondertussen ook al aan zijn vierde plaat voor eigen rekening toe. En het is hoe dan ook zijn sterkste so far geworden! Beter dan zijn in 2008 verschenen debuut “Loud Music”, beter dan “10,000 Feet”, de van een jaar later daterende opvolger daarvan, en ook beter dan de mini “Way Down Deep” van een jaar of twee geleden. Meer dan ooit terend op het werkelijk sublieme snarengeweld van Grissom, maar ook volop ruimte latend voor zijn alsmaar beter wordende songs en dito stem.

“How It Feels To Fly” bevat acht nieuwe studio-opnames van Grissom en verder ook nog vier met z’n band in de vermaarde Saxon Pub in Austin live ingeblikte items. Dat laatste kwartetje bestaat uit een niks minder dan verpletterende versie van de Allman Brothers-klassieker “Jessica”, een al even geïnspireerde wandeling doorheen het je ongetwijfeld ook al van ZZ Top bekende “Nasty Dogs & Funky Kings” en “Way Down Deep” en “Flim Flam” van ’s mans vorige plaat.

Bijzonder lekker spul allemaal, maar voor de echte krenten in de pap verwijzen we je hier toch graag naar het eraan voorafgaande studiomateriaal. Met name de grotendeels akoestisch gehouden en met huisfavorietje Kacey Crowley gedeelde rootsrockballade “Overnight”, de folky blues rock van “Gift Of Desperation” en het met Southern soul flirtende “Satisfied” zijn ronduit briljante deunen. Deunen, die wat ons betreft best de toekomst van Grissom zouden mogen voorspellen. Als hij zich aan Americana waagt, blijkt de “Austinite” immers pas echt op z’n best. Maar goed, da’s een kwestie van smaak natuurlijk… En als u het eerder zou hebben voor het meer rockgeoriënteerde materiaal hier, dan zullen we u daar zeker niet scheef voor bekijken. Ook dingen als het aan een buitengewoon lekkere riff opgehangen lome bluesrockertje “Bringin’ Sunday Mornin’ To Saturday Night”, het wel heel erg nadrukkelijk voor stadiongebruik bestemd lijkende titelnummer, de aanstekelijke Southern roots rocker “Georgia Girl” of de instrumentale blues shuffle Texas style “Way Jose” gaan er immers in als zoete koek.

Joe Ely, James McMurtry, John Mellencamp, de broertjes Bruce en Charlie Robison, Chris Knight, Chris Isaak, John Mayall, de Dixie Chicks, Buddy Guy en vele, vele anderen, ze hadden dus gelijk… Grissom is echt wel “da shit”!

David Grissom, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DIVERSE ARTIESTEN “Songs For Slim, Rockin’ Here Tonight, A Benefit Compilation For Slim Dunlap” (New West / Warner)

(4,5*****)

Van je vrienden moet je het hebben! Meestal gebruiken we die uitdrukking, wanneer we in een eerder cynische bui verkeren, maar niet nu. Wel integendeel eigenlijk! Het was immers bijna aandoenlijk om volgen, hoe maats en collega’s van gitarist Slim Dunlap voor de beste man in de bres sprongen, toen die zowat een jaar geleden na een zware hartaanval gedeeltelijk verlamd achterbleef. Paul Westerberg en de overige oud-Replacements gingen daarbij voorop in de strijd. Zij richtten speciaal voor de gelegenheid de groep waar ook Dunlap ooit nog deel van uitgemaakt had weer op en doken terstond een opnamestudio in. Het resultaat van die sessie, de gelimiteerde “Songs For Slim EP”, bevatte vijf covers, waaronder twee van Dunlap-liedjes. Belangrijker nog was echter, dat daarmee het startschot was gegeven voor een jaar lang aan speciale initiatieven ter ondersteuning van de familie Dunlap, die op die manier het hoofd kon blijven bieden aan plots opduikende zware medische kosten. Na die eerste EP zouden er immers maandelijks nieuwe 7’’-items geveild worden. Gevuld met uitsluitend exclusieve bijdragen van hun hart tonende collega’s-muzikanten als een Jeff Tweedy, een Lucinda Williams, een Steve Earle, een Frank Black, een Craig Finn en een John Doe, die allemaal nummers coverden van Dunlaps twee soloplaten “The Old New Me” en “Times Like This”.

En die worden ons nu verzameld op de dubbelaar “Songs For Slim, Rockin’ Here Tonight, A Benefit Compilation For Slim Dunlap” allemaal in één handig pakketje aangeboden. Naast de al genoemde namen vinden we daardoor op het eerste van twee schijfjes ook nog Chris Mars, Tommy Keene, The Minus 5 Feat. Curtiss A, Tim O’Reagan & Jim Boquist, Jakob Dylan, Joe Henry, Deer Tick met Scott Lucas en Vanessa Carlton, You Am I, Patterson Hood & The Downtown Rumblers, The Young Fresh Fellows en Lucero terug. Op een tweede schijfje prijken nog eens tien bijkomende tracks. Uitsluitend voorheen onuitgegeven spul van Peter Holsapple, John Eller, Soul Asylum, opnieuw The Young Fresh Fellows en Chris Mars, Bee, Louie & Brien, Chan Poling, Frankie Lee, The West Saugerties Ale & Quail Club met in haar rangen de legendarische John Sebastian van The Lovin’ Spoonful en LP.ORG, een gelegenheidscollectiefje samengesteld uit (voormalige) Jayhawks-leden Gary Louris, Marc Perlman, Karen Grotberg en Tim O’Reagan.

Als geheel méér dan de moeite waard dus! Je haalt er immers niet enkel een uitstekende Americana-plaat vol met rariteiten mee in huis, je helpt er tegelijk ook Slim Dunlap en zijn familie een flink eindje mee verder. En dat laatste alleen al zou eigenlijk ruimschoots moeten volstaan om je portefeuille terstond te trekken…

Onze luistertips: de prachtballade “Taken On The Chin, hier in de uitvoering van Joe Henry, een in Steve Earle’s versie ervan ook al bloedmooi “Times Like This”, Lucinda Williams’ buitengewoon geïnspireerde lezing van “Partners In Crime” en “for old times’ sake” uiteraard ook dat “LP.ORG-gevalletje”, “The Ballad Of The Opening Band”.

Songs For Slim, New West Records

 

SHAVER “Shaver’s Jewels – The Best Of Shaver” (New West / Warner)

(5*****)

Als je – Zoals die van het onvolprezen New West Records hier! – het voorrecht geniet om het beste van vijf an sich al uitstekende albums te mogen samenvatten op één enkel geheel, dan resulteert dat bijna als vanzelfsprekend natuurlijk in een superieure nieuwe schijf. En al zeker als je het daarbij hebt over het beste van “Tramp On Your Street”, “Highway Of Life”, “Victory”, “Electric Shaver” en “The Earth Rolls On”, de vijf platen die de legendarische outlaw Billy Joe Shaver en zijn veel te vroeg overleden zoon Eddy tussen 1993 en 2000 samen maakten. Vijf albums, die op de keper beschouwd eigenlijk in geen enkele zichzelf respecterende Americana-collectie zouden mogen ontbreken. Vijf albums boordevol met je meteen naar de strot grijpende countryrockers, tot diep onder je huid gaande ballads en al even beklijvende akoestische spirituele liedjes. Het zelden minder dan briljante handwerk van een meester-songsmid en z’n al even begaafde nazaat, die ‘m bij tijd en wijle flink van jetje gaf op de elektrische.

Zeventien eenheden plukte men van dat geweldige vijftal om er “Shaver’s Jewels” mee te vullen. Van de stomende remake van “Georgia On A Fast Train” en de ondertussen ook zelf tot ware classics uitgegroeide titelnummers van “Tramp On Your Street” en “Highway Of Life” tot het volledig a capella gebrachte “Son Of Calvary”, “You Can’t Beat Jesus Christ”, “Cowboy Who Started The Fight”, het magistrale “Live Forever” en “My Mother’s Name Is Victory” van het aan het laatste woord van dat laatste liedje z’n titel ontlenende “Victory”. Van het recht-toe-recht-aan voortdenderende “Thunderbird”, het zwaar richting blues overhellende “You Wouldn’t Know Love If You Fell In It” en het radiogenieke “Heart To Heart” van het z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “Electric Shaver” tot “Love Is So Sweet”, “Restless Wind”, “You’re Too Much For Me”, “Blood Is Thicker Than Water”, “Leavin’ Amarillo” en het titelnummer van “The Earth Rolls On”.

Niets echt nieuws onder de zon dus, maar wel zeventien lappen zonder meer geweldige Americana. Ideaal als opstapje richting het volledige oeuvre van Shaver of gewoon een heel mooie samenvatting daarvan. Warm aanbevolen!

Billy Joe Shaver, New West Records

 

JOSEPH PARSONS “Empire Bridges” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

De voorbije jaren leek het wel alsof Joseph Parsons meer oog had voor zijn bijdragen aan Hardpan en U.S. Rails dan voor zijn eigen carrière. Maar in die gang van zaken komt nu voorlopig alvast weer even verandering. De uit Philadelphia afkomstige Amerikaanse singer-songwriter, die dezer dagen meer tijd in Europa doorbrengt dan in zijn thuisland, serveert zijn fans op “Empire Bridges” een elf songs tellende collectie liedjesmateriaal, waarvan er heel wat zonder meer tot de beste op z’n nochtans al behoorlijk lang uitvallend muzikaal cv mogen worden gerekend. Heerlijk eerlijke songs zijn het, die beurteling aardig rocken (“Seek The Truth”, “Exhale”, “Live Like The King”, “Shy (Revisited)”, “Leave This Town”), twijfelen tussen traag en snel ( “Dig That Well”, “Endless Sky”) of gewoon onder de noemer ballade vallen (“True”, “Hide Away”, “Minefields”, “The Bridge”). Voor elk wat wils dus eigenlijk. En heus niet enkel voor fans van Parsons en voor liefhebbers van folk rock en Americana! “Empire Bridges” is gewoon een zalige plaat voor onderweg!

Joseph Parsons, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

EMILY SMITH “Echoes” (White Fall Records)

(5*****)

Tussen 2002 en nu bediende de bevallige Emily Smith ons al meermaals van voldoende argumenten om haar als één van de allermooiste folkstemmen van het ogenblik te bestempelen. Met albums als “A Day Like Today”, “A Different Life”, “Too Long Away”, “Traiveller’s Joy” en de met haar wederhelft Jamie McClennan ingeblikte collectie Robert Burns-liedjes “Adoon Winding Nith” wist de Schotse ons telkens opnieuw met spelend gemak te betoveren. En lang niet alleen ons, hoor. Zo werd ze ook in The Guardian bijvoorbeeld al bestempeld als Schotlands meest tot de verbeelding sprekende, jonge zingende liedjesschrijfster. Een héél mooi, maar naar onze bescheiden mening tegelijk ook volslagen terecht compliment.

Op “Echoes”, haar vijfde soloplaat, zoekt nachtegaaltje Smith haar eerste liefde maar weer eens op. In het gezelschap van multi-instrumentalisten als haar echtgenoot en Matheu Watson, bassist Ross Hamilton en percussionist Signy Jakobsdottir en voor de gelegenheid opgetrommelde gasten als Jerry Douglas, Aoife O’Donovan, Kris Drever, Tim Edey, Natalie Haas en Rory Butler slaat ze een brug tussen traditioneel Schots songgoed en Americana. Zelf beschrijft ze wat ze hier doet als zoeken naar “a new Scottish sound”. Een omschrijving, waar – hoe ruim opgevat ze op de keper beschouwd dan ook uitvalt – best wel iets voor te zeggen valt. In al hun ongerepheid blijken het Schotse en het Amerikaanse folkgegeven immers eens te meer behoorlijk wat verwantschap te vertonen en nagenoeg naadloos in elkaar te kunnen overgaan. En dat levert op “Echoes” zo menig een beklijvend momentje op.

Wij noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de moordballade “Twa Sisters”, het werkelijk hartverwarmend mooie “The Final Trawl”, de ook al uitzonderlijk knappe lezing van Darrell Scotts “The Open Door” en het afsluitende, bij Bill Caddick geleende “John O’Dreams”. Voor ons alvast vier uitgesproken gevallen van liefde op het eerste gehoor!

En wij vinden “Echoes” van Emily Smith dan ook niks minder dan een aanrader van jewelste! En dat zowel voor folkadepten, als voor liefhebbers van het werk van dames als een Mary Chapin Carpenter, een Nanci Griffith en een Krista Detor.

Emily Smith, White Fall Records

 

HENRY PRIESTMAN “The Last Mad Surge Of Youth” (Proper Records / Rough Trade-Tone)

(4****)

Deze man kleurde met z’n ongemeen soulvolle popstem mee de nadagen van de eighties. Als lid van de bij momenten onnavolgbare Christians wist hij zich met hitjes als “Forgotten Town”, “Ideal World” en een cover van “Harvest For The World” van de Isley Brothers toen al van een eigen niche in het grote muziekgeschiedenisboek te verzekeren. En daarin blijkt hij ook nu, toch al meer dan vijfentwintig jaar later, nog altijd erg actief. Geheel en al anders dan weleer weliswaar, maar nog altijd meer dan de moeite van een luisterbezoekje waard. Wij zouden zelfs voorzichtig durven te stellen, dat zijn meer eclectische benadering van het gegeven muziek hem voor luisteraars met een open geest allicht alleen nog maar aantrekkelijker maakt. Met de opvolger van zijn ondertussen bijna vijf jaar geleden verschenen solodebuut “Chronicles Of Modern Life” gooit Henry Priestman, want over hem hadden we het natuurlijk al die tijd al, wat dat betreft alvast weer hoge ogen. Dat op vaardige wijze beurtelings uit genres als pop, folk, Americana, blues en uiteraard ook soul puttende geheel staat garant voor ruim drie kwartier lang onverdeeld luistergenot. Rijk aan emoties, pakkende liedjes en zich meteen knus tussen je oren nestelende melodieën. Rijk aan memorabele momenten kortom. Als daar zijn bijvoorbeeld het met subtiel koperwerk onderbouwde en op ingetogen wijze aan zijn eigen moeder opgedragen “At The End Of The Day”, het met een koor van schoolkinderen opgenomen “True Believer”, het “boze”, onder meer fiddle-gewijs nadrukkelijk een zekere hang naar folk etalerende “Goodbye Common Stomp”, het zijn vlag werkelijk alle eer aandoende “Valentine Song” en het introspectieve titelnummer “The Last Mad Surge Of Youth”. Uitstekende plaat!

Henry Priestman, Proper Records

 

OYSTERBAND “Diamonds On The Water” (Navigator Records)

(3,5****)

Het scherpe randje is er zo stilletjesaan wel een beetje van af bij de Oysterband. Maar goed, de dagen, dat men dat gezelschap her en der graag in één en dezelfde adem met de legendarische Pogues mocht vernoemen, liggen ondertussen ook al een flink eind achter ons. En de punky folk van weleer heeft met het verstrijken der jaren moeten wijken voor een veel radiovriendelijkere, nadrukkelijk meer popgeoriënteerde aanpak. En de twaalf songs op “Diamonds On The Water”, de eerste Oysterband-schijf sinds het vertrek van Ray “Chopper” Cooper, kunnen wat ons betreft bijna zonder uitzondering zó op de playlist van zo menig een Radio 1-programma. Met name dingen als het a cappella ingeleide en ook verderop buitengewoon warmbloedig aandoende “A Clown’s Heart”, het bedaard rockende “A River Runs”, de fantastische trage “Lay Your Dreams Down Gently” en het extreem catchy titelnummer, om er maar een paar te noemen, zullen de populariteit van het vijftal met z’n roots in Canterbury allicht alleen nog maar ten goede gaan komen. Opdracht volbracht dus, zeker?

Oysterband

 

TIA MCGRAFF “Break These Chains” (Bandana Records)

(4****)

Tia McGraff schrijft en brengt het soort van liedjes, dat haar vooral in kringen van fans van acts als Mary Chapin Carpenter, Mary Gauthier, Shawn Colvin, Lynn Miles, Katy Moffatt, Patty Griffin en aanverwanten erg populair zou moeten kunnen maken. Rootsy spul dus, dat beurtelings wat meer richting Americana, country, folk, dan wel pop en rock durft te leunen. Vrijwel doorlopend gezegend met sterke teksten en gebracht met een stem, die allicht niemand echt onberoerd zal laten. Zelfverzekerd, doorleefd en pakkend tegelijk. Ideaal eigenlijk voor het brengen van Americana, die op de keper beschouwd ook een wat groter publiek zou moeten kunnen aanspreken. Als een engeltje, dat op je tong piest!

Vergezeld wordt McGraff op “Break These Chains” onder meer door haar wederhelft Tommy Parham en Jonathan Edwards. De eerste tekende voor gitaar- en productiewerk en schreef samen met z’n eega het materiaal voor het album, de tweede liet onder andere gitaar-, bas- en mandolinesnaren spreken. Verder onder andere ook nog mee aan boord: Ian Bell (accordeon), Jim Kimball (uit de band van Reba McEntire / harmonica) en Ellen Day (fiddle).

Fijn plaatje! Onze – naar goede gewoonte ook nu weer geheel en al onverbintelijke – luistertips: het beklijvende folkpoppareltje “Nighthawk”, het met wat bluegrassgevoel besprenkelde “Reckonin’”, het pakkende titelnummer en het radiovriendelijke “Saints And Angels”.

Tia McGraff, CD Baby

 

WYATT EASTERLING “Goodbye Hello” (Phoenix Rising Records)

(3,5****)

De dezer dagen vanuit Nashville actieve Amerikaan Wyatt Easterling zit al ruim dertig jaar in het vak. Hij debuteerde al in 1981 met het album “Both Sides Of The Shore”. Die collectie liedjes zou hem eigenaardig genoeg niet lanceren als artiest, maar indirect wel aan de basis liggen van een carrière binnen het muziekwereldje. Binnen de A&R-afdeling van Atlantic Records meer bepaald en belangrijker nog, als songleverancier voor anderen. Zo hadden onder meer Neal McCoy, Paul Thorn, Joe Diffie, de Sons Of The Desert, Billy Joe Royal en recenter nog Dierks Bentley (“Modern Day Drifter”) en aanstormend talent Robby Hecht het nodige succes met liedjes van Easterlings hand.

Maar de jongste jaren lijkt de beste man toch vooral weer bemoeid om ook voor zichzelf een plaatsje onder de spotlights op te eisen. Sinds het in 2009 verschenen album “Where This River Goes” om precies te zijn. Sedertdien leeft hij weer het leven van de eigentijdse troubadour. En dat is duidelijk een muzikale jas die hem goed zit. Met zijn wollig-warme stem beschikt Easterling immers over een geweldige troefkaart. Vrijwel moeiteloos wist hij ons alvast in te pakken met zijn voortdurend handig tussen Americana en (pop) country heen en weer fietsende liedjes. Enkele daarvan schreef hij samen met getalenteerde collega’s als Paul Jefferson, Drew Womack en Robby Hecht, om er maar enkele op te noemen. Wat maakt, dat hier niet enkel op vocaal en instrumentaal, maar ook tekstueel en muzikaal vlak zo ongeveer alles klopt. “Goodbye Hello” is gewoon af.

En wij zouden het album van hieruit dan ook zonder schroom durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een John Gorka, een Jeff Talmadge, een Greg Trooper en – in iets mindere mate ook – een Marc Cohn. Goed gezelschap, niet?

Wyatt Easterling, CD Baby

 

HALDEN ELECTRIC “Women” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot voor kort absoluut niet vertrouwd was met het werk van de Noorse singer-songwriter Anders Svendsen en z’n band Halden Electric. Mijn nieuwsgierigheid naar de derde van die groep werd eigenlijk vooral gewekt door wat voorafgaand aan de release van “Women” door de spreekbuis van hun platenlabel verspreide lovende woorden. Die had het met betrekking tot Svendsen over “a Leonard Cohen and Neil Young melted into one”. En dat wilde ik natuurlijk wel eens horen. Beide heren zijn immers sinds jaar en dag helden des huizes.

Bleek, dat “Women”, “de moeilijke derde” voor Halden Electric, eigenlijk gewoon twee nieuwe platen ineens bevatte. De ene, de Cohen-schijf zeg maar, telde met “Loving Comes To Life”, “Always You”, “Be For Real”, “Everything You Love”, “Light Your Lantern”, “Good Enough”, “Annie Leaving”, “Move On”, “I Don’t Think It’s Funny”, “Something Less” en “True Love” elf veelal eerder ingetogen gehouden rootsy songschoonheden, die zich op tekstueel vlak voornamelijk bezighouden met het relationele. Liedjes over mannen en vrouwen, hun onderlinge band en alle daarmee samengaande grote en kleinere gevoelens dus. Heel erg herkenbaar allemaal.

CD 2 was geheel en al andere koek. Om die te kunnen inblikken heeft men in de studio op de valreep allicht nog snel het één of andere stopcontact extra dienen te voorzien. “Plugged” is hier inderdaad het sleutelwoord. Dingen als “No More Love”, “These Wounds”, “I Don’t Want To”, “See No Evil”, “All I Ever Needed”, “How Much Attention”, “Somewhere”, “Good To Be Alone” en “Trust Your Love” blijken inderdaad “heel erg Neil Young”. En Crazy Horse! De zang vertoont de nodige “Ähnlichkeiten”, het gitaarwerk zeer zeker ook.

De “buzz” vooraf was dus wel degelijk gerechtvaardigd! En dit moet je mijns inziens dan ook zeker even proberen te beluisteren. Er wacht je – Mocht je Halden Electric net als mij nog niet kennen tenminste! – immers een alleraardigste muzikale verrassing!

Halden Electric, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

BAP KENNEDY “Let’s Start Again” (Proper Records / Rough Trade-Tone)

(4****)

De Noord-Ier Bap Kennedy is wat je noemt een echte topper binnen het (Europese) Americana-gebeuren. Een echte songwriters’ songwriter. Alleen jammer, dat zó weinig mensen dat vooralsnog lijken te willen beseffen… Met “Let’s Start Again”, zijn ondertussen toch ook alweer zesde soloplaat na zijn dagen als kopstuk van rockband Enery Orchard, serveert Kennedy elf bijkomende redenen om hem als liefhebber van het genre onverwijld stevig aan de borst te drukken. Géén gerenommeerde fans als een Steve Earle of een Mark Knopfler in de buurt om een handje toe te steken daarbij ditmaal, maar dat kan de pret absoluut niet drukken. In een gedeelde productie met z’n maat Mudd Wallace en met de nodige hand- en spandiensten van nogal wat lokaal muzikaal talent levert Kennedy z’n misschien wel mooiste plaat tot op heden af. Americana van het betere soort regeert hier. Zonder dat zulks ook maar enigszins beperkend hoeft te werken overigens. Aan stilistische variatie immers bepaald geen gebrek op “Let’s Start Again”. Het zomerse “King Of Mexico” speelt zo bijvoorbeeld nadrukkelijk met uit Midden- en Zuid-Amerika komen aanwaaien muzikale invloeden, “Revelation Blues” en “If Things Don’t Change” blijken schalkse knipogen richting country blues, titelnummer “Let’s Start Again” is knap melancholisch ingevulde singer-songwriter country en het ook al erg breekbaar aandoende “Song Of Her Desire” en “Radio Waves” voegen daar zelfs nog een bescheiden prise popsensitiviteit aan toe. “Heart Trouble” leeft dan weer van een bepaald aanstekelijke Western Swing-invulling, “Under My Wing” is gewoon een héél mooi, héél erg “seventies aanvoelend” popriedeltje, “Strange Kid” “Americana pur”, “Let It Go” klassiek geschoolde trage honky-tonk en “Fool’s Paradise” een in al zijn valse opgewektheid volop aan de zonnige kant van wijlen Willy DeVille herinnerend niemendalletje. Een lekker elftal voorwaar!

“Let’s Start Again” is overigens ook verkrijgbaar in een “Deluxe Edition” inclusief bonus-cd met daarop een verdere voetbalploeg waard aan “classic Bap recordings” à la “Long Time A Comin’”, “Be Careful What You Wish For” en “Domestic Blues”. Doe er vooral je voordeel mee!

Bap Kennedy, Proper Records

 

THE BACKCORNER BOOGIE BAND “Faico Faico” (Suburban Records)

(4****)

Toen ik nog flink wat jonger was, pleegden mijn muziekminnende vrienden en ik dit soort van platen te bestempelen als “dikke schijven”. Albums, bedoelen we dan, waarvan je gelijk al van bij de eerste beluistering ervan wist, dat je er nog heel erg vaak naar terug zou gaan grijpen. En zo eentje is de tweede van The Backcorner Boogie Band dus. “Faico Faico” is kort samengevat één groot feest voor het oor. On-Hollands goed eigenlijk! Met een hart zo groot als zo ongeveer de volledige Zuidelijke helft van de States. Want daar wordt uiteraard ook ditmaal weer het grootste deel van de mosterd gehaald. Zoals voor het in al zijn bezielde zwierigheid nadrukkelijk aan de Black Crowes refererende “Angels”, het ingehouden Southern rockertje “Lost My Job To A Chinaman”, het ongemeen funky uit de hoek komende “When The Day Is Done”, de soulvolle sleper “This Is How It’s Gonna Be” en het als bezeten om zich heen schoppende “Take My Life”. En ook het lijzige “Country Love Affair”, de in ruimschoots voldoende mate met steelklanken besprenkelde (country)ballade “Number 21”, het met blazers onder de steroïden opgewaardeerde en wellicht juist mede daardoor ongemeen catchy werkende “It Is Not So Easy”, de knappe “valse trage” “Wait Till I Get Home”, het ingehouden stompende “Can You Hear It On The Radio” en het vrijwel meteen tot meebrullen uitnnodigende stukje Zuiderse zonnigheid “Home” mogen zó mee in dat rijtje. Eigenlijk wordt er enkel met “The Beat Of Love” even naast de muzikale pot gepiest. Dat in aanstekelijk gitaargerinkel gehulde niemendalletje grijpt immers nadrukkelijk terug naar de late sixties. Maar storen doet dat hier absoluut niet! Wel integendeel! Het is zelfs één van de allermooiste liedjes op “Faico Faico”!

The Backcorner Boogie Band, Suburban Records

 

BIRDS OF CHICAGO “Live From Space” (Birds Of Chicago / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Het verhaal van Jeremy Lindsay en Allison Russell samen wordt er met de dag alleen nog maar mooier op. Hem leerden we ooit kennen via JT & The Clouds, haar via Po’ Girl, maar sinds eind vorig jaar denken we met betrekking tot het tweetal eigenlijk enkel en alleen nog in termen van Birds Of Chicago. Hun toen verschenen debuut was immers meteen een schot in de roos. Een mooie belofte met het oog op hun toekomst samen, zeg maar. En die bracht nog zoveel meer dan aanvankelijk verwacht. Zo gaven de twee elkaar vorig jaar bijvoorbeeld niet enkel hun jawoord, maar is er ondertussen ook reeds een kindje op komst. En ook met hun carrière samen gaat het uitstekend. Ten bewijze daarvan is er hier en nu “Live From Space”. Dat album blikten Russell en Lindsay ergens medio 2013 samen met vijf kompanen in de SPACE in hun huidige thuishaven Evanston, Illinois in. Wat we daardoor aangeboden krijgen is volgens de twee “the cadillac edition” van hun bandje. Het ideale vehikel alleszins ook wat ons betreft voor de catchy liedjes van Lindsay en Russell. Zeventien serveren ze er daarvan. Daaronder ook enkele gloednieuwe en vertolkingen van al wat ouder materiaal van JT & The Clouds en Po’ Girl. Het ene deuntje alleen maar aantrekkelijker dan het andere. Hier moet je wel van houden! Buitengewoon knap, hoe (indie) pop en folk, Americana, doo-wop, soul, gospel en exotica elkaar hier weten te vinden. Dit bruist! Dit stoomt! Dit pakt je! Geen wonder, dat dit album “in no time” wist door te stoten tot de nummer-1-stek in de Euro Americana Chart. En dan kan je wel zeggen, dat er bij het begin van een nieuw muziekjaar meestal niet al teveel concurrentie is, dat doet hoegenaamd niets af aan de kwaliteit van dit uitzonderlijke songzeventiental. Als je dit enkele maanden later zou uitbrengen, dan zou het evengoed richting de top knallen. Zeker weten!

Vanaf eind januari kan je de Birds Of Chicago ook live gaan bewonderen op diverse locaties in onze kontreien. Voor meer info daaromtrent kan je hier terecht.

Birds Of Chicago, Lucky Dice Music

 

THE BELLE GAME “Ritual Tradition Habit” (Boompa Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het klinkt zo op het eerste gehoor misschien nogal eigenzinnig allemaal, maar het is op een wat bevreemdende manier tegelijk ook heel erg catchy, wat de vijf van het Canadese collectiefje The Belle Game op hun debuut “Ritual Tradition Habit” doen. Onder de productionele hoede van de je wellicht onder meer al van zijn werk met de Be Good Tanyas bekende John Raham blikte het kwintet elf heerlijke “soundscapes” in, die je als luisteraar met plezier doen terugdenken aan de topmomenten van zo diverse acts als Mazzy Star, Colourbox, Portishead, de Cocteau Twins, Phosphorescent, Gotye, Selah Sue en andere. Indie rock op zijn allerbest dus, met in de hoofdrol de op de keper beschouwd best wel wat ijl aandoende stem van frontvrouwe Andrea Lo. Die blijkt niet alleen ongemeen performant, maar bij tijd en wijle ook héél erg sensueel. Tegen niet zelden behoorlijk beklemmend werkende popritmes, waarin beurtelings (stevige) gitaren en synths de dienst uitmaken, etaleert Lo met de lenigheid van een keurturnster vocale kunstjes à volonté. Fijne melodieën en intrigerende teksten doen de rest. Onze luistertips: de zwaar verslavende, op melancholisch blaas- en toetsenwerk geënte single “Wasted Lights”, het ook al ongemeen sfeervolle “Tradition” en vooral ook de luidkeels om radioaandacht schreeuwende valse trage “Bruises To Ashes”.

The Belle Game, Sonic Rendezvous

 

FRED EAGLESMITH “Tambourine” (A Major Label / Sonic Rendezvous)

(4****)

Anders dan we dat van Fred Eagslesmith door de jaren heen gewoon zijn geraakt focust ’s mans twintigste, het zonet verschenen “Tambourine”, op de keper beschouwd meer op z’n muzikale aankleding dan z’n tekstuele invulling. Niet dat die teksten plots totaal onbelangrijk geworden zouden zijn of zo, maar toch… “A walk through the garden of rock ‘n’ roll”, noemde Eaglesmith zelf onlangs al het hier gebrachte. Muziek, nadrukkelijk geworteld in de tweede helft van de jaren zestig. En met name dan in “het jaar onzes Heren” 1966. “The year that gave us Bob Dylan’s Blonde on Blonde and Question Mark & The Mysterians.” “Not your typical Eaglesmith” dus. En derhalve vergen de elf nummers op “Tambourine” ook wel enige gewenning. Zelfs voor echte “Fredheads” als ons. Aanvankelijk werkt het enigszins bevreemdend om Eaglesmith een nieuwe niche te horen zoeken ergens tussen pop, rock, soul en R&B. Maar eenmaal de drempel genomen, is het ook ditmaal weer nadrukkelijk genieten geblazen. Voor je het weet ben je verleid door dingen als het zwierig rockende “Nobody Gets Everything”, het quasi op z’n Arthur Alexanders soulvul neergelegde “That’s What You Do”, de prachtballade (met Tejano-ondertoon) “Small Town” of het bezwerende “Whip A Dog”. Benieuwd, of Eaglesmith hiermee eindelijk (dat door hem al zo vaak verdiende) wat ruimere publiek zal weten te bereiken…

Fred Eaglesmith, Sonic Rendezvous

 

JOE NOLAN “Tornado” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Voor de opnamen van zijn nieuwe cd “Tornado” trok de veelbelovende jonge Canadese singer-songwriter Joe Nolan in februari van vorig jaar naar Nashville. Hij hoopte er met zijn landgenoot Colin Linden opnieuw als producer een waardig vervolg te kunnen breien aan “Goodbye Cinderella”. Met dat al in 2011 verschenen album oogstte hij immers (vrij onverwacht) wereldwijd veel bijval. En aangezien je ijzer moet smeden als het heet is… “Tornado” dus… Met naast Linden onder meer ook nog diens Blackie & The Rodeo Kings-collega’s Tom Wilson, Gary Craig en John Dymond aan boord, evenals “strijker” Chris Carmichael, drummer Marco Giovino en toetsenman John Whynot. Met z’n allen gidsten zij de ondertussen nog altijd maar vierentwintig lentes tellende Nolan doorheen elf – Weer zonder ook maar de geringste uitzondering! – prachtige nieuwe liedjes. Nummers, waardoor, als u het ons vraagt, het aantal vergelijkingen met heel erg gerespecteerde collega’s als daar zijn een Elliott Smith, een Bruce Cockburn, een Robbie Robertson en een Bob Dylan alleen nog maar fors zal gaan toenemen. Nummers, gekenmerkt door bepaald niet alledaagse teksten, regelmatig met poëtische inslag. Nummers, die op de keper beschouwd een oude ziel in een jong lichaam doen vermoeden. Heerlijk atmosferisch van aard! Doorgaans genesteld ergens tussen pop, rock, folk en Americana. Wij onthielden na enkele zwaar bewonderende draaibeurten vooral het ons bedaard rockend best wel wat aan Bruce Cockburn (Daar heb je hem al!) herinnerende “Tightrope Dancer”, het in al zijn eenvoud ronduit groots te noemen melancholische titelnummer, het behoorlijk gekweld gebrachte “(I Don’t Want To Wake Up) On The Highway” – Think Jeff Buckley! – en de “breedbeeldpopdeun” “I Know The Difference”. Heerlijk om zó 2014 te mogen inzetten!

Joe Nolan, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

LAYLA ZOE “The Lily” (Cable Car Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: “The Lily”, de nieuwe worp van Layla Zoe, is een ronduit fantastische plaat geworden. Ook daarop grossiert de stemkrachtige Canadese immers weer volop in je meteen naar de keel grijpende blues(rock). Je denkt als toevallige luisteraar bij het horen van zoveel passioneel stemgeweld vrijwel ogenblikkelijk spontaan aan andere grote madammen als een Janis Joplin, een Beth Hart en een Sass Jordan terug. En dat mag wat ons betreft als een serieus compliment worden opgevat. Een mening waarmee we overigens absoluut niet alleen staan. Zo had bijvoorbeeld ook Eric Clapton het in verband met deze samenwerking tussen Zoe en haar vingersnelle Duitse buddy Henrik Freischlader onlangs over “fantastische blues”. En zo is het ook maar net! Zoe haalt hier stemgewijs immers een dik uur lang het onderste uit de kan, terwijl Freischlader alle gitaren, de bas, het drumwerk en wat backing vocals voor zijn rekening neemt. Enkel de je misschien al wel van zijn band bekende Moritz Fuhrhop mag op z’n Hammond-orgel her en der voor wat bijkomende opsmuk zorgen. Elf nummers worden zo in totaal opgedist. Vreemde eenden in de bijt blijken daarbij enkel de bij wijze van opener a capella gebrachte gospel traditional “Glory, Glory, Hallelujah” en het de feestelijkheden op gloedvolle wijze afsluitende Neil Young-eerbetoon “Hey, Hey, My, My”. Tussen die twee uitersten in bevinden zich negen eigen composities. Zoe zorgde voor de teksten, Freischlader voor de muziek. Met als absolute hoogtepunten naar onze bescheiden mening de ongemeen soulvolle, net geen tien minuten halende sleper “The Lily”, het ook al epische proporties aannemende “The Father”, het buitengewoon vaardig met pop en traditionele rock flirtende “In Her Mother’s House”, het behoorlijk dreigend uit de hoek komende “Green Eyed Lover” en het ons qua ritmiek best wel wat aan Stevie Ray Vaughan in z’n hoogdagen herinnerende “Never Met A Man Like You”. Dat moeten zo ongeveer de vijf beste leerlingen uit dit geweldige klasje zijn. Neen, je hoeft echt geen helderziende te zijn, om aan deze artieste een schitterende toekomst te durven toedichten.

Layla Zoe, Cable Records, Sonic Rendezvous

 

D.B. RIELLY “Cross My Heart + Hope To Die” (Shut Up & Play!)

(4****)

Zijn vorige, “Love Potions And Snake Oil”, zat in een leuk blikken doosje, zijn nieuwe, “Cross My Heart + Hope To Die”, valt op door een al even knappe houten verpakking. Zijn vorige was een heel lekker, heerlijk gevarieerd Americana-geheel, zijn nieuwe is dat ook! Gewoon nog een stuk beter dan zijn debuut eigenlijk. En dat wil in dit geval echt wel wat zeggen. D.B. Rielly delivers! Zalig twangende Americana (‘s mans versie van de Bob Seger-hit “Turn The Page”), zydeco (het nagenoeg onweerstaanbare “Wrapped Around Your Little Finger” en “Roadrunner”, een kruisbestuiving van het genre met country), Orbisoneske pop (“Some Day”), ingetogen singer-songwriter stuff (“Come Hell Or High Water”), aanstekelijke (alternatieve) country (het bedaarde “Moving Mountains”), bluesy spul (het door een machtige slide aangedreven “It’s Gonna Be Me”), sixties-georiënteerd rockmateriaal (“Untie Me”), authentieke old-time string band music (“Your Doggin’ Fool”) en folk (het nadrukkelijk met de Keltische genretraditie contact zoekende “Fíorchroí (True Heart)”), Rielly toont zich hier “en passant” van heel wat markten thuis. En dat zowel als zanger, als muzikant (akoestische gitaar, banjo, tamboerijn, accordeon, wasbord, Hammond B3-orgel, penny whistle, drums, shakers) als als songsmid. Mijn zoontje zou zeggen: “Een dikke duim!” En overschot van gelijk daarmee hebben ook, want dit is een echt rootsmuziektoppertje!

D.B. Rielly, CD Baby

 

BORIS MCCUTCHEON AND THE SALT LICKS “Might Crash!” (Frogville / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Nog zo’n kanjer, die eigenlijk nooit teleurstelt! Ook ditmaal weer niet! Wel integendeel zelfs! De twaalf nieuwe liedjes op “Might Crash” behoren wat mij betreft zonder meer tot de allerbeste op het repertoire van Boris McCutcheon. Al zijn ze “this time around” dan ook lang niet allemaal even vrolijk van aard, vanwege geboren uit zware tijden voor onze protagonist en z’n gezin. Of zwarte sneeuw zien als inspiratiebron… Voor een lekker gevarieerd setje, dat wel! Titelnummer “Might Crash” herinnerde ons zo in z’n bedrieglijke vrolijkheid terstond een weinig aan Nick Lowe, “Off The Grid” bleek herfstig melancholische alternatieve country, “On The Beltway” stoeide op catchy wijze met een al bij al wat goedkoop aandoend swingmotiefje en “Harmless Yellow Leaves” verklankte bij wijze van Americana de herfst in al zijn mistroostige kleurenpracht. Het aanstekelijke “Booze Farm” leek ons dan weer te stranden ergens tussen Hiatt en Dylan, “Holding Out” zouden we maar net geen country soul durven te noemen en “Loren Wise” droeg nadrukkelijk sporen van “ze blues”. Verdere absoluut niet te versmaden songschoonheden hier: openingsnummer “Flesh And Dream”, de sfeervolle instrumentale “The Road To Cañoncito”, het mistroostige “Blacksmith”, de ingehouden countryrocker “Lover I’m Taken”, het samen met John William Palmer, Jr. gepende “This Town Is Dead” en een reprise van prijsnummer “Harmless Yellow Leaves”. Afgeklokt op net wat meer dan tweeënvijftig minuten. En die, beste vrienden, blijken keer op keer opnieuw verdomd goed besteed. Doe er vooral jullie voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Boris McCutcheon, Lucky Dice Music

 

DOUG TIELLI “Keresley” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het naar het gelijknamige voorstadje aan de rand van Coventry genoemde tweede album van Doug Tielli is wat je noemt een geval apart. Of je er zomaar iedereen een plezier mee kan doen? Wij durven het van hieruit luidop te betwijfelen. Daarvoor stoeit Tielli wellicht met net wat teveel aparte stijlen tegelijk. Afro, Britse folk, Braziliaanse spirituals, blue-eyed soul, jazz, pop, rock, you name it, he does it. En als het even kan nog in één enkel liedje tegelijk ook. Ongewoon moeilijk en toch ook weer niet. Want da’s nu net het vreemde aan Tielli’s avant-gardistische materiaal. Luister je er een eerste keer naar, dan heb je vrijwel meteen zoiets van “Pfff, straffe kost…” “Art for art’s sake.” Maar als je er vervolgens je tijd voor gaat nemen en alles rustig tot je door laat dringen, dan wordt het plots een geheel en al ander verhaal. Dan krijgen zijn vaak wat dromerig aandoende melodieën en soundscapes plots wel iets aantrekkelijks over zich. Complex verwordt dan eensklaps tot gracieus. Stem, gitaar, percussie en koperwerk worden dan op zonderlinge wijze één. En één met je luisteraarsbewustzijn tegelijk ook. Tielli-songs als zachte balsem voor de ziel. Maar je moet er na die eerste beluistering dan natuurlijk wel wel aan willen…

Doug Tielli, Tin Angel Records, Sonic Rendezvous

 

RODNEY PARKER & 50 PESO REWARD “The Apology: Part 2” (Smith Entertainment)

(4,5****)

Al sinds z’n in 2005 verschenen debuutplaat “Blow The Soot Out” ben ik een onvoorwaardelijke fan van de Texaan Rodney Parker. De beste man ontgoochelde me eigenlijk nog nooit. Luister er het al genoemde album, het ondertussen toch ook alweer vijf jaar oude “The Lonesome Dirge”, “The Apology: Part 1” uit 2010 en “Live In The Living Room” van goed en wel twee jaar geleden maar eens op na en je zal het allicht al snel met me eens zijn: zo klinkt jong Texas op z’n best! Van die heerlijk gruizige vocals, lekker in het gehoor liggend en niet zelden om meezingen brullend tekstmateriaal, bij momenten best wel stevige gitaren, maar ook pedal steel, dobro, banjo, fiddle, accordeon en andere. De hoegenaamd perfecte balanceeract op het slappe koord tussen country en rock! En dat geldt ook voor het op “The Apology: Part 2” gebrachte weer. Dat met de vijf nummers van zijn voorganger tot een full cd opgewaardeerde geheel biedt met “Tongue Tied”, “Things You Make Me Do”, “I Apologize”, “I Thought Your Eyes Were Blue” en “The Corner” vijf nieuwe supersongs. Eén keer horen en je bent geheid verkocht! In een wat rechtvaardigere wereld gingen er hiervan wat mij betreft in no time enkele miljoenen exemplaren over de toog!

Rodney Parker & 50 Peso Reward

 

ERIC BIBB “Jericho Road” (DixieFrog / Bertus)

(5*****)

Magistrale plaat! Eric Bibb hoegenaamd op z’n allerbest! In een productie van de onder meer van zijn werk met Ron Sexsmith bekende Glen Scott en met diezelfde Scott, Victor Wooten, Staffan Astner, Neville Malcolm, Grant Dermody en anderen in steun tekent de beste man hier voor een vijftiental ronduit sublieme rootsmomenten. Met “front & center” uiteraard weer vrijwel voortdurend de eigen heerlijke goudbruine (soul)stem en akoestiche, maar muzikaal gezien zoveel rijker dan veel van zijn eerdere platen. Het bluesgenre op de keper beschouwd eigenlijk enkel en alleen nog gebruikend als uitgangspunt voor een op indrukwekkende wijze muzikale grenzen aan z’n laars lappende roots trip. Afro, funk, R&B, jazz, gospel, folk en pop, ze komen hier elk op hun beurt allemaal wel ergens voorbij en verlenen aan “Jericho Road” mee het open karakter dat Bibb ervoor voor ogen had. De eigenheid vereist voor het uitdragen van z’n pregnante boodschap ook. “Want,” aldus Bibb, “bij dit project draait alles om medelijden, om altijd en overal het juiste ding doen.” “Het gaat om naar de wereld kijken, naar alle moeilijkheden om je heen en er ook iets over willen zeggen.” Een bijzonder geëngageerd geheel dus. Met als absolute hoogtepunten wat ons betreft het ons een weinig aan Curtis Mayfield in z’n seventies-hoogdagen herinnerende “Let The Mothers Step Up”, het echt ongemeen soulvolle, met gastvocalisten Ruthie Foster en Madou Sene gedeelde “Have A Heart”, het al even beklijvende, voor de gelegenheid in kleinere bezetting ingeblikte “Death Row Blues”, het funky “Can’t Please Everybody” en het op erg radiogenieke wijze pop, Afro en roots met elkaar versmeltende “Freedom Train”. Een dikke, dikke aanrader!

Eric Bibb, DixieFrog Records

 

HOWE GELB “The Coincidentalist” (New West / Warner Music Benelux)

(3,5****)

Niet het soort van plaat waarmee je zomaar in één-twee-drie klaar bent, deze nieuwe van Howe Gelb. Neen, daarvoor mag het Giant Sand-kopstuk je als luisteraar wat al té graag op het verkeerde been zetten. Zelf liet hij in verband met wat hij hier doet onlangs de namen van Thelonious Monk, Neil Young en Clint Eastwood vallen, maar aan dat lijstje zouden wij er zonder al te veel moeite direct een handvol toe kunnen voegen. Met als meest prominente waarschijnlijk die van Robbie Robertson en Lou Reed. Maar goed, wat Gelb hier doet valt vooral heel erg moeilijk onder één enkele hoed te vangen. Er gewoon het label Americana opplakken, zoals sommige organisatoren van optredens in de buurt onlangs deden, is de beste man alleszins flink te kort doen. Daarvoor blijkt hij hier een té fervente voorstander van eclecticisme. Volledig solo of in het gezelschap van bassist Thøger Tetens Lund, gitarist M. Ward, drummer Steve Shelley, het stemgeweldige Silver Thread Trio (Gabrielle Pietrangelo, Laura Kepner-Adney, Caroline Isaacs) en gasten als Bonnie “Prince” Billy, KT Tunstall, Andrew Bird, Jon Rauhouse en Luke Bullen legt hij zichzelf muzikaal gezien elf nummers en ruim zesendertig minuten lang allerminst beperkingen op. Van het als eerbetoon aan wijlen George Jones en Merle Haggard voor hun samenwerking op het album “A Taste Of Yesterday’s Wine” bedoelde en met Bonnie “Prince” Billy gedeelde “Vortexas” (Gelbs koosnaampje voor zijn thuishaven Tucson!), een streepje alternatief gecroonde late night bar jazz, tot het bedaard twangende, als het ware van onder een fijn laagje woestijnzand opgediepte rootspopdeuntje “Left Of Center”, van de Americana-trage “Running Behind” tot de sfeervolle, met popster KT Tunstall gebrachte pianoballade “The 3 Deaths Of Lucky”, van het van nogal wat walletjes tegelijk etende alterna-popdonterje “Unforgivable” tot het ons best wel een weinig aan Lou Reed herinnerende titelnummer “The Coincidentalist”, van het al doende ergens tussen rock en alternatieve country strandende “Triangulate” tot “Picacho Peak”, een op z’n Robbie Robertsons parlando gebrachte nachtelijke sleper, van de lijzig swingend ingezette schuifelpop van “An Extended Plane Of Existence” tot het op buitengewoon zwoele wijze voorbijtrekkende “Looking That Way” – Nog zo’n Reediaans riedeltje! – en het afsluitende (jazzmomentje) “Instigated Chimes”, Gelb vergt hier nogal wat (inlevingsvermogen) van je als luisteraar! Aanvankelijk hadden wij het er hier eerlijk gezegd best wel wat moeilijk mee, maar na enkele beluisteringen ging Gelbs wereld plots wel voor ons open en ondertussen mogen we er zelfs al graag in vertoeven. Een groeiplaatje noemen ze zoiets…

Howe Gelb, New West Records

 

MARTYN JOSEPH “Tires Rushing By In The Rain” (Pipe Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

“Tires Rushing By In The Rain” biedt wat mij persoonlijk betreft zo’n beetje het beste van twee werelden. Ik mag mezelf immers graag als een fan van zowel Martyn Joseph als van The Boss beschouwen. En de manier waarop de Welshe songsmid hier de liedjes van de ook door hem heel erg bewonderde Springsteen tackelt is ronduit subliem te noemen. Hij ontdoet ze van hoegenaamd elk beetje overbodige franje en dringt zo op buitengewoon intrigerende wijze tot de essentie ervan door. Met zijn prachtige stem en de eigen akoestische gitaar als zowat zijn enige bondgenoten vergroot hij alle door z’n idool in z’n songs al zo royaal aangereikte emoties alleen nog maar meer uit. En – Eerlijk is eerlijk! – nogal wat liedjes varen daar wel bij. Van wat minder bekende dingen als “Growin’ Up”, “Cautious Man”, “Happy” en “Walk Like A Man” tot kleppers als “Thunder Road”, “The Promise”, “The Ghost Of Tom Joad”, “The River”, “Badlands”, “Factory”, “One Step Up”, “The Rising”, “If I Should Fall Behind”, “No Surrender” en het hier werkelijk overheerlijke “Brilliant Disguise”, zeventien stuks in totaal. “Louter schaduwen van de originelen,” aldus Joseph zelf heel erg bescheiden. Maar wat voor schaduwen! Hier en daar overtreffen ze naar onze bescheiden mening zelfs hun bronnen. En dat wil in dit geval echt wel iets zeggen… Eigenlijk zouden we Joseph dit best wel eens samen met The Boss willen horen doen. Zomaar een ideetje… Maar voor nu nemen we hier graag nog wel een poosje genoegen mee! Echt wel een aanrader van formaat!

Martyn Joseph, Lucky Dice Music

 

PATTY GRIFFIN “American Kid” (New West Records / Import)

(5*****)

Op dit “importje” hebben we wel héél erg lang moeten wachten! Maar goed, moed en volharding – Zo ervoeren we ondertussen uitgebreid! – worden in dezen wel meer dan beloond. We zouden met betrekking tot “American Kid” van Patty Griffin zelfs nu al voorzichtig durven gewagen van onze plaat van het jaar! Twaalf goede redenen geeft de Amerikaanse ons daartoe. De ene al mooier dan de andere. Laten we ze hier samen maar eens even overlopen.

Nummer één is “Go Where You Wanna Go”, een veritabele heerlijkheid van een Americana ballad met Griffin zelf in vocale bloedvorm en Craig Ross, Luther Dickinson en Doug Lancio respectievelijk op gitaar, slide en mandoline volop ten dienste van het liedje. Nummer twee is het wat meer uptempo uitvallende “Don’t Let Me Die In Florida”, dat van dezelfde betrokkenen een bescheiden bluesy touch meekreeg. Nummer drie dan, is naar ons gevoel hét absolute klapstuk op “American Kid”. We hebben het over de buitengewoon atmosferische, met Band Of Joy-collega Robert Plant gebrachte trage “Ohio”. Nummer vier is vervolgens “Wild Old Dog”, een ons best wel wat aan Emmylou Harris herinnerend streepje Americana pur. Voor nummer vijf ging Griffin in de leen bij wijlen Lefty Frizzell. Zijn “Mom And Dad’s Waltz” brengt ze in kleine bezetting met opnieuw Dickinson en Lancio als een de titel ervan alle eer aandoend ingetogen walsje. Voor nummer zes, het ook al zeer ingetogen en op de keper beschouwd behoorlijk folky aandoende “Faithful Son”, schoof opnieuw Plant een stoel bij. En ook voor nummer zeven, de kristalheldere Americana-schuifelaar “Highway Song”, bleef hij nog even in de buurt hangen. Nummer acht is de wat brave beauty “That Kind Of Lonely”, nummer negen de zuivere pianoballade “Irish Boy”, nummer tien het als een soort van meezinger voor “bargebruik” tegen sluitingstijd opgevatte “Get Ready Marie”, nummer elf de spaarzaam aangeklede ballade “Not A Bad Man” en nummer twaalf, “la grande finale”, de Americana torch song “Gonna Miss You When You’re Gone”, een hier terstond het nodige kippenvel veroorzakend vaarwel aan haar eigen vader.

En mocht je daarmee nóg niet genoeg aan je trekken zijn gekomen, dan is er ook nog de “Deluxe Edition” van “American Kid”. De daar aan toegevoegde bonus-dvd bevat naast de verhelderende docu “The Making Of American Kid, An Interview With Patty Griffin” ook nog de mooie videoclip bij het nummer “Ohio” en “hi-res audio playback” van het gehele album.

Een absolute must, noemen ze zoiets waar wij wonen…

Patty Griffin, New West Records

 

MATT THE ELECTRICIAN “It’s A Beacon It’s A Bell” (Matt The Electrician / Lucky Dice Music)

(4****)

Als je Matt “The Electrician” Sever al eens op podia in onze kontreien aantreft, dan is dat doorgaans in z’n dooie eentje, als solo act. En dus weerspiegelden zijn recentere worpen eigenlijk niet echt meer, wat tijdens die optredens aanwezigen te horen kregen. Wat de vanuit Austin actieve songsmid dan weer in een moeilijk parket bracht, als men hem na afloop van zo’n gig vroeg, welke van z’n platen nu het dichtst aansloot bij wat hij net gedaan had. Een vraag, waarop hij met “It’s A Beacon It’s A Bell” eindelijk een eenvoudig antwoord klaar heeft. Daarop vertoont hij zich bij wijze van spreken spiernaakt. “Stripped down to the bone.” De elf liedjes erop zijn er vrijwel zonder uitzondering van het type “alleen ik en mijn gitaar”. Enkel de namen van Amanda Walther en Sheila Carabine, oftewel de dames van Dala, en Dana Falconberry prijken op de gastenlijst. Zij zorgen in respectievelijk “Suitcase” en “Arkansas” voor wat vocale ondersteuning. Maar verder is het hier één en al Sever wat de klok slaat. Die tracht met z’n nieuwste naar eigen zeggen in de voetsporen van de grote Townes Van Zandt te treden. In vaak heel erg persoonlijke liedjes over onder meer zijn familieleven en z’n daardoor lang niet altijd even gemakkelijke bestaan “on the road” focust Sever zoals z’n grote voorbeeld meer dan ooit op de poëtische aard van zijn woorden. En precies dat gegeven maakt van dingen als het titelnummer, het herfstige “Muddy Waters” en andere echte blijvertjes. Dat voel je gelijk al na één enkele beluistering! Minder is daarin voor één keer effectief meer. En véél meer ook! Als de halen van het penseel van een grootmeester roepen Severs woorden op wonderlijke wijze sferen op. En je gaat daardoor als luisteraar als het ware ook zien en voelen wat je hoort. En dat maakt het je op zijn beurt natuurlijk een stuk gemakkelijker om ook wat van jezelf in ’s mans schrijfselen terug te vinden. Móet je als liefhebber van het pure en eerlijke wel van houden. En onvoorwaardelijk, that is…

Matt The Electrician, Lucky Dice Music

 

BOB WOODRUFF “The Year We Tried To Kill The Pain” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Noem dit gerust maar een blij wederhoren! Hadden we hier eigenlijk niet echt meer op gerekend. Want het was ondertussen toch ook alweer een klein half leven geleden, dat de Amerikaanse countryrocker Bob Woodruff ons verblijdde met een stel prima albums. We hebben het dan met name over zijn uitstekende, in 1994 verschenen debuutplaat “Dreams & Saturday Nights” en het naar onze bescheiden mening zo mogelijk zelfs nog wat betere “Desire Road” uit ’97. “But that was then and this is now…” En dat hier en nu heeft met “The Year We Tried To Kill The Pain” een heuse verrassing van formaat in petto: Woodruff in het Zweedse Örebro aan de slag met een uitgelezen selectie aan lokale muzikanten, hier en daar aangevuld met bijdragen van landgenoten van ‘m als een Benmont Tench, een Heidi James en een Rich McCulley. Met die laatste schreef hij overigens ook het zonnig-melancholische “Stand In The Way”, één van de wat ons betreft vele echte blijvertjes op “The Year We Tried To Kill The Pain”. Behoren daartoe verder zeker ook: Woodruffs onwaarschijnlijk mooie trage Americana-cover van “Stop In The Name Of Love” van Diana Ross & The Supremes, het ons (mede door z’n rinkelende gitaarklanken) best wel wat aan de Byrds herinnerende “I’m The Train”, Heartland-rockertjes “I Didn’t Know” en “The Year We Tried To Kill The Pain”, de duistere roots rock van “Feel The Way I Feel”, het soulvolle, ‘s mans flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor de onvolprezen Arthur Alexander weer maar eens onderlijnende “There’s Something There” en het “swampy” stompertje “Bayou Girl”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niks minders op, hoor! Zo ongeveer alles op “The Year We Tried To Kill The Pain” maakt andermaal duidelijk, waarom men Woodruff indertijd graag met groten der aarde als een Steve Earle, een Bruce Springsteen, een John Fogerty, een Roger McGuinn, een Mickey Newbury en een John Prine mocht vergelijken. Leuk lijstje, niet…?

Bob Woodruff, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

LEYLA MCCALLA “Vari-Colored Songs” (DixieFrog Records / Bertus)

(4****)

Ook al zegt haar naam je zo op het eerste gezicht misschien niet direct heel veel, toch is de kans vrij groot, dat je Leyla McCalla al kent. De voorbije twee jaren maakte ze “on the road” immers mee het mooie weer binnen het onvolprezen old-time rootscollectief Carolina Chocolate Drops, waarmee ze verder onder andere ook het fantastische, door Buddy Miller geproduceerde album “Leaving Eden” inblikte. Een leuk opstapje richting haar eigen solodebuut, zo blijkt nu. Met haar eersteling, het ongelooflijk sfeervolle en werkelijk puntgave “Vari-Colored Songs” eert ze wijlen dichter-sociaal activist Langston Hughes. Die lag met zijn werk gedurende de zogeheten Harlem Renaissance in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw mee aan de basis van een nieuwe culturele eigenheid voor zwart Amerika. Wellicht één van de redenen, waarom McCalla door haar ouders al op erg jonge leeftijd met de boeken van Hughes vertrouwd werd gemaakt. Het begin van een liefde voor het leven.

“Vari-Colored Songs” bevat enerzijds muziek geschreven bij Hughes’ gedichten, anderzijds vertolkingen van Haïtiaanse folk songs en eigen originelen. Materiaal, waarin McCalla bij nader inzicht gewoon haar eigen roots exploreert. Haar zoektocht naar haar eigen achtergrond dreef de in New York als dochter van twee Haïtiaanse emigranten geboren kleurlinge in 2010 naar New Orleans. Met name Louisiana, historisch verbonden met de heimat van haar ouders, en z’n grotendeels op het Frans geënte cultuur werkten als een echte magneet op de youngster. En dat zou zo z’n gevolgen krijgen ook. McCalla, een klassiek geschoolde celliste, geraakte al vrij snel na haar aankomst in “N’Awlinz” zwaar in de ban van het lokale geluid van nog vóór het populaire zydecogenre. Creoolse muziek uit lang vervlogen tijden, waarin met name de fiddle een centrale rol speelde.

En schone McCalla toonde zich al snel een goede leerlinge. Gewoon op straat en in tal van lokale clubs werd met veel zin en zwier het zaad voor “Vari-Colored Songs” geplant. Een ongemeen puur album, waarvoor fans van de hier al eerder genoemde Carolina Chocolate Drops wellicht met bosjes zullen vallen vanwege de er in rijke mate op aanwezige elementen uit old-time jazz, blues en country. Maar McCalla heeft in zekere zin wel wat meer te bieden dan de groep waaraan ze haar (weliswaar nog) geringe naambekendheid te danken heeft. Met name het feit, dat ze ook met het muzikale erfgoed van “haar” Haïti en Louisiana aan de slag durft te gaan. Die aanpak resulteert in een als volledig eigen te bestempelen geluid. En dat ondanks het feit, dat het hier oppervlakkig gezien eigenlijk gewoon om grasduinen in het muzikale verleden lijkt te gaan. Je moet het maar doen!

Kort samengevat: “Vari-Colored Songs” kleurt muzikaal sepia. Het is een ouderwets opgevat akoestisch pareltje met de blik op de toekomst gericht. En de jonge McCalla zelf is wat ons betreft wat ze in de States wel eens “a force of nature” durven te noemen. Haar fluwelen stem zal ooit nog eens een vrijgeleide tot de (muzikanten)hemel gaan blijken en haar kunstjes op respectievelijk de cello, de tenorbanjo en de akoestische gitaar hoeven daar al amper voor onder te doen. Bijstand krijgt ze op “Vari-Colored Songs” bovendien onder meer van “Drops”-collega’s Rhiannon Giddens en Hubby Jenkins, pedal steeler Tom Pryor en Luke Winslow-King.

Leyla McCalla, DixieFrog Records

 

ANNIKA FEHLING “Rust & Gold” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als we het hier hebben over eerder kort uitgevallen dingen zoals “Rust & Gold” van de Zweedse Annika Fehling, dan mogen we daarvoor doorgaans graag de term “tussendoortje” in de mond nemen. Bij haar platenlabel, het dezer dagen echt wel enorm actieve Rootsy, zien ze dat echter anders. Daar hebben ze het met betrekking tot de zeven liedjes op Fehlings “nieuwe” worp over “een welgekomen herinnering aan de schatten die we ondertussen misschien wel vergeten waren”, maar evenzeer over “de belofte van een stralende toekomst”. Vertaald naar de inhoud van “Rust & Gold” betekent dat concreet enkele nieuwe songs, onder meer van sessies in Nashville met Will Kimbrough, aangevuld met een stel al wat oudere. Tot die laatste categorie behoren “I Know Better”, een knappe Americana-ballade opgenomen in duet met haar Duitse buddy Markus Rill, en “With Me” en “Lonely Love”, beide ook al van haar vorige plaat “Fireflies”. Nieuw zijn een werkelijk bloedmooie, samen met multi-instrumentalist Peder af Ugglas ingeblikte versie van de traditional “Kristallen den fina”, het zomerse, best wel radiogenieke countrypopdeuntje “Better Learn How To Fly”, de folky trage “Making It Back” en het afsluitende “Blue”, een z’n titel louter sfeergewijs hoegenaamd werkelijk alle eer aandoend kleinood.

Annika Fehling, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JESS KLEIN “Behind A Veil” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Van een groeiplaatje gesproken! Nog met elke nieuwe beluistering van “Behind A Veil” van Jess Klein ga ik er weer wat meer van houden. Een heerlijk gevarieerd geheel is het, dat de Amerikaanse zelf het liefst van al gewoon onder de hoofding rock aangeboden zou zien. Maar voor ons mag je daar toch nog altijd het woordje roots vóór denken, hoor. Roots op z’n Texaans meer bepaald. Want van daaruit – Vanuit Austin, to be precise! – bestormt schone Klein dezer dagen de wereld. Met dingen als het heerlijk scherp rockende, werkelijk onder de elektrische gitaarklanken bedolven “Behind A Veil”, de sublieme, ons best wel wat aan Lucinda Williams herinnerende, soulvolle sleper “Wilson Street Serenade”, de sympathiek twangende countryrocker “Lovers And Friends”, de ook al erg mooie folkpoptrage “Beautiful Child”, het radiogeniek aankloppende stampertje “Tell Me This Is Love”, de verhalende Americana van “Riverview”, de broeierige ballad “Simple Love” en het “popdondertje” “Unwritten Song” en andere staat Klein op “Behind A Veil” garant voor ruim drieënveertig minuten luisterplezier van het allerfijnste soort. Werkelijk alles op haar nieuwe plaat klinkt even verzorgd, even af. En er mag wat ons betreft derhalve ook een dikke pluim op de hoed van Professor Feathers. Die tekende immers voor de buitengewoon fijne productie van het album.

Jess Klein, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DAN BAKER “Pistol In My Pocket” (75 Or < Less Records)

(5*****)

Met z’n eerste twee platen, het in 2008 verschenen “Outskirts Of Town” en het van twee jaar later stammende “Sad Song Junkie”, blies de jonge Amerikaanse songsmid Dan Baker ons al letterlijk compleet van onze sokken. Wij dachten bij het horen van z’n liedjes spontaan aan die van grootheden als een Bob Dylan, een John Prine en een Tom Waits. De man presenteerde zich als een kanjer van een storyteller met bovendien ook een prachtig deuntje in de vingers. En dan was er natuurlijk ook nog die wat aparte, hoogst passionele stem van ‘m. Die paste echt wel uitstekend bij de “Sad Song Junkie” uit de titel van z’n tweede. En – Eerlijk is eerlijk! – ook bij heel wat van het materiaal van z’n nieuwe worp. Dat album, het zopas verschenen “Pistol In My Pocket”, laat een ondertussen weer wat rijper geworden Baker aan het woord. Stilaan een echte meester in z’n vak. Genadeloos pakt hij je als liefhebber van het genre in met liedjes over thema’s als verloren en herwonnen liefde, verraad, wraak en andere. Liedjes, die tegelijk heerlijk rauw en toch ontzettend af klinken. Heel erg doorleefd allemaal ook. In één woord: beklijvend. Met als absolute uitschieters wat ons betreft de zich schaamteloos in weemoed wentelende pianoballade “Coming Home”, het voorwaar zelfs even voorzichtig Springsteenesk aandoende “One Of Them” en het afsluitende “Not Gonna Say It”, een gebroken hart verpakt in een door en door verdrietig wijsje. Top-Americana! Echt vanuit de grond van ons hart aanbevolen!

Dan Baker, CD Baby

 

ED ASKEW “For The World” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Schilder/singer-songwriter Ed Askew moesten we eigenlijk al kennen, werd ons gezegd. Van het in 1967 verschenen cultalbum “Ask The Unicorn” met name. Maar dat was dus niet zo. Wij maakten voor het eerst kennis met de man en zijn muziek naar aanleiding van het onlangs verschenen “For The World”. En dat, beste vrienden, is een erg, erg mooie singer-songwriterplaat. De ondertussen 73 jaar “jonge” Askew nam ze op onder de productionele hoede van de je wellicht ook wel van The Black Swans bekende Jerry David DeCicca. Die omringde Askew voor de gelegenheid met z’n Swans-groepsmaatjes Tyler Evans (banjo, elektrische gitaar, tiple) en Canaan Faulkner (double bass) en verder ook Jay Pluck (piano, ukelele) en Mary Lattimore (harp). Zelf zorgde hij samen met Eve Searls en de onvolprezen Sharon van Etten voor wat backing vocals en ook Tom Waits-gitarist Marc Ribot liet zich graag voor de kar van Askew spannen. Met z’n allen waren zij als het ware bevoorrechte getuigen bij de totstandkoming van een veritabele schoonheid van een plaat. Gevuld met een tiental met de zachte hand en dito stem aan het jachtige canvas van alledag toevertrouwde streepjes (muzikaal-literaire) rust. Compleet onthaaste pareltjes, doorgaans flink weemoedig van aard. Herfstig somber, zeg maar. Buitengewoon fragiel, elegant neergelegd tegen een delicate achtergrond van o.a. piano-, harp-, mondharmonica- en xylofoonklanken. Van een ontwapenende (h)eerlijkheid. Toch die liedjescollectie uit ’67 maar eens even checken dus…

Tin Angel Records, Sonic Rendezvous

 

OF MONTREAL “Lousy With Sylvianbriar” (Polyvinyl / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Ook “Lousy With Sylvianbriar”, de nieuwe van Of Montreal, verschilt naar goede Kevin Barnes-gewoonte weer op heel wat vlakken van zijn voorgangers. Na een korte creatieve break in San Francisco zocht en vond de beste man in z’n thuishaven Athens, GA, de voor een volgende plaat benodigde medestanders in Rebecca Cash (zang), Clayton Rychlik (drums en zang), Jojo Glidewell (keyboards), Bob Parins (pedal steel en bas) en Bennett Lewis (gitaren en mandoline). En mét hen blikte hij die nieuwe schijf vervolgens in amper drie weken in. “Live off the floor.” Gewoon met z’n allen tegelijk in de studio, op die manier elke vorm van corrigerend computergestoei handig omzeilend. “Getting out of it only what was put into it!” Met Barnes weliswaar nog altijd als enige songleverancier, maar toch al met heel veel “speelruimte” voor z’n collega’s. Zij componeerden hun bijdragen als het ware “on the fly”. En dat schoentje paste de ditmaal wel heel erg naar het rockgebeuren van de late sixties neigende songs van Barnes wonderwel. Onder het motto “back to basics” flirten hij en de zijnen op “Lousy With Sylvianbriar” bij momenten behoorlijk ongegeneerd met het muzikale erfgoed van acts als de Stones, Bob Dylan, Neil Young en aanverwanten. Zonder daarbij van hun eigen smoelwerk afstand te doen echter. Of Montreal blijft hier zoals steeds zeer nadrukkelijk Of Montreal. Met de eccentriek snerende Barnes “front and centre”, duidelijk klaar voor een doorbraak op véél grotere schaal. En met de stevig aan z’n kettingen snokkende, nadrukkelijk aan Mick Jagger en co ten tijde van het magistrale “Exile On Main Street” herinnerende eerste single “Fugitive Air” houdt hij daartoe wat ons betreft alvast een serieuze troef achter de hand. Andere echte toppertjes hier: het klaaglijke, met Rebecca Cash gedeelde en onze gedachten een flink eindje richting Gram Parsons en Emmylou Harris stuwende “Raindrop In My Skull”, de groovy Dylaneske woordenvloed “Belle Glade Missionaries” en het enigszins Youngiaanse rockbeest “She Ain’t Speaking Now”.

Of Montreal, Sonic Rendezvous

 

ANDY FAIRWEATHER LOW & THE LOWRIDERS “Zone-O-Tone” (Proper / Rough Trade-Tone)

(3,5****)

De naam Andy Fairweather Low zullen we allicht voor eeuwig en altijd blijven verbinden met enkele van ’s mans allereerste muzikale wapenfeiten, te weten een aantal hits met de groep Amen Corner. En vooral dan de wereldhit “(If Paradise Is) Half As Nice” natuurlijk. In die groep nam Fairweather Low tot 1969 zowel de zang als het nodige gitaarwerk voor zijn rekening. En ook in de ondertussen ruim vier decennia verstreken sinds de split van “The Corner” zou hij allerminst bij de pakken blijven zitten. Via een nieuwe groep – Fairweather, waarmee hij o.a. de hit “Natural Sinner” scoorde – en tal van platen onder eigen naam rolde de beste man na verloop van tijd vrijwel onopgemerkt het wereldje der veel gevraagde sessiemuzikanten binnen. Iets wat uiteindelijk in de vroege jaren negentig zelfs zou leiden tot z’n toetreding tot Eric Claptons begeleidingsgroep. Hij werkte zo onder meer mee aan het prestigieuze “Unplugged” en aan de daaropvolgende albums “From The Cradle”, “Pilgrim”, “Riding With The King”, “One More Car One More Rider”, “Me & Mr. Johnson” en “Back Home”. Daarenboven mocht AFL zich ook graag in het gezelschap van ex-Beatle George Harrison ophouden en was hij al regelmatig te horen als lid van Bill Wyman’s Rhythm Kings. Een bezige bij dus…

Pas in 2006 zou hij zich echter zelf weer aan een nieuw album wagen, “Sweet Soulful Music” met name. Z’n eerste nieuwe in 26 jaar was dat. En meteen ook het voorzichtige eindpunt van die lange periode van “creatieve droogstand”. Zo blijkt althans nu. Met “Zone-O-Tone” verscheen zopas immers opnieuw nieuw werk van Fairweather Low. Daarop twaalf naar eigen zeggen door de soulmuziek van Stax en Atlantic en materiaal van onder anderen de Four Aces, Josef Locke, Johnny Kidd, Lonny Donegan en de Shadows beïnvloede liedjes. Twaalf songs, door AFL (zang, gitaren en ukelele) ingespeeld met z’n Lowriders Paul Beavis (drums en percussie), Nick Pentelow (saxofoon en klarinet) en Dave Bronze (coproductie, bas en zang) en verder ook Paul Carrack (Hammond-orgel) en een uit Matt Winch (trompet), Graham Hughes (sousafoon) en Andy Flaxman (trombone) bestaande blazerssectie. Samen goed voor wat wij een “onopvallend goed” geheel zouden willen noemen. Pretentieloos vermaak ook wel. Het soort van plaat, dat met elke nieuwe beluistering weer wat meer van z’n aantrekkelijke geheimen prijs blijft geven. Heel soulvol bij momenten, maar zeker ook niet van pop- en rockelementen gespeend gebleven. Voormalige broodheer Eric Clapton en labelgenoot Nick Lowe loeren zo bij momenten bijvoorbeeld wel eens om de hoek als ijkpunten. Iets als de van de soul bulkende sing along song “Dance On” zouden wij bijvoorbeeld ook wel aan Lowe durven toe te vertrouwen, terwijl o.a. het vet bluesy “Breakin’ Chains” de oude Slowhand echt wel op het lijf geschreven lijkt. Beide erg leuke momenten trouwens, die liedjes. En dat geldt wat ons betreft zeker ook nog voor het rete-aanstekelijke, als “Dave Edmunds goes New Orleans” verpakte “Roll Ya Activator”, het gospelesk zwierige “Unclouded Day”, het funky “La La Music”, de zomers lijzige ballad “Let Me Be Your Angel” en het net-niet-walsje “Love, Hope, Faith & Mercy”, om er zomaar voor de vuist weg nog een stuk of vijf op te sommen.

Très sympa!

Andy Fairweather Low, Proper Records

 

CHRISTIAN KJELLVANDER “The Pitcher” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Als we “Songs From The Past”, een collectie gewijd aan materiaal daterend nog van voor zijn solodebuut “Songs From A Two-Room Chapel” uit 2003, hier louter gemakshalve even mee mogen rekenen, dan is de Zweed Christian Kjellvander met “The Pitcher” al aan zijn zesde cd toe. En wat voor één! “The Pitcher” is zonder meer één van dé allerbeste platen van het zo stilaan op z’n einde lopende 2013. Met de nodige bijstand van het Gothenburg Symphony Orchestra schildert Kjellvander negen veritabele schoonheden van songs op het uitnodigende canvas van de zich momenteel weer in al haar kleurenpracht aandienende herfst. Strijkers echt wel zat hier! En die verlenen aan zo menig één van de liedjes een behoorlijk monumentaal karakter. Zo goed als alles klinkt eigenlijk even groots. Bijzonder warmbloedig, maar tegelijk vaak ook zwaar weemoedig. Wijds, rauw-ruw, maar ook ontzettend teder. Het grote gebaar absoluut niet schuwend! Men denke bij wijze van referentie bijvoorbeeld aan Tindersticks, maar ook aan Leonard Cohen. Veelal folky balladesk, maar ook met enkele uitschieters richting roots rock, zij het dan wel met verheven karakter. Iets wat alleen nog maar versterkt wordt door de geweldige akoestiek van de plaats van opname, te weten een oude kerk, en de nergens minder dan angelieke duetzang van partner Karla-Therese. Kunst met een hoofdletter K!

Christian Kjellvander, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

CHET O’KEEFE “Because Of You” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Fucking brilliant! Andere woorden heb ik hier niet voor. Een plaat van het kaliber van het allerbeste van – En nu wik ik voor alle zekerheid toch nog maar even mijn woorden! – John Prine, Guy Clark en Townes Van Zandt. Groots in al zijn eenvoud gewoon! O’Keefe blijkt een ware meester-observator. En een wis en waarachtige vriend van het woord ook. Graag bereid tot een humoristische noot op z’n tijd, maar minstens even bedreven in realisme en melancholie. Stemgewijs best wel wat herinnerend aan de al genoemde Guy Clark overigens ook. En dat vind ik allerminst een nadeel! Ik heb het immers wel voor de wollig-warme voordracht van die grootmeester. En voor zijn aanpak! En ook die herken ik op deze derde van Chet O’Keefe terug. De niche, waarin hij hier samen met Thomm Jutz (zang, gitaren en productie), Mark Fain (bas), Lynn Williams (drums) en Kim Richey (backing vocals) actief is, blijkt bij nader inzicht gewoon dezelfde, waarin ook Clark al tot zo menig een hoogstandje kwam: die van de country, de Americana, de folk en zo nu en dan een beetje blues dus. Die van de hedendaagse troubadour ook wel. De troubadour, die vanachter een stel kloeke brilglazen bij elk door hem aanschouwd tafereel vrijwel spontaan in termen van een nieuw liedje gaat denken. En dat levert hier zo menig een echte beauty op! Ik noem in dat verband onder meer graag het vooral inhoudelijk gezien hoogst apart opgevatte drinklied “Drinkin’ Day” (Met de teruggekeerde ex als aanleiding tot!), het levensbeschouwelijke “Blue Martin” en de met Richey en Judd gepende ballade “Oh Angel”. Maar dat zijn dan enkel voorbeelden! Ook de overige zeven liedjes hier zijn immers zonder ook maar de minste uitzondering bloedmooi! Voor mij een uitgesproken kandidaat voor de titel van “Plaat van het Jaar”!

Chet O’Keefe, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

DAYNA KURTZ “Secret Cannon Vol. 2” (Kismet Records / Rough Trade)

(5*****)

Toen ik me hier in juli van vorig jaar boog over “Secret Cannon Vol. 1”, de voorganger van de vandaag het onderwerp van bespreking uitmakende nieuwe van Dayna Kurtz, opende ik mijn stukje daarover met de gevleugelde woorden “What can I say? Een magistrale plaat gewoon, deze nieuwe van de New Yorkse Dayna Kurtz.” En diezelfde woorden zou ik nu eigenlijk gewoon letterlijk kunnen overnemen als inleiding voor een kritische benadering van haar zopas verschenen nieuwe album “Secret Cannon Vol. 2”. Ook dat is immers weer een niets minder dan briljant geheel geworden. Echt kapot ben ik ervan!

Heerlijk gewoon, hoe Kurtz ook ditmaal weer een stel “shoulda-been-standards” van een eeuwig bestaan in de obscuriteit tracht te redden. Met als allermooiste resultaat wat mij betreft de ronduit sublieme trage “Reconsider Me”. Ik kende dat Margaret Lewis-nummer al een poosje in de (best ook wel mooie) versie van Johnny Adams, maar die verbleekt toch flink bij dit vocale hoogstandje! En zo staan er op dit tweede volume van deze hopelijk héél erg lang uitvallende reeks nog een heleboel! Kurtz’ echt wel botergeile renditie van John Watsons “One More Kiss” bijvoorbeeld nog, haar buitengewoon passioneel gecroonde versie van de Hayes-Porter-compositie “Same Time, Same Place” ook en zeker niet te vergeten, het broeierige, op het B-kantje van de Betty Harris-single “Cry To Me” gevonden “I’ll Be A Liar”. Andere “moments musicaux suprêmes”: de door Kurtz zelf aangedragen blues classic in wording “I Look Good In Bad”, het swingende, door Jon Cowherd van geweldig pianowerk voorziene “So Glad”, het nadrukkelijk met de blik op New Orleans gericht gebrachte – en ook al door Kurtz zelf gepende – “If You Won’t Dance With Me”, de “late night scorchers” “All I Ask Is Your Love” en “Go Ahead On” en het afsluitende “I’ve Had My Moments”, een echte dijk van een jazz ballad, dat laatste.

“Echt wel verbluffend mooi allemaal! En doet dan ook nu al volop uitkijken naar door de titel ervan aangekondigde eventuele volgende volumes!” Met die woorden besloot ik zo’n jaar of anderhalf geleden mijn bespreking van voorganger “Vol. 1” en ook die blijken vandaag de dag nog steeds perfect bruikbaar…

Dayna Kurtz

 

PATTY GRIFFIN “Silver Bell” (A&M / Universal Music Group)

(4****)

“There’s a whole lot of singing, that’s never gonna be heard, disappearing every day, without so much as a word,” aldus een bij nader inzicht enigszins visionaire Patty Griffin in “Top Of The World”, een nummer van haar in 2000 opgenomen, maar tot enkele dagen geleden nooit officieel uitgebrachte album “Silver Bell”. De opvolger van het nochtans redelijk succesvolle “Flaming Red” werd één van de vele slachtoffers van een verandering aan de top van A&M Records, haar toenmalige werkgever. Iets wat vervolgens jarenlang een doorn in het oog van Griffins vele fans zou blijven. Zij moesten het immers stellen met regelmatig illegaal op het internet opduikende, kwalitatief helaas niet erg hoogstaande kopieën van het album of zelfs helemaal niets. En dat was best jammer, want “Silver Bell” vormt eigenlijk een soort van scharnierplaat binnen het oeuvre van de zingende liedjesschrijfster. Met dat uitsluitend originelen bevattende, in Daniel Lanois’ Kingsway Studio in New Orleans ingeblikte geheel belandde Griffin duidelijk op een soort van kruispunt in haar carrière aan. De redelijk nadrukkelijk een “Lilith Fair-publiek” op z’n wenken bedienende (rock)artieste moest stilaan wijken voor de (grote) rootsdame, waarvan we met z’n allen door de jaren heen zoveel zijn gaan houden. Samen met gitaristen Doug Lancio en Jay Joyce, bassist Frank Swart, toetsenist John Deaderick en drummer Billy Beard nam Griffin (zang, gitaar en piano) in totaal veertien liedjes op, waarvan er ondertussen al enkele de platen van anderen haalden. Het hoger al even genoemde “Top Of The World” en “Truth #2” belandden zo bijvoorbeeld op “Home” van de Dixie Chicks en titelnummer “Silver Bell” werd nog niet zo heel erg lang geleden opgenomen door Natalie Maines van diezelfde groep voor haar solodebuut “Mother”. Met de kwaliteit van het op Griffins derde gebodene was dus zeker niets mis. En dat mogen wij nu, goed en wel dertien jaar na dato, eindelijk ook met eigen oren gewaarworden. In een nieuwe, wat eigentijdsere mix van Glyn Johns krijgen we niet enkel het al eerder opgesomde drietal geserveerd, maar ook verdere veritabele songschoonheden als het z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “Fragile”, de schitterende pianoballade “Mother Of God”, het ook al behoorlijk ingetogen uit de hoek komende “One More Girl” of het radiovriendlijke “Sorry And Sad”. De rockende Griffin anderzijds deelt onder meer nog redelijk nadrukkelijk de lakens uit in het bezwerende “Little God”, het met snedige gitaren gekruide “Boston” en het met het woord “alternatief” er nogal opvallend overheen gedrapeerd gebrachte “Perfect White Girls”. Onze “plats préférés” hier: het met de grote Emmylou Harris gedeelde “Truth #2” en het sfeermatig klaarblijkelijk wel wat door de klanktapijten van gastheer Lanois beïnvloede “What You Are”.

Patty Griffin

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home