CD-recensies mei 2017

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

LOS CENZONTLES + LOS TEXMANIACS FEATURING FLACO JIMENEZ “Carta Jugada” - DAN MONTGOMERY “Gone” - CALE TYSON “Careless Soul” - JEFFREY HALFORD AND THE HEALERS “Lo-Fi Dreams” - MY DARLING CLEMENTINE “Still Testifying” - SAM BAKER “Land Of Doubt” - DALE BOYLE “Gasoline” - BONNIE PRINCE BILLY “Best Troubador” - CHASTITY BROWN “Silhouette Of Sirens” - TREMOLOCO “Deseo” - GERRY SPEHAR “I Hold Gravity” - CARRINGTON MACDUFFIE “Rock Me To Mars” - TB4Q “All For The Money…” - HAYSEED DIXIE “Free Your Mind And Your Grass Will Follow” - JIM KEAVENY “Put It Together” - WEST OF EDEN “No Time Like The Past – A Collection” - PIERCE EDENS “Stripped Down Gussied Up” - SOUND OF THE SIRENS “For All Our Sins” - MALCOLM HOLCOMBE “Pretty Little Troubles” - BRUCE SUDANO “21st Century World” - JP DE KLERK “Old Cold Church Road” - HEATH GREEN AND THE MAKESHIFTERS “Heath Green And The Makeshifters” - WATERMELON SLIM “Golden Boy” - KENNY WHITE “Long List Of Priors” - ANNIE GALLUP “Lucy Remembers Her Father” - MOUTHS OF BABES “Brighter In The Dark” - BRIDGET KEARNEY “Won’t Let You Down” - JASON MCNIFF “Rain Dries Your Eyes” - ROBYN HITCHCOCK “Robyn Hitchcock” - CORDOVAS “Cordovas” - TAMI NEILSON “Don’t Be Afraid” - RIVER ZYDECO BAND “Down The Line” - GARLAND JEFFREYS “14 Steps To Harlem” - MONSTER MIKE WELCH AND MIKE LEDBETTER “Right Place, Right Time” - WESLEY STACE “Wesley Stace’s John Wesley Harding Featuring The Minneapolitan Sounds Of The Jayhawks” - HANNAH ALDRIDGE “Gold Rush” - RODNEY CROWELL “Close Ties” - BROCK ZEMAN “The Carnival Is Back In Town” - BRENT MOYER “Music Tells The Truth” - MARK PORKCHOP HOLDER “Let It Slide” - CHRIS BERGSON BAND “Bitter Midnight” - DON ANTONIO “Don Antonio” - MIKE TEARDROP TRIO “Hangin’ Around” - CORMAC O CAOIMH “Shiny Silvery Things” - SHARON SHANNON “Sacred Earth” - TIM O’BRIEN “Where The River Meets The Road” - ERIC BIBB “Migration Blues” - TIM GRIMM AND THE FAMILY BAND “A Stranger In This Time” - BIG TIME BOSSMEN “Working On A Plan” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Souvenir” - CARRIE ELKIN “The Penny Collector” - NATHAN BELL “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” - HEIGH CHIEF “Heigh Chief” - OH SUSANNA “A Girl In Teen City” - LYNN MILES WITH KEITH GLASS “Road” - LEVI PARHAM “An Okie Opera” - CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “A Song I Can Live With” - BILL KIRCHEN AND AUSTIN DE LONE “Transatlanticana” - DE KAT “DE KAT II” - REBECCA LOEBE “Blink” - LEE PALMER “Bridge” - CHUCK PROPHET “Bobby Fuller Died For Your Sins” - GUY VERLINDE AND THE HOUSEROCKERS “How How How” - CHILLI WILLI AND THE RED HOT PEPPERS “Real Sharp” - JIM LAUDERDALE “London Southern” - NED ROBERTS “Outside My Mind” - MATT HAECK “Late Bloomer” - LOWLANDS AND FRIENDS “Play Townes Van Zandt’s Last Set” - MERCY JOHN “This Ain’t New York” - RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “My Way Or The Highway” - AD VANDERVEEN “Worlds Within” - TOM PAXTON “Boat In The Water” - THE SADIES “Northern Passages” - NIKKI LANE “Highway Queen” - SEAN WEBSTER BAND “Leave Your Heart At The Door” - TINEZ ROOTS CLUB “Have You Heard?!” - TORGEIR WALDEMAR “No Offending Borders” - JUDE JOHNSTONE “A Woman’s Work” - MATT WATTS “How Different It Was When You Were There” - TRICCA MCNIFF “Southern Star” - RIANTO DELRUE “Riding For A Fall” - MATT HANNAH “Dreamland” - MANITOBA HAL “Live In Ghent” - LEVI CUSS “Night Thief”

 

LOS CENZONTLES + LOS TEXMANIACS FEATURING FLACO JIMENEZ “Carta Jugada” (Los Cenzontles)

(4****)

Van een dream team gesproken! Dit moet zo ongeveer de uitgekomen natte droom zijn van zowat elke liefhebber van Tex-Mex en aanverwanten. Een samengaan van het Mexikaans-Amerikaanse rootscollectiefje Los Cenzontles, de uit Max en Josh Baca bestaande Los Texmaniacs en accordeonlegende Flaco Jiménez, neen, veel beter worden ze niet gemaakt. Acht tracks en zo’n vijfentwintig minuten lang word je hier als fan van het genre echt op je wenken bediend. Doorgaans heerlijk swingend, zo nu en dan ook wat ingetogener, maar altijd weer innemend.

Met als voornaamste trekpleisters niet enkel de elkaar fantastisch aanvullende accordeons van Flaco Jiménez en Josh Baca maar ook de fraaie stemmen van Fabiola Trujillo, Lucina Rodriguez, Eugene Rodriguez en Max Baca en een handvol uitstekende composities. Keurig verdeeld over twee helften overigens. Een primera parte bestaande uit het viertal “Que Sacrificio”, “Libro Abierto”, “Hermosísimo Lucero” en titelstuk “Carta Jugada”, opgenomen in San Pablo. Een segunda parte met nog eens vier nummers, het sprankelende “La Traicionera”, de traditional “Los Juiles”, “Nomás Las Mujeres Quedan” en “Una Página Más”, ingeblikt in Berkeley.

Zelfs het een average aangename nacht onder de sterren ergens op de grens tussen de States en Mexiko evocerende hoesje is echt mooi.

Los Cenzontles

 

DAN MONTGOMERY “Gone” (Fantastic Yes)

(4****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten dat wij hier een serieuze boon hebben voor de Amerikaanse singer-songwriter Dan Montgomery. Door de jaren heen prezen we de beste man reeds herhaaldelijk voor zijn werkelijk uitstekende platen. En daarin zal zo snel ook geen verandering komen, zo blijkt. “Gone”, de zonet verschenen opvolger van “Sin, Repent, Repeat” van drie jaar geleden, is immers andermaal volop spek naar onze bek. Tien nummers lang Americana en roots rock van de bovenste plank!

Eén van dé absolute topnummers van het lot is het met een stukje Everly Brothers ingezette deluxe-rockertje “Sleeping Beauty”. Da’s echt een oorwurm eerste klas. Andere blijvertjes vonden wij onder meer ook nog het met soulvol blaaswerk opgewaardeerde “Gettin’ Up”, het echt ongemeen snedig rockende titelnummer, valse trage “Tonight”, het met Candace Maché gedeelde streepje country “Look At Us Now” en het de feestelijkheden op bedaarde wijze afsluitende “A Little Tear”.

“Gone” werd ons aangereikt als een “rauwe plaat vol desoriëntatie, verloren liefde en uiteindelijk aanvaarding” en dat allemaal “met een dreunende back beat”. En daar valt op de keper beschouwd best wel iets voor te zeggen ook. Zeker op basis van messcherp gebrachte deunen als “Gone”, “Desperation Row”, “Call Up Work” en “Gotta Go” dan. Wat van “Gone” wat ons betreft echter de lekkere plaat maakt die het echt wel is, is dat Montgomery gezorgd heeft voor de nodige variatie. Dat rendeert duidelijk.

Geproduceerd werd het album door Montgomery zelf en zijn maatje Robert Maché.

Dan Montgomery

 

CALE TYSON “Careless Soul” (Clubhouse Records / CRS)

(4****)

Na enkele, later tot het album “Introducing Cale Tyson” gebundelde EP’s pakt die jonge Amerikaan nu uit met zijn eerste echte volwaardige langspeler. En dat is opnieuw een echt snoepje geworden. Ear candy, zeg maar. Anders dan voorheen, maar nog altijd ronduit geweldig. Opgenomen in de vermaarde FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama en mede als een gevolg daarvan echt bulkend van de soul. Nog altijd met voldoende traditionele countryelementen aan boord om zijn fans van het eerste uur niet te schofferen, dat wel, maar veel en veel soulvoller gebracht.

En dat levert zo menig een beklijvend momentje op. We noemen er enkele. Om te beginnen het zomerse, aangejaagd door sympathieke blazers tot volop meezingen uitnodigende titelnummer. Of het zwierige, ons wat aan Gram Parsons in betere tijden herinnerende “Easy” zeker ook. Of de werkelijk piekfijne ballad “”Traveling Man”. En dan hadden we het nog niet over de echt wel volop op soul inzettende schuifelaar “Pain In My Heart” en het volop onder dezelfde noemer vallende “Dark Dark”, over het naar onze bescheiden mening zeer radiogenieke “Staying Kind” of over het wervelende “Railroad Blues”.

Kan als antidotum voor alles wat dezer dagen in Nashville voor country moet doorgaan absoluut tellen, dit schijfje. Doe er dan ook vooral snel je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

Cale Tyson, Bandcamp (CRS)

 

JEFFREY HALFORD AND THE HEALERS “Lo-Fi Dreams” (Floating Records)

(4****)

Achtste album ondertussen voor zingende songsmid Jeffrey Halford en wat voor één! Echt wel bulkend van de sublieme Americana en roots rock met een soulvol dan wel bluesy randje. Tien tracks in totaal die nog maar eens onderlijnen wat voor een geweldige verhalenverteller de Amerikaan wel is. Zijn hem ooit door een collega van het magazine Dirty Linen verleende eretitel van “Hemingway gewapend met een bluesgitaar” doet hij hier weer ruim zevenendertig minuten lang alle eer aan.

In het sympathiek schuddende, net niet met een overdaad aan slide- en harmonicaklanken gelardeerde “Elvis Shot The Television” heeft hij het zo over de laatste dagen van wijlen The King in Vegas, in het ons terloops best wel wat aan Springsteen en Little Steven herinnerende “Door #3” verwordt de liefde tot een prijs in een spelletjesprogramma en voor het bluesy “Good Trouble” liet Halford zich inspireren door de dadendrang van mensenrechtenactivist John Robert Lewis.

Wat vooral opvalt bij het beluisteren van “Lo-Fi Dreams” is het ontzettend warme geluid ervan. En dat blijkt bepaald geen toeval. Halford koos immers bewust voor vintage. En dat zowel wat betreft de door hem gebezigde gitaren als het overige materieel.

Een echt toppertje in een periode sowieso al rijk daaraan!

Jeffrey Halford And The Healers

 

MY DARLING CLEMENTINE “Still Testifying” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Wat voor ex-Good Sons-kopstuk Michael Weston King en zijn zingende wederhelft Lou Dalgleish ooit nog gewoon begon als een soort van nevenprojectje is dat stadium ondertussen duidelijk ontgroeid. Sinds hun debuut in 2011 hebben de twee samen echt een indrukwekkend parcours afgelegd. Honderden van optredens en een paar ronduit uitstekende platen leidden tot een devote fanschare. En dat zowel hier in Europa als stateside. Aan beide kanten van de Atlantic werd er in kennerskringen volop gesmuld van eersteling “How Do You Plead?” en opvolger “The Reconciliation?”.

“Still Testifying”, het ondertussen derde album van het duo, betekent een bescheiden stijlbreuk. De countrypolitan style van beide voorgangers moet hier en nu plaatsruimen voor een sound waarmee je doorgaans in het vakje country soul belandt. Een aardig eindje weg van de steeds opnieuw opduikende vergelijking met George Jones en Tammy Wynette dus. Meer Muscle Shoals dan Nashville alleszins. Al blijft de link met het countrygenre bij tijd en wijle natuurlijk wel nadrukkelijk intact.

Het koperzwangere “The Embers And The Flame” kan als intro al tellen. Na die bedaard swingende opener is meteen duidelijk welke kant het hier op zal gaan. Vervolgens is er de werkelijk bloedmooie ballad “Eugene”. Die herinnert er ons nog maar eens aan, welk een fantastische zangeres Dalgleish eigenlijk wel is. Als diens hoogsteigen Emmylou dwingt ze Michael Weston King in dat fraaie duet als het ware om ver boven z’n eigen vocale begrenzingen uit te stijgen. En dan is er blazersgewijs ook nog een subtiele hint richting New Orleans als knap surplus. Lekker… Echt lekker!

Via de ook al heel erg soulvolle schuifelaar “Yours Is The Cross That I Still Bear”, de alweer ronduit geweldige tranentrekker “Since I Fell For You”, het zomers twangend rondstuiterende “There’s Nothing You Can Tell Me (That I Don’t Already Know)”, en het Dolly Partons bekende songpersonage vanuit een totaal ander perspectief benaderende “Jolene’s Story” belanden we met veel plezier in de tweede albumhelft. Die wordt ingezet met het speels complexe, door gast Geraint Watkins met een fijn streepje accordeon opgewaardeerde “Friday Night, Tulip Hotel”. Vervolgens zijn er nog het volop aan de hoogdagen van het componistenduo Bacharach en David herinnerende “Just A Woman”, het echt op geweldige wijze een brug tussen country en R&B slaande “Tear Stained Smile”, het hoogst aparte slow-walsje “”Two Lane Texaco” en het de samenzangcapaciteiten van het duo nog maar eens vet onderstrepende afsluitertje “Shallow”.

Voor de productie van “Still Testifying” tekenden Weston King en Dalgleish zelf samen met de je wellicht vooral van zijn werk met Nick Lowe bekende Neil Brockbank.

My Darling Clementine, Bandcamp (CRS)

 

SAM BAKER “Land Of Doubt” (Sam Baker)

(5*****)

Voor de opnames van zijn nieuwe cd “Land Of Doubt” trok Sam Baker voor het eerst richting Nashville. En daartoe had de Texaanse songsmid een goede reden ook. Hij zou er immers gaan samenwerken met producer Neilson Hubbard. Dé aangewezen man leek ons voor het nog net wat fijnzinniger uitdiepen van Bakers doorgaans al aardig dicht de perfectie benaderende miniatuurtjes. We hebben het dan over tot hun absolute essentie herleide lyrics gedrapeerd over een al even minimalistisch gehouden folk-rockachtergrond met nadrukkelijke neigingen richting kamermuziek. Poëzie zo ongeveer op z’n sfeervolst.

“Land Of Doubt”, Bakers vijfde cd ondertussen toch ook al, gaat dus nog net iets verder dan zijn vier door zo menig een liefhebber van Americana en aanverwanten op handen gedragen voorgangers. Het album bulkt als het ware van de potentiële klanten voor het programma van elkeen die van zichzelf vindt dat hij valt onder de noemer van de betere late night radio dj. Ongemeen sfeervol luistervoer regeert hier. Vijftien tracks lang in totaal. Tien daarvan zijn gezongen stukken, de vijf andere instrumentale intermezzo’s met een bepaald filmisch karakter.

In zijn teksten blijft Baker daarbij zijn al zo lang gewaardeerde zelve. Nooit zal hij bij het vertellen van zijn verhalen meer woorden gebruiken dan absoluut noodzakelijk. Op die manier houdt hij je als luisteraar nu eenmaal gemakkelijker bij de les. Elke vorm van afleiding wordt als dusdanig immers vaardig omzeild. En of hij het dan heeft over stukgelopen relaties, het tegenovergestelde daarvan, Viëtnam-veteranen, een aan drugs verslaafde alleenstaande moeder, een vreemd huwelijk of andere topics maakt bij nader inzicht eigenlijk amper uit. Baker weet steeds weer te beklijven. Je hangt als luisteraar gewoon aan zijn lippen. Je wordt behoedzaam naar binnen gezogen in zijn geestesspinselen zoals ooit ook in die van Townes Van Zandt.

Bloedmooi. Een ander woord zou hier gewoonweg niet voor volstaan.

Sam Baker

 

DALE BOYLE “Gasoline” (Download only!)

(3,5****)

“Gasoline” is de nog gloednieuwe, vooralsnog enkel als download verkrijgbare EP van de Canadees Dale Boyle. U weet wel, de singer-songwriter die ons in het verleden ook al het knappe albumdrietal “In My Rearview Mirror”, “Small Town Van Gogh” en “Throwback” schonk. De vijf songs voor zijn nieuwe worp nam Boyle op met de LA Rhythm Section. Respectievelijk drummer Kenny Aronoff en bassist James Lorenzo dus, die we kennen uit de entourages van onder meer John Fogerty en John Mellencamp. Zijn landgenoot Geoff Mitchell zorgde bovendien ook nog voor wat toetsenbijdragen.

Aftrappen doet Boyle met titelnummer “Gasoline”, een vurige rootsy rocker op z’n Springsteens. En daarmee blijkt de toon meteen gezet. Ook elders duikt die referentie immers geregeld op. Niet zo echter voor het tweede nummer van het geheel. Dat is een vinnige versie van Neil Youngs klassieker “Heart Of Gold”. Het mooiste nummer van het geheel vinden wij in het zog daarvan “My Birmingham”. Met die ingetoken rockende oorwurm doet Boyle momenteel ons inziens volkomen terecht uitgebreid van zich spreken in de Canadian Songwriting Competition. Bijzonder straf liedje is dat!

En ook het afsluitende duo mag er beslist zijn. “All Gone Now” herinnerde ons zowel aan The Boss als aan Tom Petty en ook de pianoballade “Hard Luck Town” zou absoluut niet misstaan op een plaat van met name de eerste van dat tweetal.

Dale Boyle, CD Baby

 

BONNIE PRINCE BILLY “Best Troubador” (Drag City / Domino)

(5*****)

Van alle albums die hier de voorbije weken de revue passeerden moet dit ondertussen zo ongeveer het  meest beluisterde zijn. En dat kon eigenlijk ook moeilijk anders. Eén persoonlijke held die een andere covert, veel kon er eigenlijk niet misgaan. Het tegendeel leek dan eerder tot de mogelijkheden te behoren. Will Oldhams benadering van het materiaal van zijn idool Merle Haggard zou wel eens iets heel aparts kunnen opleveren. Iets geweldigs. En dat is ook exact wat gebeurde. Een Bonnie Prince Billy remake van iets van wijlen The Hag is nooit zomaar een slaafse kopie. Dat zou van weinig eerbied getuigen. Dit is een eerbetoon van een totaal andere orde.

Al meer dan vijfentwintig jaar lang liet Will Oldham geen gelegenheid onbenut om te verkondigen, hoeveel respect hij wel had voor Merle Haggard. Echt elke kans daartoe was goed om iets van zijn grote voorbeeld te brengen. En dat moest vroeg of laat ook gaan resulteren in een plaat vol met zijn versies van de songs van het countryicoon. Een voornemen waarvan Oldham last minute bijna nog afweek, toen hij het nieuws van Haggards dood vernam. Gelukkig voor ons kwam het uiteindelijk zover niet.

Op “Best Troubador” treffen we daardoor nu eigenzinnige vertolkingen van zestien van ’s mans eigen Haggard-favorieten aan. Liedjes ooit gebracht door The Hag that is, lang niet allemaal van zijn hand. Van bekende, al wat oudere knarren als “The Fugitive” en “That’s The Way Love Goes” tot recenter spul genre “Haggard (Like I’ve Never Been Before)”, “I Am What I Am” en “If I Could Only Fly”, z’n fantastische Blaze Foley cover. Veel wat minder voor de hand liggend spul ook. Eigen favorieten nu eenmaal.

Eén ding hebben alle uitvoeringen alvast met elkaar gemeen: ze profiteren echt volop van de intimistische benadering van Oldham en zijn vele vrienden. Hét grote voordeel van gewoon alles in je eigen thuisstudio opnemen, zo blijkt nu. De daar vastgelegde warmte had men wellicht nergens anders kunnen vereeuwigen. Met dank ook aan de zich wel heel erg betrokken tonende Bonafide United Musicians bestaande uit Van Campbell (drums), Nuala Kennedy (zang en fluit), Danny Kiely (bas), Drew Miller (sax), Cheyenne Mize (fiddle) en Chris Rodahaffer (gitaar en banjo). En aan special guests als de voor het duet “Nobody’s Darling” opgetrommelde Mary Feiock, de “Haggard (Like I’ve Never Been Before)” met BPB delende en eveneens op gitaar presente Emmett Kelly, de “The Day The Rains Come Down” voor zijn rekening nemende A.J. Roach en de z’n weg door “Leonard” heen fingerpickende en zingende Matt Sweeney.

Een veel mooier eerbetoon aan wijlen Merle Haggard kunnen we ons hier amper voorstellen! En een aparter al helemaal niet. Bijzonder warm aanbevolen derhalve ook.

Bonnie Prince Billy

 

CHASTITY BROWN “Silhouette Of Sirens” (Red House Records / Music & Words)

(4****)

De jonge Amerikaanse Chastity Brown heeft duidelijk potentieel. En heel veel potentieel zelfs! Ze is het soort van artieste waarvan je eigenlijk al van meet af aan weet, dat het vakje roots music voor haar veel en veel te eng is. Hoe dan ook te beperkend werkt. Het soort van artieste dat moeiteloos in spagaat gaat over tal van muzikale genregrenzen heen. Zoals bijvoorbeeld ook een Tracy Chapman dat ooit zo goed kon en eigenlijk nog steeds kan. Folk, country, pop, rock, soul, blues, jazz en gospel vallen elkaar op “Silhouette Of Sirens” ongegeneerd in de armen.

Het resultaat? Een hoogst aantrekkelijk geheel dat tien nummers lang weet te boeien. Nee, maak van dat laatste maar te verrukken. Want exact dat is het wat Brown op de keper beschouwd met haar ongemeen soulvolle stem doet. Ze betovert je als luisteraar. Ze neemt je bij de hand en leidt je binnen in haar eigen hoogstpersoonlijke gevoelswereld. Ze stort haar hart over je uit en maakt je deelachtig aan zo ongeveer alles wat haar zelf raakt. Zo ga je onder meer van liefde tot hartzeer en terug. Maar er is natuurlijk nog veel meer dan dat.

Onze luistertips: het op de een of andere manier wat aan iets van Bruce Springsteen ten tijde van “Born In The USA” herinnerende “Colorado”, de radiorijpe akoestische soft funk van “Whisper” en het al even geweldige “My Stone”, dat ons in al zijn ingetogen schoonheid in het hart van het album dieper trof dan wat dan ook hier.

Absoluut niet te missen!

Chastity Brown

 

TREMOLOCO “Deseo” (Casa Julia Records)

(4****)

Het onlangs verschenen “Deseo” is na het wervelende “Dulcinea” uit 2008 en “Salsipuedes” van vier jaar later al het derde album van het vanuit L.A. actieve zevenmanschap van Tremoloco. En ook daarop grossieren kopstuk Tony Zamora en de zijnen weer volop in zo ongeveer alles wat rootsmuziekgewijs goed en fijn is tussn hun afkomst en hun huidige woonplaats. Ruim een uur en dertien tracks lang blinken ze uit in wat de broertjes Alvin tijdens hun hoogdagen bij de Blasters ooit zo treffend omschreven als American Music. Roots rock, R&B, blues, country en folk, allemaal zijn het ingrediënten van een nagenoeg onweerstaanbare muzikale gumbo die al vanaf een eerste beluistering ervan uitnodigt tot herhaald gebruik.

Van het er schokschouderend rockend meteen stevig de zweep opleggende openingsnummer “Alberta” over het wat meer bluesy ingesteld nog wat in dezelfde hoek rondhangende “The Thing About Jane” tot het zich op bezwerende wijze langzaam voortslepende rootsrockreptiel “Kissing Disease”, van de samen met opvallende gaste Teresa James gebrachte countryeske trage “Birmingham” over de sympathieke stamper “How About Alice” tot het behoorlijk zwierig een snuif cajunpeper aan het geheel toevoegende “Heavenly Love”, van het volop op een hete groove terende “Seventh Woman” of de verhalende ballad “Tecumseh’s War (Prairie Girl)” over de catchy country rocker “Goodbye Highway 99” – ook wel The Story Of El Valiente” – en pianoballade “Where Will You Go?” tot het, wat je na het een eerste keer lezen van de titel ervan verwachten zou, niet in Tex-Mexwateren maar ergens “on the R&B side of life” neergelegde “No Bueno” of het afsluitende duo bestaande uit schuifelaar “End Of You” en het zijn titel echt alle eer aandoende “Lonesome Hearted Blues”, hier haal je als recensent met veel plezier nog eens de omschrijving “Alle 13 Goed!” voor boven.

“Deseo” werd ingeblikt samen met onder meer ook nog Rick Shea, Brantley Kearns, Billy Watts en JR Lozano. Voor de productie ervan tekenden kopstuk Tony Zamora en drummer-percussionist David Raven.

Tremoloco

 

GERRY SPEHAR “I Hold Gravity” (Gerry Spehar)

(3,5****)

Jaren geleden besloot singer-songwriter Gerry Spehar zijn carrière voor onbepaalde tijd on hold te zetten. Zijn tomeloze liefde voor zijn college sweetheart Sue en de behoefte om hun kinderen samen een stabiel leven te kunnen bieden deden hem kiezen voor een steady job als bankbediende. Wat echter altijd bleef was zijn behoefte om songs te schrijven. En vroeg of laat resulteert zulks dan altijd weer in het onvermijdelijke… Een return. In Spehars specifieke geval op een wel erg ongelukkig moment.

Wat zijn en Susans eerste moment de gloire als songschrijvend duo had moeten worden, draaide op de valreep totaal anders uit. Terwijl Gerry samen met onder meer de heren van I See Hawks In L.A., multi-instrumentalist Tommy Jordan, fiddler Gabe Witcher en toetsenist Chris Tuttle de laatste hand legde aan z’n comebackplaat “I Hold Gravity” overleed zijn grote liefde aan de gevolgen van kanker. Voor Spehar ongetwijfeld een harde noot om te kraken, maar hij liet er zich niet door van zijn voornemen afbrengen. Meer nog: hij draagt in de liner notes van zijn nieuwe album fase twee van zijn muzikale loopbaan aan zijn overleden wederhelft op. Hij wil, dat ook wij haar door hun liedjes leren kennen. “Through this album may you share my good fortune and know her, too,” luidt het daarom veelbetekenend op het hoesje van “I Hold Gravity”.

In een met Paul Lacques van I See Hawks In L.A. gedeelde productie blikte Spehar in totaal tien liedjes in. En daarin herinnert hij ons mede door zijn manier van zingen beurtelings een beetje aan Robert Earl Keen en Darden Smith. Al gaat Spehar hier muzikaal gezien een stuk breder dan die twee. Openingsnummer “Dirt” is zo bijvoorbeeld een swampy rocker, “Muleshoe Mules” zachtjes voorbij kabbelende Americana, “I Hold Gravity” het ultieme (folky) afscheidsliedje voor zijn Sue, “Be Nemanic” een zwierige country rocker inclusief sympathiek koperblaaswerk, “Holy Moses Doughboy” verhalend singer-songwriterspul pur en “Here In The Pass” een dot van een country ballad. “Mr. & Mrs. Jones” neigt groovegewijs dan weer nadrukkelijk naar country funk, het heerlijke weidse “How To Get To Heaven From L.A.” nodigt ogenblikkelijk uit tot aandachtig luisteren, “God Lubbock” troont ons op muzikaal verzengende wijze mee richting West Texas en het afsluitende “Into The Mystic” is je reinste Americana-balsem voor de ziel. Een heerlijk diverse muzikale ondergrond waarin de hun vele tochten samen doorheen hun vaderland bezingende teksten van het tweetal bijzonder goed gedijen.

Iets zegt ons, dat Spehars Sue hier erg trots zou op geweest zijn. En volkomen terecht ook!

Gerry Spehar

 

CARRINGTON MACDUFFIE “Rock Me To Mars” (Pointy Head Records)

(2,5***)

“The purpose of life is to experience fun and joy. That’s the whole point of being here.” Zit wel iets in, als je het ons vraagt, in die stelling van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Carrington MacDuffie, die ons, zodoende de daad bij het woord voegend, al redelijk snel na voorganger “Crush On You” alweer met een nieuwe plaat meent te moeten verblijden. Het betreft daarbij de slechts zes songeenheden tellende EP “Rock Me To Mars”. MacDuffie zelf heeft het met betrekking tot het materiaal daarop over electronic americana. Wat ons betreft is de term (roots) pop hier echter veel meer op z’n plaats. En dan nog met dat woordje roots zeker niet zomaar tussen haakjes. ’t Is niet omdat je uitpakt met een ukelele dat je ook zomaar een rootsrtiest wordt, he…

Geopend wordt er met het bedaarde titelnummer. Een radiovriendelijk popdeuntje van het genre waarvan we er altijd wel eentje meer kunnen gebruiken. “Because I Couldn’t Have You” hikt vervolgens wat onbeholpen tegen ukelelegepingel van MacDuffie aan en is voorbij voor je er goed en wel erg in hebt. Een al bij al eerder onopvallend liedje dus. “Better That Way” heeft daarentegen wel iets, al was het maar de funky synthbijdrage van producer Rob Halverson.

In het rustige “Lay Down & Let Go” werkt de aanwezigheid van Mac Duffies ukelele daarna juist wel prima. Het bevreemdende “Sweet Young Thing” had ze voor ons dan weer achterwege mogen laten. (Tenzij ze ergens diep in haar binnenste het voornemen zou koesteren om ooit Grace Jones achterna te gaan.) Wel nog leuk: de melodieuze afsluiter “Come For Me”. Die is nog enkele minuten lang goed voor wat fun and joy. En daarmee zijn we dan meteen terug bij ons uitgangspunt.

Carrington MacDuffie

 

TB4Q “All For The Money…” (Tub Thumper Records)

(3,5****)

The Big Four Quartet evolueerde tot TB4Q, de eigenzinnigheid van het collectiefje is gelukkig door de jaren heen steeds gebleven. En op z’n vierde album gaat de Belgisch-Nederlandse groep zelfs nog wat verder dan voorheen.

“Eye Candy” balanceert zo bijvoorbeeld voortdurend op het slappe koord tussen grootstadsfunk en jazz, “Face Down” voegt daar mede dankzij een zomers sprankelende gitaarbijdrage van blues man Enrico Crivellaro nog een radiovriendelijke popdimensie aan toe, “A Wonderful Day” leunt lijzig achterover richting lounge jazz en “Blue T” doet eigenlijk gewoon hetzelfde maar dan wel richting soul, iets waaraan met name de diepwarme zang van JB Biesmans zeker niet vreemd is.

In “In High Spirits” mag er vervolgens zelfs even onvervalst worden gerockt, alvorens “The Silver Lining” ons weer meetroont naar het nachtelijke decor van een berookte jazz club waar saxen als die van kopstuk Biesmans graag in het middelpunt van de belangstelling mogen staan. “I’m A Lover” herinnert op zijn beurt in al zijn blunkiness volop aan wijlen Luke Walter en Blue Blot en is gewoon een dijk van een song. “Dream And Nightmare” heeft dan weer het nerveuze jazzfunkgehalte van pakweg een Defunkt in betere tijden, het gedeeltelijk parlando gebrachte “Brand New God” raakte met name de Gil Scott-Heron-fan in ons even heel diep en “Livin’ Like I Should” is zalig laidback spul dat zich op eender welke zonnige zomeravond met een cocktail ergens binnen handbereik graag zal laten weghappen.

Afgesloten wordt er met het duo “Tight To Your Rack” en “The One And Only”. Het eerste een bij momenten wat richting funk overhellende poppy deun genre The Style Council, het tweede een sexy jazz instrumental met andermaal de sax van Biesmans, de snaren van Crivellaro en nu ook de toetsen van Pietro Taucher in glansrollen. Een ronduit geweldige afsluiter voor een behoorlijk intrigerend geheel.

TB4Q

 

HAYSEED DIXIE “Free Your Mind And Your Grass Will Follow” (Hayseed Dixie Records)

(3***)

Er begint zo stilaan wat sleet te komen op de formule van Hayseed Dixie. Het nieuwe is er allemaal wat van af. Op het vertalen naar country en bluegrass van klassiekers uit andere genres staat duidelijk een versheidsdatum. En die komt voor John Wheeler en co stilletjesaan akelig dicht in de buurt, zo lijkt ons. Zelfs al beperken ze zich dezer dagen al lang niet meer enkel tot eigenzinnige versies van rock classics.

Het openingssalvo van “Free Your Mind And Your Grass Will Follow” bestaat zo bijvoorbeeld uit vertolkingen van het je ongetwijfeld ook van Bob Marley & The Wailers bekende “Buffalo Soldier”, de soul classic “What’s Going On” van Marvin Gaye en Elvis Costello’s onvergetelijke “Oliver’s Army”. Verre van kwaad gebracht, maar ook niet meer dan dat. En dat geldt voor zo ongeveer alles hier. Ook voor de vier eigen songs van John Wheeler. En die hebben dan ook nog eens het nadeel, dat ze niet op die o zo handige herkenbaarheid door een bekende voorganger kunnen terugvallen.

Covers zijn er naast van de al eerder genoemde nummers ook nog van “Ball Of Confusion” van de Temptations, “The Ballad Of Curtis Loew” van Lynyrd Skynyrd (Een toppertje!), “Black Or White” van Michael Jackson, “Vom Selben Stern” van het Berlijnse duo Ich + Ich, “A Change Is Gonna Come” van Sam Cooke en “Love Train” van de O’Jays. Een redelijk gevarieerd aanbod met andere woorden, met ditmaal een lichte voorkeur voor all things soul.

Hayseed Dixie

 

JIM KEAVENY “Put It Together” (Jim Keaveny)

(5*****)

Ik daag u bij dezen uit om als liefhebber van Americana singer-songwriter stuff niet te houden van “Put It Together” van Texaan uit vrije wil Jim Keaveny. Dat lijkt me eerlijk gezegd bijna onmogelijk. Wat de beste man op die zesde van ‘m doet is immers zo geweldig goed, dat het iets volstrekt onweerstaanbaars over zich krijgt. Keaveny schuwt het bepaald niet om stijlen met elkaar te vermengen en dat levert een uitzonderlijk fris klinkend roots-totaalpakketje op.

Van het zomers Dylanesk maar wat rondhangen in “What I Ain’t Got” tot het draperen van Tex-Mex- en Mariachi-elementen over een makkelijk mee te stampen beat in het extreem catchy werkende “Is It You”, van de groovy bluesy aanpak van “The Grand Forks” tot het speels nerveus, bijna punky opnieuw tegen Dylan aanhikkende “Check You Out”, van de knappe country ballad “Good Times” en het daar sfeergewijs perfect bij aansluitende tweetal bestaande uit het volbloed-Americana-juweel “Blown Away” en het nu al tijdloze “Please Don’t Underestimate My Love” tot zwierige afsluiter “Six Days In A Jailhouse” en alles daar nog tussenin, dit zijn ruim tweeënvijftig bijzonder goed bestede minuten! En ik denk eerlijk gezegd niet, dat er dit jaar nog veel platen zullen gaan uitkomen, waar ik evenveel plezier aan zal gaan beleven.

En dan had ik het nog niet eens over Keaveny’s teksten. Ook die zijn van die aard, dat je spontaan aan groten der aarde als een Dylan, een Guthrie en een Van Zandt gaat denken. Echt wel bijzonder straf spul dus! Noem het maar ouderwets goed.

Jim Keaveny

 

WEST OF EDEN “No Time Like The Past – A Collection” (West Of Music)

(4****)

Met het bijzonder fraai vormgegeven “No Time Like The Past – A Collection” viert het Zweedse folkzesmanschap van West Of Eden op meteen in het oog springende wijze zijn twintigjarige jubileum. De groep rond echtelieden Jenny en Martin Schaub put daarop materiaal uit acht van hun tien eerder verschenen albums, aangevuld met enkele nog iet eerder aangeboden tracks, een single en een nieuwe versie van één liedje ook. Vijfentwintig songs in totaal, verspreid over twee cd’s en verpakt in een knap en vooral ook erg informatief boekje, waarin met fotomateriaal en tekst en uitleg wordt teruggegrepen naar het verleden van de groep.

En dat gebeurt ook in het speciaal voor deze collectie gepende en ingespeelde “Twenty Years Of Traveling”. Daarin wordt op passende wijze een plaatsje gegeven aan zowel pijn als plezier. Al overweegt natuurlijk vooral dat laatste. Anders zouden ze het allicht ook geen twintig jaar uitgehouden hebben samen.

West Of Eden staat zoals ondertussen allicht genoegzaam bekend voor een aansprekend samengaan van meerdere folktradities. De Zweden distilleren al jarenlang een eigen brouwsel uit elementen uit de folkscènes van hun eigen thuishaven, Groot-Brittanië, Ierland en Amerika. En ze doen dat op een dermate lenige manier, dat ze met hun muziek op de juiste plaats op het juiste moment ooit ook wel eens mainstreamsucces zullen gaan oogsten. Een beetje zoals Alison Krauss in de States indertijd. Het binnensmokkelen van wat popgevoel in een aantal songs zal daarbij dan zeker helpen.

Mocht u de groep nog niet kennen, dan vormt “No Time Like The Past – A Collection” een geweldige instapper in het oeuvre van West Of Eden. De kans is ons inziens redelijk groot, dat u na het beluisteren van deze collectie graag voor nog wat meer zal willen gaan.

West Of Eden

 

PIERCE EDENS “Stripped Down Gussied Up” (Pierce Edens)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot voor kort absoluut niet vertrouwd was met het werk van Pierce Edens. De vorige vier platen van de Amerikaanse singer-songwriter ontsnapten echt volledig aan mijn aandacht. En als men nu in het begeleidende schrijven bij ’s mans vijfde stelt, dat hij heeft gekozen voor een totaal andere aanpak, kan ik dat dus bevestigen noch ontkennen. Ik kan alleen maar aangeven, dat de noemer stripped down effectief wel opgaat voor het op “Stripped Down Gussied Up” gebodene. Met een minimum aan instrumentatie worden hier bijzonder knappe resultaten bereikt.

Met Edens zelf op gitaren en percussie en zijn maat Kevin Reese op gitaar, mandoline en occasioneel ook banjo blijkt hier enorm veel mogelijk. En dat heeft allicht in niet geringe mate te maken met twee factoren. Enerzijds is er de gruizige stem van Edens zelf. Dat is een instrument op zich. Rauw, bijna als een zaag krast hij daarmee op soulvolle wijze zijn teksten tussen je oren. Anderzijds zijn het precies die teksten die het hem doen. Het resultaat: beklijvende story Americana Appalachian style. Soms op het woeste af, elders zenuwachtig of net eerder bedaard. Niet echt vergelijkbaar met iets of iemand anders.

Als toetje krijgen we bovenop de tien eigen songs van Edens ook nog een even eigenzinnige als gesmaakte cover van Tom Waits’ “Mr. Seigal”.

Pierce Edens

 

SOUND OF THE SIRENS “For All Our Sins” (DMF Records)

(3,5****)

Sound Of The Sirens is een vanuit het Britse Exeter actief duo bestaande uit de dames Abbe Martin en Hannah Wood. De twee deden over het Kanaal de voorbije maanden al uitgebreid over zich spreken met enkele goed onthaalde EP releases. Wat daarop vooral opviel was de werkelijk fantastische samenzang van beide youngsters, hoe hun contrasterende stemmen elkaar vonden in perfecte harmonie. Zoals ooit bijvoorbeeld ook die van Paul Simon en Art Garfunkel.

Nu is er “For All Our Sins”, hun debuutalbum. Met daarop naast de extreem catchy single “Smokescreen” nog tal van andere deuntjes die echt wel op het schaamteloze af lonken naar veelvuldig radiogebruik. Op aantrekkelijke wijze purend uit genres als akoestische pop en folk. In de verte herinnerend aan tal van andere vrouwelijke acts, maar toch vooral zichzelf blijvend laten Martin en Wood daarin een al behoorlijk flink uit de kluiten gewassen gevoel voor het schrijven van een onmiddellijk aantrekkelijk liedje bewonderen.

Dingen als het al genoemde “Smokescreen”, het heerlijk melodieuze “Together Alone”, het al even sprankelende opdondertje “Grow” en andere nestelen zich daardoor bijzonder fluks tussen je oren en lijken nu al garant te staan voor flink wat zomers luisterplezier.

Sound Of The Sirens

 

MALCOLM HOLCOMBE “Pretty Little Troubles” (Gypsy Eyes Music)

(5*****)

Zijn vijftiende studioplaat ondertussen toch ook al blijkt andermaal een echte voltreffer voor Malcolm Holcombe. De doorgaans onder lovende kritieken bedolven Amerikaanse songsmid doet het daarop dan ook in uitmuntend gezelschap. Zo tekende collega Darrell Scott bijvoorbeeld voor de productie ervan en gaven naast diezelfde Scott op tal van instrumenten ook Jared Tyler, Verlon Thompson, Marco Giovino, Dennis Crouch, Joey Miskulin, Kenny Malone, Jelly Roll Johnson, Mike McGoldrick en Jonathan Yudkin tijdens de opnames van “Pretty Little Troubles” acte de présence.

Het resultaat is zoals ook hoger reeds aangegeven van een werkelijk ademberovende, volstrekt tijdloze schoonheid. Vintage Holcombe in die zin dat hij ook hier weer meer knauwend dan zingend graag de minder aangename uithoeken van het leven mag frequenteren. Daar, tussen de ongelukkigen, de armeren en andere verworpenen gedijen zijn woorden nu eenmaal het best. Tussen de mijnwerkers en staalarbeiders, de boeren, oorlogsveteranen en aanverwanten, in het zweet huns aanschijns oogst hij zijn “Pretty Little Troubles”. Hun ongemakken liggen aan de basis van veel van zijn poëzie, van heel wat van zijn verhalen.

Inmiddels heeft Holcombe zich wat ons betreft met zijn stilaan bepaald indrukwekkende oeuvre een mooi stekje verdiend naast echte genregroten als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Blaze Foley, een David Olney en een Ray Wylie Hubbard. Authentieker dan bij hem wordt Americana immers amper gemaakt. Hoe hij uit de scherven van gebroken harten en stukgeslagen dromen het ene na het andere fraaie miniatuurtje in elkaar puzzelt tart werkelijk alle verbeelding. Je vraagt je zo stilaan af, wat het zou opleveren als Holcombe zich aan het schrijven van boeken zou wagen. Het potentieel heeft hij er duidelijk voor.

Malcolm Holcombe

 

BRUCE SUDANO “21st Century World” (Purple Hearts Records / V2)

(2,5***)

Ruim tweeëndertig jaar lang, tot aan haar dood in mei 2012 meer bepaald, was Bruce Sudano de wederhelft van Queen of Disco Donna Summer. En met en voor haar schreef hij door de jaren heen ook tal van hits. Het frivole “Bad Girls” is daarvan hier allicht de bekendste. Naast zijn vrouw profiteerden ook tal van anderen van Sudano’s neus voor hitgevoelig materiaal. Onder anderen Dolly Parton, Reba McEntire en de broers Michael en Jermaine Jackson deden eveneens hun voordeel met ’s mans pennenvruchten.

Echt nodig zal Sudano het dus wel niet meer hebben om nog te werken. En als hij dat toch nog doet, dan is het vooral omdat hij dat zelf wil. Omdat hij vindt, dat hij nog iets te vertellen heeft, nog iets kwijt moet. En op z’n nieuwe worp, het zonet verschenen “21st Century World” gaat hij dan ook nadrukkelijk de belerende toer op. Op dat onder toezicht van de als producer fungerende Mike Montali van Hollis Brown ingeblikte en al bij al heel erg sober gehouden geheel tracht hij ons een geweten te schoppen. Met name jongere generaties hoopt hij met zijn boodschap(pen) te bereiken. Zij zijn immers de toekomst, aldus de beste man terecht.

Gelijk in openingsnummer “Your World Now” moedigt hij hen aan om zich in te zetten voor de genezing van een zieke wereld. “It Ain’t Cool” is op zijn beurt een frontale aanval op wat Sudano onverbloemd “a selfish society” noemt. En als hij ons in “Common Sense” allemaal oproept om dringend ons verstand te gaan gebruiken, dan houdt dat zeker ook steek.

De vraag is alleen maar, of de vorm waarin Sudano zijn ongetwijfeld goedbedoelde boodschap aan de medemens probeert te brengen wel opweegt tegen dat bijna voortdurend kijvend in de lucht gestoken vingertje. Of die medemens de hele rit wel zal willen uitzitten met andere woorden. Daarvoor mist het gebrachte immers een weinig van het sprankelende dat ’s mans hits ooit wel hadden. Dit neigt op de keper beschouwd wat teveel richting wat wij hier graag omschrijven als  just me and my guitar. En daarvoor is Sudano wat ons betreft eigenlijk een wat te beperkte zanger. Dat wordt wel heel erg duidelijk als hij zich aan een cover van Tracy Chapmans kassucces “Talkin’ Bout A Revolution” waagt.

Bruce Sudano

 

JP DE KLERK “Old Cold Church Road” (JP De Klerk)

(3,5****)

Middelburger Jan Piet De Klerk is al jarenlang het kopstuk van JP & The Seeger Session Band, een groep gevormd naar het voorbeeld van het gezelschap waarmee held Bruce Springsteen indertijd aan de slag ging met materiaal van Pete Seeger. “Old Cold Church Road” is echter een album voor eigen rekening. Met als titel een wel erg letterlijke vertaling naar het Engels van zijn adres, de Oude Koudekerkseweg in Middelburg.

En ik moet zeggen, dat ik heel erg gecharmeerd ben door wat De Klerk op het onder de productionele auspiciën van Angelo de Rijke in Uncle Gabe’s Sound Studio in Eindhoven ingeblikte “Old Cold Church Road” brengt. Noem het maar prima Americana met zo nu en dan wel duidelijk hoorbaar de invloed van zo menig een seventies rocker, voorop de al genoemde Springsteen natuurlijk.

In openingsnummer “Home Town” bijvoorbeeld meteen al, waarin De Klerk terugblikt op zijn eigen wilde jaren. Prachtig liedje gelijk ook al. Een beetje weemoedig van aard, maar vooral ook heel erg mooi. En dat geldt ook voor het gelijk daaropvolgende “My Home”. Zoals zo ongeveer alles hier gebaseerd op De Klerks eigen leven. Een fraaie ballad, waarin De Klerks lekkere gruizige stem echt super tot haar recht komt.

Het mooiste liedje van het lot vind ik persoonlijk het melodieuze, wat naar folk overhellende en door Tren van Enckevort (Rowwen Hèze) en Emil Sarkowicz met respectievelijk fijne accordeon- en fiddlebijdragen opgewaardeerde “Power Of Song”. Al zal u me zeker ook niks slechts horen vertellen over de op De Klerks grenzeloze liefde voor zijn vrouw ingaande trage “For You”, de pittige rocker “Break The Chain”, de ballade “The Corridor” of het afsluitende titelnummer.

Wat mij betreft een zeer aangename kennismaking! Graag tot nog eens, mijnheer De Klerk!

JP De Klerk

 

HEATH GREEN AND THE MAKESHIFTERS “Heath Green And The Makeshifters” (Alive Natural Sound / V2)

(4****)

Rock & roll from Birmingham, AL. Onder die veelzeggende noemer wordt de hier vooralsnog nobel onbekend gebleven Heath Green ons door zijn platenlabel aangeprezen. En gelijk hebben ze, daar bij Alive Natural Sound Records. Green rockt inderdaad als de besten. Als de Stones in betere tijden, als de Faces, als de Black Crowes in hun hoogdagen. En net als het materiaal van met name die laatste groep bulkt ook wat Green en de zijnen hier brengen van de soul. Je bent bijna geneigd om te stellen dat hun afkomst daar wel voor iets moet tussen zitten. Goede grond daar immers in Alabama.

Volop genieten geblazen is het bijvoorbeeld van tonnen aan tomeloze energie in opener “Out To The City”, van een stuiterend boogieritme in “Secret Sisters”, van messcherpe gitaren, frivool pianogepingel en rauw schreeuwwerk in “Ain’t Got God”, van een bepaald gemene stomp in “Hold On Me” en van een heerlijk zweterige groove in “Living On The Good Side”. Tussen Southern rock, R&B, soul en blues blijkt het hier bijna zesendertig minuten lang verdomd aangenaam hangen.

Hét klapstuk van het geheel is evenwel de broeierige sleper “Ain’t It A Shame”. Bij beluistering daarvan komen spontaan namen als die van Otis Redding, Solomon Burke en Eddie Hinton voor de geest. Stuk voor stuk grote strotten die voor eeuwig in ons onderbewustzijn gekerfd zullen blijven. That good? That good indeed!

Voor de productie van “Heath Green And The Makeshifters” tekenden groepsgitarist Jody Nelson en Greg Slamen. Voor de songs erop bediende men zich uitsluitend van eigen materiaal.

Heath Green And The Makeshifters

 

WATERMELON SLIM “Golden Boy” (DixieFrog / Borderline Blues / Bertus)

(3,5****)

Met zijn nieuwe cd “Golden Boy” verklaart William P. “Watermelon Slim” Homans openlijk zijn liefde aan Canada. Dat grote land grenzend aan zijn eigen thuishaven, maar jammer genoeg o zo weinig bekend bij zijn landgenoten, aldus Homans zelf. En daarin zou hij maar wat graag verandering brengen. Met een nieuw pakketje blues & roots om duimen en vingers bij af te likken bijvoorbeeld.

Een tien songs rijk allegaartje geproduceerd in samenwerking met Scott Nolan. Die zag zijn maatje ondermeer op onnavolgbare wijze a capella aan de slag gaan met “Barretts Privateers”, het door veel Canadezen als de officieuze hymne van hun land geadopteerde liedje van de hand van wijlen Stan Rogers. Nog zo’n sublieme cover is de geweldige Canadiana van “Cabbagetown” van de hand van Nolan zelve. Vernoemd naar een buurt in Toronto waar pas aangekomen Ierse immigranten uit louter noodzaak ooit kool pleegden te planten in hun voortuintjes en een warme oproep om vooral niet te vergeten waar je vandaan komt.

Een laatste vreemde eende eend in de bijt is een vet slidend aangereikte versie van Blind Willie Johnsons “You’re Going To Need Somebody On Your Bond”. Voorts enkel nieuwe Homans-deunen hier. Het pittig rockende “Pickup My Guidon” bijvoorbeeld. Of de grimmige, openlijk Homans’ afkeer voor neo-nazi’s ventilerende folk song “WBCN”. Of het voorzichtig met native rhythms experimenterende “Wolf Cry”. Het zich over het lot van op straat rondliggende daklozen uitlatende “Mean Streets” ook. En het gezien ’s mans hoger al aangekaarte missie wel erg toepasselijke “Northern Blues”. Evenals de mooie, ons best wel wat aan het materiaal van de jonge Tom Waits herinnerende pianoballade “Winners Of Us All” en het afsluitende, bij nader inzicht over John F. Kennedy handelende “Dark Genius”.

Watermelon Slim

 

KENNY WHITE “Long List Of Priors” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Wat een mooie plaat! Werkelijk puntgaaf! Ongelooflijk eigenlijk, dat deze Kenny White hier al niet veel eerder van zich deed spreken. Ongelooflijk, omdat we wel degelijk te maken hebben met iemand voor wie onderhand zo stilaan het label muziekveteraan uit de kast mag. Met iemand die al van diep in de seventies met zo menig een veel bekendere collega samenwerkte. Met iemand die vooral als toetsenist een veel gevraagde studiogast is. Zo was hij bijvoorbeeld ooit nog te horen op het sublieme debuut van Marc Cohn. En ook met onder anderen Jonathan Edwards, Livingston Taylor, Aaron Neville, Linda Ronstadt, Mavis Staples en Ricky Skaggs werkte hij in het verleden nog samen.

Een verrassing is het derhalve ook niet echt om op de gastenlijst voor “Long List Of Priors” nogal wat bekende namen aan te treffen. Zoals dat wel vaker gaat in muzikantenmiddens krijgt White hier terug wat hij zelf ooit zaaide. Onder meer David Crosby, Amy Helm, Peter Wolf, Larry Campbell en Catherine Russell verleenden graag hand-en-spandiensten bij het inblikken van de dertien liedjes op ’s mans nieuwe worp. Alvast een leuk opstapje.

Maar dat had White eigenlijk niet nodig. De beste man toont zich hier immers dertien nummers lang een echte meester in het vertellen van vertalen. Met name met betrekking tot sfeerschepping en beschrijving zal je hem maar weinig meer bijleren. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het naar een liedje van de Staple Singers (“If You’re Ready Come Go With Me”) verwijzende en naar de haatmoord op negen zwarten in een historische kerk in juni 2015 teruggrijpende “Charleston” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen. Is echt een bloedmooi nummer, dat liedje. En zoveel kan eigenlijk in één en dezelfde adem ook wel gezegd worden over het meteen daaropvolgende en ons muziekgewijs even richting New Orleans meetronende “The Moon Is Low”, over het de tanende popuraiteit van zijn sujet bezingende “Che Guevara”, over de werkelijk magistrale opener “A Road Less Traveled” en tal van andere songs hier. Net geen uur lang is het daardoor volop genieten geblazen. En dat zowel voor liefhebbers van Americana als voor fans van coole pop acts als Bruce Hornsby, Dire Straits en Joe Jackson, om er maar een paar te noemen. Echt wel een aanrader van formaat!

Kenny White

 

ANNIE GALLUP “Lucy Remembers Her Father” (Gallway Bay Music)

(3,5****)

Niet enkel door haar samenwerking met haar muzikale wederhelft Peter Gallway binnen Hat Check Girl weet Annie Gallup quasi voortdurend de aandacht op zich gevestigd te houden, neen, ook haar eigenlijk ook nooit ontgoochelende soloplaten blijven elkaar wel aan een heel erg hoog tempo opvolgen. Met “Lucy Remembers Her Father” is ze ondertussen al aan haar elfde toe. En daarop krijgen we eigenlijk vooral meer van hetzelfde. Meer van al het goede uit het verleden.

Twaalf eigen songs meer bepaald, door Gallup gebracht op de haar geheel eigen wijze. Meer vertellend, dan zingend bij tijd en wijle. Soms een heel klein beetje herinnerend aan Joni Mitchell. Een heel klein beetje dan… En dat ook wel eens met betrekking tot haar aanpak. Die neigt op de keper beschouwd wat naar het minimalistische. De eigen stem, gitaren, ukelele en lap steel en de bas en toetsen van manlief Peter Gallway volstaan voor Gallup naar goede gewoonte ruimschoots. Maar dat hoeft hoegenaamd geen bezwaar te vormen. De twee zijn immers uitstekend op elkaar ingespeeld en wat meer is ze weten exact wat ze willen. En precies dat krijgen we dan ook. Een voldragen collectie liedjes die met name door haar ongemeen sfeervolle, eerder intimistische karakter opvalt. Zonder echte uitschieters, maar ook zonder tegenvallende momenten.

Voor de productie van “Lucy Remembers Her Father” tekende Gallup zelf.

Annie Gallup

 

MOUTHS OF BABES “Brighter In The Dark” (Wild Awake Music)

(4****)

De namen van Ty Greenstein en Ingrid Elizabeth zouden je al bekend mogen zijn van eerdere groepen waarin ze opdoken als Girlyman en Coyote Grace. Nieuwkomers zijn de twee dus zeker niet. Hun nieuwe groep is dat daarentegen wel. Nu ja, groep, Mouths Of Babes is eigenlijk gewoon een uit de twee bestaand duo, aangevuld met een hele batterij aan gastmuzikanten. Met als bekendsten allicht Allison Russell en JT Nero oftewel Birds Of Chicago, die met hun gewaardeerde backing vocals het zomers speelse “Take Me Dancing” naar nog net wat hogere hoogten helpen mee op te tillen. En daarmee zitten we meteen ook bij een goede referentie. Net als die act tonen ook Greenstein en Elizabeth zich immers echte meesters in het op radiogenieke rootsy wijze verklanken van verhalen en boodschappen.

Opvallend is bij een eerste beluistering vooral de samenzang van de twee. Mooier kan haast niet. Hoe ze elkaar aanvullen grenst echt aan het ongelooflijke. En als je daar dan ook nog eens hun talent voor het schrijven van werkelijk puntgave roots pop songs aan toe kan voegen, tja dan… Dan is het echt genieten geblazen. En dat van de eerste tot de laatste noot van “Brighter In The Dark”: van het al fluitend ingeleide “Lock & Key” over het net wat bedachtzamer neergelegde titelnummer en het bluesy duo “Beehive” en “Blue Collar Blues” tot de pianoballade “If I Had Known”, van de orkestrale folk van “Spring” en de sombere walsklanken van “Two If By The Sea” over de lichtvoetige Americana van “Black Tea, Red Wine”, het ingetogen “Red Balloon” en het al eerder aangekaarte “Take Me Dancing” tot het afsluitende duo bestaande uit het politieke statement “Any Other Day” en het bedaard rockende “The Red Carpet”.

Twaalf liedjes in totaal, die zich in no time knus tussen je oren nestelen. Catchy, maar doordacht. Speels, maar niet oppervlakkig. Af gewoon. En we kijken hier eigenlijk nu al reikhalzend uit naar meer.

Mouths Of Babes

 

BRIDGET KEARNEY “Won’t Let You Down” (Signature Sounds / V2)

(3,5****)

Op de muzikale kilometerteller van Bridget Kearney prijken ondanks haar nog relatief jonge leeftijd al aardig wat eenheden. Met name als zangeres-bassiste van soul-popsensatie Lake Street Dive deed ze de voorbije jaren al uitgebreid van zich spreken. En misschien nog wel meer door haar aan het oeuvre van dat collectiefje bijgedragen songs. Die behoorden immers geregeld tot het beste van wat de groep te bieden had. En bovendien kaapte ze er ook al een hoofdprijs mee weg in het vermaarde John Lennon Songwriting Contest.

Met “Won’t Let You Down” zet Kearney nu ook haar eerste solostappen. En wat meer is, ze doet dat opvallend monter. Ze slaagt er absoluut in om de in de titel van haar debuut gemaakte belofte ook effectief na te komen. Tussen sixties pop, eighties soft rock en indie van het modernere type doet ze onderweg zo menig een halte aan. Onder meer invloeden als de Beatles, Fleetwood Mac, Wilco en Beck laten zich daarbij her en der aanwijzen. En toch heeft de eersteling van Kearney een eigen smoel. Ondanks alles klinkt wat ze doet erg fris en origineel.

Openingsnummer en title track “I Won’t Let You Down” kerft zo spichtig om zich heen glurend de letters catchy indie pop tussen luisterbereide oren, “What Happened Today” is soulvol Beatle-esk spul overgoten met een vleugje Aimee Mann-charme, “Serenity” profiteert van opvallend, prettig gestoord toetsenwerk om de zomer vastberaden bij de haren te grijpen en weer wat dichterbij te sleuren en het bedaarde “Wash Up” is zowat een schoolvoorbeeld van Fleetwood Mac-insijpeling in andermans werk – een radiohit in wording?

De nodige soul stroomt vervolgens door popwateren in het ook al erg knappe “Who Are We Kidding”, “Living In A Cave” is op zijn beurt radiovriendelijke indie pop, “Love Doctor” belandt mede dankzij opvallend gitaarwerk ergens tussen pop, rock en soul en “Nothing Does It” is wat Nick Lowe ooit omschreef als “pure pop for now people”, maar dan wel met een zekere hang naar de sixties. Afgesloten wordt er met de tandem “Daniel” en “So Long”. Het eerste een streepje springerige pianopop, het tweede een pracht van een atmosferische ballad.

Bepaald intrigerend schijfje, als je het ons vraagt.

Bridget Kearney

 

JASON MCNIFF “Rain Dries Your Eyes” (Tombola Records)

(5*****)

Regelmatige bezoekers van deze webstek weten dat we hier een serieuze boon hebben voor Jason McNiff. Door de jaren heen verblijdde de beste man ons reeds met zo menig een bescheiden meesterwerkje. En je hoeft ons hieromtrent niet zomaar op ons woord te geloven! Ga ze er zelf op een onbewaakt moment maar eens op na… Albums als “Off The Rails”, “Nobody’s Son”, “Another Man”, “In My Time” en “April Cruel” of recent nog ’s mans samenwerking met Emma Tricca voor “Southern Star”, ze zullen je naar alle waarschijnlijkheid net zo genadeloos vloeren als ons.

Een tussenoplossing zou ook McNiffs nieuwste kunnen zijn. Dat geheel luisterend naar de mooie titel “Rain Dries Your Eyes” is immers een over twee cd’s uitgesponnen retrospectieve met het allerbeste van de Britse songsmid. Een bloemlezing met het mooiste van zijn eerder verschenen studioplaten, aangevuld met wat nieuw materiaal en eerder op de plank liggengebleven spul. Ruim drieëndertig tracks lang superieur luistervoer.

Aanbevolen met name aan fans van de jonge Dylan, Cohen en tal van andere folkrockpioniers die eind jaren zestig begin jaren zeventig het mooie weer maakten. McNiff is als het ware hun modernere uitvoering. Hij is een ware grootmeester in het afleveren van nagenoeg volstrekt tijdloze liedjes. Veelal eerder melancholisch van aard, aan de breekbare kant, wat zwaarmoedig soms ook, maar o zo mooi.

Aan ons heeft Jason McNiff een fan voor het leven. Dat zou eigenlijk genoeg moeten zeggen…

Jason McNiff

 

ROBYN HITCHCOCK “Robyn Hitchcock” (Yep Roc / V2)

(3,5****)

Met het naar zichzelf vernoemde “Robyn Hitchcock” presenteert het voormalige kopstuk van de Soft Boys ons een bijzonder fijn vervolg op het goed drie jaar geleden verschenen “The Man Upstairs”. ’s Mans ondertussen eenentwintigste soloworp bevat tien stukken zoals je die op de keper beschouwd eigenlijk alleen maar van hem verwachten kan en mag. Vintage Hitchcock, zeg maar. Nadrukkelijk verwijzend naar zo menig een eerdere etappe in zijn carrière en vooral dan naar zijn psych-rockbegindagen bij de Soft Boys en later ook solo.

Ingeblikt werd “Robyn Hitchcock” in Nashville, de nieuwe thuishaven van de Brit. Voor de productie tekende hij zelf samen met de je onder meer ook van The Raconteurs bekende Brendan Benson. Hand- en spandiensten waren er tijdens het opnameproces verder onder andere ook nog van Gillian Welch, Grant-Lee Phillips, Pat Sansone van Wilco en Emma Swift. Het resultaat is Hitchcocks eerste echte full band album sinds 2008.

Echte stand-outs zijn daarop wat ons betreft vooral de nummers “I Want To Tell You About What I Want”, het nostalgische “1970 In Aspic” en het autobiografische “Raymond And The Wires”. Met name het eerste liedje van dat drietal, een eigenzinnige oproep tot een anno nu stilaan dringend nodig zijnd empathischer bestaan, is echt klasse.

Robyn Hitchcock

 

CORDOVAS “Cordovas” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

In de States verscheen dit album een jaar of vijf geleden al. (Op amper duizend exemplaren naar verluidt.) En het ging toen op de keper beschouwd gewoon onopgemerkt aan ons voorbij. Er verschijnen tegenwoordig ook zoveel goede dingen… Het is binnen de afdeling Americana ondertussen bijna onmogelijk geworden om echt alles mee te krijgen. En dus zijn herkansingen als deze zo nu en dan ook best wel waardevol.

Het debuut van Cordovas is immers een uitstekende plaat. Wij hoorden er onder meer echo’s van The Band, Crosby, Stills, Nash & Young en Grateful Dead in. De vroege seventies, dat had u goed begrepen. Redelijk tijdloos spul eigenlijk. Zonder uitzondering sterke liedjes met hun basis in country, folk en rock, niet zelden leunend op bijzonder fraai harmonieerwerk.

Gaan we dus ongetwijfeld nog wel meer van horen, van dit collectiefje rond de zwaar getalenteerde Joe Firstman. Als hij er tenminste niet weer de brui aan geeft, zoals indertijd vrij kort na de release van de eersteling van zijn groep. Een nieuwe kans zit er in dat geval allicht niet meer in. Hoe goed “Cordovas” ook is…

Onze luistertips: “Southern Rain”, “Step-Back Red” en “Storms”.

Cordovas (Rootsy)

 

TAMI NEILSON “Don’t Be Afraid” (OutsideMusic / V2)

(4****)

Bijna was ons dit geweldige album ontzegd gebleven. Kort na aanvang van de opnames voor de opvolger van het vrijwel unaniem lovend onthaalde “Dynamite!” van een jaar of drie eerder verloor Tami Neilson immers haar vader Ron, de man onder wiens vleugels ze binnen The Neilson Family zo goed als alles leerde. Een enorme klap, die ze naar eigen zeggen maar heel langzaam te boven kwam. Pas na het nodige aandringen van de familie zou ze uiteindelijk opnieuw aan de slag gaan. En da’s maar goed ook. Haar nieuwe, het hier pas verschenen “Don’t Be Afraid”, is immers andermaal een ronduit sublieme plaat geworden. Een veel betere showcase voor de geweldige zangtalenten van Neilson lijkt ons bij nader inzicht amper nog denkbaar.

Geopend wordt er met het ongemeen sfeervolle titelnummer. Het laatste liedje waaraan haar vader tot kort voor zijn dood werkte en als dusdanig ook een waardig eerbetoon. Met het wervelende “Holy Moses” wordt meteen daarna het gaspedaal voor het eerst vol ingedrukt. Als een soort van jongere uitvoering van Tina Turner schudt Neilson daarin soulvol het laatste restje schroom van zich af. Wow!

In de sleper “Lonely” treedt ze vervolgens samen met gelegenheidspartner Marlon Williams nadrukkelijk in de voetsporen van de grote Patsy Cline. Da’s classic country van het werkelijk allerbeste soort. “So Far Away” moet het in de nasleep daarvan hebben van een soort van exotische groove. Sensueel kronkelt Neilson daarin rond een paal tussen je oren. Om bloedgeil van te worden!

Met “If Love Were Enough” gaat het  tempo er aansluitend daarop weer helemaal uit. Een country crooner van het zuiverste water is het beklijvende resultaat. En over beklijvend gesproken: veel aanstekelijker als de Southern soulopstoot “Bury My Body” worden ze ons inziens amper nog gemaakt. Daarin is Neilson werkelijk op haar allerbest.

Doorheen “Loco Mama” waait vervolgens dan weer een frisse Latin-wind, het wel erg behoedzaam neergelegde “Heavy Heart” is goed voor een eigen niche in de afdeling ééntegelwerk, “Only Tears” harkt terug naar veel betere countrytijden, “Laugh Laugh Laugh” rockt sympathiek rammelend een eindje weg en afsluiter “The First Man” is broeierige slow country soul en misschien ook wel het allerbeste nummer van het geheel.

Voor de productie van “Don’t Be Afraid” tekenden Delaney Davidson en Ben Edwards. Dave Khan (gitaren en strings), Ben Woolley (basgitaren), Joe McCallum (drums) en dezelfde Davidson (gitaren) vormden Neilsons vaste begeleiders bij het inblikken van het album.

Tami Neilson

 

RIVER ZYDECO BAND “Down The Line” (Silvox Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Jubileums zijn er om gevierd te worden. En als het effe kan in stijl ook. Zo ongeveer moeten die van het Nederlandse collectiefje de River Zydeco Band erover gedacht hebben. De groep rond zanger-gitarist Edwin Balogh en accordeonist Jo van Strien bestaat dit jaar vijfentwintig jaar en trakteert ter gelegenheid daarvan op een twaalf tracks lekkere taart. Vol met heerlijk poppy benaderde zydeco met het hart overduidelijk op de juiste plaats.

De groep heeft de jongste jaren haar horizon aanzienlijk verbreed en dat resulteert hier in een zeer open, zeg maar eclectische aanpak. Zydeco vormt weliswaar nog steeds nadrukkelijk het uitgangspunt van het door het tiental gebrachte, het is hier echter duidelijk niet langer een terminus. Pop (openingsnummer “Down The Line”, de mooie tragen “Ode To You” en “Vampire Fais Do Do” en het lentevrolijke “Long Time Ago”), (rootsy) rock (“Catherine Le Bleu” en “I Don’t Mind”), R&B en soul (“Dance The Zydeco” en afsluiter “Zydeco River”), blues (“Hail To Your Beauty”), funk (“Zydekosis”), allemaal komen ze hier terloops nadrukkelijk dan wel minder nadrukkelijk even aan bod. En dat zorgt bijna vanzelfsprekend voor een even apart als aantrekkelijk sfeertje. Zoals hier gebracht wordt zydeco plots spek naar allemans bek.

De kers op de taart vormt daarbij wat ons betreft het buitengewoon radiovriendelijke “I Wanna Go”. Dan gaat het even enkele tellen lang flink aan het zomeren tussen je oren. Warm aanbevolen lijkt dan voor één keer niet zomaar een cliché.

River Zydeco Band

 

GARLAND JEFFREYS “14 Steps To Harlem” (Luna Park Records / Rough Trade / PIAS)

(3,5****)

Door de even aanstekelijke als verrassende nummer-1-hit “Matador” was Garland Jeffreys eind jaren zeventig begin jaren tachtig even big business in onze kontreien. Albums als “American Boy & Girl”, “Escape Artist”, “Guts For Love” en later ook “Don’t Call Me Buckwheat” deden hem al snel uitgroeien tot een echt huisfavorietje. En zelfs nu nog belanden de meesten daarvan regelmatig in onze cd-speler. Het zal u dan ook niet verwonderen, dat we hier best wel uitkeken naar Jeffreys’ nieuwe worp. Dat is het door hemzelf en James Maddock geproduceerde “14 Steps To Harlem”. Een plaat waarop we hier het label vintage Garland Jeffreys zouden durven aan te brengen. Als vanouds heerlijk gevarieerd.

Afgetrapt wordt er met een streepje onvervalste eighties style synth pop luisterend naar de titel “When You Call My Name”. Vervolgens gaat het met het sympathiek schokschouderend voorbij gerockt komende “School Yard Blues” en het soulvolle titelnummer, de eerste single ook van het geheel, “14 Steps To Harlem” richting de radiovriendelijke roots pop van “Venus”, de volop aan ’s mans hoogdagen van weleer refererende reggae-escapade “Reggae On Broadway” en de met z’n dochter Savannah gebrachte ballad “Time Goes Away”. Daarmee zit de eerste helft er op.

De tweede wordt op gang geblazen met wat op de keper beschouwd ons lievelingsnummer van het geheel is, het op fraaie wijze aan Jeffreys’ roots in Puerto Rico herinnerende liefdesliedje “Spanish Heart”. Fijn accordeonwerk van Brian Mitchell zorgt daarin voor een ogenblikkelijk aantrekkelijk sfeertje. Via de opnieuw erg soulvolle trage “I’m A Dreamer”, de leuke Velvet Underground- en Beatles-covers “Waiting For The Man” en “Help” gaat het vervolgens richting eindsignaal met het op de één of andere manier bepaald funky werkende “Colored Boy Said” en het afsluitende, met gaste Laurie Anderson op de viool gebrachte “Luna Park Love Theme”.

Jeffreys-fans mogen wat ons betreft op beide oren slapen: hun held heeft het duidelijk nog niet verleerd! Sterke liedjes, straffe teksten, soulvolle zang, hij kan heus nog wel even mee. Laat die verlengingen dus maar komen…

Garland Jeffreys

 

MONSTER MIKE WELCH AND MIKE LEDBETTER “Right Place, Right Time” (Delta Groove Music)

(4****)

Op zondag 12 juni van vorig jaar namen Monster Mike Welch en Mike Ledbetter tijdens de drieëndertigste uitgave van het vermaarde Chicago Blues Festival samen deel aan een speciaal eerbetoon aan het adres van de legendarische Otis Rush. En die gig beviel zowat alle betrokkenen zo goed dat er wel een plaat op moest volgen. Waar Boston en Chicago elkaar ontmoetten bleek het toen immers bijzonder goed toeven. En dus is er met “Right Place, Right Time” nu ook dat zo begeerde vervolg op plaat.

Het geheel blijkt bij nader inzicht een uiterst bevlogen samengaan van talenten die hun voorliefde en respect voor klassiek fifties en sixties bluesmateriaal nergens onder stoelen of banken steken. Samen met toetsenist Anthony Geraci, bassist Ronnie James Weber en drummer Marty Richards en met occasioneel ook de hier vooral van haar samenwerkingen met Candye Kane bekende gitariste Laura Chavez, saxgeweldenaars Sax Gordon en Doug James en backing vocalists Kit Holliday en Jeanette Ocampo Welch aan boord wervelen Ledbetter (zang en rhythm guitar) en Welch (gitaren) hier doorheen een vijftal eigen songs en covers van groten der aarde als daar zijn Elmore James (“Cry For Me Baby” en “Goodbye Baby”), Magic Sam (“I Can’t Please You” en “How Long Can This Go On”), Otis Rush (“I Can’t Stop Baby”), Taj Mahal (het door Jerry Leiber en Arty Butler gepende “Down Home Girl”) en B.B. King (“Cryin’ Won’t Help You”).

De eigen bijdragen zijn het soulvol schuifelende “Kay Marie”, het nog wat in dezelfde mood rondhangende en door Welch van echt wel buitengewoon gloedvol snarenwerk voorziene “Big Mama” en het mede door Anthony Geraci’s vaardig over de toetsen dartelende vingers erg swingend uit de hoek komende “Can’t Sit Down” van de hand van Ledbetter en de broeierige sleper “I’m Gonna Move To Another Country” en afsluiter “Brewster Avenue Bump” van die van Welch.

Om vingers en duimen bij af te likken!

Monster Mike Welch

 

WESLEY STACE “Wesley Stace’s John Wesley Harding Featuring The Minneapolitan Sounds Of The Jayhawks” (Yep Roc / V2)

(4****)

Jezelf opzadelen met de artiestennaam John Wesley Harding, ooit leek het Wesley Stace een goed idee, maar de tijd leerde hem ongetwijfeld beter. Om het met de woorden van Elvis Costello samen te vatten: “It was a fine idea at the time, now it’s a brilliant mistake.” Veel meer dan een eeuwig aanhoudende verwijzing naar het werk van Bob Dylan leverde het de in de States wortel geschoten Brit immers niet op. En dus besloot hij één album geleden ook maar om weer naar zijn eigen naam – Wesley Stace dus! – terug te grijpen. Een gebeuren dat klaarblijkelijk niet echt de aandacht kreeg die hij ervoor verwacht had. En dus is er nu de weloverwogen zet “Wesley Stace’s John Wesley Harding Featuring The Minneapolitan Sounds Of The Jayhawks”. Beide namen in één titel bij wijze van vinger op de wonde. En op de cover ervan hoesjesgewijs ook nog eens verwijzingen naar zowel zijn debuut als John Wesley Harding als dat onder z’n eigen naam.

Wat van ’s mans nieuwe echter nog meer een plaat om te onthouden maakt, is de kwalitatief ijzersterke inhoud ervan. Bij nader inzicht blijkt het daarbij te gaan om elf van de vele Stace-liedjes die door de jaren heen op de plank waren blijven liggen. Bij het uitkiezen ervan had hij slechts één criterium: ze moesten de Jayhawks goed zitten. Met dat collectiefje, door alle betrokkenen voor de gelegenheid liefdevol omgedoopt tot de Wezhawks, zou Stace z’n nieuwe album later immers inblikken. Hoofdrolspelers zijn hier naast Stace zelf (zang en akoestische gitaar) dus Gary Louris (zang en elektrische gitaar), Karen Grotberg (zang en keyboards), Tim O’Reagan (zang, drums en percussie) en Marc Perlman (bas). Met op de gastenlijst verder onder meer ook nog Eric Bazilian (harmony vocals, 6-string bass en orgel). Voor de productie tekende de tandem Louris-Stace.

Naast de elf eigen liedjes van Stace noteren we voorts ook nog één cover. En een verrassende ook, aangezien het daarbij blijkt te gaan om een smaakvolle versie van de nederpophit “Don’t Turn Me Loose” van het Haagse duo Greenfield & Cook. Die hadden we eerlijk gezegd niet zien aankomen…

Ruim negenendertig minuten lang is het hier ook verder genieten geblazen. Met een Stace die duidelijk in bloedvorm verkeert. En eentje met zin om te variëren bovendien ook. Openingsnummer “I Don’t Wanna Rock ‘n’ Roll” bijvoorbeeld doet dat op bedaarde wijze juist wel, het meteen daaropvolgende “You’re A Song” is een rustig als een polderbeekje aan je voorbijkabbelend Americanadeuntje, “Better Tell No One Your Dreams” valt vrijwel gelijk op door z’n rootsy rockkarakter en z’n daaraan aangepast gitaargeluid, “How To Fall” is ingetogen folky spul en het pittige “For Me And You” strandt ergens op de dunne grens tussen pop en rock.

Het fraaie “Hastings Pier” flirt op zijn beurt met late sixties psychedelica, “Audience” sluit daar folkpopgewijs netjes bij aan, het ons best wel wat aan Costello in z’n hoogdagen herinnerende “The Wilderness Years” teert na het al eerder aangekaarte “Don’t Turn Me Loose” op een bijzonder lekkere groove en dito toetsenwerk van Karen Grotberg, “What You Want Belongs To You” is heerlijke verstilde roots pop, “Remember Me” durft in het zog daarvan voorzichtig melodieus te rocken en afsluiter “Let’s Evaporate”, door Stace gepend met Chas Cronk van de Strawbs, doet dat nog net iets nadrukkelijker.

Al bij al gewoon een heel erg lekker plaatje! En wat ons betreft hoeft het dan ook zeker niet bij deze ene samenwerking tussen Stace en de Jayhawks te blijven. We hebben hier immers overduidelijk te maken met een match.

Wesley Stace

 

HANNAH ALDRIDGE “Gold Rush” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Met haar eerste album, het in 2014 verschenen “Razor Wire”, maakte de toendertijd nog vanuit soulstad Muscle Shoals in Alabama actieve Hannah Aldridge hier al meteen stevig indruk. Het was het soort van album dat je als luisteraar eigenlijk gelijk al deed snakken naar meer. En dat krijgen we nu ook. Met haar tweede, in haar nieuwe thuishaven Nashville opgenomen plaat. “Gold Rush” heet die en ze werd opgenomen onder de productionele auspiciën van de tandem Jordan Dean en M. Allen Parker.

Die twee hielpen Aldridge aan een al bij al wat rockgeoriënteerder geluid. Zonder daarbij overigens de op haar debuut zo nadrukkelijk aanwezige Southern soul touch finaal uit het oog te verliezen. Zou ook dom geweest zijn om dat te doen, aangezien net daar de sterke kant van Aldridge schuilde. En dus krijgen we hier op de keper beschouwd gewoon het beste van twee werelden.

Afgetrapt wordt er met de knappe, grotendeels van de ingehouden spanning erin levende countryrocker “Aftermath”. Wat ons betreft gelijk een eerste echte voltreffer. De eerste van een hele reeks! En daartoe mag je zeker ook “Dark Hearted Woman” rekenen, een soulvol rockend kleinood met een heerlijke, meteen in het oor springende elektrische gitaarbijdrage van Sadler Vaden als alleraardigst surplus. Meer van dattum is er in het meteen daaropvolgende “Burning Down Birmingham”. Ook daarin halen de soul roots van Aldridge weer makkelijk de bovenhand.

De allersterkste songs van “Gold Rush” schuilen ons inziens echter ergens halverwege het geheel. We hebben het dan over de uitzonderlijk mooie ballad “The Irony Of Love” en de al even knappe rootsrockertjes “Shouldn’t Hurt So Bad” en “No Heart Left Behind”. Het eerste heerlijk melodieus en geënt op van dat lekker, op z’n Byrds rinkelend gitaarwerk, het tweede, net als het wat verderop volgende “I Know Too Much”, duidelijk beïnvloed door het werk van Tom Petty en zijn Heartbreakers.

Met de sfeervolle Americana-tragen “Living On Lonely” en “Lace” en het titelnummer, nog zo’n dijk van een verhalende ballade, komt Aldridge hier uiteindelijk vervaarlijk dicht bij een tien op tien terecht. Hoe dan ook een geweldige aanrader, dit “Gold Rush”!

Hannah Aldridge

 

RODNEY CROWELL “Close Ties” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Als je het hebt over Rodney Crowell, dan heb je het in wezen over niets minder dan Americana royalty. Er zijn er ondertussen al maar weinigen meer, die een levensloop vergelijkbaar met die van de minzame Texaan kunnen voorleggen. Al bijna een halve eeuw lang staat hij immers garant voor kwaliteit. Aanvankelijk nog gewoon als lid van de begeleidingsgroep van Emmylou Harris, vervolgens op eigen benen als onvervalste countryhitmachine met zo menig een nummer 1 op z’n actief en op latere leeftijd als leverancier van tal van ondertussen zo goed als onmisbaar gebleken Americanaplaten, in z’n eentje, dan wel aan de zijde van opnieuw Emmylou Harris, zij het ondertussen wel gewoon als haar duetpartner.

Die Crowell leverde zopas met “Close Ties” zijn wat ons betreft allerbeste plaat tot op heden af. Een regelrecht meesterwerk! Als vanouds heel erg persoonlijk opgevat en her en der opgewaardeerd met fijne samenwerkingen met bekende collega’s. Zo horen we bijvoorbeeld Crowells ex-wederhelft Rosanne Cash en John Paul White van The Civil Wars in de als eerste single het album voorafgaande en later hopelijk profetsich blijkende “It Ain’t Over Yet” en duikt Sheryl Crow op als duetpartner in het bedaarde “I’m Tied To Ya’”. Meteen twee van de meest opvallende nummers van het geheel.

Andere absolute topmomenten zijn het op beklijvende wijze op ’s mans vriendschappen met Guy en Susanna Clark en Townes Van Zandt focussende “Life Without Susanna”, het ook al uitgebreid naar zijn eigen verleden terugharkende “East Houston Blues” en vooral ook het afsluitende “Nashville 1972”. Dat laatste is een prachtige nostalgische hommage aan dagen en vrienden van weleer. Guy Clark, Townes Van Zandt, Tom T. Hall, Willie Nelson, Steve Earle en vele anderen passeren daarbij de revue. En dan vergaten we bijna nog de ook al werkelijk sublieme pianoballade “Forgive Me Annabelle”. Daarin zoekt Crowell op onnavolgbare wijze vergiffenis voor tijdens een stukgelopen eerdere relatie gemaakte fouten.

Voor de productie van dit bijzonder fraaie album tekenden Jordan Lehning en Kim Buie.

Rodney Crowell

 

BROCK ZEMAN “The Carnival Is Back In Town” (Busted Flat Records)

(5*****)

Op zijn ondertussen twaalfde langspeler gaat de Canadese songsmid Brock Zeman op werkelijk meesterlijke wijze de conceptuele toer op. Op die opvolger van het ook al briljante “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” van zo’n twee jaar geleden gunt hij ons immers een blik achter de schermen van een rondtrekkend circus. Hij beschrijft in de veertien nummers van die nieuwe van ‘m niet enkel de vele markante figuren die je erin aantreft, hij kruipt terloops ook tot diep in hun hoofden. Hij confronteert ons met hun lang niet allemaal even vrolijke verhalen, met hun hoop, met hun dromen.

Met name door zijn gruizige voordracht zal Zeman daarbij zo menig een muziekliefhebber weer gaan verleiden tot vergelijkingen met Tom Waits. En toegegeven, daar zit wel iets in ook. Al zijn knapen als Steve Earle en Leeroy Stagger bij momenten zeker zo goede referentiepunten. Ronduit uitstekende rootsmuziek is alleszins het resultaat. En heerlijk gevarieerde ook. Met de nodige mood swings die fijntjes de inhoud van Zemans prachtliedjes versterken.

Onze onverbintelijke luistertips: het wervelende “The Juggler”, de beklijvende verhalen van “Buckshot Sadie”, “Drinks (The Clown)” en “Little Mac”, het duistere “Dirty Little Secrets” en het in echt alles wel heel erg Waitsiaans aandoende “Freak Show”.

Brock Zeman

 

BRENT MOYER “Music Tells The Truth” (Brambus Records)

(3,5****)

De al sinds jaar en dag vanuit Nashville aan de weg timmerende songsmid Brent Moyer is wat ons betreft wat je noemt een zekerheidje. Als je ooit één van zijn platen wist te appreciëren, dan kan je eigenlijk zonder al teveel nadenken ook gaan voor elke volgende. Moyer, ook wel bekend als The Global Cowboy, zal zich immers wel nooit laten betrappen op echt wereldschokkende dingen. Hij weet duidelijk waar zijn sterktes liggen en die troeven speelt hij keer op keer opnieuw uit. Als zanger, als schrijver en als gitarist.

Moyer schrijft vanuit het hart. En dat gegeven reflecteren zijn liedjes ook nadrukkelijk. Liedjes die hij this time around pende met een handvol hier bekende en minder bekende collega’s uit Nashville. Met Cathryn Craig en Brian Willoughby (“We’re Walking Each Other Home”) meer bepaald, met Anne McCue (het zachtjes swingende “Dig Two Graves”) ook, met Joe Collins (“Why Fight It” en het zomers lijzige “On Captiva”), met outlaw-legende Bob “Reckless Johnny Wales” Saporiti (titelnummer “Music Tells The Truth”, het ons aan zowel Tom Russell als Marty Robbins herinnerende “Boston To Austin”, “Dig Two Graves” en de bedaarde Tex-Mex-deun “Kay, Que Pasa”), Aaron Raitiere (“So Much”), Lucas P. Gravel (de potentiële countryradiohit “Easy Side”) en John Hadley (“Never Too Late”, “What’s Going On With You” en “Can’t Get There From Here”).

Met Americana en country als vanouds als duidelijk uitgangspunt. En met al evenzeer de gebruikelijke omzwervingen richting andere muzikale oorden. Ten bewijze daarvan noemen we hier bijvoorbeeld graag het bluesy ondertoontje van “Never Too Late”, het ongegeneerd richting rock lonkende duo “Can’t Get There From Here” en “Music Tells The Truth” of de mooie pop ballad “Why Fight It”.

Ouderwets lekker!

Brent Moyer

 

MARK PORKCHOP HOLDER “Let It Slide” (Alive Natural Sound / V2)

(3,5****)

Met Mark “Porkchop” Holder duikt na John Wesley Myers en Van Campbell nu ook het derde stichtende lid van de veelbesproken Black Diamond Heavies weer terug op. Myers gaat dezer dagen flink tekeer onder zijn alter ego James Leg, Campbell doet regelmatig van zich spreken als één helft van het onlangs ook nog door ons land trekkende blues from the gutter duo King Mud en Holder doet daar op z’n comebackplaat absoluut niet voor onder. “Let It Slide” staat voor een bepaald lekker potje dirty roadhouse music. Voor een negen songs lange opstoot van vuige blues & roots. Heerlijk greasy. Gekruid met een forse snuif garage rock. En derhalve bij momenten ook aan de heavy kant. Wat een manier om tien jaar vechten tegen depressies en verslavingen achter je te laten! Als statement kan het al tellen.

Op “Let It Slide” wordt Holder bijgestaan door Travis Kilgore (bas, akoestische gitaar en zang) en Doug Bales (drums, percussie en backing vocals). Zelf neemt hij naast de leadzang en het gitaarwerk ook wat bijdragen op harmonica en lap steel voor zijn rekening.

Onze luistertips: het moddervette, ronduit bezwerend werkende “Stagger Lee”, titelnummer “Let It Slide”, de gemuteerde countrydeun “Stranger” en afsluiter “Baby Please Don’t Go”.

Mark Porkchop Holder

 

CHRIS BERGSON BAND “Bitter Midnight” (Continental Blue Heaven)

(4****)

Met onder meer al optredens op Swing Wespelaar en het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in ons land en op Moulin Blues en de Rhythm & Blues Night in Nederland op hun conto wisten Chris Bergson en de zijnen zich ook hier reeds van een aardige reputatie te verzekeren. Het gezelschap geldt wat ons betreft volkomen terecht als één van dé interessantste acts van de laatste jaren. En die reputatie verdienen ze ons inziens om tal van redenen. Er zijn om te beginnen natuurlijk de soulvolle zang en de gitaristieke kunstjes van kopstuk Bergson zelve, maar wat het ‘m voor ons toch vooral doet is de open benadering van het gegeven blues door de band. Rock, funk, soul, jazz, allemaal vinden ze wel ergens hun weg naar de songs van Bergson en dat betekent bij nader inzicht zoveel als een garantie op een lekker gevarieerd geheel.

Afgetrapt wordt er zo bijvoorbeeld met het heerlijk funky uit de hoek komende “Pedal Tones”. Vervolgens gaat het middels het door toetsenist Craig Dreyer mee aangejaagde “5:20” op z’n Ray Charles verder richting de Memphis style-trage “Just Before The Storm”, het door Ellis Hooks gezongen en naar Stax-rijpe hoogten getilde “Knuckles & Bones” en “Explode Or Contain”, Bergsons beklijvende kijk op de wereld anno nu. “Lullaby” is in het zog daarvan just that, “61st & 1st” rockt bedaard schokschouderend een aardig eindje weg, “Blues For Dave” is een heerlijke sleper nog recht van de traditionele leest en het aangenaam nerveuze “Small Trouble” heeft duidelijk zowel soul, funk, jazz als blues in de genen. Wachten er ons dan nog: het ingehouden “Another Day” en het met Bergson en Hooks nu samen in de hoofdrollen neergelegde titelnummer, een dijk van een blues slow.

Elf songs, één constante: kwaliteit!

Chris Bergson Band, Bandcamp

 

DON ANTONIO “Don Antonio” (Santeria / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Om de naam Antonio Gramentieri kan je vandaag de dag binnen het Euro-Americanagebeuren amper nog heen. De vanuit het vermaarde Romagna actieve Italiaan heeft immers niet bepaald wat je noemt een zittende kont. Zo schrijft hij onder meer muziek voor films en ballet, produceert materiaal voor anderen en – Interessant voor ons! – staat aan het hoofd van een eigen roots rock band. Sacre Cuori meer bepaald. Met die groep, maar ook aan de zijde van tal van kleppers uit het genre als daar zijn onder anderen de je van Green On Red bekende Dan Stuart, Terry Lee Hale, Richard Buckner, Hugo Race en dezer dagen ook Alejandro Escovedo is hij jaarlijks goed voor een ontzagwekkend aantal optredens in binnen- en buitenland. Onvoorstelbaar eigenlijk, dat hij tussendoor toch ook nog de tijd vond om de eersteling van z’n nieuwe geesteskind Don Antonio klaar te stomen.

Dat debuut is een – Om het nog zacht uit te drukken! – hoogst bevreemdende plaat geworden. Het heeft allemaal iets van een weirde trip. Veelal, maar niet uitsluitend instrumentaal van aard. Alsof die van Calexico en Los Lobos, Ennio Morricone, Ry Cooder en alles wat toevallig aan bruikbare muziekjes voorhanden was achteloos samen door de blender werden gehaald. Het levert een op de keper beschouwd met een erg filmisch karakter gezegend geheel op. Een plaat waarvan je ongetwijfeld nog het één en ander zal gaan terughoren als soundtrack onder tv-producties die het moeten hebben van sfeer. Want bijzonder sfeervol is dit allemaal zeker wel. De manier waarop Gramentieri indrukken allerhande weet te verklanken spreekt daardoor ontzettend aan.

Don Antonio

 

MIKE TEARDROP TRIO “Hangin’ Around” (Enviken Records)

(4****)

Eén enkele videoclip op YouTube, meer was er niet nodig om ons te overtuigen van het enorme potentieel van dit Zweedse drietal. Met hun werkelijk wervelende vertolking van Conway Twitty’s “Don’t Go Too Far” bliezen Mike Teardrop (zang en bas), Rasmus Andersson (gitaar en harmony vocals) en Henrik Ulander (drums) ons meteen compleet van de sokken. Dat smaakte volop naar meer. Veel meer zelfs! En dat krijgen we nu ook op hun debuutplaat “Hangin’ Around”.

Op die plaat verkennen de drie met verve het grensgebied tussen rockabilly en country. De ene keer ligt daarbij de nadruk al wat meer op het ene, de andere keer wat meer op het andere, maar echt ver is het element country nooit ver uit de buurt. En dat is maar goed zo ook. Het maakt van “Hangin’ Around” één lang luisterplezier, een echt feest van een plaat. Met naast de al genoemde Twitty-cover verder onder meer ook nog een heerlijk zwierige lezing van de Rodney Crowell-hit “She’s Crazy For Leaving”, een ergens heel dicht in het zog van wijlen The King strandende uitvoering van Glenn Honeycutts trage “I’ll Wait Forever”, een pittige vertolking van “Time Of My Life” van de Kingcats en een al even overtuigende, zomerse wandeling doorheen Pat Capocci’s “Work My Magic”. Dat laatste bij wijze van grote uitzondering overigens met lead vocals van gitarist Andersson.

Veertien nummers lang onvervalste retro fun van de bovenste plank. Een echte aanrader voor al wie hield van wat acts als BR5-49 en Big Sandy & His Fly-Rite Boys en aanverwanten ooit nog met enige regelmaat uit de mouw schudden.

Mike Teardrop Trio

 

CORMAC O CAOIMH “Shiny Silvery Things” (Cormac O Caoimh)

(4****)

Wat vonden wij het midden van de jaren tachtig een geweldige tijd om muzikaal te beleven! Met volle teugen laafden we ons indertijd aan nieuwe platen van onder meer Morrissey en z’n Smiths, Lloyd Cole & The Commotions en Elvis Costello, om zomaar voor de vuist weg enkele van onze muzikale helden uit die periode te noemen. En dan waren er natuurlijk ook nog de opkomende talenten Roddy Frame, Paddy McAloon en Martin Stephenson. Met respectievelijk Aztec Camera, Prefab Sprout en de Daintees bezorgden zij ons zo menig een fijn moment. “High Land, Hard Rain”, “Swoon”, “Steve McQueen” en “Boat To Bolivia”, het zijn vier albums die voor eeuwig en altijd in ons geheugen gegrift staan.

En precies in die traditie past ook “Shiny Silvery Things” van de vanuit Cork actieve Cormac O Caoimh. Als hij met “Second Hand Clothes” dat vierde album van ‘m op gang trapt, dan lijkt het wel alsof we met de teletijdmachine van professor Barabas uit de stripserie “Suske en Wiske” worden teruggecatapulteerd naar 1984 en het debuut van Paddy McAloon en de zijnen. Er is om te beginnen al een zekere stemgelijkenis tussen de twee, maar er is vooral ook hun gedeelde passie voor tot in de puntjes verzorgde popdeuntjes.

Sommige traag, andere wat vlotter, sommige persoonlijk, andere net niet, sommige fictioneel, andere gebaseerd op de realiteit. Charmant van het eerste tot het laatste. Totaal niet opdringerig en zich paradoxaal genoeg toch ogenblikkelijk tussen de oren nestelend. Hartverwarmend mooi, niet zelden op het delicate af. Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als het al genoemde “Second Hand Clothes”, “Have You Built Yourself Well”, “Hey You”, “Tea In My Teacup”, “Silence And Sound” en andere en tracht daarbij onbewogen te blijven. Het zal je niet meevallen! Bepaald niet.

Mocht O Caoimh deze plaat zo’n dertig jaar eerder afgeleverd hebben, dan zouden we zijn naam nu allicht eerbiedig uitspreken in het hoger opgesomde lijstje met top-songwriters. Maar goed, dat is nu eenmaal niet het geval en dus zal hij genoegen moeten nemen met een plaatsje op de plank ergens heel dicht in de buurt van het prille materiaal van de heren McAloon, Frame, Stephenson en co. Een plaatsje waar het bijzonder goed toeven is.

Gaan we alleszins nog heel veel plezier aan beleven, aan dit “Shiny Silvery Things”. Zoveel is nu al wel zeker.

Cormac O Caoimh

 

SHARON SHANNON “Sacred Earth” (Celtic Collections / Mass Market Recordings / Music & Words)

(3,5****)

Als Sharon Shannon en haar begeleiders “Rusheen Bay”, het openingsnummer van haar nieuwe album “Sacred Earth”, inzetten, dan ga je als luisteraar vrijwel onmiddellijk spontaan aan Paul Simons succesplaat “Graceland” denken. En dat blijkt geen toeval te zijn ook. De accordeoniste heeft zich naar eigen zeggen immers tot doel gesteld een soort van Ierse variant op dat geheel af te leveren. Een sterk staaltje aan wereldmuziek hoe dan ook. Shannon beperkt zich op haar jongste worp immers niet tot één enkel continent. Ze maakt er een soort van muzikale wereldreis van.

Dat zoiets bijna smeekt om een uitgebreide gastenlijst, dat spreekt voor zich. En dus trommelde Shannon nogal wat schoon volk op om haar tijdens de opnamen van de elf liedjes van “Sacred Earth” bij te staan. Haar meest in het oog springende gasten waren wat ons betreft de Australische blues & roots man Hat Fitz, haar legendarische landgenoot Finbar Furey, Nathan Carter, Greg Guy, zoon van bluesgod Buddy en ook zelf een meester op de elektrische, de Afrikaanse coratovenaar Seckou Keita en de Amerikaanse zangeres Alyro Rose.

Met z’n allen tekenen zij voor een grotendeels instrumentaal gehouden collectie liedjes, waarin traditionele Ierse klanken op meesterlijke wijze versmelten met invloeden van over zowat de gehele wereld. De joie de vivre die daarbij vrijkomt is nauwelijks nog onder woorden te brengen. Uit zo ongeveer elke ten gehore gebrachte noot hoor je, dat alle bij het project betrokkenen zich voortdurend ongelooflijk geamuseerd moeten hebben.

Enkele luistertips: de al genoemde, bijna bedeesd Afrikaans getinte opener “Rusheen Bay”, een erg mooie versie van het onder meer al in uitvoeringen van Jim Reeves en Ry Cooder bekende “He’ll Have To Go”, één van de weinige gezongen nummers hier, het buitengewoon levenslustige “Frenchie’s Reel”, de ook al erg zwierige zydeco van “Let’s Go” en de mooie, met een zekere Franse flair gebrachte trage “The Merry Widow”.

Sharon Shannon

 

TIM O’BRIEN “Where The River Meets The Road” (Howdy Skies Records / Bertus)

(4****)

Tim O’Brien doet het op zijn nieuwe plaat – Zijn ondertussen zestiende soloworp! – uitsluitend met liedjes die op de één of andere manier verbonden zijn met West Virginia. Daar groeide hij zelf op, daar en nergens anders liggen zijn roots. En uiteraard levert dat dan ook de nodige fijne verhalen op. Al dient daar wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat ’s mans eigen originelen hier nadrukkelijk in de minderheid zijn. Slechts twee van de twaalf liedjes schreef hij bij nader inzicht zelf.

“Guardian Angel” en titelnummer “Where The River Meets The Road” zijn de twee kleinoden waar het dan om gaat. En daarin graaft O’Brien diep in zijn eigen verleden. In het eerste blikt hij terug op de dood van zijn oudere zus, in het tweede laat hij zijn eigen grootvader zelf het verhaal van zijn verhuis naar West Virginia in 1850 doen.

Voor het overige enkel vreemde eenden in de bijt dus. Bij Billy Edd Wheeler haalde O’Brien het ooit nog door Jefferson Airplane gecoverde “High Flying Bird”, bij Bill Withers het aan opgroeien tijdens de hoogdagen van de kolenindustrie in West Virginia gewijde “Grandma’s Hands”, bij John Lilly “Friday, Sunday’s Coming”, bij Larry Groce “When The Mist Clears Away”, bij de Bailes Brothers het met Kathy Mattea en Chris Stapleton gebrachte “Drunkard’s Grave”, bij Curly Ray Cline het sprankelende “Windy Mountain”, bij Hazel Dickens de prachtige ballad “Few Old Memories” en bij A.P. Carter en The Carter Family “Little Annie (When The Springtime Comes Again)”. En dan zijn er ook nog zijn lezingen van de traditionals “Queen Of The Earth And Child Of The Skies” en “My Old Coat And Me”. Die laatste in een lentefris arrangement van Doc Williams.

Al bij al een bijzonder leuke voorbode op O’Briens eerste doortocht doorheen onze kontreien sinds lang. Die brengt hem eind april begin mei achtereenvolgens naar Bergen Op Zoom (di. 25-04, Theater Zwijnshoofd), Rotterdam (do. 27-04, LantarenVenster), Amsterdam (vr. 28-04, Paradiso), Utrecht (zo. 30-04, TivoliVredenburg) en Eindhoven (ma. 01-05, Meneer Frits). Je zal er dus wel even de grens voor over moeten…

Tim O’Brien

 

ERIC BIBB “Migration Blues” (DixieFrog / Bertus)

(4,5*****)

“Migration Blues”, het nieuwe album van songsmid Eric Bibb, moeten we vooral met z’n allen zien als een serieus statement. Bibb, die zichzelf graag mag profileren als een echte wereldburger, drukt ons met de vijftien songs erop immers nog eens met de neus op de feiten. Migratie is een verschijnsel van alle tijden. Mensen in nood ontvluchtten altijd al hun lot. En dat zullen ze ook in de toekomst blijven doen. Hoe die toekomst er ook zal uitzien. Hij maakt een vergelijking tussen de vele Afro-Americans die ooit het (racistische) rurale Zuiden van de States achter zich lieten voor een wat vriendelijkere toekomst in het Noorden en de hele horden bootvluchtelingen die dezer dagen uit onder meer Syrië in onze kontreien neerstrijken. Uiteindelijk zoeken zij immers hetzelfde. Een menswaardiger bestaan.

Voor het overbrengen van die visie ging Bibb een samenwerkingsverband aan met Michael Jerome Browne en JJ Milteau. Laatstgenoemde haalde hij naar goede gewoonte aan boord voor zijn gesmaakte mondharmonicabijdragen, Browne van zijn kant deed een duit mee in het zakje op onder meer diverse gitaren, fiddle en banjo. Met z’n drieën doen ze zo ongeveer alles. Al willen we zeker niet nalaten om de gezongen bijdrage van Big Daddy Wilson aan het alleen al titelgewijs al maar weinig meer aan de verbeelding overlatende “Prayin’ For Shore” ook even te vermelden. Evenals die van partner Ulrika aan “Mornin’ Train” of het drum- en percussiewerk van Olle Linder her en der.

Het merendeel van de songs op “Migration Blues” zijn uiteraard Bibb-originelen. Gepend in z’n eentje of met (één van z’n) beide partners. En die Browne en Milteau dragen trouwens ook gewoon zelf enkele liedjes bij. En dan zijn er ook nog de covers, meer bepaald lezingen van Bob Dylans “Masters Of War”, Woody Guthrie’s “This Land Is Your Land” en de traditional “Mornin’ Train”.

Samen goed voor ruim achtenveertig minuten rootsvermaak met het hart op de juiste plaats. Zeg dat wij het gezegd hebben…

Eric Bibb

 

TIM GRIMM AND THE FAMILY BAND “A Stranger In This Time” (Cavalier Recordings / Heartselling)

(4****)

“A Stranger In This Time”, het nieuwe album van zingende songsmid Tim Grimm, verschilt in zo menig een opzicht van z’n voorgangers. Niet enkel het inhoudelijke wijkt bij momenten aardig af van wat we door de jaren heen van de beste man gewoon raakten, ook zijn benadering van het geheel is zo ongeveer compleet nieuw. “A Stranger In This Time” is immers een heus gezinsalbum geworden. Met naast zijn vrouw Jan Lucas nu ook zoons Jackson en Connor aan boord. En met name de eerste van die twee doet daarbij al flink van zich spreken. Onder liefst vijf van de elf gebrachte nummers troffen we ook zijn naam aan.

Uiteraard prijken er ook op “A Stranger In This Time” weer enkele vintage Grimm songs over zijn vertrouwde omgeving. Over het land waaraan hij zijn hart verloor. Over het land, dat hij absoluut niet kwijt wil aan een gewetenloze zakenman turned into politician. En dus spuwt hij zo nu en dan ook zijn gal. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het tegelijk aan Dylan en Cohen herinnerende “Gonne Be Great” en je zal meteen zien wat we daarmee bedoelen. Als Grimm daarin onomwonden vaststelt “the votes were all counted – it was worse than we feared”, dan laten die woorden maar weinig meer aan de verbeelding over. “We woke up this mornin’ on the wrong side of fate…”

Grimm als de folkie die we kenden, maar ook als protestzanger dus. En als pater familias die z’n gevolg met vaste hand doorheen een gevarieerde set aan liedjes gidst. Van ballads tot wat feller spul.

Onze luistertips: het verhalend sterke trio “Thirteen Years”, “Hard Road” en “The Hungry Grass” en het eerder al genoemde “Gonna Be Great”.

(Tijdens de maanden april, mei en juni doen Grimm en z’n gezin Nederland aan voor een hele reeks optredens.)

Tim Grimm

 

BIG TIME BOSSMEN “Working On A Plan” (Rootz Rumble / Donor Productions / Sonic Rendezvous)

(4****)

Eén van de allerleukste rootsrockplaten van het jaar so far is wat ons betreft ontegensprekelijk “Working On A Plan” van onze landgenoten van de Big Time Bossmen. David Bauwens (zang, ritmegitaar en blues harp), Piet Vercauteren (leadgitaar), Bruno Dierick (staande en elektrische bas) en Rien Gees (drums) bevestigen met de dertien nummers op dat album waarom ze hier te lande al een poosje worden gezien als één van dé genrebeloftes voor de toekomst. Met een bruisende cocktail van rock & roll, swamp rock, blues, country en in iets mindere mate funk is het op “Working On A Plan” net geen veertig minuten lang doorlopend party time.

Voornaamste uitschieters vonden wij daarbij het volop tot aardig obscene heupbewegingen aanzettende “Make My Way”, het ook al lekker gedreven uit de hoek komende “The Last Fuck”, het sfeervolle achterbuurtenbluesje “Wolfman”, een ronduit heerlijke cover van de Ruth Brown-hit “5-10-15 Hours”, het met wat countrygevoel gekruide duo “Wouldn’t That Be Great” en “The Effect I Have On Women”, het funky knallende “Bartender” en catchy lijflied “Big Time Bossman”.

Een concertagenda met daarop voor de komende maanden nu al gigs in onder meer Nederland, Duitsland, Engeland en Zweden bewijst dat ons land absoluut niet het eindpunt hoeft te zijn voor dit buitengewoon swingende viermanschap. Wij zouden in verband met het materiaal op “Working On A Plan” zelfs al voorzichtig durven te gewagen van internationale klasse.

(Op 20 april aanstaande wordt het album in de Gentse Missy Sippy Blues & Roots Club live boven de doopvont gehouden. Een week later kan u de heren ook in de Bacchus in Antwerpen gaan bewonderen.)

Big Time Bossmen

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Souvenir” (Magnolia Music)

(4****)

Voor hun nieuwe worp streken Drew Holcomb en zijn buren na flink wat omzwervingen opnieuw neer in hun thuishaven East Nashville. Daar namen ze onder de productionele auspiciën van het ook al voor dat vorige album verantwoordelijke duo Joe Piasapia en Ian Fitchuk nu ook de opvolger voor “Medicine” op. En dat was gezien het succes van die plaat eigenlijk best wel een te verwachten zet. Veel minder voorspelbaar waren de verschuivingen daar waar het de bijdragen met betrekking tot het materiaal op die nieuwe betreft. Holcomb heeft er ditmaal immers voor geopteerd om voor een echte bandplaat te gaan.

De elf liedjes op “Souvenir” blijken derhalve niet enkel van zijn hand te zijn, maar ook van die van z’n maats Rich Brinsfield en Nathan Dugger. Die laatste tekende voor de echt wel verbluffend mooie verhalende countrydeun “The Yellow Rose Of Santa Fe”, naar onze bescheiden mening meteen één van de allermooiste liedjes op “Souvenir”. Brinsfield van zijn kant droeg de poppy, ons bij nader inzicht best wel een beetje aan het materiaal van Ron Sexsmith herinnerende pianoballade “Sometimes” aan. En dan zijn er ook nog eens een vijftal nummers waarvoor of Dugger, of Brinsfield, of beiden samen met Holcomb achter de schrijftafel plaatsnamen. Als daar zijn het op eerder ingetogen, maar catchy wijze het geheel aftrappende “The Morning Song”, het pittig rockende, meteen na de presidentsverkiezingen in hun land geschreven “Fight For Love”, de oorwurm “Mama’s Sunshine, Daddy’s Rain”, het heel erg emotionele, door Holcomb in duet met z’n vrouw Ellie gebrachte “Black And Blue” en de ergens heel dicht in de buurt van acts als Mumford & Sons en de Avett Brothers strandende bedaarde beauty “Postcard Memories”.

In z’n eentje was Holcomb verantwoordelijk voor het dan nog resterende viertal. We hebben het dan over het als zwierige West Coast country rocker verpakte eerbetoon aan de Golden Coast “California”, over de geweldige, echt volop van het gruis op Holcombs stembanden profiterende trage “Rowdy Heart, Broken Wing”, over het met de nodige commerciële potentie door het leven stappende “New Year” en over afsluiter “Wild World”.

Al bij al een heerlijk gevarieerd geheel, dit “Souvenir”. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal het Holcomb en de zijnen zeker ook geen windeieren gaan leggen.

Drew Holcomb And The Neighbors

 

CARRIE ELKIN “The Penny Collector” (Carrie Elkin)

(4****)

De voorbije paar jaren was Carrie Elkin vooral actief als lid van het Sam Baker Trio en aan de zijde van haar eveneens als singer-songwriter door het leven stappende wederhelft Danny Schmidt. Met “The Penny Collector” focust ze nu echter weer volop op haar eigen solocarrière. Dat album, haar ondertussen zesde toch ook alweer, draagt ze op aan haar onlangs overleden vader Richard. En naar hem werd het ook vernoemd. De man bleek bij leven en welzijn immers een rabiate verzamelaar van de kleine muntstukjes uit de titel ervan.

In een productie van de hier eveneens enorm gerespecteerde Neilson Hubbard strandt Elkin met haar nieuwe materiaal ergens tussen pakweg een Patty Griffin en een Brandi Carlile. Ergens tussen Americana en roots enerzijds en indie rock anderzijds. Ze presenteert ons elf nummers lang het beste van twee werelden. Tien daarvan zijn eigen creaties, het elfde is een heel fraaie ingetogen cover van Paul Simons “American Tune”.

In haar eigen materiaal blikt Elkin voornamelijk terug op twee haar leven in 2015 ingrijpend veranderende gebeurtenissen. Aan de ene kant de geboorte van haar dochterje Maizy Rae, aan de andere het afscheid van haar vader. Toen ze ergens halverwege het jaar vernam, dat haar papa aan een terminale vorm van pancreaskanker leed, besloot Elkin om de muziek even te laten voor wat ze was en hem tot aan zijn einde voltijds bij te staan. We hoeven u allicht niet te vertellen, dat dit tot zeer heftige gevoelens en als een gevolg daarvan ook compleet andere levensinzichten heeft geleid. Momenten als deze tekenen een mens voor de rest van zijn leven. Ze vormen je als het ware definitief.

Bij het inblikken van “The Penny Collector” kreeg Elkin niet enkel de nodige bijstand van haar echtgenoot en haar producer, maar mocht ze verder onder meer ook nog een beroep doen op Will Kimbrough, Kris Donegan, Telisha Williams, David Henry, Eamon McLoughlin, Robby Hecht en Ryan Culwell. Heel schoon volk dus, uiteindelijk goed voor een heel schone plaat ook. Een aanrader alleszins!

Carrie Elkin

 

NATHAN BELL “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” (Stone Barn Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Veel van de beste singer-songwriterplaten worden geboren uit loutere noodzaak. Uit het gegeven dat hun makers dringend iets kwijt moeten. Dat er hun wat van het hart moet. Zo ook het werkelijk bloedmooie “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” van de Amerikaan Nathan Bell. Een plaat van het kaliber van Springsteens “Nebraska”. Een zo goed als spiernaakt gehouden beauty. Een man, zijn gitaar en sporadisch ook een mondharmonica. Maar vooral ook een visie. “It can’t go on like this, so raise your fist!” Bells letterlijke woorden in het tot vreedzame actie oproepende tweede nummer van het album. Actie tegen het Amerika van nu, maar door de verkiezing van Trump vooral ook dat van morgen. Bell onderbrak er de werkzaamheden aan een andere plaat voor om deze oproep te kunnen lanceren. Om maar te zeggen, dat het hem ook echt menens is.

In openingsnummer “The Big Old American Dream” heeft hij het al meteen over de moed die dezer dagen nodig is om een “normaal” leven (proberen) te leiden. De korte ei in dat werkwoord blijkt immers al lang niet zo vanzelfsprekend meer. Elders komt hij onder meer op voor de minderbedeelden in onze maatschappij, breekt hij een lans voor zonder pardon aan de kant geschovenen, gaat hij in op de schaamteloze verkrachting van onze natuur door de industrie, heeft hij het over vrouwen(rechten), over outsourcing en over PTSS bij een Vietnamveteraan. Een protestplaat pur sang dus. Gevoed door een werkelijkheid die alsmaar grimmiger vormen blijft aannemen. Grotendeels gebaseerd op waargebeurde verhalen.

Bell wil ons aansporen tot actie, zoveel is na de elf liedjes hier wel duidelijk. In het bij nader inzicht zo’n beetje als titelnummer fungerende “Traitorland (Rules For Living In Traitorland)” reikt hij ons zelfs een heuse survival kit aan. Naar eigen zeggen betreft het daarbij immers “a basic set of guidelines for doing what it takes to ensure that love is greater than fear”.

“Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” is niet enkel een steengoede plaat, het is ook een belangrijke. Een uitgesproken muzikale wake-up call. Zoiets.

(Nathan Bell is vanaf 31 maart live te zien in de Lage Landen.)

Nathan Bell

 

HEIGH CHIEF “Heigh Chief” (Blue Mood Records PIAS)

(3,5****)

Het voorheen nog gewoon als de Marcus Lovdal Band door het leven stappende Noorse collectiefje Heigh Chief bewijst op z’n nieuwe, naar zichzelf vernoemde album dat het ook anno 2017 nog altijd perfect mogelijk is om op creatieve wijze met het gegeven blues om te springen. Het viertal valt vrijwel meteen op door een eigen smoelwerk. Iets wat binnen het door de heren gefrequenteerde genre absoluut geen vanzelfsprekendheid is. Puristen zullen zo nu en dan bij wat Marcus Lovdal en maats doen wellicht geneigd zijn om eerder de term bluesy dan blues in de mond te nemen om te omschrijven wat ze horen. Er gebeurt nu eenmaal ontzettend veel in de nummers van het kwartet.

Bij momenten hoorden we zelfs een poppy randje. In één van dé absolute prijsnummers hier, het zomerse “Sweet Up My Soul” bijvoorbeeld al. Da’s het soort van liedje dat zich al na één enkele beluistering met geen stokken meer van tussen je oren laat verdrijven. Zo catchy, niet normaal! We meenden er hier zelfs de invloed van Paul Simon in te mogen herkennen.

Andere, wat ons betreft eveneens het predicaat supersongs verdienende kleinoden: het bedaarde “Weed, Whites & Wine”, het op zonderlinge wijze soulvol werkende “Little Things” en het zich ingehouden funky aandienende “Missing Out”. (Zelfs de ongemeen sfeervolle instrumentale versie die de traditional “Amazing Grace” hier meekrijgt, is absoluut de moeite waard!)

Bijzonder knap, hoe het samenvoegen van ingrediënten als rock, Americana, blues, soul, funk en jazz hier shaken not stirred een bijzonder smaakvolle eigentijdse cocktail oplevert. New name, new game indeed.

Heigh Chief

 

OH SUSANNA “A Girl In Teen City” (Continental Song City / CRS)

(4****)

“Here’s my story of a girl in Teen City,” valt Suzie Ungerleider op de binnenkant van het hoesje van haar nieuwe cd meteen met de deur in huis. En in grote lijnen blijkt het daarbij te gaan om haar eigen verhaal. Dat van haar jonge jaren in de naar haar normen veel te rustige havenstad Vancouver in British Columbia. Dat van een zoektocht. Van er achter proberen te komen wie je nu eigenlijk bent door iets trachten te zijn wat je net niet bent. En dat tegen een achtergrond van punk en new wave. Veel van Ungerleiders verhalen komen daardoor nogal bekend voor. Ook al waren we zelf al wel enkele jaartjes ouder bij het begin van de eighties.

Onder de productionele hoede van haar landgenoot Jim Bryson gidst Suzie Ungerleider ons doorheen twaalf Canadiana-liedjes die als het ware de perfecte soundtrack vormen voor onder de film van haar leven in de prille jaren tachtig. We worden samen met haar verliefd, drinken er wel eens eentje teveel, weten ons hart ook weer gebroken en slijten zo menig een moment in het gezelschap van vrienden. En dat op de meest uiteenlopende plekken.

Een pril intiem momentje wordt gedeeld in het kwetsbare “The Darkroom At The School”, een stapje in de wereld voorbereid in het zacht rockende “Getting Ready”, een concert van de Canadese hardcore punkers van D.O.A. met de nodige weemoed herdacht in “Tickets On The Weekend”. “Walked All The Way Home” doet op verstilde wijze het relaas van een eenzame nachtelijke wandeling naar huis, “Waiting For The Blossoms” bruist in al z’n eenvoud van de jeugdige sehnsucht en “Thunderbird” – het misschien wel allermooiste liedje van allemaal hier – laat ons getuige zijn van de door een jong stel gedeelde passie voor een wagen. “I didn’t wanna be your girl, just drive me round the world or down the block’ll do just fine,” aldus Ungerleider daarin onomwonden. Ook heel erg mooi: “My Old Vancouver”. Daarin geeft onze protagoniste zoveel jaren later toe, dat haar thuishaven “wasn’t so grey” after all. De tijd heeft z’n job dus duidelijk gedaan.

Al bij al een uitzonderlijk mooie terugblik op een jong leven zoals we dat op de één of andere manier allemaal wel hebben gekend. En dat schept natuurlijk een zekere band…

Oh Susanna, Bandcamp

 

LYNN MILES WITH KEITH GLASS “Road” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Ruim zeventig minuten top-Canadiana, da’s wat we geserveerd krijgen op “Road”, het nieuwe album van nachtegaaltje Lynn Miles. Het blijkt daarbij te gaan om al wat oudere en nieuwe live-opnamen, gemaakt met haar vaste rechterhand Keith Glass. Vijftien in totaal. Ingeblikt in een bij voorkeur zo intiem mogelijk gehouden setting. En zo horen we haar hier eigenlijk nog het liefst van al. Zoals ook al op de inmiddels vier volumes van de haar eigen materiaal nieuw leven inblazende “Black Flowers”-reeks.

Miles en Glass doen het met uitsluitend eigen materiaal van de zangeres. Van heel vroeg in haar carrière tot nu. Met “Nobody’s Angel” van haar debuut “Chalk This One Up To The Moon” en “You Don’t Love Me Anymore” en “I Loved A Cowboy” van “Slightly Haunted”, haar “doorbraakplaat” hier uit ’96, tot “My Road” en “Love Is Red” van haar recentste worp “Downpour” en nog heel wat ander fraais tussen die beide polen in. We vernoemen hier bijvoorbeeld graag ook nog het werkelijk hemelse “The Middle Of The Night”, het zo mogelijk nog mooiere “Casino El Camino”, “Black Flowers” en het afsluitende “Rust”.

Je zou het kunnen zien als een soort van alternatieve carrière-retrospectieve. Met naast de engelenstem van Miles zelf enkel nog een stel akoestische en elektrische gitaren, een mandoline en een mondharmonica in de buurt. En met Glass die zo nu en dan mooi harmonieert. Veel meer aan uitnodiging is er niet nodig om binnenkort op de eerste rij te zitten als Miles en Glass weer eens naar Europa afzakken voor een reeks optredens.

Lynn Miles, Bandcamp

 

LEVI PARHAM “An Okie Opera” (Horton Records / CRS)

(3,5****)

Zijn vorig jaar verschenen album “These American Blues” werd door de samenstellers van de prestigieuze Euro Americana Chart verkozen tot plaat van het jaar. En dus is Levi Parham momenteel aardig hot in deze kontreien. Iets wat onder meer tot gevolg heeft, dat hij vanaf midden deze maand voor een korte tournee naar Europa afzakt. Ons land doet hij daarbij helaas niet aan. In Nederland staan er wel een handvol optredens geprogrammeerd. Onder andere op woensdag 22 maart in café De Rozenknop in Eindhoven.

Parallel met die reeks gigs verschijnt ook een heruitgave van ’s mans debuutplaat “An Okie Opera” van medio 2013. Een geheel nog niet van het kaliber van “These American Blues”, maar al wel heel erg goed. (Luister bijvoorbeeld maar eens naar het omineuze “Devil’s Got A Sweet Tooth”!) Een prima introductie alleszins tot de jonge Okie met de gruizig-soulvolle stem. Een tien songeenheden rijk visitekaartje gevuld met Americana, folk en blues Oklahoma style. Volledig door Parham zelf ingespeeld en ook door hemzelf geproduceerd.

“An Okie Opera” wordt vanaf nu prettig geprijsd aangeboden en wat meer is, de aanschaf ervan geeft je ook nog eens recht op een gratis download code voor de EP “Avalon Drive”.

Levi Parham

 

CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “A Song I Can Live With” (Train Wreck Records / CRS)

(3,5****)

De naam Chip Taylor op een plaat aantreffen is zoveel als een garantie voor kwaliteit. Al sinds jaar en dag grossiert de Amerikaan immers in geweldige songs. En dat is ook op “A Song I Can Live With” weer niet anders. Twaalf stuks in totaal staan er op dat opnieuw samen met Goran Grini geproduceerde album. Bij momenten erg persoonlijk spul, meer gefluisterd dan gezongen gebracht en als dusdanig erg geschikt voor laatavondgebruik. Americana van het genre waarvoor je graag even de koptelefoon opzet, de ogen sluit en met een goed glas ergens binnen handbereik aan het genieten gaat.

Puntgaaf spul, mede dankzij onder meer ook de bijzonder gesmaakte bijdragen van multi-instrumentalist Grimi, gitarist John Platania en een enkele keer ook pedal steel-virtuoos Greg Leisz. Samen met nog een handvol anderen verzorgen zij een muzikaal decorum dat het Taylor toelaat te allen tijde zichzelf te zijn. De beste man kan zich zo zorgeloos toeleggen op het vertellen van zijn verhalen en het maken van contact met zijn publiek. Het resultaat is een overwegend erg rustig uitgevallen geheel, dat volop uitnodigt tot meemijmeren met zijn maker. Het soort van plaat waarvoor je al de nodige levens- en carrièrekilometers op de teller moet hebben.

Onze luistertips: “Crazy Girl”, “New York In Between”, “Little Angel Wings”, “Señorita Falling Down”, het titelnummer en “Los Alamitos Story”.

Chip Taylor

 

BILL KIRCHEN AND AUSTIN DE LONE “Transatlanticana” (The Last Music Company / Proper Records)

(4****)

“Transatlanticana” is de toepasselijke titel van een plaat waarop twee genrepioniers na vele jaren de handen eindelijk weer eens in elkaar slaan: Bill Kirchen met Commander Cody & The Lost Planet Airmen ooit één van de grondleggers van wat we dezer dagen als Americana omschrijven, Austin De Lone van zijn kant met het door hem in het leven geroepen Eggs Over Easy van vitaal belang voor het ontstaan van het Britse pubrockgenre.

Afgetrapt wordt er met het als een soort van eerbetoon aan wijlen Merle Haggard en Bakersfield country meer algemeen geconcipieerde “Hounds Of The Bakersfield”. Vervolgens is er de met Bobby Black gebrachte en naar diens dagen samen met Kirchen bij Commander Cody verwijzende honky-tonk ballad “Wine Wine Wine”. Heerlijk groovy is in het zog daarvan Delone’s op lijzige wijze tot actie oproepende “Let’s Rock”. Om nog maar te zwijgen van de meteen daarna samen met Butch Hancock, de schrijver ervan, ingezette Texas boogie “Oxblood”. In al z’n zwierigheid wat ons betreft één van dé absolute topmomenten van “Transatlanticana”, dat liedje.

Andere blijvertjes vonden wij ook nog de door Kirchen gezongen R&B-sleper “Think It Over” en De Lone’s fijne lezing van de soul classic “Warm And Tender Love”, het bluesy “Losing Hand” en het zwierige, pianogestuurd swingende “All Tore Up”. En als we het hier ook al even zouden moeten hebben over bijzonder in het oog springende songbijdragen, dan zouden we echt niet om de volgende twee heen kunnen. Vooreerst een opvallend vlotte, met Gurf Morlix op gitaar, David Carroll op bas en Rick Richards achter het drumstel opgenomen versie van Bob Dylans “The Times They Are A-Changin’”. En natuurlijk ook het als één van twee bonus tracks de Europese versie van “Transatlanticana” afsluitende “Smoke! Smoke! Smoke That Cigarette”.

Een plaat die ook bij andere ouwe zakken als ons ongetwijfeld goed zal gaan blijken voor zo menig een brede grijns…

Bill Kirchen

 

DE KAT “DE KAT II” (DE KAT)

(4****)

Nauwelijks een jaar na hun vrijwel unaniem lovend onthaalde debuut zijn de vier van DE KAT daar weer met een nieuwe lading avontuurlijke kleinoden. Daarmee vanuit het Nederlandse Groningen ongegeneerd een veel te wijde tackle inzettend op muzikale avonturiers wereldwijd. In het voetbal krijg je hiervoor zonder verpinken rood, in de muziek is het resultaat meestal een roep als niet te missen act. En die verdienen gitaristen Erik de Vries en David Lamain, bassist Jasper Visser en drummer Sjors de Ruiter ons inziens ook. Wat de vier op hun tweede brengen tart immers zo ongeveer elke verbeelding.

Mocht je nog niets van hen gehoord hebben, probeer je dan voor te stellen, hoe het er op het kruispunt tussen surf, blues en psychedelische rock aan toe gaat. Gitaren die janken, beurtelings bedaard en ongebreideld. Bas en drums in een niet weg te denken dienende rol. Om sfeer draait hier hoegenaamd alles. Behoedzaam wordt vaak gezocht naar een climax. Omzichtig besluipt DE KAT haar prooi alvorens genadeloos toe te slaan. En dat vrijwel volledig instrumentaal.

Acht nummers telt “de moeilijke tweede” van DE KAT en die zijn zonder uitzondering top te noemen. Zeven daarvan droegen de vier bandleden zelf aan, het achtste is een even briljante als eigenzinnige cover van Peter Greens “Fool No More”, bij nader inzicht het meest bluesy moment van “DE KAT II”.

DE KAT

 

REBECCA LOEBE “Blink” (Black Wolf Records)

(4****)

Met haar vierde volwaardige studioplaat lijkt mooie Rebecca Loebe klaar voor een gigantische stap voorwaarts in haar carrière. Ons zou het alvast helemaal niet verbazen mocht ze met “Blink” ook het nodige commerciële succes gaan boeken. De elf nieuwe liedjes erop zouden wel eens een heel erg breed publiek kunnen gaan aanspreken. En het mooie eraan is, dat Loebe daartoe haar ziel niet heeft moeten verkopen. Waar haar roots liggen, blijft wat ons betreft over de volle lengte van het door Will Robertson geproduceerde album duidelijk. Ook al sluipen er dan steeds meer popelementen in haar liedjes binnen.

Geopend wordt er met de pakkende pianoballade “Lie”. “If all I have to do is promise not to love you, all I have to do is lie,” klinkt het veelzeggend in die fraaie indie folk beauty. Vervolgens is er het poppy, zich volop in nostalgie wentelende “Forever Young Forever”, Loebe ingegeven door een potje mijmeren over haar eigen jonge jaren daartoe aangezet door de muziekjes op een mix tape van weleer onderweg naar huis van een gig. Echt een ongelooflijk radiogeniek nummer, dat liedje.

Via het moody “Cannonball” en de droevige countryballade “Weeping Willow” belanden we aansluitend daarop bij wat ons inziens één van de allerstrafste nummers van “Blink” is, met name het ongemeen sfeervolle “Smoke Signals”. “Bad Things” neemt ons vervolgens in onvervalste nineties rock style mee naar het gevolg van een bizarre droom van Loebe zelf, “Say So” is een pracht van een trage op het kruispunt tussen soul en country, “Easy Money” gaat op ingetogen wijze in op het alledaagse lot van de hardwerkende medemens en “Down To The Wire” is retro rock ergens redelijk dicht in het zog van good old Fleetwood Mac.

Resten ons dan nog: de wederom ongemeen soulvolle ballade “Neverman” en het daar werkelijk perfect bij aansluitende titelnummer, een slow om duimen en vingers bij af te likken.

Na een geweldige plaat als deze ga je je onwillekeurig afvragen, waarom deze Loebe nog niet veel en veel bekender is. Ze zou het wat ons betreft alleszins ruimschoots verdienen.

Rebecca Loebe

 

LEE PALMER “Bridge” (On The Fly Music)

(3,5****)

De nummers op “Bridge”, het nieuwe album van de Canadese songsmid Lee Palmer, hadden bij nader inzicht eigenlijk al een jaar eerder het daglicht moeten gezien hebben, maar daar stak het leven zelve in allerlaatste instantie een stokje voor. En met name dan ’s mans wankele gezondheidstoestand. Die drong hem immers onverwacht een snelle heelkundige ingreep op. En dus mochten de plannen voor de release van z’n vierde plaat in evenveel jaren tijd voor even de koelkast in.

Nu, een viervoudige overbrugging later, dropt hij het geheel echter wel. En daar mogen we met z’n allen best wel blij om zijn ook, want het is een hele mooie plaat geworden. Een geslaagde spagaat tussen americana, country, folk en blues, waarbij terloops ook wel eens even wordt gelonkt richting jazz, soul en rock. Een lekker gevarieerd geheel met andere woorden. Met als voornaamste bindende element de zang van Palmer zelf. Zijn enigszins lijzige, nasale voordracht deed ons bij momenten weer wat denken aan die van collega Bob Cheevers.

En ook op tekstueel vlak gaat Palmer hier nogal breed. Zo onthielden wij bijvoorbeeld eerbetonen aan zowel zijn thuishaven (het zomers opgewekte “My Town”) als zijn eigen ouweheer (het nostalgische “My Old Man”), een diepe buiging voor eigen held JJ Cale (het groovy “Tulsa Sound”), woorden van medeleven aan het adres van de al een poosje aan Alzheimer lijdende countrygrootheid Glen Campbell (de valse trage That’s No Way To Go”) en wat nostalgisch gemijmer over die eerste keer (het nostalgische “Did It Feel Like This”, een ingetogen duetje met Mary McKay).

Bijgestaan werd Palmer bij het inblikken van “Bridge” verder vooral door gitarist Kevin Breit, bassist Alec Fraser, toetsenman Mark Lalama en drummer Al Cross, zeg maar The One Take Players. Gastbijdragen waren er voorts ook nog van Elmer en Kiki Ferrer, Aaron Solomon, Turner King, Dave Dunlop, Lori-An Smith en Patricia Shirley. En voor de productie tekenden Lee Palmer zelf en Elmer Ferrer.

Lee Palmer

 

CHUCK PROPHET “Bobby Fuller Died For Your Sins” (Yep Roc / V2)

(5*****)

Welk een fantastische plaat! Rock & roll, baby! All the way! Zonder twijfel Chuck Prophets allerbeste tot op heden. Tot de nok toe gevuld met wat hij zelf graag als California noir omschrijven mag. Roots(y) rock met niet zelden een donker kantje. Om te beginnen dat aan catchy rinkelende gitaren opgehangen titelnummer met z’n verwijzing naar de maker van één van onze eigenste all-time favorites, het onsterfelijke “I Fought The Law”. Beter worden ze ons inziens amper nog gemaakt! Al doet Prophet hier zelf voortdurend z’n stinkende best daartoe. Met het hypernerveuze “Your Skin” bijvoorbeeld, met het ons op de één of andere manier een beetje aan de Kinks in de late seventies herinnerende “Killing Machine” en vooral ook met het magistrale “Bad Year For Rock And Roll”, een even aanstekelijke als  originele hommage aan het adres van tal van rockgroten die ons het voorbije jaar ontvielen, met voorop natuurlijk Bowie.

Als tegengewicht voor zoveel muzikaal geweld voorziet de oud-Green On Red-voorman gelukkig ook enkele rustpuntjes. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de helemaal op de knieën gaande trage “Open Up Your Heart”, het à la Lou Reed meer vertelde dan gezongen “Jesus Was A Social Drinker” en het afsluitende protestlied “Alex Nieto”, “een aan twee akkoorden genoeg hebbend eerbetoon aan het adres van een (door een regen aan politiekogels gevelde) goede man die eigenlijk gewoon nog zou moeten leven,” aldus Prophet zelve.

En alweer viel daarna zonder al teveel nadenken vroeg op het jaar de term eindejaarslijstjesmateriaal

Chuck Prophet

 

GUY VERLINDE AND THE HOUSEROCKERS “How How How” (Blue Sting / Parsifal)

(5*****)

Het een jaar of zes geleden verschenen “Guy Verlinde Plays Hound Dog Taylor” moet zowat de meest gedraaide plaat uit het Belgische bluesgedeelte van mijn collectie zijn. En geloof me vrij, dat wil wat zeggen! Er lopen hier immers nogal wat acts rond, die de voorbije jaren met uitstekende platen hebben uitgepakt. Maar goed, Lightnin’ Guy liet en laat ze dus allemaal een eindje achter zich. Wat mij betreft drong een vervolgstuk op die plaat zich eigenlijk al een poosje op. En da’s exact ook wat we nu krijgen met “How How How”.

Met z’n uit gitarist Richard van Bergen en drummer King Berik bestaande eigen Houserockers knalt de dezer dagen vanuit Gent actieve Verlinde daarop opnieuw elf nummers lang in onvervalste Hound Dog Taylor style. In tegenstelling tot eerder doet hij dat ditmaal echter met uitsluitend nieuwe nummers. Negen daarvan van eigen hand, eentje uitgewerkt met van Bergen (de heerlijk exotisch uit de hoek komende instrumental “Jungle Fever”) en eentje van die van Bergen in z’n eentje (de onweerstaanbare instrumentale blitzkrieg met als titel “Snap!”).

“How How How” is bij nader inzicht een echte partyplaat van formaat. Gelijk van bij het catchy de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer gingen wij schokschouderend voor de bijl. Nooit geweten, dat Chicago en Gent zo dicht bij elkaar lagen! En het torenhoge niveau van die opener wordt gelukkig de volledige rit aangehouden ook. Via het ritmische “Long Distance Lovin’” – Nog zo’n oorwurm van een song! – en het wild rockende, enkel zijn titel met iets van Marvin Gaye gemeen hebbende “Let’s Get It On” over de sfeervolle sleper “Show Me Some Mercy”, het al genoemde “Snap!” en het bepaald juicy “I’ve Been Waitin’” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, als een soort van strijdkreet opgevoerde “You Gotta Shake” en het afsluitende viertal bestaande uit het hier ook al eerder vermelde “Jungle Fever”, het vrijwel ogenblikkelijk tot behoorlijk obsceen ogende bewegingen met het bekken aanzettende “That Baby Don’t Love Ya”, het vanuit het Chicago aan de Leie ook even schalks naar New Orleans lonkende “Down The Line” en wilde afsluiter “Say What?”. Een elftal dat als nieuw eerbetoon aan het adres van Hound Dog Taylor tellen kan. Genuine houserocking music indeed! En als dusdanig verplichte kost ook!

Guy Verlinde

 

CHILLI WILLI AND THE RED HOT PEPPERS “Real Sharp” (The Last Music Company / Proper Records)

(4****)

Dit is een waar godsgeschenk! Zo ervaren wij het tenminste als rabiate liefhebbers van most things pub rock. Deze dubbelaar maakt ons inziens zijn ondertitel voor de volle honderd procent waar. Hij bevat naast hun volledige debuut “Kings Of The Robot Rhythm” van Chilli Willi And The Red Hot Peppers immers ook nog de integrale albums “Bongos Over Balham” en “I’ll Be Home” en tal van obscure bonus tracks.

Chilli Willi And The Red Hot Peppers waren een in de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw behoorlijk populair Brits collectiefje rond de tandem Philip “Snake Fingers” Lithman en Martin Stone. Aanvankelijk aangevuld met gelegenheidskrachten als Nick Lowe, Bob Andrews, Billy Rankin, English John Fox, Barry Everitt, Dave Vorhaus en Jo Ann Kelly, later uitgegroeid tot iets vasters met vanaf dan mee aan boord Elvis Costello’s latere Attractions-drummer Pete Thomas, Paul Riley en P.C. Bailey.

Het recept voor hun samenwerking was eigenlijk redelijk simpel. Van in den beginne legde men zich er voltijds op toe om de meest uiteenlopende Amerikaanse muziekjes aan een eigentijdse Britse pendant te helpen. Roots music, that is. Country, de rockvariant daarvan, blues, enz. Zo’n beetje alles waardoor je dezer dagen spontaan onder de noemer americana terecht kan komen. Toendertijd leverde het hen nog bijna even vanzelfsprekend het label pub rock op.

Met deze verzamelaar krijgen de heren Lithman en Stone een mooi postuum eerbetoon.

Chilli Willi And The Red Hot Peppers

 

JIM LAUDERDALE “London Southern” (Proper Records)

(4,5*****)

Toen ik met het mooie “Sweet Time” zachtjes schuifelend “London Southern” binnengleed, dacht ik onwillekeurig, dit heb ik al eens eerder gehoord. En al vrij snel begon het me vervolgens ook te dagen. Bij Nick Lowe natuurlijk. Daar was het. Dit was country soul à la Lowe. En niet geheel en al toevallig ook zou al snel blijken. Terwijl Lauderdale zich doorheen de sfeervolle piano ballad “I Love You More” croonde, kwamen we er immers achter, dat hij het album opnam in Londen met Lowe’s vaste begeleiders en één van diens producers ook, Neil Brockbank met name, hier voor de gelegenheid bijgestaan door Robert Trehern.

Bij het pennen van nogal wat van de nummers op “London Southern” liet Lauderdale zich bijstaan door gerenommeerde partners. Voor de werkelijk sublieme sleper “We’ve Only Got So Much Time Here” was dat Odie Blackmon, voor het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mede daardoor een onmiskenbare Southern soul flair etalerende “What Have I Got To Lose” en het wat meer countryesk ingevulde “Don’t Shut Me Down” legende Dan Penn, voor het ingetogen sensuele, met wat gebrabbel in het Spaans behangen “If I Can’t Resist” en het van de passie druipende “Different Kind Of Groove Some Time” John Oates, één helft van het ook hier met name in de eighties razend populaire duo Hall & Oates, voor het op een heerlijk lijzige groove en al even zalige blazers terugvallende “I Can’t Do Without You” Kendell Marvell.

De overige zes songs droeg onze man zelf aan. En ook die zijn zonder uitzondering fameus te noemen. Van het al genoemde duo “Sweet Time” en “I Love You More” tot andere bepaald soulvolle kleinoden als “You Came To Get Me” en “Don’t Let Yourself Get In The Way”, het ons een klein beetje aan iets van Manfred Mann in de sixties herinnerende “No Right To Be Wrong” en het afsluitende swingertje “This Is A Door”.

Een zoveelste beauty op het palmares van de hyperactieve Jim Lauderdale!

Jim Lauderdale

 

NED ROBERTS “Outside My Mind” (Aveline Records)

(4,5*****)

Ned Roberts is de naam van een nog relatief jonge songsmid actief vanuit Londen. De beste man debuteerde al in 2014 met een naar zichzelf vernoemd album. Een plaat, die we van hieruit – Zij het dan ook met wat vertraging! – alleen maar van harte kunnen aanbevelen. Volkomen terecht bedolven onder de lovende kritieken. Roberts presenteerde zich daarop immers als iemand met ontzettend veel potentieel. Als iemand, wiens naam je mocht vernoemen ergens heel dicht in de buurt van die van grootheden als een Tim Hardin, een Nick Drake en een Leonard Cohen ook wel. Als iemand van wiens werk een zeker aura van tijdloosheid afstraalde. Geen wonder dat in verband met zijn liedjes regelmatig werd verwezen naar de vermaarde Laurel Canyon music scene.

En wij waren hier dan ook razend benieuwd naar ’s mans tweede, het naar eigen zeggen over een periode van een jaar of drie langzaam gerijpte “Outside My Mind”. Voor de opnames van dat geheel toog Roberts naar LA. Daar liet hij zich productioneel bijstaan door de onder meer ook van zijn werk met Richmond Fontaine en Noah & The Whale bekende Luther Russell. En die zag vooral dat het weer zeer goed was. Dat de tien zich voornamelijk met het thema liefde inlatende liedjes opnieuw dat tijdloze randje hadden. Welke kant van dat gegeven ze ook aandeden. Van de zalige tot de donkere, tot alles daar tussenin.

Roberts’ voornaamste troeven zijn ontegensprekelijk zijn niets minder dan bloedmooie fluwelen stem en de aangeboren gave tot het pennen van piekfijne verhalende liedjes. Die twee, gekoppeld aan de instrumentale hand-en-spandiensten van onder meer producer-multi-instrumentalist Russell, bassist Jason Hiller, pedal steeler Eli Pearl, Luanne Homzy’s L.A. Pop Quartet en backing vocaliste Sarabeth Tucek en een reeks fijne melodieën, leiden tot tien steeds opnieuw om je aandacht bedelende liedjes. Grofweg te situeren ergens tussen folk en luisterpop. Dingen die je als luisteraar al je leven lang lijkt te kennen. Maar dat is dus wel degelijk niet het geval, want het betreft hier uitsluitend nieuwe originelen van de hand van Roberts.

Onze luistertips: openingstrio “Drifting Down”, “Through The Arches” en “Hazy Days” en het herfstige, met wat fijn mondharmonicawerk opgewaardeerde “Letter Home”. Het zijn maar enkele van de vele liedjes hier, die duidelijk laten horen waarom Roberts in z’n thuisland door nogal wat connoisseurs als een grote belofte voor de toekomst wordt gezien. Wij schuiven vanaf nu graag mee aan in dat rijtje.

Ned Roberts

 

MATT HAECK “Late Bloomer” (Dollartone Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De volle vijf sterren voor een debuut? Yep! Zeker weten! We hebben er lang over nagedacht, maar bij elke nieuwe beluistering weer drongen ze zich onwillekeurig op, die vijf sterren. Ongelooflijk eigenlijk, dat een dergelijke sterke eersteling uit de koker stamt van iemand die tot voor kort nog voor een bestaan als geestelijke voorbestemd leek. Dat is tot op het moment dat hij tijdens zijn studies een danige afkeer voor theologie ging ontwikkelen, dat een toekomst als muzikant plots een stuk aannemelijker werd. Danig getekend door het leven kon hij als songsmid alvast terugvallen op de zo ongeveer ideale voedingsbodem. En dat hoor je aan “Late Bloomer” ook. Al heel snel wordt duidelijk, dat deze knaap weet, waar hij het in z’n teksten over heeft.

Onder de productionele hoede van David Mayfield en in de studio bijgestaan door onder anderen Elizabeth Cook, Caitlin Rose, Aaron Lee Tasjan en Critter Fuqua van Old Crow Medicine Show harkt de ruiggevooisde Haeck ruim zesenveertig minuten lang complexloos rond in de weids uitgestrekte tuin die americana heet. Lekker rockend zoals in openingsnummer “Tennessee”, het feestelijke, onder meer door het zomerse kopergeschetter erin ergens dicht in de buurt van de Mavericks strandende “28 Years” en het zalig twangende “Whiskey & Fast Women”, wat meer on the country side of things zoals in het bekoorlijke “Minnie Pearl”, het grappige “Pissing Contest” en de halve Hank Williams-deun “Worst Enemy/Ramblin’ Man” en regelmatig ook in verhalende ballademodus zoals in het pakkende “Belt”, “Cotton Dress”, “Lovin’ Off My Mind”, “Couldn’t Say Yes (‘Till I Learned To Say No)” – Hadden we Johnny Cash zaliger best wel eens willen horen brengen, dat liedje! – en “Wonderful Wild Tennessee Child”.

Nu al zo goed als een zekerheidje voor ons eindejaarlijstje van 2017! Wil je naar onze bescheiden mening echt niet missen.

Matt Haeck

 

LOWLANDS AND FRIENDS “Play Townes Van Zandt’s Last Set” (Route 61 Music)

(4****)

Edward Abbiati, kopstuk van het Italiaanse americanacollectiefje Lowlands, was één van de laatsten om wijlen Townes Van Zandt ooit live aan het werk te zien. Hij was immers één van de uitverkorenen die getuige mochten zijn van het allerlaatste optreden van de ondertussen tot een ware legende uitgegroeide songsmid. Op dinsdag 3 december 1996 meer bepaald, in The Borderline in Londen. Nauwelijks enkele dagen voor zijn dood op nieuwjaarsdag 2017 was dat. Een gig die een zeer diepe indruk op Abbiati heeft nagelaten. Zo diep, dat hij nu, ruim twintig jaar later, uitpakt met een naar die bewuste avond teruggrijpend initiatiefje. Met een reeks vrienden vertolkt hij Van Zandts allerlaatste set in haar totaliteit.

Het betreft daarbij een album dat op eerder speciale wijze tot stand kwam. Een budget was er immers absoluut niet voor. Wat de erbij betrokkenen deden, dat deden ze zonder uitzondering gratis. En… wanneer het hen uitkwam. In studio’s, maar ook op slaapkamers, in livings en keukens, in oefenruimtes, tot zelfs telefonisch. Lijkt zo op het eerste gezicht quasi een garantie voor een weinig samenhangend geheel, maar dat is dit album zeker niet. Integendeel zelfs! Abbiati was immers zo verstandig om de gerenommeerde Barry Marshall-Everitt te vragen om het geheel aaneen te praten. Er als het ware een radiosessie van te maken. En dat werkt wonderwel. Zijn commentaren vormen als het ware het cement tussen de door Abbiati en co aangedragen stenen.

Uiteraard is lang niet alles op deze verzamelaar even sterk. Dat is nu eenmaal eigen aan dit soort van projecten. Je hebt altijd wel dingen die geweldig zijn en andere die veel minder blijken. Gelukkig viel het wat die laatste categorie betreft hier nogal mee. Zelf waren wij heel erg gecharmeerd door de met Rod Picott gedeelde en met een stukje “Dead Flowers” van de Stones verrijkte versie van “Tecumseh Valley”, door de met Stiv Cantarelli gebrachte lezing van “Loretta”, door het samen met huisfavorietje Richard Lindgren gebrachte “Katie Belle Blue” en door een mooie uitvoering van de hit “Pancho And Lefty” met The Lucky Strikes, Sid Griffin en Michele Gazich.

Verder gingen die van Lowlands ook nog samenwerkingsverbanden aan met de Gnola Blues Band en Kevin Russell van The Gourds voor “My Starter Won’t Start”, een die bewuste avond in Londen door Van Zandt gebrachte Lightning Hopkins-cover, met Cheap Wine voor “Dollar Bill Blues”, met Antonio Gramentieri van Sacri Cuori, Winston Watson en opnieuw Stiv Cantarelli voor – Wat niet meteen één van onze lievelingsmomenten hier zou worden! – “Buckskin Stallion”, met Will T. Massey voor “Marie”, met Chris Cacavas van Green On Red, Winston Watson en Michele Gazich voor een werkelijk heerlijk desperaat uit de hoek komend “Waiting Around To Die”, met Aussie Tim Rogers van You Am I voor “A Song For”, met Ragsy voor een tweede Lightning Hopkins-cover, met name “Short Haired Woman Blues”, met No Good Sister en Maurizio Gnola Glielmo voor het bij Elvis Presley geleende “Ballad Of The Three Shrimps”, met Will T. Massey, Tim Rogers en Rod Picott voor het bezwerende, in navolging van hun held zelf meer gesproken dan gezongen ten gehore gebrachte “Sanitarium Blues” en met de Zweedse Plastic Pals, andermaal Chris Cacavas en Jonathan Segel van Camper Van Beethoven ten slotte voor “Colorado Girl”.

Is wat je noemt een echt labour of love.

Lowlands, Route 61 Music

 

MERCY JOHN “This Ain’t New York” (Butler Records / Music On CD)

(4****)

Welgeteld één enkel nummer was er nodig om ons te overtuigen van de kwaliteiten van de ons voorheen volslagen onbekende Mercy John. De ongemeen soulvolle single “This Ain’t New York” meer bepaald. Da’s echt een staaltje van topamericana. Een heerlijk, onmiddellijk aanslaand nummer, gedragen door een stem om zowat voor te smelten en ook muzikaal gezien zeer gracieus ingevuld. Moet je wel van houden!

’s Mans eerste album “Five More Days & A Matter Of Somewhere”, indertijd nog uitgebracht onder de naam John Henry, ontsnapte nog volledig aan onze aandacht. Ten onrechte, zo blijkt nu. Wat de overduidelijk door artiesten als Ryan Adams, Bruce Springsteen, Tom Petty en aanverwanten beïnvloede jonge Nederlander hier uit de mouw schudt getuigt immers van grote, grote klasse. Klinkt heel internationaal ook. Kan je probleemloos waar dan ook mee uitpakken, zo lijkt ons.

“Don’t Leave Me Now”, “Better To Be Safe” en “Shock” zijn zonder uitzondering catchy strepen roots rock van formaat, “Break Apart With Me” en “God Made An Awful Mistake” – Een heel erg doorleefd afscheidsliedje voor z’n recentelijk overleden moeder! – op hun beurt soulvolle tragen, “The Rain”, “Lost” en “Endless Summer” echte wolken van ballads en in “Alcohol And Rage” regeren enkele minuten lang de begrippen twang en country, zij het dan ook op ingetogen wijze.

Gaan we beslist nog veel van horen, van deze Mercy John!

Mercy John

 

RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “My Way Or The Highway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Echt veel nieuwe dingen hoeft u van Rich Hopkins en de zijnen ook op “My Way Or The Highway” weer niet te verwachten. Ze doen nu eenmaal wat ze doen en dat doen ze verdomd goed ook.

Op “My Way Or The Highway” betekent dat aftrappen met een milde verhalende roots rock ballad over een gezamenlijk uitstapje van de man zelf en z’n Lisa naar Chiapas, Mexico en de watervallen aldaar. Een soortement van reisverslagje dus eigenlijk. Vervolgens zijn er achtereenvolgens de snedige gitaarrock van “Gaslighter”, de door Lisa Novak gezongen folk rock beauty “Want You Around” en de al even knappe Southern countryrocker “If You Want To”. Om dan via de akoestische gitaarinstrumental “Lost Highway” te belanden bij in die volgorde het bitsige, door Tucson hip-hop maestro Cesar Aguirre van een gastoptreden voorziene “Meant For Mo”, het van flink wat popgevoel getuigende “Hell Or High Water (Married Go ‘Round)”, het als bezeten aan z’n kettingen snokkende “I Don’t Want To Love You Anymore” en de volgende instrumental “Journey To Palenque”.

Afgesloten wordt er met het werkelijk magistrale drietal “Chan Kah”, “Gnashing Of Teeth” en “Walkaway Again”. Met plenty vintage Hopkins. De desert stuff, you know. Ergens dicht in de buurt van Neil Young op z’n best. Met vooral ook weer veel gitaarwerk om vingers en duimen bij af te likken.

Rich Hopkins And The Luminarios

 

AD VANDERVEEN “Worlds Within” (Songsense Music / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Een nieuw album van de Nederlandse singer-songwriter Ad Vanderveen, da’s altijd opnieuw genieten geblazen. Vanderveen is één van de weinige Nederlandse rootsartiesten die tot ver buiten de eigen landsgrenzen bijval oogst en da’s wat ons betreft niet meer dan terecht ook. Op z’n zestigste kan de beste man inmiddels immers terugblikken op een onwaarschijnlijke hoeveelheid prachtliedjes. En hij doet er daar hier en nu met plezier nog eens een tiental bij.

Tien poëtische hoogstandjes, ten tonele gevoerd tegen een volledig akoestisch gehouden achtergrond van zachte folk en americana, met zo nu en dan ook wel eens een poppy, jazzy of klassiek elementje. Met opvallende dienende bijrollen vooral voor z’n muze Kersten de Ligny en toetsenist Rene Kaaij. En opgenomen onder de productionele hoede van Pete Fisher.

Hoogtepunten zoeken doe je op een geheel als dit niet. Da’s onbegonnen werk. Je neemt er keer op keer opnieuw de tijd voor om ervan te genieten in z’n totaliteit. Om mee af te dwalen naar de gedachtenwereld van Vanderveen. Om je over te geven aan het zeldzame momentum van een zichzelf zo goed als volledig blootgevende artiest. Iets waarover het ook lijkt te gaan in de fraaie albumopener “Worlds Within”. Over het afdalen naar het eigen innerlijk als vlucht uit de realiteit.

In het werkelijk bloedmooie ingetogen kleinood “The Garden Of Gone Glory” is het vervolgens aangenaam toeven tussen herinneringen aan weleer. “No place else on earth that I would rather be than right here, right now in the garden of gone glory,” luidt het daarin. Elke al wat oudere jongere knikt dan wellicht voorzichtig instemmend even mee. Vervolgens wentelen we ons enkele minuten lang in twijfel in het ook al erg fraaie “Sinking In Doubt”. Heerlijk, hoe de Ligny haar stem daarin tegen die van Vanderveen aanschurkt. En ook dat streepje koperblaaswerk van Frans Cornelissen konden we hier best wel appreciëren.

Andere erg fijne momenten op “Worlds Within” zijn bijvoorbeeld ook nog het wel heel bedaard rockende “Mystery”, de ronduit heerlijke ballad “Impossible Love” en vooral ook het in een vlaag van uitzonderlijk positivisme vereeuwigde streepje americana “Affirmation Blues”. Als Vanderveen en de Ligny daarin op harmonieuze wijze verkondigen “Everything is always working out for me!”, dan ben je als luisteraar al snel geneigd om hen daarin te volgen.

Heerlijke plaat!

Ad Vanderveen

 

TOM PAXTON “Boat In The Water” (Pax Records / V2)

(3,5****)

Al vroeg in de jaren zestig kroonde Tom Paxton zich tot één van dé stemmen van z’n generatie. Met z’n nochtans redelijk traditioneel vormgegeven folkliedjes maakte hij werkelijk fans bij bosjes. Onder meer ook de later zelf tot een icoon uitgegroeide Guy Clark, die hem tot aan zijn dood graag als één van z’n grote voorbeelden mocht opvoeren.

En als dusdanig is het eigenlijk best wel een beetje raar, om Paxton hier op z’n negenenzeventigste bij momenten te horen klinken als precies die Clark. ’n Beetje folk, een beetje americana. In een door de tandem Cathy Fink en Marcy Marxer gestuurde productie. Marxer zorgt ook voor bij momenten erg fraaie harmony vocals en voor bijdragen op respectievelijk resonatorgitaar, mandoline, ukelele, gitaar en wat percussie-instrumenten, Fink van haar kant zingt eveneens een alleraardigst mondje mee en bracht ook een gitaar en een banjo mee naar de studio. Als bassist fungeerde Ralph Gordon.

De nieuwe kleine liedjes op “Boat In The Water” schreef Paxton voor de gelegenheid in samenwerking met een stel in Nashville actieve songwriters. Meer bepaald Jon Vezner, Pat Alger en Don Henry viel die eer te beurt. Hij valt op z’n inmiddels drieënzestigste plaat echter ook geregeld terug op z’n eigen verleden. Onder meer voor deunen als “The Last Hobo”, “Ev’ry Time” en “Home To Me”.

Zeker niet ’s mans beste plaat, maar wel weer een hele mooie. Zo eentje waarmee je graag een avondje languit genieten inzet…

Tom Paxton

 

THE SADIES “Northern Passages” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Hun nieuwe cd namen de Sadies in de winter van 2015 op in de kelder van het ouderlijke huis van broers-kopstukken Dallas en Travis Good ergens ten noorden van Toronto. Daar, in een hun vertrouwde omgeving en ver weg van elke verleidelijke vorm van afleiding, slaagden de Canadezen erin één van hun allerbeste platen tot op heden te vereeuwigen. Heerlijk gevarieerd als steeds. Heerlijk heftig bij momenten ook. Eén wilde acid-folk-country-punk trip om hier even klakkeloos de woorden uit het gebruikelijke promopraatje te herhalen. Voor één keer blijken die immers spijkers met koppen te slaan.

De relaxte psych-folk van “Riverview Fog”, de punky uitbarsting “Another Season Again”, het ook al bepaald vinnig gebrachte “There Are No Words”, het onder meer door het gitaargebruik erin best wel wat met de Byrds gemeen hebbende “It’s Easy (Like Walking)”, met z’n gastoptreden van Kurt Vile, het ook al in een wolk van psychedelica badende “The Elements Song”, de aanstekelijk rammelende countryrocker “Through Strange Eyes”, het al helemaal country vormgegeven “God Bless The Infidels”, de atmosferische folk rock van “The Good Years”, het als iets uit de late sixties klinkende “As Above, So Below”, de Youngiaanse rocker “Questions I’ve Never Asked” en de daar perfect bij aansluitende, knallende afsluiter “The Noise Museum”, elf tracks en ruim vijfendertig minuten lang herinneren de Sadies er ons hier nog eens aan, waarom we hen eigenlijk altijd al een warm hart hebben toegedragen.

Eclectisch ingestelde liefhebbers van roots rock en Americana zullen hier een bepaald vette kluif aan hebben.

The Sadies

 

NIKKI LANE “Highway Queen” (New West Records / PIAS)

(4****)

Een vlugge blik op de bovenste regionen van de meest recente AMA Chart leert genoeg: De bekoorlijke Nikki Lane is dezer dagen hot in Amerikaanse americanakringen. De muziek van de vanuit Nashville actieve jonge hipster geldt zowat als het nieuwe prototype van outlaw country. En wat ons betreft volkomen terecht ook. Waren haar debuut “Walk Of Shame” en het zo’n twee jaar geleden onder de productionele auspiciën van Dan Auerbach opgenomen “All Or Nothin’” al niet te versmaden, dan is “Highway Queen” zelfs nog beter. Nog een stuk zelfverzekerder alleszins. Iets wat onder meer ook al blijkt de cover ervan. Daarop heeft Lane the bull letterlijk by the horns. Imposant!

En imposant is ook het op het album zelf gebodene. Gelijk van bij het openingsnummer, het met iets van een ondertoon van swamp rock opgewaardeerde “700,000 Rednecks” is het alweer volop prijs. Het eerste van een reeks heerlijke oorwurmen, zo zal al snel blijken. Van het bedaard rockende, haar als het ware op het lijf geschreven titelnummer, de haar door een Facebook-berichtje van Levon Helms vrouw ten tijde van diens gevecht met kanker ingegeven valse trage “Lay You Down” en het wervelende, met de blik richting Vegas ingeblikte “Jackpot” – Een geheide hit in wording! – over het dromerige, best wel wat aan de Everly Brothers herinnerende “Companion”, het ons lekker wild van achter de piano in de één of andere bar toegeworpen “Big Mouth” en het als Kirsty MacColl gone country klinkende “Foolish Heart” tot de onder zacht rinkelende gitaarklanken bedolven milde rootsrocker “Send The Sun”, het behoorlijk persoonlijke “Muddy Waters” en het aan haar eigen stukgelopen huwelijk gewijde “Forever Lasts Forever”, zelden zoveel americana met commerciële potentie op één enkele plaat gehoord! En van een dergelijke hoge kwaliteit dan nog…

Geen twijfel mogelijk: met dit derde album zal Lane het nog heel ver gaan schoppen. Mainstreamsucces lijkt eigenlijk alleen nog maar een kwestie van tijd.

Nikki Lane

 

SEAN WEBSTER BAND “Leave Your Heart At The Door” (Cadiz Music / Bertus)

(3,5****)

Ik ben normalerwijze niet echt wat je noemt een liefhebber van blues rock, maar voor de in Nederland woonachtige Brit Sean Webster maak ik graag een uitzondering op die regel. Ik vind de beste man immers een fantastische stem hebben en wat hem voor mij zo mogelijk nog aantrekkelijker maakt, is dat hij niet in de valkuilen van het genre trapt. Schijnbaar oeverloze gitaarsoli worden door de nochtans alleraardigst op de snaren uit de voeten kunnende Webster tot een absoluut minimum beperkt en stilistisch gezien schuwt hij de nodige risico’s absoluut niet.

“Leave Your Heart At The Door”, ’s mans eerdaags te verschijnen nieuwe worp, is mede daardoor een behoorlijk toegankelijk album geworden. Er staan zelfs een aantal liedjes op die zó op de radio kunnen. We denken dan bijvoorbeeld aan de in duet met PennyLeen Krebbers gebrachte power ballad “I Don’t Wanna Talk About It” (Niet de door onder meer Rod Stewart de eeuwigheid ingezongen Danny Whitten-compositie!), het ook al in slowmodus gebrachte tweetal “Wait Another Day” en “’Til Summer Comes Around” of het Joe Cocker in z’n hoogdagen op het lijf geschreven titelnummer. Niet geheel en al toevallig net de wat rustigere nummers.

Maar rocken doet Webster als vanouds natuurlijk ook. Onder meer in het zwaar op groovy toetsenwerk van Bob Fridzema leunende “Give Me The Truth” en het jachtig-soulvolle “You Got To Know”.

En dan is er hier ook nog plaats voor een speciale vermelding voor het op een soort van stuiterritme naar aandacht hengelende “Hands Of Time”. Mede door Websters lekkere hese stem opnieuw een deun met een hoog Cocker-gehalte. Maar ditmaal wel de commerciëlere uitvoering van in z’n nadagen.

Sean Webster Band

 

TINEZ ROOTS CLUB “Have You Heard?!” (Rootz Rumble / Donor / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over lekkere platen gesproken, dit is er weer eens één, zie! Een kruidig dampende gumbo van bruisende R&B, swing en rock & roll. Een dertien tracks lange adrenalineopstoot, swingend als de spreekwoordelijke tiet. Met in de hoofdrol vooral twee saxen. De tenor van kopstuk Martijn “Tinez” van Toor en de bariton van Evert Hoedt. Al valt zeker ook de rol van Rob Geboers en Andreas Robbie Carree zeker niet te onderschatten. De eerste tekent Hammond-gewijs voor een heerlijke groove, de tweede houdt er van achter z’n drumstel het ritme lekker in.

Van het vrijwel meteen ongegeneerd op dansgrage benen mikkende openingsnummer “JL Boogie” en het soulvolle “Please Tell Me” in het kielzog daarvan over het rockende titelnummer “Have You Heard” en de vinnige retro van “Cast Away Your Spell”, één van de weinige gezongen nummers hier, tot het net niet uit de bocht swingende “This Cat” en het opnieuw met tonnen soul overladen, een weinig jazzy aandoende “Ant Eater” (Dat orgeltje!), van het ongemeen sfeervolle “Goin’ To The Church” over het z’n titel werkelijk allesbehalve gestolen hebbende “Rock Baby Rock” en het onder lekker rollende drums van een heuse jungle groove bediende “What You Do To Me” tot de knappe slow “So Hard To Love You”, van het echt rete-aanstekelijke “Chimpanzee” over het titelgewijs opnieuw maar weinig meer aan de verbeelding overlatende “We’re Gonna Rock” tot de in sensuele modus het licht uitdoende afsluiter “Indeed I Do”, dit is zo ongeveer van begin tot einde een echt feest van een plaat.

Wat ons betreft dan ook een aanrader van formaat, deze grotendeels instrumentaal gehouden derde van Tinez van Toor en de zijnen. Zien we binnenkort gegarandeerd ook terug op zo menig een zomerfestival! Wedje?

Tinez Roots Club

 

TORGEIR WALDEMAR “No Offending Borders” (Ja. Jansen Plateproduksjon / PIAS)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met de Noor Torgeir Waldemar moeten we ondertussen al iets meer dan een jaar of twee terug in de tijd. Met zijn titelloze debuutplaat blies de beste man ons in 2014 zo ongeveer compleet van onze sokken. Een echt akoestisch meesterwerkje was dat. Een werkelijk tijdloos geheel, zoals die in de late sixties en prille seventies door wel meer folktroubadours werden afgeleverd.

Op ’s mans nieuwe worp “No Offending Borders” maken we ook kennis met een andere kant van ‘m. Waldemar heeft een verleden als gitaarbeul in tal van rock bands en dat laat hij hier bij momenten horen ook. Naast liedjes die bij nader inzicht perfect ook op z’n eersteling hadden kunnen staan als “Falling Rain (Link Wray)”, “Island Bliss” en “Souls On A String” presenteert de Noor ons ditmaal her en der ook flink wat steviger materiaal. Het op oerdegelijke gitaarfundamenten opgetrokken “Summer In Toulouse” en het überhaupt wat zweverig aandoende “Sylvia (Southern People)” bijvoorbeeld herinneren volop aan Neil Young, zowel met als zonder Crazy Horse, en “Among The Low” koppelt old-time stringband music aan ogenschijnlijk compulsief rockersgedrag.

Waldemars yin en yang als het ware verenigd op één enkele plaat. En het resultaat daarvan is andermaal niks minder dan verbluffend goed.

Torgeir Waldemar

 

JUDE JOHNSTONE “A Woman’s Work” (BoJak Records)

(3,5****)

Als Jude Johnstone hier al enige naambekendheid geniet, dan toch vooral als songleverancier voor anderen. Onder meer Emmylou Harris, Bonnie Raitt, Jennifer Warnes, Stevie Nicks en Trisha Yearwood bedienden zich in het verleden reeds van haar liedjes. Maar voor hét moment de gloire van Johnstone zorgde toch vooral Johnny Cash. Toen The Man in Black in 1996 haar “Unchained” als titelnummer voor z’n nieuwe cd koos, maakten plots wel heel erg velen tegelijk kennis met de liedjesschrijfster Johnstone. En financieel gezien zal ze er ook wel niet slechter van geworden zijn, zeker?

Van die Johnstone is er nu het nieuwe album “A Woman’s Work”. Haar zevende al. En daarvoor schreef ze als het ware haar eigen recente scheiding van zich af. Hartzeer is alleszins het centrale thema. Ze gaat niet enkel in op het mislukken van haar huwelijk, maar vraagt zich ook openlijk af, hoe het nu met haar verder moet. Behoorlijk persoonlijk spul dus. En dat maakt van “A Woman’s Work” best wel een intrigerend geheel. Doorgaans eerder somber, eerder moody van aard natuurlijk, maar dat mag gezien de achtergrond niet echt verwonderen.

Stilistisch gezien houdt Johnstone het op materiaal waarvoor bij voorkeur de omschrijvingen luisterpop en folk uit de kast mogen. Niet zelden in ballademodus. Ontstaan achter de piano.

Onze luistertips: de werkelijk zonder gêne de diepste gevoelens en vragen van een gebroken vrouw benaderende pianoballade “A Woman’s Work” en het zachtjes swingende “People Holding Hands”. Hoe ze zich in dat laatste liedje ergert aan voorbij wandelende mensen die middels bescheiden tekenen van affectie als het vasthouden van elkaars handen hun liefde voor elkaar tonen, moet een voor eenieder die ooit met een gebroken hart worstelde bekend gevoel zijn.

Jude Johnstone

 

MATT WATTS “How Different It Was When You Were There” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4,5*****)

Met z’n nieuwe worp “How Different It Was When You Were There” zet de al een poosje in ons land verblijvende Amerikaanse songsmid Matt Watts nadrukkelijk enkele stappen vooruit. Was de voorganger ervan, het ook al erg mooie “Songs From A Window”, in essentie nog een echte soloplaat, dan laat de jonge storyteller zich this time around nogal wat hand-en-spandiensten van bekende vrienden welgevallen. En precies dat gegeven zou er wel eens voor kunnen gaan zorgen, dat zijn muziek eindelijk de wat ruimere aandacht krijgt, die ze al zo lang verdiende.

De heerlijke schuifelaar “Joanne” en het ons van mood op de één of andere manier een weinig aan Leonard Cohen herinnerende “How Many Years” werden zo bijvoorbeeld vereeuwigd met wat gezongen hulp van Nathalie Delcroix, datzelfde duo en het ook al ronduit magistrale “Time Turns As An Engine” – Een vaderlandse folk pop classic in wording? – mogen daarnaast ook rekenen op de aanwezigheid van Bjorn Eriksson en lijzige radiohit in spe “Many A Friend Too Kind” blijkt een duet met Stef Kamil Carlens van de Zita Swoon Group.

Verder onder meer ook nog aan boord: snarenvirtuoos Geert Hellings (Stanton, Guido Belcanto), drummer Maarten Moesen (Admiral Freebee, Guido Belcanto) en bassist en tevens producer van het album Nicolas Rombouts (Dez Mona, Stef Kamil Carlens, The Colorist, Guido Belcanto). Zij zorgden samen als het ware voor de muzikale fundamenten van “How Different It Was When You Were There”.

Wat ondanks al dat muzikale vakmanschap vooral in de kijker springt, zijn en blijven echter de teksten van Matt Watts. Die blijven nach wie vor bijzonder intrigerend. Heel erg veeleisend ook. Ze doen je als luisteraar niet echt iets cadeau. Laagje per laagje maar geven ze hun vele geheimen prijs. Maar net zo mogen wij het toevallig graag hebben.

Als we hier even heel eerlijk mogen zijn: voor een plaat als “How Different It Was When You Were There” is België eigenlijk gewoon al te klein geworden. Songmateriaal van dit kaliber verdient immers een veel en veel ruimer publiek!

(“How Different It Was When You Were There” wordt op 2 maart aanstaande live boven de doopvont gehouden in de Arenbergschouwburg te Antwerpen.)

Matt Watts

 

TRICCA MCNIFF “Southern Star” (Dell’ Orso)

(3,5****)

De Britse songsmid Jason McNiff kenden we hier al van goede tot zelfs ronduit uitstekende platen als “Off The Rails”, “Nobody’s Son”, “Another Man”, “In My Time” en “April Cruel”. De in Italië geboren, maar dezer dagen in Londen woonachtige Emma Tricca was voor ons tot voor kort een nobele onbekende. Nochtans is ze al lang niet meer aan haar proefstuk toe. Met “Gypsies And Red Chairs”, “Minor White” en “Relic” heeft ze immers al drie volwaardige langspelers op haar actief staan. ’t Lag deze keer dus echt wel aan ons…

Op de EP “Southern Star” gaan de gelijkgestemde geesten Tricca en McNiff een vooralsnog eenmalig samenwerkingsproject aan. Van beiden staan er drie liedjes op het schijfje. Van Tricca zijn dat het als duet gebrachte titelnummer, het door McNiff vertolkte “Middletown” en het afsluitende “Paris Rain”, van McNiff op zijn beurt de door Tricca ingepalmde ballad “New York”, het net wat lichtvoetigere, maar daar toch daar perfect bij aansluitende “Hills Of Rome” en het weer samen uitgevoerde “Southbound Train”.

Een fraai setje kleine liedjes is het, waarin het verlangen om te reizen en daarmee gepaard gaande emoties bijna voortdurend centraal staan. Met twee stemmen die elkaar wonderwel weten te vinden. Die complementair zijn, heet dat dan. Die van hem lekker gruizig, die van haar aangenaam breekbaar. En dat alles tegen een akoestische gitaarachtergrond die een duidelijke voorliefde voor schoon volk als een Bert Jansch en een John Renbourn verraadt.

Van beide artiesten verschijnt overigens binnenkort nog ander nieuw materiaal ook. Van McNiff is dat alvast de dubbele verzamelaar “Rain Dries Your Eyes”, die op 28 april boven de doopvont zal worden gehouden. Aan dat van Tricca wordt momenteel naar verluidt nog volop gesleuteld in de Big Apple.

Jason McNiff, Emma Tricca

 

RIANTO DELRUE “Riding For A Fall” (Rianto Delrue)

(4****)

De ons stemgewijs beurtelings een weinig aan James McMurtry en Bruce Cockburn herinnerende jonge Gentenaar Rianto Delrue pakte onlangs uit met zijn eerste volwaardige langspeler. “Riding for a Fall” is de opvolger van zijn al in maart 2013 verschenen debuut, de EP “An Awful Lot of Hearts”. En we gaan hier niet al te lang rond de pot draaien: het is een verdomd sterke plaat geworden. Een album dat her en der duidelijk de invloed van groten der aarde als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Bob Dylan en een Leonard Cohen laat doorschemeren, maar dat is natuurlijk allesbehalve een bezwaar. Temeer daar Delrue ergens tussen americana, country en folk toch quasi voortdurend vooral zijn eigen ding doet.

Daarbij productioneel begeleid door Teun De Voeght en in de studio bijgestaan door onder meer Bruno Deneckere (gitaar, banjo en mandoline), diezelfde De Voeght (bas, gitaar, piano, percussie en backing vocals), Steven Sarrazyn (harmonica en backing vocals), Ries De Vuyst (gitaar en dobro), Tom De Wulf (drums) en Antje Cochuyt en Iris Thissen (backing vocals) presenteert Delrue (zang en gitaar) ons in net iets meer dan veertig minuten elf eigen liedjes die ongelooflijk af klinken. Verhalend sterk spul, even simpel als doeltreffend.

Het door de banjo van Bruno Deneckere mee de goede kant uit geduwde openingsnummer hadden we zo bijvoorbeeld graag eens door wijlen Johnny Cash horen brengen op één van diens laatste platen. En ook het meteen in het zog daarvan schijnbaar achteloos voorbij schuifelende titelnummer “Riding for a Fall” maakte vrijwel onmiddellijk een verpletterende indruk op ons. Met liedjes van dat kaliber hijst Delrue zich wat ons betreft vlotjes naast andere groten van het Vlaamse americana- en folkwereldje als de al genoemde Bruno Deneckere, HT Roberts en Lieven Tavernier.

En het goede nieuws is, dat hij dat niveau schijnbaar moeiteloos lijkt vol te kunnen houden. Van het folky “Lady Walking in the Snow” over het over voorzichtig speels gitaargetokkel neergelegde “Let Me Be Your Pride and Joy” of het door Steven Sarrazyn met een fijn streepje mondharmonica opgewaardeerde “Taking My Responsibility” tot het zachtjes rockende “The Night Mare”, het in onvervalste fingerpickin’ style opgediste “Don’t Cry Me No Canada Dry”, de hypernerveuze, wellicht flink door zijn eigen levensverhaal geïnspireerde story song “Solitary Baby” en andere, Delrue wist ons echt wel moeiteloos bij de les te houden. De hele rit lang zaten we nu al meermaals met plezier uit. En er zullen er nog flink wat gaan volgen ook, geloof ons vrij!

Tot slot ook nog even een pluim voor het fijne artwork van Maarten Dings. Door te werken met foto’s uit de oude doos weet die immers perfect het op de één of andere manier wat aparte sfeertje dat van “Riding for a Fall” afstraalt te vatten. En da’s een kunstje op zich!

Rianto Delrue

 

MATT HANNAH “Dreamland” (Gamine Records)

(4,5*****)

Matt Hannah is een in Michigan geboren en getogen, maar dezer dagen in Minneapolis residerende Americana singer-songwriter, die al in 2014 solo debuteerde met het knappe, grotendeels akoestisch gehouden album “Let The Lonely Fade”. Een plaat waarvoor als referentie regelmatig de grote Townes Van Zandt werd opgevoerd. Vol met melodieuze folk en Americana. Heerlijk down to earth. En dus keken we hier ook al reikhalzend uit naar wat volgen zou. En dat blijkt nu “Dreamland”.

Dat onder de productionele auspiciën van Matt Patrick ingeblikte geheel krijgt mede door de inbreng Erik Koskinen een net wat elektrischer randje mee. Diens gitaarspel kleurt immers zo menig een nummer een weinig rauwer. Maar ook de oude vertrouwde Hannah blijft aan de beurt komen, hoor. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het verstilde “Banks Of The Mississippi” zonder daarbij in gedachten naar Townes Van Zandt af te dwalen. Lijkt ons bijna onmogelijk. Diezelfde directheid. Diezelfde eerlijkheid ook. Nu al een blijvertje in de ons dagdagelijks begeleidende oortjes.

Met “Dreamland” belandt Hannah voor het overige regelmatig ook in het vaarwater van Jay Farrar. Ook liefhebbers van diens werk zullen hier een vette kluif aan hebben, zo lijkt ons. Iets als “Set Free” zou wat dat betreft een serieuze indicatie kunnen vormen.

Op inhoudelijk vlak doet “Dreamland” zo op het eerste gehoor eerder zwaarmoedig aan, ondermeer door de constante wrijving erop tussen wat we ons herinneren en wat we ons inbeelden. Tussen waar we waren en zijn en waar we diep in ons binnenste naar verlangen. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar titelnummer “Dreamland” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen.

Dit is een blijvertje. Zeker weten!

Matt Hannah

 

MANITOBA HAL “Live In Ghent” (Hal’s Kitchen)

(3,5****)

De Missy Sippy Blues & Roots Club in de buurt van de Korenmarkt in Gent geniet al lang niet alleen meer in ons land een uitstekende reputatie. En dus tref je er met enige regelmaat ook buitenlandse kleppers op de planken aan. Op 28 april van vorig jaar deed zo bijvoorbeeld de Canadese ukelelevirtuoos Manitoba Hal Brolund Klein Turkije aan. En een verslag daarvan krijgen we nu middels de over twee cd’s uitgesmeerde concertregistratie “Live In Ghent”.

Een enthousiaste menigte was die avond getuige van een ronduit uniek te noemen blues event. Ze ging ons inziens volledig terecht echt helemaal mee in Brolunds verhaal. En dat omvatte onder meer covers van klassieke blues songs van onder anderen Mississippi John Hurt, Bukka White en Robert Johnson, tal van eigen originelen en zelfs een interpretatie van iets van Tom Waits.

In z’n dooie eentje zorgt Brolund voor het ene akoestische hoogstandje na het andere. Daarbij slechts gewapend met z’n ukelele en de eigen warme tenorstem strooit hij kwistig in het rond met pareltjes. Van “Come On In My Kitchen”, “Automobile”, “Baby Please Don’t Go”, “Evangeline Blues”, “Sweet Home Chicago” en “St James Infirmary” over “My Babe”, “Ain’t No Grave”, het grappige “Tastes Like Chicken” en “They’re Red Hot” tot “Dig Me A Grave”, “My Creole Belle”, “Who Do You Love” en “The Thrill Is Gone” en vele, vele anderen. Blues entertainment van het betere soort zonder meer.

Een geslaagd aandenken aan een ogenschijnlijk meer dan geslaagde avond daar in Gent. Zeg, dat wij het gezegd hebben…

Manitoba Hal

 

LEVI CUSS “Night Thief” (Levi Cuss)

(3,5****)

Hoogst interessant schijfje, deze tweede van de ons tot voor kort nog volslagen onbekende Canadees Levi Cuss. Die wist op basis van de kwaliteit van zijn vier jaar geleden verschenen debuut “It’s War” voorwaar de gerenommeerde Steve Dawson te strikken als producer voor zijn nieuwe plaat “Night Thief”. En het resultaat van hun samenwerking – Dat moet gezegd! – mag absoluut gehoord worden. Een heerlijk gevarieerd Canamericana-geheel is het geworden, waarover Cuss zelf graag mag spreken in termen van “an honest look at struggle”. Iets waarin hij zelf zowat een ervaringsdeskundige is. Zijn vader stierf immers toen hij vijf was. En z’n moeder, een hard werkende, maar ook hard feestende single, kon alleen duidelijk niet de moeite opbrengen vereist voor het opvoeden van een knaap als Levi. Overdadig drankgebruik op jonge leeftijd, drugs en criminele feiten waren het resultaat. En van dat laatste, doing crime, kwam uiteindelijk ook doing time.

Ondertussen heeft Cuss ondanks een scheiding echter alles weer keurig op een rijtje. En in de muziek vond hij tot zijn eigen grote opluchting een immer attente bondgenoot. Een uitlaatklep voor alles wat zijn ooit zo getroebleerde geest maar kwijt zou kunnen willen. En dat resulteert hier in ruim driekwartier intrigerend luistervoer. Ons soms gevoelsmatig best wel wat herinnerend aan acts als de Jayhawks (de knappe trage “Tecumseh”) of Green On Red (story song “Pills”). En da’s goed gezelschap natuurlijk.

Al kan het ook compleet anders. “Bringing It Back” is zo bijvoorbeeld een vette opstoot van boogie-itis, “Saturday Night” strandt ergens dicht in de buurt van het doorgaans groovy spul van Tony Joe White en “Murder Of Crows” doet iets moois met wat rock input.

Gaan we ongetwijfeld nog veel van horen, van deze Levi Cuss. En da’s maar goed ook.

Levi Cuss

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home