CD-recensies juli 2014

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

REED TURNER “Ghosts In The Attic” - JEFF LARSON “Close Circle” - THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” - BUFORD POPE “Sticks In The Throat” - AUBURN “Nashville” - PAUL J. PHILLIPS “Magic” - BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” - TRUE NORTH “True North” - ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” - DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - LONESOME SHACK “More Primitive” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” - EILEEN ROSE “Be Many Gone” - HEGE BRYNILDSEN “Till Harry” - CURTIS HARDING “Soul Power” - JIM STAPLEY “Long Time Coming” - TIP JAR “Back Porch” - THE DELTA SAINTS “Live At Exit/In” - NQ ARBUCKLE “The Future Happens Anyway” - CORB LUND “Counterfeit Blues” - WILLIAM CLARK GREEN “Rose Queen” - HANK SHIZZOE “Songsmith” - MAX GOMEZ “Rule The World” - JESS KLEIN “Learning Faith” - EASTON STAGGER PHILLIPS “Resolution Road” - MARY GAUTHIER “Trouble & Love” - BEN MILLER BAND “Any Way, Shape Or Form” - THE DEVIL MAKES THREE “I’m A Stranger Here” - BEN VAUGHN “Texas Road Trip” - WAYLON JENNINGS “Analog Pearls Vol. 1” - BRIGITTE DEMEYER “Savannah Road” - HOLLIS BROWN “Gets Loaded” - PAUL STEPHENSON “Girl With A Mirror” - BLAIR CRIMMINS & THE HOOKERS “Sing-A-Longs” - ROBERT FRANCIS & THE NIGHT TIDE “Heaven” - TISH HINOJOSA “After The Fair” - TAKE BERLIN “Lionize” - AMELIA WHITE “Old Postcard” - JOAN OSBORNE “Love And Hate” - GEORGIE FAME, MADELINE BELL AND STEVE GRAY “Singer, The Musical” - THE GLOAMING “The Gloaming” - LINCOLN DURHAM “Exodus Of The Deemed Unrighteous” - MORGAN O’KANE “The One They Call The Wind” - BASKO BELIEVES “Idiot’s Hill” - THE WOOD BROTHERS “The Muse” - HENHOUSE PROWLERS “Breaking Ground” - RETO BURRELL “Lucky Charm” - RODNEY CROWELL “Tarpaper Sky” - THE WIDOWBIRDS “Heart’s Needle” - MATT ANDERSEN “Weightless” - WARD THOMAS “Footnotes EP” - SIMONE FELICE “Strangers” - BEVERLEY MARTYN “The Phoenix And The Turtle” - CARRIE TREE “Home To The Invisible” - LACHLAN BRYAN AND THE WILDES “Black Coffee” - BLAIR DUNLOP “House Of Jacks” - PHIL GAMMAGE “Adventures In Bluesland” - DAVID ROTH “Will You Come Home” - MATT HARLAN “Raven Hotel” - NICKY EGAN “The 45 Homestead Project” - DIRT RIVER RADIO “Rock N Roll Is My Girlfriend” - WILL KIMBROUGH “Sideshow Love” - PAUL CEBAR TOMORROW SOUND “Fine Rude Thing” - JACOB LATHAM “Midnight Train”

 

 

REED TURNER “Ghosts In The Attic” (Reed Turner)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met deze buitengewoon getalenteerde knaap moeten we ondertussen ook alweer vijf jaar terug in de tijd. Meer bepaald naar 2009 dus, toen hij ons verraste met zijn onder de hoede van Clay Cook ingeblikte debuut “All My Running”. Toen al was duidelijk, dat Reed Turner geen gewone was. Zijn capaciteiten als storyteller sprongen meteen volop in het oog. Een gegeven, dat goed en wel twee jaar later overigens ook al bevestiging vond op ’s mans tweede, de als één kant van een ouderwetse LP opgevatte en van een veelzeggende titel voorziene EP “Side One: See How Far I Can Get”.

Nu, wederom drie jaar later, vloert Turner ons echter pas helemaal. Met “Ghosts In The Attic”, z’n door veel van onze Amerikaanse collega’s eigenlijk onterecht als z’n “sophomore effort” bestempelde nieuwe langspeler. Z’n eerste plaat, die hij in z’n eigenlijke thuishaven Austin opnam overigens. Onder het productionele toezicht van Matt Noveskey en met de nodige studiohulp van bekend en minder bekend volk als Pat Harris (bas), Brian Broderick (gitaren), David Sierra (drums en percussie), Phoebe Hunt (fiddle en zang), John Arndt (piano), Kim Deschamps (pedal steel) en Ellie Carroll (zang) vereeuwigde Turner (zang, gitaren en mondharmonica) er in een studio van Test Tube Audio tien nieuwe liedjes. Uitsluitend eigen materiaal, waaronder één enkele co-write met het al genoemde duo Harris en Hunt (“Long Gone”).

En in die liedjes gaat Turner, daarbij weliswaar vrijwel voortdurend netjes binnen de grenzen van het americanagenre blijvend, stilistisch gezien behoorlijk ruim. Gelijk van bij het eerste nummer grijpt hij je als luisteraar stevig bij je nekvel om je pas ruim drie kwartier later weer terug los te laten. Dat eerste liedje, de bedrieglijk lieflijke folkrocktrage “Modern Man”, leeft volop van de in de tekst ervan opgebouwde spanning. Van woorden als “Time is the devil’s throne. It’ll drag you down and just keep kicking.” bijvoorbeeld word je – Hoe waar ze ook zijn! – als luisteraar nu niet meteen vrolijk… En met dat eerste deuntje is de toon meteen ook gezet, zo blijkt al snel. Het er direct op volgende tweetal “Ghost In The Attic” en “Killed That Girl (‘Cause She Was Killin’ Me)” – Alleen die titel al! – gaat zelfs nog een eindje verder. Je denkt bij het “creepy” blueskarakter ervan vrijwel meteen terug aan het materiaal van zulke acts als Sixteen Horsepower, Wovenhand, Hyacinth House en Grant Lee Buffalo. En dat is wat ons betreft best wel goed gezelschap.

“Room For Doubt” is vervolgens weer een pak rustiger. Twijfel regeert daadwerkelijk volop in dat als sfeervolle americanaballade te bestempelen kleinood. Met een speciale vermelding voor Kim Deschamps’ werkelijk sublieme bijdrage op de pedal steel erin. Via het loodzware, zo op het eerste gehoor uit gelijke delen folk, blues, jazz en rock bestaande “Long Gone”, de voor Turners doen best wel behoorlijk glad aandoende countryrocker “Locking Doors” en het op eenzaam snarengetokkel geënte “Familiar Sound” belanden we bij “The Fire”, naar ons gevoel één van dé absolute hoogtepunten van “Ghosts In The Attic”. De beste Neil Young is in die trage rocksong even niet veraf. Resten dan nog: de knappe rootspopballade “Long Way To Go” en het ons in al zijn vocale grandeur voorwaar heel even aan Jeff Buckley zaliger herinnerende “The Sculptor & The Stone”.

Gaan we nog héél veel van horen, van deze knaap! Jonge storytellers van dit kaliber kom je immers lang niet alle dagen tegen…

Reed Turner

 

JEFF LARSON “Close Circle” (NCompass Music)

(4****)

Net als z’n voorganger “Left Of A Dream” is ook Jeff Larsons nieuwe worp “Close Circle” weer een hoogst aangename “trip down memory lane” geworden. Al na enkele tellen waan je je als luisteraar andermaal ergens in de vroege seventies. En dat in Californië meer bepaald. Daar waar melodieuze soft rock steeds weer beter bleek te klinken dan waar dan ook ter wereld.

Naar aanleiding van zijn vorige platen doken met betrekking tot Larson her en der al de nodige vergelijkingen op met onder meer America en Crosby, Stills, Nash & Young. En daar zouden wij er hier en nu graag nog een paar aan toevoegen door het noemen van de namen van Jackson Browne en Randy VanWarmer. En van de Eagles bij momenten ook wel. Een fluwelen stem, memorabele melodieën, mooie teksten, instrumentaal vakmanschap, kortom hier vind je net als bij de genoemde acts zo ongeveer alles wat je je als luisteraar maar wensen kan. En dus zou je denken, dat Larsons muziek ook uitermate geschikt is voor gebruik op grote schaal. In een wat rechtvaardigere wereld zouden dingen als de zich meteen knus tussen je oren nestelende ballade “Rescue”, het bedaard rockende “Following The Echoes”, de op wel bijzonder subtiele wijze met wat mandolineklanken besprenkelde trage “Even When The Rain Comes”, het als een zacht zomerbriesje aan je voorbij waaiende perfecte popdeuntje “Goodbye Ocean Street Beaches”, het voorzichtig wat meer richting Americana anno nu overhellende “Always The Mystery” en andere ons inziens vrijwel continu de ether vullen.

Voor de productie van dit pareltje tekenden naast Larson zelf ook Jeff Pevar en Hank Linderman. En buiten die twee verleenden verder onder anderen ook Dewey Bunnell en Gerry Beckley van America, de je misschien ook wel uit de entourage van Brian Wilson bekende Jeffrey Foskett, Jeddrah, Randell Kirsch, Jim McCarty, Jeff Jarboe en Dave Nachmanoff de nodige muzikale hand-en-spandiensten.

Très sympa allemaal!

Jeff Larson, CD Baby

 

THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” (The Oldtime Stringband / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van de band zegt in dit geval hoegenaamd alles. Old-time stringband music is immers daadwerkelijk wat er op het programma staat. Deels traditioneel spul, deels covers. Enkel het door respectievelijk Shelly O’Day en Nout Grupstra geschreven drietal “Little Liza Jane”, “High Sierra” en “Fare You Well My Bonny” vormt wat dat betreft een uitzondering. Maar ook die drie liedjes sluiten muzikaal gezien perfect aan bij de rest hier.

The Oldtime Stringband is overigens een Nederlands gezelschap. De groep bestaat uit Nico Keereweer (fiddle en zang), Ton Knol (gitaar en zang), Ruud Spil (banjo en zang), Shelly O’Day (gitaar, autoharp en zang), Nico Druijf (double bass en zang) en Nout Grupstra (fiddle, cajunaccordeon en zang). En met “Chicken Crows For Day” is men ondertussen al aan zijn tweede cd toe. Eerder verscheen immers ook reeds “Gotta Quit Kickin’ My Dog Around”.

Wat ons vooral aanspreekt in de muziek van The Oldtime Stringband, is de ongebreidelde spelvreugde die er van af spat. Vrijwel te allen tijde hoor je, dat alle betrokkenen zich tijdens het opnemen van “Chicken Crows For Day” kostelijk geamuseerd moeten hebben. En dat werkt hoogst aanstekelijk! Zo is het bijvoorbeeld zo goed als onmogelijk om stil te blijven zitten bij de door Nico Druijf gezongen versie van “good old” Jimmie Rodgers’ “Waiting For A Train”, bij de door de banjo van Spil aangejaagde lezing van de traditional “Bowling Green” en het zwierige, hier hoger al even genoemde “Fare You Well My Bonny”. Samen met erg mooie versies van Holly Tashians “Home” en Neil Youngs “Dance Dance Dance”, het cajunwalsje “La Valse de La Belle” – Met een vocale glansrol voor O’Day! – en het op ongemeen sfeervolle wijze de feestelijkheden aflsuitende “Pretty Saro” zijn dat onze muzikale “plats préférés” hier.

Vermelden we tot slot ook nog even, dat The Oldtime Stringband binnenkort zal aantreden op de tweede editie van het COUNTRYfestival in Groot-Gelmen bij Sint-Truiden. Op dag twee van het gebeuren meer bepaald. Op zaterdag 13 september dus, als Château de la Motte verder onder meer ook nog Irene Kelley, Eriksson Delcroix, The Whiskey Gentry en Los Pacaminos (mét voormalig popidool Paul Young) begroeten zal.

The Oldtime Stringband, Sonic Rendezvous

 

BUFORD POPE “Sticks In The Throat” (Unchained)

(4****)

Voor deze man braken we hier al eens eerder een lans. Remember zijn “Matching Numbers” van zo’n jaar of twee geleden? Wij alleszins nog wél, want dat was typisch zo’n plaat, die je graag binnen handbereik hebt tijdens lange ritten met de wagen. En zo maken wij er nogal wat, vandaar…

Hebben we de voorbije twee jaar dus ook heel veel gedraaid, dat “Matching Numbers”. En iets ergens diep hier vanbinnen suggereert nu al volmondig, dat zulks ook wel zal gaan gebeuren met Buford Pope’s nieuwe, z’n vijfde al, “Sticks In The Throat” heet die. Want ook dat is weer een dijk van een melodieuze rockplaat geworden, met her en der – Zij het ditmaal ook maar met mondjesmaat! – van die door ons zó gesmaakte rootskantjes.

Onder de productionele hoede van groepslid Amir Aly (piano, Hammond, Wurlitzer en harmony vocals) blikten Buford Pope (zang, akoestische gitaar, banjo en harmonica) en z’n maats Pelle Jernryd (elektrische gitaar, slide, lap steel en harmony vocals), Jörgen Lindström (bas en harmony vocals) en Mattias Pedersen (drums, percussie en harmony vocals) elf nieuwe liedjes in. Elf eigen composities van Buford Pope. Elf nummers, uitermate geknipt voor die heerlijke schuurpapieren strot van ‘m. Een stem die je doet terugdenken aan die van Rod Stewart in z’n hoogdagen, maar die hier en daar ook wel wat met die van Bryan Adams gemeen heeft. En dus komt het eigenlijk best wel goed uit, dat het materiaal op “Sticks In The Throat” beduidend meer richting rock overhelt als dat op z’n voorganger. Dat valt op. Gelijk van bij het onder stevig gitaarwerk kreunende openingsnummer “Don’t Take It Out On Me” al. Fans van de net al even genoemde Adams hebben daar ons inziens echt wel een flinke kluif aan. Via het melodieuze, mede door Aly’s toetsenwerk enigszins Springsteeniaans aandoende “She’s Gotta Country Mouth” belanden we vervolgens bij “Stand Up For Your Man”, opnieuw zo’n meedogenloze rockstreep. In “valse trage” “Love Affair” doet Pope het dan bijna op z’n Tom Petty’s even wat rustiger aan. Maar da’s maar voor even, wat in het daaropvolgende titelnummer gaat hij gewoon weer recht-toe-recht-aan. Zou wel eens een hitje kunnen worden, dat nummer! Hebben we dan nog te goed: de melodieuze rockers “Go Your Own Way”, “Highway”, “Give It Up”, “I’ll Get Over That” en “What Will Your Mama Say” en de mooie (rootsy) trage “You’re The Drug I Like To Use”.

Geen Zlatan hier, maar wel een verdomd sterk Zweeds elftal! Songelftal welteverstaan!

Buford Pope

 

AUBURN “Nashville” (Scarlet Records)

(3,5****)

Na een scheiding van meer dan een decennium vielen de leden van Auburn elkaar ergens in 2011 gewoon terug in de armen. En het eerste tastbare resultaat van die reünie was het een jaar later op de wereld losgelaten en al bij al behoorlijk lovend onthaalde “Indian Summer”. Daarop wisten zangeres Liz Lenten en haar cohorten op aanstekelijke wijze een brug te slaan tussen verleden en heden, tussen akoestisch en elektrisch, tussen pop, rock, folk, country en blues. “Insgesamt” een weinig retro aandoend, maar ook weer net niet teveel!

En met die omschrijving zitten we op de keper beschouwd ook voor opvolger “Nashville” weer helemaal juist. Stralend middelpunt van de belangstelling is andermaal Lenten. Met haar honingzoete (“So sweet it’ll make your hair curl!”) stem trekt ze quasi onopvallend alle liedjes naar zich toe. Een gegeven, waaraan ook de inbreng van echte toptalenten als Thomm Jutz (gitaren) en Mark Fain (bas) “überhaupt” niets veranderen kan. Die Jutz was het trouwens ook die tekende voor de bijzonder warmbloedige productie van “Nashville”.

En hij was op die manier dus ook medeverantwoordelijk voor een “an sich” erg Europees aandoend potje Americana. Meer “rootsy” dan “roots”, maar wel erg mooi!

Auburn

 

PAUL J. PHILLIPS “Magic” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Met de EP “Magic” is de dezer dagen vanuit New York City actieve Paul J. Phillips inmiddels al aan zijn derde soloplaat toe. En ook daarop stoeit hij, net als op voorgangers “Shooting Cars, Building Stars” en “Every Time I Leave”, weer uitgebreid met elementen uit genres als pop, rock, folk, blues en soul.

Geopend wordt er in stijl met eerste single “Time, Time”, een streep heerlijk rammelende ingehouden bluesy roots rock. Vervolgens gaat het richting single nummer twee, het ons van opzet op de één of andere manier aan iets van T. Rex herinnerende “Magic”. Poppy van uiterlijk, maar dan wel met een dikke laag soul en R&B daaronder! Het derde van de amper vijf liedjes op “Magic” is “Fly Boy”. En ook dat koppelt weer veel soulgevoel aan een an sich best wel radiovriendelijke popdeun. Resten dan nog: het zijn titel de nodige eer aandoende “Da Blues” en “Till It’s Gone”, een hoogst catchy, bepaald lekker voor zich uit jengelende rootspopdeun.

Verre van kwaad allemaal! En bij een volgende gelegenheid mag het van ons dan ook graag (weer) wat meer zijn…

Paul J. Phillips

 

BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” (Blue Colorado Music)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n album “What’ll It Be?” me onverwacht in de schoot werd geworpen nog nooit van Barry Ollman gehoord had. En dat hoeft eigenlijk niet eens te verwonderen ook, aangezien het daarbij nog maar om ’s mans eerste album blijkt te gaan. En dat ondanks een – Afgaande op de foto op de eromheenzittende digipak! – al redelijk gezegende leeftijd.

Met “What’ll It Be?” verrast Ollman alleszins in hoogst aangename zin. Gelijk van bij het openingsnummer, het me een weinig aan James Taylor herinnerende en met Graham Nash gebrachte “Imogen’s Lament”, had hij meteen mijn volle aandacht. Hoe hij daarin bij monde van een stilaan een dag ouder wordende fotografe al mijmerend de angst voor wat nog komen zal verwoordt, zet aan tot nadenken. “With no fear of dying, that never seemed hard. She’s much more afraid of losing her sight…” Zo had ik het allemaal nog niet bekeken… Maar ik mag er bijvoorbeeld ook niet aan denken, zelf ooit doof te eindigen. Dat zou zo’n beetje op hetzelfde neerkomen, denk ik…

Enfin, de toon is daarmee gezet. Bijzonder bedachtzaam schildert Ollman op “What’ll It Be?” tien erg mooie, in het leven van alledag hun bestaansreden vindende songportretten. Naar eigen zeggen allemaal met een welbepaalde reden. En wellicht is het precies dat gegeven, dat er een hoge mate aan authenticiteit aan verleent. Veel van het door de beste man gebrachte materiaal is van het eerder rustige type. Zoals het luisterliedjes naar mijn bescheiden mening eigenlijk gewoon betaamt ook. Maar er zijn ook wel wat uitzonderingen op die regel. “Banker’s Holiday” rockt mede dankzij een gesmaakte elektrische gitaarbijdrage van de je van Springsteens E Street Band bekende Garry Tallent bijvoorbeeld een aardig eindje weg. En ook het zomers geklede “popdondertje” “Almost Time” heeft een dergelijk licht opgewonden karakter. Maar het merendeel van het materiaal valt dus onder de noemer ballades. En – Eerlijk is eerlijk! – daarin is Ollman ook gewoon op z’n best. Die honingzoete, zoals eerder al even aangegeven, wat aan James Taylor refererende stem van ‘m doet het ‘m daarin keer op keer opnieuw! Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als “Lean In Close”, “Blue Colorado”, “The Old Country” of het afsluitende “Almost Time” en je zal me daarin allicht maar wat graag bijtreden.

Een mooie stem, erg mooie liedjes, die dan ook nog eens worden gebracht door louter topmuzikanten, wat wil een mens eigenlijk nog meer?

Barry Ollman, CD Baby

 

TRUE NORTH “True North” (True North)

(3,5****)

Het feit dat ze op verschillende continenten wonen weerhield er singer-songwriters Eva Hillered, Patrick Rydman en Janni Littlepage absoluut niet van om een mooie vriendschapsband te smeden en samen te gaan werken. En zo ontstond uiteindelijk ook True North. Een trio dat in eerste instantie opvalt door z’n werkelijk puntgave harmonieerwerk. Als Hillered, Rydman en Littlepage samen gaan zingen, dan hangt er geregeld even wat magie in de lucht.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de door Littlepage gepende, aan de groep ook haar naam verlenende ballade “True North”. Prachtig, hoe de stemmen van de drie elkaar daarin aanvullen! Dat heerlijke rootspopdeuntje is wat ons betreft meteen ook het absolute hoogtepunt van de voorliggende EP. Daarop verder ook nog: het ingehouden rootsrockende “New Way ‘Round”, het wat meer naar folkpop overhellende “Back To The Mother”, het op buitengewoon boeiende wijze met een americanagegeven omspringende “The Death Of Mr. Jones” en de warmbloedige, al na één enkele beluistering tot luidkeels meezingen uitnodigende eigentijdse countryriedel “Floats On Water”.

Vijf liedjes, die wat ons betreft nu al doen uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van dit Zweeds-Amerikaanse drietal!

True North

 

ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” (DarkSideOut Records)

(4,5*****)

Voor onze eerste kennismaking met de Ier Ultan Conlon moeten we al terug naar 2011. Op het knappe John Martyn-eerbetoon “Johnny Boy Would Love This” stootten we toen immers niet enkel op bijdragen van onder anderen Beck, David Gray, Paolo Nutini, Beth Orton en Lisa Hannigan, maar ook op ‘s mans uitvoering van “Back To Stay”. Wat googelen leerde ons aansluitend, dat Conlon met dat nummer al bepaald niet meer aan zijn proefstuk toe was.

De beste man debuteerde al in 2004 met een naar zichzelf vernoemde EP. Twee jaar later nam hij vervolgens samen met de eveneens uit Galway afkomstige John Conneely onder de vlag UltanJohn de langspeler “Really Gone” op. En in 2009 volgde ook nog zijn eerste solo-lp “Bless Your Heart”, een plaat die door lokale krant The Evening Herald prompt werd bestempeld als “The most impressive Irish debut since Damien Rice’s ‘O’”. Een erg mooie geloofsbrief…

Benieuwd, wat ze ginder denken van Conlons nieuwste worp. Dat schijfje, het onlangs verschenen “Songs Of Love So Cruel”, vinden wij immers op onze beurt bepaald indrukwekkend. Gelijk van bij onze eerste beluistering van het aan het geheel zijn titel verlenende openingsnummer “In The Mad” waren wij compleet verkocht. Wat een heerlijke rootspopdeun was dat! Herinnerde ons tegelijk aan Ron Sexsmith, aan Roy Orbison en aan Bruce Springsteen. Huiveringwekkend mooi gewoon! En, zoals later zou blijken, de inzet van net geen achtendertig minuten topamusement. Van een album boordevol prachtige verhalen, veelal gevuld met hartzeer, muzikaal te situeren ergens tussen pop, rock, folk en country. Doorgaans van het wat rustigere soort, al zorgen songs als het al genoemde “In The Mad”, “Lonely Avenues” en “The Golden Sands” bij tijd en wijle wel voor wat tegengewicht.

Had op ons quasi dezelfde impact als het debuut van de eerder al genoemde Ron Sexsmith en Richard Hawley’s magistrale tweeluik “Lady’s Bridge” en “Truelove’s Gutter”. En laat dat nu net enkele van onze lievelingsplaten aller tijden zijn…

Ultan Conlon

 

DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” (American Blues Label Group / Import)

(4****)

“Screaming In The Wind” is de door de onder meer om zijn werk met Buddy Guy, George Thorogood, Johnny Winter en Susan Tedeschi alom geprezen Tom Hambridge geproduceerde derde van bluesrocker Dudley Taft. Na “Left For Dead” uit 2011 en “Deep Deep Blue” van vorig jaar een derde staaltje van ’s mans aanzienlijke talenten als zanger en gitaarbeul.

Die nieuwe cd bevat een dozijn nieuwe liedjes, waarvan Taft het leeuwendeel ook zelf schreef. Sommige met Hambridge en Richard Fleming, het gros echter gewoon in z’n eentje. En natuurlijk stootten we hier ook op enkele covers. Gelijk bij het begin al. Tafts cover van Skip James’ “Hard Time Killing Floor Blues” deed ons spontaan op zoek gaan naar onze oude Led Zep- en Cream-platen. Zo goed? Zo goed! En ook zijn meteen daaropvolgende uitvoering van Freddie Kings “Pack It Up” mocht er wat ons betreft absoluut zijn. Heerlijk soulvol gebracht, dat nummer! En vanaf dan ging het aan een echte rotvaart verder doorheen eigen materiaal: via de met z’n hoofd nog volop in de seventies levende bluesy hardrocker “Red Line” over het zich op bezwerende wijze voortslepende titelnummer en het zalig vonkende “3DHD” tot het heerlijk funky neergelegde “I Keep My Eyes On You”, de wederom van de soul bulkende trage “The Reason Why”, het ons op de één of andere manier aan ZZ Top herinnerende “Rise Above It”, vreemde eend in de bijt “Barrio”, de eigenzinnige, beenharde Delta-blueshybride “Sleeping In The Sunlight”, het behoorlijk psychedelisch uit de hoek komende “Tears In The Rain” en het afsluitende bluesrockmonster “Say You Will”.

Roodheet van de eerste noot tot de laatste! Ruim eenenvijftig minuten lang! En met gesmaakte gastbijdragen van onder anderen toetsenist Reese Wynans, de Muscle Shoals Horn Section en de onnavolgbare McCrary-zussen.

Dudley Taft

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

LONESOME SHACK “More Primitive” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Lonesome Shack is de naam van een uit zanger-gitarist Ben Todd, bassist Luke Bergman en drummer Kristian Garrard bestaand trio uit Seattle dat dezer dagen behoorlijk van zich doet spreken. En de tien voornaamste redenen voor die “buzz” zijn allicht terug te vinden op “More Primitive”, het onlangs verschenen nieuwe album van de groep.

Ruim tweeënveertig minuten lang serveren Todd en co daarop effectief behoorlijk primitief aandoende blues- en boogiehybriden, die je anno 2014 nu niet meteen van een stel jonge “bleekgezichten” als hen zou verwachten. Je denkt aan een John Lee Hooker, aan een RL Burnside, aan Canned Heat, aan Little Feat ook. Ritmisch totaal ongekunsteld, op het randje van het bezwerende af, lekker rauw ook. En bovenal: ongemeen authentiek!

Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de nadrukkelijk aan de oude Hooker herinnerende boogie “Wrecks”, het wild “hipshakend” op dansgrage benen mikkende “Head Holes”, het op de keper beschouwd bepaald hypnotisch werkende “Old Dream” of het over een echte “killer bassline” heen gedrapeerde titelnummer en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen! ’t Is dat we hier vooraf al afdoende ingelicht waren over de afkomst van dit schijfje of we waren de oorsprong ervan gegarandeerd ergens helemaal anders – In een totaal verkeerde buurt! – gaan zoeken.

Dit één keer horen is het ook kopen!

Lonesome Shack, Alive Naturalsound Records, Sonic Rendezvous

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” (Proper Records / Rough Trade)

(4****)

Folklegende Richard Thompson trekt dit jaar zowat de hele zomer lang solo doorheen de UK. En om ook wat (actueel) plaatmateriaal beschikbaar te hebben, dat aan het toch wel wat aparte karakter van die live shows beantwoordt, dook hij nog snel even de studio in en blikte er nieuwe versies van zo menig een klassieker op het eigen repertoire in.

“Acoustic Classics” lost de belofte van z’n titel met andere woorden helemaal in. Het album bevat immers louter akoestische versies van veertien liedjes, die Thompson zelf selecteerde uit de overvloed aan materiaal uit z’n ondertussen ruim veertig jaar overspannende loopbaan als singer-songwriter. Eén groot feest der herkenning dus! Of wat dacht u van van alle (overbodige) franje ontdane uitvoeringen van klassiekers als “I Want To See The Bright Lights Tonight”, “Walking On A Wire”, “Down Where The Drunkards Roll”, “Persuasion”, “1952 Vincent Black Lightning”, “I Misunderstood”, “From Galway To Graceland”, “Valerie”, “Shoot Out The Lights”, “Beeswing”, “Dimming Of The Day” en vele andere?

Thompson straalt hier zowel als zanger, als op de akoestische. En eerlijk? Zó horen we hem eigenlijk nog het liefst van al.

Richard Thompson, Proper Records

 

EILEEN ROSE “Be Many Gone” (Holy Wreckords / Bertus)

(4****)

In Engeland was “Be Many Gone”, het nieuwe album van de bloedmooie Eileen Rose, al een poosje uit. Van begin dit jaar om precies te zijn. En we lazen er dan ook al een heleboel recensies over. De ene al lovender dan de andere. Volgens heel wat critici is het ontegensprekelijk de beste Rose-cd tot op heden. En dat is een stelling, die we hier graag bij willen treden.

Met voor de gelegenheid de nodige productionele bijstand van de je onder meer uit Frank Blacks Catholics bekende Rich Gilbert en met verder ook nog wat studiohulp van een handvol gerenommeerde namen uit Nashville als daar zijn een Buddy Spicher (fiddle), een Johnnie Barber (drums) en een Brad Albin (bas) serveert Rose op haar jongste een buitengewoon smakelijk negengangenliedjesmenu. Als entreetje is er de melodieuze, nadrukkelijk naar lang vervlogen tijden hunkerende alternatieve country van het met een veelzeggende titel gezegende “Queen Of The Fake Smile”. Via een bordje door Spichers fiddle op onnavolgbare wijze ingeleid “één-tegel-materiaal” gaat het vervolgens naar het eigenlijke hoofdgerecht. Stijlvolle, bedaard twangende country soul (“Prove Me Wrong”), catchy border music (het in duet met Frank Black gebrachte “Each Passing Hour”), rammelende country rock met een niet bepaald subtiele knipoog richting R&B (“Just Ain’t So”) en een stel broeierige alt-countrytragen (“Wake Up Silly Girl”, “Comfort Me” en “There Will Be Many Gone”) blijken daarvan tot ons groot jolijt de nogal uiteenlopende bestanddelen te zijn. En een nagerechtje wacht er ons natuurlijk ook nog. “Space You Needed” meer bepaald, een streepje ongemeen lekkere, al bij al behoorlijk atmosferisch aandoende country soul.

Heerlijke plaat! Moet je eigenlijk gewoon hebben…

Eileen Rose

 

HEGE BRYNILDSEN “Till Harry” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

“Hege”, de van begin vorig jaar daterende, door Fats Kaplin geproduceerde eerste cd van Hege Brynildsen, viel hier echt zeer goed in de smaak. Ik werd toen in hoge mate gecharmeerd door de zingende Noorse liedjesschrijfster. Haar me best wel wat aan de muziek van dames als een Iris DeMent en een Gillian Welch herinnerende escapades richting Americana, country en folk waren nu niet meteen wat je vanuit Noorwegen verwachtte, maar ze klonken zó authentiek en waren zó verdomd goed, dat je er als luisteraar graag naar teruggreep.

Ik vrees er echter voor, dat haar nieuwe, het volledig in haar eigen landstaal gebrachte “Till Harry”, op termijn niet diezelfde werking op me zal gaan hebben. Daarop staan overwegend (wat) rustige(re) liedjes. Ik denk dan in eerste instantie aan tussen pop en folk strandende pianoballades als “Mitt Hjärta Itu”, “Sommarsång” en “När Jag Blickar Ut I Världen” of op het snijvlak tussen country en pop neergelegde tragen als “Lilla Ängel” en “Tindrande Stjärnor”. Voorts – Gelukkig! – ook enkele als (broodnodig) tegengewicht voor zoveel ingetogens fungerende dingen als de bedaarde countryrocker “Två Fåglar” en het “bluegrassy” “Den Enda Han Ville Ha”.

Geen onaardige liedjes allemaal, maar ook niet meer dan dat. En dan is er natuurlijk ook nog de voor de meeste niet-Noren vervelende factor van het niet-begrijpen… Volgende keer dus toch maar gewoon weer in het Engels, Hege?

Hege Brynildsen, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

CURTIS HARDING “Soul Power” (Burger Records / Import)

(4****)

De ergens aan de vooravond van de eighties in “Motor City” Detroit geboren, maar ondertussen wel al een poosje in “Hot” Atlanta residerende Curtis Harding dient zich met “Soul Power” aan als één van de interessantere nieuwe acts actief op de scheidingslijn tussen rock en soul.

Harding is een zanger-gitarist-songsmid, wiens liedjes op wonderbaarlijke wijze een brug weten te slaan tussen soul zoals die in de jaren zestig welig tierde en het hier en nu. Geïnspireerd voornamelijk door groten der aarde als een Otis Redding, een Sam Cooke, een Bo Diddley en een B.B. King zoekt hij in zijn muziek evengoed aansluiting bij wat dezer dagen zoal allemaal voor garage rock doorgaat. En als je houdt van het werk van qua uitgangspunt enigszins vergelijkbare acts als Black Joe Lewis & The Honeybears en The Bellrays, dan zal dit ook wel aan jou besteed zijn.

Onze luistertips: het zomers groovy, deels falsetto gebrachte “Freedom”, het al rockend heerlijk aan zijn kettingen snokkende “Surf” en het zich schokschouderend een weg doorheen een hard R&B-fundament drillende “I Don’t Wanna Go Home”.

Héél erg goed allemaal…

Burger Records

 

JIM STAPLEY “Long Time Coming” (Mita Records / Universal)

(4****)

Met “Long Time Coming”, zijn door de gerenommeerde Tony Visconti geproduceerde nieuwe album, presenteert youngster Jim Stapley zich zo ongeveer als een certitude voor de toekomst. De jonge Brit toont zich daarop immers een onwaarschijnlijk goede rockzanger. Een shouter van het werkelijk allerbeste soort. Om even aan te geven hoe goed we hem wel vinden: de namen van knapen als een John Farnham, een Paul Rodgers (Bad Company) en een Lou Gramm (Foreigner) kwamen ons tijdens onze eerste beluistering van “Long Time Coming” spontaan voor de geest.

Gelijk van bij het er behoorlijk stevig inhakkende openingsnummer “No Good Reason” wekte Stapley onze interesse. Wat was dat, man? Wat een schreeuwertje! En welk een lekkere seventies aandoende heavy rock sound ook! Na ruim zevenenveertig minuten wisten we het al zeker: dit wordt op korte termijn een hele grote!

Stapley wisselt op dat “Long Time Running” stevige, bij momenten ook andere roots als blues, soul en country verradende rockuithalen af met tal van power ballads. En vooral met een aantal van de nummers uit die laatste categorie zou hij het wel eens heel goed kunnen gaan doen op radio en televisie. Wij denken dan met name aan melodieuze dingen als een “Heartstrings” of een “New Religion”. Dat laatste zou mits de nodige airplay wel eens zomaar een knoeperd van een zomerhit kunnen worden!

Als de Engelsen op het jongste WK voetbal even performant uit de hoek waren gekomen als hun jonge landgenoot hier, zouden ze met de vingers in de neus wereldkampioen zijn geworden…

Jim Stapley, Mita Records

 

TIP JAR “Back Porch” (Shine A Light Records)

(4****)

De mooiste liedjes worden tot nader order nog altijd door het leven zelf geschreven. Goede songwriters weten dat. Ze plukken als het ware voortdurend de vruchten van alledag. En met de juiste pen – En vooral ook stem! – op smaak gebracht vormen die dan de basis voor een doorgaans hoogst appetijtelijk muzikaal potje. Artisanale fijnkost, zoiets. Muziek met een hoge herkenbaarheidsfactor. Muziek, die kortom een buitengewoon uitnodigende werking op je heeft. De Nederlander Bart de Win is er wat ons betreft een echte meester in. Met albums als “The Simple Life”, “Little World” en “Easy To See” wist hij hier de voorbije jaren keer op keer opnieuw de juiste snaar te raken. Ergens uit het diepe tussen Americana, folk en pop dook hij echt de ene na de andere muzikale parel op.

En dat is ook op z’n nieuwe project “Back Porch” weer niet anders. Al mogen we strikt genomen eigenlijk niet spreken van “zijn” nieuwe project. “Back Porch” is immers een heuse partnerjob geworden. Een duoplaat met de met een werkelijk engelachtig mooie stem gezegende Arianne Knegt. Een samenwerkingsverband dat in het verleden overigens al meermaals zijn waarde bewezen had. Op elk van de hoger al even genoemde albums was Arianne immers ook van de partij. En telkens weer viel daarbij op, hoe zalig de stemmen van de Win en Knegt matchten. Daar kon je als aandachtige luisteraar gewoon niet omheen. En ook als artiest dus niet klaarblijkelijk. Op het onder de gemeenschappelijke vlag Tip Jar uitgebrachte “Back Porch” staan er nu immers twaalf samenwerkingen tussen het stel. Tien van de gebrachte nummers schreef de Win in z’n eentje, onder het zomers soulvolle “Lonely Song” prijkt ook de naam van Martijn de Win en het ons louter muzikaal gezien een beetje aan de zo gesmaakte samenwerkingen tussen Chip Taylor en Carrie Rodriguez van enkele jaren geleden herinnerende “Crossroads” droeg Knegt aan.

Een betere titel dan “Back Porch” hadden de twee voor hun eerste samen naar ons gevoel ook niet kunnen verzinnen. Gelijk van bij het door een fijne banjobijdrage van Harry Hendriks het bluegrassgenre voorzichtig de hand reikende “I Won’t Hide” heb je als luisteraar immers het gevoel met zicht op je zonovergoten achtertuin de dag van je af te mogen laten glijden. Na het eerder al genoemde “Lonely Song”, de bedaarde, nog op een klassieke leest geschoeide country van titelnummer “Back Porch”, het ergens tussen Americana en folk wortel geschoten hebbende “One Biscuit”, de werkelijk oorstrelend mooie ballade “You Will Be Fine”, de al even ontwapenende trage “Love Of My Life”, Knegts “Crossroads” en tal van andere roots-toppertjes open je pas ruim vierenveertig minuten later na het afsluitende, met jazz, blues en country tegelijk stoeiende “As Long As I’ve Got You” compleet voldaan weer je ogen. Die heb je eerder, na enkele ogenblikken van met de juiste soundtrack intens genieten van het landschap dichtgeknepen om je ten volle te kunnen overgeven aan de verdere wonderwerken van de Win en Knegt. Zo mooi kan het leven nog zijn…

Gelijk opnieuw een rondje? Of toch maar eerst op zoek gaan naar de tip jar om er die dubbel en dik verdiende fooi in achter te laten?

Tip Jar

 

THE DELTA SAINTS “Live At Exit/In” (The Delta Saints, Inc.)

(4****)

Wie na hun EP’s “Pray On” en “A Bird Called Angola” van ondertussen zo’n jaar of drie geleden en de vorig jaar verschenen volwaardige langspeler “Death Letter Jubilee” nog zou twijfelen aan de capaciteiten van The Delta Saints, die krijgt met “Live At Exit/In” fameus lik op stuk. Waren drie genoemde items an sich al ronduit uitstekende platen, dan bewijst deze nieuwe worp voor eens en voor altijd, dat je Ben Ringel en z’n kornuiten toch vooral live beleefd moet hebben om er écht over mee te kunnen spreken. Iets wat bezoekers van onder meer het BRBF en Moulin Blues van vorig jaar wellicht graag zullen beamen.

De “bourbon-fueled, bayou rock” van de Delta Saints krijgt er live als het ware nog een extra dimensie bij. Bezwete lichamen lijken immers als de spreekwoordelijke rode stierenlap op de heren Ringel, Fitch, Supica, Azzi en Kremer te werken. Hun energiek distillaat uit genres als blues, funk, gospel, Southern en roots rock wint er op een podium alleszins nog ongelooflijk veel aan intensiteit bij. Het wordt dan hoegenaamd onmogelijk om er nog onbewogen bij te blijven.

Laat je verleiden tot een muzikale one-night stand met dingen als “Bird Called Angola”, “Drink It Slow”, “The Devil’s Creek”, “Death Letter Jubilee”, “Pray On”, “Chicago / Boogie”, “Cigarette”, “3000 Miles”, “Liar” en de Gnarls Barkley-cover “Crazy” en je zal gegarandeerd achterblijven als een fan voor het leven! Echte bommen zijn het!

Eind augustus zijn de heren trouwens ook weer in de buurt voor enkele optredens. Op 25 augustus doen ze The Spirit of 66 in Verviers aan, op 29 augustus treden ze op het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in Herselt op en één dag later is Westerpop in het Nederlandse Delft aan de beurt.

The Delta Saints

 

NQ ARBUCKLE “The Future Happens Anyway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

NQ Arbuckle is het ondertussen al ruim twaalf jaar lang flink aan de weg timmerende Canadese alternatieve countrybandje van Neville “NQ” Quinlan. En met “The Future Happens Anyway” zijn hij en zijn maats Mark en Peter Kesper, Jason Sniderman en John Dinsmore ondertussen dan ook al lang niet meer aan hun proefstuk toe. Eerder verschenen ook al de hoegenaamd zonder uitzondering aan te bevelen albums “Hanging The Battle-Scarred Pinata” (2002), “Last Supper In A Cheap Town” (2005), “XOK” (2008) en het samen met landgenote Carolyn Mark ingeblikte “Let’s Just Stay Here” (2009).

Over hun zonet geloste vijfde willen we het hier vandaar echter hebben, want dat is een héél erg goede! Het is een plaat, die je als luisteraar laat inzien, waarom Quinlan en de zijnen reeds meermaals voor een Juno Award werden genomineerd en door genreconnoisseurs al een poosje in één en dezelfde adem worden genoemd met andere vooraanstaande CanAmericana acts als Blue Rodeo, Blackie & The Rodeo Kings en The Sadies. In de schemerzone tussen alt-country en roots en Heartland rock zorgen zij hier vrijwel constant voor nieuw lekkers.

Quinlans ongemeen attractieve stem zorgt daarbij geregeld voor het nodige kippenvel. We hebben het hier duidelijk over schuurpapier van het allerbeste soort! Stralend in zowel de geregeld opduikende ballades als in de lekker gevarieerde rockers. Je denkt daarbij onwillekeurig aan Springsteen, aan The Band, aan Neil Young, aan Tom Waits, aan Steve Earle,… Enfin, aan nogal wat genregrootheden. Voorts zeker ook een pluim op de hoed van Peter Kesper. Diens gitaar is ons inziens voor de sound van NQ Arbuckle immers minstens even noodzakelijk als de stem van de voorman van de groep.

Gastrollen noteren we tenslotte op het door John Dinsmore geproduceerde “The Future Happens Anyway” ook nog voor onder anderen Melissa McClelland en Luke Doucet (van het duo Whitehorse) en leden van Elliott Brood, Great Lake Swimmers en Wooden Sky. En natuurlijk willen we op de valreep ook nog even aan je kwijt, dat naast elf eigen nieuwe nummers ook vertolkingen van William Whitings “Eternal Father, Strong To Save” – Ook wel “The Navy Hymn”! – en vooral ook wijlen Vic Chesnutts “Panic Pure” “The Future Happens Anyway” haalden. Dat laatste zouden wij samen met het aan Springsteen ten tijde van “The Ghost Of Tom Joad” herinnerende “The Civil War Is Over” hier zelfs nog snel tot absoluut hoogtepunt van het album durven uit te roepen.

NQ Arbuckle, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

CORB LUND “Counterfeit Blues” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

Wat doe je als rootsartiest, als je van het ene moment op het andere de kans krijgt  om in de legendarische Sun Studios in Memphis een plaat te gaan opnemen? Juist, ja… Je schuift alles aan de kant en je smijt je. Je smijt je alsof je leven ervan afhangt. En dat was dan ook exact wat de Canadees Corb Lund deed, toen hem onlangs die eer te beurt viel. Alleen… Er waren twee addertjes… De opnamen zouden voor een CMT-TV-special gefilmd worden en ze mochten niet langer dan twee dagen in beslag nemen. Van een uitdaging gesproken!

Maar dan wel ééntje, die Lund maar wat graag aanging. Meer nog, hij nam zich voor om ten volle te profiteren van de eigenheid van de door zo ongeveer al hun gebruikers tot in den treure toe geroemde opnamestudio’s. “Live” zou hij er een even ruw als puur eerbetoon aan het ook ruim een halve eeuw later nog door velen quasi verafgood geluid van Sun inblikken. Twaalf liedjes in totaal, materiaal ontleend aan twee eerdere platen van ‘m, met name “Five Dollar Bill” uit 2003 en “Hair In My Eyes Like A Highland Steer” uit 2006, helemaal Lund, maar dan wel met een Sun-randje! En met aan variatie alvast absoluut geen gebrek. Bij Lunds plantenlabel heeft men het over “a spirited set of rockabilly, rock & roll and honky tonk country”. Maar hoe ruim op het eerste gezicht ook, die vlag dekt ons inziens haar lading toch nog niet helemaal. Daarvoor is Lund anno 2014 gewoon té eclectisch ingesteld.

Het album opent alvast ongemeen sterk met het zwaar slidegestuurde net-niet-titelnummer “Counterfeiters’ Blues”. Vervolgens gaat het via een streepje outlaw country (“Good Copenhagen”), een onvervalste rockabilly-stamper (“Big Butch Bass Bull Fiddle”), wat hypernerveuze country rock (“Hair In My Eyes Like A Highland Steer”) en wat catchy Western swing (“Little Foothills Heaven”) richting het onvolprezen “Five Dollar Bill”, ondertussen uitgegroeid tot één van Lunds absolute “signature songs”. “Buckin’ Horse Rider” is door zijn scherpe randje dan weer te omschrijven als alternatieve C&W, “Hurtin’ Albertan” twijfelt tussen Buckaroo twang en rockabilly pur sang, “(Gonna) Shine Up My Boots” is gewoon een vrolijk, van verlangen overlopend klassiek countrydeuntje, “Truck Got Stuck” wat aanstekelijke “tongue in cheek” rig rock, “Roughest Neck Around” een buitengewoon fijne streep countryrock en het afsluitende “Truth Comes Out” sfeervolle, enigszins “creepy” aandoende Americana.

De deluxe-uitvoering van “Counterfeit Blues” bevat naast het eigenlijke album op cd ook nog een dvd. Daarop de bijna een uur durende CMT-TV-special met naast interviews ook heel wat performances, waarvan er een aantal hier voor het eerst hun opwachting maken.

Corb Lund, New West Records

 

WILLIAM CLARK GREEN “Rose Queen” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Eerlijkheid duurt in de liedjes van de jonge Texaan William Clark Green het langst. Nu meer dan ooit. De jongeman, die het aandurft cultheld Willis Allan Ramsey als zijn grote voorbeeld te noemen, schrijft naar eigen zeggen vanuit het hart. En dat lijkt hem geen windeieren te gaan leggen ook. Met name zijn nieuwe liedjes gaan er in z’n thuisstaat immers in als zoete koek. “It’s About Time”, de behoorlijk rockende eerste single van z’n nieuwe album “Rose Queen”, deed het ontzettend goed op tal van Texaanse radiostations. En “She Likes The Beatles”, de aan een veelheid van tegenstellingen tussen de protagonist ervan en zijn wederhelft opgehangen opvolger daarvan deed het zelfs nog beter. Met dat sterk staaltje van Red Dirt Americana scoorde Green onlangs zijn eerste nummer 1 in de Texas Music Chart.

En afgaande op wat er verder nog zoal op de door veterane Rachel Loy geproduceerde opvolger van de langspelers “Dangerous Man” en “Misunderstood” staat, zal het zeker niet z’n laatste zijn ook. Met zijn krachtige, karaktervolle stem als zijn voornaamste bondgenoot wurmt Green zich daarop immers doorheen een echt wel ijzersterk songelftal. Liedjes met op de keper beschouwd louter fijne refreinen en dito melodieën. Veelal lekker rockend van aard, al worden wat midtempo materiaal en ballads bij tijd en wijle zeker ook niet geschuwd.

Onze favorieten: het zich als een zalige lijzige roadhouse rocker aandienende titelnummer, de beide eerder al genoemde singles, “Hangin’ Around”, de wederom zeer radiogeniek rockende opvolger daarvan, en vooral ook het zich al stuiterend een weg richting het luisteraarsonderbewustzijn verhalende “Dead Or In Jail”.

Puur muzikaal bekeken bij nader inzicht eigenlijk typisch een gevalletje van oude wijn in nieuwe zakken, deze collectie. Maar storen doet dat hier allerminst. Daarvoor is Green gewoon veel te goed in wat hij doet. Hierbij haalt allicht zo ongeveer elke liefhebber van Texaanse roots rock luidkeels meezingend bij tijd en wijle graag weer eens even de luchtgitaar boven, wij voorop…

William Clark Green, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

HANK SHIZZOE “Songsmith” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Voor de productie van z’n nieuwe cd “Songsmith” riep Hank Shizzoe de hulp in van z’n landgenoot Stephan Eicher. En dat bleek bij nader inzicht een briljante zet. Zelden klonk de Zwitserse blues- en rootsvirtuoos immers beter dan hier. Eicher zorgde duidelijk voor de zo broodnodige nieuwe uitdagingen.

Gelijk van bij openingsnummer “Rocket Ship” is het er vol op. Met z’n enigszins futuristisch aandoende swamp sound en z’n hypnotische beat legt dat de lat voor alles wat dan nog volgen moet meteen erg hoog. Maar geen nood, met z’n gelegenheidsmaatje Eicher in de buurt lost Shizzoe in de elf verdere nummers op “Songsmith” ogenschijnlijk probleemloos alle zo hooggespannen verwachtingen in. Via de mooie, ons een weinig aan Nick Cave in z’n wat bezadigdere momenten herinnerende pianoballade “He Is Not” over het voorzichtig met moderne elektronica stoeiende en toepasselijkerwijze meer parlando dan gezongen gebrachte “I Talk Too Much” en de in duet met Shirley Grimes opgevoerde trage “Light Up” tot “Like It’s 1929”, een absoluut briljant nummer, dat op cabareteske wijze een brug slaat tussen de economische crisis van het jaar uit z’n titel en die anno nu. In het hart van “Songsmith” stoten we vervolgens op de atmosferische “bluesicana” van het titelnummer en het twangy, louter sfeermatig bij momenten behoorlijk zwaar aan de muziek van die van Calexico refererende “The Ghost Of Pain”. Blijven daarna nog over: de onder meer over lentefrisse ukeleleklanken heen gedrapeerde “singalong” “iTune (Song For Jony)”, het “spacey” rootspopdeuntje “Planned Obsolescence”, de werkelijk sublieme americanaballade “Thanks To You”, de niets ontziende bluesrocker “Where I Come From” en “I Sing”, een even aanstekelijke als aparte adaptatie van Charles Trenets hit “Je Chante” uit 1937.

Duidelijk Shizzoe’s meest gevarieerde worp tot op heden, dit album. En misschien ook wel z’n beste…

Hank Shizzoe, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MAX GOMEZ “Rule The World” (New West Records / Warner Music)

(4****)

In de States is dit juweel al een behoorlijk poosje uit. Zo’n anderhalf jaar al bij benadering. En vraag me nu niet, waarom het zo lang heeft geduurd om het ook hier op de markt te brengen, want daarop moet ik je het antwoord compleet verschuldigd blijven. Meer zelfs nog, je zou hier alleen maar op het nodige onbegrip met betrekking tot die lange periode in de wachtkamer stuiten. Was echt nergens goed voor… En het zou me ook volstrekt niet verbazen, mocht Max Gomez ondertussen z’n volgende plaat alweer klaar hebben. Zo gaat dat dan immers…

Een beauty als deze ontzeg je een geïnteresseerd publiek wat mij betreft trouwens sowieso niet zó lang. (Wedden, dat veel van de lezers van deze webstek hem ondertussen al kochten via importkanalen? Ik zou het alleszins begrijpen…) “Rule The World” is immers wat je noemt een echt droomdebuut. De vanuit Taos, New Mexico de wereld voor het eerst vragend in de ogen kijkende Max Gomez doet het daarop uitsluitend met eigen nummers. Eén daarvan schreef hij samen met z’n alom gerespecteerde collega Shawn Mullins (het schoorvoetend rockende “Love Will Find A Way”), één met z’n producer Jeff Trott (het na een wat tragere intro echt helemaal openbloeiende rootspoppareltje “Run From You”) en één met enkele van z’n muzikanten (de pianoballade “Black And White”). De overige zeven zijn solocreaties.

Het merendeel van Gomez’ liedjes laat zich vangen onder de noemers country, folk en rootspop. En dat met een onmiskenbare voorliefde voor ballads en andere wat rustigere liedjesvormen dan nog. Met uitzondering misschien van het een aardig eindje richting de blues overhellende “Ball And Chain”. Dat zou je met enig gevoel voor overdrijving de vreemde eend in de bijt hier kunnen noemen.

Gaan we in de komende jaren ongetwijfeld nog heel veel van horen, van deze knaap met z’n wat weemoedig aandoende stem!

Max Gomez, New West Records

 

JESS KLEIN “Learning Faith” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Een compleet zwart frontje met ergens in het midden enkel twee reeksen witte letters eroverheen: “learning faith” en “jess klein”. Nu niet meteen de meest in het oog springende cover, die de Amerikaanse Jess Klein haar nieuwe cd heeft aangemeten. En veel aandacht zal ze er naar onze bescheiden mening dan ook zeker niet mee trekken. Maar gelukkig is er ook nog de muziek. En dat is een geheel en al ander verhaal!

Ten derde male ondertussen ging Klein daarvoor een samenwerkingsverband met Mark “Professor Feathers” Addison aan. En de man, die recentelijk onder meer ook al met de Band Of Heathens en Guy Forsyth voortreffelijk werk afleverde, drukte flink zijn stempel op “Learning Faith”. Zowel de opnamen, de mixing als de productie vielen onder zijn bevoegdheid en tussendoor vond hij ook nog de tijd om onder andere aan tal van gitaren, bassen en toetseninstrumenten de nodige bijdragen te ontlokken. Klein zelf betokkelde zowel akoestische als elektrische gitaren en gasten als Honeybrowne’s Billy Masters (elektrische gitaren), Rob Hooper en John Paul Keenon (drums), BJ Lazarus (mandoline) en Wendy Colonna (backing vocals) deden de rest.

Stralend middelpunt van de belangstelling zijn zoals op elk van Kleins voorgaande albums echter ook nu weer haar zwaar verleidelijke (licht)ruwe stem en haar bijzonder diepgaande teksten. In die laatste gaat ze voor de gelegenheid echt helemaal loos. In die zin, dat ze naar eigen zeggen voor het eerst echt alleen maar gedaan heeft, waar ze zin in had. En dat werkte klaarblijkelijk behoorlijk bevrijdend. Het centale thema van “Learning Faith” ligt voor de hand. Op de keper beschouwd is het zelfs gewoon een conceptalbum, volledig gewijd aan processen waarbij een zeker geloof ontwikkeld wordt – een geloof in mensen, een geloof in het universum, een geloof in een hogere kracht.

Verpakken doet Klein haar teksten over het algemeen in americana- en rootsrockliedjes met een ietwat scherp randje. Sommige eerder atmosferisch van aard (het titelnummer en het afsluitende “Long Way Down” bijvoorbeeld), andere gewoon recht-toe-recht-aan voorbijdenderend (het catchy “So Fucking Cool” en het al even snedige “Dear God”). Een leuke ballade kan zo nu en dan naar goede gewoonte bij wijze van afwisseling echter ook (“If There’s A God” en het radiogenieke “Loving You”).

Jess Klein, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

EASTON STAGGER PHILLIPS “Resolution Road” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Is het écht al weer meer dan vijf jaar geleden, dat de heren Easton, Stagger en Phillips ons met hun voortreffelijke debuutplaat “One For The Ditch” wisten te verrassen? Wat gaat de tijd toch snel, he… En al zeker in goed gezelschap! En dat zijn de songsmeden Tim Easton, Leeroy Stagger en Evan Phillips ontegensprekelijk. Zowel voor eigen rekening, als samen.

Hun nieuwe album namen de drie begin 2013 verspreid over twee weken in Staggers eigen studio, de Rebeltone Ranch, op. Easton nam daarbij het leeuwendeel van de bas-, mandola-, gitaar-, piano- en orgelgitaarpartijen voor zijn rekening, Stagger en Phillips betokkelden hun respectieve gitaren. Zingen deden ze uiteraard allemaal. En dat zowel apart als samen. En dat harmonieerwerk blijkt ook ditmaal weer goed voor een gegarandeerde meerwaarde. Net zoals ten tijde van “verrassingshit” “One For The Ditch”.

Als geheel klinkt “Resolution Road” echter anders dan zijn voorganger. Rijkelijker geïnstrumenteerd alleszins. Doordachter gearrangeerd al evenzeer. In haar totaliteit laat de productie “this time around” eigenlijk absoluut niets te wensen over. De muzikale perfectie wordt hier vrijwel voortdurend benaderd of zelfs helemaal bereikt. In die mate, dat je geneigd bent om te denken, dat men hiermee op zoek wil naar een breder publiek. En geloof ons vrij, de potentie daartoe is ruimschoots voorhanden. Tussen wat de drie heren op en over de stijlgrenzen tussen Americana, roots pop en folk rock brengen zou in een wat rechtvaardigere wereld zo nu en dan zelfs een bescheiden hitje te vinden moeten zijn.

Afgetrapt wordt er met Phillips’ “Alway Came Back To You”, een buitengewoon knappe, meteen ongegeneerd naar blijvende genegenheid hengelende atmosferische rootsrocker. Vervolgens rocken ook Stagger en Easton op hun beurt bedaard een eindje weg met respectievelijk “Traveller” en “Stay”. Laatstgenoemde blijkt trouwens het best bedeeld hier. Van hem prijken er immers vier songs op “Resolution Road”, van de beide anderen “slechts” drie.

Wij onthielden van die tien songs naast het al genoemde “Alway Came Back To You” vooral ook het harmoniezwangere “Lucilia”, het verhalende Stagger-hoogstandje “Life Of Crime”, het ons op de één of andere manier een weinig aan de Jayhawks herinnerende “So Much In Tune” en het mede door de lekkere slap bass erin heerlijk twangy uit de hoek komende “Hwy Is My Home”. Met materiaal van dat kaliber in handen hoeven ze wat ons betreft met een volgende plaat absoluut niet weer vijf jaar te wachten.

Easton Stagger Phillips, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MARY GAUTHIER “Trouble & Love” (Proper Records / Rough Trade)

(5*****)

Na het in hoge mate autobiografische “The Foundling” uit 2010 tekent Mary Gauthier hier en nu met haar nieuwe studioworp “Trouble & Love” andermaal voor een echte vijfsterrenplaat.

Voor de opnames ervan trok ze ditmaal samen met de onder meer van zijn werk met Delbert McClinton bekende Patrick Granada richting de studio van Ricky Skaggs net buiten Nashville. Daar zocht en vond ze studiohulp bij onder anderen collega-songwriters Darrell Scott, Beth Nielsen Chapman en Ashley Cleveland. En bij gitaarlegende Duane Eddy ook. Hij leende zijn karakteristieke gitaar immers aan het extreem broze, door Gauthier samen met de onvolprezen Gretchen Peters gepende “How You Learn To Live Alone”. Eén van de allermooiste liedjes die wij in 2014 al voorgeschoteld kregen, dat nummer! En één van de sleutelnummers ook op een album dat probeert een weerspiegeling te zijn van het menselijke leven in zijn totaliteit. Een gevolg van het feit dat de liedjes op “Trouble & Love” hun kiem vonden in een voor Gauthier werkelijk gitzwarte periode. Een periode gekenmerkt vooral door verlies en verdriet. En dus bestempelt Gauthier zelf haar nieuwe plaat ook als “a transformation record”. Als een poging “om terug normaal te worden”.

Onder het motto “There’s no such thing as going too deep.” maakt Gauthier ons hier dus opnieuw deelachtig aan bepaalde facetten van haar eigen bestaan. En ze doet dat ook dit keer weer op een dermate ontwapenende manier, dat je als luisteraar compleet gevloerd achterblijft. Eerlijk is eerlijk: platen als deze maakt de nochtans nog altijd veel hoger aangeschreven staande Lucinda Williams naar onze bescheiden mening al een poosje niet meer. Dringend met z’n allen stevig aan de boezem drukken dus, deze geweldige liedjesschrijfster! Haar veelal balladeske, soms bedaard rockende americanaliedjes ontgoochelen op de keper beschouwd eigenlijk nooit. Ze leven als het ware op van de erin vertolkte gevoelens van melancholie en aanverwante stemmingen. En zo wordt héél somber plots ook héél mooi.

Mary Gauthier, Proper Records

 

BEN MILLER BAND “Any Way, Shape Or Form” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Billy Gibbons van ZZ Top is een danig grote fan van dit trio, dat hij er zijn bandmaats van meende te moeten overtuigen om het drietal bij wijze van ruggensteuntje een poosje op sleeptouw te nemen. En zo belandden Ben Miller, Scott Leeper en Doug Dicharry tijdens het voorbije 2013 ook zonder noemenswaardige media-aandacht vooraf al op tal van gerenommeerde Europese podia. Met als absolute hoogtepunt een triomfantelijke doortocht op het vermaarde Montreux Jazz Festival.

Daar en elders gooiden Miller en co hoge ogen met hun op veelal zelf in elkaar geknutselde instrumenten gebrachte “Ozark stomp”, een amalgaam van elementen uit country, bluegrass, Delta blues, jazz, rock en andere, daaraan ver of minder ver verwante genres. Muziek, stralend in al haar bewust gezochte eenvoud, maar tegelijk ook barstend van de energie en de passie. Aanstekelijker vind je ze amper! Van het nadrukkelijk naar het muzikale erfgoed van de Appalachen lonkende “The Outsider” tot de uitermate catchy boogie-oefening “You Don’t Know”, van de bevreemdende Americana van “Ghosts” tot het volop met Delta-klei besmeurde bluesstampertje “Hurry Up And Wait”, de knappe countrytrage “I Feel For You”, de wat aparte vaudeville jazz van “23 Skidoo”, de hypernerveuze funky bluesrock  van “Burning Building”, een eigenzinnige eigentijdse interpretatie van de traditional “The Cuckoo”, het aanstekelijke bluegrassniemendalletje “Twinkle Toes” en andere, hier móet je gewoon van houden!

Vermelden we tenslotte ook nog even, dat voor de productie van dit in totaal dertien eenheden tellende kleinood een beroep werd gedaan op niemand minder dan de recent onder meer nog om z’n werk met Jack White, de Kings Of Leon en Wanda Jackson geprezen Vance Powell. En dat was duidelijk de juiste man op de juiste plaats op het juiste moment…

Ben Miller Band, New West Records

 

THE DEVIL MAKES THREE “I’m A Stranger Here” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Wat zouden we dit voor het ogenblik met z’n allen graag willen… Een Duivel, die er eens drie zou willen maken… In één wedstrijd dan! In de nakende kwartfinales tegen Argentinië bijvoorbeeld al… Maar goed, da’s natuurlijk een heel ander verhaal. Hier horen we het tot nader order nog altijd gewoon over muziek te hebben. Zoals over “I’m A Stranger Here” bijvoorbeeld, van het trio The Devil Makes Three, vandaar dus…

En om maar gelijk een open deur in te trappen: dat door de dezer dagen zo’n beetje alomtegenwoordige Buddy Miller geproduceerde en ook van bijkomend gitaarwerk voorziene nieuwe album van Pete Bernhard (zang en gitaar), Lucia Turino (bas en backing vocals) en Cooper McBean (gitaar, diverse banjo’s en backing vocals) is er één om duimen en vingers bij af te likken. Heerlijk onconventioneel! Met lak aan eender welke stilistische begrenzing. Akkoord, old-timey klinkt het zo ongeveer allemaal wel. Maar dan wél “tailor-made” voor “jonge oren”. Hier en daar ook opgewaardeerd met een elektrische noot. En misschien is het wel net dat gegeven, dat van dit amalgaam van elementen uit onder andere country, Western swing, ragtime, jug band music, New Orleans en gypsy jazz, Appalachen- en andere folk, blues en gospel zo’n aanstekelijk geheel maakt. Een muzikaal ADHD’ertje dat je als luisteraar maar wat graag in de armen sluit. Ritmisch vrijwel voortdurend overtuigend, meer zelfs nog, bij momenten zwaar verslavend.

Van de je met z’n gypsy ondertoontje meteen overrompelende achterbuurtenjazz van openingsnummer “Stranger” over het ons louter sfeermatig voorzichtig even aan Morphine herinnerende rockertje “Worse Or Better” tot de banjogestuurde, de belofte uit z’n titel helemaal inlossende ballade “A Moment’s Rest”, de hyperkinetische bluegrass-stamper “Dead Body Moving”, het swampy rockende “Hand Back Down” en zo ongeveer al de rest hier, dit is echt killer stuff! En wat het allemaal net nog wat interessanter maakt, is dat onze drie protagonisten het hier uitsluitend met eigen materiaal doen. Love it!

The Devil Makes Three, New West Records

 

BEN VAUGHN “Texas Road Trip” (Munster Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wie – Net als ons! – in geen tijd zwaar in z’n nopjes is als dingen als “Who Where You Thinkin’ Of” en “(Hey Baby) Que Paso” van de Texas Tornados, “Mendocino” van de Sir Douglas Quintet, “Buena” van Joe “King” Carrasco of “Half A Boy And Half A Man” van Nick Lowe radiogewijs voorbij komen waaien, die moet hoognodig aan “Texas Road Trip”, de echt wel rete-aanstekelijke nieuwe van singer-songwriter Ben Vaughn. Die toog voor de opnamen van z’n jongste worp immers effectief naar Texas en liet er zich bijstaan door louter lokale topmuzikanten. Onder meer Augie Meyers, Alvin Crow, John X Reed, Speedy Sparks en Mike Buck hielpen hem daar in het verre Austin bij het realiseren van wat ontegensprekelijk z’n allerbeste plaat tot op heden is.

Gelijk van bij het extreem catchy, door Meyers’ uit de duizenden herkenbare orgeltje aangejaagde “Boomerang” zit de (Tex-Mex-)sfeer er goed in. En dat zal zo een tijdje blijven ook! Zo is het bijvoorbeeld erg moeilijk om niet met een superbrede grijns op je gelaat te eindigen na het beluisteren van het nog even uit hetzelfde muzikale vaatje tappende en van een ronduit zalige tekst voorziene “(I’m Gonna) Miss Me When I’m Gone”. En ook de daaropvolgende trage old-school R&B van “I’ll Stand Alone” – Met Augie Meyers ditmaal op de piano! – is naar onze bescheiden echt geweldig! Evenals de schokschouderende Tex-Mex-countryrockers “Fire In The Hole” en “Sleepless Nights”, de als fijne ballade verpakte road song “Texas Rain”, het met de tong diep in de wang geplant gebrachte “She Fell Out The Window” en het snedige, met Bill Lloyd gepende “Seven Days Without Love”. En dan vergaten we bijna nog het lijzige stampertje “Six By Six” en vooral ook het licht psychedelisch getinte, zich zo ongeveer als het toppunt van machogedrag uitende “Heavy Machinery”. Of wat dacht u van een behoorlijk dubbelzinnig geladen uiting als “We’re talking heavy machinery, baby, when it comes to my love…” Goed dat we weten, dat grapjurk Vaughn op z’n tijd graag even met ons dollen mag…

Met platen als deze binnen handbereik als soundtrack mag de zomer van 2014 van ons een heel erg warme worden!

Ben Vaughn, Munster Records, Sonic Rendezvous

 

WAYLON JENNINGS “Analog Pearls Vol. 1” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Onder de noemer “Analog Pearls” trapte het zo ongeveer voortdurend naar geluidsperfectie op zoek zijnde Duitse Stockfisch Records onlangs een op het eerste gezicht voor het label enigszins atypische nieuwe reeks af. Maar die schijn bedriegt, aldus eigenaar Günter Pauler. Het is immers net zijn bedoeling om met die nieuwe productlijn uitstekend klinkende en ook muzikaal overtuigende analoge opnamen van weleer van een voortbestaan onder een dikke laag stof te redden. En de eerste aan wiens materiaal deze eer te beurt valt, is Waylon Jennings.

In 1964 nam wijlen de countrylegende in de Audio Recorders Studio in Phoenix, Arizona begeleid door zijn toenmalige groep The Waylors een handvol liedjes op, waarvan er uiteindelijk een twaalftal op plaat zouden belanden. Vooralsnog vooral covers. Van bekende en wat minder bekende dingen als “Stepping Stone”, “The Real House Of The Rising Sun”, “Kisses Sweeter Than Wine”, “Unchained Melody”, “Four Strong Winds”, “Sing The Girls A Song, Bill”, “Don’t Think Twice It’s Alright”, “River Boy”, “The Twelfth Of Never” en “Sally Was A Good Old Girl” meer bepaald. Enkel “Just To Satisfy You” en “Charlie Lay Down The Gun” waren prille aanduidingen van een groot schrijftalent in wording. Bij momenten wat rock & roll aandoend allemaal à la een Roy Orbison of een Buddy Holly, elders wat meer folkgetint en natuurlijk ook al country.

Nu dus verkrijgbaar op Super Audio CD. Door de vaklui van Stockfisch Records zorgvuldig geremasterd uiteraard. En als dusdanig best wel een leuke aanvulling voor elke collectie met zin voor het verleden.

Stockfisch Records

 

BRIGITTE DEMEYER “Savannah Road” (Brigitte DeMeyer Music / PIAS Rough Trade)

(5*****)

De vanuit Nashville actieve Brigitte DeMeyer heeft met haar zesde cd “Savannah Road” wat mij betreft eindelijk haar al wel langer verdiende “ticket to the stars” beet. Het merendeel van de nummers op die opvolger van het ook al verre van misselijke “Rose Of Jericho” van zo’n drie jaar geleden schreef de bekoorlijke Amerikaanse samen met collega Will Kimbrough. En dat is zo goed als een kwaliteitsgarantie.

De dochter van een koppel Belgische en Duitse inwijkelingen in de States levert met “Savannah Road” zonder meer één van de mooiste americanaplaten van 2014 so far af. Dertien liedjes lang baant ze zich op bijzonder soulvolle wijze een weg naar het luisteraarshart. Namen als die van Rory Block en meer nog die van Bonnie Raitt mogen daarbij voor vooralsnog oningewijden als referentie gelden. Net als dat tweetal beschikt DeMeyer over een ongemeen expressief stel “pipes”. Iets wat door Kimbroughs even wonderschone als subtiele, echt volledig ten dienste van het liedje staande snarenbijdragen eigenlijk alleen nog maar meer gaat opvallen. Volop genieten geblazen is het daardoor wat ons betreft onder meer van de verfijnd ingehouden back porch americana van “Conjure Woman”, het in al zijn eenvoud niets minder dan briljante akoestische bluesje “Big Man’s Shoe”, de soulvolle trage “Please Believe Me” en vooral ook van swampy titelnummer “Savannah Road”. Verdere verbluffend knappe momenten: het funky “Honey Hush”, het spooky “Worker”, het ons louter sfeergewijs even aan Tony Joe White herinnerende “Lightnin’ Poor” en het waarlijk van de soul bulkende “Build Me A Fire”.

Zullen we ons straks ongetwijfeld als één van dé muzikale hoogtepunten van 2014 herinneren, dit schijfje! Een aanrader van formaat dan ook!

Brigitte DeMeyer, Sonic Rendezvous

 

HOLLIS BROWN “Gets Loaded” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hun debuut “Ride On The Train” vond ik bij nader inzicht een echte dijk van een plaat, maar bij het concept achter hun nieuwste had ik vooraf toch zo mijn bedenkingen. Een rootsy versie van de Velvet Underground-klassieker “Loaded”… Moest dat nu wel echt? Zou daar echt iemand op zitten te wachten? Konden ze ons dan niet beter gewoon verwennen met wat meer eigen lekkers? Enfin, de nodige scepsis in de aanloop naar, je kent dat wel…

Maar die bleek op de keper beschouwd compleet overbodig. De in omgekeerde volgorde afgehaspelde nieuwe versie, die Mike Montali, Jonathan Bonilla, Michael Graves en Dillon Devito van “Loaded” afleverden, luistert immers best wel aangenaam weg. Hun interpretaties van de liedjes van Lou Reed en co situeren zich gewoon wat meer in de muzikale buurt van de Stones (model vroege jaren zeventig), Creedence Clearwater Revival en de Box Tops. “Hollis Brown Gets Loaded” rockt bij tijd en wijle flink, durft ongegeneerd richting R&B te lonken en schuwt ook een bescheiden dosis country op z’n tijd niet. “Head Held High” zou zo bijvoorbeeld uitstekende diensten kunnen verlenen bij het onderbouwen van het eerste lid van dat drieluik, het aardig funky uit de hoek komende “Train Round The Bend” als een al even geslaagd staaltje van het tweede en trage “New Age” tenslotte van het derde, countryeske. Drie verrassend goede nieuwe versies trouwens, die drie liedjes. En samen met het ten dele meerstemmig gebrachte en mede daardoor ongemeen soulvol aandoende “I Found A Reason” en het immer frisse “Sweet Jane” eigenlijk ook gewoon mijn persoonlijke favorieten hier.

Wat mij betreft zonder meer een geslaagd initiatief te noemen!

Hollis Brown, Sonic Rendezvous

 

PAUL STEPHENSON “Girl With A Mirror” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Sinds jaar en dag al manifesteert zich Günter Pauler van het Duitse Stockfisch Records als beschermheer van tal van zachtgevooisde liedkunstenaars. Zo menig een hedendaagse (folk)troubadour vond al beschutting onder zijn uitnodigende luifel: te weten opnemen voor zijn platenlabel, in zijn studio, met zijn geweldige muzikanten-vrienden en onder zijn productionele hoede. En meestal leverde dat prachtige resultaten op. Zoals ook nu weer met “Girl With A Mirror”, het nieuwe album van de ondertussen in Frankrijk woonachtige Britse songsmid Paul Stephenson, die u misschien nog wel kent van de geweldige cd “A Bend In The Road” uit 1991 onder zijn pseudoniem Tom Zola.

Die plaat mag in haar geheel dan al net iets donkerder dan haar voorgangers klinken, echt zwaarmoedig doet ze niet aan. En dat ondanks het feit dat hier voornamelijk gevoelens eigen aan of gepaard gaand met verlies, ontgoocheling, berusting en andere hun weg naar poëtische overpeinzingen vinden. Vijftien bescheiden meesterwerkjes levert het ons op. Waaronder een werkelijk bloedmooie nieuwe versie van ’s mans “signature song” “Girl With A Mirror”, het nummer dat er ons indertijd toe aanzette om z’n album “A Bend In The Road” te kopen.

Samengevat: echt iets voor “gevorderde luisteraars”, dit album, voor liefhebbers van (quasi) perfect verpakte inhoud.

Stockfisch Records

 

BLAIR CRIMMINS & THE HOOKERS “Sing-A-Longs” (New Rag Records)

(4****)

Gezien de laaiend enthousiaste reacties waarop acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns recentelijk in onze kontreien onthaald werden, zou het echt wel doodjammer zijn mocht er niet ook een platenlabel bereid worden gevonden om zich hier over het lot van Blair Crimmins & The Hookers te buigen. Qua aanstekelijkheid moeten die Crimmins en de zijnen immers allerminst onderdoen voor het genoemde tweetal. De manier waarop zij ragtime en twintiger jaren Dixieland jazz vertalen naar het hier en nu spreekt echt wel tot de verbeelding. En nog veel meer, als je weet, dat elk van de elf liedjes op “Sing-A-Longs” Crimmins-originelen zijn. Ongelooflijk eigenlijk! Dingen als “”Roll Over Bessie”, “Run That River Down”, “Little Red Train”, “The Krog Street Strut” en vele andere toveren zó een brede smile op je gezicht. Dit swingt echt als een tiet! Onze soundtrack voor de stilaan nakende zomer van 2014!

Blair Crimmins & The Hookers

 

ROBERT FRANCIS & THE NIGHT TIDE “Heaven” (Membran / Suburban)

(4****)

“Heaven” is na het overheerlijke drietal “One By One” uit 2007, “Before Nightfall” uit 2009 en vooral ook “Strangers In The First Place” van net geen twee jaar geleden de ondertussen vierde cd van de jonge Amerikaanse singer-songwriter Robert Francis. En net als z’n drie voorgangers is het andermaal een ware dijk van een plaat geworden. Echt tot de nok toe gevuld met pop- en rockliedjes van het werkelijk allerbeste soort.

Die bracht Francis ditmaal voor het eerst met z’n pas vorig jaar gevormde groep The Night Tide. Daarin zetelen naast hemzelf ook nog David Kitz en Ben Messelbeck. En voorts mocht ook een bescheiden legertje aan sessiemuzikanten mee aan de slag. Naast gezongen interventies leverde dat ook bijdragen op keyboards, pedal steel en sax en wat percussie op. Voor de productie tekende Francis zelf. Gemixt werd “Heaven” door Mark Rains (Black Rebel Motorcycle Club), gemastered door Howie Weinberg (Nirvana, Jeff Buckley).

Op tekstueel vlak is Francis “this time around” vooral in de weer met dingen groter dan onszelf. Vandaar de titel “Heaven”. En daarbij doet hij wat betreft het muzikale nogal wat terrein aan. Pop en rock is en blijft het inderdaad allemaal wel, maar er worden “en passant” toch flink wat uithoeken van het beschikbare palet bestreken. Met als resultaat een uitermate gevarieerd, dertien songs rijk geheel, dat als ideaal canvas voor Francis’ betoverende stem fungeert. Een stem uitermate rijk aan emoties, kwetsbaar en krachtig tegelijk. Uitnodigend en warm in de intiemere momenten, quasi strijdvaardig als het er allemaal wat vlotter aan toe gaat.

Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het heerlijk ingehouden en zich wat ons betreft echt als een gedoodverfde radiohit aandienende “Pain”, het sfeervolle “Take You To The Water” en het al even beklijvende titelnummer. Liedjes van dat kaliber verdienen het ten volle om “en masse” te worden verkocht.

Robert Francis & The Night Tide, Membran, Suburban

 

TISH HINOJOSA “After The Fair” (Varèse Sarabande / Colosseum)

(3,5****)

Wat betreft Tish Hinojosa mogen wij ons met recht en rede fans van het eerste uur noemen. Al van in de dagen van “Taos To Tennessee”, “Homeland” en andere dragen wij de Texaanse immers een bijzonder warm hart toe. En door de jaren heen zijn we haar ook altijd trouw gebleven. Van elk van haar albums prijkt er hier dus een exemplaartje in de collectie. Vele daarvan gewoon aangeschaft op automatische piloot eigenlijk. Met name de laatste jaren dan. Het nieuwe was er immers stilaan zo’n beetje af…

Tot nu, that is! Met “After The Fair” verrast Hinojosa ons immers eindelijk weer eens in aangename zin. Op dat onder de productionele auspiciën van Moe Jaksch in Berlijn ingeblikte album klinkt ze anders dan anders. Gedurfder eigenlijk. Beter dan in haar recente verleden alleszins. Zonder dat ze zichzelf daarvoor diende te verloochenen overigens. Want uiteraard staan er ook op “After The Fair” weer een heleboel liedjes die haar Mexicaanse roots verraden. En al even vanzelfsprekend vonden wij het om ook hier weer op een stel rustige folkdeuntjes van het genre waarop ooit ook Nanci Griffith een patent leek te hebben te stoten. Maar er is dus meer. Het samen met haar vriend Marvin Dykhuis gepende “Tu Cancion” bijvoorbeeld promoveert Hinojosa zomaar tot zangeres van een sixties beat band. En het ook al volledig in het Spaans gebrachte “Los Deportados” is op de keper beschouwd een niets minder dan sublieme cover van “Deportee” van Woody Guthrie. Is trouwens slechts één van de drie covers hier, dat liedje. De overige twee zijn “Me Captivo Con Su Mirar”, een Spaanstalige adaptatie van Paul McCartney’s “A Certain Softness”, en het bij collega Matthew Sever geleende popdeuntje “I Will Do The Breathing”.

Voor het overige enkel eigen liedjes, die tekstgewijs regelmatig haar recentelijk afgesloten periode in de Duitse havenstad Hamburg reflecteren. Zo heeft ze het bijvoorbeeld over de onvermijdelijke Reeperbahn en over het voor Duitsland onverwachterwijze met een Italiaanse kater afgelopen wereldkampioenschap voetbal van 2006.

Fijn plaatje!

Tish Hinojosa

 

TAKE BERLIN “Lionize” (Take Berlin Music / Sonic Rendezvous)

(3***)

Take Berlin is een nog relatief jong duo bestaande uit Jesse Barnes en Yvonne Ambrée. Hij vooral bekend als lid van Eli “Paperboy” Reeds band The True Loves, zij een veelgevraagde achtergrondzangeres met op haar konto onder meer werk voor soulgrootheden als Syl Johnson, Ann Sexton en Gwen McCrae. De twee ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een Baltic Soul Weekender aan het Weißenhäuser Strand aan de Oostzee. En van het één kwam al snel het ander. Ze vormden zoals hoger al aangegeven Take Berlin en leverden onlangs met de EP “Lionize” ook al hun plaatdebuut af.

Dat schijfje bevat een zestal op een enkele jaren geleden door Barnes van het stort geredde aftandse tape deck ingeblikte songs, die hoegenaamd nergens onder stoelen of banken steken zwaar beïnvloed te zijn door het werk van de Braziliaanse tandem Carlos Jobim en Vinicius de Moraes of ook hun landgenoot Joao Gilberto. Eerder klassiek geconcipieerde liedjes dus, een weinig lui aandoend van wezen, lekker soulvol neergelegd door twee stemmen die heel mooi “samen kleuren”.

Met “Stranger” komen ze heel even dicht in de buurt van onze eigen vaderlandse trots Hooverphonic. Elders, zoals doorheen eerste single “Vermona” of titelnummer “Lionize”, waait een enigszins folky aandoend sixties-windje. Of een heerlijk zwoel Braziliaans briesje, zoals doorheen het bedaarde “Eaves”.

Take Berlin

 

AMELIA WHITE “Old Postcard” (White-Wolf Records)

(4,5*****)

Liefhebbers van het werk van dames als Mary Gauthier, Lucinda Williams, Kate Campbell, Emmylou Harris en Patty Griffin hoeven de rest van dit stukje niet te lezen. Zij kunnen zich echt wel zonder nadenken dit zevende album van de vanuit East Nashville actieve Amelia White aanschaffen. Onder de productionele hoede van voormalig Grammy-winnaar Mike Poole en zich muzikaal geruggensteund wetend door plaatselijke kleppers als diezelfde Poole, John Jackson, Sally Barris, Bryan Owings, Anne McCue, Brian Harrison, Sergio Webb, Billy Earheart, Jon Byrd, Tim Carroll, Pete Finney, Melissa Wolf en Julie Christensen levert die immers een volstrekt tijdloos geheel af. Een plaat om te hebben en heel erg innig van te houden.

Een plaat met tal van geweldige momenten alleszins. En da’s iets wat op de keper beschouwd ook allerminst hoeft te verwonderen, als je weet, dat White voor het schrijven van het merendeel ervan de hulp inriep van gewaardeerde collega’s als Doug & Telisha Williams, Thomm Jutz, John Hadley, Anne McCue, Jon McElroy, Andrew Dorff en Tony Kerr. Met Hadley tekende ze zo bijvoorbeeld voor het prachtige titelnummer. “Dreams that never will come true are still dreams after all,” luidt het daarin achteromkijkend wijs. Nog zo’n toppertje is het met Anne McCue gedeelde Young-iaanse rootsrockertje “Brothers”. Dat nestelt zich “in no time” knus tussen je oren om er zich vervolgens met geen stokken meer te laten verdrijven. Iets wat bij nader inzicht eigenlijk ook wel geldt voor het onder meer met een snuifje “seventies Stones” gekruide “Mary’s Gettin’ Married”.

Maar op haar best vinden wij White toch nog altijd in haar wat bedaardere momenten. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de stijlvolle “country noir” van “Hollow Heart”, de ronduit heerlijke trage “Old Stone” en het met Thom Jutz gepende “Goodbye Today”. Daarin komt de met de jaren alleen maar lekkerder wordende lijzige stem van White naar onze bescheiden mening gewoon het best tot haar recht.

Wat ons betreft echt wel warm aan te bevelen, dit bij momenten behoorlijk persoonlijk uitgevallen werkstukje! Ontegensprekelijk White’s beste album so far! Een echt blijvertje…

Amelia White

 

JOAN OSBORNE “Love And Hate” (Membran / Suburban)

(3,5****)

“What if God was one of us? Just a slob like one of us. Just a stranger on the bus…” We hebben het op een onbewaakt moment vast allemaal ooit wel eens meegeblèrd, dat geweldige liedje, waarmee Joan Osborne ergens in ’95 voor zichzelf de deur naar een toekomst in de kijker wist open te trappen. Amper te geloven eigenlijk, dat dit absolute “moment de gloire” van de Amerikaanse al zo ver achter ons ligt. Een momentum, dat ze overigens niet echt lang stevig vast wist te houden, onze Joan. Want hoe goed haar volgende albums bij momenten ook waren, het (commerciële) succes van “One Of Us” en de bijhorende cd “Relish” wist de ondertussen toch ook al de kaap van de vijftig gepasseerde zangeres nooit meer te evenaren.

En de vraag is maar, of Osborne zelf daar dezer dagen nog wel echt op uit is. Door de jaren heen is ze immers steeds resoluter haar eigen ding gaan doen. Pop en rock moesten zo bijvoorbeeld regelmatig plaats ruimen voor andere muziekstijlen als folk, Americana en soul. Als luisteraar wist je zo op den duur vooraf eigenlijk nooit meer echt, wat ze nu weer voor je in petto zou gaan hebben. Iets wat ook voor haar achtste studioplaat “Love And Hate” weer opgaat.

Daarop prijken twaalf liedjes, die aan ons na enkele luisterbeurten referentiepunten als de “popstootjes” uit het vermaarde Brill Building, het legendarische songgoed van de heren Bacharach & David en recenter materiaal van onder anderen Cat Power en Shelby Lynne wisten te ontlokken. Behoorlijk apart ingevulde popdeunen, waarin Osborne op soulvolle wijze de (niet zelden eerder grijze) zone tussen liefde en haat verkent. Daarbij naar eigen zeggen vooral geïnspireerd door niet-muzikale bronnen, zoals poëzie, short stories, film en het leven zelve. Zo ongeveer het hele spectrum tussen beide tegenpolen doet ze op het toepasselijk getitelde “Love And Hate” aan.

En aanraders zijn daarbij wat ons betreft vooral het heerlijk groovy neergelegde “Keep It Underground”, het melodie- en sfeergewijs heel even voorzichtig richting “Hotel California” van de Eagles knipogende “Work On Me”, het titelnummer (Een echt wel magistrale pianoballade!) en het zomers luchtige, met zijn hoofd nadrukkelijk in het verleden levende popriedeltje “Where We Start”.

Joan Osborne, Membran, Suburban Records

 

GEORGIE FAME, MADELINE BELL AND STEVE GRAY “Singer, The Musical” (Proper / PIAS Rough Trade)

(3***)

Het betreft hier in januari 2004 voor de Nederlandse publieke omroep NTR in de 013 in Tilburg gemaakte, maar niet eerder uitgegebrachte opnames van een musical gewijd aan de “rise & fall” van een getalenteerde jonge Amerikaanse zangeres. Madeline Bell en Georgie Fame vertolken de songs, het Metropole Orchestra en de Jody Pijper Singers onder leiding van Johan Plomp doen de rest. Als een mini-opera omschrijft speerpunt Bell het op haar eigen webstek zelf. Maar dan wel één in een jazzy gewaad. Soulvol ook, zij het dan in een big band-context. Meer iets voor liefhebbers van jazz dan voor regelmatige bezoekers van deze pagina’s eigenlijk, dit ondertussen zo’n dertig jaar geleden op een onbewaakt moment door Edwin “Ome Willem” Rutten geïnitieerde roject.

Georgie Fame, Madeline Bell, Proper Records

 

THE GLOAMING “The Gloaming” (Real World Records)

(5*****)

Met z’n titelloze debuut slaat het uit Iarla Ó Lionáird (zang), Caoimhín Ó Raghallaigh (viool), Dennis Cahill (gitaar), Martin Hayes (fiddle) en Thomas Bartlett (aka Doveman, piano) bestaande The Gloaming op werkelijk wonderbaarlijke wijze een brug tussen het buitengewoon rijke Ierse folkverleden en het (New Yorkse) hier en nu. Wat de vijf op hun eersteling doen heeft iets hoegenaamd magisch. Iets wat zich eigenlijk maar heel erg moeilijk onder woorden laat brengen.

Van beklijvende, door Ó Lionáird in het Gaelic een aardig eindje richting de sterren gezongen sean-nós-liederen tot al even adembenemende instrumentaaltjes en alles wat daar tussenin zoal kan, je valt hier als luisteraar met de mond wagenwijd open voortdurend van de ene in de andere verrassing. Van de compleet onthaaste, bijna onaardse schoonheid van iets als “Song 44” over de heerlijk authentieke instrumental “Allistrum’s March” of het voornamelijk door de magnifieke zang van Ó Lionáird en het pianospel van Bartlett gedragen “The Necklace Of Wrens” tot het ruim zestien minuten durende “magnum opus” “Opening Set”, waarin an sich al veel meer gebeurt dan op de doorsnee-folkplaat, en andere, dit is niets minder dan ademberovend!

The Gloaming hertekent hier “en passant” als het ware de muzikale toekomst van Ierland. Een echte revelatie! En als u mij nu even wil excuseren, ik moet hoognodig even de van het kippenvel recht omhoog staande haartjes op mijn armen plat gaan kammen…

The Gloaming

 

LINCOLN DURHAM “Exodus Of The Deemed Unrighteous” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Like the howl of the wind and rumble of a thunderstorm Lincoln Durham’s music is raw and real, the way it should be.” Aan het woord: Hayes Carll, zoals ondertussen allicht alom bekend zelf een meer dan gemiddeld begaafde songsmid. En hij is lang die de enige Amerikaanse singer-songwriter die deze nog jonge collega mateloos bewondert. Onder meer ook James McMurtry en Ray Wylie Hubbard zijn naar verluidt grote fans. En die laatste gaat daarin zelfs zeer ver. Zo bestempelde Durham hem zelf al als zijn mentor. Als de man waarvan hij heel wat van z’n kunstjes leerde.

Maar Durham gaat verder, véél verder dan Hubbard. Je zou zijn muziek zo ongeveer als des duivels kunnen omschrijven. Ongemeen rauw. Ongelooflijk “real”. Heerlijk gemeen. “Definitely” meer blues dan Americana. Meer gehuild dan gezongen eigenlijk. Uitgebraakt als het ware. Denk Howlin’ Wolf en Son House, Tom Waits. Zoiets. Durhams creaties kennen bepaald geen mededogen. Dingen als “Ballad Of A Prodigal Son”, “Rise In The River”, “Annie Departee”, “Beautifully Sewn, Violently Torn”, “Stupid Man”, “Sinner”, “Exodus Waltz”, “Mama” en andere overvallen je als luisteraar. Kansloos ben je. Meer nog dan die van het nochtans zelf ook al verre van misse “The Shovel vs. The Howling Bones” laten ze je met een gevoel van onbehagen achter.

Verhalen waar Edgar Allan Poe trots op geweest zou zijn, lazen we ergens. En zo is het maar net. Alleen kleedt Lincoln Durham ze veel spectaculairder in. Met dank daarvoor ook aan producer George Reiff.

Lincoln Durham, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MORGAN O’KANE “The One They Call The Wind” (Dollartone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Buitengewoon intrigerend heerschap toch, deze Morgan O’Kane! Nog eens wat je noemt een echte original. Maar daarmee vertellen we natuurlijk niks nieuws, want zoveel wisten we met z’n allen al na zijn eerste twee releases, z’n in 2010 verschenen debuut “Nine Lives” en het van een jaar later stammende en hier behoorlijk jubelend onthaalde “Pendulum”.

En nu is er dus nummer drie van het fenomeen uit Virginia. En ook dat is weer een ronduit uitstekende plaat. Boordevol met Amerikaanse volksmuziek met een al bij al behoorlijk punky karakter. Folk, bluegrass en Americana met een als wel heel erg scherp te omschrijven randje. Muziek met veel zin voor traditie, maar vooral toch ook voor het hier en nu. Muziek als uitlaatklep voor een activist in de traditie van groten der aarde als een Woody Guthrie, een Phil Ochs en een Pete Seeger. Een (milieu)activist met gouden vingers bovendien. Een echte meester op de banjo!

En als je dat alles dan ook nog eens weet te koppelen aan een stem die een weinig doet denken aan die van Bruce Springsteen en een sterke prestatie van gelegenheidsteammaats Ezekiel Healy (dobro, hurdy gurdy), Ferd Moise IV (Hackensaw Boys, fiddle), Liam Crill (spoons, shaker), JR Hankins (flugelhorn) en Domino Kirke (backing vocals), dan krijg je materiaal van het kaliber van de elf deunen op “The One They Call The Wind”. Onze luistertips: het door O’Kane’s nerveus-virtuoze banjobepotelingen en JR Hankins’ geblazen bijdrage een aardig eindje richting folkperfectie evoluerende “Compass Rose”, het mede door diezelfde combinatie ook al hoogst eigenzinnig uit de hoek komende “Shroud Of Turin”, het net wat melodieuzere “Across The Distance” en het afsluitende, op een wolk aan herinneringen aan een met de zeilboot van Ferd Moise IV gemaakte trip drijvend eerbetoon aan precies die boot.

Morgan O’Kane is binnenkort ook te gast in de Lage Landen. Volgende data en locaties verdienen zeker een plaatsje in jullie agenda’s: Geel (15 mei, Bacchus Café), Utrecht (17 mei, Tivoli De Helling), Rotterdam (18 mei, Het Klooster), Nijmegen (14 juni, Kids N Billies), Middelburg (19 juni, Kaffee Het Hof) en Waardamme (20 juni, Muddy Roots).

Morgan O’Kane, Sonic Rendezvous

 

BASKO BELIEVES “Idiot’s Hill” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Als je echt gelooft in wat je doet, dan moet je er ook de nodige risico’s voor durven te nemen, zo ongeveer moet de Zweed Johan Örjansson gedacht hebben, toen hij een tijdje geleden besloot om in te gaan op de aanhoudende verzoeken van McKenzie Smith en Joey McClennan van het gerenommeerde Midlake om vooral toch maar eens naar de States af te zakken om er samen met hen en wat van hun vrienden een nieuw album op te nemen. Geen gemakkelijke beslissing nochtans! Niet enkel het kostenplaatje had de beste man aanvankelijk immers tegengehouden om op dat droomaanbod in te gaan, maar ook het feit dat hij zich voor het zetten van deze stap (tijdelijk) zou moeten distantiëren van zijn ondertussen opgebouwde schare trouwe Zweedse fans en zijn al even loyale bandmaats.

Maar goed, uiteindelijk bleken die argumenten dus niet langer op te wegen tegen de almaar toenemende drang naar verandering en de drive om een album af te leveren, waarvoor absoluut geen compromissen meer zouden moeten worden gemaakt. En dus toog Örjansson richting het Texaanse Denton, waar hij in de Redwood Studio samen met het al genoemde duo (drums en gitaren), Aaron McClellan (Israel Nash Gripka’s band, bas), Eric Swanson (ING, pedal steel), Evan Jacobs (ooit nog Midlake, keyboards), Jesse Chandler (Midlake, fluit), Buffi Jacobs (The Polyphonic Spree, cello), Daniel Hart (ooit ook The Polyphonic Spree, fiddle), Kaela Sinclair (zang) en blazers David Pierce, Pete Clagett en David Monsch “Idiot’s Hill” opnam.

En na enkele beluisteringen van die plaat kunnen we eigenlijk alleen maar zeggen, dat we op de keper beschouwd met z’n allen heel erg blij moeten zijn om ’s mans gedurfde beslissing. Wat is dit immers weer een heerlijkheid van een album! Tien met veel zorg uitgewerkte, hoogst persoonlijke liedjes, gedragen door Örjanssons geweldige, hier eigenlijk gewoon beter dan ooit klinkende stem en volop profiterend van de gesofisticeerde arrangementen van de Midlake-tandem. De weelderige orkestratie doet de liedjes van de Zweedse songsmid pas echt stralen. Met zijn modernistische folkpop belandt hij op die manier als het ware ergens tussen Damien Rice, Ryan Adams en David Gray in.

Sterke zang en sterke teksten dus, maar vooral ook tonnen aan sfeer. Soms eerder poppy, elders wat meer folkgericht, een enkele keer ook behoorlijk soulvol. Hoogtepunten zat alleszins. Wij noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het bezielde “The Waiting”, het ons voorzichtig aan de ingetogen kant van U2 ten tijde van “The Joshua Tree” herinnerende “Lift Me Up”, het bedaarde “Going Home” en het buitengewoon radiogenieke “Rain Song”.

Vijf sterren! Wat ons betreft dubbel en dik verdiend!

Basko Believes, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

THE WOOD BROTHERS “The Muse” (Southern Ground Artists)

(4,5*****)

Met hun opvolger voor het ondertussen toch ook alweer goed twee en een half jaar achter ons liggende “Smoke Ring Halo” lijken de Wood Brothers klaar voor een doorbraak op grote schaal. Samen met de ondertussen tot volwaardig groepslid uitgegroeide drummer-multi-instrumentalist Jano Rix leveren Chris (zang, bas, harmonica, gitaar en mandoline) en Oliver Wood (zang, gitaar en mandocello) in een productie van Buddy Miller een plaat af die eigenlijk in geen enkele zichzelf respecterende Americana-collectie zou mogen ontbreken. Geruggensteund door onder anderen diezelfde Miller (baritongitaar), de zussen McCrary (backing vocals) en blazers Jim Hoke, Bill Huber en Steve Herrman waden ze op “The Muse” omzichtig doorheen tien nieuwe originelen en een cover van één van onze favoriete dronkemansliederen überhaupt, te weten “I Got Loaded”.

Enkele ogenblikken lang waanden wij ons aanvankelijk voorwaar even in de achtertuin van The Band. Aan het prille werk van dat legendarische gezelschap herinnerde openingsnummer “Wastin’ My Mind” ons immers behoorlijk nadrukkelijk. Klassiek spul dus! En dat is een predikaat, dat wat ons betreft eigenlijk op heel wat van de deunen op “The Muse” mag. Je voelt als luisteraar immers vrijwel meteen aan, dat je hier nog héél erg lang naar zal blijven teruggrijpen. En de hier door de Wood-broertjes geserveerde gumbo van bluesy Americana en country en swampy funk zal ons inziens op termijn dan ook door velen naar waarde worden geschat. Zowel door rootsmuziekliefhebbers op jaren, als door jonge, dankzij acts als Mumford & Sons en de Avett Brothers pas onlangs in het genre gerolde oren.

Wij zijn er alvast helemaal weg van. Van het lekker funky om zich heen schoppende “Who The Devil” tot het enigszins onthaast en mede daardoor juist heel erg passioneel aan de man gebrachte “I Got Loaded” en het al eerder aangekaarte “Wastin’ My Mind”, van het bedaarde, ook al wat aan Robbie Robertson en co schatplichtige “Neon Tombstone” tot het mede dankzij de zoals steeds hemelse vocale ondersteuning van de McCrary-zussen aardig gospelesk uitpakkende “Sing About It”, het bluesy titelnummer en andere, voor ons betekent dit keer op keer opnieuw ruim drieënveertig minuten volop genieten!

Vanaf eind april zijn de Wood Brothers overigens ook in de buurt voor een stel optredens. Meer bepaald in Heerlen (29 april, Cultuurhuis), Waardamme (30 april, Cowboy Up), Amsterdam (1 mei, Bimhuis – Bimbop), Leiden (2 mei, Qbus), Horst (4 mei, Cambrinus), Eindhoven (5 mei, Muziekgebouw Frits Philips) en Den Bosch (7 mei, Blue Room).

The Wood Brothers

 

HENHOUSE PROWLERS “Breaking Ground” (Prowlers Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het live-album “Direct From Chicago” van zo’n jaar of anderhalf geleden meegerekend zijn die van de Hensouse Prowlers met “Breaking Ground” ondertussen al aan hun vijfde cd toe. En we hebben het hier naar aanleiding van enkele van die voorgangers en optredens hier te lande al wel eens vaker gezegd: wij zijn alvast helemaal weg van wat die vier uit Chicago doen. “New traditional bluegrass” noemen ze het zelf en dat is een vlag die haar lading uitstekend dekt. Ben Wright (banjo en zang), Starr Moss (akoestische gitaar en zang), Jon Goldfine (staande bas en zang), Dan Andree (fiddle en zang) en gelegenheids-Prowler Grant Ziolkowski (mandoline en zang) vertrekken immers daadwerkelijk vanuit een traditioneel bluegrassgegeven om in het hier en nu spijkers met koppen te slaan.

Onder de vakbekwame productionele hoede van Greg Cahill van Special Consensus knallen ze op hun nieuwe cd doorheen elf verse originelen en covers van de traditional “Pretty Polly” en de Temptations-hit “Ain’t Too Proud To Beg”. Vingervlugge snarenescapades worden daarbij als vanouds afgewisseld met al evenzeer tot de verbeelding sprekende sentimentele ballades. En de heren etaleren daarbij naast een werkelijk impeccabele instrumentbeheersing ook een buitengewoon fijne neus voor harmonieerwerk. Iets wat verstokte fans van de Del McCoury Band als ons uiteraard wel weten te appreciëren.

Ben Wright en Jon Goldfine tonen zich met respectievelijk vier en drie liedjes de voornaamste songleveranciers. Starr Moss bracht er twee aan, Dan Andree en Grant Ziolkowski beiden eentje. En van dat respectabele elftal onthielden wij na enkele draaibeurten vooral de volgende selectie: het heerlijk melodieuze openingsnummer “Why Is The Night So Long?”, de op de keper beschouwd behoorlijk countryesk opgevatte valse trage “Drunk Again”, het verhalende “The Track” en het onder hyperkinetisch snarengewriemel kreunende “Soul Saver”. Dat zijn samen met de hier hoger al even vermelde, werkelijk grandioze cover van “Ain’t Too Proud To Beg” van de Temptations de nummers die mp3-gewijs in de nabije toekomst nog heel wat kilometers met ons zullen gaan maken.

Op zaterdag 26 april en zondag 27 april aanstaande kan je de Henhouse Prowlers ook live meepikken tijden het Gasketblowers Fest in Sint-Katelijne-Waver (Rick’s Place, Fortsesteenweg 31). Nog op 27 april doen ze daarnaast ook de Cowboy Up in Waardamme aan. En op 1 mei wervelen ze ook nog snel even over de op het Roots & Roses Festival in Lessen aanwezige menigte.

Henhouse Prowlers, Sonic Rendezvous

 

RETO BURRELL “Lucky Charm” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Bij de vanuit Zwitserland actieve songsmid Reto Burrell weet je eigenlijk vooraf al in grote lijnen waar je aan toe bent. In die mate zelfs, dat je je, als je één van zijn eerdere albums in huis hebt en er nog regelmatig naar teruggrijpt, ook zonder al te veel nadenken elk van de volgende kan aanschaffen. De voornaamste ingrediënten blijven immers doorgaans zo goed als onveranderd.

In eerste instantie is er zo de buitengewoon aangename, met de jaren eigenlijk alleen nog maar beter wordende gruizige stem van Burrell zelve. Die vormt an sich al een hoegenaamd uitstekend uitganspunt. En zo mogelijk nog beter zijn de liedjes, die Burrell schrijft. Die hebben vrijwel zonder uitzondering hun roots in Americana-grond. Sommige eerder balladesk van aard (“Right Beside Me”, “The Journey” en “Can’t Break The Rules / Hole In My Chest”), andere mid-tempo (het titelnummer en het met – de ons volslagen onbekende – Gigi Moto in vocale steun gebrachte “Half Your Love Is Fine”) tot heerlijk recht-toe-recht-aan rockend (het aantrekkelijke duo “A New Pair Of Shoes” en “Come Rain Come Shine”, het harmonicazwangere “Everybody’s Sneaking Around”, het topzware “Hit The Ground” en de deluxe-rootsrocker “The Reason Why”).

Als referenties voor dit wat ons betreft goed bestede half uurtje lijken “nach wie vor” vooral de namen van Tom Petty en Burrells labelmaatje Todd Thibaud uitermate goede diensten te kunnen bewijzen.

Reto Burrell, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

RODNEY CROWELL “Tarpaper Sky” (New West / Warner)

(5*****)

Voor de opnames van “Tarpaper Sky”, zijn veertiende soloplaat, recruteerde Rodney Crowell zoveel mogelijk van de in 1988 ook al bij z’n invloedrijke bestseller “Diamonds And Dirt” betrokken muzikanten. En dat resulteert ook nu, ruim zesentwintig jaar later, weer in het nodige muzikale vuurwerk. Net als “Diamonds And Dirt” is ook Crowells nieuwe worp weer een veritabele heerlijkheid van een album geworden. Wat meer Americana dan die roemruchte voorganger misschien, maar hem wat betreft de kwaliteit van de liedjes wel zomaar naar de kroon stekend. En dat wil in dit geval heel wat zeggen, aangezien we het toch hebben over de tands des tijds met sprekend gemak weerstaan hebbende songschoonheden als “Crazy Baby”, “I Couldn’t Leave You If I Tried”, “After All This Time”, “Above And Beyond (The Call Of Love)”, “It’s Such A Small World”, “The Last Waltz” en andere.

Voor de productie van “Tarpaper Sky” tekende Crowell zelf. Samen met Steuart Smith en een enkele keer ook Dan Knobler leidde hij de werkzaamheden eraan in goede banen. Iets wat gezien het uitgebreide cv van het merendeel der betrokkenen wellicht niet al te veel moeite heeft gekost. In de Tarpaper Band treffen we zo naast Crowell zelf (zang en akoestische en elektrische gitaren) ook Steuart Smith (diverse gitaren, mandoline, bas, orgel, harmonica en harmony vocals), Michael Rhodes (bas), John Hobbs (piano) en Eddie Bayers (drums en piano) aan. En op de knap uitgebreide gastenlijst prijken voorts onder meer ook nog de namen van Shannon McNally, Will Kimbrough, Fats Kaplan, Jerry Douglas, John Cowan, Pat Buchanan, Cory Chisel, Mike Ferris, Chely Wright, Vince Gill en Ronnie McCoury.

Alle door hen geleverde, buitengewoon vaardige hand-en-spandiensten ten spijt zijn het uiteindelijk echter toch vooral weer Crowells songs die het verschil maken. Tussen de elf exemplaren hier staan er een aantal waarvoor je als recensent zonder blikken of blozen de omschrijving instant classic durft te bezigen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het zo ongeveer ultieme liefdesliedje “I Wouldn’t Be Me Without You”, het aan z’n buddy Guy Clark opgedragen “The Flyboy & The Kid” en vooral ook de trage “Oh What A Beautiful World”, waarin ook al bij wijze van eerbetoon, maar ditmaal aan het adres van wijlen John Denver, op buitengewoon handige manier een streepje “Take Me Home, Country Roads” wordt verwerkt. Andere pareltjes: het bedaard countryrockend de feestelijkheden inzettende “The Long Journey Home”, het met Will Jennings gepende en quasi terloops op subtiele wijze wat cajungevoel verspreidende “Fever On The Bayou”, de wervelend twangende roots rock van “Frankie Please”, de kippenvelballade “God I’m Missing You”, het bijna uitsluitend van de erin opgevoerde ingehouden spanning levende “Famous Last Words Of A Fool In Love”, het zich schokschouderend als uitermate geschikt voor gebruik in volop naar verschaald bier, sigarettenrook en mannenzweet geurende road houses aandienende “Somebody’s Shadow” en het bedaarde, ogenschijnlijk tot behoorlijk diep in Crowells persoonlijke leefwereld doordringende “Grandma Loved That Old Man”.

Als de grote John Keats het bij het rechte eind had en “a thing of beauty” daadwerkelijk “a joy forever” is, dan willen we bij dezen de nieuwe van Rodney Crowell graag als dat laatste aan al onze lezers aanprijzen.

Rodney Crowell, New West Records

 

THE WIDOWBIRDS “Heart’s Needle” (Teenage Head Music)

(3,5****)

Met hun onlangs verschenen tweede langspeler nemen de Aussies van The Widowbirds ons zonder het zelf goed te beseffen een flink eind mee terug in de tijd. Naar een tijd van nog heel wat langere haren en een uitgesproken voorliefde voor luide gitaren meer bepaald. Laat er ons als label maar grote delen van de seventies opplakken. Toen hadden we het nogal voor muziek van het door The Widowbirds geproduceerde soort. Voor bluesy rock van het hardere type, gedragen door schreeuwerige stemmen en met luide gitaren à volonté. Is ondertussen wel iets minder dagelijkse kost geworden hier, maar toch! Wat de Widowbirds op “Heart’s Needle” brengen, vinden we ook nu nog erg goed. Het doet ons met plezier terugdenken aan favorieten van weleer als Led Zeppelin, de Free en aanverwanten. En dat zou eigenlijk genoeg moeten zeggen. Behoorlijk straffe zang- en gitaarpartijen inderdaad en dito melodieuze songs ook. Om het met de woorden van “good old” Tony Joe White samen te vatten: “You boys make a real good noise, I mean REAL GOOD!”

Willen we best ook wel eens live aan het werk zien! En dat kan binnenkort ook. Meer bepaald in Oostende (Manuscript, 8 mei) en Deidenberg (Café Take Five, 10 mei).

The Widowbirds

 

MATT ANDERSEN “Weightless” (True North Records / Bertus)

(5*****)

“Mijn albums zijn geen van alle bluesalbums – ik heb er al wel blues awards mee gewonnen, maar ik zou het zeker geen bluesalbums noemen,” aldus de Canadees Matt Andersen zelf recentelijk over zijn tot op heden verschenen platen. Een opmerkelijke uitspraak misschien, maar wel eentje die steek houdt. Andersen mag dan al enkele jaren een graaggeziene gast in bluesmiddens zijn, eigenlijk is hij in de eerste plaats een uitstekende singer-songwriter. En een geweldige zanger natuurlijk. Soulvoller dan de zijne worden strotten al een poosje niet meer gemaakt…

En het lijkt wel alsof Andersen met z’n nieuwste worp nog wat meer dan voorheen op die twee facetten van z’n eigen persoontje heeft willen focussen. Gelijk van bij het samen met z’n landgenoot Joel Plaskett gepende en over een soortement van reggaeritme gedrapeerde soulvolle openingsnummer “I Lost My Way” is meteen weer duidelijk, dat Andersen inderdaad veel ruimer gaat dan louter en alleen maar blues. Het daaropvolgende en ook al met die Plaskett geconcipieerde “My Last Day” herinnert vervolgens op bezielde wijze tegelijk aan de jonge Joe Cocker en de Van Morrison van in de eerste helft van de jaren zeventig, “So Easy” is een lieflijke countryballade, titelnummer “Weightless” een veritabel juweel van een midtempo R&B-nummer en “Alberta Gold” een streepje puur verhalend rootspopgoud.

Met Thom Swift schreef Andersen de prachtige trage “Let’s Go To Bed”, met Dave Gunning het licht funky opgevatte “The Fight”, met Suzie Vinnick het behoorlijk “seventies” aandoende “Drift Away”, met Keith Mullins de voorzichtig poppy aangeklede Americana van “Let You Down”, met de je onder meer van zijn bijdragen aan Blackie & The Rodeo Kings bekende Tom Wilson het op een rockabillymotiefje geënte “City Of Dreams” en met Ryan Hupman naast het al genoemde titelnummer ook nog de broeierige sleper “Between The Lines” en het spirituele “What Will You Leave”.

Pop, folk, country, blues, soul,… – you name it, Andersen does it! En hoe! In een productie van de je wellicht ook van zo menig een Los Lobos-parel bekende Steve Berlin tekent de Canadees hier naar ons gevoel voor wat straks allicht één van dé muzikale hoogtepunten van 2014 zal gaan blijken. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Matt Andersen, True North Records

 

WARD THOMAS “Footnotes EP” (WTW Music)

(3***)

“Footnotes” is een vier songs tellende EP, die ons nu al een beetje warm moet maken voor het volgende zomer te verschijnen volwaardige plaatdebuut van de tweelingzussen Catherine en Lizzy Ward Thomas. Amper negentien jaar oud zijn ze, die twee Britse youngsters, en dat gegeven vertaalt zich op deze eersteling naar een geluid, waarin country naar onze normen wat al te veel overhelt naar pop. En dat is geen wonder ook, als je weet dat de twee naast de dezer dagen bijna obligate Johnny Cash en Alison Krauss ook de Dixie Chicks en Carrie Underwood als invloeden noemen.

“Footnotes” bevat naast drie door de dames in het verre Nashville ingeblikte originelen ook één covertje. Het afsluitende “Caledonia” meer bepaald, een mooie trage ontleend aan het oeuvre van Dougie MacLean. En naar onze bescheiden mening meteen ook het allermooiste nummer van de vier hier. Het puurste alleszins. En als dusdanig het ideale vehikel voor de bij momenten echt hartverscheurend mooie samenzang van de zussen Ward Thomas. Waarmee we meteen ook hun voornaamste troefkaart op tafel hebben gegooid.

De overige drie nummers zijn het wel heel erg poppy opgevatte, een als eerder bitterzoet te omschrijven relatie met technologie als inhoudelijk uitgangspunt gebruikende “The Good And The Right”, het wat meer americana-gerichte en hier derhalve wat beter in de smaak vallende titelnummer – Met weer dat fraaie harmonieerwerk! – en “Take That Train”, een uit het leven gegrepen verhalend deuntje met minstens evenveel pop als country in de aderen.

Zullen we het in verband met Ward Thomas dus maar op een nog in te lossen belofte houden? Misschien toont de toekomst zich dan wel een bondgenoot…

Ward Thomas

 

SIMONE FELICE “Strangers” (Team Love Records)

(5*****)

Als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkoopt Simone Felice van dit album losweg een paar miljoen exemplaren. De je onder meer al van zijn bijdragen aan The Felice Brothers en The Duke & The King bekende Amerikaan levert met zijn tweede soloplaat “Strangers” immers een volstrekt tijdloos geheel af. Een echte instant-klassieker als het ware. Een plaat, waarvan je al na één enkele beluistering weet, dat je ze voor de rest van je leven zal gaan koesteren als een ware schat.

Elk van de in totaal tien nieuwe liedjes erop heeft dat zekere “je ne sais quoi” dat elke houdbaarheidsdatum a priori compleet overbodig lijkt te maken. Denk in dat verband bijvoorbeeld ook maar even aan heel wat pareltjes op het repertoire van Dylan, Leonard Cohen, Gordon Lightfoot, Cat Stevens en The Band. Zij zouden de zo ongeveer perfecte invalshoek kunnen vormen om je voor het eerst aan dit meesterwerk te wagen. Als aanloop richting het werk van een bescheiden genie. Poëtische grandeza quasi voortdurend koppelend aan een onwaarschijnlijke diepgang en een al even ontwapenende eerlijkheid zal het je ogenblikkelijk vloeren, zeker weten…

Dingen als het zomers warmbloedige “Molly-O!” en zich volop in melancholie wentelende “merveilles” als “If You Go To L.A.”, “Our Lady Of The Gun”, “Bye Bye Palenville”, “The Best That Money Can Buy”, “Bastille Day” en andere staan voor niets minder dan (roots)pop-perfectie.

Eén van dé gedoodverfde kandidaten dan ook om straks aan het eind van het jaar helemaal bovenaan het lijstje met onze favoriete schijven van de voorbije maanden te prijken, dit album. Een niets minder dan essentiële aanschaf!

Simone Felice

 

BEVERLEY MARTYN “The Phoenix And The Turtle” (Les Cousins)

(4****)

Voor het eerst in veertien jaar pakt Beverley Martyn weer eens uit met nieuw materiaal. Het album “The Phoenix And The Turtle” bevat in totaal negen liedjes. Liedjes, die ze schreef doorheen zowat haar gehele carrière. Van haar allereerste eigen nummer ooit, het ingetogen “Sweet Joy”, tot “Reckless Jane”, een nooit eerder ingeblikte samenwerking met wijlen Nick Drake. En alleen al dat laatste liedje maakt een aanschaf van “The Phoenix And The Turtle” ons inziens meer dan de moeite waard. Van een werkelijk volstrekt tijdloze schoonheid is het! Met het werk van Drake (uiteraard) als een uitstekend referentiepunt.

En dat “Reckless Jane” is lang niet de enige veritabele songschoonheid hier! Ook het op een enigszins bevreemdende manier bluesy aandoende “Going To Germany” en het in al zijn grandeur voorwaar voorzichtig even aan Janis Joplin herinnerende “When The Levee Breaks”, heropnames van twee liedjes die Martyn al aan het begin van haar loopbaan bij jug band The Levee Breakers placht te zingen, het bedaard voortkabbelende “Potter’s Blues”, het daadwerkelijk tot veelvuldig laatavondgebruik uitnodigende “Nighttime” en het uit hetzelfde muzikale vaatje tappende tweetal “Women & Malt Whiskey” en “Jesse James” konden hier alleen maar op goedkeurend geknor rekenen.

“The Phoenix And The Turtle” werd door Martyn onder de productionele hoede van Mark Pavey ergens in Wales ingeblikt. Naast hand-en-spandiensten van diezelfde Pavey op tal van gitaren bevat het album ook bijdragen van ex-Counting Crows-bassist Matt Malley en de je misschien wel van zijn werk voor Los Lobos bekende drummer Victor Bisetti.

Echt verbluffend goed!

Beverley Martyn

 

CARRIE TREE “Home To The Invisible” (Wild Cedar Records)

(3,5****)

De uit Brighton afkomstige Britse songsmid Carrie Tree wist onze aandacht in eerste instantie vooral te trekken met een toch wel als hoogst apart te bestempelen cover. Haar werkelijk magistrale, van alle overbodige franje ontdane lezing van de Portishead-hit “Glorybox” meer bepaald. Hoe de jonge Engelse zich dat indertijd ook door ons heel erg gesmaakte nummer eigen maakte sprak meteen tot onze verbeelding. En dus dompelden we ons ook met het nodige plezier onder in haar nieuwe album “Home To The Invisible”.

Die plaat bleek op de keper beschouwd vol te staan met eerder delicate folkliedjes die het toelieten levenslijnen te trekken richting onder anderen Joni Mitchell, Nick Drake en John Martyn. We hebben het dan over dingen als het buitengewoon breekbaar aandoende openingsnummer “Never Said Goodbye”, “Better Next Time” en andere. Her en der bleken er ook uitlopers te vinden tot in Zuid-Afrika. Zo reisde Tree voor het inblikken van “Mama Kita” bijvoorbeeld naar Durban af. Daar verbleef ze zo’n twee weken en werkte ze samen met onder meer zangers Albert Mazibuko van Ladysmith Black Mambazo en Zamo Mbutho uit Miriam Makeba’s band. Het behoeft allicht geen betoog, dat het resultaat dan ook zeer authentiek aanvoelt. Net als “Graceland” van Paul Simon een heel mooi voorbeeld voor de stelling dat een botsing tussen diverse culturen niet altijd tot grote stukken hoeft te leiden.

Andere opvallende momenten op “Home To The Invisible”: het op wel heel subtiele wijze met wat elektronische geluiden besprenkelde “Perfectly Cast”, het wat levendiger dan het merendeel van de songs hier ingevulde “Wild Winds” en de voor de mens Tree naar verluidt behoorlijk karakteristieke “Water Song”. Stuk voor stuk ideale kompanen voor in de late uurtjes.

Carrie Tree

 

LACHLAN BRYAN AND THE WILDES “Black Coffee” (WJO)

(4,5*****)

Wat een heerlijke plaat! (Net als z’n voorgangers “Ballad Of A Young Married Man” en “Shadow Of The Gun” trouwens…) Alternatieve Australische country van het werkelijk allerbeste soort. En onlangs in eigen land dan ook terecht bekroond tot “Best Alt. Country Album” van het jaar.

Lachlan Bryan en kompanen staan garant voor een als ronduit subliem te omschrijven mix van elementen uit country, folk en rock & roll. Met de nadruk uiteraard op het eerste van dat drietal en dat in de ruimste zin van het woord. Soms horen we de (country)rocker, veelal de troubadour, af en toe ook de traditionalist in Bryan. Allemaal even vaardig. En voortdurend vakbekwaam ondersteund door de Wildes ook.

Veel van het materiaal voor “Black Coffee” schreef Bryan zo’n jaar of anderhalf geleden tijdens een liefst drieëntwintig staten aandoende tournee doorheen de States. Hij vond er naar eigen zeggen inspiratie in “run-down hotels, roadside diners, desert landscapes and cheap, supermarket six-packs”. In “een Amerika in het voorbijrijden” als het ware. En die atmosfeer ademt “Black Coffee” eigenlijk ook. Overtuig jezelf daarvan bij gelegenheid maar eens middels een beluistering van dingen als het met Bill Chambers gebrachte en gestaag voorbijrockende “309”, het voorzichtig wat richting een old-time-geluid lonkende “Big Fish”, het op de keper beschouwd eerder als rock & roll dan als country te bestempelen “You, Me And The Blues”, de omineuze rootsy trage “Deathwish Country” of het op bijzonder soulvolle wijze met Zoe Rinkel gedeelde “Dragging My Chain”. En dan hadden we het nog niet over de sublieme authentieke Americana van het titelnummer en “Change In The Wind”, het lang niet alleen tekstueel dreigend aandoende “The CEO Must Die”, de al bij al eerder traditioneel ingevulde ballade “Kiss Me Or Kill Me” en het afsluitende, ons samen met z’n “surrogaatzus” Melody Pool aangereikte juweeltje “Forty Days And Nights”.

Zouden we durven aan te beleven aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Kieran Kane, een Radney Foster en een Steve Earle. Echt wel heel erg straffe rootsmuziek dus!

Lachlan Bryan, Bandcamp

 

BLAIR DUNLOP “House Of Jacks” (Rooksmere Records)

(4****)

De Britse hypemachine heeft er met Blair Dunlop weer een vette kluif bij. De man wordt sinds z’n onwaarschijnlijk mooie debuutplaat “Blight & Blossom” van goed en wel anderhalf jaar geleden en de met de dames van Larkin Poe gedeelde EP “Killing Time” van vorig jaar naar onze bescheiden mening terecht als één van dé te volgen (folk)talenten van de toekomst geroemd. Iets wat hem vorig jaar tijdens de BBC Radio 2 Folk Awards alvast de felbegeerde Horizon Award opleverde.

En dus waren de verwachtingen met betrekking tot z’n moeilijke (volwaardige) tweede hier ook hooggespannen. Zou Dunlop al het over hem vertelde en geschreven goede kunnen bevestigen of net niet? Wij kennen tot ons grote geluk ondertussen het antwoord op die vraag. En dat is… Ja! Ja! En nog eens ja! Het qua productie iets minder licht dan z’n voorganger uitgevallen “House Of Jacks” is een echte schoonheid van een singer-songwriterplaat geworden. Strandend ergens tussen folk en pop lijkt het elf songs tellende geheel niets minder een stralende toekomst te wachten. Het zou ons alvast absoluut niet verbazen mocht Dunlops tweede in groten getale aftrek gaan vinden.

Dunlops voornaamste troeven? Zijn mooie, rustgevende stem, zijn kristalheldere gitaarspel en vooral ook zijn verhalen. Als mooie voorbeelden van dat laatste staan onder andere het zich aan een wel heel erg diepgewortelde liefde overgevende titelnummer, het op sfeervolle wijze het drastisch veranderende lot van een jonge Italiaanse voetballer bezingende “The Ballad Of Enzo Laviano” en het deterministische “Chain By Design” als een huis.

Dunlop lijkt bij het schrijven van deze en andere liedjes vrijwel voortdurend voor zijn vak klassieke normen en waarden te hebben nagestreefd. Maar dat betekent hoegenaamd niet, dat het resultaat er oubollig is door gaan klinken. Wel integendeel zelfs! Door voor een wat ruimer instrumentarium dan voorheen te opteren verleende de beste man aan zijn nieuwe worp juist een meer eigentijds karakter.

Dit horen is het ook kopen!

Blair Dunlop

 

PHIL GAMMAGE “Adventures In Bluesland” (World Wide Vibe)

(3,5****)

Phil Gammage levert met z’n nieuwste een plaat af, waarvan je de titel wel heel erg letterlijk mag nemen. In een productie van Kevin Tooley en met de nodige studiohulp van Don Fiorino (lap steel en banjo), Richard Demler (bas), Kevin Tooley (drums en percussie) en Joe Nieves (background vocals) tackelt hij (zang, gitaar en harmonica) op “Adventures In Bluesland” in totaal dertien de grenzen van het bluesgenre flink aftastende nummers. Een zevental daarvan blijken eigen composities, de rest zijn covers. Onder meer van de ZZ Top-hit “La Grange” en de traditionals “In The Pines” en “Wayfaring Stranger”. Veelal moody, behoorlijk groovy spul, hier en daar afgewisseld met een wat wilder nummer. Met daarbij vrijwel voortdurend een uitgesproken hoofdrol voor de ons best wel wat aan die van wijlen Elvis Presley herinnerende baritonstem van Gammage zelf. Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het heerlijk nerveuze “Kills Me When You’re Gone”, de lome, quasi dronken aandoende R&B van “Trying To Get To You” en zeker ook ’s mans geslaagde verbouwing van het hoger al even genoemde “In The Pines”.

Phil Gammage

 

DAVID ROTH “Will You Come Home” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Zanger-songsmid David Roth gebruikt zijn liedjes om ons tot op zekere hoogte deelachtig te maken aan zijn eigen leven. In de twaalf songs op “Will You Come Home” neemt hij ons mee op een trip langsheen diverse haltes in z’n bestaan tot op heden. Met zijn warme stem, z’n geoefende pen en de eigen akoestische daarbij als z’n voornaamste bondgenoten schildert hij in z’n liedjes verhalen, anekdotes en herinneringen. Het resultaat is wat wij ruim vijftig minuten luistervoer voor gevorderden zouden willen noemen. Een reeks betoverende melodieën als vehikel voor een stel welgemeende boodschappen. Fraai mee ingekleurd door Ian Melrose, Lutz Möller, Lucile Chaubard, Don Ross, Manfred Leuchter, Beo Brockhausen, Kerstin Blodig, Alessandro Gulino, Hans-Jörg Maucksch, Lea Morris en Mike Silver. Luisterliedjes, te situeren ergens tussen akoestische pop, kleinkunst en folk. En aan te bevelen derhalve ook in eerste instantie aan pakweg de liefbbers van de muziek van James Taylor en aanverwanten.

David Roth, Stockfisch Records

 

MATT HARLAN “Raven Hotel” (Berkalin Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

We hebben nog maar zelden een album met zoveel overwicht de eerste plaats in de Euro Americana Chart weten claimen, als “Raven Hotel” van Matt Harlan deze maand. De momenteel door onze contreien tourende Texaanse songsmid degradeerde met z’n derde de nochtans verre van misselijke concurrentie als het ware tot louter bijrolletjes. En wat meer is… Terecht ook! Want “Raven Hotel” is wederom een bescheiden meesterwerk! Veel beter kan je Texaanse Americana anno nu wel niet maken!

In een productie van de indertijd ook al mee voor het welslagen van z’n geweldige debuut “Tips & Compliments” verantwoordelijke Rich Brotherton en met de nodige studiohulp van diezelfde Brotherton (akoestische en elektrische gitaren, banjo, lap steel, dobro, bas, synth en zang) en z’n vrouw Maddy (viool) en collega’s als een Bukka Allen (accordeon, orgel, piano), Floyd Domino (keyboards), Glenn Fukunaga (diverse bassen), John Green (drums en percussie), John Mills (tenorsax), Mickey Raphael (harmonica) en z’n eigen vrouw Rachel Jones (zang) waadt Harlan op z’n nieuwe worp omzichtig doorheen twaalf eigen nieuwe liedjes. Liedjes, waarmee hij zich zo stilaan toch wel van een eigen plaatsje tussen zingende en schrijvende groten der aarde als een Guy Clark, een Lyle Lovett en een Robert Earl Keen weet te verzekeren. Liedjes, gebaseerd op scherpzinnige waarnemingen en derhalve ook rijk aan tekstuele hoogstandjes. Met de poëzie te allen tijde ten dienste van het liedje, zeg maar. Soms (zacht country)rockend (“Rock & Roll”), soms eerder jazzy (“Burgundy & Blue”), geënt op elementen ontleend aan het bluegrassgenre (“Half Developed Song”) of folk (het ongemeen prachtige titelnummer) of Americana tout court (“Rearview Display”).

Enkele van onze geprefereerde momenten: de even simpele, als mooie Texicana van “Old Spanish Moss”, de in duet met z’n vrouw Rachel gebrachte schuifelaar “Slow Moving Train”, het van achter een verleidelijke sluier van gitaar- en orgelklanken naar je lonkende rootspopjuweeltje “The Optimist” en “Old Allen Road”, een weemoedig ingekleed stukje troubadoursdiepzinnigheid.

“One good thing about music,” aldus wijlen Bob Marley ooit in een wel zeer helder moment, “when it hits you, you feel no pain.” En da’s maar goed ook, want anders lagen we dankzij de brave Matt Harlan nu ergens ferm af te zien…

(Matt Harlan in België: 3 april, CC de Breughel, Bree – 12 april, N9, Eeklo)

Matt Harlan, Sonic Rendezvous

 

NICKY EGAN “The 45 Homestead Project” (Ropeadope)

(4****)

Op haar eigen webstek noemt aanstormend roots’n’soul-talent Nicky Egan onder meer Candi Staton, Janis Joplin, Sarah Vaughan, Etta James, Otis Redding, Norah Jones, Bonnie Raitt, Joni Mitchell, Aretha Franklin, James Brown en Dan Auerbach als grote inspiratiebronnen. Maar er is er, als je ‘t ons vraagt, toch eentje, die ze lijkt te – Willen? – vergeten… En dat is wijlen Amy Winehouse. Haar stem en haar manier van zingen herinneren immers meer dan zomaar een klein beetje aan die van het veel te vroeg overleden supertalent. En net als die Winehouse wist ook Egan ons dus zonder pardon te vloeren.

De zeven nummers van haar tweede album “The 45 Homestead Project” zijn van die aard, dat je er als luisteraar vrijwel ogenblikkelijk aan verslingerd geraakt. Dingen als het tegelijk aan Winehouse en de legendarische Temptations in hun hoogdagen herinnerende “Made A Fool Of Me”, het als een zacht zomerbriesje voorbijwaaiende “I Tried”, het zwoele “Left Unsaid”, het met een warmbloedige toetsenbijdrage omzoomde en wellicht mede daardoor buitengewoon radiovriendelijk overkomende “Rules Within” en het van opzet wel iets van enkele van Marvin Gaye’s vele meesterwerken hebbende “Train Trials” nestelen zich meteen knus tussen je oren.

Best wel vreemd eigenlijk, dat er tot op heden nog geen van de grotere platenmaatschappijen op Egans wagentje gesprongen is. Dit bulkt naar onze bescheiden mening in al z’n authenticiteit immers toch van de commerciële potentie!

Een echte ontdekking!

Nicky Egan, Bandcamp

 

DIRT RIVER RADIO “Rock N Roll Is My Girlfriend” (Bad Reputation)

(4****)      

Die van het Australische Dirt River Radio maken zich op om in de nadagen van 2014 voor het eerst ook Europese podia onveilig te komen maken en dat zullen we geweten hebben ook. Bij wijze van opwarmertje kregen we onlangs alvast “Rock N Roll Is My Girlfriend”, het derde album van het viertal uit de buurt van Melbourne voorgeschoteld. En dat beviel ons heel erg goed. Zo goed zelfs, dat we nu alvast uitkijken naar het momenteel door de groep ergens in de buurt van hun thuishaven ingeblikte nieuwe album, dat als veelbelovende werktitel “Tea & Pornography” meekreeg.

In afwachting daarvan nemen we echter graag nog een poosje genoegen met “Rock N Roll Is My Girlfriend”. Dat album namen zangers-gitaristen Heath Brady en Danger Alexander en hun maats op onder de productionele hoede van de je misschien ook wel van zijn werk met Midnight Oil of Paul Kelly bekende Matt Voight. En diens voornaamste opdracht bestond er “this time around” in om de vibe van de Stones-klassieker “Exile On Main Street” zo dicht mogelijk te benaderen. Een missie, waarin hij wonderwel slaagde. Hij wist het live-geluid van de band alvast perfect naar de nieuwe studioplaat te vertalen.

Wie houdt van onder gruis bedolven stembanden, heftige gitaarescapades en het liefst dan nog van meerdere exemplaren van het type Gretsch tegelijk, van classic rock vermengd met wat blues en zelfs alternatieve country, die zit bij Dirt River Radio goed voor ruim eenenveertig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Uptempo gitaarrockers worden op “Rock N Roll Is My Girlfriend” afgewisseld met zo menig een wat meer ingetogen momentje. Raakpunten zijn er daarbij met tal van classic en Southern rock acts, naast natuurlijk met de Stones en de Black Crowes. Knap trouwens ook, hoe men er voortdurend zorg voor draagt bij zoveel vingervaardigheid het liedje nooit echt uit het oog te verliezen.

Onze lievelingsmomenten: de behoorlijk nadrukkelijk het gebruik van anabole steroïden verradende speed country van “Fuck You * I Miss You”, het ongemeen soulvolle “New York City”, de knappe, op geheel en al natuurlijke wijze een aardig eindje richting Americana overhellende power ballad “All The Good Girls” en de vanuit nagenoeg heel zijn wezen om veelvuldig radiogebruik smekende melodieuze rocker “Blackhearted”. Nummers van dat kaliber staan quasi garant voor een hoogst opwindende live act. Iets waarvan we ons op woensdag 1 oktober in het Manuscript in Oostende ook effectief kunnen gaan overtuigen overigens, want daar zal de band dan uitgebreid ten dans spelen.

Dirt River Radio

 

WILL KIMBROUGH “Sideshow Love” (Daphne Records / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Gevraagd naar een eigen omschrijving van z’n net verschenen zevende soloplaat had muzikaal manusje-van-al Will Kimbrough onlangs een bijzonder leuk antwoord klaar. “I like to think of it as a trip from Saturday night to Sunday morning. From flirt to first kiss, from heart to heart all night conversation to sunup and coffee and oh-my-God-what-are-we-going-to-do-now? With killer guitar parts.” Een wel bijzonder treffende samenvatting, aangezien het merendeel van de songs erop daadwerkelijk focust op de liefde in zowat al haar aspecten. Zo ongeveer elke halte tussen smachtend verlangen en pure lust wordt daarin wel ergens aangedaan. En dat levert als geheel weer een bijzonder fijne Americana-plaat op.

Kimbrough produceerde het album zelf. Al kreeg hij daarbij wel de nodige hulp van David Henry. En die was naar goede gewoonte ook van de partij op z’n cello. Andere betrokkenen: bassisten Chris Donohue en Tim Marks, drummer-percussionist Paul Griffith, gitarist Pat Buchanan (voor de slidebijdrage in “Dance Like Grownups Dance”) en zangeres Lisa Oliver Gray. Maar het merendeel van het werk deed Kimbrough zoals we dat door de jaren heen van hem gewoon geraakt zijn uiteraard ook nu weer zelf. En dat betekent, dat we hem hier niet enkel horen zingen, maar ook aan de slag weten op respectievelijk gitaren, mandoline, banjo, elektrische bas, keyboards en wat percussie-instrumenten. Een manusje-van-al inderdaad, zoals we al schreven…

Alle songs voor “Sideshow Love” schreef Kimbrough daarenboven ook zelf. Zij het, dat dat zo nu en dan wel gebeurde met een schrijfgrage andere pen in de buurt. Met name die van collega’s Jeff Finlin (voor het bedaarde, maar hypernerveuze rootsy rockertje“When Your Loving Comes Around”), John Deaderick (voor het zomers sensuele rootspopdeuntje “Dance Like Grownups Dance”), Joy Lynn White (voor de verbluffend mooie Americana-ballade “Has Anybody Seen My Heart”) en Carter Wood (voor het in dezelfde buurt als het vorige liedje residerende en van de ingehouden spanning levende “Who Believes In You”).

Samengevat: “Sideshow Love” mag worden ondergebracht onder de hoofdingen Americana, country(rock) en roots pop. En binnen elk van die vakjes verdient de plaat het wat ons betreft ook te worden aanbevolen.

Will Kimbrough, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

PAUL CEBAR TOMORROW SOUND “Fine Rude Thing” (Groovesburg Joys / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Holy shit, wat een geweldige plaat is dit! Een echte bom! Niet meteen gemakkelijk te categoriseren, maar what the fuck! Dit is ruim veertig minuten lang frenetisch bonken op de poorten van de rootsmuziekhemel. Van het op bezeten wijze met een schijnbaar aan het repertoire van Elvis Costello en z’n Attractions in hun formatieve jaren ontleende beat aan de slag gaande titelnummer tot de aan min of meer dezelfde periode refererende en z’n titel echt wel alle eer aandoende pub rock van “Summer Starts Right Now”, van het samen met Chuck Mead gepende en op een gigantische swampy soulgolf surfende “Baby Shake” tot het op z’n Al Greens gecroonde – Gekreunde? – “You Owe It To You”, van het zwaar verslavende, een Afrikaans ritme op een Westerse funkleest mishandelende “The Whole Thing” of het extreem catchy, ook al bandeloos (loom) funky uit de hoek komende “Might Be Smiling” tot het met lentefris gitaargerinkel en dito orgelgezoem opgewaardeerde mid-tempo rockertje “Not Necessarily True”, van het bijzonder radiogenieke “rootspopdondertje” “Yeah Yeah” tot het zo’n beetje op z’n Van Morrisons met een soulgegeven omspringende “Just That Cold”, van het samen met Cesar Rosas van Los Lobos geconcipieerde en onder een dijk van een groove krakende “Shack & Shambles” tot “Like Loving People Do”, de in een onvervalst skagewaad gehulde “grande finale”, niet één nummer dat we hiervan nog zouden willen missen! Dit wordt onze soundtrack voor een hopelijk weer lekker hete zomer! Zeker weten…

Paul Cebar Tomorrow Sound, Sonic Rendezvous

 

JACOB LATHAM “Midnight Train” (Jake Latham Music)

(3,5***)

Leuke eersteling van een jongeling uit Bloomington, Indiana. Amper negentien is hij, maar dat hoor je absoluut niet aan het materiaal op “Midnight Train”. De vijf eigen liedjes daarop presenteren Jacob Latham (zang, gitaar, mandoline, harmonica) als een in het oog te houden talent. Zeker, er is nog de nodige groeimarge, maar toch… Dingen als het weemoedige, met een fijn mondharmonicaatje en dito mandolinespel opgewaardeerde “Pay Attention To The Rain”, het nogal opzichtig tussen bluegrass en roots rock twijfelende “Where Do We Go From Here”, het atmosferische titelnummer, het bij momenten voorwaar zelfs even van een licht Waitsiaanse toets voorziene “Don’t Let Them In” en het zwierig afsluitende “John Brown” zullen beslist in goede aarde vallen bij liefhebbers van zulke acts als Mumford & Sons, de Avett Brothers, The Lumineers, Blitzen Trapper, Iron + Wine en aanverwanten. Ze doen ons nu alvast met belangstelling uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van “Young Jacob”!

Jacob Latham, Bandcamp, iTunes

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home