CD-recensies april 2015

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

THE PORTER DRAW “Sets” - KAURNA CRONIN “Glass Fool” - MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” - ANNIE LOU “Tried And True” - GREAT LAKE SWIMMERS “A Forest Of Arms” - ELIZA CARTHY & TIM ERIKSEN “Bottle” - DANNY SCHMIDT “Owls” - THE BOXMASTERS “Somewhere Down The Road” - PHARIS & JASON ROMERO “A Wanderer I’ll Stay” - DIVERSE ARTIESTEN “Folk Awards 2015” - KIMMIE RHODES “Cowgirl Boudoir” - TROUT STEAK REVIVAL “Brighter Every Day” - THE RUBBER KNIFE GANG “Broken Lines” - KEVIN DEAL “Nothing Left To Prove” - ROCKY VOTOLATO “Hospital Handshakes” - RANI ARBO & DAISY MAYHEM “Violets Are Blue” - THE WESTIES “West Side Stories” - ALICE DIMICELE “Swim” - THE  BOOM BAND “The Boom Band” - THE WHIGS “Modern Creation” - NEW MADRID “Sunswimmer” - DIVERSE ARTIESTEN “Stockfisch Records, Closer To The Music, Volume 5” - MARLA BLUMENBLATT “Sag Einfach Ja” - WELDON HENSON “Honky Tonk Frontier” - GREG TROOPER “Live At The Rock Room” - THE HIGH LINE RIDERS “Bumping Into Nothing” - JESSE MALIN “New York Before The War” - JJ GREY & MOFRO “Ol’ Glory” - JOEL RAFAEL “Baladista” - THE KENNEDYS “West” - MALCOLM HOLCOMBE “The RCA Sessions” - AMERICAN AQUARIUM “Wolves” - DIVERSE ARTIESTEN “Signature Sounds 20th Anniversary Collection, Rarities From The Second Decade” - THE FOGHORN STRINGBAND “Devil In The Seat” - THE PINE HILL PROJECT “Tomorrow You’re Going” - DUNDERHEAD “Dunderhead” - ANDREW MAXWELL MORRIS “Well Tread Roads” - SHOUTIN’ RED “Introducing: Shoutin’ Red” - NEW RISING SUN “We’re All Coming Home” - WRINKLE NECK MULES “I Never Thought It Would Go This Far” - HANS THEESSINK & TERRY EVANS “True & Blue” - BAND OF RUHKS “Band Of Ruhks” - JOE PUG “Windfall” - WILL HOGE “Small Town Dreams” - ROB LYTLE “A Hypocrite Of Heart And Hope” - ROBIN ADAMS “The Garden” - TOM RUSSELL “The Rose Of Roscrae” - POKEY LAFARGE “Something In The Water” - PAUL BRADY AND HIS BAND “The Vicar St. Sessions Vol. 1” - ROB MCNURLIN “Blue Nashville Guitar” - TAYLOR LOCKE “Time Stands Still” - JILL BARBER “Fool’s Gold” - BELLA HARDY “With The Dawn” - BRANT CROUCHER “Blanco County Lights” - WHITEHORSE “Leave No Bridge Unburned” - MOORS & MCCUMBER “Pandemonium” - KYLE CAREY “North Star” - LYNN JACKSON & CHRIS BOYNE “The Acoustic Sessions” - RYAN BOLDT “Broadside Ballads” - DENNIS GREAVES & MARK PELTHAM “Duo” - PATRICK COMAN “Reds & Blues” - BRANDON SANTINI “Live & Extended!” - BUTCH WALKER “Afraid Of Ghosts” - TINSLEY ELLIS “Tough Love” - WILDIE “Lost & Gone” - DOUG MACLEOD “Exactly Like This” - ELLEN SUNDBERG “White Smoke And Pines” - BJÖRN VAN DER DOELEN & ALLEZ SOLDAAT “Caballero Zonder Filter” - SEAN COSTELLO “In The Magic Shop” - LOES SWINKELS “Nothing As I Know” - GOES EN DE GASTEN “OnsKentOns” - SUSIE FITZGERALD “Restless” - JAMES MCMURTRY “Complicated Game” - MATTHEW BARBER “Big Romance” - SMUTFISH “Trouble” - STEVE EARLE & THE DUKES “Terraplane” - THE WHISKEY GENTRY “Live From Georgia” - TINY LEGS TIM “Stepping Up” - JOHNNY DOWD “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” - NDROMEDA “Into The Lazy Eye” - NICK EDWARD HARRIS “The Tall Trees” - OWL COUNTRY “Owl Country” - ASLEEP AT THE WHEEL “Still The King” - IAN SIEGAL “One Night In Amsterdam” - MYLES MANLEY “More Songs” - DAVID CORLEY “Available Light” - RODNEY RICE “Empty Pockets And A Troubled Mind” - POINT QUIET “Ways And Needs Of A Night Horse” - DAYNA KURTZ “Rise And Fall” - CHUCK PYLE “Cover Stories” - MADISON VIOLET “Year Of The Horse” - SARAH MCQUAID “Walking Into White” - CAMERON BLAKE “Alone On The World Stage” - 6 STRING DRAG “Roots Rock ‘N’ Roll” - HER & KINGS COUNTY “Raise A Little Hell” - BIBER HERRMANN “Grounded” - ALLISON MOORER “Down To Believing” - VANESSA PETERS “With The Sentimentals” - MATT WATTS “Songs From A Window” - THE PORTER DRAW “The Porter Draw” - RAINA ROSE - REBECCA LOEBE - SMOKEY & THE MIRROR “Three Nights Live” - HAT CHECK GIRL “At 2 In The Morning” - MARY’S LITTLE LAMB “Fortune & Chance” - AWNA TEIXEIRA “Wild One” - RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “Tombstone” - DERROLL ADAMS “Banjo Troubadour, A Live Recording” - DANNY SANTOS Y ¡LOS BLUEGRASS VATOS! “Hogtied” - JIM ED BROWN “In Style Again”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                                         

THE PORTER DRAW “Sets” (Download only!)

(3,5****)

Het gaat er echt wel razend snel aan toe daar in het muzikale universum van The Porter Draw. Nauwelijks twee maanden na “More Trouble” presenteren de alternatieve countryrockers uit Albuquerque, New Mexico ons met “Sets” alweer een… euh,… nieuwe set. Ditmaal tot de nok toe gevuld met covers van eigen favorieten. En daarvan hadden er bij nader inzicht ook flink wat op onze persoonlijke voorkeurslijst gekund.

Afgetrapt wordt er met een geslaagde cover van Steve Earle’s “Copperhead Road”. Vervolgens gaat het via Jerry Reeds oorwurm “East Bound And Down” richting het je vast ook wel van Wilco’s “Summer Teeth”-album bekende “Via Chicago”, Ray Wylie Hubbards in bepaalde delen van de States zo goed als onsterfelijke “Redneck Mother”, Joe Ely’s al bijna even legendarische “Me And Billy The Kid” en Brandi Carlile’s “Hard Way Home”. Daarmee zitten we quasi halverwege “Sets”.

Verderop moeten onder meer ook nog het ons vooral in een uitvoering van Ricky Skaggs bekende “(Hallelujah) I’m Ready (To Go)”, Waylon Jennings’ classic “Good Hearted Woman”, J.D. Crowe’s “Old Home Place”, het bij Gillian Welch geleende “The Way It Goes” en Townes Van Zandts “White Freightliner Blues” eraan geloven. En dan hadden we het nog niet over hét klapstuk hier, een echt wel geweldige countryrockuitvoering van de Green Day-hit “When I Come Around”.

Gewoon een heel lekker plaatje, dit! Niks nieuws onder de Americana-zon, maar dat hoeft ook niet altijd…

The Porter Draw Bandcamp

 

KAURNA CRONIN “Glass Fool” (Songs & Whispers)

(3,5****)

“Glass Fool” wordt aangekondigd als het eigenlijke langspeeldebuut van de Australische zingende songsmid Kaurna Cronin. Eerder verschenen van de beste man immers enkel wat EP’s en singles, pas later verzameld op het naar zichzelf vernoemde “Kaurna Cronin”. We hebben het dan over het an sich ook best al wel aardige drieluik “Pistol Eyes”, “Feathers” en “Goodbye To You”.

Hier en nu willen we evenwel vooral focussen op ’s mans nieuwe worp. Die blijkt bij nader inzicht immers hoogst interessant. Je hebt er heus geen twee luisterbeurten voor nodig om er de vele voordelen van in te gaan zien. Cronin weet op zeer aantrekkelijke wijze elementen uit genres als folk, Americana, pop en rock met elkaar te versmelten. Veelal uitsluitend akoestisch, regelmatig ook met een indie-randje gebracht. Kortom deze Cronin is het soort van singer-songwriter dat vroeg op laat ook hier ten lande op de planken zou moeten kunnen belanden. Echt wel ideaal Radio 1-voer, als je het ons vraagt!

Enkele voorbeelden, wou je? Wel, er is om te beginnen al de catchy eerste single “Inside Your Town Is Inside Your Head”. Nerveus zomert het in dat met leuk koperwerk opgewaardeerd “popdondertje” al een beetje. Zalig liedje gewoon! En van dat soort staan er op “Glass Fool” wel meer. Zo noemen we bijvoorbeeld graag ook nog het ergens tussen Paul Simon, Owl City en Vampire Weekend strandende “The Kind Of Woman I Need”, het met een leuk streepje mondharmonica en een intrigerende tekst gezegende “Everybody’s Still Somebody’s Fool”, het zich sympathiek “oe-hoe-end” vrijwel meteen een permanent stekje tussen ‘s mens trommelvliezen verwervende “Still I Fall” en het bedaard twangende “Gone Is The Ever Unknown”.

Redelijk verslavend werkend spul eigenlijk. Je wordt er in elk geval zo goed als ogenblikkelijk happy van…

(Releasedatum: 2 juni 2015.)

Kaurna Cronin

 

MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” (Yep Roc)

(4****)

“This Side Of Jordan”, het twee jaar geleden verschenen vorige album van het Amerikaanse duo Andrew Marlin en Emily Frantz, ook wel Mandolin Orange, bleek een echte voltreffer. De twee uit North Carolina wisten met die tweede cd zo ongeveer wereldwijd de aandacht op zich te vestigen. En dat terecht ook! Met hun aanstekelijke mengvorm van elementen uit genres als folk, country en bluegrass sloegen ze wat ons betreft immers spijkers met koppen. En een prominent stekje in het kielzog van onder anderen dat andere duo, Gillian Welch en David Rawlings, moest dan ook kunnen, vonden wij.

En dat vinden we nu nog steeds. En alleen nog maar meer eigenlijk. Want ook “Such Jubilee”, de nieuwe worp van het tweetal, is weer van een werkelijk ontwapenende schoonheid. Echt alles klopt eraan. Er zijn in de eerste plaats natuurlijk de weergaloze stemmen van Marlin en Frantz, die elkaar op zulke fraaie wijze aanvullen. En ook op hun instrumenten, respectievelijk akoestische gitaren, mandoline en fiddle, kunnen de twee naar ons gevoel amper iets verkeerd doen. Maar hét verkoopsargument nummer één blijven nach wie vor toch de fantastische liedjes van het duo. Vooral die niet zelden wat droefgeestig aandoende kleinoden zijn het, die het hem voor ons doen. Ze vertederen, maar zetten geregeld ook aan tot nadenken. En ook dat vinden wij alleen maar een pluspunt.

Neem nu zoiets als “Blue Ruin”. Hoe men daarin omspringt met de gevoelens opgeroepen door het in december 2012 door de 20-jarige Adam Lanza in de Sandy Hook Elementary School in Newtown, Connecticut aangerichte bloedbad spreekt tot de verbeelding. Een veel mooiere verklanking van de roep om een strengere wapenwetgeving in de States kunnen we ons eigenlijk amper voorstellen.

Andere absolute beauties hier: het voorzichtig de zomer al een weinig aankondigende bluegrasskleinood “Old Ties And Companions”, het onder meer door het prachtige harmonieerwerk erin opvallende “Little World” en de knappe ballads “Rounder” en “Of Which There Is No Like”.

In hun thuisland zal hier wellicht andermaal veelvuldig de uitdrukking “Highly recommended!” voor van stal worden gehaald. En daar kunnen ook wij ons best wel in vinden.

(Releasedatum: 5 mei 2015.)

Mandolin Orange

 

ANNIE LOU “Tried And True” (Annie Lou Music)

(4,5*****)

Duizenden albums passeerden hier de voorbije jaren recensiegewijs al de revue. En ik lieg echt niet, als ik zeg, dat ik “Big Dream” en “Trouble”, twee liedjescollecties van de Canadese Anne Louise Genest tot het selecte clubje van de allermooisten daarvan reken. Ik maakte eerder toevallig kennis met haar muziek, toen Ctrl. Alt. Country nog in z’n kinderschoenen stond. En meteen was ik compleet weg van haar songs. Maar na die twee albums werd het plots heel stil rond Genest. Zo leek het althans. Tot ik er enkele jaren later al bijna even toevallig achter kwam, dat ze gewoon niet langer onder haar volledige naam opnam en optrad, maar onder de nieuwe vlag Annie Lou.

En daaronder verscheen zopas al haar derde cd. Na het naar zichzelf vernoemde “Annie Lou” uit 2009 en “Grandma’s Rules For Drinking” van drie jaar later is het nu de beurt aan het door Andrew Collins geproduceerde “Tried And True”. Opnieuw een overheerlijke collectie akoestische rootsmuziekdelicatessen, grotendeels van eigen makelij. Tien van de dertien liedjes schreef Genest immers zelf. De overige drie zijn respectievelijk het door producer Collins aangedragen en op fraai banjowerk van Genest zelve geënte “My Good Captain”, het aan de songcatalogus van de legendarische Hazel Dickens ontleende “It’s Hard To Tell The Singer From The Song” en een lentefrisse lezing van de traditional “Weary Prodigal”.

En met Hazel Dickens viel meteen ook al de naam van één van de artiesten, waarmee Genest regelmatig vergeleken wordt. Met die Dickens maar bijvoorbeeld ook met Kate en Anna McGarrigle, de Be Good Tanyas, Gillian Welch, Iris DeMent en Emmylou Harris. En dat zijn vergelijkingen die niet enkel kunnen tellen, maar wat mij betreft ook absoluut terecht zijn.

Genest betovert hier met een weergaloos amalgaam van old-time mountain music, traditionele country, bluegrass en de Appalachen-variant daarop. Muziek, waarin eenvoud nog volop regeert. Zowel wat betreft de instrumentale invulling van haar liedjes, als wat betreft het tekstuele aspect ervan houdt de Canadese het doorgaans simpel. Daarbij ondersteund door een bescheiden legertje aan uitermate vakbekwame landgenoten op onder meer akoestische gitaar, banjo, mandoline, fiddle, pedal steel, staande bas en drums buigt ze zich songgewijs over levens geleefd op de buiten in haar land.

Ingetogen schoonheden van songs als het titelnummer, het walsje “Roses Blooming” en het zachtjes swingende “Haunted” worden daarbij afgewisseld met wat uitgelatener spul als het door de fiddle van Trent freeman aangejaagde “In The Country”, het zonnige bluegrassriedeltje “Sally At The Crossroads” en het al even sprankelende “Envy Won’t Leave Me Be”.

Wat mij betreft opnieuw ontegensprekelijk een aanrader van formaat, deze nieuwe collectie van Genest. Het soort van plaat waarvan je eigenlijk nu al weet, dat je ze altijd zal blijven koesteren als iets heel dierbaars.

Annie Lou

 

GREAT LAKE SWIMMERS “A Forest Of Arms” (Nettwerk / V2)

(4****)

“A Forest Of Arms” is ondertussen al album nummer zes voor Tony Dekker en de zijnen. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik het één van hun beste vind ook. Een heerlijk gevarieerd geheel alleszins. En een plaat die voorganger “New Wild Everywhere” eigenlijk zowat ogenblikkelijk doet vergeten.

Gelijk van bij het over een exotisch ritme gedrapeerde en met leuk kopergeschetter opgewaardeerde “Something Like A Storm” hadden Dekker en co me aandachtig bij de les. En daar zouden ze me vervolgens net geen eenenveertig minuten lang ook houden. Van het überhaupt wat ijl aandoende rootspopjuweeltje “Zero In The City” tot het ook al extreem catchy “Shaking All Over”, van het moody “Don’t Leave Me Hanging” over het soulvol rockende “One More Charge At The Red Cape”, het op zomers lijzige wijze aan een mens voorbij trekkende “I Was A Wayward Pastel Bay” en het mede door een banjobijdrage eraan wat meer folk(pop)georiënteerde “A Bird Flew Inside The House” tot het afsluitende “Expecting You”, van verveling was hier echt hoegenaamd geen moment sprake. Wel integendeel!

En “A Forest Of Arms” horen komt wat mij betreft dan ook bijna zeker overeen met “A Forest Of Arms” ook kopen! Probeer het maar eens, je zal wel zien…

Great Lake Swimmers

 

ELIZA CARTHY & TIM ERIKSEN “Bottle” (Navigator Records / Proper Music)

(3,5****)

“Bottle” is de titel van de hoogst intrigerende eerste samenwerking tussen Eliza Carthy en Tim Eriksen. Geen van beiden echt onbekenden meer hier natuurlijk. Zij goed voor een lekker potje hardcore Anglicana op z’n tijd, hij van zijn kant voor de Amerikaanse tegenhanger daarvan. En een heuse clash of cultures kondigde zich vooraf dan ook aan. Maar achteraf bekeken valt het allemaal nogal mee. Als er al één ding is dat “Bottle” ten volle aantoont, dan is het wel, dat de Britse en Amerikaanse folktradities elkaar zeer goed aanvullen kunnen.

Het album bruist als het ware van de passie en de energie. En long time friends Carthy en Eriksen vullen elkaar stemgewijs op zonderling mooie wijze aan. Net als de hier volop aanwezige elektrische gitaargeluiden en de aan meer traditionele instrumenten ontlokte klanken eigenlijk. Eriksens donkerbruine grom en Carthy’s vertrouwde engelenzang, ze lijken bij nader inzicht wel voor elkaar geboren.

Je gelooft ons niet? Luister dan bijvoorbeeld maar eens naar het door het duo in een soort van hanengevecht tussen elektrische gitaar en fiddle gedropte “Buffalo”, het mede door subliem snarenwerk ongemeen sfeervol uitpakkende “Logan’s Lament”, het wat traditioneler uitgewerkte “Castle By The Sea”, het volledig a capella gebrachte “May Song” en andere. Dertien songs lang zal je er echt niet omheen kunnen, dat de stemmen van onze twee protagonisten, hoe eigenaardig dat aanvankelijk misschien ook moge lijken, wel degelijk heel erg complementair zijn.

Een duootje van Britse folk en Americana, overgoten met een pittig punky sausje, het bleek een gerecht dat ons best wel wat sterren waard was.

(Releasedatum: 18 mei 2015.)

Eliza Carthy, Tim Eriksen, Navigator Records

 

DANNY SCHMIDT “Owls” (Live Once Records)

(4****)

Een nieuwe plaat van Danny Schmidt is wat ons betreft altijd weer iets om naar uit te kijken. Dat was al zo bij elk van z’n zes voorgaande albums en dat is zeker ook weer het geval voor “Owls”, ’s mans eerdaags te verschijnen nieuwe worp. Naar onze bescheiden mening zonder meer één van z’n meest intrigerende so far.

Voor “Owls” ging de Texaanse songsmid in zee met de gerenommeerde David Goodrich. Onder de productionele auspiciën van die onder meer om z’n werk met Jeffrey Foucault, Peter Mulvey en Chris Smither geroemde veelkunner blikte hij z’n zevende in de Fire Station Studios in San Marcos live off the floor in. Mee van de partij waren daarbij verder ook Mike Meadows (drums en percussie), Andrew Pressman (bas), Lloyd Maines (steelgitaar), Keith Gary (piano) en wederhelft Carrie Elkin, Daniel Thomas Phipps en Ali Holder (harmony vocals). Zelf betokkelde Schmidt ook een gitaar en ook Goodrich deed hetzelfde als hij toevallig even niet achter de knoppen of de piano zat.

Het resultaat is een heerlijk organisch aandoend geheel, dat meteen opvalt door z’n wat moody aandoend karakter. Een geheel dat niet enkel liefhebbers van het materiaal van grootmeesters als een Leonard Cohen, een Bob Dylan, een Townes Van Zandt en een Dave Carter zou moeten kunnen aanspreken, maar ook die van “jonge helden” als een Josh Ritter en een Damien Rice. En met name dan de eerste van dat tweetal.

In veel van de liedjes op “Owls” draait het rond eigenheid. En rond transformatie ook wel. En dat vanuit een soort van alwetend of op z’n minst alziend perspectief. Dat van de uil op de achterzijde van het mooie digipack, waarin “Owls” aan de man wordt gebracht als het ware, die vanaf z’n eigen tak de wereld wijs overschouwt. Muzikale schattenjagers gezegend met het nodige geduld zullen er andermaal een flinke kluif aan hebben. Al zullen ze er wel hun tijd voor moeten nemen. Schmidts teksten hebben immers vaak iets bepaald esoterisch over zich. Ze geven lang niet al hun geheimen zomaar zonder slag of stoot prijs. En dan blijkt het wel handig, als je ze ook even mee kan lezen. Zelfs al moet je daarvoor dan wel kort ’s mans webstek bezoeken, want een booklet wordt wellicht om economische redenen niet met de cd meegeleverd.

(Releasedatum: 18 mei 2015.)

Danny Schmidt

 

THE BOXMASTERS “Somewhere Down The Road” (101 Ranch Records)

(4,5*****)

Hier heb ik echt maar één woord voor: zalig! Een veel sterker staaltje van pretentieloos vermaak verwacht ik dit jaar echt niet meer tegen te komen.

Gelijk van bij de eerste tonen van openingsnummer “Sometimes There’s A Reason” was ik al verkocht. Wat rinkelen die gitaren weer lekker! En die stemmen ook! Wow! Het gruis van die van Billy Bob en daar dan die van de rest al harmoniërend overheen… Ik zei het al: zalig! En het goede nieuws is, dat Thornton en z’n maatjes Teddy Andreadis, J.D. Andrew en Brad Davis dat fantastische niveau hier en nu liefst twee cd’s lang weten vol te houden.

En dat in tegenstelling tot eerder nu ook uitsluitend met eigen nummers. Waren het op voorgangers “The Boxmasters” en “Modbilly” nog vooral hun even eigenzinnige als aanstekelijke covers van het materiaal van anderen die de aandacht trokken, dan trekken Bud Thornton en de zijnen hier op compositorisch vlak werkelijk alle registers open. Met tweeëntwintig knappe originele lappen “modbilly” tot gevolg. Rootsy pop en rock, rijk aan twang, duidelijk met een zekere hang naar het verleden. Klinkend als een Buck Owens of een Dwight Yoakam jammend met de Beatles en de Byrds.

Echt een dikke, dikke aanrader!

The Boxmasters

 

PHARIS & JASON ROMERO “A Wanderer I’ll Stay” (Borealis Records)

(5*****)

Wie het lange wachten op nieuw werk van Gillian Welch en David Rawlings maar niks vindt, zou zich bij wijze van verstrooiing het nieuwe album van de vanuit Horsefly, BC actieve tandem Pharis en Jason Romero eens moeten aanschaffen. Dat inmiddels al derde album van het duo biedt wat ons betreft immers een zo goed als zekere garantie op luisterplezier van de allerhoogste orde.

Net als op het in 2011 verschenen “A Passing Glimpse” en het van twee jaar later stammende “Long Gone Out West Blues” charmeren de twee daarop met een aan lang vervlogen tijden refererend geluid. Vroege country, old-time, blues en bluegrass zijn hun ding, zoveel is duidelijk. Maar net als Welch en Rawlings weten ook de Romero’s dat gegeven op onnavolgbare wijze naar het hier en nu te vertalen.

En als hun voornaamste troeven daarbij zouden we hier graag hun werkelijk vlekkeloze samenzang, hun ronduit geweldige liedjes en hun daar amper voor onderdoende snarenbijdragen willen naar voren schuiven. In een met David Travers-Smith gedeelde productie en met her en der een handje hulp van Josh Rabie (fiddle), John Hurd (bas), Marc Jenkins (pedal steel) en Brent Morton (drums) duwen de Romero’s hier twaalf nummers lang de deur naar de rootshemel op een kier.

Acht daarvan zijn eigen composities. We noemen in dat verband onder meer het op bedaarde wijze een rusteloos hart aan het woord latende titelnummer, het aan uitermate lentefris banjogetokkel opgehangen “Ballad Of Bill”, het werkelijk magistrale, door Pharis richting de sterren gecroonde “There’s No Companion”, het old-timey, z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “New Lonesome Blues” en het nagenoeg perfect daarbij aansluitende “Lonesome & I’m Going Back Home”.

Vreemde eenden in de bijt zijn de Charley Willis-compositie “Goodbye Old Paint”, het bij Billy Mayhew geleende en door Marc Jenkins op erg fraaie wijze op de pedal steel onderbouwde “It’s A Sin To Tell A Lie”, de zacht swingende Luke Jordan-cover “Cocaine Blues” en het afsluitende “The Dying Soldier” van Buell Kazee.

Hoe dan ook van het allermooiste dat 2015 tot op heden al te bieden had!

Pharis & Jason Romero, Borealis Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Folk Awards 2015” (Proper Music Distribution)

(4****)

‘t Is weer die tijd van het jaar! Vanavond (22 april) vindt in het Wales Millennium Centre in Cardiff voor de zestiende opeenvolgende keer de uitreiking van de prestigieuze BBC Radio 2 Folk Awards plaats. En naar goede gewoonte gaat die jaarlijkse hoogmis van het Britse folkgebeuren ook nu weer gepaard met een fraaie het gebeuren zo ongeveer perfect illustrerende compilatie.

Verspreid over twee schijfjes worden ons ruim zevenentwintig liedjes aangeboden. Het betreft daarbij voornamelijk sleutelnummers van de recente releases van flink wat voor een award genomineerden. Met voorop nogal wat eerder traditioneel opgevat spul van onder anderen mooie Cara Dillon (“Moorlough Mary” van haar knappe laatste cd “A Thousand Hearts”), Martin & Eliza Carthy, Greg Russell & Ciaran Algar, Cruinn (het etherische, werkelijk bloedmooie “Manus Mo Rùin”), The Furrow Collective en Stick In The Wheel. En vanzelfsprekend natuurlijk ook flink wat fraai verhalend liedgoed. In die context noemen we hier graag de bijdragen van nachtegaaltje Nancy Kerr, Peggy Seeger, Julie Fowlis, Naomi Bedford, Jez Lowe en The Young’uns.

Wie houdt van instrumentaal werk komt allicht volop aan z’n trekken bij de contributies van harmonicavirtuoos Will Pound en z’n band, Kathryn Tickell & The Side en de tandem Sam Sweeney & Rob Harbron. Hipsters zullen dan weer vooral opgetogen zijn om ook het duo Josienne Clark & Ben Walker, de Martin Green-Becky Unthank-samenwerking “I Saw The Dead”, de Welshe sensatie 9Bach en good old Loudon Wainwright III op de compilatie aan te treffen.

En ook de toekomst krijgt z’n stekje op het geheel. De vier laatste tracks van cd twee blijken immers gereserveerd voor genomineerden voor de 2015 BBC Radio 2 Young Folk Award. Het betreft daarbij uitsluitend artiesten tussen de zestien en de eenentwintig jaar oud, live vereeuwigd tijdens de jongste editie van het Young Folk Award Weekend. Schots erfgoed komt daarbij aan bod middels het opgewekte “Charlie/Waterfall” van Talisk, werkelijk heerlijk harmonieerwerk bij het naar eigen zeggen door acts als Fleet Foxes, The Staves en James Taylor beïnvloede trio Wildwood Kin en een fijne neus voor een al even fijn liedje bij supertalent Roseanne Reid. Liefhebbers van Americana zullen ten slotte wellicht vallen als een blok voor het met piekfijn banjowerk opgewaardeerde “Pretty Fair Maid In Her Garden” van het uit Reuben en Tabitha Agnew bestaande duo Cup O’Joe.

Folk leeft daar aan de andere kant van het Kanaal, zoveel blijkt hier andermaal weer eens duidelijk!

BBC Radio 2 Folk Awards 2015, Proper Music Distribution

 

KIMMIE RHODES “Cowgirl Boudoir” (Sunbird Records)

(3,5****)

In een poging om zelf met een omschrijving van het door haar op haar nieuwe album “Cowgirl Boudoir” gebodene op de proppen te komen sprak Kimmie Rhodes onlangs over “a retro-cowgirl-hippie-chick musical experiment”, over het schrijven en zingen van songs die traditionele countrygeluiden koppelen aan invloeden reikend van de jaren zestig tot ergens in de jaren tachtig.

Een opzet waarvoor ze uiteraard ook weer kon rekenen op de nodige hulp van Gabe. Die schreef aan flink wat van de liedjes mee, tekende voor de productie en bespeelde en passant ook nog tal van instrumenten, waaronder gitaren, elektrische sitar, mandoline, ukelele en keyboards. Een andere belangrijke betrokkene was Johnny Goudie. Ook hij schreef mee aan enkele songs. Eentje droeg hij zelfs zelf aan en zong het ook samen met Rhodes in. Openingsnummer “I Am Falling” meer bepaald. Daarnaast horen we hem ook terug in “Having You Around”. En dat niet enkel met een gezongen bijdrage, maar ook met wat kunstjes op piano en akoestische gitaar.

Anderen die Rhodes hielpen bij het realiseren van “Cowgirl Boudoir” waren onder meer Glen Fukunaga (bas), Dony Wynn (drums en percussie), Tommy Spurlock (steelgitaar en dobro), Stephano Intelisano (keyboards) en Jolie Goodnight (backing vocals). Met z’n allen zorgden zij voor een van zo goed als elke vorm van opwinding verstoken gebleven muzikale achtergrond, waartegen Rhodes naar goede gewoonte uitgebreid vocaal schitteren kan. Iets waaraan zelfs het gegeven dat haar stem met de jaren alsmaar kwetsbaarder geworden is amper iets veranderen kan. Wars van alle trends en modes doet de Texaanse hier voortdurend volslagen ongedwongen haar eigen ding. En ze maakt zo het soort van plaat die je eigenlijk alleen maar maken kan met voldoende levenskilometers op je teller.

Nogal wat ballades trekken op “Cowgirl Boudoir” aan je voorbij. Maar ook in midtempo kan er het één en ander. Soms al wat meer popgetint, zoals in het eveneens met Johnny Goudie vertolkte “Having You Around Me”, maar doorgaans toch vooral country of op z’n minst country-esk. Zachtjes twangend, swingend of walsend. Gefluisterd soms bijna.

Een heel mooi geheel!

Kimmie Rhodes        

 

TROUT STEAK REVIVAL “Brighter Every Day” (Trout Steak Revival)       

(4****)

Trout Steak Revival is een vijf man sterk eigentijds bluegrasscollectiefje actief vanuit Denver, Colorado. Het kwintet bestaande uit Steve Foltz (mandoline, gitaar en zang), Casey Houlihan (bas en zang), Travis McNamara (banjo, piano en zang), Bevin Foley (fiddle en zang) en Will Koster (gitaar, dobro en zang) is met het door Chris Pandolfi van The Infamous Stringdusters geproduceerde “Brighter Every Day” inmiddels al aan z’n derde cd toe. Eerder verschenen immers ook reeds hun titelloze debuutplaat (2010) en de opvolger daarvan, “Flight” (2012).

Na die tweede plaat ging het met de carrière van de groep alleen maar steil bergop. Met als voorlopige hoogtepunt ontegensprekelijk het winnen van de 2014 Telluride Bluegrass Festival Band Competition. Da’s immers een serieuze adelbrief, die men je nooit meer kan afnemen. Een adelbrief, waardoor zo menig een eerder gesloten gebleven deur plots wel voor je blijkt open te gaan. Onder meer ook die van Ctrl. Alt. Country…

En de vraag is maar, wie daar nu eigenlijk het gelukkigst om moet zijn, die van Trout Steak Revival dan wel wijzelf. Want – Om een lang verhaal meteen maar een flink stuk korter te maken! – “Brighter Every Day” is een ronduit heerlijk te noemen album. Werkelijk alles klopt eraan. Het songmateriaal is van een werkelijk uitzonderlijk hoog niveau, de zang, zowel de solopartijen als het harmonieerwerk, al evenzeer en dan hadden we het nog niet eens over het instrumentale aspect van het geheel. De vijf blijken stuk voor stuk echte kanjers op hun instrumenten, maar cijferen zich waar nodig graag even weg voor het te bereiken resultaat. En dat is wat ons betreft alleen maar lovenswaardig.

En wij zouden je dan ook durven aan te raden, om er vooral niet te lang mee te wachten om je net als ons te laten betoveren door dingen als het zomerse, door de banjo van McNamara op sleeptouw genomen “Union Pacific”, het al even sprankelende duo “Get A Fire Going” en “Oklahoma”, stralend titelnummer “Brighter Every Day”, de instrumental “Sierra Nevada” en andere. Je zal ons nog heel dankbaar gaan zijn voor die goede raad, geloof ons daarin vrij…

Trout Steak Revival, CD Baby

 

THE RUBBER KNIFE GANG “Broken Lines” (The Rubber Knife Gang)

(3,5****)

Het vanuit Cincinnati, Ohio al flink wat jaren aan de weg timmerende trio The Rubber Knife Gang is één van de vele acts die dit jaar tijdens het derde weekend van juni acte de présence zullen geven op het Muddy Roots Europe Festival in Oostkamp. En in afwachting van hun gig aldaar presenteren de drie ons nu bij wijze van voorsmaakje alvast hun nieuwe cd. Hun derde al, na het al in 2008 verschenen “A Rubber Knife Life” en het van zo’n jaar of vijf geleden daterende “Drivin’ On”.

En dat “Broken Lines” blijkt een prima plaat ergens in de schemerzone tussen (alt.-)country, folk, bluegrass, pop en rock. Een plaat, die we – aldus de heren zelf vooraf – graag mochten aanbevelen aan liefhebbers van het materiaal van acts als Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers, de Punch Brothers, Trampled By The Turtles en Greensky Bluegrass. En daar valt nu, ondertussen toch alweer enkele luisterbeurten verder, best wel wat voor te zeggen ook. Net als genoemde acts springen immers ook Hank (Henry Becker – gitaar, banjo, bas en zang), Willy (Todd Wilson – mandoline, gitaar, ukelele en zang) en John (John Oaks – staande bas, gitaar en zang) bijzonder creatief met hun invloeden om. En net als hen lijken ze op de één of andere manier wel voorbestemd om vroeg of laat een wat groter publiek aan te gaan spreken. Iets wat wellicht in grote mate valt toe te schrijven aan hun alternatieve benaderingswijze van hun veelal traditionele invloeden.

In een productie van Robert Fugate dist het drietal hier een bijzonder smakelijk twaalfgangenmenu op. Een menu uitsluitend bestaande uit eigen nummers. Songs geënt op zich meteen knus tussen je oren nestelende melodieën. En bovendien blijken ook de teksten ervan meer dan alleen maar de moeite waard. En dat is uiteraard ook aardig meegenomen. Maar wat ons op de keper beschouwd het meest aansprak in het gros van de nummers van The Rubber Knife Gang, da’s toch de manier waarop ze bijna voortdurend balanceren op het slappe koord tussen de hoger al genoemde genres. Heerlijk gewoon!

“Broken Lines” bevat mede daardoor eigenlijk zo’n beetje voor elk wat wils. Het ene moment wordt er resoluut gemikt op dansgrage benen, het andere zet men je aan tot enkele tellen luidkeels meelallen of integendeel juist in alle stilte een eindje wegmijmeren. Enkele van onze lievelingsgangen: de door een hypernerveuze banjo op gang getrokken eerste single “Bringing The Rain”, het fris als een lentebriesje aan een mens voorbij trekkende “Siren Serenade”, het zich vervolgens als een zeer knappe rootspopdeun tout court aandienende “Draw The Line”, het ingetogen titelnummer en vooral ook “House On Fire”, waarin banjogewijs quasi en passant ook wat oriëntaalse muzikale elementen naar binnen worden gesmokkeld.

The Rubber Knife Gang

 

KEVIN DEAL “Nothing Left To Prove” (Kevin Deal)

(4****)

“Nothing Left To Prove” heet de nieuwe van Kevin Deal en zo is het wat ons betreft ook maar net. Tien albums diep in z’n carrière heeft de Texaanse songsmid hier inderdaad al lang niets meer te bewijzen. Platen als “Honky Tonks-N-Churches”, “Kiss On The Breeze”, “The Lawless”, “Roll” en “There Goes The Neighborhood”, om er maar enkele te noemen, zijn ten huize Ctrl. Alt. Country stuk voor stuk graag geziene gasten. En datzelfde lot lijkt in de nabije toekomst ook weggelegd voor ’s mans recentste worp.

Met z’n aangenaam gruizige stem en z’n vaardige pen uiteraard ook ditmaal weer als z’n voornaamste bondgenoten neemt Deal ons hier mee op een trip langsheen twaalf nieuwe songkostelijkheden. Ingetogen verhalend countryspul van het genre van het titelnummer, “On The Outside Looking In”, “Why Bad Things” en “Stand And Deliver”, maar evengoed wat uitgelatener materiaal. De countryrocker “Let Them Horses Run”, het hoogst aanstekelijke, en passant met flink wat Keltisch folkgevoel opgezadelde “The Irish Bands Are In America” en de catchy Tex-Mex-spielerei “Mucho Trabajo Y Poco Dinero” zijn daarvan uitstekende voorbeelden.

Zo klinkt voor ons de Lone Star State dus op z’n best!

Kevin Deal, CD Baby

 

ROCKY VOTOLATO “Hospital Handshakes” (Glitterhouse Records)

(4****)

“Hospital Handshakes”, Rocky Votolato’s eerste nieuwe plaat in drie jaar tijd, is er niet zomaar één. Z’n achtste markeert immers ’s mans glorieuze comeback na de wellicht donkerste periode uit z’n bestaan. Kort na het verschijnen van voorganger “Television Of Saints” was het fout met hem beginnen gaan. Z’n tot dan toe schier onuitputtelijk lijkende liedjesbron kwam plots volkomen droog te staan. Een extreem geval van writer’s block, zeg maar, van creatieve droogte. Zo erg, dat het zelfs pijn ging doen om überhaupt nog met muziek bezig te zijn. En een flinke depressie was dan ook het gevolg. Een depressie, die er onze man zelfs toe aanzette om de muziek volledig de rug toe te keren. Voorlopig tenminste, zoals in de zomer van 2014 blijken zou.

Votolato had tussentijds hulp gezocht en was langzaam weer uit het dal waarin hij zich bevond gekropen. De liedjes kwamen plots ook weer. En met hen laaide ook ’s mans passie voor muziek weer helemaal op. In nauwelijks drie maanden tijd schreef Votolato ruimschoots voldoende materiaal voor twee albums. Daarmee toog hij vervolgens richting The Hall of Justice in z’n thuishaven Seattle. Richting dezelfde studio dus, waar hij in 2003 met “Suicide Medicine” al één van z’n succesvolste platen had ingeblikt. En net als toen trok hij ook ditmaal weer de je wellicht ook van Death Cab For Cutie bekende Chris Walla als producer aan.

En die Walla kreeg een Votolato in topvorm te zien. Heel erg gefocust, gewapend met een collectie ijzersterke songs, waarin het verwerken van zijn eigen recente verleden het centrale thema bleek. Het verwerken van een trauma, het overwinnen van een depressie, het vinden van een echte zin in het leven, het zijn slechts enkele van de vele, behoorlijk zware aangekaarte thema’s op “Hospital Handshakes”, dat ondanks alles uiteindelijk toch een positieve indruk achterlaat. Votolato blijkt immers goed geplaatst om te beseffen, dat ergens aan de horizon uiteindelijk altijd wel een verlossend lichtje brandt. Je moet het alleen willen zien ook…

Bij het inblikken van “Hospital Handshakes” kreeg Votolato de nodige studiohulp van een behoorlijk indrukwekkende schare aan lokale muzikanten. Zijn je van The Blood Brothers bekende broer Cody sprong bij op elektrische gitaar en een enkele keer ook bas, Eric Corson van The Long Winters hanteerde diezelfde bas overal elders, Andy Lum van Craft Spells drumde, producer Walla leverde tal van toetsenbijdragen en zorgde voor wat soundscapes, Casey Foubert van Pedro The Lion kwam langs voor enkele interventies op tamboerijn, kick drum en elektrische gitaar en de ons voorheen volslagen onbekende Alexandra Niedzialkowski zorgde her en der voor wat backing vocals.

Het resultaat van dat alles is een lekker gevarieerd muzikaal geheel dat wat ons betreft zo langs het allerbeste van Votolato mag. Met quasi voortdurend als stralend middelpunt van de belangstelling zoals ook in het verleden altijd al ’s mans warme, van de passie overlopende stem. Werkelijk excellent in als eerder ingetogen te bestempelen stukken als openingsnummer “Boxcutter”, titeltrack “Hospital Handshakes” en het atmosferische “Sawdust & Shavings”, maar evengoed een te duchten wapen in wat meer op het element rock focussende tracks als “The Hereafter”, het hyperkinetische “White-Knuckles” en “Rumi”.

Een kingsize dosis indie folk rock van de bovenste plank is het logische gevolg. Materiaal dat je zonder ook maar de minste bedenking durft aan te bevelen aan fans van schoon volk als een Paul Westerberg – En bij uitbreiding natuurlijk ook The Replacements! – en een Ryan Adams. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Rocky Votolato, Glitterhouse Records

 

RANI ARBO & DAISY MAYHEM “Violets Are Blue” (Signature Sounds)

(4****)

Album nummer vijf toch ook alweer voor Rani Arbo en haar maats. En wat voor één! De vanuit New England actieve schone en haar string band vieren dit jaar hun vijftienjarig artiestenbestaan samen en dat zullen we geweten hebben ook. Dat ze tot de origineelsten in hun genre behoorden, dat wisten we natuurlijk al wel langer, maar hier doen ze er voor de gelegenheid toch nog een flinke schep bovenop!

Gelijk van bij openingsnummer “Heart Of The World” voel je als luisteraar al, dat Arbo ditmaal weer net dat ietsje meer haar best gedaan heeft. Echt een heerlijk liedje is dat! Het fundament ervoor vormt een zowel door de vermaarde Bo Diddley beat als door West-Afrikaanse muziekvormen beïnvloede drum groove. Aangevuld met uitermate subtiele bijdragen op gitaar en lap steel hét ideale muzikale decorum voor Arbo’s ontboezemingen over een liefde. De liefde, die in heel wat van haar verschijningsvormen überhaupt zowat de rode draad doorheen “Violets Are Blue” vormt. Wat aan bassist Andrew Kinsey met betrekking tot het gebrachte liedgoed alvast de ad rem-bedenking ontlokte, dat we hier te maken hebben met “suikervrije liefdesliedjes”. Zoet dus, maar niet té, he…

En met aan hoogtepunten wat ons betreft alvast allerminst een gebrek. Van het lentefrisse, met twangend gitaarwerk van Anand Nayak en een fijne mandolinebijdrage van Joe Walsh opgewaardeerde “Down By The Water” en het lijzige rootspopniemendalletje “Keep It In Mind” tot het ook al met een flinke knipoog richting pop aan de man gebrachte “Walk Around The Wheel”, het onder meer door Andrew Kinsey’s banjogepingel heel erg old-timey aandoende “You Should See Me Now” en het swingende, door prominente gast Dirk Powell accordeongewijs van een cajuntoets voorziene “Swing Me Down”, van de met een soort van rootsy soulgevoel besprenkelde versie van May Erlewine’s “I Love This City” en het daar perfect bij aansluitende desolate folky luisterliedje “Piece Of Land” tot het sexy “Over And Over”, het enigszins bedaard, maar o zo lekker swingende “I’m Satisfied With You”, het andermaal wat pop met z’n country vermengende “If I’m One” en het afsluitende “Sweet And The Bitter”, we vonden het eigenlijk gewoon allemaal even goed.

Warm aanbevolen derhalve dan ook, deze vijfde op het actief van Arbo en de haren.

Rani Arbo & Daisy Mayhem, Signature Sounds

 

THE WESTIES “West Side Stories” (Pauper Sky Records)

(5*****)

Succesauteur Stephen King noemde z’n landgenoot Michael McDermott ooit “één van de beste songschrijvers ter wereld en misschien zelfs wel het grootste onontdekt gebleven rock & roll-talent van de voorbije twintig jaar”. Welnu, ik moet zeggen, ik ben geneigd om de beste man daarin tot op zekere hoogte te volgen. Als ik het goed heb, dan is McDermott met het met The Westies gepresenteerde “West Side Stories” inmiddels al aan zijn tiende worp toe. En zo ongeveer alle schijfjes die daarvan bij me op de plank belandden zijn werkelijk uitstekend. Met name naar “Last Chance Lounge” uit 2000 en “Ashes” uit 2004 grijp ik regelmatig graag nog eens terug. En dat nieuwe “West Side Stories” mag je wat mij betreft gelijk al aan dat lijstje toevoegen. Dat is immers ontegensprekelijk ’s mans allerbeste plaat tout court. Nu al een klassieker! Van het allerbeste wat het tot nu toe nochtans bepaald niet bloedarme 2015 al voor ons in petto had!

In de schemerzone tussen Americana, folk en pop slaan McDermott en de zijnen hier tien songs lang spijkers met koppen. Op werkelijk ongemeen sfeervolle wijze klauwen ze daarin naar een van langsom lelijkere wereld. Verlies, verraad, het schier eindeloze gevecht tegen de spreekwoordelijke bierkaai, het zijn slechts enkele voorbeelden van daarbij terloops de revue passerende thema’s. Echt vrolijk word je er op de keper beschouwd dus niet echt van, maar dat hoeft natuurlijk ook niet…

Minstens even belangrijk als McDermotts poëtische beslommeringen is de verpakking waarin ze ons worden aangereikt. Dat de man een geweldige stem had, dat wisten we natuurlijk al wel een poosje, maar stralen zoals hier deed ze naar onze bescheiden mening eigenlijk nog nooit! En dat is allicht in niet geringe mate mee de verdienste van z’n hem vocaal buitengewoon fraai ondersteunende wederhelft Heather Horton (ook fiddle) en z’n begeleiders, The Westies. Lex Price (bas en elektrische gitaar in het nummer “Devil”), Joe Pisapia (elektrische gitaar), Ian Fitchuk (drums en piano), John Deaderick (piano), Fred Eltringham (drums in “Devil”) en Daniel Tashian (elektrische gitaar in “Devil”) zorgen immers voor een muzikaal decorum zoals McDermott zich dat allicht altijd al wel gedroomd had. Ongemeen sfeervol, bij momenten op het etherische af, alleszins beklijvender dan ooit.

Je gaat hierbij onwillekeurig denken aan groten der aarde als een Bruce Springsteen en een Elliott Murphy. En dat zou ik nu niet bepaald slecht nieuws durven te noemen. Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan wordt McDermott dankzij deze plaat binnen afzienbare tijd een rijke mens. Het weze hem bij dezen van hieruit alvast van ganser harte gegund!

The Westies

 

ALICE DIMICELE “Swim” (Alice Otter Music)

(4****)

“Swim”, het ondertussen toch ook al dertiende album in eigen beheer van Alice DiMicele, zou je gemakshalve kunnen omschrijven als een soort van roots-totaalpakketje. Maar zelfs die an sich best al wel ruime vlag dekt de gehele lading dan nog niet. DiMicele gaat immers nog breder. In haar veelal met de termen groove folk en acoustic soul aangeduide muziek gaat de Amerikaanse hoegenaamd geen bron uit de weg. Folk, jazz, funk, Americana, rock, soul,… Je zegt het maar!

En dan helpt het natuurlijk wel een flink eind vooruit, als je over een stem zo machtig als die van DiMicele beschikt. Je weet wel, het soort van pipes, waarvoor geen rivier te diep, geen berg te hoog is… Huiveringwekkend goed gewoon! Eén enkele beluistering van “Swim” zal allicht wel volstaan om ons ogenblikkelijk in die stelling bij te treden.

Van het gospeleske “Soul Fly Free” en de ons een weinig aan Joni Mitchell in haar nadagen herinnerende jazzy herwerking van “If I Could Move The World” van eerder album “Naked” tot de zacht rockende Americana van “Open Road”, de aanstekelijke milieubewuste roots pop van “Old Life Back”, het uitermate fragiel gebrachte “Inside” en de met wat Tex-Mex-getoeter gekruide alternatieve country van “When Jane Rides Scout”, stuk voor stuk zijn het ijzersterke liedjes. Net als de resterende vier trouwens. Ook het van de ingehouden spanning levende groove folk-deuntje “Schoolhouse”, funky titelnummer “Swim”, de ballad “This Love” en DiMicele’s Grateful Dead-cover “Ripple” konden meteen op onze ongebreidelde sympathie rekenen.

Onder meer Bill Payne van Little Feat, Vince Herman van Leftover Salmon, Bonnie Paine en Daniel Rodriguez van Elephant Revival, toetsenist Skip Edwards, vioolvirtuoos Darrel Anger, snarenwonder Jeff Pevar en trompettist Mikey Stevens werkten aan het tot stand komen van “Swim” mee. Voor de uitermate geslaagde productie ervan tekende DiMicele zelf.

(Releasedatum: 4 mei 2015.)

Alice DiMicele

 

THE BOOM BAND “The Boom Band” (Boom Recordings / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Coincidence is God’s way of being anonymous,” liet de Amerikaanse schrijfster Laura Pedersen zich ooit ontvallen en als ze met die uitspraak ook al is het maar een heel klein beetje gelijk heeft, dan lacht er momenteel ergens ver daarboven eentje al z’n tanden wagenwijd bloot. Een puur toeval was het immers, waaraan we de Britse blues-supergroep The Boom Band te verdanken hebben. De je onder meer van z’n bijdragen aan de Snowy White Blues Project en aan The Motives bekende gitarist Matt Taylor en z’n drummende collega Steve Rushton (Imelda May, Jeff Beck) doodden na een festival in Zwitserland samen wat tijd en spraken daar en toen af om eenmaal terug in hun thuisland samen een gelegenheidsgroep op te starten. Iets wat ze gelukkig voor ons niet vergaten! Want aangevuld met Jon Amor van The Hoax (gitaar en zang), jong talent Marcus Bonfanti (gitaar en zang), Mark Butcher (gitaar en zang), Paddy Milner (keyboards en zang) en Scott Wiber (bas) kwam er wel iets heel speciaals uit de bus! Een band, die überhaupt maar weinig gemeen heeft met andere bands…

Werkelijk iedereen eet hier bijna voortdurend z’n patatje mee! Zonder uitzondering alle betrokkenen dragen songs aan. Zowel Matt Taylor, Marcus Bonfanti, Marcus Butcher, Jon Amor, als Paddy Milner zingen lead. De eerste vier, die doen het bovendien ook nog eens alle vier prominent op gitaar. Klinkt zo op het eerste gehoor als nogal wat volk op een kluitje, niet? En dus was onze grootste vrees vooraf dan ook, dat we op den duur door de bomen – Lees: het oeverloze gesoleer! – het bos niet meer zouden gaan zien. Maar dat valt achteraf gezien echt reuze mee.

Op het titelloze debuut van The Boom Band regeert doorgaans immers het liedje. Niet wat alle bij het project betrokkenen in hun eentje kunnen is hier belangrijk, maar wel tot wat ze samen in staat zijn. En dat blijkt nogal wat. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het lome, het laatste woord van z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Favour Bank Shuffle”, het behoorlijk dirty uit de hoek komende bluesje “Diamonds In The Rust”, het over hoegenaamd z’n gehele lengte in de soul badende “Under The Skin”, de zalige bedaarde rootsy Bonfanti-Gilbert-compositie “When You Come Home”, de glorieuze Southern rocker “We Can Work Together” en de prachtige, door Jon Amor gezongen Ray LaMontagne-cover “You Can Bring Me Flowers”.

En met dat laatste liedje belandden we gelijk ook bij de aan de “Deluxe Edition” van het album toegevoegde bonus tracks. Vier in totaal. Allemaal akoestisch gebracht. Met als werktitel “The Boom Guitars”. Het betreft daarbij covers van de door het treintje Amor-Bonfanti-Butcher-Taylor van een nieuw arrangement voorziene traditional “Nobody’s Fault But Mine”, de hoger al vermelde LaMontagne-compositie en Steve Winwoods “Can’t Find My Way Home” en een werkelijk bloedmooie herwerking van het openingsnummer van de plaat, “We Can Work Together”.

Gaan we, als het God belieft, binnenkort op zo menig een zomerfestival nog het nodige plezier aan beleven, aan deze Boom Band! Op 2 mei aanstaande treden de heren alvast aan op Moulin Blues in het Nederlandse Ospel.

The Boom Band

 

THE WHIGS “Modern Creation” (New West Records / ADA Warner Music)

(4****)

Goed en wel een jaar geleden verscheen hij al in de States, deze “nieuwe” van The Whigs. En nu ziet die heerlijke schijf dus eindelijk ook hier officieel het daglicht. Waarom we er zo lang op hebben moeten wachten? Joost mag het weten, want dit is echt wel een heel dikke plaat. Rock & roll met een hoofdletter R. Live off the floor ingeblikt onder de hoede van de je wellicht ook van z’n werk met onder anderen Wilco, Tom Petty en Matthew Sweet bekende Jim Scott in diens PLYRZ Studio in Valencia, California. Gewoon lekker met z’n drieën samen in één enkele ruimte en proberen je live sound zo dicht mogelijk te benaderen, zoiets…

Met als resultaat een tot de rand toe gevulde trog krachtvoer voor rockgrage (feest)varkens als ondergetekende. Voor mensen die in de late sixties en vroege seventies graag wat Who en Stones voorgeschoteld kregen. Mensen, die goed en wel een decennium later bij wijze van verjongingskuur met veel plezier zo menig een punkwatertje doorzwommen. Die in de jaren tachtig aandachtig ronddwaalden doorheen de Paisley underground. Mensen, die ook de prille Kings Of Leon wel wisten te pruimen. Kortom: liefhebbers van een lillende lap niks ontziende rock & roll op z’n tijd. Van vanuit de één of andere garage lekker om zich heen schoppende herrie met aandacht voor het liedje. Voor hen is deze vijfde van The Whigs bestemd.

Wat ons betreft verplichte kost: het titelgewijs meteen zo’n beetje als een soort van leidmotief te beschouwen en ons heel erg aan de Replacements herinnerende rockopdondertje “You Should Be Able To Feel It”, het omineuze, door de donderende drums van Julian Dorio aangejaagde “Asking Strangers For Directions”, het rete-catchy, als het ware op z’n blote knieën om luid meebrullen smekende “Hit Me”, het middels messcherpe gitaaruithalen en een hyperkinetisch ritme elke mogelijke weerstand ook al ogenblikkelijk aan flarden rijtende “Friday Night”, het ondanks weer erg nadrukkelijk aanwezig snarenwerk toch aardig melodieus uit de hoek komende “She Is Everywhere” en de al was het ook maar enkele tellen lang rust predikende powerpop-oorwurm “Too Much In The Morning”.

Zoals hoger al even aangestipt: een dikke, dikke plaat! Een mens zou er verdomme zomaar bij vergeten, dat hij stilaan een dag ouder aan het worden is….

The Whigs, New West Records

 

NEW MADRID “Sunswimmer” (Normaltown Records / ADA Warner Music)

(2,5***)

New Madrid – Vooral niet te verwarren met de Britse New Madrids! – is een uit Phil McGill (zang en gitaar), Graham Powers (gitaren en zang), Ben Hackett (bas en zang) en Alex Woolley (drums en percussie) bestaand viertal uit Athens, GA dat met het zopas verschenen “Sunswimmer” ondertussen al aan z’n tweede cd toe is. “Yardboat”, het in 2012 in eigen beheer op de wereld losgelaten debuut van de heren, oogstte toen nogal wat lovende commentaren. Maar onze eerlijkheid gebiedt ons hier te bekennen, dat die plaat indertijd volledig aan onze aandacht ontsnapte. Wat we erover weten, is wat we er naar aanleiding van het verschijnen van deze tweede over lazen. En dat is bijvoorbeeld dat ze onder de hoede van David Barbe, je ook wel bekend van zijn werk voor onder anderen de Drive-By Truckers en Deerhunter, werd ingeblikt.

Geen wonder dan ook, dat we diens naam ook op deze nieuwe worp van de groep aantreffen. Een worp, waarmee de vier ongetwijfeld weer heel wat bijval zullen gaan oogsten. En met name in wat alternatiever ingestelde kringen dan. Wij kunnen het ons alvast heel goed voorstellen, dat men zich daar vingers en duimen zal gaan aflikken bij het geëxperimenteer van McGill en co. Hun doorgaans behoorlijk wazig aandoende soundscapes zijn als het ware gefundenes Fressen voor wie voortdurend op zoek is naar weer maar wat nieuws. En al zeker als wat (ellenlange) psychedelische spielereien daarbij moeten kunnen.

Zelf zijn we hier niet echt kapot van. Maar ja, underwater-psych-rock behoort hier dan ook niet meteen tot wat je noemt de dagelijkse kost…

New Madrid

 

DIVERSE ARTIESTEN “Stockfisch Records, Closer To The Music, Volume 5” (Stockfisch Records)

(3***)

Label samplers… Eigenlijk waren het ooit vooral handige dingen voor radiojongens. Niks was immers zo gemakkelijk als lekker veel muziek op één enkel schijfje. En van allemaal verschillende artiesten dan nog…

Maar ja, de tijden veranderen. En dat doen ze nog elke dag wat sneller, zo lijkt het wel. En die radiojongens? Die gaan natuurlijk ook met hun tijd mee en doen dezer dagen zo ongeveer alles digitaal. En dus is het stellen van de nodige vragen bij een label sampler als het onderwerp van deze bespreking allicht gerechtvaardigd. Je kan je bijvoorbeeld afvragen, wat men er precies mee wil bereiken. Wij zouden het alvast niet weten… Wil men er ons nieuwe producten mee leren kennen, zei u? Nu ja, daar bestaan tegenwoordig toch wel andere middelen voor, niet? Daar hoeven we ons heus geen label samplers meer voor aan te schaffen… Een bescheiden dagelijks ommetje op het internet volstaat daartoe ruimschoots. Waarom dus nog verzamelaars à la deze? U mag het ons altijd even komen uitleggen…

Maar goed, we willen hier ook niet al té negatief gaan doen, he. Op “Closer To The Music Volume 5” van het onvolprezen Duitse Stockfisch Records blijkt er bij nader inzicht immers nogal wat goede muziek voorhanden. Materiaal, dat veelal thuis blijkt te horen onder de ruime hoofdingen singer-songwriter en folk. Veelal, maar niet uitsluitend. De laatste drie tracks bijvoorbeeld mogen rustig in het bakje met klassieke muziek. We hebben het dan over de bijdragen van het La Folia Barockorchester (“Vivaldi – L’inverno – Largo”), The Spirit Of Gambo (“The Silver Swan”) en de Chinese zangeres Song Zuying (“A Riverside Town”).

Verder vooral veel spul van onlangs door Stockfisch Records op de wereld losgelaten albums en ook enkele deuntjes van binnenkort nog bij het label te verschijnen platen. Tot de eerste categorie behoren songs van Allan Taylor, Steve Strauss, The Greater Good, David Roth, Brooke Miller, Paul Stephenson, Carl & Parissa, David Munyon, Paul O’Brien en Ranagri. Tot de voor muzikale ontdekkingsreizigers beduidend interessantere tweede liedgoed van de intrigerende Noorse Kerstin Blodig (“Fause Fause” van het op stapel staande “Out Of The Woods”), de gerenommeerde Carrie Newcomer (“Sparrow” van haar titelloze volgende), gitaarvirtuoos Don Ross (“Simple Thought” van “Black Chandelier”) en good old Tony – “Is this the way to Amarillo?” – Christie, die samen met de muzikanten van Ranagri voorwaar een heel album met traditionele Ierse songs vulde (“Carrickfergus” van “Ranagri Feat. Tony Christie”).

Kortom: een plaat vol fijne luistermuziekskes, vooral interessant voor mensen met een schrijnend gebrek aan zoektijd die nog niet echt veel materiaal van “huis van vertrouwen” Stockfisch Records op de plank hebben staan. En uiteraard ook nu weer aangeboden in het van de Duitsers bekende en geliefde hybrid-super-audio-cd-formaat.

Stockfisch Records

 

MARLA BLUMENBLATT “Sag Einfach Ja” (AdP Records / AL!VE)

(2,5***)

Met haar vorige langspeler, haar werkelijk grandioze debuutplaat “Immer die Boys”, wist de in Wenen als kind van Macedonische ouders opgegroeide Marla Blumenblatt ons met één enkele, op de keper beschouwd veel te breed ingezette tackle genadeloos te vloeren. Heerlijk gewoon, hoe ze op dat album de late jaren vijftig naar het hier en nu wist te vertalen. En in het Duits dan nog! Als een soort van eigentijdse uitvoering van legendarische fatale madammen als een Caterina Valente, een Connie Francis en een Wanda Jackson gaf ze quasi terloops aan het begrip vintage een totaal eigen draai mee. Met veelal rete-catchy liedjes als “Cornetto”, “Gartenpavillion”, “Lichter von Berlin”, “Gängsterbraut”, “Gefühle zeigen ist nicht sexy”, “Verliebt aber allein”, titelnummer “Immer die Boys”, “Was kann ich dafür” en nog een handvol andere had ze er hier al na één enkele luisterbeurt een fan voor het leven bij. Dachten we…

Maar nu, kort na het ontvangen van haar nieuwe worp “Sag einfach ja”, zien we ons verplicht die mening toch een weinig te nuanceren. De vijf nummers daarop breken immers behoorlijk radicaal met wat Blumenblatt op haar eersteling deed. Hier lijkt plots alles in het teken te staan van een frontale aanval op liefst zoveel mogelijk hitlijsten tegelijk. Gelijk van bij het an sich best wel aanstekelijke titelnummer wordt je als luisteraar duidelijk gemaakt, dat je met je verwachtingen naar aanleiding van “Immer die Boys” op je honger zal gaan blijven zitten. Dat door aardig repetitief blaaswerk aangejaagde niemendalletje lonkt immers al behoorlijk nadrukkelijk richting dance charts. En dat blijkt later al evenzeer het geval voor het met elementen ontleend aan respectievelijk hip-hop en R&B stoeiende tweetal “Alles für den guten Swag” en “Großstadtcowboys”. Voor dat laatste kwam zelfs Deutsch-Rapper Eko Fresh even voorbij.

“Mein Ding” sluit op zijn beurt dan weer wel een beetje aan bij Blumenblatts recente verleden. Da’s namelijk een lekker (hitgevoelig) rockertje, waarin het retro-element nog niet helemaal naar de achtergrond verdrongen werd. En dat kan aanvankelijk met ongeveer evenveel recht worden gezegd over het afsluitende “Hast du heute schon getanzt”. Maar de sympathiek ten dans uitnodigende surfgitaarklanken van de eerste paar tellen daarvan worden mede onder invloed van de inbreng van rapper Olexesh al snel tot een figurantenrol in alweer een R&B-deuntje veroordeeld. Jammer…

Nu gunnen wij schone Blumenblatt van ganser harte het nodige succes, maar als het niet meteen zou lukken… Bij een nieuwe schijf à la “Immer die Boys” staan we graag terug op de eerste rij!

Marla Blumenblatt

 

WELDON HENSON “Honky Tonk Frontier” (Hillbilly Renegade Records)

(4****)            

Ruim vier jaar na “One Heart’s Gone” mogen we eindelijk weer eens nieuw plaatwerk begroeten van neo-traditionalist Weldon Henson. De sympathieke Texaan met de lekker warme baritonstem schrijft met het toepasselijk getitelde “Honky Tonk Frontier” schijnbaar onvermoeibaar verder aan z’n eigen al in 2008 met “Tryin’ To Get By” aangevatte en de volgende jaren met “Trouble For Me” (2009) en het al genoemde “One Heart’s Gone” (2011) verder uitgediepte succesverhaal. Met tien nieuwe songs van eigen hand en een cover van Don Singletons “Hey, Bottle Of Whiskey” geeft hij er ons alvast weer aardig wat redenen bij om hem stevig aan de borst te drukken.

In een met de gerenommeerde tandem Tommy Detamore en Ricky Davis gedeelde productie en met de nodige studio-hand-en-spandiensten van diezelfde Davis op pedal steel en dobro, Trey Kincade op bas, Ronnie Huckaby op piano en Eric C. Hughes op drums presenteert Henson hier een set die al het in het verleden al over hem geschreven goede alleen maar bevestigt. De man bewijst elf nummers lang niet enkel over een heerlijke countrystem te beschikken maar bovendien en vooral ook een fijn deuntje in de vingers te hebben en een aardig eindje op zowel akoestische als elektrische gitaren uit de voeten te kunnen. Nogal wat typische traditionele onderwerpen komen daarbij tekstueel aan bod. Met voorop natuurlijk de nodige drank en hartzeer. Zoals in het in het verleden ook al door Gary Stewart getackelde “Hey, Bottle Of Whiskey”, het binnenkort wellicht sierlijk over zo menig een plaatselijke hardhouten dansvloer heen swingende “I Need Wine” en de twangy rocker “Heartache Game”. Met liedjes van dat kaliber zou Weldon Henson zich spelenderwijze een plaatsje tussen het materiaal van knapen als een Dale Watson, een Dwight Yoakam, een Kevin Fowler en een Alan Jackson in je collectie moeten kunnen verwerven.

Van het ook al van een veelzeggende titel voorziene “Honky Tonk Feels Right” en het eerder bedaard aan de man gebrachte “Looking For My Break” tot de door Ricky Davis in steelklanken ondergedompelde tragen “Not A Home” en “The Score”, het toepasselijkerwijze met z’n vrouw Brooklyn gedeelde swingertje “Hey Baby, Can You Help Me”, de knappe countryrockers “Trying To Pretend” en “That Look” en het gelijk door z’n uitermate positieve ingesteldheid opvallende “Just Believe”, ruim achtendertig minuten lang serveert Henson hier wat wij feel good country zouden willen noemen. Muziek, waarbij we de komende weken, maanden, jaren nog regelmatig graag een flesje zullen kraken…

Weldon Henson

 

GREG TROOPER “Live At The Rock Room” (52 Shakes Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Precies op tijd om de honger naar het bijwonen van één van de optredens van z’n op stapel staande tournee doorheen de Lage Landen nog wat aan te scherpen pakt de Amerikaanse singer-songwriter Greg Trooper uit met een nieuwe live-cd. “Live At The Rock Room” is al de derde in het rijtje. Eerder verblijdde de beste man ons immers ook al met het tweetal “Between A House And A Hard Place, Live At Pine Hill Farm” (2002) en “The BackShop Live” (2006). Gelukkige bezitters van op z’n minst één van die twee albums of zij die al wel eens een gig van Trooper meepikten kennen hem niet enkel als een begenadigd zanger en dito songsmid maar ook en vooral als een rasentertainer. Als iemand die z’n publiek ook tussen z’n liedjes door weet te boeien.

En dat brengt ons meteen bij één van de pluspunten van ’s mans nieuwe worp: met name het feit dat men ook een aantal van die intro’s tot z’n liedjes voor het eindproduct weerhouden heeft. Ze geven het geheel alleen nog maar meer kleur. Voor zover nog nodig natuurlijk! Want het songmateriaal van “Live At The Rock Room” alleen al zou eigenlijk ruimschoots moeten volstaan. De nadruk van de set ligt uiteraard op liedjes van Troopers twee laatste platen “Upside-Down Town” en “Incident On Willow Street”. Van de eerste van dat tweetal dist hij en passant het lichtjes fantastische “They Call Me Hank”, “Might Be A Train” en “We’ve Still Got Time” op. Van de tweede met “All The Way To Amsterdam”, “Good Luck Heart”, “Mary Of The Scots In Queens”, “Everything’s A Miracle”, “The Land Of No Forgiveness”, “One Honest Man” en “Amelia” liefst zeven eenheden. Van eerdere platen als “Floating” en “Make It Through This World” krijgen we daarnaast de “klassiekertjes” “Inisheer”, “This I’d Do” en “Don’t Let It Go To Waste” en als kers op de taart is er ook nog één volslagen nieuw nummer. Dat is de verstilde parel “Broken Man”, de pakkende verklanking van het verborgen verdriet van een man op jaren.

Bij het vertolken van al dat moois kon Trooper daar in het verre Austin terugvallen op de muzikale kunstjes van secondanten Chip Dolan en Jack Saunders. Dolan deed het op accordeon en keyboard, Saunders van zijn kant op contrabas en beiden zongen ze her en der ook een mondje mee. En dat leidt tot bij momenten ronduit verbluffend mooie resultaten. Trooper klinkt hier eigenlijk gewoon soulvoller dan ooit! En dat wil al iets zeggen, als je weet dat zelfs een collega als Steve Earle zich ooit liet ontvallen ’s mans stem al een poosje te begeren…

(Releasedatum: 17 april 2015.)

Een overzichtje van de tot op heden geplande Trooper-optredens: Den Bosch, NL (21-04, Blue Room Sessions), Terheijden, NL (23-04, Puur Wit), Oud Heverlee, B (24-04, Listwaar), Lage Vuursche, NL (25-04, In The Woods), Amen, NL (26-04, de Amer), Beusichem, NL (28-04, Theater Het Heerenlogement), Nijmegen, NL (29-04, Honigcomplex), Grootschermer, NL (30-04, Museum Nic Jonk), Den Haag, NL (01-05, Acoustic Alley), Groningen, NL (02-05, Rhythm & Blues Night), Amsterdam, NL (03-05, Paradiso Noord) en Eindhoven, NL (04-05, Meneer Frits).

Greg Trooper, Lucky Dice Music

 

THE HIGH LINE RIDERS “Bumping Into Nothing” (Blue Rose  Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)   

Na een radiostilte van goed en wel 18 jaar duiken The High Line Riders als het ware vanuit het niets plots terug op. The wie, vroeg u? The High Line Riders. Het rootsrockbandje uit New York, dat ons ooit singer-songwriter Ed Pettersen opleverde, remember? Nu ja, mocht er ondertussen nog steeds geen belletje zijn gaan rinkelen, dan maakt dat eigenlijk ook niet zo heel erg veel uit. Genieten kan je van nieuwe worp “Bumping Into Nothing” immers ook zonder de nodige voorkennis van het bandverleden.

Wat valt er allemaal te weten? Wel om te beginnen bijvoorbeeld, dat je de Riders dient te gaan zoeken in zo ongeveer dezelfde hoek als de Bottle Rockets, de Brandos, de Del Lords en de Drive-By Truckers. Die van de roots rock en alternatieve country geleverd met het bindende advies “Crank It Up!” dus. Muziek, waarin de gitaren zo goed als nooit om aandacht dienen te bedelen.

En voorts lijkt het ons zeker ook wel interessant om mee te geven, dat de band naast Ed Pettersen (zang en gitaren) verder ook nog gitarist Gary Goodlow, drummer Pete Abbott, bassist David Santos en de je misschien wel van zijn werk met Jason Molina bekende steelgitarist Mike “Slo Mo” Brenner in haar rangen telt. En dat Pettersen niet enkel alle twaalf de liedjes voor “Bumping Into Nothing” aandroeg, maar en passant ook nog even tekende voor de productie ervan. En op die manier dus ook medeverantwoordelijk werd voor het binnen de lijntjes kleuren van gasten als Jen Gunderman, Freddy Holm, Henning Kvitnes, Ida Jenshus, Freedy Johnston, Chuck Mead, The Farewell Drifters, Joanna Smith en Wendy Moten.

Opvallendste momenten van een überhaupt opvallend coherent geheel zijn wat ons betreft de met good old Freedy Johnston gedeelde melancholische gitaarrocker “Everytime It Rains”, de twee versies van het knappe “Cold Comfort” met ditmaal opvallende bijrollen voor de Noorse tandem Henning Kvitnes en Ida Jenshus, de met de onvolprezen Farewell Drifters ten gehore gebrachte shouter “Janey”, het als een bluesy klaagliedje verpakte eerbetoon aan de man uit z’n titel “Jason Molina’s Blues”, de heerlijk melodieuze, meteen tot luidkeels meebrullen uitnodigende rocker “You Can’t Get There From Here” en het meteen daaropvolgende en er ook perfect bij aansluitende “I Don’t Think About When You Were Mine” (met Chuck Mead) en zeker ook niet te vergeten, de fraaie, met zalige jengelgitaartjes en dito ondersteunende zang van Joanna Smith opgewaardeerde trage “I’m Where You Where”.

Wedden, dat het allemaal ruimschoots volstaan zal om onverwijld op zoek te gaan naar een exemplaartje van “Somewhere South Of Here”, de al in 1997 verschenen enige eerdere plaat van de groep? Die kwam er overigens nog onder de naam Ed Pettersen & The High-Line Riders. (Het kan maar helpen bij het zoeken…)

The High Line Riders, Blue Rose Records

 

JESSE MALIN “New York Before The War” (Velvet Elk / One Little Indian)

(4****)

Goed en wel vijf jaar na z’n laatste worp, het in 2010 verschenen “Love It To Life”, meldt Jesse Malin zich op ronduit indrukwekkende wijze terug met “New York Before The War”. ’s Mans batterijen zijn na die best wel lang uitgevallen carrière-time-out duidelijk weer goed geladen.

En “New York Before The War” kon daardoor uitgroeien tot een wat we zouden durven noemen aangenaam gevarieerd klinkend geheel. Met als inzet een wat moody aandoende pianoballade die gaandeweg aanzwelt tot iets van een bedaarde rocker. “The Dreamers” is dat. Vervolgens gaat het via de met een catchy baslijn meteen met de deur in huis vallende power pop van “Addicted” en de op messcherpe gitaren geënte Stones-y rock & roll van “Turn Up The Mains” richting een volgend absoluut hoogtepunt. Want dat is “Oh Sheena” wat ons betreft echt wel ontegensprekelijk. Heerlijke catchy stuff! Ons nerveus rockend best wel wat aan Paul Westerberg en de Replacements in hun hoogdagen herinnerend. Iets wat overigens voor wel meer nummers hier geldt. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag ook nog de regelrechte oorwurm “Boots Of Immigration” en het bij momenten meer gesproken dan gezongen “Deathstar”.

Een ander absoluut niet te omzeilen referentiepunt blijkt zoals in het verleden al wel vaker Ryan Adams. Zowel bij de knappe atmosferische tragen “She’s So Dangerous” en “I Would Do It For You”, als bij het zomers-melancholische Americana-intermezzo “The Year That I Was Born” en het hyperkinetisch voorbij razende “Freeway” gleden de gedachten hier onwillekeurig in die richting af. En dat zouden we nu niet meteen slecht nieuws willen noemen.

De drie dan nog resterende nummers zijn “Beat Up”, een streepje countryrock van het lekkerdere soort, “She Don’t Love Me Now”, een onder meer middels een soortement reggaemotiefje en soulvolle blazers schaamteloos naar radioaandacht hengelend lentefris rootsrockopstootje, en het afsluitende “Bar Life”, dat na een begin als ingetogen pianoballade onderweg plots iets bepaald Springsteen-esks over zich krijgt.

Al bij al best wel een blij weerzien!

Jesse Malin, One Little Indian

 

JJ GREY & MOFRO “Ol’ Glory” (Provogue / Mascot Label Group)

(4****)

Negen albums diep in hun carrière mogen we er stilaan wel van uitgaan, dat JJ Grey & Mofro geen onbekenden meer voor je zijn. En mocht dat toch nog het geval zijn: now’s as good a time as any om een serieus inhaalmanoeuvre in te zetten. Daartoe aangevuurd door “Ol’ Glory” bijvoorbeeld, het onlangs verschenen nieuwe album van het combo uit Jacksonville.

Twaalf nummers lang bewijzen songsmid Grey en de zijnen daarop andermaal tot het allerbeste te behoren wat er anno 2015 op soulvlak te rapen valt. Gelijk van bij het radiogenieke, je heupwiegend mee terug naar de vroege seventies tronende Southern soul-opdondertje “Everything Is A Song” is het weer goed prijs! Dan al weet je als luisteraar “I’m in for a real treat!” En een lekker gevarieerde bovendien ook nog, zo zal al snel blijken.

Zo is er meteen na die zuiders soulvolle opener al een pareltje van geheel andere orde. Met de ongemeen sfeervolle sleper “The Island” belanden we immers even volop in Americana-land, om vervolgens via het door gast Derek Trucks van wat fameus slidewerk voorziene “Every Minute” een aardig eindje over het slappe koord gespannen tussen Southern rock, soul en R&B te worden meegeloodst. Het funky “A Night To Remember” valt op zijn beurt dan weer op door z’n zalige groove en “Light A Candle” blijkt van de soul bulkend bluesy één-tegel-materiaal. En van funky gesproken: ook het sexy met de kont schuddende “Turn Loose” doet het in die sector werkelijk uitstekend.

De tweede helft van “Ol’ Glory” wordt ingezet met het op spannende wijze soul met rock verbindende “Brave Lil’ Fighter” en bevat verder ook nog het aardig swampy getinte “Home In The Sky”, het zeker gitaargewijs even wat richting Jimi Hendrix overhellende “Hold On Tight”, het beklijvende, de nadruk enkele tellen lang wat meer op het tekstuele aspect vestigende “Tic Tac Toe”, het lekker swingende titelnummer en de bij nader inzicht enigszins country-esk opgevatte afsluiter “The Hurricane”.

Wat ons betreft andermaal twaalf prima redenen om JJ Grey en de zijnen stevig aan de borst te drukken. (En om ze, als het even kan, voor wat zomerfestivals naar hier te halen!)

JJ Grey & Mofro, Mascot Label Group

 

JOEL RAFAEL “Baladista” (Inside Recordings)

(4****)

Als singer-songwriter Joel Rafael hier te lande al enige bekendheid geniet, dan is dat in eerste instantie te wijten aan “Woodey” en “Woodyboye”, de twee aan het liedgoed van wijlen Woody Guthrie gewijde projecten, waarmee hij respectievelijk in 2003 en twee jaar later van zich deed spreken. Twee erg mooie albums! Waar die platen de aandacht echter niet op vestigden, waren de eigen vaardigheden als songsmid van Rafael. En dat doet ’s mans nieuwste wat ons betreft gelukkig weer wel.

“Baladista” is ondertussen ook alweer Rafaels negende album. En op die opvolger van het in 2012 verschenen “America Come Home” blijkt de man in zeer goeden doen. Met de tien knappe ballades erop viert hij als het ware zijn gouden jubileum als performer. Het moest dus ook wel goed zijn…

Voor de productie van het geheel tekende Rafael samen met z’n vrouw Lauren zelf. Voor het inspelen ervan deed hij een beroep op collega’s Greg Leisz (elektrische gitaren, dobro en pedal steel), James “Hutch” Hutchinson (bas), John Inmon en Terry “Buffalo” Ware (elektrische gitaren in de Hedy West-cover “500 Miles”). Zelf hanteerde hij de akoestische en een mondharmonica en nam hij plaats achter de piano. Het resultaat is even simpel als doeltreffend.

In de tien liedjes op “Baladista” omarmt Rafael als vanouds het leven zelve. Met z’n fraaie momenten, maar zeker ook met z’n mindere. En tot die laatste mag je wellicht ook ’s mans in eerste single “Old Portland Town” beschreven lotgevallen rekenen. Daarin heeft hij het onder meer over z’n eigen arrestatie in het kader van een razzia bedoeld om zich aan hun legerdienst onttrekkende outlaws tot de orde te roepen.

Nog zo’n prachtig moment is het met de je van z’n werk voor de Eagles bekende Jack Tempchin gepende “Love’s First Lesson”. Die eerste les is als we Rafael en z’n maatje geloven mogen “a broken heart”. Alleen een gebroken hart weet immers “how it is to lose”.

En dan hadden we het nog niet over dingen als het vertederende, aan een gemiste liefdeskans gewijde “She Had To Go”, het je in moeilijke momenten een groot hart onder de riem stekende “Baby Let It Go” of het werkelijk schitterende “El Bracero”. In dat laatste horen we Rafael echt op z’n best. Daarin buigt hij zich over het lot van de vele Mexicaanse arbeiders, die in 1942 opnieuw richting de States werden gelokt. Aan de door de Tweede Wereldoorlog gecreëerde nood aan handwerkers moest nu eenmaal worden voldaan. Zelfs een wettelijk kader werd ervoor voorzien. Mishandeling en uitbuiting op grote schaal zouden op korte termijn helaas het gevolg blijken.

Verder ook nog heel erg mooi: de levenslessen vervat in “Sticks And Stones” en “The Good Samaritan”. Met Rafael quasi terloops op zoek naar het goede in elk van ons.

Een geheel als dit kan je eigenlijk alleen maar warm aanbevelen! En dat is bij dezen meteen ook gebeurd!

(Releasedatum: 14 april 2015.)

Joel Rafael, Inside Recordings

 

THE KENNEDYS “West” (The Kennedys)

(4****)

Pete en Maura Kennedy vieren in 2015 hun twintigjarig samenzijn als duo. Zowel op privé- als op muzikaal vlak overigens. En dat vieren, dat doen ze dan ook in stijl. Van elk van beiden zal er dit jaar nog een nieuwe soloplaat verschijnen, maar er is vooreerst natuurlijk hun nieuwe bandproject “West”. En da’s een verdomd lekkere plaat geworden. Een plaat, die door haar erg gevarieerde invulling op de keper beschouwd veel weg heeft van een “Kennedys-best of”. Maar dat is het nadrukkelijk niet. Het betreft hier immers wel degelijk dertien nieuwe liedjes. Alleen passeren daarin zo ongeveer alle invloeden de revue, waaraan het tweetal zich de voorbije twee decennia terloops blootgesteld wist.

Titelnummer “West” is zo bijvoorbeeld een fraai streepje twangy Americana in de voetsporen van “Woody, Willie, Hemingway & Steinbeck down the highway that ends where the sun sets”, “Elegy” op zijn beurt een fraaie, aan het folkrockgebeuren van de late sixties refererende ode aan het adres van wijlen Dave Carter en “Sisters Of The Road” een ons tegelijk wat aan The Byrds en Sandy Denny herinnerend staaltje “vrouwvriendelijkheid”. Via het licht psychedelisch getinte “Signs” belanden we vervolgens achtereenvolgens in de fijne countrydeun “Jubilee Time”, het nogal nadrukkelijk bij de tijdloze liedjes van Buddy Holly aansluiting zoekende niemendalletje “Locket”, de lichtvoetige, door hemelse samenzang tussen onze twee protagonisten gekenmerkte Americana van “Southern Jumbo” en het aan een kortverhaal van B.D. Love opgehangen en door Pete van wat lekker sitarwerk voorziene “Black Snake, White Snake”.

Richting de laatste rechte lijn van “West” gaat het aansluitend daarop met het wel bijzonder levenslustige “Bodhisattva Blues” en het heerlijk rockende, terloops met een flinke prise Chuck Berry gekruide “Travel Day Blues”. Die twee songs gaan de enige twee niet-Kennedy-nummers op het album vooraf, met name een heel erg doorleefde lezing van John Stewarts “The Queen Of Hollywood High” en het door John Wicks van The Records speciaal voor het duo gepende potje twaalf-snarenplezier “Perfect Love”. En het misschien wel beste wordt naar goede gewoonte bewaard voor het laatst. Met “Good, Better, Best” sluiten Pete en Maura immers in ingetogen Everly Brothers-modus af.

Prachtplaat!               

The Kennedys

 

MALCOLM HOLCOMBE “The RCA Sessions” (Proper / Bertus)

(5*****)

Malcolm Holcombe had het zich veel gemakkelijker kunnen maken. Hij had twee decennia aan plaatmateriaal ook eenvoudigweg kunnen compileren op een soortement best of-album. Maar dat deed de beste man dus niet. Voor z’n jubileumplaat putte hij weliswaar uit het materiaal van elk van z’n elf eerdere releases, maar alle weerhouden liedjes werden vervolgens wel keurig opnieuw ingeblikt. Dat gebeurde in het najaar van 2014 in de legendarische RCA Studios in Nashville.

Samen met Jared Tyler (dobro, elektrische gitaar, lap steel en zang), David Roe Rorick (staande bas), Tammy Rogers (fiddle, mandoline en zang), Ken Coomer (drums en percussie), Jelly Roll Johnson (harmonica) en Siobhan Maher-Kennedy en Maura O’Connell (beiden zang) interpreteert Holcombe hier dingen als “Who Carried You”, “Mister In Morgantown”, “I Feel Like A Train”, “Doncha Miss That Water”, “The Empty Jar”, “Butcher In Town”, “To Drink The Rain”, “Early Mornin’”, “I Never Heard You Knockin’”, “I Call The Shots”, “My Ol Radio”, “Goin’ Home”, “Down The River”, “Pitiful Blues” en “A Far Cry”. De enige volstrekt nieuwe deun is het met Jelly Roll Johnson in steun opgenomen live-favorietje “Mouth Harp Man”. Daardoor meteen ook één van de meest opvallende bijdragen van het geheel.

Al willen we hier zeker ook niet nalaten om “My Ol Radio” en “A Far Cry” een speciale vermelding mee te geven. Het eerste omwille van de zalige vocale rugdekking van de bekoorlijke Siobhan Maher-Kennedy erin, het tweede omwille van de prominente vocale rol die de onvolprezen Maura O’Connell erin vervullen mag. Door de bijdragen van beide dames krijgen die nummers toch nog net dat ietsje meer.

Opvallend is overigens ook, dat men bij het registreren van het materiaal heeft geprobeerd om ook echt alle aspecten van Holcombe’s live performances te vereeuwigen. Wat concreet betekent, dat we hem hier zowel in z’n dooie eentje, geflankeerd door z’n vaste maatje Jared Tyler als met een heuse band aan het werk horen en zien.

Horen én zien inderdaad, want het door Ray Kennedy en Brian Brinkerhoff geproduceerde “The RCA Sessions” bestaat uit een cd én een dvd. Ideaal dus als aandenken aan een gig van de man of misschien ook wel juist als surrogaat daarvoor. Hoe dan ook van het allerbeste wat zich vandaag de dag in de schemerzone tussen Americana, folk en blues vinden laat. Holcombe is wat ons betreft één van de allerbeste Americana singer-songwriters überhaupt. En met z’n "schuurpapieren” stem bovendien ook één van de meest markante, binnen het genre actieve figuren.

(Releasedatum: 6 april 2015.)

Malcolm Holcombe

 

AMERICAN AQUARIUM “Wolves” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met “Wolves” breien de onverbeterlijke BJ Barham en de zijnen eindelijk een vervolg aan “Burn. Flicker. Die.”, hun ondertussen dik twee jaar geleden verschenen, door Jason Isbell geproduceerde laatste studioplaat. En wat voor een vervolg! Dit is ons inziens het soort van plaat, waarmee je binnen afzienbare tijd ook op wat grotere schaal wat zou moeten kunnen betekenen. Een bescheiden classic, zeg maar.

“An ode to last calls, lost love and long horizons”, aldus de schrijvende medemens van dienst bij hun platenlabel Blue Rose Records. En die paar woorden vatten alvast het inhoudelijke aspect van “Wolves” zeer goed samen. Wat betreft het muzikale valt dan weer meteen op, dat Barham en co ditmaal hebben gekozen voor een wat meer open aanpak. En precies daar lagen natuurlijk ook hun kansen. Door niet langer uitsluitend op de Americana-goegemeente te focussen worden ze eensklaps ook een pak aantrekkelijker voor een ruimdenkend indie-publiek. En wie weet, tot wat dat op termijn allemaal leiden kan…

Maar goed, laat het ons maar eens even hebben over de tien songs op “Wolves”. Daarvan zijn er bij nader inzicht nogal wat die zich nog het best laten omschrijven als bedaarde, van de ingehouden spanning erin levende (roots)rockertjes. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “Southern Sadness”, “Wichita Falls” en “Old North State”. Het “hoekige” “Ramblin’ Ways” is op zijn beurt dan weer een onverholen flirt met pop en rock, titelnummer “Wolves” doet iets heel moois met een eigentijds countryrockgegeven en het afsluitende “Who Needs A Song” eist nadrukkelijk een stekje onder de hoofding red-dirt southern rock op. Heerlijk nummer gewoon, dat laatste! En dat geldt dan weer zeker ook voor de atmosferische sleper “Man I’m Supposed To Be”. Da’s misschien wel het allerbeste nummer van de tien hier. Het heeft iets bepaald Springsteen-esks over zich. Enkel de beurtelings door een banjo en een elektrische gitaar aangejaagde catchy countryrocker “Losing Side Of Twenty-Five” vormt wat dat betreft voor ons serieus te nemen concurrentie.

Enfin, om een lang verhaal kort te maken: vooral niet te lang over nadenken, gewoon snel toevoegen aan je collectie, deze achtste van American Aquarium. Het zou immers zot zijn, om wat straks ongetwijfeld één van dé platen van het jaar zal blijken om wat voor reden dan ook te laten liggen…

American Aquarium, Blue Rose Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Signature Sounds 20th Anniversary Collection, Rarities From The Second Decade” (Signature Sounds)

(4****)

Het vanuit het Amerikaanse Northampton, Massachusetts actieve Signature Sounds bestaat dit jaar precies twintig jaar en dat zullen we met z’n allen geweten hebben ook! Zo’n gelegenheid laat je immers niet zomaar voorbijgaan…

Bij wijze van gigantische verjaardagstaart schotelt men ons een in achttien keurige deeltjes aangesneden anniversary collection voor. En de ondertitel van dat geheel blijkt bij nader inzicht echt wel veelzeggend. Aan rariteiten op dit album immers absoluut geen gebrek! Liefst elf van de achttien ons aangeboden nummers kunnen onder de hoofding previously unreleased. Zes andere verschenen eerder enkel op schaars 45-toeren-vinyl of op EP, “Violent Love” van Sweet & Lowdown Featuring Miss Tess & Rachael Price maakte deel uit van het in 2008 verschenen download only album met dezelfde titel. Samengevat: de kans op overlappingen met materiaal reeds in je bezit is hier aan de eerder kleine kant.

En aan muzikale schatten bovendien absoluut geen gebrek! Het heerlijk jazzy rootsdeuntje “Lovesick Red Stick Blues” van Aoife O’Donovan en haar maatjes van Crooked Still is er zo zeker eentje. Evenals het door Jeffrey Foucault met de hulp van Jennifer Condos, Billy Conway, Kris Delmhorst, Eric Heywood en de legendarische Van Dyke Parks ingeblikte alternatieve countryrammelaartje “Real Love” en het uitermate swingende, van de single “Be Back Home” van The Sweetback Sisters geplukte titelnummer. Of de knappe, echt wel ongemeen soulvolle roots pop van “What I’m Doing Here” van Lake Street Dive, het lentefris sprankelende folkrockgeweld van “Such Great Heights” van Joy Kills Sorrow en het qua ritmiek ogenschijnlijk enigszins op traditionele field hollers geënte “No Shortcuts” van Heather Maloney & Darlingside.

En dan hadden we het nog niet over een hele reeks hoogst interessante covers. Als daar zijn de tot haar naakte essentie herleide Peter Mulvey-lezing van Randy Newmans klassieker “Lonely At The Top”, Eilen Jewells ronduit heerlijke versie van Stonewall Jacksons “Why I’m Walkin’”, Barnstars bluegrass-benadering van Joni Mitchells “Carey”, Caroline Herrings met veel respect voor het origineel vertolkte uitvoering van Kate Wolfs “Here In California” en het door Zoe Muth en haar Lost High Rollers bij legende Dock Boggs gevonden en z’n titel de nodige eer aandoende “Country Blues”.

Voorts ook nog materiaal van Parsonsfield (het atmosferische “Moonshiner”), Winterpills (de radiogenieke rockdeun “A Tree In The Lung”), Chris Smither (een niet eerder verschenen versie van zijn eigen “Drive You Home Again”), de Sacred Shakers (een rete-aanstekelijke uitvoering van het ondertussen als public domain opgeborgen “Samson & Delilah”), Kris Delmhorst (de verstilde, maar net niet in je oor gefluisterde beauty “If This Ain’t Heaven”) en Rani Arbo & Daisy Mayhem (het met de blik ergens op het swingende midden van de vorige eeuw gericht gebrachte “I’m Satisfied With You”).

Afgesloten wordt er met een als hidden bonus track opgediste commercial voor het label.

Signature Sounds

 

THE FOGHORN STRINGBAND “Devil In The Seat” (The Foghorn Stringband)

(4****)

The Foghorn Stringband is een uit Caleb Klauder (mandoline, fiddle en zang), Stephen “Sammy” Lind (fiddle, banjo en zang), Reeb Willms (gitaar en zang) en Nadine Landry (staande bas en zang) bestaand viertal uit Portland, Oregon, dat zich klaarblijkelijk tot doel heeft gesteld old-time string band music te allen prijze ook in de eenentwintigste eeuw in leven te houden. En als daartoe een enigszins aan het punkgenre in zijn kinderschoenen verwante attitude nodig blijkt, dan zullen we die krijgen ook! Dat was al zo op hun in 2003 verschenen eersteling “Rattlesnake Tidal Wave” en dat is door de jaren heen eigenlijk altijd wel zo gebleven.

Op “Devil In The Seat”, het inmiddels zesde album van de groep – als we tenminste het in 2010 onder de benaming The Foghorn Trio verschenen “Sud de la Louisiane” mogen meerekenen – dartelen Klauder en Landry en co doorheen zestien stukken die we zonder uitzondering elders al wel eens eerder hebben gehoord. Maar dat mag de pret absoluut niet drukken! Van het openingsnummer, een van de joie de vivre bijna uit zijn voegen barstende uitvoering van de traditional “Stillhouse”, tot de afsluitende, via een ommetje langs Steve Green op het repertoire van de groep belande David Russell Hamblen-instrumental “Chadwell’s Station” is dit muziek waar je zo ongeveer terstond vrolijk van wordt. Muziek, waarin virtuositeit het nadrukkelijk moet afleggen tegen frisheid en spelvreugde. En zo hoort het eigenlijk gewoon ook.

Van een werkelijk ontwapenende schoonheid vonden wij onder meer het van Hazel Dickens en Alice Gerrard geleende en ook hier meerstemmig gebrachte “Mining Camp Blues”, het als vanouds wervelende “Columbus Stockade Blues”, het ook al ongekend vingervlug vertolkte “Old Molly Hare”, het ogenschijnlijk absoluut niet kapot te krijgen en ook hier weer schitterende “Henry Lee”, het je wellicht ook al wel in de uitvoering van The Carter Family bekende “John Hardy” en een zeer fraaie lezing van Garry Harrisons “Jailbreak”. Ach, op de keper beschouwd eigenlijk gewoon alles. Je zou bij het beluisteren hiervan bijna gaan wensen, dat je de klok kon terugdraaien naar de eerste helft van de vorige eeuw… Maar ja, echt nodig is dat nu ook weer niet, hè… We hebben immers altijd nog de Foghorn Stringband om ons te gepasten tijde op onze wenken te komen bedienen!

“Devil In The Seat” is net als z’n voorgangers “Rattlesnake Tidal Wave”, “Reap What You Sow”, “Weiser Sunrise”, “Boombox Squaredance” en “Sud de la Louisiane” weer een regelrechte aanrader. Maar dat had u ondertussen al wel begrepen zeker?

The Foghorn Stringband

 

THE PINE HILL PROJECT “Tomorrow You’re Going” (Signature Sounds)

(5*****)

“Tomorrow You’re Going” is typisch zo’n gevalletje van een geheel groter uitvallend dan de som van z’n verschillende delen. Want hoe goed ook de platen van Richard Shindell en Lucy Kaplansky voor eigen rekening, zo mooi als hun eerste samen zijn ze wat ons betreft niet. Dit hier benadert gewoon de perfectie! En als dusdanig vormt het ook het ideale geschenk terug voor de velen, die ervoor zorgden, dat de twee middels een Kickstarter-campagne nog binnen de vierentwintig uur de door hen vooropgestelde som van $40,000 wisten te vergaren. Meer nog: afgeklokt werd er met $85,000 op meer dan het dubbel! Moet je als artiest wel een heel goed gevoel aan overhouden…

En zullen wij u eens iets vertellen? Wij zijn er nu al 100% zeker van, dat elke backer die er in de aanloop naar dit project geld voor over had om Shindell en Kaplansky deze plaat samen te weten maken ook bij een volgende fundraising-campagne enthousiast weer met centen zal staan te zwaaien. Wellicht zal de groep “steuners” er na “Tomorrow You’re Going” zelfs nog flink wat groter op worden. Het zou na zo’n prachtplaat eigenlijk alleen maar logisch zijn ook…

Dat de stemmen van Shindell en Kaplansky elkaar op wonderbaarlijke wijze aanvullen, dat wisten we al van eerdere samenwerkingen op elkaars platen en van hun bijdrage aan Cry Cry Cry, het trio met verder ook nog Dar Williams, waarmee ze in ’98 één, ook al heel erg mooi album afleverden. En dat ze allebei een heel mooi liedje in de vingers hebben, was ons evenmin vreemd. Maar op nieuwe pennenvruchten van eigen hand moeten we op dit door Larry Campbell geproduceerde geheel niet rekenen. Waarom precies niet, weten wij ook niet, maar “Tomorrow You’re Going” bevat effectief uitsluitend covers van materiaal van anderen. Goed gekozen covers, dat gelukkig wel.

We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag “Lately” van de onvolprezen Greg Brown, “Wichita” van ons aller Gillian Welch, “Missin You” van Little Feat en “Rain Just Falls” van David Halley. Of ook wat onverwachtere keuzes als U2’s “Sweetest Thing” en “I Live On A Battlefield” van de schrijverstandem Paul Carrack en Nick Lowe. Liedjes, die door het duo zonder ook maar de minste uitzondering spelenderwijze het eigen muzikale universum worden binnengeloodst. Liedjes, die in veel gevallen behoorlijk radiovriendelijk blijken ook.

Niet enkel liefhebbers van het eerdere werk van het duo Shindell-Kaplansky, maar zeker ook die van het recente oeuvre van Buddy & Julie Miller, Gillian Welch & David Rawlings, Emmylou Harris en Rodney Crowell en aanverwanten zullen hier hun pret absoluut niet mee op kunnen. Wat ons betreft één van dé muzikale hoogtepunten van 2015 so far!

The Pine Hill Project, Signature Sounds

 

DUNDERHEAD “Dunderhead” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wie houdt van een portie sprankelende eigentijdse bluegrass op z’n tijd is bij het Zweedse Dunderhead – Voorheen nog Angelina Darland and the Moonshine Brothers! – nadrukkelijk aan het juiste adres. Dat sinds januari 2013 vanuit Göteborg aan de weg timmerende vijftal rond de ravissante Angelina Lundh heeft werkelijk alles om het op zeer korte termijn te gaan maken. Een mening, waarin wij overigens duidelijk niet alleen staan. Dat bewijst het feit dat ze op de jongste uitgave van het European World Of Bluegrass Festival in het Nederlandse Voorthuizen met de hoofdvogel aan de haal gingen wellicht op afdoende wijze.

Een toch wel opvallend gegeven is dat die van Dunderhead het op hun debuut meteen uitsluitend met eigen materiaal doen. En dat blijkt werkelijk ijzersterk. Zowel de pennenvruchten van frontvrouwe Angelina Lundh als die van mandolinevirtuoos Mikael Grund zullen zo menig een Amerikaanse collega ogenblikkelijk het schaamrood op de wangen jagen. En ook hun met collega’s Anders Ternesten (banjo en reso-gitaar), Jimmy Hermansson (leadgitaar en backing vocals) en Carl Karlsson (staande bas) gebrachte vertolkingen ervan zullen gegarandeerd monden gaan doen openvallen aan de andere kant van de oceaan. Veel beter kan je dit immers amper doen.

Mooie Lundh reserveert hiermee wat ons betreft zelfs met stip een eigen stekje in het kielzog van gerespecteerde vrouwelijke collega’s als een Alison Krauss, een Rhonda Vincent, een Claire Lynch en aanverwanten. Zo goed, vraagt u? Zo goed indeed!

Dunderhead, Rootsy

 

ANDREW MAXWELL MORRIS “Well Tread Roads” (Andrew Maxwell Morris)

(3,5****)

Scoren met een plaat boordevol knappe rootsmuziekjes, we zien het Jef Vermassen nog niet meteen doen… Maar het kan dus wel degelijk, he! Dat bewijst de in Australië geboren maar ondertussen al een poosje in Engeland wonende strafpleiter Andrew Maxwell Morris met z’n debuut “Well Tread Roads”.

De tien liedjes daarop weerspiegelen enerzijds duidelijk ’s mans voorliefde voor vooral in de seventies populaire acts als James Taylor, Jackson Browne en The Eagles, maar anderzijds toch ook een zekere hang naar Americana, folk en pop anno nu. Veelal bedient hij zich daarbij van eerder melancholisch aandoende melodieën. En da’s eigenlijk maar logisch ook, want die kleuren nu eenmaal het best bij z’n best wel wat aparte stem. Deed ons bij momenten een heel klein beetje denken aan die van Paul Buchanan van The Blue Nile.

Sfeervolle miniatuurtjes zijn het, waarin niet zelden onbeteugelde verlangens een centrale rol blijken te spelen. Verlangens naar vriendschap, liefde, een thuis en andere. Met als voor ons mooiste exponenten het sterk filmisch aandoende titelnummer, de werkelijk sublieme pianoballade “In A Heartache” en het in al z’n verkillende eenvoud al even beklijvende “Friday Night”.

Een typische groeiplaat eigenlijk.

Andrew Maxwell Morris

 

SHOUTIN’ RED “Introducing: Shoutin’ Red” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

Op haar debuutplaat “Introducing: Shoutin’ Red” doet de jonge Zweedse Felicia Jangard Nielsen twaalf nummers lang haar uiterste best om te klinken als een eigentijdse versie van bluesgrootheid Memphis Minnie. Een opzet, waar ze an sich best wel goed in slaagt ook. In een productie van lokale jazzdrumheld Bosse Skoglund kronkelt ze zich stemgewijs tot diep in de voetsporen van haar legendarische voorbeeld.

De vraag is alleen maar: wie zat er echt te wachten op een zoveelste reeks covers van dingen als “Geordie”, “I Look Down The Road And I Wonder”, “Hesitation Blues”, “Seven Dark Strangers”, “Statesboro Blues”, “Frankie And Albert” en andere. Zeker in tijden, waarin het slechts enkele muisclicks vergt om je de originelen toe te eigenen…

Laten we het hier dus maar houden op een verdienstelijke poging om wat klassieke en minder klassieke akoestische blues- en folkdeunen van een laagje stof te ontdoen. Wat daarbij in het voordeel van de vierentwintigjarige Zweedse pleit zijn haar knappe stem en dito gitaarspel.

Shoutin’ Red, Rootsy

 

NEW RISING SUN “We’re All Coming Home” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(3,5****)

New Rising Sun is een jong bandje van eigen bodem, dat op hoogst creatieve wijze een brug weet te slaan tussen in essentie toch behoorlijk van elkaar verschillende muziekgenres als folk, country, blues en rock. Met als gevolg een compleet eigen smoelwerk, een sound als geen ander. “We’re All Coming Home” is al het derde album van de uit Dries Bongaerts (zang, gitaar, banjo), David Hermans (elektrische gitaar, mondharmonica), Diego Faes (bas, contrabas), Sandro Rossi (toetsen, viool) en Tim Caramin (drum) bestaande groep. Hoog tijd dus voor een nadere kennismaking, vonden wij.

En die beviel ons, om maar meteen met de deur in huis te vallen, bijzonder goed! De grote meerderheid der songs op “We’re All Coming Home” valt op door z’n geweldige maturiteit. We kennen heel wat buitenlandse acts die zonder aarzelen een moord zouden begaan voor veritabele prachtliedjes als “The Day My Love For You Will Die”, “Sad Sad World”, “Diggin’ Me A Hole” en andere. Hoe grenzen tussen genres daarin vrijwel voortdurend onopvallend vervagen spreekt tot de verbeelding.

In “The Day My Love For You Will Die” lijkt het zo bijvoorbeeld wel, alsof Nick Cave de old-time country-toer op wil. Maar dan wel met een ommetje langs de blues. En in “We’re All Coming Home” herkenden wij zowel elementen uit alternatieve country als uit gypsy folk. Iets waar de inzet van een banjo en een fiddle wellicht niet geheel vreemd aan zullen zijn.

Het lichtjes fantastische “Diggin’ Me A Hole” is op zijn beurt ingetogen Americana van het werkelijk allerbeste soort, “On Our Way” zouden we durven te omschrijven als een banjogeleide folkrockexcursie, “Stranger In The Night” als een rootsy rockballade en het meteen daaropvolgende “Easy Diamonds” als de rockende variant daarop. Lekker Ribot-esk gitaartje trouwens, in dat laatste!

Resten dan nog: het door z’n haast Youngiaanse urgentie opvallende protestliedje “Sad Sad World”, het onthaaste verlengstuk daarvan “40 Years In The Desert”, de sfeervolle trage “Stay Away From Me” en de na een wat terughoudende intro compleet openbarstende folk rock beauty “Wait”.

New Rising Sun, Starman Records

 

WRINKLE NECK MULES “I Never Thought It Would Go This Far” (Lower 40 Records)

(4****)                

Zwarte katten moet je te allen tijde mijden. Ze brengen je immers niks anders dan ongeluk. Dat wil althans het er rond bestaande bijgeloof. Maar daar trekken wij ons met z’n allen lekker niks van aan natuurlijk… Al was het alleen al maar, omdat we ons vooral de alweer uitstekende nieuwe van de Wrinkle Neck Mules niet door de neus willen laten boren. Want op het frontje daarvan prijkt… Yep, een vervaarlijk ogende zwarte kat!

De dertien tracks op het titelgewijs natuurlijk nadrukkelijk op het eigen langdurige groepsbestaan alluderende “I Never Thought It Would Go This Far” werden in een met Rob Evans gedeelde productie vorig jaar in mei tijdens een in totaal amper acht dagen in beslag nemende sessie analoog ingeblikt. En het valt gelijk op, dat nogal wat van de nieuwe songs daarop behoorlijk bedaard uitvallen. Je zou kunnen stellen, dat de nadruk in vergelijking met voorganger “Apprentice To Ghosts” wat verschoven is van roots rock naar alternatieve country. En ik moet zeggen, mij bevalt die shift best wel.

Duidelijk Americana-georiënteerde songs als het mede door het lekkere toetsenwerk van gast Mark Goldstein erin door een soulvol randje opvallende “Mustang Island”, het onder meer banjogewijs z’n roots vet onderlijnende “Bury My Gold” en de aanstekelijke opener “Whistlers & Sparklers” scoorden vrijwel meteen zeer hoog op mijn persoonlijke appreciatiemeter. En op de keper beschouwd deden eigenlijk ook de resterende tien deunen dat wel. Van de knappe alternatieve countryslepers “Beehive” en “Release The Reins” en het voorzichtig het tempo wat opdrijvende “Heaven’s High” tot het ons best wel wat aan huisfavorietje Frog Holler – Hoe zou het nog met die groep zijn? – herinnerende “Token”, van het wél een aardig eindje wegrockende “Sugar Bowl” en het meteen daarna gelijk ook weer flink gas terugnemende “Never Was The Bird” tot het met old-time country en rock tegelijk flirtende “Undertaker’s Song”, van het gloedvolle duo “Days Don’t End” en “Tropical Depression” tot afsluiter “The Line’s Been Drawn”, ik zou hier echt wel durven te spreken van “alle dertien goed”.

Meer nog: voor mij behoren de Wrinkle Neck Mules na dit “I Never Thought It Would Go This Far” meer dan ooit tot het allerbeste wat het alternatieve countrygenre dezer dagen (nog) te bieden heeft. Dit horen is het gegarandeerd ook kopen… U bent bij dezen gewaarschuwd!

Wrinkle Neck Mules

 

HANS THEESSINK & TERRY EVANS “True & Blue” (Blue Groove / Music & Words)

(4****)

Na twee eerdere studioplaten samen is er nu ook het eerste live-album van het duo Hans Theessink en Terry Evans. En sta mij toe om het te zeggen: ik heb daar echt wel naar uitgekeken. Met hun twee vorige worpen samen, het met Ry Cooder in de buurt ingeblikte “Delta Time” en het werkelijk magistrale “Visions” van ondertussen toch ook al zo’n jaar of zeven geleden, hadden de beide heren mij immers genadeloos gevloerd. Dat zijn allebei platen waar je als blues & roots aficionado geregeld graag naar terug blijft grijpen. Ware beauties!

En ook “True & Blue” zal hier de komende dagen, weken, maanden en jaren ongetwijfeld een dergelijk lot beschoren gaan blijken. Dat vorig jaar in de Weense Metropol ingeblikte geheel illustreert misschien nog wel mooier dan zijn voorgangers, hoe goed Theessink en z’n Amerikaanse vriend elkaar wel aanvoelen, aanvullen ook. Met z’n tweetjes live, zonder geruststellend vangnet om op terug te vallen voor als het even fout mocht gaan, stelen ze hier op compleet ongedwongen wijze ruim zeventig minuten lang de show.

Geopend wordt er met de fraaie Theessink-compositie “Demons” van het album “Visions”. De eerste van een reeks van zes nummers van de Nederlander die de revue zullen passeren. Ook de werkelijk zalige tragen “Vicksburg Is My Home” en “Shelter From The Storm”, het met een fijn streepje mondharmonica opgewaardeerde “Delta Time”, het sympathiek schokschouderend wat richting R&B overhellende “I Need Money” en het ritmisch al even sterke “Tears Are Rolling” moeten er wat verderop immers nog aan geloven.

Tussendoor zijn er covers van onder meer Leadbelly’s “Bourgeois Blues”, J.B. Lenoirs “Talk To Your Daughter”, Robert Johnsons “Cross Road Blues” en de onder andere door The Five Keys de eeuwigheid ingezongen Billy Hill classic “The Glory Of Love”. En van “Gotta Keep Moving” ook, een nummer dat Evans ooit nog samen met z’n maatje Bobby King en hun beschermheer Ry Cooder pende.

Twee elkaar op uitzonderlijk mooie wijze complementerende stemmen, twee gitaren en een mondharmonica, meer was er duidelijk niet nodig om ze daar in het verre Wenen één van de avonden van hun leven te bezorgen. Het was er voorzichtig even kloppen op de poorten van de blueshemel. Met een gezonde dosis soul(gevoel) als welgekomen surplus. Echt enig mooi allemaal!

(Releasedatum: 17 april 2015.)

Hans Theessink, Terry Evans, Music & Words

 

BAND OF RUHKS “Band Of Ruhks” (101 Ranch Records)

(4,5*****) 

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: dit is een werkelijk van de eerste tot de laatste noot hoogst genietbare bluegrassplaat! Maar ja, het betreft hier dan ook niet de minsten, he. Bij nader inzicht hebben we hier immers te maken met een soort van reünie van de Lonesome River Band in z’n hoogdagen. Het van The Rambling Rooks onlangs tot Band Of Ruhks omgedoopte trio waarmee we hier geconfronteerd worden bestaat immers uit niemand minder dan Ronnie Bowman (zang, slaggitaar), Don Rigsby (zang, mandoline, mandola, altviool) en Kenny Smith (zang, gitaren).

En dat door de wol geverfde drietal zingt en speelt hier ruim dertien nummers lang de pannen van het spreekwoordelijke dak. Geflankeerd door gerenommeerde en minder gerenommeerde gasten als de grote Ralph Stanley himself (gezongen intro tot de nu al klassieke eerste single “Coal Mining Man”, een nummer dat Bowman schreef samen met collega Mark Collie), Lee Ann Womack (tenorzang in het moody “Rendezvous With Danger”), bassisten Alan Bartram en Bary Bales, banjovirtuozen Rob McCoury, Scott Vestal, Ron Stewart en Justin Moses (ook resonator), fiddlers Stuart Duncan en Jimmy Van Cleave, resonatorgitaristen Rob Ickes en Jimmy Stewart, drummer-percussionist Chris Brown, accordeonist Jeff Taylor (ook penny whistle) en Eamon McLoughlin (strings) leveren de drie een album af, dat zowel bij halsstarrig aan tradities vasthoudende liefhebbers van het bluegrassgenre als bij de toekomst meer open-minded tegemoet kijkende volgelingen ervan zou moeten kunnen aanslaan.

Werkelijk alles lijkt immers te kloppen op het daardoor zeer gestroomlijnd aandoende “Band Of Ruhks”. Het samenspel tussen de heren onderling en hun gasten is nergens minder dan sprankelend. Waarbij wel onmiddellijk dient te worden opgemerkt, dat elke vorm van virtuositeit hier voortdurend volledig ten dienste van het liedje komt te staan. De samenzang dan maar? Ook die blijkt hier werkelijk hemels!

Net als het gros van de gebrachte liedjes trouwens ook. Onder zes van de dertien daarvan prijkt ook de naam van “mooizinger” Bowman. Hem mag je dus zeker de spilfiguur van de Band Of Ruhks noemen. Verder nog een trits liedjes speciaal voor de gelegenheid aangedragen door anderen en onder meer ook covers van de Leon Payne-klassieker “Lost Highway” en de Ierse evergreen “Danny Boy”.

Wat ons betreft zonder meer een aanrader van formaat, dit “debuutalbum”!

Band Of Ruhks

 

JOE PUG “Windfall” (Loose Music)

(4****)

Het kan verkeren… Leek het er eind 2013 nog op, dat we Joe Pug voorgoed aan het verliezen waren, dan slaat die nu, amper anderhalf jaar later, keihard terug. De Texaanse songsmid slaagde er de voorbije maanden immers in om in z’n persoonlijke leven weer alles op een rijtje te krijgen en vond zodoende meteen ook weer de voor z’n artistieke bestaan broodnodige innerlijke rust terug. En dat resulteert hier en nu in een alweer uitstekende nieuwe plaat.

En geen wonder eigenlijk, dat er daarop een behoorlijk centrale rol weggelegd blijkt voor het thema weerstand bieden. Je kan als songsmid je eigen leven nu eenmaal niet helemaal wegvlakken als het gaat om het creëren van nieuw materiaal. Vandaar dat we hier zowel worden geconfronteerd met wat citaten ontleend aan de recente, wat donkerdere pagina’s uit de dagboeken van Pug als met de eerste straaltjes nieuw zonlicht in z’n leven. Met een op stapel staand huwelijk als het voorlopige hoogtepunt.

Tenzij je het van de artistieke kant bekijkt natuurlijk. Dan zou dat de opvolger van “Messenger” uit 2010 en “The Great Despiser” van zo’n twee jaar later moeten zijn uiteraard. Een plaat, waarop Pug het louter muzikaal gezien her en der over een totaal andere boeg gooit. En dat leverde hem recentelijk onder meer al vergelijkingen op met collega’s als een Josh Ritter, een Richard Buckner, een Ryan Adams, een M. Ward en een Mark Erelli. Schoon gezelschap dus!

Duane Lundy tekende voor de bijzonder subtiele productie van “Windfall”. Hij begeleidde Pug doorheen een tiental veelal eerder melancholiek aandoende liederen. Introspectie blijkt daarbij een sleutelwoord. En daarbij hoort natuurlijk een zo bescheiden mogelijk gehouden akoestisch instrumentarium. Al hoorden we hier en daar ook wel even een elektrische gitaar.

Nogal wat ballades op “Windfall” dus, maar toch ook enkele “vreemde eenden in de bijt”. Het bedaard countryrockende “Burn And Shine” is er zo bijvoorbeeld al eentje. En ook “The Measure” wel, al gaat Pug ook daarmee zeker niet meteen de bocht uit gaan.

Onze lievelingsmomenten op “Windfall”: de heerlijke, door Pat Sansone (Autumn Defense, Wilco) van wat fraai toetsenwerk voorziene trage “If Still It Can’t Be Found”, het “moody” “Veteran Fighter” en vooral ook de ondertussen naar verluidt al tot live-favorietje uitgegroeide sleper “Oh My Chesapeake”.

Kort samengevat: alweer een prima plaat, deze derde volwaardige langspeler van Joe Pug.

Joe Pug, Loose Music

 

WILL HOGE “Small Town Dreams” (Cumberland Records)

(4****)

Met het nummer “Strong” van z’n vorige cd “Never Give In” scoorde de sympathieke Will Hoge negen albums diep in z’n carrière totaal onverwacht een knoeperd van een hit. En dat heeft hier zo z’n gevolgen! Je moet het ijzer smeden als het heet is, moet de beste man gedacht hebben en dus ging hij voor een op de keper beschouwd behoorlijk commercieel aandoend geheel.

Voor de productie tekende hij in tegenstelling tot voor z’n jongste drie platen niet zelf, maar huurde hij de je misschien ook wel van z’n werk met Marc Broussard en Eric Paslay bekende Marshall Altman in. En die laat hem hier heerlijk knallen! Elf nummers lang flirt Hoge met hitlijsten allerhande. En dat kan ook haast niet anders, als je weet dat hij het gros van de nummers op “Small Town Dreams” schreef samen met collega’s als Gary Allan, Chris Stapleton, Adam Hood, Jessi Alexander, Eric Paslay, Tommy Lee James, Brett Beavers en anderen.

De vanuit Nashville actieve Hoge noemt z’n tiende zelf z’n meest representatieve plaat so far. Ze zou niet enkel tonen wie hij als artiest is, maar vooral ook waar hij vandaan komt. En dat verklaart meteen helemaal het inhoudelijke aspect van een aantal van de nummers erop. Zo is er bijvoorbeeld de geweldige, samen met Jessi Alexander en Tommy Lee Jones gepende eerste single “Middle Of America”. Doet een beetje denken aan John Mellencamp ten tijde van z’n klassieker “Jack & Diane”, die zalige rocker. Als dat geen monsterhit wordt, tja dan weten wij het ook niet meer…

En met materiaal van dat kaliber blijkt “Small Town Dreams” op de keper beschouwd echt tot de nok toe gevuld. Openingsnummer “Growing Up Here” lijkt zo bijvoorbeeld weggelopen van het repertoire van Tom Petty, “They Don’t Make ‘Em Like They Used To” is een zaligheid van een achteromkijkende ballad en “Better Than You” geeft zo menig een Texaanse countryrockster anno nu het nakijken. “Little Bitty Dream” blijkt op zijn beurt dan weer een vertederend rustpuntje, “Guitar Or A Gun” klinkt net zo verontrustend als z’n titel dat a priori al doet vermoeden en “All I Want Is Us Tonight” zou wel eens een stralende toekomst als stadionrockhymne tegemoet kunnen gaan. De pianoballade “Just Up The Road”, het sympa bar-rockend aan eerdere Hoge-platen herinnerende “Desperate Times”, het atmosferische “The Last Thing I Needed” en het er gelijk als bezeten vandoor gaande “’Til I Do It Again” vervolledigen aansluitend een wat ons betreft quasi perfect songelftal.

“The last time I do it, ‘til I do it again”? Hoge hoeft er voor ons echt niet al te lang mee te wachten…

(Releasedatum: 7 april 2015.)

Will Hoge

 

ROB LYTLE “A Hypocrite Of Heart And Hope” (Heart And Hope Music)      

(3,5****)               

Na jaren van “leven in z’n wagen” besloot de Amerikaanse singer-songwriter Rob Lytle ergens rond de eeuwwisseling om er tijdelijk het bijltje bij neer te leggen. De volgende veertien jaren van zijn bestaan zou hij zich met volle overgave op de liefde van z’n leven storten. Z’n huwelijksleven en z’n nog jonge familie werden vanaf dat moment z’n full-time-prioriteiten. Tot hij ergens laat in 2009 plots opnieuw last kreeg van de “liedjesmicrobe”. Met een jaar of twee later zelfs een plaats in de finale van de prestigieuze Kerrville Folk Festival Songwriting Competition tot gevolg. En pas echt culminerend in de prima onthaalde cd “You. Must. Stop.” nog in datzelfde jaar. Lytle’s carrière als artiest stond meteen keurig terug op de rails.

En dus moest er ook wel een vervolg komen. Act twee van z’n muzikale wedergeboorte, zeg maar. En die is er nu met het door de gerenommeerde Thomm Jutz geproduceerde “A Hypocrite Of Heart And Hope”. Daarop presenteert Lytle ons tien uit de bast van het leven zelve gesneden eigen liedjes, die zijn reputatie van eloquente woordkunstenaar hoegenaamd alle eer aandoen. In het gezelschap van de eerder al genoemde Jutz (gitaren), Mark Fain (bas), Barry Walsh (toetsen), Lynn Williams (drums en percussie), Terry Crisp (pedal steel) en Britt Savage en Peter Cronin (harmony vocals) schuift hij geduldig aan in het rijtje met enigszins vergelijkbare singer-songwriters als een John Gorka, een Terence Martin, een Jeff Talmadge en anderen. U weet wel, dat van schrijvers van doorgaans innemende liedjes met op de koop toe prachtige gebronsde stemmen. Schrijvers, doorgaans actief in de schemerzone tussen folk en Americana.

En daar vond Lytle voor ons dingen als het uit pure liefde opgetrokken “Come South”, het bedaard rockend de lente inluidende “The Way We Used To Love”, de prachtige, wel heel erg persoonlijke pianoballade “Mother, Can You Hear Me?” en het al even verbluffend mooie streepje verhalende country “Drunk Girl”. Met name dat laatste is een echt blijvertje. Met op de achtergrond de zachtjes jammerende pedal steel van Crisp gaat onze man daarin op zoek naar een dronken meid voor één nacht. Echt mooi hoeft ze niet eens te zijn. Wat goedlachs gezelschap tot de volgende morgen volstaat ruimschoots, dank u…

Rob Lytle

 

ROBIN ADAMS “The Garden” (Backshop Records)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n nieuwe langspeler “The Garden” op m’n schrijftafel belandde eigenlijk nog nooit iets gehoord had van Robin Adams. De vanuit Glasgow naar verluidt al een flinke poos aan de weg timmerende songsmid was er effectief drie albums lang in geslaagd om zich aan het zicht van m’n nochtans immer actieve radar te onttrekken. En over z’n eerdere worpen “Down To Reverie” uit 2008 en “Be Gone” en “Robin Adams’ Train Crash Choir” uit 2011 hoef je me dan ook niks te vragen. Die moet ik zelf dringend nog gaan ontdekken.

Dringend, omdat ’s mans nieuwe worp “The Garden” me ondertussen wél ergens midscheeps geraakt heeft met alle gevolgen van dien. Ik werd echt overdonderd door het liedjestiental daarop. Liedjes, die me in al hun eenvoud herinnerden aan groten der aarde als een Nick Drake, een Bert Jansch en een John Martyn. Knapen, die Adams, met uitzondering van laatstgenoemde, ook zelf opsomt als inspiratiebronnen trouwens. Naast onder meer ook nog John Fahey, Neutral Milk Hotel, Arthur Rimbaud en Vincent van Gogh.

En met name die laatste liet zwaar z’n stempel achter op “The Garden”. Nogal wat van de liedjes erop baseren zich voor hun inhoud immers op het leven en de dood van de vermaarde schilder. Het merendeel ervan is thematisch in de weer met de immer in én met z’n bestaan worstelende artiest. Iets wat Adams en van Gogh zo op het eerste gezicht tot op zekere hoogte met elkaar lijkt te verbinden.

En ook met betrekking tot z’n modus operandi heeft Adams duidelijk gehandeld met van Gogh in het achterhoofd. Hij nam “The Garden” immers volledig op in z’n eigen slaapkamer. Met uitzicht op de tuin uiteraard. (Of waar dacht je dat die titel vandaan kwam?) Hij benaderde z’n liedjes zoals Van Gogh z’n schilderijen. Ze moesten als het ware het moment van hun ontstaan in zich vangen.

Het resultaat zijn tien wel heel erg persoonlijk ingevulde luisterliedjes. Liedjes, die aan een minimum aan instrumentale begeleiding genoeg hebben om je als luisteraar keer op keer opnieuw te blijven bekoren. Veel meer dan een akoestische gitaar en occasioneel een mondharmonica blijkt daarvoor niet nodig. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “things of beauty” als het titelnummer, de single “Holy Smoke”, “Keep Me”, “Troubled Skies” of “Right To Run”. Van liedjes als deze zou de oude Keats ongetwijfeld gezegd hebben, dat ze “a joy forever” waren…

(Releasedatum: 13 april 2015.)

Robin Adams op MySpace

 

TOM RUSSELL “The Rose Of Roscrae” (Proper Records / Bertus)

(4,5*****) 

Van een ambitieus project gesproken! Songsmid Tom Russell ziet de dingen hier wel heel erg groots… Tweeënvijftig tracks, goed voor net geen honderd vijftig minuten entertainment van het betere soort. Voor z’n derde “folk opera” heeft de Amerikaan duidelijk alle registers opengetrokken. “The Man From God Knows Where” uit 1999 en “Hotwalker” van een jaar of tien geleden hebben er hiermee een aardig in het oog springende opvolger bij.

Via het verhaal van een Ierse jongen die ergens aan het eind van de negentiende eeuw naar de States reist om er cowboy te worden biedt “The Rose Of Roscrae” ons een uitermate boeiende kijk op de geschiedenis van het Amerikaanse Westen en van traditionele cowboy- en folkmuziek. En daarvoor passeren nogal wat bekende namen de revue. Een veritabele “who’s who” aan Americana-iconen trekt hier voorbij. We noemen in dat verband onder meer Jimmie Dale Gilmore, David Olney, Johnny Cash, Joe Ely, Augie Meyers, Fats Kaplin, Moses Clear Rock Platt, Gretchen Peters, Walt Whitman, Ramblin’ Jack Elliott, Jack Hardy, David Massengill, Tex Ritter, A.L. Lloyd, Finbar Furey, Sourdough Slim, Blackie Farrell, Ross Knox, Glenn Orhlin, Pat Russell, John Trudell, Thad Beckman, Maura O’Connell, Eliza Gilkyson, Ana Gabriel, Ian Tyson, Bonnie Dobson, Lead Belly, Guy Clark, Dan Penn, Gurf Morlix en Pat Manske. En ook het je vast nog wel van Russells vorige cd “Aztec Jazz” bekende Norwegian Wind Ensemble is weer van de partij. Voor de door Mats Hålling gearrangeerde en met Jimmie Dale Gilmore gebrachte ouverture tot “The Rose Of Roscrae” met name.

De term chef d’oeuvre is hiervoor wel op z’n plaats, menen we. Niet enkel het concept, het verhaal en de uitgebreide lijst met betrokkenen spreken immers geweldig aan, maar ook nogal wat van de en passant ten gehore gebrachte liedjes. Iets als dit hoorden we eigenlijk gewoon nog nooit! Eén lange luistertrip zonder weerga is het! Ga er maar eens goed voor zitten… Het loont!

(Releasedatum: 13 april 2015.)

Tom Russell, Proper Records

 

POKEY LAFARGE “Something In The Water” (Rounder Records)

(4****)

“Amerikanen houden ervan om zichzelf opnieuw uit te vinden, maar helemaal weg van de plaats waar je vandaan komt raak je nooit,” aldus Pokey LaFarge. “En in een geglobaliseerde wereld als die van nu zijn er, denk ik, zelfs bepaalde delen van onze regionale identiteit waar we maar beter halsstarrig kunnen aan vasthouden, die we maar beter kunnen koesteren.” Het verklaart meteen ten volle, waarom het Amerikaanse Middenwesten – The Midwest klinkt echt zoveel beter… - zo’n essentiële rol speelt in z’n muziek. En met name dan op z’n nieuwe worp “Something In The Water”. De vanuit St. Louis actieve LaFarge groeide er immers op. En vooral ook: hij genoot er zijn muzikale vorming.

Voor dat nieuwe album riep LaFarge de productionele hulp in van de hier te lande vooral om z’n werk met JD McPherson bekende Jimmy Sutton. En die gidste hem op buitengewoon vaardige wijze doorheen een twaalftal nieuwe songs. Enkele daarvan, met name de intimistische inleiding tot de kunst van het verleiden “When Did You Leave Heaven” en het echt wel rete-swingend gebrachte “All Night Long”, zijn herinterpretaties van oude blues standards. Het leeuwendeel van de songs zijn echter nieuwe LaFarge-originelen. En die blijken naar ondertussen goede gewoonte lang niet allemaal onder één en dezelfde hoed te vangen. Elementen uit vroege jazz, ragtime, country blues, Western swing en nog wel meer genres vinden allemaal wel ergens hun weg naar de bijzonder smaakvolle muzikale gumbo van LaFarge.

Titelnummer “Something In The Water” blijkt zo een erg lekkere stijloefening in gypsy swing, “Wanna Be Your Man” is ragtime van de werkelijk bovenste plank en “Underground”, een even gewaagde als geslaagde hybride van jazz en retro rock, lijkt inderdaad bestemd tot een lang leven in de kontreien uit z’n titel. Het gevoelige “Cairo, Illinois” is vervolgens dan weer spek naar de bek van de crooner in LaFarge, “Actin’ A Fool” lijkt verwekt tijdens een heet nachtje gestoei met Western swing en voor de fraaie ballade “Goodbye, Barcelona” mag de vlag “exotica” even worden uitgerold. Het akoestische countrybluesje “Far Away”, het met name blazersgewijs wat zomerse R&B in zich naar binnen smokkelende “The Spark”, het wel heel erg nadrukkelijk richting Bob Wills-territorium uitwijkende “Bad Girl” en het wervelende “Knocking The Dust Off The Rust Belt Tonight” – Hét absolute prijsbeest hier! – mogen de feestelijkheden op gepaste wijze afsluiten.

(Releasedatum: 7 april 2015.)

In het kader van een wereldtournee zal LaFarge binnenkort ook Europa weer aandoen. Die brengt hem op 31 mei naar ons land voor een optreden op het Retrorama Festival in Brussel. Van 3 tot en met 7 juni gaat het dan richting Nederland. Op 3 juni staat hij in de Maassilo in Rotterdam, op 4 juni in de Oosterpoort in Groningen, op 5 juni in Paradiso in Amsterdam, op 6 juni op het Naked Song Festival in Eindhoven en op 7 juni in Doornroosje in Nijmegen.

Pokey LaFarge            

 

PAUL BRADY AND HIS BAND “The Vicar St. Sessions Vol. 1” (Proper Records / Bertus)

(3,5****)

In het najaar van 2001, in oktober om precies te zijn, stonden Paul Brady en z’n band liefst drieëntwintig keer op een rij op de planken van het legendarische Vicar St. in Dublin. An sich al een hele prestatie, maar die verbleekt nog bij het zien van de vele namen van bekende collega’s die indertijd voor een speciaal gastoptreden voorbijkwamen. En met de nieuwe cd van de Ierse troubadour krijgen we een eerste fraai aandenken daaraan.

Daarop bevinden zich bij nader inzicht maar een drietal nummers die de brave man gewoon zelf ten beste geeft. Dat zijn respectievelijk openingsnummer “I Want You To Want Me”, “The Soul Commotion” en het ook al heel erg soulvolle “Believe In Me”. In alle andere voor het geheel weerhouden tracks zijn het vooral Brady’s gasten, die even de vocale hoofdrol voor zich opeisen.

De donkerbruine grom en de uit duizenden herkenbare gitaar van ex-Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler mogen zo bijvoorbeeld de sfeer bepalen in het fraaie “Baloney Again”, Gavin Friday en z’n secondant Maurice “The Man” Seezer geven acte de présence voor de ook na al die jaren nog hemels klinkende popdeun “Nobody Knows” en de immer opvallende Sinéad O’Connor waadt a capella doorheen “In This Heart”. Van Morrison levert dan samen met Brady naar ons gevoel hét absolute hoogtepunt van de plaat met een werkelijk van de Keltische soul bulkende vertolking van “Irish Heartbeat”. En ook Bonnie Raitt is naar goede gewoonte in prima doen in het in duet met haar gastheer gebrachte “Not The Only One” en het beleefd wereldwijs rockende “The World Is What You Make It”.

Bijzonder aangenaam verrast werden we vervolgens dan weer door de bijdrage van Curtis Stigers. Die brengt in een tot het absolute minimum gereduceerde setting van een akoestische gitaar en een piano samen met Brady de bloedmooie, door hemzelf samen met Beth Nielsen Chapman geschreven ballade “Don’t Go Far”. En wat te denken van de doortocht van tienermeisjesidool Ronan Keating hier? Ook die kleurt keurig binnen de lijntjes van het geheel met een krachtige vertolking van “The Long Goodbye”. Net als de lichtjes fantastische Eleanor McEvoy, die met Brady ter ondersteuning aan de piano een huiveringwekkend schone vertolking van haar eigen “Last Seen October 9th” uit de mouw schudt.

Afgesloten wordt er met een Bob Dylan-cover. Met het Brady werkelijk op het lijf geschreven “Forever Young” met name. En daarvoor weet hij zich in wel zeer goed gezelschap! Want zeg nu zelf, met Mary Black, Moya Brennan en Maura O’Connell samen op de bühne mogen staan, wat kan een mens zich nog meer wensen? Niet veel, lijkt ons…

Alhoewel… Laat die volgende volumes maar vlug komen!

(Releasedatum: 17 april 2015.)

Paul Brady, Proper Records

 

ROB MCNURLIN “Blue Nashville Guitar” (Buffalo Skinner Recordings)

(5*****)

Voor een potje heerlijk authentiek aandoende verhalende country is er dezer dagen amper een beter adres dan dat van Rob McNurlin. Zo goed als op ’s mans nieuwe cd “Blue Nashville Guitar” hoor je ze immers niet al te vaak meer! Elf nummers lang neemt hij je daarop mee naar betere tijden. Naar tijden toen country nog geen vies woord was. Nog geen ten onrechte op confectiemateriaal geplakte term. Naar tijden toen knapen als Hank, Lefty, Webb, Johnny, Merle en anderen nog volop regeerden.

De liedjes op “Blue Nashville Guitar” schreef McNurlin allemaal na zijn recente verhuis naar Nashville. Met uitzondering dan van pièce de résistance “That Old Guitar”, maar daarop komen we hier later nog even terug. Zelf heeft McNurlin het in de liner notes in verband met “Blue Nashville Guitar” over “een album speciaal voor Nashville”. Het Nashville, dat een zesjarige knaap ooit aan het dromen zette.

Hét absolute klapstuk op “Blue Nashville Guitar” is ontegensprekelijk het aan het album z’n titel verlenende “That Old Guitar”. Dat nummer schreef McNurlin nadat hij van Marty Stuart tijdens een optreden gebruik had mogen maken van een gitaar die ooit nog aan de grote Hank Williams toebehoord zou hebben. Stuart had ze gekregen van z’n schoonpa Johnny Cash, die ze op zijn beurt van Hank Williams Jr. had ontvangen. En als we de legende geloven mogen, had die ze van Hank Sr. himself. Dat in zoiets voor een uitstekende songsmid als McNurlin een prachtdeuntje schuilt, spreekt bijna voor zich.

En ook voor de thema’s van de overige liedjes op “Blue Nashville Guitar” plukt McNurlin er lustig op los uit het leven zelve. Uiteraard is de liefde daarbij ook weer van de partij. Zoals in het rustig voorbij kabbelende openingsnummer “My Love Will Be There” bijvoorbeeld al en in het in onvervalste C&W style neergelegde “Western Sky”. En die andere countryklassieker, eenzaamheid, ontbreekt natuurlijk ook niet op het appel. Luister daarvoor bijvoorbeeld maar eens naar het zacht swingende “Blue Guitar” en het afsluitende “Who’ll Miss Me”.

Enkele verder eveneens nog aangekaarte onderwerpen: “the road” (in het louter muzikaal gezien best wel wat aan de jonge Cash schatplichtige “Take It On The Road”), treinen (in “Blow Whistle Blow”), de dood (in afsluiter “Who’ll Miss Me”) en Nashville (in de liefdevolle korte hidden bonus track).

Voor de productie van “Blue Nashville Guitar” tekende mcNurlin zelf. Studiohulp kreeg hij onder meer van de je misschien nog wel van Hank Snows Rainbow Ranch Boys bekende steelgitarist Kayton Roberts, snarenwonder Kenny Vaughan, drummer Jimmie Fadden (van de Nitty Gritty Dirt Band), bassist J.T. Cure en toetsenist Delmas Preston.

Dit zou straks wel eens dé countryplaat van 2015 kunnen blijken te zijn! Wij zijn er alvast helemaal ondersteboven van…

Rob McNurlin, CD Baby

 

TAYLOR LOCKE “Time Stands Still” (Lojinx)

(3,5****)

“Time Stands Still” is de eerste soloplaat van Taylor Locke. En die kende u allicht ook al wel als het zingende en de gitaarsnaren beroerende kopstuk van het populaire Britse popcollectiefje Rooney. Met die groep leverde hij tussen 2003 en 2010 een drietal redelijk succesvolle langspelers af.

Solo tracht hij naar eigen zeggen vooral handig alle valkuilen van het singer-songwritergenre te ontwijken. Geen louter aan één enkele akoestische gitaar opgehangen liedjes voor hem, neen, dank u. Hij mag het nu eenmaal graag wat meer aangekleed hebben. En dus klinkt “Time Stands Still” ook gewoon “like a band record”. “The band just takes occasional smoke breaks,” aldus Locke zelf daarover.

De liefde, het verlies daarvan, nostalgie en als mens rijper worden zijn slechts enkele van de vele door de beste man op z’n eersteling aangesneden onderwerpen. En voor het communiceren daarover bedient hij zich vrijwel doorlopend van catchy pop- en rockliedjes, waarin het bij momenten al even mag zomeren. Spul met andere woorden, dat in een rechtvaardige wereld probleemloos z’n weg richting de charts zal weten te weten. En al zeker de Britse dan!

Taylor Locke – Lojinx

 

JILL BARBER “Fool’s Gold” (V2 / Bertus)

(4,5*****)

“Fool’s Gold”, de ondertussen zesde van de Canadese liedjesschrijster Jill Barber, is wat ze in Engelstalige landen een echte must-have plegen te noemen. Een album, dat eigenlijk absoluut niet in je collectie mag ontbreken. Een tijdloos geheel, dat je keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Een weldadig zacht aandoende voorjaarsliedjesbui. Balsem voor door de vaak genadeloze jachtigheid van het leven anno nu stilaan barstjes vertonende zielen. Liedjes, die je als oude bekenden al van op een afstand staan toe te zwaaien. En da’s nu net het mooie, aangezien het hier op de keper beschouwd uitsluitend om nieuw materiaal uit de koker van Barber blijkt te gaan.

Tien nieuwe liedjes, die ze schreef samen met Steve Dawson, Les Cooper en Drew Jurecka, kort nadat ze haar zoontje op de wereld had gezet. Tussen de bedrijven van het jonge moeder zijn door als het ware. In een omgeving vervuld van liefde. En dat hoor je eraan ook.

Gelijk van bij het naar onze bescheiden mening beslist hitgevoelige openingsnummer “Broken For Good” is het al prijs! Dat streepje bedaarde, maar tegelijk ook ongemeen soulvolle R&B mag wat ons betreft elk uur opnieuw op de radio. En dat geldt voor wel meer dingen hier! Van de zo menig een grote jazzchanteuse in herinnering roepende sleper “The Least That She Deserves” tot de ons louter gevoelsmatig een beetje aan “Say What You Want van het Schotse hitgroepje Texas herinnerende lome popparel “Let’s Call It Love”, van het ook al richting de sterren gecroonde “The Careless One” tot het je lichtvoetig over de hardhouten dansvloer van betere tijden leidende “If Only In My Mind”, van de broeierige trage “To The Last” tot het de gelukzalige gevoelens uit z’n titel werkelijk perfect verklankende “Lucky In Love”, van het speelse bluesy niemendalletje “Darlin’ It Was You” tot het ongegeneerd zomaar een stekje voor zichzelf in het “Great American Songbook” claimende “Only You” of het afsluitende “If You’re Going To Break My Heart”, het zijn echt stuk voor stuk parels van liedjes!

Liefhebbers van gloedvolle stemmen en liedjes die op ongedwongen wijze herinneringen oproepen aan tijden die lang achter ons liggen zouden daarmee genoeg moeten weten…

Jill Barber

 

BELLA HARDY “With The Dawn” (Noe Records)

(4****)

“With The Dawn” is al Bella Hardy’s zevende soloplaat. Maar wel haar eerste sinds ze in 2014 werd uitgeroepen tot BBC Radio 2 Folk Singer Of The Year. En da’s een belangrijk gegeven, als je weet dat de liedjes erop werden opgehangen aan haar eigen ervaringen tijdens het meteen daaropvolgende jaar. Aan de aangename, maar vooral ook aan de minder aangename. Titels als “The Darkening Of The Day”, “You Don’t Have To Change (But You Have To Chose)”, “Another Whisky Song”, “Oh! My God! I Miss You” en andere spreken wat dat laatste betreft boekdelen.

In een productie van Ben Seal levert dat elf veritabele heerlijkheden van liedjes op. Liedjes, die op uitzonderlijk mooie wijze ergens ver boven de begane grond onvervaard over het slappe koord tussen folk, Americana, pop en rock glijden. Liedjes, die Hardy probleemloos richting wat meer erkenning bij een veel ruimer publiek zouden moeten kunnen catapulteren. Liedjes, waarin traditionele instrumenten als fiddle, banjo en piano ondersteuning vinden bij moderne elektronica zonder dat die storend gaat werken. En dan vergaten we bijna nog de steeds opnieuw op subtiele wijze de neus aan het venster stekende blazers.

Het liefst van al zouden wij hier gewoon geen eigen songfavorieten naar voren schuiven. “With The Dawn” is immers typisch zo’n plaat die je het best in haar geheel kan genieten. Maar als u toch zou aandringen, dan zouden wij met als kandidaten voor de titel van primus inter pares wellicht op de proppen komen met het samen met collega Cara Luft gepende “Time Wanders On”, met de zelfs in al zijn eenvoud groots uitvallende oorwurm “The Only Thing To Do” en het sombere, op een banjobijdrage van producer Seal leunende “First Light Of The Morning”.

Wat ons betreft echt een aanrader van formaat, dit “With The Dawn”!

Bella Hardy

 

BRANT CROUCHER “Blanco County Lights” (White Cat)

(3,5****)

Je kan van de nog jonge Texaan Brant Croucher veel zeggen, maar dat hij een zittende kont zou hebben, neen, dat zeker niet. Sinds 1999 woonde de beste man op maar liefst eenendertig verschillende locaties. Dat leest u goed, ja: eenendertig!

Geen wonder dan ook, dat nogal wat van de liedjes op z’n debuut “Blanco County Lights” op de één of andere manier iets met rondzwerven te maken hebben. Met moving around en moving on, zoals hij het zelf noemt. Met rondtrekken en tegelijk in het leven vooruit geraken. En dat als beginnende troubadour.

Dat Croucher op de keper beschouwd eigenlijk pas aan de vooravond van een carrière als singer-songwriter staat, hoor je hier echter nergens aan. “Blanco County Lights” is een in alle opzichten voldragen worp. Een plaat zoals velen die pas maken na jaren van hard labeur en met de nodige kilometers op de teller. Elf nummers lang weet de Texaan te overtuigen. Het ene moment met nadrukkelijk folk- of countrygeoriënteerd spul, het andere met een (hit)gevoelige pianoballade of als behoorlijk swampy te bestempelen stuff. Te allen tijde doorleefd en goudeerlijk. Met een prachtige goudbruine stem als een bepaald niet te onderschatten bondgenoot. En met nogal wat bekende vrienden in de buurt. We noemen in dat verband onder meer producer Jack Saunders, drummer Rick Richards, violiste Eleanor Whitmore, toetsenman Riley Osbourn, dobrokanjer Lloyd Maines en collega’s singer-songwriters Libby Koch en Matt Harlan. En dan vergeten we er nog een paar, hoor…

Al bij al een prima plaatje met voor ons als leukste momenten de gevoelige Americana-ballade “When You Come To Me”, het voorzichtig op z’n Texaans countryrockende “Doing Well”, het door Lloyd Maines van wat fraai dobrowerk voorziene luisterliedje “Drink”, het titelnummer, het lekker zwierige “Still The One” en het werkelijk van het gevoel uit z’n titel barstende “Joie De Vivre”.

Brant Croucher, CD Baby

 

WHITEHORSE “Leave No Bridge Unburned” (Six Shooter Records)

(4****)

Bij het verschijnen van nieuwe platen van het uit Luke Doucet en Melissa McClelland bestaande Canadese duo Whitehorse zitten wij altijd wel ergens op de eerste rij. Die twee staan immers zowat garant voor kwaliteit. Zowel hun soloplaten als hun samenwerkingen als duo verdienen wat ons betreft zonder uitzondering elke mogelijke vorm van aanbeveling. Dat was al zo voor elk van de vier aan “Leave No Bridge Unburned” voorafgaande coöperaties en dat is ook voor die nieuwe weer zo.

Ook op die tweede echte volwaardige langspeler weer kent de creativiteit van Doucet en McClelland geen grenzen. In een productie van hun landgenoten Gus Van Go en Werner F lijken ze zelfs alleen nog maar meer muzikaal terrein te willen bestrijken dan voorheen. Gelijk vanaf openingsnummer “Baby What’s Wrong?” is het al goed prijs. Heerlijke roots pop, afkomstig uit dezelfde achterbuurten die Tom Waits en z’n secondant Marc Ribot ooit ook wel eens durfden te frequenteren, is dat. Vervolgens is er het atmosferische “Tame As The Wild Ones”, gecontroleerde gitaarrock met een bepaald niet geringe soundtrackpotentie. “Downtown”stoeit op zijn beurt dan weer met elementen uit pop, rock, surf en R&B. Een hoogst interessante en super catchy muzikale hybride is het resultaat.

“Sweet Disaster” begint als iets van de Zombies en twangt vervolgens ingehouden een aardig eindje door, “You Get Older” trekt al even aanstekelijk door richting alternatieve country en “Evangelina” klinkt als de Jesus & Mary Chain op de rootstoer. “The One I Hurt” sluipt daarna over iets van een Canned Heat groove richting elektrische folkrock, “Dear Irony” is een pracht van een onderkoeld gebrachte trage en het duetje “Fake Your Death (And I’ll Fake Mine)” is al bij al als eerder klassiek te bestempelen roots pop.

Voor “Oh Dolores” halen we in het kielzog daarvan graag weer eens even de term country rock uit de kast en voor het afsluitende “The Walls Have Drunken Ears” vervangen we in die omschrijving gewoon het woordje country door roots. Al rammelt dat nummer lang niet over z’n gehele lengte. Enigszins psychedelisch aandoende elementen bepalen bij nader inzicht zelfs de klankkleur van grote delen ervan.

Het moge ondertussen al wel even duidelijk zijn: muzikale avonturiers en omnivoren worden hiermee weer uitgebreid op hun wenken bediend!

Whitehorse, Six Shooter Records

 

MOORS & MCCUMBER “Pandemonium” (Moors & McCumber)

(4****)

Voor mij persoonlijk één van dé aangenaamste verrassingen van de voorbije weken is het Amerikaanse duo Moors & McCumber. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik voordat hun nieuwe cd “Pandemonium” onverwachts op mijn schrijftafel belandde nog nooit van die twee heren gehoord had. En da’s eigenlijk best wel vreemd te noemen, aangezien het daarbij toch al om hun vierde album blijkt te gaan. Raar, dat ik een dergelijke kwaliteitsact zo lang over het hoofd kon zien! Maar goed, dat wordt bij dezen dus even rechtgezet…

Waarom deze twee knapen uw en mijn aandacht dan wel verdienen, vraagt u? Wel, daarvoor laten zich nogal wat redenen opsommen. Eerst en vooral zijn er hun liedjes. Prachtige muzikale miniatuurtjes, zijn dat, veelal het midden houdend tussen roots pop, folk (rock) en alternatieve country. Briljant in al hun eenvoud! En gedragen door twee elkaar op werkelijk verbluffend mooie wijze aanvullende stemmen. Het doet je als luisteraar onwillekeurig terugdenken aan de hoogdagen van acts als Simon & Garfunkel en Crosby, Stills, Nash & Young. Al stranden James Moors en Kort McCumber hier louter muzikaal gezien allicht vaak dichter in het kielzog van groepen als Crowded House, The Thorns en de Jayhawks.

En vooral de naam van die laatste act hoeft hier niet echt te verwonderen. Het was immers “Hawk” Gary Louris die tekende voor de productie van “Pandemonium”. En meespelen en -zingen erop deed hij ook. Net als drummer Peter Anderson en bassist Craig Akin. Voor de rest van het gebezigde instrumentarium tekenden ofwel Moors ofwel McCumber zelf. De eerste betokkelde gitaren, een ukelele, een mandoline en een Ierse bouzouki. De tweede deed het op keyboards, cello, gitaren, Ierse tenorbanjo en bouzouki, fiddle, mandoline, accordeon, harmonica en diverse bassen.

Très sympa!

Moors & McCumber

 

KYLE CAREY “North Star” (Americelta Records)

(4,5*****)

In de States was dit album al ruim een half jaar uit, maar nu is het eindelijk ook hier officieel commercieel verkrijgbaar. En daar mogen we met z’n allen best wel blij om zijn, want wat Kyle Carey op haar tweede volwaardige langspeler brengt is werkelijk van een oorstrelende schoonheid. Twaalf liedjes serveert ze ons op de opvolger van haar ook al zeer mooie debuutplaat “Monongah” uit 2011 en de twee jaar geleden verschenen EP “One Morning In May” en die zijn werkelijk zonder uitzondering bloedmooi.

In een productie van Seamus Egan van het onvolprezen Iers-Amerikaanse folkcollectief Solas en met de nodige studiohulp van onder meer het duo Josienne Clarke (harmony vocals) en Ben Walker (akoestische en elektrische gitaren), fiddlers Chris Stout en Katie McNally, roots-snarenvirtuoos Dirk Powell (banjo, mandoline, piano), bassist Chico Huff, celliste Natalie Haas, Catriona McKay (harmonium), Craig Werth (Appalachian mountain dulcimer) James MacKintosh (percussie) en vocalisten Pauline Scanlon, Eamon McElholm en Gillebride MacIlleMhaoil weet Kyle Carey op haar nieuwe plaat het beste van drie werelden onder één hoed te vangen. Zelf spreekt ze in verband met het resultaat over Americelta of Gaelic Americana. En elk van die twee omschrijvingen geeft inderdaad perfect aan waar het hier allemaal om draait. Te weten een bijzonder geslaagde symbiose van Americana, traditionele Ierse folk en Schotse Gaelic-poëzie.

Met uitzondering van drie nummers blijkt het daarbij uitsluitend om eigen liedjes van Carey te gaan. Enkel het in het Gaelic gebrachte tweetal “Cairistiona” en “Sios Dhan An Abhainn”, je zeker ook bekend als “Down To The River” uit de succesprent “O Brother, Where Art Thou?”, en het afsluitende “Across The Great Divide”, een verbluffend mooie cover van dat nummer van één van haar eigen idolen, wijlen Kate Wolf, schreef Carey niet zelf.

Naast van die drie vreemde eenden in de bijt raakten wij op “North Star” vooral onder de indruk van de nummers “June Day”, “Casey Jones Whistle Blow”, “Nora O’Kane” en “Stone Creek”. Het eerste een zomers-speelse terugblik op het warme weer in haar tijdelijke thuishaven van een poosje geleden Australië, het tweede een hoogstpersoonlijke, enigszins old-timey aangeklede kijk op de legende van de al wel eens vaker bezongen treinconducteur Casey Jones. Voor prijsnummer “Nora O’Kane” liet Carey zich dan weer inspireren door een gedicht van Appalachen-dichteres Louise McNeill en “Stone Creek” ten slotte is gewoon een wolk van een folkballade. Zouden we alleen al durven te noemen omdat Carey’s stem er zo onwaarschijnlijk mooi in tot uiting komt, dat laatste liedje.

Een echte aanrader voor liefhebbers van het materiaal van dames als een Nanci Griffith, een Laurie McClain en een Diana Jones, als u het ons vraagt.

Kyle Carey, CD Baby

 

LYNN JACKSON & CHRIS BOYNE “The Acoustic Sessions” (Busted Flat Records)

(3,5****)

Haar hele carrière lang al draait het bij de Canadese Lynn Jackson enkel en alleen om de songs. En da’s ook op haar nieuwe worp, haar zevende ondertussen al, het met Chris Boyne van Sexdwarf gedeelde “The Acoustic Sessions”, weer niet anders. Op dat haar bij nader inzicht tienjarig jubileum als recording artist vierende album grijpt ze immers terug naar dertien van haar eerdere albums bekende liedjes. Die werden grotendeels live off the floor ingeblikt in de thuisstudio van Teenage Fanclub-kopstuk Norman Blake. En dat in een tot de absolute essentie herleide akoestische setting.

Naast de stemmen en akoestische gitaren van Jackson en Boyne onderscheidden we verder onder meer ook nog bijdragen op harmonium, melodica, piano, national steel, mandoline, pedal steel, staande bas, elektrische gitaar, viool, cello en shakers van onder meer Joe Dunn, Scott Fitzpatrick, Nick Storring, Steve Wood, Wendy Wright en “huisbaas” Norman Blake.

Maar als puntje bij paaltje komt, dan draait het hier natuurlijk alleen maar om de stem en de liedjes van Jackson zelve. Alle hulp ten spijt zijn het haar enigszins aparte voordracht en verhalen die quasi voortdurend de show stelen. En dat zelfs op de momenten wanneer Boyne haar zanggewijs een weinig bijstaat. Het versterkte alleen nog maar meer de sowieso al hoge dunk die we hier over de narratieve kwaliteiten van Jackson al langer hadden.

Ergens tussen folk en Americana hun eigen niche vindende songschoonheden als “Coming Down”, “Paper Airplanes”, “Running”, “When You Were Mine”, “Wintersong”, “Maria”, “Mark The Spot”, “Sweet Relief”, “Scarecrow”, “Soft Stars”, “Yellow Moon” en andere verdienen zonder meer elk beetje aandacht dat u eraan kwijt zou willen. Maar beware: you’re in for a real treat!

Lynn Jackson, Busted Flat Records

 

RYAN BOLDT “Broadside Ballads” (Dahl Street Records)

(4****)

Bij wijze van geslaagd intermezzo tussen twee albums van z’n groep Deep Dark Woods trakteert Ryan Boldt ons dezer dagen op de cd “Broadside Ballads”. Een soloplaat die heel mooi illustreert, waarmee de singer-songwriter tussen alle bandbedrijvigheden door zoal bezig is. En die eigenlijk ook wel een beetje teruggrijpt naar z’n dagen van vóór die ondertussen redelijk succesvol geworden groep.

“Broadside Ballads” blijkt op de keper beschouwd een verzameling hoogst eigenzinnige interpretaties van traditionals. Met uitzondering van het nummer “Lazy John”, waarvoor Boldt zelf de muziek schreef, vinden werkelijk alle liedjes erop dekking onder die vlag. Samen met Clayton Linthicum (akoestische en elektrische gitaren, pedal steel, banjo en Fender Rhodes), Jody Weger (mandoline), Sara Froese (viool), Kelly Walraff (cello) en Kacy Anderson (zang) blikte onze man (zang, akoestische en elektrische gitaren, bas en drums) ze ondertussen zo’n twee jaar geleden in op diverse locaties, waaronder een oude kerk en de veranda van een vriend. Zich best wel nadrukkelijk manifesterende vogels en een zich in de verte aankondigend onweer zijn daarvan “stille” getuigen.

Nogal wat van de liedjes op “Broadside Ballads” blijken van het eerder ijle soort. Met Boldt als het ware in de rol van mannelijke sirene. Vol passie laat hij je ruim een half uur lang op de klippen van zijn eigen muzikale voorgeschiedenis lopen, daarbij voornamelijk terugvallend op een hem plaatgewijs door Shirley Collins aangereikte modus operandi en materiaal. Haar albums “Folk Routes, New Routes” (Mét Davy Graham!) en “No Roses” noemde Boldt zelf onlangs als zijn voornaamste inspiratiebronnen bij het uitwerken van “Broadside Ballads”. Aan het eerste ontleende hij openingsnummer “Love Is Pleasin’”, aan het tweede met “Just As The Tide Was Flowin’” en “Poor Murdered Woman” zelfs twee stuks.

Verder zorgden ook de gospelliederen die z’n eigen grootmoeder in z’n jeugd pleegde te zingen en een door Smithsonian Folkways aan het Canadese folkgebeuren gewijde compilatie nog voor wat goede ideeën. De hymne “Leaning On The Everlasting Arms” lijkt ons een voorbeeld van het eerste, “Welcome Table” van het tweede.

In al haar eenvoud is “Broadside Ballads” een plaat waarmee je zowel in kringen van muzikale alternativo’s als in deze van graag met traditionelere muziekvormen flirtende connoisseurs zou moeten kunnen scoren. Gaan we de komende weken zeker eens uitproberen…

Ryan Boldt

 

DENNIS GREAVES & MARK PELTHAM “Duo” (Zed Records)

(3,5****)

Artiesten die al wat langer in het vak zitten nemen na verloop van tijd regelmatig niet langer genoegen met alleen maar hun dagdagelijkse muzikale bezigheden. Ze gaan op zoek naar bijkomende muzikale uitdagingen. Extraatjes, die hun muzikantenbestaan spannend houden, die de sleur doorbreken.

Zo ook Dennis Greaves en Mark Feltham. Heren, die u ongetwijfeld ook kent als stichtende leden van de legendarische Britse blues(rock)groep Nine Below Zero. Die twee besloten onlangs om naast hun live gigs met de band ook akoestische optredens als duo te gaan inlassen. Lekker intimistische “old style” blues shows, opgebouwd rond unplugged gebrachte Nine Below Zero-klassiekers en covers van materiaal van eigen helden als Sonny Terry en Brownie McGhee, Jimmy Reed, Slim Harpo en Leadbelly. En als voorsmaakje op die concerten is er nu alvast het toepasselijk getitelde album “Duo”.

En da’s een verdomd sympathiek geheel geworden. Met nogal wat Terry-McGhee-spul erop. Geopend wordt er zo bijvoorbeeld al met het tweetal “Walk On” en “Cornbread, Peas And Black Molasses” en verderop stoten we ook nog op het door Brownie McGhee met de legendarische Bessie Smith gepende “Backwater Blues”, “Born And Living With The Blues” en “I Love You Baby”. De reden voor die opvallend royale aanwezigheid is voor de hand liggend. Het waren immers Terry en McGhee, die Greaves en Feltham tot dit album inspireerden.

Eén van dé leukste momenten van “Duo” werd gevonden in eerder onverwachte hoek. Een akoestische bluesversie van de Perez Prado classic “Cherry Pink And Apple Blossom White”? Klinkt zo op het eerste gezicht onwaarschijnlijk, maar werkt wonderwel. Met Felthams mondharmonica in een wel heel erg opvallende hoofdrol. Nog zo’n toppertje is naar onze bescheiden mening een bluesy lezing van Warren Zevons “Carmelita”. Een echt kippenvelmomentje, vonden wij!

“Egg On My Face” en de sfeervolle folky instrumental “Ballad Of Dombovar” blijken verrassend genoeg de enige twee uit het eigen songbook gescheurde blaadjes. Voorts op “Duo” onder meer ook nog een interpretatie van Clarence Williams’ evergreen “My Bucket’s Got A Hole In It”, een uitvoering in jump blues style van het ons vooral in de versies van John Lee Hooker en George Thorogood en z’n Destroyers bekende “One Scotch, One Bourbon, One Beer” en covers van Randy Newmans “Sail Away”, het bij Area Code 615 geleende en vooral als thema van het populaire BBC-programma “The Old Grey Whistle Test” richting collectief geheugen gecatapulteerde “Stone Fox Chase”, Jethro Tulls “Someday The Sun Won’t Shine For You” en het onlangs door het duo nog op de begrafenis van een goede vriend ten gehore gebrachte “Amazing Grace”.

Op basis van dit alles kan je nu al stellen, dat die duo gigs van Greaves en Feltham echte aanraders zullen gaan zijn. En mocht je er onverwachterwijze ergens eentje kunnen meepikken, dan moet je dat ons inziens dan ook zeker niet laten.

Nine Below Zero

 

PATRICK COMAN “Reds & Blues” (Patrick Coman)

(3,5****)

“Reds & Blues” is het in eigen beheer uitgebrachte nieuwe album van Patrick Coman, een vanuit Boston aan de weg timmerende Amerikaanse zingende songsmid, die daarnaast ook actief is als gastheer van de populaire concertreeks “For The Sake Of The Song”. Daarin laat hij op regelmatige basis de beste songwriters aantreden met eigen liedjes en materiaal van hun voornaamste invloeden.

En precies dat principe ligt ook aan de basis van z’n eigen nieuwe schijf, de conceptplaat “Reds & Blues”. ’t Is te zeggen, zo ongeveer toch. Dat geheel bevat immers zeven liedjes door Coman geschreven als “missing tracks” voor enkele van z’n eigen lievelingsplaten aller tijden. En het minste wat je erover kwijt kan, is dat het hoogst interessante resultaten heeft opgeleverd. En een plaat die allesbehalve gekunsteld overkomt.

Van het sympathiek rammelende “Red Diamond Blues”, geïnspireerd door “The Basement Tapes” van Dylan & The Band, tot de met een rol op Tom Petty’s “Wildflower” voor ogen gepende ballade “Foreign Tongue”, van het zogezegd van Big Stars “#1 Record” gevallen “Your Place” tot het voorzichtig naar iets van Jerry Lee Lewis ten tijde van diens “Live At The Star Club Hamburg” gemodelleerde “Trouble”, van het absolute hoogtepunt van de plaat, de voor “Stranger’s Almanac” van Whiskeytown bestemde en deze jongen hier geheel en al op het lijf geschreven alternatieve countrydeun “I Gotta Get Drunk To Dance”, tot het afsluitende duo, de een stekje op Leon Russells “Carney” nastrevende trage “Carry On” en de gevoelsmatig perfect bij de Rolling Stones classic “Exile On Main Street” aansluitende rammelaar “My Baby’s Been Good To Me”, ik daag u uit om hier ook maar één enkel minder moment tussen aan te treffen. Maar ik waarschuw u wel op voorhand: als u daar toch in zou slagen, dan zegt dat wat mij betreft veel meer over uw smaak dan over de kwaliteit van deze plaat!

Interessant concept, zeer geslaagd resultaat! Graag meer van dattum!

Patrick Coman

 

BRANDON SANTINI “Live & Extended!” (Vizztone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Mijn eerste reactie na het beluisteren van de laatste van de Amerikaan Brandon Santini: “Wow, die moet ik zeker ook eens live gezien hebben!” Met het op 13 juli van vorig jaar tijdens het Festival D’été de Quebec in Le Petit Impérial aldaar ingeblikte “Live & Extended!” blies hij me echt compleet van m’n sokken. Vrij letterlijk dan. Santini staat immers voor harmonica blues van het gespierdere soort. Het soort dat hoegenaamd geen weerstand duldt.

Samen met Timo Arthur (gitaar en backing vocals), Nick Hern (bas en backing vocals) en Chad Wirl (drums) knalt hij hier doorheen een achttal eigen nummers en covers van “One More Mile” van Muddy Waters, “Elevate Me Mama” van Sonny Boy Williamson, “Got Love If You Want It” van James Moore en “My Backscratcher” van het duo Frank Frost en Chip Young. Voor mij een eerste kennismaking met de man en wat voor één! Eentje die beslist naar meer smaakt! Véél meer zelfs! Zijn twee vorige platen “Songs Of Love, Money, And Misery” en “This Time Another Year” stootten eensklaps met stip door naar de bovenste regionen van mijn immer goed gevulde wishlist.

Deze Beale Street-favoriet en z’n secondanten laten hun publiek werkelijk badend in het zweet achter. De rauwheid waarmee hij z’n songs vrijwel voortdurend geselt herinnerde me vaagweg aan de escapades van de onverbeterlijke Paul Butterfield aan het begin van de jaren zeventig. En dat mag u uit mijn mond als een serieus compliment beschouwen. Ik ben immers ook na al die jaren nog altijd zwaar verslingerd aan de muziek van Butterfield en de zijnen. “Brandon Santini and his great band rip it up… LIVE!”, waarschuwt het begeleidende schrijven. En zo is het maar net! Santini en co steken het kot helemaal in de fik. Santini zelf manifesteert zich daarbij voortdurend als een geweldige zanger en een ace op de mondharmonica, z’n rechterhand Timo Arthur verbaast bij momenten dan weer serieus op de gitaar.

Mijn favorieten: het niets minder dan wervelende “Help Me With The Blues”, de onder machtig smoelwerk kreunende valse trage “No Matter What I Do” en de van hier uit maar wat graag met een volmondig ja beantwoorde vraag “I Wanna Boogie With You”.

Brandon Santini, VizzTone Label Group

 

BUTCH WALKER “Afraid Of Ghosts” (Lojinx)

(4****)

Met “Afraid Of Ghosts”, z’n ondertussen toch ook alweer zevende album onder eigen naam, zet Butch Walker z’n fans van het eerste uur aardig op het verkeerde been. In een productie van Ryan Adams himself komt hij op die nieuwe immers op de proppen met tien fraaie lappen uiterst spaarzaam georkestreerde rustige Americana. Heerlijke luisterliedjes, op de keper beschouwd uitermate geschikt om met zichzelf in het reine te komen. Want dat blijkt hier afgaande op het titelnummer toch wel zo’n beetje de onderliggende bedoeling.

Heerlijk laidback gaat het er zowat de gehele rit lang aan toe. Met Walkers breekbare stem voortdurend als stralend middelpunt van de belangstelling. Te midden van wolkjes voornamelijk akoestische (en elektrische) gitaar, piano en occasioneel ook accordeon en pedal steel streelt zij de zinnen. Luister bij gelegenheid maar eens naar pareltjes als het al genoemde titelnummer, de naar één van ’s mans eigen heldinnen verwijzende eerste single van het geheel “Chrissie Hynde” of het op een qua sfeer en gitaarwerk bij iets van Santo & Johnny aansluitende “How Are Things, Love?” en je zal meteen perfect begrijpen, wat we daarmee precies bedoelen. Samen met het trio “21+”, “Autumn Leaves” en “Bed On Fire” zijn dat onze “plats préférés” op een album dat bij nader inzicht eigenlijk gewoon geen momenten van zwakte kent.

Hoe dan ook een singer-songwriter-verrassing van formaat, dat mag je wel stellen, denken we. En dat onder meer dankzij de bijdragen van gasten als een Johnny Depp, een Bob Mould (Hüsker Dü, Sugar) en uiteraard ook producer Ryan Adams.

Warm aanbevolen alleszins, dit schijfje!

Butch Walker, Lojinx

 

TINSLEY ELLIS “Tough Love” (Heartfixer Music / Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De Amerikaan Tinsley Ellis geniet binnen het bluescircuit al jarenlang een uistekende reputatie. En mocht u – Om de één of andere onverklaarbare reden! – nog een motivatie daarvoor nodig hebben, dan krijgt u er met z’n inmiddels toch ook alweer achttiende album “Tough Love” andermaal eentje. Eentje met tien werkelijk uitstekende songs erop, waarin Ellis zijn roep van “triple threat” weer alle eer aandoet. De man beschikt nu eenmaal over een ontzettend soulvol stel “pipes”, hij is een geweldige gitarist en een al even bekwame songsmid. En alle liedjes op “Tough Love” komen dan ook weer uit de eigen koker.

Ellis blikte ze in samen met een stel muzikanten je allicht ook wel bekend uit de entourages van Delbert McClinton en John Hiatt. Zo tekende Kevin McKendree voor een brede waaier aan toetsenwerk, beroerde Steve Mackey de snaren van de bas, gaf Lynn Williams ‘m bij momenten flink van jetje op de drums en completeerden Jim Hoke en Steve Herman op respectievelijk sax en trompet het plaatje. Voor de productie tekende Ellis zelf.

Het resultaat is een aangenaam gevarieerd eigentijds bluesgeheel. Catchy opener “Seven Years” frequenteert zo bijvoorbeeld dezelfde wateren, waarin we ook Robert Cray wel eens durven aan te treffen, “Midnight Ride” blijkt een z’n titel werkelijk alle eer aandoende shuffle, “Give It Away” en “Should I Have Lied” zijn prachtige, echt van de soul bulkende ballades en het ritmisch sterke “Hard Work” heeft voorwaar zelfs even iets Dylan-esks over zich. Het ongemeen groovy uit de hoek komende “All In The Name Of Love” deed ons op zijn beurt dan weer denken aan groten der aarde als een Bobby Womack en een Al Green, “Leave Me” is zeker gitaargewijs nogal opzichtig richting Memphis lonkend spul, “The King Must Die” een streep zich loom voortslepende rootsy bluesrock, “Everything” een bijzonder appetijtelijk hapje harmonicablues en afsluiter “In From The Cold” een echte zaligheid van een “slow groover”, waarmee als u het ons vraagt ook wijlen Joe Cocker z’n weg wel geweten zou hebben. Wat ons betreft gelijk ook het allermooiste nummer van allemaal, dat laatste.

Ellis’ ticket voor zo menig een zomerfestival lijkt hiermee reeds klaar te liggen!

Tinsley Ellis, Landslide Records

 

WILDIE “Lost & Gone” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)                

Als het koud is, dan is het ook écht wel koud daar op de verre Zweedse buiten. En wat moet een mens dan zoal doen tijdens die o zo lange najaarsavonden, he…? In het geval van singer-songwriter Anders Thorén laat zich die vraag eenvoudig beantwoorden. Hij ging als een bezetene aan het schrijven. Het plotse complete gebrek aan de gebruikelijke vormen van afleiding werkte op hem als een rode lap op een stier. Zijn creativiteit werd er enorm door aangewakkerd. En dat resulteerde al snel in een flinke dosis ruw materiaal, waarmee hij vervolgens richting z’n maatje Rasmus Svensson trok.

Svensson, een multi-instrumentalist in de waarste zin van het woord en vooral ook bezitter van een eigen studio, tekende voor de productie van het af te werken geheel. Samen met Thorén zelf (zang en gitaar) en muzikanten Marcus Rostedt (drums) en Peter Antonsson (bas) blikte hij (onder meer tal van gitaren) de tien liedjes van “Lost & Gone” in. Liedjes, die op de één of andere vreemde manier voortdurend mooi het midden weten te houden tussen pop en rock enerzijds en meer rootsgeoriënteerde genres als folk en Americana anderzijds. Apart, maar mooi. Met dat zekere “je ne sais quoi” dat in het verleden al wel meer uit het Hoge Noorden afkomstige platen deed opvallen en aanspreken.

Is het de fluwelen stem van Thorén zelf? Zijn het z’n echt zonder uitzondering prima songs? Is het het bevreemdende sfeertje, dat nogal wat van die liedjes kenmerkt? Ik zou het “begot” niet weten, maar raken doet het me allemaal wel. En tussen opener “Making Days Meet” en het afsluitende “Brother” houden Thorén en de zijnen me dan ook moeiteloos zo’n zesendertig minuten lang bij de les. Met het gaandeweg op fraaie wijze van folkdeuntje tot ware roots pop beauty openbloeiende “Making Days Meet”, met het ijle alternatieve countrywalsje “Take Me Out”, met het werkelijk verkillend mooie titelnummer, met de heerlijke melancholieke Americana van “Chopped & Stacked”, met het wat mij betreft echt wel hitgevoelige “Missy”, met het mild swingende “peggy Lou”, ach eigenlijk met gewoon alles hier.

Geen wonder dus, dat alle bij dit project betrokken muzikanten zó verliefd werden op de liedjes van Thorén, dat ze uiteindelijk zelfs besloten om samen met hem als een groep verder te gaan. Zo goed? Zo goed ”indeed”! Dringend te ontdekken als u het mij vraagt, dit “groeiertje”! U zal het zich allicht absoluut niet beklagen!

Wildie, Rootsy

 

DOUG MACLEOD “Exactly Like This” (Reference Recordings / Music & Words)

(4****)     

Het verhaal van “good old” Doug MacLeod leest zich weg als dat van heel wat van de betere wijnen. Hoe meer jaren er op de teller komen te prijken, hoe beter het allemaal wordt. Dat blijkt ook naar aanleiding van “Exactly Like This” maar weer eens. “This is genuine original acoustic music at its very best,” lazen we ergens en zo is het maar net. Veel beter dan het hier gebeurt kan je dit inderdaad niet brengen…

Heerlijk relaxed, doorleefd soulvol van voordracht, eloquent, wereldwijs en vooral ook terughoudend virtuoos. Zo zou je het kunnen samenvatten. Alles in functie van het liedje. Zoals het hoort. Akoestische blues “the way it was always meant to be”. Met het eigen leven, de eigen ervaringen vrijwel doorlopend als uitgangspunt. Moest ook wel. Iets anders kan je immers niet echt geloofwaardig brengen, aldus MacLeod zelve.

“Exactly Like This” noemt hij overigens een soort van eerbetoon aan tal van z’n eigen muzikale helden. Mensen, die hem “somewhere along the way” op de één of andere manier beïnvloed hebben als een Louis Jordan, een Wes Montgomery, een Jerry Reed, een Tony Joe White, een John Lee Hooker en een Duke Ellington. De elf – Uitsluitend eigen! – songs op “Exactly Like This” zijn bestemd voor hen. En voor ons allemaal natuurlijk.

Hulp bij de opnames ervan was er van “usual suspects” Denny Croy (bas en backing vocals) en Jimi Bott (drums, percussie en backing vocals) en toetsenist Mike Thompson (piano). Voor de productie tekende MacLeod zelf samen met Janice Mancuso.

Ons speciaal voor u op maat geknipt lijstje met luistertips: het sterk ritmische, naar het werk van countryicoon Jerry Reed gemodelleerde “Ain’t It Rough”, het overduidelijk naar iets van John Lee Hooker teruggrijpende “Vanetta”, het op z’n Louis Jordans net niet de bocht uit swingende “Rock It Till The Cows Come Home” en het swampy, met een bedankje aan het adres van Tony Joe White op de wereld losgelaten “Serious Doin’ Woman”.

Doug MacLeod, Reference Recordings

 

ELLEN SUNDBERG “White Smoke And Pines” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Van de jonge Zweedse Ellen Sundberg bespraken we hier eerder ook al de debuutplaat “Black Raven”. In het najaar van 2013 was dat. Vlak voor ze in het voorprogramma van Israel Nash – Toen nog Gripka! – doorheen Europa zou gaan trekken. Iets wat aan ons toen volgende profetische woorden ontlokte: “En dat zal haar, als je het ons vraagt, vast met hele bosjes tegelijk nieuwe bewonderaars gaan opleveren. Ze verdient het alleszins…” En of we ons gelijk haalden!

Zelfs Nash zelf raakte zodanig onder de indruk van Sundberg, dat hij haar voorstelde om samen een plaat te gaan maken. En daarvoor vloog ze in het voorjaar van 2014 naar Texas. De ranch van Nash in Dripping Springs, net even buiten Austin, was “the place to be”. Zijzelf zorgde voor een reeks ijzersterke nieuwe liedjes, Nash van zijn kant nam het materiële aspect van de zaak voor zijn rekening. Hij zorgde voor opnameapparatuur en instrumenten. En voor de muzikanten. Aaron McLellan (bas en synth), Eric Swanson (pedal steel, elektrische en akoestische gitaren, mandoline en backing vocals), Steve Hill (drums en percussie) en Nik Lee (“noise”) gaven op eenvoudig verzoek graag acte de présence. Zelf tekende Nash voor de productie, wat backing vocals en wat bijdragen op de akoestische gitaar.

Het resultaat? Een tien songeenheden tellende alternatieve countrytrip van formaat. Bij momenten aardig hypnotisch van aard! Vaardig heen weer laverend tussen gevoelens van melancholie en loutere suggestie. Spelend met taal en melodie. Gemakkelijk? Zeer zeker niet. Het voormalige “kruideniershulpje van om de hoek” “has got a way with words”. En al evenzeer met het muzikale verpakkingsmateriaal ervan. Haar songs blijken op een vreemde manier catchy, iets wat ze in al hun herfstige grandeur weliswaar niet meteen outen. Maar na enkele draaibeurten is het dan plots wel prijs. Dan voel je het als luisteraar immers ineens allemaal een stuk beter aan. Dan ga je openstaan voor de zonderlinge zwerftochten doorheen het innerlijke universum van Sundberg. Dan gaan dingen als het verkillende “What Is Life”, het hoogst eigenzinnige “Hollow”, titelnummer “White Smokes And Pines” en het deels in haar eigen landstaal en deels in het Engels gebrachte “Vägen är Lång (The Road Is Long)” plots wel ten volle aanspreken.

Op haar nog altijd maar eenentwintigste mag je deze Sundberg op basis hiervan wat ons betreft gerust een stralende toekomst voorspellen.

Ellen Sundberg, Rootsy

 

BJÖRN VAN DER DOELEN & ALLEZ SOLDAAT “Caballero Zonder Filter” (Bastaard Platen / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ik hoop, dat hij mij de op zijn verleden als voetbalprof bij onder meer PSV Eindhoven en Standard zinspelende omschrijving niet kwalijk neemt, maar wat mij betreft vervolledigt Björn van der Doelen met “Caballero Zonder Filter” een loepzuivere hattrick. Na het nog min of meer anoniem onder de vlag Allez Soldaat gepresenteerde tweetal “D’n Duvel Die Slaapt Nooit” en “Als De Wolven Janken” is het immers al z’n derde geweldige plaat op een rij. Dialectliedjeskunst van het zuiverste kaliber, zeg maar. Met het leven van alledag als hofleverancier, als schier onuitputtelijke bron van inspiratie.

Diepgewortelde gevoelens van nostalgie staan op “Caballero Zonder Filter” aan de wieg van zo menig een prachtliedje. Met eenvoud zowat voortdurend als z’n voornaamste bondgenoot blikt “karaktermens” van der Doelen in heel wat van z’n songs terug op z’n eigen verleden. Als losse blaadjes van de scheurkalender van z’n eigen leven laat hij ze quasi achteloos, meer met ons pratend dan voor ons zingend achter. En dat heeft iets. Het spreekt vrijwel ogenblikkelijk aan. Hoe hij in het titelnummer grote delen van z’n jeugd weet in te lijsten in een frame van door de jaren heen gedeelde sigarettenrook: groots gewoon! En ten dele heel erg herkenbaar ook. Net als het uit het meteen daaropvolgende en al even pakkende “Moederke” sprekende gevoel trouwens. Het willen goedmaken van gemiste kansen, verloren gegane tijd, we kennen het allemaal wel…

Twee echte toppertjes als inzet van een plaat vol daarmee, zoals later blijken zal. Ruim eenenveertig minuten lang weten van der Doelen en kompanen te boeien. Meer nog: te raken. Met liedjes uit het hart voor het hart. Liedjes, waarin de erin verklankte gevoelens steeds weer de hoofdrol blijken te vertolken. Sepiakleurige streepjes songgeworden lotgevallen van een “schone mens”. Want dat is van der Doelen. Een schone mens. Dat spreekt uit zo ongeveer elk van de op “Caballero Zonder Filter” gebrachte verhalen. Verhalen, die duidelijk maken, dat hij uit een lang niet altijd even gemakkelijk leven de juiste lessen heeft weten te trekken. Lessen, waarvan met name z’n onmiddellijke naasten nu de liefdevolle vruchten mogen plukken.

Onze onverbintelijke luistertips: het hoger al aangekaarte duo “Caballero Zonder Filter” en “Moederke”, het ongemeen soulvolle “M’n Lief”, het over een soort van relaxte JJ Cale groove neergelegde “De Liefde wordt Overschat”, het messcherpe, louter gevoelsmatig wat met de rest hier brekende “Zeven Zonden” en het afsluitende “Och War Ik Mar Bruce Springsteen”, waarin van der Doelen berust in het feit dat hij The Boss niet is, niet kan zijn. “Maar ik doe mijn best vanaf de kant,” luidt het vastberaden. Iets wat we van hier uit alleen maar kunnen beamen. En het mag hem dan vooralsnog misschien nog geen optredens in megapoptempels, voetbalstadions en dergelijke hebben opgeleverd, op de hem geheel eigen manier weet van der Doelen eigenlijk net hetzelfde te doen als de door hem bewonderde Springsteen. In eenvoudige bewoordingen schildert hij in z’n liedjes het leven zoals het is. Niks grote gebaren hier, gewoon het leven en de daarmee gepaard gaande gevoelens van alledag.

Björn van der Doelen & Allez Soldaat, Bastaard Platen

 

SEAN COSTELLO “In The Magic Shop” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Toen wij op 16 april 2008 vernamen, dat Sean Costello één dag eerder, aan de vooravond van z’n negenentwintigste verjaardag, in een hotelkamer in Atlanta aan de gevolgen van een overdosis was komen te overlijden, toen kwam dat hier aan als een geweldige mokerslag. Zoals zovelen hadden we de jonge Amerikaanse bluesgod immers echt op handen gedragen. Zoals zovelen hadden we hem gezien als één van dé allergrootste blanke bluestalenten van de laatste jaren. En zoals zovelen hadden ook wij niet geweten, dat Costello ernstig ziek was geweest. Dat de met een bipolaire stoornis samengaande extreme stemmingswisselingen zijn leven bij momenten tot een ware hel gemaakt hadden.

Wie dat uiteraard wel wist, was Seans moeder Debbie Costello Smith. En zij heeft er na de onfortuinlijke dood van haar zoon als het ware haar levenswerk van gemaakt om in de buitenwereld een luisterend oor te vinden voor allen die lijden aan dezelfde ziekte. En daartoe richtte ze onder meer The Sean Costello Memorial Fund for Bipolar Research op. En naar die organisatie zullen ook alle opbrengsten gaan, gegenereerd met het onlangs, net geen zeven jaar na Seans dood, verschenen en onder de productionele auspiciën Steve Rosenthal van opnamestudio The Magic Shop in New York postuum afgewerkte laatste studioalbum van onze held. Dat het zo lang op de plank is blijven liggen, had alles te maken met het feit, dat alle bij het project betrokkenen compleet kapot waren geweest door Costello’s dood.

Aan de kwaliteit van het materiaal heeft het alleszins zeker niet gelegen. Want Sean Costello lijkt op “In The Magic Shop” zo’n beetje op de top van z’n kunnen te zijn aanbeland. Zo veelzijdig als hier hoorde u de beste man nog nooit. Zowel als zanger, als gitarist, als als songwriter bewijst hij hier twaalf nummers lang, dat de toekomst de zijne was. De helft daarvan blijken eigen composities. Een aantal daarvan gepend samen met z’n toetsenist Paul Linden. De rest zijn covers.

En daar zitten een paar echte pareltjes tussen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar Costello’s vertolking van Bobby Womacks “Check It Out”. Dat is zomerse soul van de werkelijk bovenste plank. Met Costello vocaal in heel grote doen. Of naar zijn lezing van Rod Stewarts hit “You Wear It Well” ook. Nog zo’n kippenvelmomentje. En Fenton Robinsons “You Don’t Know What Love Is”… Nog zo’n zalige “slow groover” op de grens tussen blues en soul. Machtig!

Maar ook Costello’s eigen materiaal weerstaat moeiteloos aan de tand des tijds, hoor! Van het zich voorzichtig funky aandienende “Can’t Let Go” tot het moddervette “Hard Luck Woman”, van het een alleraardigst potje (blues)rockende “Feel Like I Ain’t Got A Home” tot het veelzeggend getitelde en duidelijk met de blik op Memphis gericht geconcipieerde “I Went Wrong”, van de soulvolle trage “Told Me A Lie” tot het met iets van een reggaeritme flirtende “Make A Move”, van ons geen slecht woord over die nieuwe dingen.

Maar hét absolute klapstuk is wat ons betreft toch de werkelijk bloedmooie ballade “Trust In Me”. Da’s materiaal van het kaliber van John Hiatts “Have A Little Faith In Me”. Je vraagt je af, of Costello daarmee zelfs geen doorbraak op heel grote schaal zou hebben kunnen bewerkstelligen. We zullen het helaas nooit meer te weten komen…

U heeft het goed begrepen: “In The Magic Shop” is een waardig afscheid van een hele grote!

The Sean Costello Memorial Fund for Bipolar Research, VizzTone

 

LOES SWINKELS “Nothing As I Know” (Loes Swinkels / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dit is weer eens zo’n typisch gevalletje van liefde op het eerste gehoor! Veel meer dan één liedje had de ons vanuit Nederlands Limburg bereikende Loes Swinkels niet nodig om ons van haar kunnen te overtuigen. “Nothing As I Know”, het titelnummer van haar tweede album, volstond daartoe ruimschoots. Met haar gloedvolle, best wel wat sensuele stem eist ze daarin een plaatsje op in het kielzog van gerespecteerde Amerikaanse collega’s als een Bonnie Raitt, een Susan Tedeschi en een Brigitte DeMeyer. Namen die hier op de keper beschouwd ook als muzikale referentiepunten wel zo hun waarde zouden kunnen hebben.

Ook Swinkels’ habitat blijkt immers het grensgebied tussen genres als Americana, blues en soul. En onder de beziel(en)de productionele leiding van de tijdens de opnames van “Nothing As I Know” voortdurend een oogje in het zeil houdende Gabriël Peeters wist ze daar liefst dertien prachtdeunen te vinden. Liedjes, die ze met heel veel natuurlijke flair samen met klasbakken als diezelfde Peeters (drums, bas, Wurlitzer, piano en percussie), Rob Geboers (Hammond), Richard van Bergen (elektrische gitaar en slide) en BJ Baartmans (eveneens elektrische) vereeuwigde.

Haar muzikale doel naar eigen zeggen: “Licht en liefde brengen in de wereld, mensen raken op een positieve manier en genieten van muziek maken.” En daarin slaagt ze wat ons betreft met brio, want dit is een plaat om fier op te zijn. Dingen als het hoger al even genoemde titelnummer, het funky “Love All Around”, de gloedvolle tragen “Sending Love & Hope To You”, “This Love” en “Foolish Man”, het ongemeen “groovy” rootspopdeuntje “December” en andere verdienen erkenning op grote schaal. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Loes Swinkels

 

GOES EN DE GASTEN “OnsKentOns” (Goes En De Gasten)

(4,5*****)

Gelijk vanaf het eerste nummer van “OnsKentOns”, het heerlijk jazzy gebrachte “Gangbang in Destelbergen”, weet je als luisteraar al, dat het weer goed zit op de nieuwe van Michel “Goes” Goessens en z’n Gasten. Als je op samenzweerderige toon wordt meegedeeld waar plaatselijke hengsten zoals de notaris, de pastoor en de boer nogal uitgebreid aan hun trekken komen, verschijnt meteen al een eerste brede glimlach om je mondhoeken. En waaraan de plaat haar titel ontleende is gelijk ook duidelijk: “ons kent ons en we zwijge vur mekoar” luidt immers het devies bij Tony en Mariette. Een eerste beklijvend momentje op een album tot de nok toe gevuld daarmee.

In het moody “Zeg het mij” is het vervolgens op eerder pessimistische wijze uitkijken naar een (uitgesteld) pensioen en “Lang in Landegem”, een Americana shuffle op z’n Sleins, blijkt het relaas van een toevallige caféontmoeting met een vrouw met karakter. Bedaard (blues)rockend krijgen in “Om ter eerst” dan de strebers der aarde een serieuze draai om de oren mee, alvorens het op z’n Cash ingezette, maar al snel tot een mooi popliedje open bloeiende “Zot van Zappa” met de tong diep in de wang geplant een gelijk vanaf het begin tot mislukken gedoemde liefdesrelatie met een schone uit Liverpool bezingt.

Jazzy swingend worden we vervolgens geconfronteerd met een aantal van de frustraties van de echte muzikant van vandaag de dag in “America here we come”. En dan is het tijd voor wat ons betreft de eerste primus inter pares. Dat is de wat macaber aandoende klassieke pianoballade “Jef Vermassen”. De onder invloed van teveel drank z’n vrouw molesterende Sjarel krijgt daarin z’n verdiende loon. En voor z’n vrouw Rozanne doet Jef Vermassen de rest…

Nog zo’n veritabele schoonheid van een liedje is het verstilde “Potlood in een blaadsken”. Als het daarin verklankte beeld van een aan z’n bed gekluisterde oorlogsveteraan gelaten wachtend op z’n dood je niet ogenblikkelijk midscheeps weet te raken, dan scheelt er iets met je…

En resten er ons dan nog: het met een groovy orgeltje onderbouwde rustige luisterpopdeuntje “Sole Mio”, het akoestische bluesje “Jezus gezien”, het behoorlijk nadrukkelijk op de vertrouwde sixties-leest geschoeide protestliedje “Kapte mij open”, het dronken pianobluesje “Sonny Boy” en het swampy “In ’t weekend en ’t verlof”. Beurtelings goed voor een lach en een traan. En met dat laatste als hét absolute topmoment van het geheel. Opnieuw een dijk van een verhaal, waarin de vrouw des huizes zich durft te verzetten tegen haar man en als een gevolg daarvan in “zakjes van ‘nen kilo” tussen de kroketten en de boontjes in de diepvrieskist belandt. Goessens als het ware heel even als het Vlaamse antwoord op Cormac McCarthy. En je gaat je als luisteraar dan onwillekeurig afvragen, of hij misschien iets even monumentaals als “No Country For Old Men” of “The Road” in de vingers zou hebben… Moest hijzelf ook maar eens over gaan nadenken…

Goes En De Gasten

 

SUSIE FITZGERALD “Restless” (Big Purr Music)

(3,5****)

Van een aangename verrassing gesproken… “Restless”, de tweede van de dezer dagen vanuit de States op zich attent makende zingende liedjesschrijfster Susie Fitzgerald, kwam hier zo’n beetje “out of the blue” aanwaaien. Want, eerlijk is eerlijk: wij hadden nog nooit van haar gehoord. En dat ondanks het feit, dat ze met voorganger “Plenty” goed en wel een jaar of twee geleden toch al een in haar thuisland best wel aardig onthaalde plaat bleek te hebben afgeleverd.

Maar voor ons gold het hier dus een hoogst aangename kennismaking. Wij raakten al snel in de ban van de liedjes en verhalen van de bebrilde Amerikaanse. Ruim twaalf nummers lang toont ze zich daarin gefascineerd door relaties allerhande, zoals deze tussen geliefden, vrienden, vijanden en “vrijanden” – vrij vertaald naar het door Fitzgerald zelf aangedragen neologisme “frienemies”. Maar ook die met zichzelf. Best wel boeiend!

De muzikale omgeving die ze voor deze gedachtenkronkels voor ogen blijkt te hebben gehad situeert zich ergens tussen folk, Americana en roots(y) rock. Met af en toe bij wijze van goed kruiden een bescheiden prise jazz en soul als extraatje. En met wat ons betreft zeker een speciale vermelding voor gitarist Kyle Zender, die met z’n kunstjes op de elektrische zo menig een nummer mee naar een hoger “level” helpt te tillen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de lome rocker “Keep On Driving”! Het zal heus niet lang duren alvorens je ons overschot van gelijk geeft met betrekking tot die vaststelling.

Naar ons gevoel meteen ook één van de allersterkste liedjes van het geheel, dat “Keep On Driving”. Al vinden we ook dingen als het bijzonder sfeervolle, zich in al bij al eerder sombere gedachten hullende “The Hardest March”, het sympathiek swingende “Devil Dog”, de prachtcountrydeun “Everywhere & Nowhere”, het een potje snedig rockende “Rattlesnake”, het soulvol gecroonde “Restless” en andere zeker niet te versmaden.

Zoals hoger reeds gesteld: het was wat ons betreft bijzonder aangenaam kennismaken met deze Susie Fitzgerald. En we hopen voor u binnenkort van hetzelfde…

Susie Fitzgerald, CD Baby

 

JAMES MCMURTRY “Complicated Game” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)       

Ruim zes jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat James McMurtry ons nog eens vergastte op een nieuwe studioplaat. In 2008 was dat, met het voor zijn doen behoorlijk stevig uitgevallen “Just Us Kids”. Daarna was er enkel nog de concertregistratie “Live In Europe”. Veel té lang eigenlijk…

Maar goed, aan het lange wachten op nieuw materiaal van ‘m komt nu dus eindelijk een einde. En wat voor één! Z’n nieuwe, “Complicated Game”, is echt een dijk van een album geworden. Twaalf nummers lang is het weer smullen geblazen voor allen die houden van songteksten met een literair randje, van verhalen gebed in het leven van alledag, ontleend vooral aan het bestaan van de kleine man.  Hij is het, die in de liedjes van McMurtry altijd weer de hoofdrol voor zich opeist. Zijn zorgen zijn enkele minuten lang ook die van McMurtry. En die van ons als luisteraars natuurlijk.

Heerlijk gewoon, hoe de scherpzinnige McMurtry aan dingen waaraan anderen gewoon achteloos voorbijgaan steeds weer de fascinerendste kortverhalen weet te ontlokken. En zijn eloquentie, tja, die heeft hij natuurlijk niet van vreemden. Zijn vader Larry kent u ongetwijfeld ook. Die won in 1985 immers nog de vermaarde Pullitzer Prize voor zijn roman “Lonesome Dove”. En ook enkele andere van zijn schrijfsels, zoals bijvoorbeeld de roman “Terms Of Endearment” en het draaiboek voor de film “Brokeback Mountain” zullen u wellicht wel niet helemaal vreemd zijn.

En die zelfs zonder muzikale ondersteuning zeer de moeite waard zijnde pennenvruchten krijgen we op “Complicated Game” aangeboden als zonder uitzondering prachtige Americana-deunen. Compacte, werkelijk tot in de puntjes verzorgde liedjes, waarin in tegenstelling tot in die van “Just Us Kids” de akoestische instrumenten weer volop mogen regeren. En da’s maar goed ook. Want dit is de McMurtry zoals wij hem het liefst horen. De McMurtry, die tussen country, folk en rock de teugels te allen tijde stevig in handen houdt. De McMurtry, die in de voetsporen van Texaanse genregrootheden als een Townes Van Zandt en een Guy Clark voornamelijk met ballades en midtempo songs uitpakt. Enkel het snedige “How’m I Gonna Find You Now” en het dartel voorbij galopperende “Forgotten Coast” vormen wat dat betreft de spreekwoordelijke uitzonderingen op de regel.

CC Adcock en Mike Napolitano tekenden voor de productie van “Complicated Game” en McMurtry zelve, Daren Hess, Tim Holt en Cornbread – oftewel de James McMurtry Band – namen het merendeel van de instrumentale bijdragen voor hun rekening. Ondersteunende gastrollen zijn er verder onder meer voor zoon Curtis McMurtry, Rick Nelson, Sam Broussard, Benmont Tench, Ivan Neville, Dustin Welch, Dirk Powell, Danny Barnes, Trina Shoemaker, Doyle Bramhall II en Derek Trucks, om alleen nog maar de voornaamste te noemen.

En als we hier nog snel even enkele luistertips zouden mogen suggereren, dan wel deze: het bijzonder fraaie openingsnummer “Copper Canteen”, waarin een stilaan het einde van z’n leven in zicht krijgende ouderling zich met gemengde gevoelens even tot z’n vrouw richt, het al even prachtige “She Loves Me” en het met wat Iers folkgevoel opgewaardeerde “Long Island Soul”, het misschien wel allermooiste nummer van allemaal hier.

James McMurtry, Blue Rose Records

 

MATTHEW BARBER “Big Romance” (Outside Music)

(4****)

“Big Romance” is na de naar zichzelf vernoemde voorganger ervan uit 2012 al het achtste studioalbum van de Canadese singer-songwriter Matthew Barber. En in een vastberaden poging om het daarop over een ietwat andere muzikale boeg te gooien dan op z’n twee laatste door hemzelf geproduceerde platen strikte hij Jayhawks-kopstuk Gary Louris als “partner in crime”. Niet enkel één van ‘s mans eigen grote helden, maar bovenal ook een uitstekende producer. En dat laat zich hier horen ook.

“Big Romance” blijkt op de keper beschouwd immers een puntgaaf geheel. Louter muzikaal gezien heerlijk gevarieerd en ook wat betreft de tekstuele benadering van het centrale thema uit de titel ervan behoorlijk creatief. Verwacht hier dus zeker geen kleffe bedoening. Laat je integendeel verrassen met een tiental topdeunen, variërend van tot diep onder de huid gaande tragen tot sfeervol mid-tempospul en enkele best wel pittige rockers.

Tot die laatste categorie behoren wat ons betreft onder meer het na een trage start tot een potentiële radiohit ontbolsterende “Lose Your Love” en het zich loom doorheen rootsy rockwateren voortslepende “Dance Of The Honey Bee”.

Nadrukkelijk in de meerderheid zijn op “Big Romance” niet geheel onverwacht echter de ballades. En daartussen schuilen nogal wat pareltjes. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het werkelijk bloedmooie, door Barbers zus Jill met een gastoptreden opgewaardeerde “Hold Me”, het via een bijzonder aangenaam wegluisterend inleidend streepje mondharmonica nadrukkelijk richting alternatieve country geloodste “Magnet Eyes”, het ongemeen soulvolle “When She Comes Over Me” en de fraaie pianopallade “Magic Greg”, een ode aan een onlangs overleden vriend.

Titelnummer “Big Romance” en het zich ondanks een redelijk zware inhoud eerder bedaard aan ons voorbij slepende “On The 505” horen op hun beurt dan weer eerder thuis onder de noemer groovy mid-tempo materiaal.

Zouden we zomaar durven aan te bevelen aan liefhebbers van de muziek van knapen als een Rocky Votolato, een Jason Collett, een Ron Sexsmith of een Ryan Adams, deze schijf. Prima plaatje alleszins!

Matthew Barber, Outside Music

 

SMUTFISH “Trouble” (Excelsior Recordings / V2)

(5*****)

Het was ergens medio 2004, geloof ik, dat we door de toen nog eigenaar van de ondertussen ter ziele gegane muziekhandel Plato in Den Haag attent werden gemaakt op “een speciaal groepje”. Smutfish was de naam. En “Lawnmower Mind” hun ook nu nog heel erg door ons gesmaakte debuutplaat. Datzelfde bandje onder aanvoering van beeldend kunstenaar-singer-songwriter Melle de Boer dook later nóg tweemaal op voor respectievelijk “The Fish That Couldn’t Swim” en “Through A Slightly Open Door”, alvorens er werd besloten tot een naamsverandering. Als de John Dear Mowing Club ging het vanaf dan verder, met in 2007 opnieuw een album en wat later een tournee doorheen Europa als voorprogramma voor de zielsverwante songsmid Daniel Johnston. En dan werd het allemaal flink wat stiller rond de Boer en co.

Tot nu, that is! Want even plots als gebruikelijk was daar enkele weken geleden ineens de aankondiging, dat we eind februari met “Trouble” een nieuw album zouden voorgeschoteld krijgen van… Smutfish! Opnieuw Smutfish dus! Met twaalf nieuwe, zonder uitzondering weer door Melle de Boer gepende songs, gebracht in een productie van de gerenommeerde Frans Hagenaars en indien gewenst vergezeld door een boekwerkje (“Melleville II”), waarin die liedjes in een reeks tekeningen van hun maker als het ware echt tot leven komen. Met nu alvast ook de belofte, dat we die ook tijdens de voor binnenkort op stapel staande optredens uitgebreid te zien zullen gaan krijgen.

Maar hier en nu concentreren we ons samen eerst gewoon nog even op de muziek. En die is naar goede gewoonte weer van ronduit sublieme makelij. Twaalf nummers lang is het weer zoeken geblazen naar een geschikte vlag voor deze lading om vervolgens twaalf nummers later ook opnieuw vast te moeten stellen, dat wat de Boer (zang en gitaar), Dick Zuilhof (gitaar), Janneke Nijhuijs (bas en zang) en Sean de Vries (drums) doen eigenlijk gewoon volstrekt uniek is. Akkoord, de term alternatieve country of americana mag hier best wel voor van stal, maar echt helemaal dekken doet hij het gebrachte hoe dan ook niet. Daarvoor duiken in de loop van het verhaal wat al te veel vreemde elementen op.

Voor het elegische titelnummer, waarmee de plaat ook wordt afgetrapt, volstaat die omschrijving net wel nog. Dat is gewoon hoogst eigenzinnige Americana. Met een even aparte als beeldrijke tekst als één van z’n voornaamste troeven. En ook voor het meteen daaropvolgende, met wat heerlijk koperblaaswerk opgewaardeerde “A Face Only A Mother Could Love” kunnen we ons nog wel vinden in de term alternatieve country. Deed ons bij momenten een beetje denken aan de classic “Will The Circle Be Unbroken”, dat nummer, dat op de keper beschouwd ook wel iets gospelesks over zich lijkt te hebben.

“Running Downhill” is vervolgens dan weer een pakkende ballade met heel erg knappe vocale ondersteuning van Janneke Nijhuijs, “Golden Hands” solliciteert wat ons betreft nadrukkelijk naar een omschrijving als “country soul op z’n Hollands” en voor “Silver Rabbit” hadden we de omschrijving bevreemdende “moody” rootsrock in het achterhoofd.

Het verhalend sterke, ook al heel erg soulvolle “Angel” situeerden we gelijk al vanaf onze eerste beluistering ervan zonder al teveel nadenken zomaar in de buurt van Leonard Cohens “Hallelujah”, in “Paradise Man” meenden we voorwaar zelfs even iets van een blues touch te mogen ontwaren en “Melleville Park” was door onze bril gezien sympathiek uitgewerkte rammel-rootsrock van het betere soort. Zo’n beetje de antipool van het opnieuw met Nijhuijs gebrachte verstilde luisterliedje “Gving Names To All The Leaves”, dat laatste.

Al tokkelend op de banjo belanden we daarna zo ongeveer in de laatste rechte lijn van het album met de wel heel erg passioneel gebrachte, klaaglijke en wat old-timey aandoende alt.-country van “Heart”, alvorens er ook effectief afgesloten wordt met de sfeervolle, zacht walsende ballade “Be A River” en de extreem catchy, over zo’n markant stokoud Cash-ritme neergelegde countrydeun “I See Myself In Every One’s Eye”.

Voor albums als dit werd ooit de term “moordplaat” uitgevonden! Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Smutfish, Excelsior Recordings

 

STEVE EARLE & THE DUKES “Terraplane” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Of hij na z’n recente breuk met de goddelijke Allison Moorer ook effectief de blues heeft, daar hebben we met z’n allen maar het raden naar, maar er zich volledig aan overgeven doet Steve Earle op z’n nieuwe worp “Terraplane” alleszins wel. En da’s toch wel opmerkelijk te noemen voor iemand die zelf ooit nog openlijk toegaf daar niet zo’n kei in te zijn. En voor iemand die je bovendien ook een serieuze ervaringsdeskundige inzake echtscheidingen noemen mag. Hoe je een vrouw moet vinden, kan hij je vertellen als de besten, maar hoe je ze daarna ook effectief kan houden, da’s duidelijk een ander paar mouwen… Het einde aan z’n relatie met Moorer betekende voor Earle gelijk ook het einde van z’n zevende huwelijk.

En dan gaan de mensen over je praten natuurlijk… Ze gaan beweren, dat je het er allemaal niet zo nauw mee neemt en zo. Maar in een recent interview gaf Earle zelf te kennen, dat deze scheiding anders was dan alle voorgaande. Dit laatste huwelijk was om te beginnen al onder een veel beter gesternte aangevat dan elk van z’n voorgangers. En met Moorer was hij ook veel langer samen geweest. Meer dan acht jaar om precies te zijn. En er is natuurlijk ook nog hun gemeenschappelijke zoon John Henry. Voor het eerst had Earle gedacht, dat z’n echtelijke broodje nu wel definitief gebakken was. Maar niet dus…

En dan blijkt zo’n bluesplaat plots niet langer meer een gek idee natuurlijk. Dan valt het immers wel te begrijpen, waarom je – En al zeker als Texaan! – je toevlucht zoekt tot een vintage potje muzikale leedverwerking. Al beperkt Earle zich zeker niet alleen daartoe op het naar een in de jaren dertig populair model van wagenfabrikant Hudson vernoemde “Terraplane”. Akkoord, nogal wat nummers verwijzen duidelijk naar z’n afscheid van Moorer, maar ook andere topics komen in z’n teksten meermaals aan bod. Luister bijvoorbeeld al maar eens naar het grimmige, een deal met de duivel bezegelende “The Tennessee Kid” en je zal ons wellicht meteen in die vaststelling volgen.

Elders, zoals in het schokschouderend openhartige “You’re The Best Lover That I Ever Had”, waart de geest van Moorer duidelijk wel nog doorheen Earle’s wezen rond. En je vraagt je als luisteraar dan ook af, hoe zij zich moet voelen bij het horen van dat liedje. Zou ze het als een compliment ervaren? Of net niet? Het voelt allemaal nogal vreemd aan…

Zeker omdat elders bij momenten een totaal andere wind doorheen “Terraplane” lijkt te waaien. Of wat te denken van dingen als het op bedaarde wijze z’n herwonnen vrijheid bejubelende “Ain’t Nobody’s Daddy Now”, het wel heel erg passioneel neergelegde “Better Off Alone” of de rockende, wat met het merendeel van de rest van de liedjes hier brekende “kiss-off” “Go Go Boots Are Back Again”. Wat ons betreft meteen ook één van de beste songs op “Terraplane”, dat laatste nummer.

Vonden we verder ook nog heel knap: het dartel als een jong veulen tussen Bo Diddley, de blues en bluegrass ronddansende “Acquainted With The Wind”, het als een jazzy aandoend duetje met Eleanor Whitmore van The Mastersons ten gehore gebrachte “Baby’s Just As Mean To Me”, het lang niet enkel tekstueel gezien als eerder klassiek bluesspul te bestempelen “Gamblin’ Blues” en het de feestelijkheden met een dreigende rockende noot afsluitende “King Of The Blues”.

Voor de productie van “Terraplane” tekende “ouwe getrouwe” R.S. Field. En hij zag, dat het al bij al weer maar eens goed was…

Steve Earle, New West Records

                                          

THE WHISKEY GENTRY “Live From Georgia” (Goose Creek Music)

(4****)

Die van het Amerikaanse countrygezelschap The Whiskey Gentry breien met “Live From Georgia” een logisch vervolgstuk aan hun twee sedert het najaar van 2011 verschenen en ondertussen ook reeds redelijk succesvol gebleken studioplaten “Please Make Welcome” en “Holly Grove”. Logisch in die zin, dat de vanuit Atlanta actieve groep gevormd rond echtelieden Lauren Staley en Jason Morrow een werkelijk uitstekende live-reputatie geniet. En mocht u zich nog afrvragen waarom dat zo is, dan vindt u hier het antwoord op uw vraag. Veertien nummers en ruim eenenvijftig minuten lang spelen Staley, Morrow en co hier namelijk de pannen van het dak. En het betreft daarbij opnames gemaakt tijdens twee optredens medio augustus 2013 in respectievelijk The Georgia Theatre in Athens en Center Stage in Atlanta.

Goed voor een vliegende start blijkt daarbij het bij “good old” Bill Monroe geleende en van flink wat peper in de reet voorziene “White House Blues”. Vervolgens gaat het in één ruk al countryrockend richting “Dixie” en de lekker melodieuze Americana van “Dime Short Of A Dollar Bill”. Aan het repertoire van de New Grass Revival wordt aansluitend daarop het wervelende “Colly Davis” ontvreemd, alvorens men het even wat rustiger aan gaat doen met de ons een heel klein beetje aan Dolly Parton herinnerende “valse trage” “Holly Grove”, het titelnummer van het tweede album van de groep uit 2013.

“Guitars, Whiskey, Guns & Knives” belooft titelgewijs flink wat spannends en weet die belofte middels een catchy streep met wat rock besprenkelde bluegrass ook geheel en al in te lossen. In de ballad “Particles” mag Staley vervolgens nog eens alle vocale registers opentrekken, “Oh Me” staat op zijn beurt dan weer garant voor enkele ogenblikken aantrekkelijk old-timey countryplezier en “One Night In New York” rockt er al twangend lekker een eindje op los.

Vervolledigen de setlist: het op werkelijk wervelende wijze old-time country met rock kruisbestuivende “Eula Mae”, het daar quasi perfect bij aansluitende “Comrade”, de heel wat rustigere meezinger “Here’s Your Song”, het puur voor de smaak met wat folkpunkgevoel besprenkelde “Mary” en een ronduit sublieme Americana-bewerking van de Radiohead-hit “Creep”.

Wie ze tijdens de voorbije twee edities van het COUNTRYfestival te Sint-Truiden aan het werk zag, had deze bespreking wellicht al lang niet meer nodig. Alle anderen zouden het bij dezen nu echter ook moeten weten: voor liefhebbers van een lekker gevarieerde, van de “joie de vivre” overlopende pot country is dit een heuse aanrader.

The Whiskey Gentry, Goose Creek Music

 

TINY LEGS TIM “Stepping Up” (Sing My Title)

(4,5*****)

Niet dat het nog echt nodig was, maar Tiny Legs Tim bewijst met z’n ondertussen derde cd “Stepping Up” dat hij en niemand anders op dit eigenste ogenblik echt wel het allerbeste is wat ons land op bluesvlak te bieden heeft. Op die opvolger van het vrijwel unaniem extreem lovend onthaalde tweetal “One Man Blues” en “TLT” stampt de jonge Gentenaar enthousiast de laatste restjes deltaklei van z’n boots alvorens z’n blik op de toekomst te richten. Een toekomst die op de keper beschouwd duidelijk wat R&B-getinter blijkt dan het verleden. Zij het dan ook doorspekt met de nodige invloeden uit andere genres, maar daarover hier verderop meer.

Openingsnummer “Heart Of The City” werd zo bijvoorbeeld overduidelijk geconcipieerd met de blik op “Nawlinz". Echt een heerlijk staaltje van blues & roots, die intro tot net geen vijfenveertig minuten muzikaal topvermaak. Vervolgens gaat het via het bij nader inzicht nog wel wat aan TLT’s eerdere werk herinnerende stampertje “Stepping Up” richting het door gast Steven Troch bluesharpgewijs fameus opgewaardeerde streepje grootstadsboogie “I Got Something” en het ook al erg lekkere, volop naar “swamps” allerhande geurende “Keep Me Satisfied”.

“Next up” is “Big City Blues”. Niet die van Big Maceo, Wynonie Harris, Johnny Winter of anderen, maar een werkelijk magistrale TLT-original. Een trage, waarvan hier terstond zo ongeveer elke lichaamshaar rechtop ging staan. Klassiek spul, vraiment… Net als “Get It Back” eigenlijk, dat op z’n Sonny Landreths heel mooi het midden weet te houden tussen blues en bayou rock.

Hadden we dan nog niet gehad: het hypernerveuze, ons gevoelsmatig best wel wat aan Canned Heat herinnerende boogiebeest “Walk With The Devil”, de rete-aanstekelijke foot-tapper “So Long So Long”, het op hoogst bedaarde wijze op de eigen dood vooruitlopende “When I’m Gone” en het afsluitende “If & Why”. En dat laatste vonden wij hier tekstueel gezien misschien wel het allersterkste nummer van het lot. Bijzonder knap, hoe de door het leven lang niet altijd verwende jonge Vlaming de toekomst daarop positief ingesteld tegemoet durft te zien. “All the “if’s” and “why’s” don’t solve the storylines, “ houdt hij ons voor. “If you don’t look back in regret, you will be fine. (…) Like none of these things ever happened at all”.

Hoe “tiny” ook die beentjes, ze dragen wel een verdomd grote meneer… Chapeau!

Tiny Legs Tim

 

JOHNNY DOWD “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” (Mother Jinx Records)

(3,5****)

Johnny Dowd is eigenlijk altijd al wel een beetje een buitenbeentje geweest. Maar zó extreem als hier... De door ons ooit heel erg geapprecieerde Norman Bates van Roots Town is duidelijk niet meer. De Dowd van tegenwoordig is een gevaar voor zo ongeveer élk zich op z’n weg aandienend muziekgenre. Blinkend klieft het lemmet van zijn immer vervaarlijk ogende slagersmes hier quasi voortdurend doorheen de lucht. En welk vlees het daarbij in z’n kuip vindt, doet er eigenlijk niet eens toe. Het hogere doel van z’n brutale vilwerk blijft onveranderd vunzige rock & roll. Zo “weird” dat je er bij momenten als luisteraar moet voor opletten om niet de pedalen te verliezen… Intrigerend!

“That’s Your Wife On The Back Of My Horse”, die titel alleen al… Een betere aankondiging had dit door Dowd zo goed als in z’n dooie eentje gebaarde muzikale gedrocht zich niet kunnen wensen. Zelf haalt hij zo ongeveer alles wat er uit een elektrische gitaar, een bas en vooral ook keyboards te halen valt. Anna Coogan is zo nu en dan haar breekbare zelf bij het vertolken van wat ondersteunende zanglijnen, Mike Cook mag een lichtjes krankzinnige gitaarsolo ophoesten in het experimentele “Words Are Birds” en de tandem Mike Edmondson (keyboard) en Willie B (drums) duikt even op in coda “Teardrops”, maar dat is het dan ook qua vreemde inbreng. Bij het creëren van nieuw leven hoeft Frankenstein Dowd duidelijk niet teveel pottenkijkers in de buurt.

Wil je aan “That’s Your Wife On The Back Of My Horse”, wees dan vooral op je hoede! Expect the unexpected! In de donkere uithoeken van Dowds geest kan dezer dagen immers zo ongeveer alles. “A captivating combination of lo-fi meets high tech”, lazen we in het begeleidende schrijven en zo is het maar net. Bevreemdende klankexperimenten, “kick ass dirty rock”, electro, flarden funk en new wave, folky spul, je zegt het maar… Dowd draait z’n hand hier hoegenaamd nergens voor om. En de grens met (geniale) muzikale waanzin, die wordt zodoende almaar dunner.

Duidelijk niks voor op safe spelende watjes dus, dit “That’s Your Wife On The Back Of My Horse”… Zij kunnen Dowd maar beter braafjes uitwuiven, terwijl die er daarbij uitdagend zwaaiend met een gestrekte middenvinger in galop met hun wederhelft vandoor gaat…

(Op 10 april komt Dowd “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” live voorstellen in de N9 te Eeklo.)

Johnny Dowd

 

NDROMEDA “Into The Lazy Eye” (Numoonlab Recordings)

(3,5****)

Ciska Ruitenberg is een al sinds het eind van de jaren negentig aan de weg timmerende artieste uit het Nederlandse Hoorn. Na jarenlange omzwervingen in genres als indierock en triphop bevond ze zich nog niet zo heel erg lang geleden plots tot op kniehoogte in door ons graag gefrequenteerde muzikale wateren. Onder het pseudoniem Ndromeda tekent ze op haar eerste volwaardige langspeler “Into The Lazy Eye” voor een enigszins bevreemdend aandoende mengvorm van elementen uit tal van rootsy muziekhoeken.

Als zangeres komt ze daarbij quasi voortdurend ongeveer even bezwerend uit de hoek als pakweg Joni Mitchell in haar nadagen, een Beth Orton of een Gillian Welch ook wel. Enigszins donker en sensueel tegelijk dus. Precies wat haar muziekjes nodig hebben. Noem het Americana, country noir dan wel trippy rootsmuziek, feit is, dat we hier te maken hebben met creaties met een bij momenten sterk filmisch karakter. Met het element sfeer gelijk vanaf de eerste noten duidelijk in “pole position”.

Voor ons werkte Ruitenbergs aanpak het best in het van een smakelijk bluesy randje voorziene “Little Shepherdess”, de oorstrelend mooie country noir ballad “Rag Dolls”, het op onderkoelde passie drijvende “You Crossed My Mind” en titelnummer “Into The Lazy Eye”. Maar we kunnen ons best wel voorstellen, dat u hier na enkele beluisteringen een stel totaal andere favorieten aan overhoudt.

Wat apart, maar wel héél mooi!

Ndromeda, Bandcamp

 

NICK EDWARD HARRIS “The Tall Trees” (Shifted Fiction Records)

(3,5****)

Bij wie er thuis materiaal op de plank prijkt van knapen als een Richard Thompson en een John Martyn zou er ook wel eens een welwillend oor kunnen worden aangetroffen voor de muziek van de Brit Nick Edward Harris. Die jonge Londenaar besloot een aantal jaren geleden om uiteenlopende redenen om z’n drukke thuishaven te verlaten en naar het verre Nieuw-Zeeland te verkassen. En daar vond hij bij nader inzicht juist alles wat hij nodig bleek te hebben om te kunnen groeien als artiest. In alle rust schaafde hij er z’n gitaartechniek bij, groeide gaandeweg als songwriter en werkte al buskend om geld in het bakje te krijgen ook aan z’n kunstjes als performer.

Bij zijn terugkeer in Engeland een flinke poos later was hij dan ook gewoon een beter artiest geworden. En zijn met wat hulp van onder meer Emma Gattrill van Sons Of Noel And Adrian en Ted Dwane van Mumford & Sons opgenomen debuutplaat “Chimera” van twee jaar geleden mocht mede als een gevolg daarvan bogen op flink wat lovende kritieken. Zodanig veel zelfs dat een nieuwe plaat niet al té lang kon uitblijven. En die is er nu dus ook effectief.

“The Tall Trees” werd ingeblikt met de eveneens vanuit Londen actieve Nick Trepka als producer. Twaalf nieuwe liedjes in akoestische folk(rock)stijl zijn het resultaat. Liedjes, die lang niet allemaal even gemakkelijk weghappen. Net als de eerder al genoemde tandem Thompson-Martyn blijkt immers ook Harris behoorlijk veeleisend voor zijn publiek. Vooral wat betreft het tekstuele aspect van z’n nummers dan.

Word je echter bereid gevonden om je langzaam te laten verleiden door dingen als het hypernerveuze, van de onderhuidse spanning erin levende “Calm Your Demons”, de intimistische folkpareltjes “Unarmed” en “Evening”, het wat Thompson-esk aandoende “The Horse Road”, het instrumentale “Moscow To Beijing” en andere, dan houd je aan “The Tall Trees” een flinke kluif over. Een album, dat je laagje per laagje kan gaan ontdekken. Een geheel, dat bij elke nieuwe luisterbeurt weer wat meer van z’n geheimen zal prijsgeven. Luistervoer voor gevorderden, zoiets…

Nick Edward Harris

 

OWL COUNTRY “Owl Country” (Owl Country Music)

(3,5****)

Owl Country is de naam van een nog gloednieuwe Americana act bestaande uit klassiek geschoolde violiste Yvette Holzwarth en songsmid Dan Imhoff. Die twee ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een liefdadigheidsevenement in de zomer van 2013. Sindsdien timmeren ze samen aan de muzikale weg. Ze schreven naar eigen zeggen een hele koker vol songs en daarvan belandden er uiteindelijk een tiental op hun enkele dagen geleden verschenen titelloze debuutplaat. En die blijken, aangevuld met een live gebrachte cover van Dylans “I Shall Be Released”, goed voor een alleraardigst visitekaartje.

Vol met verdomd fraaie, stemmige Americana. Gelijk van bij openingsnummer “Light Your Candle” vielen wij er hier voor. In dat zo op het eerste gezicht eerder simpele liefdesliedje viel ons meteen op, hoe mooi de stemmen van Holzwarth en Imhoff elkaar wel aanvullen. Onwillekeurig moesten we daarbij heel even terugdenken aan de Gillian Welch en David Rawlings van in hun begindagen. En dan hadden we het nog niet eens over het lentefrisse vioolgestoei van Holzwarth en de al even knappe finger style gitaarbenadering van Imhoff. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

Vervolgens loodsen de twee ons langs twee al even heerlijke, zij het wat donkerder ingevulde ballades, met name “Lost And Found” en “Atonement”. In beide horen we gast David Grisman bij momenten behoorlijk prominent assisteren op de mandoline. Via de opgewekte, door Holzwarth echt de sterren in gezongen countrydeun “Rusted Car” gaat het dan richting wat naar onze bescheiden mening hét absolute hoogtepunt van deze plaat zou moeten zijn, met name de door de legendarische Charlie Musselwhite van wat sfeervol mondharmonicawerk voorziene bluesy gospeldeun “Sacred Ground”.

Ook heel erg mooi is het meteen daaropvolgende “Creek”, opnieuw een wolk van een ballade met andermaal sirene Holzwarth in de hoofdrol. Dat echter ook Imhoff vocaal best z’n mannetje kan staan, maakt hij ons gelijk daarna in het louter muzikaal gezien perfect bij z’n voorganger aansluitende “Looking Waiting” duidelijk. De puntjes op de i zetten, heet dat dan zeker…

Resten er ons dan nog: de opgewekte uptempo bluegrassdeun “I Wanna Know You”, de hoger al even vernoemde Dylan-adaptatie, het ook al ongemeen sfeervolle “Dangerous World” en het afsluitende, heerlijk ouderwets aandoende pianowalsje “Windcatcher”.

RIYL: Dave Carter & Tracy Grammer, Gillian Welch & David Rawlings, Carrie Elkin & Danny Schmidt, Beansprouts.

Owl Country

 

ASLEEP AT THE WHEEL “Still The King” (Proper Records / Bertus)

(4,5*****)

“Still The King” is na het in 1993 verschenen “Tribute To The Music Of Bob Wills & The Texas Playboys” en het van een jaar of zes later daterende “Ride With Bob” al het derde eerbetoon van het ondertussen ook zelf tot een heus Texaans instituut uitgegroeide Asleep At The Wheel aan het adres van “The King of Western Swing”. En het concept daarbij is simpel. Ray Benson en de zijnen spelen in de ruime voetsporen van hun idolen uitvoerig ten dans en nodigen daarvoor zoveel mogelijk geïnteresseerde gasten uit.

En fijn is dat ze daarbij behoorlijk “breed” durven te gaan. Zowel verleden, heden als toekomst komen bij de keuze van hun muzikale partners aan bod. Zowel de wat commerciëlere countrysector als de veel meer rootsgeoriënteerde ook. En dat is wat ons betreft een alleen maar toe te juichen uitgangspunt. Zo stoten we “this time around” op de gastenlijst op de namen van Leon Rausch, Amos Lee, The Avett Brothers, Lyle Lovett, Merle Haggard, Emily Gimble, Kat Edmonson, Old Crow Medicine Show, Pokey LaFarge, Willie Nelson, The Quebe Sisters, The Del McCoury Band, The Time Jumpers, George Strait, Elizabeth Cook, Brad Paisley, Buddy Miller, Carrie Rodriguez, Robert Earl Keen, Jamey Johnson, The Devil Makes Three, Katie Shore, Tommie Emmanuel, Brent Mason, Billy Briggs, Shooter Jennings, Randy Rogers en Reckless Kelly.

Samen met hun gastheren serveren zij tweeëntwintig goede redenen om Wills ook in de komende jaren als de onomstreden koning van de Western swing te blijven koesteren. Bekende evenals al wat minder tot de verbeelding sprekende deunen van het repertoire van Wills en de zijnen vonden hun weg richting de mix. Van het door Willie Nelson en The Quebe Sisters zacht heupwiegend richting de sterren gecroonde “Navajo Trail” tot een samen met de onvolprezen Del McCoury en z’n band tot heerlijke bluegrass swing omgetoverd “Silver Dew On The Bluegrass Tonight”. Van een vurige vertolking van het wervelende “Tiger Rag” met die van Old Crow Medicine Show tot een opvallend knap “The Girl I Left Behind Me” met The Avett Brothers. Of het als leuke trage geserveerde “Faded Love” met Vince Gill, de lichtjes fantastische Dawn Landes en de overige Time Jumpers, het jazzy, met Lyle Lovett als een vis in het water agerende “Trouble In Mind” en “Time Changes Everything” met huisfavorietje Buddy Miller.

Ach, er vallen hier zoveel leuke dingen te vermelden. En nog een aantal andere daarvan willen we je zeker ook niet onthouden. “I Can’t Give You Anything But Love”, een zalig krols duetje tussen Kat Edmonson en Ray Benson, bijvoorbeeld al, de rete-swingende Pokey LaFarge-benadering van “What’s The Matter With The Mill” zeker ook, evenals een verrassende Robert Earl Keen in “Ding Dong Daddy From Dumas”, het z’n goede reputatie alle eer aandoend The Devil Makes Three in “Bubbles In My Beer” en de samenwerking met Shooter Jennings, Randy Rogers en die van Reckless Kelly voor het afsluitende titelnummer “Bob Wills Is Still The King”. Zelfs George Straits lezing van het onderussen stilaan suf gecoverde “South Of The Border (Down Mexico Way)” scoorde bij ons verrassend hoge punten.

“Celebrating The Music Of Bob Wills And His Texas Playboys” kreeg het geheel als ondertitel mee en da’s exact wat hier gebeurt ook. Eén groot feest wordt ermee gebouwd. En als er al één ding is waar wij niet vlug neen tegen zeggen, dan zijn het wel straffe feestjes als dit…

Asleep At The Wheel, Proper Records

 

IAN SIEGAL “One Night In Amsterdam” (Nugene Records / Bertus)

(4,5*****)

Wie zei er daar ook alweer, dat het dezer dagen allesbehalve evident is om een plaat tot in de winkel te krijgen? De Britse bluesmaestro Ian Siegal zal het vast niet geweest zijn. Die jaagt zijn nog met elke release flink uitdijende fanschare dezer dagen integendeel net flink op kosten. Met “One Night In Amsterdam” is hij aan z’n derde plaat in amper tien maanden tijd toe. De eerste treffer van die hattrick was het in mei van vorig jaar verschenen “Man & Guitar”, ’s mans eind 2013 door de BBC in de Londense Royal Albert Hall ingeblikte eerste live-cd. Goed en wel een maand geleden was er dan het geweldige “The Picnic Sessions”, een samenwerkingsverband met Alvin Youngblood Hart, Cody & Luther Dickinson en Jimbo Matthus, en nu dus z’n eerste liveplaat mét band.

En die bestaat sinds eind 2013 uit jonge gitaargod Dusty Ciggaar, bassist Danny Van ’t Hoff en drummer Raphael Schwiddessen oftewel de Nederlandse Rhythm Chiefs. En dat drietal mag je wat ons betreft rustig als een godsgeschenk voor Siegal beschouwen. Want – Eerlijk is eerlijk! – zo goed als hier klonk hij eigenlijk nog nooit. En dat tot groot jolijt van allen die in april van vorig jaar de weg vonden richting de North Sea Jazz Club in Amsterdam.

Zij hoorden Siegal een nummer of drie ver in z’n set de avond perfect samenvatten: “We’re going to play some new songs, some old songs, and some songs by great heroes of mine, who were influences on me in my early days, back in the 1930s…” Met de glimlach natuurlijk, maar wel “spot on”!

Geopend werd er destijds met een werkelijk retestrakke versie van het je wellicht ook al wel van het fenomenale “Candy Store Kid” uit 2012 bekende “I Am The Train”. Een album dat onze man later nog eens even zal aandoen voor de ook al geweldige rootsy trage “Early Grace”. Maar voor we zover zijn, gebeurt er eerst nog heel wat anders.

Na “I Am The Train” funken Siegal en de zijnen zo door z’n eigen, van “Meat & Potatoes” geplukte classic “Brandy Balloon”, strutten ze soulvol doorheen “Kingdome Come” van “Broadside” uit 2009, alvorens met de zalige rocker “Writing On The Wall” van z’n landgenoot Harry Stephenson een eerste cover aan te snijden. De eerste van een reeksje, zo blijkt. Met de rootsy slow rocker “Temporary” van z’n maat Ripoff Raskolnikov en Tom Russells “Gallo Del Cielo” volgen er immers snel nog twee. En daarvan springt de tweede al bij al nog het meest in het oog, al was het alleen al maar omdat Siegal en co er ruim negen minuten en drieënveertig seconden lang een vette rootskluif aan blijken te hebben.

Afgesloten wordt er daarna met het van z’n debuut uit 2002 (“Standing In The Morning”) geplukte “Queen Of The Junior Prom”, de misschien wel via een ommetje langs de hardrockers van Nazareth bij de Everly Brothers geleende en wederom van de soul bulkende trage “Love Hurts” en het daar naar ons gevoel werkelijk perfect bij aansluitende en eveneens samen met Joël en Tess Gaerthé van Ashtraynutz gebrachte “Please Don’t Fail Me”.

Wie daarna nog wat meer op zou kunnen, kan zich middels een aan elke cd toegevoegde persoonlijke downloadcode ook nog gratis de bonus track “Hard Pressed” in huis halen. ’t Is maar dat je het weet…

Ian Siegal, Nugene Records

 

MYLES MANLEY “More Songs” (Myles Manley)

(3***)

Onder het motto “kort maar krachtig” jagen we er hier vandaag snel ook nog even de EP “More Songs” van de vanuit Dublin actieve Brit Myles Manley door. Zes nummers, samen goed voor ruim een half uur gestoei met folk, pop en rock – Niet noodzakelijk in die volgorde! – vallen ons daarop ten deel.

Openingsnummer “Pay Me What I’m Worth” is een hypernerveuze, maar tegelijk o zo catchy kruisbestuiving van folk en pop. Je zou denken, dat als de juiste radiomakers hier hun schouders onder willen zetten, Manley wel eens zomaar een hit te pakken zou kunnen hebben.

Het daaropvolgende “January” is dan weer van geheel en al andere orde. In al z’n intimiteit deed het ons enkele tellen lang denken aan knapen als vader en zoon Buckley en Nick Drake. Snedig gerockt wordt er vervolgens in het wat ons betreft juist allesbehalve ordinaire “Ordinary Love” en al even snel opnieuw gas teruggenomen met het mooie, lekker weidse “I Love Her Family”. Het bedaarde, zich eigentijds folky aandienende “Grinding” en het even aparte, als sfeervolle “Slip Into The Sea” vervolledigen het voor ons al bij al net wat te onevenwichtig uitvallende geheel.

Myles Manley

 

DAVID CORLEY “Available Light” (Continental Record Services / V2)

(5*****)

2015 is zich nu al zo stilaan tot een echt Americana-topjaar aan het ontwikkelen. Nog geen twee maanden ver zijn we en het aantal uitzonderlijk knappe releases is al danig hoog opgelopen, dat we nu al durven te stellen, dat het straks aan het eind van de rit weer “one hell of a job” zal gaan worden om een enigszins representatieve jaarlijst samen te stellen. Eens benieuwd, of “Available Light” van de Amerikaan David Corley er uiteindelijk effectief in zal slagen om dat overzichtje te halen. Op dit moment durf ik nog volmondig te beweren van ja, maar op tien maanden tijd kan er natuurlijk nog veel veranderen…

Dat neemt echter niet weg, dat het debuut van die Corley echt een sublieme plaat is. Het soort van geheel waarvoor je eigenlijk zo goed als een volledig leven geleefd moet hebben om het überhaupt te kunnen maken. En precies dat blijkt bij onze man het geval. Op z’n drieënvijftigste heeft die al ruimschoots voldoende “godverdomse dagen op deze godverdomse bol” achter de kiezen voor een heuse eigen “grand cru”. Een door de Canadese multi-instrumentalist Hugh Christopher Brown geproduceerd songtiental, dat je als liefhebber van atmosferische bluesy roots rock na een eerste beluistering ervan compleet verbluft achterlaat. Tegen het canvas moet je gewoon...

Met een zo menig een de tabakshemel ingeholpen sigaret verradende ruwe baritonstem als z’n voornaamste bondgenoot krast Corley à la een Lou Reed, een Tom Waits en een Leonard Cohen z’n eigen zieleroerselen op die van jou. Z’n niet zelden behoorlijk poëtisch uitdraaiende woorden raken je als luisteraar echt tot diep in je wezen. En als je dan leest, dat Corley zelf een verwoede lezer is en zich onder meer liet inspireren door Joyce, Whitman, Blake en Rilke dan weet je gelijk ook waarom. Openingsnummer “Available Light”, het heerlijk atmosferische “Beyond The Fences”, het bedaarde “Easy Mistake”, het meteen daaropvolgende “Dog Tales” en andere, stuk voor stuk zalige lappen rootsmuziek zijn het resultaat.

Voor wie het graag wat meer mag zijn: deze Corley is je man! Zeker weten!

David Corley, Continental Record Services

 

RODNEY RICE “Empty Pockets And A Troubled Mind” (Moody Spring Music)

(4****)

Bijzonder zelfverzekerd lacht de sinds kort vanuit muziekmekka Austin aan een toekomst voor zichzelf timmerende jonge singer-songwriter Rodney Rice ons vanop het hoesje van zijn onlangs verschenen visitekaartje “Empty Pockets And A Troubled Mind” toe. Het is alsof hij er toen, tijdens het maken van die foto, achter z’n donkere zonnebrilglazen al vrij zeker van was, dat het allemaal wel zou gaan loslopen voor ‘m. En dat lijkt nu van langsom ook meer en meer te gebeuren ook. Met alvast de nummer-1-stek in de Freeform American Roots (FAR) Chart van de voorbije januarimaand tot gevolg. De zegen van heel wat voornamelijk Amerikaanse vaklui heeft hij met andere woorden  dus al. En daar mag nu ook die van ons bij.

Ook wij kunnen immers onze pret niet op met deze ergens in het kielzog van grote Texaanse voorbeelden als een Robert Earl Keen, een Houston Marchman, een Slaid Cleaves en een Kevin Deal actieve nieuwkomer. Met de veertien nummers op “Empty Pockets And A Troubled Mind” slaat Rice wat ons betreft een nagenoeg perfecte muzikale homerun. Vele daarvan kunnen immers bogen op een voor een nog zo jonge kerel behoorlijk flinke emotionele diepgang. En da’s iets wat uitnodigt tot net wat aandachtiger luisteren natuurlijk. Je wordt als het ware naar binnen gezogen in het door Rice bezongen wereldje. Je ziet wat hij zag, voelt wat hij voelde. Je maakt kennis met de mensen die hij op z’n weg ontmoette, bezoekt dezelfde plaatsen die ook hij aandeed.

Voor de productie van “Empty Pockets And A Troubled Mind” tekende lokale held Andre Moran. En hij hield de teugels zo te horen niet al te strak in handen tijdens de opnames ervan. Zodoende letterlijk alle ruimte latend aan de ruiggevooisde Rice, z’n mondharmonica en z’n akoestische en bekende en minder bekende gasten als Mark Hallman, Jason McKenzie, Haydn Vitera, Vanessa Lively, Andrew Pressman, Katy Rose Cox, Katie Cahn, Tyler Rice en Kim Deschamps.

Het resultaat is een duidelijk op organische wijze tot stand gekomen verzameling ballads en countryrockers, waarvoor wij maar wat graag nog eens de omschrijving “Alle Dertien Goed” zouden bovenhalen, ware het niet, dat het hier zoals hoger al even aangegeven om veertien songeenheden gaat. “Alle Veertien Goed” daarom maar zeker, met speciale vermeldingen voor het in duet met Vanessa Lively gebrachte anti-liefdesliedje “Break Your Heart”, de smeuïge rocker “Texas Moon”, het ons gevoelsmatig wel heel erg aan collega Slaid Cleaves herinnerende “Hills Of Carolina” en het afsluitende “You Don’t Know”, een streepje nu al klassieke trage Americana Texas style.

Hopelijk voor Rice raken z’n “Empty Pockets” hiermee snel gevuld en kan z’n “Troubled Mind” op die manier definitief achterwege worden gelaten…

Rodney Rice

 

POINT QUIET “Ways And Needs Of A Night Horse” (Continental Record Services / V2)

(5*****)

Vijf lange jaren verstreken er sinds het verschijnen van het naar zichzelf vernoemde debuut van het Nederlandse gezelschap Point Quiet. Tijd die men, afgaande op het op “Ways And Needs Of A Night Horse” gebodene, bepaald niet in ledigheid heeft doorgebracht. Net als z’n voorganger blijkt immers ook de nieuwe van Pascal Hallibert en de zijnen weer een echte voltreffer. Elf nummers en net geen veertig minuten lang nemen ze ons ook ditmaal weer op sleeptouw doorheen een muzikaal landschap, waarvoor naar believen de termen Americana dan wel country noir uit de kast mogen. Muziek, waarin vooral het sfeerelement van doorslaggevende betekenis blijkt. En dat is bepaald niet zelden heerlijk melancholisch van aard.

Met Halliberts wat klaaglijk aandoende stem, het daar prachtig bij kleurende harmonieerwerk en de viool van Simone Manuputty, de buitengewoon subtiele snarenbenadering van Jan van Bijnen en wat ingehuurde blazers doorgaans als richtingaangevende elementen. Men denke zo bijvoorbeeld aan enigszins vergelijkbare acts als Calexico, Grant-Lee Phillips, de Willard Grant Conspiracy of Tindersticks. Stuk voor stuk kleppers, waarvoor je als liefhebber van de op deze pagina’s behandelde muziekgenres allicht graag wat tijd vrijmaakt. En dat zou je derhalve ook eens voor Point Quiet moeten doen. Na één enkel “proevertje” is er gegarandeerd geen weg meer voor je terug…

Dingen als het onopvallend als de afhangende twijgen van een wilg onder invloed van een zacht briesje haarfijne golven door de vijver van je luisteraarsbewustzijn trekkende titelnummer, het onder meer met fijnbesnaard strijkwerk van Manuputty opgewaardeerde “Run All You Want”, het net wat vlottere “NY Or Not NY”, het elegische “The Man I Once Was”, de sfeervolle country-noirsleper “Trembling Stars”, de afsluitende instrumental “Maneras Y Necessidades” en andere zijn immers net als zoveel van Halliberts eerdere nummers van niets minder dan internationale klasse. Echte pareltjes! Zonder uitzondering bloedmooi!

Point Quiet, Continental Record Services

 

DAYNA KURTZ “Rise And Fall” (Kismet Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Voor het eerst proeven van “Rise And Fall”, de nieuwe van Dayna Kurtz, dat kwam voor ons zo ongeveer overeen met onverwachts heel even een stukje van de hemel mogen verkennen. Zó mooi… Woorden schoten ons bij momenten gewoon tekort om te beschrijven wat we hoorden…

Vooral het openingstweetal van de plaat is ronduit magistraal te noemen. Als je dingen als het country-soulwalsje “It’s How You Hold Me” en de in vergelijkbare buurten rondhangende trage “You’re Not What I Need (But You’re  All That I Want)” kan beluisteren zonder er tot in het diepst van je wezen door te worden geraakt, dan scheelt er iets met je… Echt! De namen van Otis Redding, James Carr, Dan Penn en Aretha Franklin helpen je bij het zoeken naar een geschikt ijkpunt een aardig eindje op weg!

Vervolgens is er wat Kurtz zelf al omschreef als haar “drinking song for the apocalyps”. Al bij al aardig penetrante gitaarklanken, een zich ongewoon opstandig presenterend accordeon en de meer gedeclameerde dan gezongen woorden van La Kurtz blijken daarin de barkeepers van dienst. Wedden, dat je op eenvoudig eenmalig verzoek ook graag een glas met hen mee zal drinken?

Geheel en al anders van aard is in het kielzog daarvan dan weer “If I Go First”. Noem het wat ons betreft maar atmosferische slow rock. Zoiets… Van een verkillende schoonheid, dat alleszins! Een soort van tussen hier en nu en hiernamaals verwoorde laatste liefdesbetuiging. Word je ogenblikkelijk helemaal stil van…

Dan volgen respecievelijk “Eat It Up”, “Yes, You Win” en “Far Away Again”. Het eerste van dat drietal herinnerde ons bij momenten best wel een beetje aan de behoorlijk opulent georkestreerde (folk)pop van het Britse collectiefje Everything But The Girl ten tijde van hun magistrale derde “Baby, The Stars Shine Bright”, het tweede bleek op zijn beurt opnieuw een streepje buitengewoon fijnzinnige country soul en het derde gewoon een wat apart ingevuld popliedje. De interactie tussen met name stem, piano en strijkers daarin, deed ons heel even de term “late night pop” overwegen.

Bij wijze van drievoudige uitsmijter bedient Kurtz ons daarna ook nog van het sfeerbevorderend van wat banjogewriemel voorziene old-time country-soulduo “A Few Confessions” en “You’ll Always Live Inside Of Me” met daartussen gewrongen het wat sacraal aandoende “The Hole”. Dat laatste schreef Kurtz dan ook over de bij het graven van een gat voor het begraven van het as van haar vader door haar geest dwalende gedachten. En ons deed het heel even weer denken aan de vermaarde woorden van Confucius: “Alles heeft zijn schoonheid, maar niet iedereen ziet haar.”

Kortom: “Rise And Fall” bevat wat ons betreft wederom tien nieuwe redenen om Kurtz nog wat steviger aan de borst te drukken dan we dat hier al sinds tijden deden. Onbegrijpelijk eigenlijk, dat deze geweldige artieste in haar thuisland Amerika nog niet dezelfde successen heeft kunnen laten optekenen als in heel wat delen van Europa. Maar goed, misschien brengt “Rise And Fall” daarin wel eindelijk verandering…

Dayna Kurtz, Lucky Dice Music

 

CHUCK PYLE “Cover Stories” (Zen Cowboy Records)

(4****)

De mooiste albums komen niet zelden eerder toevallig tot stand. Neem nu zo’n plaat als “Cover Stories”, de nieuwste van “Zen Cowboy” Chuck Pyle. Jarenlang al speelde die zoals zoveel anderen geregeld covers van liedjes van door hem zelf bewonderde artiesten. En geregeld werd er aan het eind van een opnamesessie ook wel eens zo’n deuntje ingeblikt. Maar tot op heden gebeurde daar dan eigenlijk niks mee. Ze bleven gewoon met z’n allen op de plank achter. En dat tot Pyle er op zekere dag in een onbewaakt moment met z’n vriend producer John McVey over praatte. Die was meteen zwaar geïnteresseerd en ging op zoek naar het opgenomen materiaal. En de rest laat zich dan wel raden, niet?

McVey was inderdaad zo enthousiast, dat vrijwel onmiddellijk wat studiotijd geboekt werd en een legertje muzikanten werd opgetrommeld. En “the rest”, aldus Pyle zelve, “is history”. Een stukje geschiedenis, dat je je sinds kort onder de vorm van een geweldige singer-songwriter-countryplaat ook effectief kan aanschaffen. Pyle toont hier immers vrijwel voortdurend een uitstekende smaak, een echt neusje voor geweldige songs. Zo covert hij met veel gevoel “Beaumont” van Hayes Carll, “Fearless Heart” van Lynn Miles, “Blanco River” en “Up And On My Way” van Walt Wilkins, “Now Everything Does” van het duo Lou & Peter Berryman, “Southern Music” van Russell Smith, “Forty Days Of Rain” van Jeff Talmadge, Charlie Chaplins evergreen “Smile” en “If I Was Jesus” van Chuck Cannon en Phil Madeira. En tussendoor mogen ook z’n eigen liedjes “Train Of Dreams”, “Good To Be Home” en “I Hear It’s Clear” even van stal. De twee laatste van dat trio schreef Pyle overigens met Larry Joe Taylor.

Om een lang verhaal kort te maken: wij zijn hier helemaal weg van “Cover Stories”. Het is het soort van plaat, dat we zonder ook maar enige vorm van voorbehoud durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van artiesten als een Guy Clark, een Keith Miles en een John Prine. En daarmee zou u eigenlijk genoeg moeten weten…

Chuck Pyle, CD Baby

 

MADISON VIOLET “Year Of The Horse” (India Media Group)

(2**)

Oei, oei, oei… Ze hebben tot onze grote spijt de onlangs op de EP “These Ships” ingeslagen koers dus ook effectief aangehouden, de Canadese schatjes van Madison Violet. Ver weg van de altijd weer door hun heerlijke samenzang gekenmerkte Americana, folk en akoestische pop van weleer gaan Brenley MacEachern en Lisa MacIsaac op hun nieuwe worp “Year Of The Horse” nadrukkelijk op zoek naar popsucces. Synthpopsucces meer bepaald. En – Eerlijk is eerlijk! – daar zaten we hier nu niet echt op te wachten! En wij allicht niet alleen…

De mooie stemmen van de twee zijn natuurlijk wel gebleven, maar tussen zoveel elektronisch geweld als hier vallen ze gewoon heel wat minder op. En hoe goed ook een aantal van de gebrachte deunen misschien wel mogen zijn, dit raakt ons gewoon niet meer zoals bijvoorbeeld wel nog de een jaar of twee geleden verschenen live-cd “Come As You Are Live”. Die raden we hier en nu nog altijd met heel veel enthousiasme aan (4****). Dat in de Kulturkirche in het Duitse Keulen ingeblikte concertmateriaal was immers rootsmuziek “vom Allerfeinsten”. Met een minimum aan instrumentale ondersteuning voor de vocale prachtprestaties van de tandem MacEachern-MacIsaac. Precies zoals het hoorde dus. Maar dit… Mja…

Aan potentiële hits absoluut geen gebrek hier. Dansvloeren zowat overal ter wereld lonken ondertussen reeds! Kassa, kassa? Zou best wel eens kunnen. En is de twee schonen op de keper beschouwd ook wel van ganser harte gegund. Maar ons verliezen ze hiermee wel (Definitief?) als luisterpubliek. Jammer…

Madison Violet, India Media

 

SARAH MCQUAID “Walking Into White” (Waterbug Records)

(3,5****)

Voor de opnames van haar vierde cd “Walking Into White” ruilde Sarah McQuaid gewoon het ene Cornwall voor het andere in. Om er te kunnen samenwerken met co-producers Jeremy Backofen (Frightened Rabbit, Felice Brothers) en haar neef Adam Pierce (Mice Parade, Tom Brosseau, Múm) verliet ze tijdelijk haar geadopteerde Britse thuishaven van die naam voor het gelijknamige stadje in Orange County, New York. Daar in de States ging de Engelse op zoek naar een compleet andere benadering van haar liedgoed. En die vond ze dus onder de vleugels van het normaliter niet in het folkwereldje actieve duo Backofen-Pierce. Dat tweetal slaagde erin om de intensiteit van haar live performances te vatten. Om haar wat ruwere kantje van tijdens die gigs ook op plaat te vereeuwigen. En om als dusdanig haar folkmateriaal ook voor een normalerwijze eerder voor pop en rock vallend publiek aantrekkelijk te maken.

Geopend wordt er met het in al z’n ijzigheid voorzichtig rillingen over je dan nog argeloze luisteraarslijf jagende “Low Winter Sun”. Vervolgens gaat het richting het met één vitale jump de sixties voor het hier en nu achter zich latende folkrockexperimentjke “Where The Wind Decides To Blow”, net als het ijle, meteen daaropvolgende “The Tide” en het titelnummer gebaseerd op de kinderboeken van Arthur Ransome.

“I Am Grateful For What I Have” blijkt op zijn beurt dan weer een klassieke allures vertonende akoestische gitaarinstrumental, “Sweetness And Pain I” het eerste van een in drie delen opgesplitst a cappella interludium, “Jackdaws Rising” een sfeervolle, met Adele Schulz en Martin Stansbury “three-part round” en “Yellowstone” een voorwaar zelfs even met een bedaard sambaritme flirtend niemendalletje. Uptempo single “The Silver Lining” kenden we hier al een poosje als een moment van pure klasse van McQuaid en het ingetogen, samen met Gerry O’Beirne, de producer van haar vorige drie albums, gepende “Leave It For Another Day”, haar benadering van Drapers “Canticle Of The Sun” en de afsluitende cover van folkicoon Ewan McColls “The First Time Ever I Saw Your Face” zijn al evenzeer intrigerende lappen eigentijds folkvlees.

Kort samengevat: “Walking Into White” is niet enkel McQuaids meest persoonlijke en emotionele plaat tot op heden, het is gewoon ook haar beste. En het zou ons dan ook geenszins verwonderen, mocht de door haar erop ingeslagen weg op termijn ook deze richting succes op wat grotere schaal blijken te zijn.

Sarah McQuaid, Waterbug Records

 

CAMERON BLAKE “Alone On The World Stage” (Silver Slant Records)

(5*****)

Wat mij betreft is het gewoon zonneklaar: als er dit jaar al een betere plaat dan Cameron Blake’s “Alone On The World Stage” verschenen is, dan moet ik ze nog horen. Echt compleet ondersteboven ben ik van de vijfde van die jonge Amerikaanse folkie. De ongekunstelde directheid van de twaalf nummers erop garandeert ruim negenenveertig minuten voor mij nu al als klassiek te bestempelen luistervoer.

Beïnvloed werd Blake daarvoor onder meer door wijlen Nick Drake. En diens vaak door serieuze vlagen van weemoed gevoede modus operandi laat zich derhalve ook op “Alone On The World Stage” regelmatig aanwijzen. Met name die van “Pink Moon”, zou ik zo zeggen, toen hij, zoals Cameron Blake hier, ook alles in z’n eentje deed. De eigen stem, een akoestische gitaar, een piano en een studio, meer niet…

Dat levert, zoals hier hoger reeds gesteld, ronduit beklijvende resultaten op. En of Blake het nu heeft over zo op het eerste gezicht eerder schijnbaar banale, in z’n eigen omgeving opgetekende feiten, dan wel over meer globale topics speelt daarbij zelfs absoluut geen rol. Het is zijn eigen, hoogst aparte manier om z’n onderwerpen te benaderen, die als het ware het cement tussen de losse song-stenen vormt. De niet altijd even evidente invalshoek, bedoelen we dan in de eerste plaats. Maar zeker ook de geweldige poëtische kracht van z’n teksten. Niet zelden heb je als luisteraar het gevoel te maken te hebben met gedichten, die pas op een later tijdstip tot liedjes zijn uitgegroeid. Iets wat voor “Welfare Street” zelfs effectief het geval is geweest, zo blijkt uit de door Cameron zelf in het cd-boekje bij z’n liedjes aangeleverde commentaren.

Laat je net als mij betoveren door bijna onwezenlijke schoonheden van nummers als het de fiscale problemen van de stad uit z’n titel als uitgangspunt voor stil protest gebruikende “Detroit”, het in het conflict tussen Israël en Palestina een dankbaar onderwerp vindende “Rise And Shine”, het zich met het op grote schaal gaan exploiteren van olie en alle directe en indirecte gevolgen daarvan inlatende “North Dakota Oil”, het aan tot gewetensvragen aanzettende liefdesleven van een vriend opgehangen “Wild Blue Garden”, het aan z’n eigen dochtertje Genevieve Elizabeth opgedragen “Ultrasound” en andere, je zal het je absoluut niet beklagen!

Cameron Blake

 

6 STRING DRAG “Roots Rock ‘N’ Roll” (Royal Potato Family / Bertus)

(4****)

Voor albums als dit vonden wij hier ooit eigenhandig de omschrijving “retour de force” uit. Gehoopt hadden we er eigenlijk al lang niet meer op en dus doet het ook eens zoveel deugd om de heren van 6 String Drag weer samen aan het musiceren te weten. Na zestien lange jaren op sterk water hebben ze met “Roots Rock ‘n’ Roll” alvast opnieuw een heel sterk teken van leven gegeven, deze in de jaren negentig van de vorige eeuw meermaals op zich attent gemaakt hebbende pioniers van de No Depression-beweging.

Kenny Roby (zang, gitaren en percussie), Scott Miller (diverse gitaren, waaronder de slide), Rob Keller (diverse bassen en zang) en Ray Duffey (drums en percussie) draaien met deze in een met Jason Merritt gedeelde productie opgenomen comebackplaat de klok gewoon zo’n vijfentwintig jaar terug. De twaalf door Roby ervoor aangeleverde songs herinneren je als luisteraar weer even aan al bij al nog een stuk eenvoudigere tijden. Aan de dagen, waarin de vinylplaat zo stilaan werd uitgewuifd, computers nog lang niet zo gebruiksvriendelijk waren als nu, de GSM en het internet net aan een bescheiden opmars begonnen waren en vooral ook gitaren nog volop regeerden.

En dat, beste vriendjes, doen ze ook hier weer. Hier en daar afgelost door wat sympathiek kopergeschetter dat wel, maar doorgaans zijn het echt wel de gitaren die je de weg wijzen. Richting melodieuze roots rock zoals openingsnummer “Drive Around Town”, het Cochran-eske “Happier Times” en het met heerlijk snarenwerk gelardeerde “Sylvia”, R&B-getinte rock & roll zoals “OOOEEOOOEEOOO” en “Kingdom Of Gettin’ It Wrong” of bedaarde Americana genre de semi-ballade “Give Up The Night”, muzikale “weirdo” “Me & My Disease”, sleper “Precious Things” en het bluesy “Choppin’ Block”. Met als allermooiste nummers wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel de op buitengewoon soulvolle wijze gebrachte tragen “Hard Times, High Times” en “I Miss The Drive-In”.

Welcome back, guys! Glad to have you around again!

6 String Drag, The Royal Potato Family

 

HER & KINGS COUNTY “Raise A Little Hell” (India Records)

(3,5****)

“Raise A Little Hell” is de wel zeer toepasselijke titel van een onlangs verschenen retrospectieve gewijd aan het oeuvre van Monique “HER” Staffile en haar maats van Kings County. Ruim achtenveertig minuten lang bouwen de blonde moordgriet en haar begeleiders hier een bruisend feestje. Vijftien nummers lang laten ze daarbij de grenzen tussen genres als country, bluegrass, Southern rock, rock & roll tout court en hip-hop compleet vervagen. En het resultaat van die lang niet altijd even subtiele inspanningen is bij momenten echt wel onweerstaanbaar! Wie een wild feestje op z’n tijd wel ziet zitten, leest daarom best nog een eindje verder!

Met uitzondering van de nadrukkelijk om een zee van brandende aanstekers smekende rockballade “Heavens Crashing Down”, het melodieuze “My Heart Can’t Take Anymore”, een duetje met de je misschien nog wel uit de entourage van countryster Tracy Lawrence bekende gitarist Rick Huckaby, en het wel heel erg naar de sixties lonkende “Oh My Darlin” zal hij hier zeer aan z’n trekken komen. De rest van “Raise A Little Hell” wordt immers voornamelijk beheerst door een kruisbestuiving van Southern rock, hip-hop en (new) country. Lekker funky met de kont schuddend zoals in “Deep In The Country”, eerder swampy zoals in het knappe “Where Did All The Money Go” of wel heel erg op een jong countrypubliek mikkend zoals in het naar ons gevoel ook buitengewoon radiogeniek aandoende tweetal “White Trash” en “Family Tree”.

Het best bevielen HER & Kings County ons echter in dingen als “Down In Dixie”, het van “If You Wanna Go To Heaven” van de Ozark Mountain Daredevils afgeleide titelnummer “Raise A Little Hell” en het ook al op hoogst aantrekkelijke wijze om zich heen schoppende “My Backyard”. Precies die nummers dus, waarin koning Southern rock nog redelijk ongegeneerd regeren mag.

“City country” noemen Staffile en de haren hun eigenzinnig brouwsel zelf. Iets wat wellicht in niet geringe mate te maken heeft met het feit, dat ze bij nader inzicht uit “of all places” Brooklyn afkomstig blijken. Maar laat die laatste wetenschap vooral je feestje niet vergallen, zouden we zo zeggen!

HER & Kings County, India Records

 

BIBER HERRMANN “Grounded” (Acoustic Music Records)

(4****)

Op de opvolger van zijn goed en wel vier jaar geleden verschenen laatste studioplaat “Love & Good Reasons” gaat Biber Herrmann resoluut voor een minimalistische aanpak. In een met z’n landgenoot Peter Finger gedeelde productie etaleert de Duitse singer-songwriter daarop in z’n dooie eentje veertien nummers lang zijn bepaald niet geringe kwaliteiten. Met zijn enigszins verweerd aandoende stem, een collectie prachtliedjes, wat gitaren, waaronder ook een Resonator, en z’n mondharmonica als enige hulpmiddelen toont hij op “Grounded” andermaal gewoon tot het allerbeste te behoren wat Europa op blues- en rootsvlak te bieden heeft.

Acht van de gebrachte nummers blijken daarbij van eigen makelij, een negende, de fraaie ballade “I Will Find You”, pende Herrmann samen met de hier ook zeer gesmaakte David Munyon, de overige vijf zijn covers van respectievelijk de Muddy Waters classic “Got My Mojo Working”, “Going Up The Country” van Canned Heat, Leadbelly’s “Good Morning Blues”, Bob Dylans “Maggie’s Farm” en Robert Johnsons “Kind Hearted Woman Blues”. Samen goed voor ruim meer dan een uur akoestische rootsmuziek van het werkelijk allerbeste soort. Voor veertien intimistische schoonheden van songs, waarvoor je als liefhebber van het genre maar wat graag je hart zal openstellen. Een geslaagde spagaat tussen traditie en heden. Virtuoos, soulvol, beklijvend!

Onze luistertips: het met een flinke snuif humor gekruide en Herrmanns kunstjes als finger style picker ten volle aan bod laten komende “Sweet Nun”, de eerder al even genoemde pracht-trage “I Will Find You” en de bij nader inzicht uit min of meer hetzelfde vaatje tappende ballade “Leaving Town Blues” en zeker ook het wat levendigere, absoluut niet met het net niet gelijknamige John Hiatt-nummer te verwarren “Have A Little Faith”.

Biber Herrmann, Acoustic Music Records

 

ALLISON MOORER “Down To Believing” (Proper Records / Bertus)

(5*****)

“Down To Believing” is ondertussen ook alweer Allison Moorers negende album. En zoals dat met de beste wijnen nu eenmaal gaat, is ook La Moorer er met de jaren alleen maar beter op geworden. In die mate zelfs, dat we haar nieuwe worp hier als haar voorlopig zonder meer beste durven te beschouwen. Buitengewoon krachtig is het hoe dan ook allemaal! En persoonlijker dan ooit tevoren zeker ook. Ten dele geboren uit twee recente serieuze tegenslagen in haar eigen leven. Haar tijdens het schrijfproces van veel van de liedjes erop nog volop te verwerken scheiding van collega-songsmid Steve Earle natuurlijk. En misschien nog wel meer het wrange lot dat het leven zelve zo’n twee jaar geleden voor haar zoontje John Henry in petto bleek te hebben. Moorer was er immers echt compleet ondersteboven van, toen bij haar spruit autisme werd vastgesteld.

Geen wonder dan ook, dat één van de pakkendste nummers op naar nieuwe langspeler precies aan die onthutsende diagnose ontsproot. We hebben het dan over de messcherpe countryrocker “Mama Let The Wolf In”, waarin Moorer zich tegen beter weten in verontschuldigt bij haar zoontje voor haar deel van de verantwoordelijkheid met betrekking tot waar hij voortaan verder door zal moeten. Een ander absoluut topmoment is titelnummer “Down To Believing”. In die soulvolle trage heeft Moorer het over de recente ontbinding van haar huwelijk met Steve Earle. Een relatie, waar ze naar eigen zeggen overigens absoluut geen spijt van heeft. Integendeel zelfs. “Hij leerde me heel wat,” aldus Moorer zelf daarover. Zeker met betrekking tot haar grote passie, het schrijven van liedjes. Het verstilde “Blood” gaat dan weer over die andere bepalende factor in haar leven, haar “grote zus” (Shelby Lynne). Over onvoorwaardelijk van iemand houden en er altijd met open armen voor klaarstaan. Iets wat zich gezien hun tragische voorgeschiedenis samen perfect verstaan laat.

Voor de productie van “Down To Believing” viel Moorer net als voor “The Hardest Part” uit 2000 terug op haar oude maatje, gitarist Kenny Greenberg. En die wist net als voor dat geweldige album het beste uit z’n vriendin te puren. Hij laat haar knallen zoals in het veelzeggend getitelde “I’m Doing Fine” en het ook al erg vinnige duo “Like It Used To Be” en “I Lost My Crystal Ball”, maar gunt zo nu en dan zeker ook haar rootsy kant een gepaste uitlaatklep zoals met het voorzichtig hitgevoelige “Back Of My Mind” of met broeierige afsluiter “Gonna Get It Wrong”. En dan hadden we het nog niet over het atmosferische, z’n titel meer dan waarmakende “Thunderstorm/Hurricane”, Moorers bijzonder geslaagde cover van de Creedence Clearwater Revival-hit “Have You Ever Seen The Rain” en de perfect de niet zelden bruisende sfeer van het zuiden van de States vattende roots ‘n’ roll van “Tear Me Apart”.

“Ik ben trotser op deze liedjes dan op eender welk dat ik eerder schreef.” Je hoort het artiesten naar aanleiding van een nieuwe plaat wel eens vaker verkondigen, maar Moorer mag het in tegenstelling tot velen die haar daarin voorgingen wat ons betreft wél. De dertien songs op “Down To Believing” blijken immers evenveel juweeltjes, voorbestemd tot het achterlaten van kleine krasjes op de ziel van iedereen met een stel tot luisteren bereide oren aan z’n hoofd.

Een verplichte aanschaf plegen wij zoiets hier te noemen…

Allison Moorer, Proper Records

 

VANESSA PETERS “With The Sentimentals” (Vanessa Peters)

(4****)

Het moge ondertussen al wel een poosje duidelijk zijn: Vanessa Peters heeft ontegensprekelijk iets met Europa. Met het Italiaanse trio Ice Cream On Mondays leverde de in Dallas, Texas geboren en getogen Amerikaanse eerder al een drietal “Europese” (groeps)albums af en met het in het Deense Kopenhagen gevestigde Americana-gezelschap doet ze er daar nu nog eentje bij. En wat voor één! Die door haar wederhelft Rip Rowan geproduceerde liedjescollectie weet echt van de eerste tot de laatste seconde te bekoren.

De tien songs ervan werden opgenomen tijdens twee verschillende sessies, eentje in april van vorig jaar en eentje in oktober, maar dat hoor je er absoluut niet aan. “Vanessa Peters With The Sentimentals” blijkt op de keper beschouwd integendeel net één heel erg coherent geheel. Een plaat, die je als luisteraar spelenderwijze inpakt door haar warmbloedigheid. Sfeer was duidelijk een sleutelwoord “this time around”. Dat menen we hier tenminste te mogen afleiden van het behoorlijk atmosferische karakter van nogal wat van de gepresenteerde liedjes.

Neem nu zoiets als openingsnummer “Pacific Street”. Gitarist M.C. Hansen ontlokt daarin aan z’n elektrische klanken, die als gestaag op een hete plaat tikkende waterdruppels lijken te verdampen en dat liedje vrijwel ogenblikkelijk in iets van een waas hullen. Voeg daar de beurtelings een weinig aan die van Mary Chapin Carpenter en die van Aimee Mann herinnerende stem van Peters zelve en een knappe songtekst aan toe en je houdt gelijk een prachtdeuntje in handen. Het eerste van een hele reeks, zoals in de volgende eenenveertig minuten uitvoerig blijken zal. Net wat popgetinter dan in het verleden misschien, maar dat kan de pret wat ons betreft absoluut niet drukken. We vonden het juist heel mooi om te horen, hoe Peters en haar Deense kompanen hier een evenwicht weten te vinden tussen Americana, folk, pop en rock.

Dingen als het zachtjes twangende “Call You All The Time”, de ongemeen sfeervolle rootspopschoonheden “Big Time Underground” en “Mostly Fictions”, de intense ballade “The Choice”, het wat meer richting rockwateren wegdrijvende “Fickle Friends” en andere daar naadloos bij aansluitende songs verdienen zonder uitzondering een groot publiek. Eigenlijk vormen ze samen ontegensprekelijk Peters’ beste plaat tot op heden. Dat belooft dus nog voor de toekomst!

Vanessa Peters

 

MATT WATTS “Songs From A Window” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

“Songs From A Window” is de wederom uitstekende derde langspeler van de al op z’n negentiende in Antwerpen neergestreken en daar blijven hangen Amerikaanse songsmid Matt Watts. De elf liedjes erop verraden andermaal een gedegen kennis van en een diepgaand respect voor de folktraditie. Maar Watts zorgt er wel te allen tijde voor, dat z’n liedjes ook anno 2015 leefbaar blijven. In al hun naaktheid herinneren ze je als luisteraar meermaals aan de jonge Dylan, Leonard Cohen en Nick Drake. En da’s bepaald schoon volk, toch?

Daarbij slechts gewapend met zijn enigszins breekbaar aandoende stem en een akoestische gitaar en her en der even bijgestaan door Guido Op de Beeck (basgitaar) en Joan Giménez Flores (slidegitaar) weet Watts elf nummers lang te vervoeren. Hij profileert zich als een echte meester-verteller van verhalen. Eentje die opzettelijk een intimistische setting lijkt te hebben uitgekozen, omdat een zulke nu eenmaal aanzet tot aandachtiger luisteren. Meer door minder, zoiets… En dat pakt hier doorgaans fantastisch uit. Je hangt quasi voortdurend aan ’s mans lippen. En bijna letterlijk ook. Bij momenten lijkt het immers, alsof hij je gewoon ergens van in een hoekje van je eigen living toezingt.

Onze onverbintelijke luistertips: het Dylan-eske protestliedje “Leonard Peltier”, het bluesy “Orphans” en de ingetogen beauty “Unkind”.

Matt Watts, Starman Records

 

THE PORTER DRAW “The Porter Draw” (The Porter Draw)

(4****)

Als er al één ding is, waarmee je mij serieus snel op mijn paard krijgen kan, dan zijn het wel de vaak mijlenver uit elkaar liggende releasedata van albums in de States en in Europa. Nu begrijp ik best wel, dat artiesten graag willen, dat hun tournees of optredens in een bepaalde regio samenvallen met het uitkomen van hun nieuwe plaat. Maar waar ik absoluut niet bij kan, is dat hier een plaat wordt uitgebracht die in de States bijna een jaar geleden het daglicht zag en daar ondertussen reeds aan een opvolger toe is. Ik denk dan specifiek aan het naar zichzelf vernoemde “The Porter Draw”, de derde cd van dat bandje uit Albuquerque, New Mexico. Een fantastische plaat, daar niet van, maar ondertussen wel reeds oud nieuws, aangezien met “More Trouble” via de Bandcamp-pagina van de groep sinds enkele dagen reeds een nieuw album verkrijgbaar is. In door het internet gedomineerde tijden zou het, als je het mij vraagt, eigenlijk niet meer mogen kunnen…

Maar goed: “The Porter Draw” is, zoals hoger al even aangegeven, een fantastische plaat en verdient onze aandacht dus nog wel. Ze staat immers boordevol alternatieve country van het type dat zo ongeveer elke liefhebber van het genre zou moeten kunnen aanspreken. Een negental ijzersterke eigen songs worden erop gekoppeld aan een ook al buitengewoon knappe cover van de Springsteen-hit “I’m On Fire”. En wat daarbij steeds weer opvalt, is dat de heren duidelijk hun geschiedenis kennen. De traditie wordt zo goed als nergens uit het oog verloren, maar krijgt hier wel een hoogst aanstekelijke facelift mee. Catchy alt-country songs met geregeld een uitschuiver richting bluegrassvriendlijkere oorden zijn aan de orde van de dag. Met daarbij opvallende rollen voor de elkaar werkelijk uitstekend aanvullende vocalisten Russell Pyle (gitaar en zang) en Joshua Gingerich (gitaar, harmonica, mandoline en zang). Ben Wood (banjo), Dandee Fleming (bas) en Joey Gonzales (drums en percussie) vervolledigen het groepsplaatje.

Liefhebbers van klassieke acts als Whiskeytown, Wilco, Son Volt en aanverwanten moeten hier beslist even naar luisteren! Dingen als het ingehouden twangy “Judgment Day”, het nadrukkelijk met bluegrass flirtende “Softened Soil”, het aardig uitgelaten “County Lines”, het ingetogen (country)rockende “Out On The Highway”, het ongemeen sfeervolle “One More Night” en andere zullen bij hen vast in goede aarde vallen.

“The Porter Draw” is momenteel via het “name your price”-principe beschikbaar via de Bandcamp-pagina van de heren. Hun nieuwe worp “More Trouble” kost daar ook amper $5.00. Voor de prijs moet je het dus al zeker niet laten…

The Porter Draw, Bandcamp

 

RAINA ROSE - REBECCA LOEBE - SMOKEY & THE MIRROR “Three Nights Live” (Goose Creek Music And Entertainment)

(4,5*****)

Het project “Three Nights Live” herbergt met Raina Rose, Rebecca Loebe en Smokey & The Mirror maar liefst drie uitstekende Americana acts. Het album vormt als het ware een samenvatting van drie aan het eind van 2013 in het zuiden van de States afgewerkte optredens. Meer bepaald gigs in McGonigel’s Mucky Duck in Houston, The Cactus Cafe in Austin en The Blue Door in Oklahoma City. Bij liefhebbers van het betere luisterlied stuk voor stuk hoog aangeschreven “venues”.

Het afgewerkte programma bestond daarbij voornamelijk, maar lang niet uitsluitend uit eigen materiaal. Zo wordt er bijvoorbeeld geopend met een werkelijk oorstrelend mooie versie van “These Days” van Jackson Browne en afgesloten met een al even pakkende lezing van het je vast ook wel in de uitvoering van Smokey Robinson & The Miracles bekende “Tracks Of My Tears”. En tussendoor moeten ook “California Stars” van Jeff Tweedy, Jay Bennett en Woody Guthrie - En hier gebracht als deel van een medley met de Loebe-compositie “Marguerita”! - , “Dublin Blues” van Guy Clark en “Loretta” van wijlen Townes Van Zandt nog eraan geloven.

Voorts stoten we enkel nog op eigen materiaal, waaronder nog enkele exclusiviteitjes. Rebecca Loebe’s vertederende “Lie” is bijvoorbeeld nog nagelnieuw en ook het soulvolle “Goodnight Lorena” van de Hembrees (Smokey & The Mirror) en de full-band-versie van Raina Rose’s “Act Of God” zal u elders vergeefs zoeken. En laat dat nu toch net drie van de echte topmomenten van “Three Nights Live” zijn zeker…

Van Rose horen we verderop ook nog het prachtige “Swing Wide The Gates” en de ook al zeer mooie ballade “Bluebonnets”, van Loebe het fraaie duo “California” en “The Chicago Kid” en van Bryan en Bernice Hembree “Somewhere In The Middle”, “Rag And Bone” en “St. Alban’s Day”. Samen met het al eerder opgesomde songmateriaal goed voor net geen uur buitengewoon geslaagd Americana-vertier. “Live music” van de bovenste plank! In een productie van Rebecca Loebe zelve ook overigens.

Warm aanbevolen!

(Vanaf eind mei zal Rebecca Loebe ook weer in de buurt zijn voor een aantal optredens. In ons land doet ze vooralsnog enkel Lontzen aan, in Nederland onder meer Den Bosch, Lage Vuursche, Ter Aar, Eindhoven, Spijkerboor, Middelburg, Vlierden en Volendam. Een lijstje, dat ongetwijfeld nog wel met enkele data uitgebreid zal worden!)

Raina Rose, Rebecca Loebe, Smokey And The Mirror, Goose Creek Music And Entertainment

 

HAT CHECK GIRL “At 2 In The Morning” (Gallway Bay Music)

(4****)

Ik heb hier nog maar zelden een album mogen bespreken, waarvan de vlag de lading zozeer dekte als deze van “At 2 In The Morning” van het duo Hat Check Girl. De titel van die ondertussen toch ook alweer vijfde worp samen van Peter Gallway en Annie Gallup blijkt immers bepaald niet willekeurig gekozen. In de liner notes wordt ons meteen duidelijk gemaakt, waar het tijdens de opnames van de elf songs erop allemaal om draaide: twee stemmen en twee instrumenten. “The way we would play these songs at 2 in the morning.”

En Gallway imponeert daarbij eens te meer met z’n heerlijke goudbruine stem en z’n subtiele snarenbenadering. In de van hem ondertussen welbekende stijl tovert hij voortdurend op zowel de akoestische, als de elektrische gitaar. Gallup van haar kant beperkt zich niet enkel tot engelachtige gezongen bijdragen en wat spielereien op tal van gitaren, ze mag waar nodig ook graag de banjo, de lap steel of de dobro bovenhalen.

Het resultaat? Een album, dat wij hier nog vaak met veel plezier op het in zijn titel voorgestelde tijdstip zullen tot ons nemen. Een album, dat ons vooral sfeermatig regelmatig deed terugdenken aan het werk van Joni Mitchell en in iets mindere mate ook Leonard Cohen. Je zal er hoegenaamd geen noot teveel op horen. Alles lijkt op het voortdurend rond het thema “connection” draaiende “At 2 In The Morning” zo z’n redenen te hebben. Zelfs de stiltes lijken functioneel. Ze accentueren als het ware het net uitgesprokene. Prachtig gewoon!

Als we hier nog snel enkele luistertips mogen geven, dan wel deze: het door de Texaanse songsmid Eric Taylor geïnspireerde openingsnummer “Texas”, het met een vertederende melodie gezegende en door Gallup gedragen “Three Wives” en het over sec banjogepingel en ijzige gitaarklanken uitgestreken resumé van een zo te horen weinig bevredigend liefdesleven “Leaving”.

Mocht u het ondertussen nog niet begrepen hebben: in het gezelschap van Gallway en Gallup is minder effectief meer. Prachtplaat!

Hat Check Girl

 

MARY’S LITTLE LAMB “Fortune & Chance” (Mary’s Little Lamb)

(4****)

Goede wijn behoeft naar verluidt geen krans, maar toch… Met Mary’s Little Lamb heeft Vlaanderen er een alternatief countrygezelschap bij om trots op te zijn. Wat dat zestal uit Keerbergen op z’n debuutplaat “Fortune & Chance” presteert, getuigt immers van grote, grote klasse. Met elf eigen nummers en een verdomd eigenzinnige cover van het door Leon Payne gepende, maar al bij al vooral in de uitvoering van de grote Hank Williams bekende “Lost Highway” laten Bart Hendrickx (zang, gitaar en banjo), Bert Cuypers (contrabas en basgitaar), Mike Van Daele (drums en percussie), Bart Geens (cornet en bugel), Michaël De Weerdt (cornet) en Sander Augustynen (trombone) er niet de minste twijfel over bestaan: hier staat een groep waar we nog heel veel plezier aan zullen gaan beleven.

Zo ongeveer alles op dit visitekaartje doet nu al volop hunkeren naar meer. Zo is er om te beginnen bijvoorbeeld de heerlijke zang van kopstuk Hendrickx. Het is absoluut niet overdreven om te stellen, dat er wat Cash door diens aderen stroomt. Iets wat vooral in de wat tragere nummers op “Fortune & Chance” behoorlijk opvalt. We denken dan bijvoorbeeld aan de omineuze sleper “Lift The Curse” of aan het donkere, met Jorunn Bauweraerts van Laïs gebrachte afsluitende duet “Don’t Let The Day Break”.

De jonge Cash blijkt verder ook geregeld nadrukkelijk aanwezig in de aan heel wat van de liedjes hier ten grondslag liggende ritmes. Zo is het bijvoorbeeld heel erg moeilijk om naar dingen als openingsnummer “Pariah” en het meteen daaropvolgende en met swingende blazers opgewaardeerde “Sugar Coat” te luisteren zonder ogenblikkelijk aan de Tennessee Two te gaan denken. Maar het siert die van Mary’s Little Lamb dat ze niet blijven steken in louter epigonisme, want – Laat dat vooral duidelijk zijn! – daarvan is hier absoluut geen sprake. Je in ons land aan alternatieve country en americana wagen houdt quasi per definitie in terugvallen op Amerikaanse voorbeelden. Maar dat hoeft geen minpunt te zijn, zolang je maar creatief met die invloeden om weet springen. En daarin tonen Bart Hendrickx en zijn maats zich echte meesters. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de schitterende trage “It Can’t Go Wrong” en je zal meteen weten wat we daarmee bedoelen. Ritmegewijs denk je aan Cash, subtiel blaaswerk verwijst op zijn beurt dan weer naar Calexico en tal van andere elementen herinneren aan de soundtrack bij zo menig een klassieke western uit onze jeugd. Echt bloedmooi! En geen wonder dan ook, dat het door de makers van de Eén-reeks De Ridder reeds werd opgepikt voor de soundtrack van hun tweede seizoen.

En als we het hier dan toch al hebben over de filmische kwaliteiten van de muziek van Mary’s Little Lamb, dan kunnen we zeker ook niet voorbij aan het tweetal “The Outlaw” en “Mirage”. Het eerste hengelt mede door een alweer zalige blazersbijdrage nadrukkelijk naar een stek op de soundtrack van een spaghettiwestern genre die van wijlen Sergio Leone, het tweede blijkt een tot de verbeelding sprekende instrumental, die je als luisteraar op sleeptouw neemt doorheen de verzengende hitte van de één of andere niets ontziende woestijn.

In “Little Worries” gaat het vervolgens ook even de jazzy toer op, ”Cursed City” is een op een even simpele als aanstekelijke melodie geënte streep old school country en in “Fire In The Core” mag het bluesverleden van enkele van de bandleden heel even een woordje mee komen spreken. Eén van dé absolute hoogtepunten van het geheel blijkt aansluitend nog “A Long Way From Home”. Gedane dingen nemen geen keer, leren we weer maar eens uit die ongemeen sfeervolle, bij momenten nogal excentriek uitgevallen “creeper”.

’t Is dat die van Calexico met The Barr Brothers al een voorprogramma blijken te hebben voor hun eraan komende Europese tournee, wij hadden er anders wel eentje geweten…

Mary’s Little Lamb

 

AWNA TEIXEIRA “Wild One” (Lucky Dice Music)

(3,5****)

“Wild One” is de opvolger van het ondertussen zo’n twee jaar geleden verschenen “Where The Darkness Goes”, het solodebuut van Awna Teixeira. De naam van die Canadese met Portugese roots zal bij de meesten wellicht nog wel een belletje doen rinkelen vanwege haar gesmaakte bijdrage aan het project Po’ Girl.

Op “Wild One” doet Teixeira het met elf eigen liedjes. Veelal behoorlijk persoonlijk van aard. En niet zelden geworteld in haar eigen leven. Een heel mooi voorbeeldje daarvan is ontegensprekelijk “Blue Heart On Your Sleeve”. In die fraaie ballade vraagt Teixeira immers om onze aandacht voor geestelijke ziektes. Een onderwerp, dat haar heel nauw aan het hart ligt, omdat haar eigen oma er al jaren mee worstelt. En hoe nauw dan wel, dat bewijst wel het feit dat ze een deel van de inkomsten van haar op stapel staande tournee doorheen Nederland zal doneren aan De Jutters, een locale organisatie, die zich inzet om hulp te bieden aan mensen met psychische klachten.

Andere momenten van vertederende schoonheid hier: het buitengewoon sfeervolle titelnummer, de liefdesliedjes “Little Ghost Of A Whale” en “Away We Go”, het voor het pasgeboren dochtertje van haar vrienden Allison Russell en Jeremy Lindsay van Birds Of Chicago geschreven “The Light In You” en vooral ook “In The Wintertime”. Dat schreef Teixeira ter nagedachtenis aan een goede vriend, die jarenlang met een depressie worstelde. Door erin gebruik te maken van spreekwoorden afkomstig uit diverse Native American-talen verleent ze aan dat liedje een nog net wat specialer gevoel dan aan heel wat andere hier.

Samen met Dave MacKinnon tekende Awna Teixeira ook zelf voor de productie van “Wild One”. En op de gastenlijst ervan treffen we verder onder meer ook nog de namen van Suzie “Oh Susanna” Ungerleider en JT & The Clouds-toetsenist Drew Lindsay aan.

Awna Teixeira, Lucky Dice Music

 

RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “Tombstone” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ondertussen al ruim meer dan een kwart eeuw lang staat hij garant voor desert rock van het werkelijk allerbeste soort, deze Rich Hopkins. Hijzelf (zang en gitaren) en zijn anno 2015 verder ook nog uit wederhelft Lisa Novak (zang, gitaar en percussie), Jon Sanchez (gitaren, sitar, keyboards, synthesizer en harmonica) en George Duron (drums) bestaande Luminarios ploegen op het onlangs verschenen “Tombstone” doorheen twaalf nieuwe liedjes, waarvan de overgrote meerderheid van het eerder beenharde type blijkt. En in dat opzicht is het ook echt wel de opvolger van voorganger “Buried Treasures” geworden. Ook die plaat verkende immers al uitgebreid terug Hopkins’ stevigere kant.

In een met Lars Goransson gedeelde productie en met waar nodig bijkomende studiohulp van bassisten Duane Hollis, Paul Beebe en George Reiff, gitaristen Larry Cooper en Damon Barnaby en drummer Alan Anderson knallen Hopkins en co hier als in hun beste momenten. De nieuwe songs, waaronder zonder uitzondering de naam Hopkins prijkt, al dan niet in combinatie met die van Novak en/of Sanchez, gaan naar aloude Hopkins-traditie ook nu weer graag op de wat grotere vraagstukken van het leven in. Met onder meer moraal, waarden en deugden meermaals als leidraad.

Tussen de behoorlijk catchy uitgevallen opener, het gelijk maar alle gitaarsluizen openzettende “Don’t Worry”, en de voor het geheel enigszins atypische afsluiter, het aan Novaks moeder, de je misschien wel van haar rol binnen de Southernaires bekende Leona Novak, opgedragen alternatieve countrywalsje “Leona’s Waltz” – Gezongen door haar toenmalige “band mate” Arnold Parker! – gebeurt er rijkelijk veel interessants. Met name het ook al aardig radiogenieke, door een werkelijk meesterlijke riff van Sanchez gedragen “Everything”, het bijna voortdurend door liefst drie elektrische gitaren aangejaagde titelnummer, het melodieuze “Home Of The Brave” en het monumentale, een aardig eind richting de acht minuten uitdeinende “Top Of The World” bevielen ons werkelijk uitstekend.

Straffe kost!

Rich Hopkins & The Luminarios, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DERROLL ADAMS “Banjo Troubadour, A Live Recording” (LP + CD) (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

Met “Banjo Troubadour, A Live Recording” krijgt de een groot deel van zijn leven in ons land doorgebracht hebbende Amerikaanse folklegende Derroll Adams vijftien jaar na z’n dood postuum een muzikaal gedenkteken. En eigenlijk had men daarvoor geen beter moment kunnen uitkiezen. Nooit was de banjo hier immers zo populair als nu. Onder invloed van acts als Mumford & Sons, de Avett Brothers en aanverwanten lijkt ons land meer dan ooit klaar voor een rootsmuziekboom.

Het betreft hier een tiental door de Belgische openbare omroep – Toen nog gewoon BRT! – gemaakte live-opnames. Vier daarvan werden op 28 februari 1973 ingeblikt tijdens de “Troubadoursavond” in de Aula van het Maria-Theresiacollege in Leuven. Meer bepaald de door Adams zeer onderhoudend ingeleide traditional “Darling Corey”, de zijn vaardige vingers op de vijfsnarige banjo alle ruimte latende eigen compositie “The Sky” en twee verdere overgeleverde stukken, te weten “Blue Ridge Mountain” en “900 Miles”. De overige zes stukken zijn een weinig jonger. Zij werden in april 1980 door Omroep Antwerpen vereeuwigd tijdens de elfde editie van de Country Evening in de plaatselijke zaal Elckerlyc. Afgetrapt wordt er met een werkelijk van de vitaliteit bruisende versie van “Rich & Rambling Boy” van A.P. Carter en verderop stoten we ook nog op Jimmie Rodgers’ “Muleskinner Blues”, Woody Guthrie’s “Ain’t Got No Home In This World Anymore” en overgeleverde stukken als “Columbus Georgia”, “Freight Train Blues” en “Wildwood Flower”.

Tien liedjes, die als u het ons vraagt uitermate geschikt zijn om Adams te introduceren bij een potentieel nieuw publiek. De combinatie van ’s mans gloedvolle voordracht, zijn kwaliteiten als verteller, zijn vingervlugge behandeling van zijn banjo en zijn rootsvriendelijke, nadrukkelijk in bluegrass en old-time country en folk gewortelde songkeuze zijn immers ook zoveel jaren na datum nog steeds serieuze troeven. Maar overtuigt u zich daarvan vooral zelf! U zal het zich absoluut niet beklagen!

Derroll Adams, Starman Records

 

DANNY SANTOS Y ¡LOS BLUEGRASS VATOS! “Hogtied” (Brambus Records)

(4****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten, dat we de Texaanse songsmid Danny Santos hier al sinds tijden een warm hart toedragen. Met albums als “Sinners & Saints”, “Headaches & Heartaches”, “Say You Love Me Too” en het vorig jaar verschenen “This Old World” wist hij ons in het verleden eigenlijk steeds weer op onze wenken te bedienen. En dat is ook met het nieuwe “Hogtied” überhaupt weer niet anders. Al is dat dan ook een totaal andere plaat geworden dan we van Santos door de jaren heen gewoon zijn geraakt.

Op “Hogtied” belijdt de songsmid immers zijn aangeboren voorliefde voor het bluegrassgenre. Samen met Eddie Collins (akoestische gitaar, banjo, mandoline en staande bas), Wes Green (mandoline en harmony vocals) en Seymour Guenther (staande bas en harmony vocals) oftewel ¡Los Bluegrass Vatos! troont hij ons daarop doorheen acht eigen composities, een viertal deuntjes van de hand van z’n gelegenheidssecondanten Eddie Collins en Wes Green en twee ondertussen onder de noemer “Public Domain” terug te vinden liedjes (“Sittin’ On Top Of The World” en “Rider”).

Santos’ benadering van dit voor hem nieuwe gegegeven verschilt vooral daarin van de doorsneebluegrassplaat, dat hij vrijwel nergens verbergen kan, dat hij van nature uit een singer-songwriter is. Iemand die graag mag focussen op het inhoudelijke van een liedje, iemand met een voor het genre eigenlijk net wat te rauwe stem. Zie voor een vergelijkbaar verhaal bijvoorbeeld ook de bluegrassplaten van collega’s Fred Eaglesmith en Robert Earl Keen.

Maar goed, laat dat vooral geen punt van kritiek lijken, want dat is het zeer zeker niet. Het verleent integendeel juist dat extra iets aan dit geheel, wat veel bluegrassalbums missen. En verhalen als dat over de het door “l’amour” versnelde einde van de outlaw uit de titel ervan bezingende “Billy The Kid Died For Love”, het zich ook al met de liefde inlatende “Any Kind Of Love” en al wat oudere dingen op Santos’ repertoire als daar zijn “Josephine”, “Hungry For Love”, “Tellin’ Me Things I Need Her To” en “Before You Turn Around And Go” vonden hier dan ook een graag tot luisteren bereid oor. En her en der opduikende instrumentaaltjes als “Snake Eyes”, “The Night Watchman” en “Hobo’s Hubub” namen we er al bij al ook graag bij als geslaagde muzikale intermezzo’s.

Dit hoeft wat ons betreft absoluut niet tot iets eenmaligs beperkt te blijven!

Danny Santos, Brambus Records

 

JIM ED BROWN “In Style Again” (Plowboy Records)

(3,5****)

Als we het hier over Jim Ed Brown hebben, dan hebben we het over echte “country royalty”. Met zijn zussen Maxine en Bonnie scoorde hij onder de naam The Browns al in de jaren vijftig tal van grote hits, waaronder “I Heard The Bluebirds Sing”, “Scarlet Ribbons” en de millionseller “The Three Bells”. En later zou hij het ook in z’n eentje en gekoppeld aan Helen Cornelius verre van kwaad doen. Dingen als “Pop A Top”, “Southern Loving”, “Morning”, “I Don’t Want To Have To Marry You” en “Lying In Love With You” zouden zo bijvoorbeeld gekende leerstof mogen zijn. Vooral dan het eerste liedje van dat vijftal.

En die Jim Ed Brown is sinds kort weer helemaal terug van weggeweest. Ruim drie decennia was het ondertussen geleden, dat hij nog eens een soloplaat inblikte, maar met “In Style Again” is het eindelijk weer zover. En het is een heel erg fijne geworden ook. Liefhebbers van traditionele country zullen er een vette kluif aan hebben.

Mooi, hoe in de dertien liedjes erop eigenlijk alle haltes uit ’s mans omvangrijke carrière weer even worden aangedaan. Openingsnummer “When The Sun Says Hello To The Mountain” – Hier vooral bekend als “The French Song” in de Franstalige uitvoering ervan uit 1964 door de Canadese Lucille Starr! – blijkt zo een hernieuwde samenwerking met z’n zus Bonnie, “Tried And True”, een samenwerking met Vince Gill, grijpt terug naar de hoogdagen van het honky-tonkgenre en de klassieke sleper “Don’t Let Me Cross Over” koppelt Brown opnieuw aan z’n voormalige duetpartner Helen Cornelius.

En ook tussen al die nummers door en erna valt er hier heel wat te genieten. Zo zijn er bijvoorbeeld het als een stijlvolle, Don Williams-achtige ballade verpakte titelnummer, het zachtjes swingende “Watching The World Walking By”, het met The Whites gedeelde en heel erg “seventies” aandoende “You Again”, het enigszins jazzy uit de hoek komende “Older Guy”, liefdesliedje “Laura (Do You Love Me)” en de aan een wat ons betreft met betrekking tot de binnenkort tachtig wordende Brown compleet overbodige vraag opgehangen afsluiter “Am I Still Country?”.

Voor de productie van “In Style Again” tekende Don Cusic. Studiohulp was er voor Brown naast van de al genoemde gasten onder meer ook nog van Michael Baker (gitaar), Glen Duncan (gitaar, mandoline en viool), John Hobbs (piano en orgel), John McTigue (drums), Dave Roe (bas) en Chris Scruggs (gitaar en pedal steel).

Jim Ed Brown, Plowboy Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home