ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2006

 

 

archief

 

oktober     november     december

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Steve Mayone “Unfortunate Son” - James Talley “Got No Bread, No Milk, No Money, But We Sure Got A Lot Of Love”James MacDonald “Naked Soul” - Cari Lee & The Contenders “Scorched”Julia Baucke “Never Too Soon”John Allaire & The Campistas “Thank You Waitress!” - Tony Gilkyson “Goodbye Guitar”J.P. McDermott & Western Bop “Last Fool Here” - Steep Canyon Rangers “One Dime At A Time”Beth Garner “Addictions”Ray LaMontagne “Live From Bonnaroo 2005”Marisa Yeaman “Pure Motive”Micky & The Motorcars “Ain’t In It For The Money” - Frog Holler “Haywire”Sid Griffin “As Certain As Sunrise”Chris Thile & Mike Marshall “Live Duets”Graham Lindsey “Hell Under The Skullbones” - White Hassle “Your Language”Darden Smith “Field Of Crows”Lauren Hoffman “Choreography”Emily Loizeau “L’Autre Bout Du Monde” - Th’ Legendary Shack*Shakers “Pandelerium”Myrddin “Novar” - Dayna Kurtz “Another Black Feather…”Hayward Williams “Trench Foot”Ygdrassil “Easy Sunrise”Milow “The Bigger Picture”Coal “Let’s Build Us A Rocket”Danny Schmidt “Parables & Primes” - Karen Savōca “In The Dirt”Various Artists “13 Ways To Live”Happy Traum “I Walk The Road Again”Robert McEntee “Looking For A Good Sign” - Linda McLean “No Language”Mike Silver “Heaven In Mind” - Tift Merritt “Home Is Loud”The Loose Acoustic Trio “Brand New Mind”Donal Hinely “Giants”Jerry Hensley “Cool Breeze Blowin’” - Bobby Earl Smith “Turn Row Blues”Hank Williams “Live Fast – Die Young: Hank Williams, The King Of Hillbilly Music” (4CD Box Set)Mick McAuley & Winifred Horan “Serenade”Tom Ovans “Honest Abe And The Assassins” - Nancy Apple & Rob McNurlin “River Road Or Rail”Colin Brooks “Blood And Water”Bill Isbell “The Good Woman Waltz”

 

STEVE MAYONE

“Unfortunate Son”

(Umver Records)

(3,5) J J J J

(Releasedatum: 20 februari 2006)

 

 

Toen Steve Mayone zijn debuut twee jaar geleden “Bedroom Rockstar” doopte, had hij daartoe nog alle redenen. Tot dan toe hadden zijn activiteiten zich immers daadwerkelijk voornamelijk afgespeeld op zeer vertrouwd gebied. Ondertussen staat de beste man echter een flink stuk verder. Kort na het verschijnen van zijn eersteling vertrok hij zo bijvoorbeeld al op tournee doorheen Europa met Todd Thibaud. En bovendien nam hij tussendoor ook nog op geregelde basis plaats in de voor de producer van een plaat voorbehouden stoel voor anderen. Zo leverde hij ondermeer bijdragen aan albums van Kris Delmhorst, Mark McKay, Aretha Taylor – het nichtje van James – en Soltero.

Met “Unfortunate Son” treedt Mayone nu weer gewoon zelf voor het voetlicht. Zijn tweede is een album boordevol gesofisticeerde Americanaliedjes geworden, die afwisselend eerder richting pop, dan wel rock of folk neigen. Zelf nam hij bij het inblikken ervan naast het productiewerk en de zang ook gitaar-, bas-, piano-, mandoline- en percussiewerk voor zijn rekening. Andere prominente betrokkenen waren ondermeer Lex Price (gitaar), Bow Thayer (banjo, zang), Jimmy Ryan (mandoline, zang), Clare Burson (fiddle, zang), Steve Sadler (dobro, lap steel), Duke Levine (gitaar) en Mike Piehl (drums).

De sterkste momenten? Het met een subtiele snuif Ierse folk gekruide “Pocketful Of Promises” (met zijn mooie vocale cameo van Clare Burson), het door een wonderschone mandolinebijdrage van Jimmy Ryan aardig richting bluegrass gepushte “I’ll Be Alright”, de Beatle-eske roots rock van “End Of The World” en het old-timey “Truckee River”.

Al bij al gewoon een prima plaat!

Steve Mayone

CD Baby

 

 

JAMES TALLEY

“Got No Bread,…”

(Cimarron Records)

(4) J J J J

(Releasedatum: 21 februari 2006)

 

 

Zo’n drie decennia nadat hij met “Got No Bread, No Milk, No Money, But We Sure Got A Lot Of Love” indrukwekkend debuteerde acht James Talley, wat ons betreft zondermeer één van de best bewaarde Amerikaanse singer-songwritergeheimen, de tijd rijp voor een “30th Anniversary Edition” van die plaat. Naast de integrale, in ’75 door Capitol Records uitgebrachte versie ervan bevat deze nieuwe uitgave ook een lekker vet booklet met naast alle liedjesteksten en wat foto’s uit de oude doos ook een essay van de hand van Talley zelve én een bonus-CD met daarop een interview, dat indertijd werd verspreid om Talley bij de media te promoten. Een leuk hebbedingetje, maar ook niet meer dan dat.

Desalniettemin ontvangen we deze heruitgave hier met open armen. Talley’s country(folk)liedjes zijn immers stuk voor stuk pareltjes, die hem al lang eenzelfde status als pakweg een Guy Clark of een Arlo Guthrie hadden moeten opleveren. Ver weg van de gladde muziek die het gros van zijn countrycollega’s in die dagen in grote hoeveelheden voortbracht hield Talley het allemaal heel erg simpel en focuste hij zich in zijn teksten op gewone mensen en het leven van alledag. Liedjes als “W. Lee O’Daniel And The Light Crust Dough Boys”, “Red River Memory”, “No Opener Needed”, “Give Him Another Bottle”, “Blue Eyed Ruth And My Sunday Suit” en het titelnummer kregen daardoor een bepaald tijdloos karakter.

James Talley

Amazon

 

 

JAMES MACDONALD

“Naked Soul”

(Laughing Outlaw / Shellshock)

(3,5) J J J J

(Releasedatum: 27 februari 2006)

 

 

“Naked Soul” is al de derde solo-CD van James MacDonald sinds hij het voor bekeken hield bij zijn band The Woodshedders. Met de twee voorgangers ervan, “Believe In You” en “Elevator Music For Unrequited Lovers”, wist de Australiër zich in zijn thuisland al van een serieuze reputatie als leverancier van perfecte popliedjes te verzekeren. En het zou ons hoegenaamd niet verbazen als hij met deze plaat ook buiten de eigen landsgrenzen hoge ogen mocht gaan gooien. MacDonald kiest op dat nieuwe album resoluut voor een wat eenvoudigere aanpak. Hij wilde er vooral een set liedjes aan overhouden, die hij ook gewoon in zijn dooie eentje live zou kunnen brengen.

Het resultaat van zijn inspanningen is een plaat die je meteen van bij haar opener “Ordinary Life” doet denken aan de beste dagen van het ook al van “Down Under” afkomstige Crowded House. Net als die groep grossiert MacDonald voortdurend in heerlijke melodieuze popliedjes, waarin de Beatles nooit echt ver weg zijn. En dan is er natuurlijk ook nog zijn stem, die meer dan zomaar een klein beetje op die van Neil en Tim Finn lijkt.

MacDonald is overigens een echt duiveltje-doet-al. Met uitzondering van het als verborgen bonus track aan het geheel toegevoegde “Where Do The Children Play” van Cat Stevens schreef hij alle gebrachte nummers zelf. En bij het invullen van de instrumentatie schreef hij zijn naam onder zowel de elektrische als de akoestische gitaar, de bas, het Wurlitzer, de synthesizer, de fluit en de mandoline. Enkel voor de productie paste de beste man. Daarvoor riep hij de bekwame hulp van Nicky Bomba in.

James MacDonald

Laughing Outlaw Records

 

 

CARI LEE & THE CONTENDERS

“Scorched”

(Star Tone Records)

(4) J J J J

 

 

Jongens, wat een lekkere plaat! De ravissante Cari Lee Merritt neemt ons op “Scorched”, haar jongste worp met de Contenders, een aardig eindje mee terug in de tijd naar de nadagen van WOII, toen fabelachtige zangeressen als Anita O’Day, Ruth Brown en Kay Starr volop de plak zwaaiden. Met een opwindende mix van jazz, R&B, jump blues en rock & roll vegen zij en haar kompanen ogenblikkelijk elke weerstand van de tafel. Liedjes als het door een werkelijk bloedgeile saxbijdrage van Dan Torosian aangevuurde titelnummer, het ontzettend zwoele “The Lover’s Curse”, het swingende “Fine Fine Man” of het door Steve Merritt gitaargewijs van een infectueuze shot rock & roll bediende “I’m A Little Mixed Up” vestigen andermaal nadrukkelijk de aandacht op de bepaald niet geringe vocale capaciteiten van La Merritt. En “Scorched” is als geheel gewoon één groot feest voor het oor (én voor dansgrage benen).

Cari Lee & The Contenders

Star Tone Records

 

 

JULIA BAUCKE

“Never Too Soon”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

“Never Too Soon” is de titel van het behoorlijk intrigerende visitekaartje van Julia Baucke, een veelbelovende nieuwelinge op het Amerikaanse alternatieve folkfront. De jonge, in Santa Barbara woonachtige liedjesschrijfster debuteert in stijl met tien eigen liedjes. Voor eentje daarvan, het voorzichtig rockende “Like You Love Me Now”, riep ze de hulp in van Kenny Edwards, die we nog kennen van zijn inbreng in groepen als de Stone Poneys (met Linda Ronstadt) en Bryndle (met Karla Bonoff, Wendy Waldman en Andrew Gold). De overige negen nummers, cirkelend rond thema’s als de liefde, het leven en alle mogelijke uitdagingen die we daarin moeten aangaan bij het najagen van onze dromen, schreef ze in haar eentje. Ideale referentiepunten voor haar elegante melange van elementen uit folk, pop en rock zijn dames als Shawn Colvin, Mary Chapin Carpenter, Patty Griffin en Aimee Mann. Gesofisticeerd materiaal voor muzikale fijnproevers met andere woorden. Een gegeven waaraan de bijdragen van een aantal prominente betrokkenen zeker niet vreemd zullen zijn. De als gitarist van Jackson Browne bekende Kevin McCormick produceerde zo bijvoorbeeld vijf van de tien liedjes en liet daarbij zowat de voltallige Jackson Browne Band aanrukken naast fiddler Phil Salazar en Lucinda Williams-drummer Jim Christie. Voor de andere vijf tekende lokale producer Robinson Eikenberry. Hij trommelde ondermeer Kenny Edwards (gitaar, bas, mandoline) en George Pendergast (voormalig Dishwalla-drummer) op. Baucke krijgt zodoende te allen tijde de professionele begeleiding die ze op basis van haar kwaliteiten verdient. Met haar bijzonder warme stem en haar van meet af aan vertrouwd in de oren klinkende songs pakt ze je immers probleemloos in. “Never Too Soon” wordt daardoor het soort van plaat dat je eerder van een ancien verwacht dan van een debutante als Baucke. Gaan we nog veel van horen, let op onze woorden…

Julia Baucke

CD Baby

 

 

JOHN ALLAIRE & THE CAMPISTAS

“Thank You Waitress!”

(Flat & Black Records)

(4) J J J J

 

 

“Thank You Waitress!”, het tweede soloalbum van de ondermeer ook van zijn bijdragen aan groepen als de Town Cryers en de Mercy Miners bekende Canadese rootsrocker John Allaire, is er echt eentje om in te lijsten. In het gezelschap van bassist Jeff Tanguay, toetsenist Tony Dunn, slidegitarist Glenn Torresan, cellist Thomas Marsdon, trompettist Juan Gratton-Dominguez, fluitiste Valerie Daley en drummers Zeke Smythe en Tom Simpson oftewel The Campistas profileert de uit Ottawa afkomstige singer-songwriter zich daarop nadrukkelijk als de missing link tussen de Clash en de Replacements of beter nog de respectievelijke kopstukken van die beide groepen, Joe Strummer en Paul Westerberg. Net als die twee grootheden is Allaire een echte meester in het schrijven en brengen van liedjes die leven van de ingehouden spanning en van het realistische (lees: herkenbare en geloofwaardige) karakter van hun inhoud. Anders dan de genoemde heren durft de Canadees zich daarbij echter wel geregeld wat meer richting rootsy wateren te laten afdrijven. Het inschakelen van instrumenten als een banjo, een slidegitaar, een fluit, een cello, een sax en andere blazers verleent aan zijn muziek zo tegelijk een wat apart en bijzonder warm karakter. “Van harte aanbevolen!” is dan ook zo’n beetje de enige juiste conclusie in dit geval, lijkt ons. Luister en huiver!

John Allaire

CD Baby

 

 

TONY GILKYSON

“Goodbye Guitar”

(Rolling Sea Records)

(3,5) J J J J

(Releasedatum: 21 februari 2006)

 

 

Een knaap van dit kaliber nog voorstellen? Het lijkt ons ongeveer even overbodig als je huis op volle kracht verwarmen in het hart van de zomer. Maar voor al wie de voorbije dertig jaar met zijn hoofd in de wolken mocht hebben geleefd doen we volledigheidshalve toch maar even een voorzichtige poging…

In de jaren tachtig maakte Tony Gilkyson furore als gitarist van de legendarische bands X en Lone Justice. Later deed hij vooral van zich spreken als gitarist óp en producer ván andermans platen. Zijn snarenwerk valt zo ondermeer te bewonderen op albums van Dave Alvin, Bob Dylan, Jimmie Dale Gilmore, Kip Boardman, Peter Rowan en Sam Phillips. En produceren deed hij onder andere zijn ex-X-vriendinnetje Exene Cervenka, zijn zus Eliza, Chuck E. Weiss en de onvolprezen Eleni Mandell.

Enkel dat andere aspect van zijn artistieke persoonlijkheid, dat van de singer-songwriter, kwam tot nu toe niet echt uit de verf. Té druk bezig met andere dingen wellicht. Na het acht jaar geleden verschenen “Sparko” werd het op dat vlak zelfs heel stil rond Gilkyson. Maar met “Goodbye Guitar” maakt hij nu een retour langs de grote poort. In het gezelschap van collega’s en vrienden als Randy Weeks, Kip Boardman, Josh Grange, Don Heffington, Van Dyke Parks, Danny McGough, Chuck E. Weiss en zus Eliza weet Tony Gilkyson elf nummers lang de aandacht vast te houden. In een productie van Charlie McGovern en zijn jarenlange partner in crime Don Heffington slalomt hij behendig heen en weer tussen poortjes als (roots)rock, country, Americana, folk en andere. “Mojave High” heeft zo een lekker relaxt aandoende R&B feel, het met Amy Correia gebrachte “Wilton Bridge” en “Worthless” zijn loepzuivere countrydeunen, “Man About Town” – met zus Eliza – flirt met jazz en chanson, “Old Cracked Looking Glass” (van Woody Guthrie) klinkt als James McMurtry meets Doug Sahm, “My Eyes” is een intense Americana-sleper, titelnummer “Goodbye Guitar” – met een gastbijdrage van Chuck E. Weiss – ruikt mede door het banjogetokkel van Gilkyson zelf flink naar old-time, “Juanita” is een onderkoeld gebrachte border song, het aan Roy Nichols opgedragen en weer met zijn zus gedeelde “Gypsies In My Backyard” een knappe Americana story song en het afsluitende “Donut And A Dream” gewoon een wolk van een rootspopliedje.

Neen, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn…

Tony Gilkyson

Rolling Sea Records

 

 

J.P. MCDERMOTT AND WESTERN BOP

“Last Fool Here”

(Shower-Tone Records / Rhythm Bomb)

(3,5) J J J J

 

 

J.P. McDermott etaleert op zijn debuutplaat “Last Fool Here” een flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor genres als rockabilly en hard country. “My Damn Baby”, de opener van dat album, is een lillende lap rood rock & roll-vlees van het soort waarvoor de Blasters in hun hoogdagen het kwaliteitslabel American Music lanceerden. Als de beste man dat hoge niveau een hele plaat lang hadden kunnen volhouden, dan was hier sprake geweest van een echte revelatie. Maar ook zonder dat dit het geval is hadden we deze McDermott absoluut niet willen missen. Naast dat moordnummer bevat “Last Fool Here” immers nog tal van andere goede tot uitstekende momenten. De over de pompende gitaar van Bob Newscaster uitgesmeerde rockabilly van “Do I Love You?” bijvoorbeeld. Of de geslaagde Cash-cover “Cry Cry Cry”, het heupwiegende - qua voordracht enigszins aan Robert “Red Hot” Gordon herinnerende - “Coulda Shoulda Woulda”, de beheerste honky-tonk van “Blue Days, Black Nights”, het met een Tex-Mex-sausje afgewerkte “Lucky Stars” en het pure vetkuivenwerk van “Sixteen Chicks” en “Go Cat Go!”, enzovoort.

Door de Washington Area Music Association werd hij al eens tot “Country Vocalist of the Year” uitgeroepen, deze McDermott, en “Last Fool Here” levert wat ons betreft ruim voldoende redenen om ze daarin bij te treden. Rockabilly en honky-tonk the way it should be inderdaad.

J.P. McDermott & Western Bop

Rhythm Bomb Records

CD Baby

 

 

STEEP CANYON RANGERS

“One Dime At A Time”

(Rebel Records)

(4) J J J J

 

 

Die van de Steep Canyon Rangers worden door heel wat bluegrassautoriteiten gezien als potentiële toekomstige vaandeldragers van dat genre. En afgaande op wat Graham Sharp (zang, banjo), Woody Platt (zang, gitaar), Charles R. Humphrey III (bas, harmonieën), Mike Guggino (mandoline, harmonieën) en Nicky Sanders (fiddle) op hun vierde CD “One Dime At A Time” presteren lijkt die op het eerste gezicht nogal gewaagd overkomende voorspelling plots een stuk minder gedurfd. Onder de productionele hoede van Mike Bub, die een beetje bluegrassliefhebber natuurlijk kent als de bassist van de Del McCoury Band, opteerden de vijf tijdens de opnamen ervan voor de klassieke live-aanpak. In een cirkel rond een stel microfoons geschaard musiceren ze vrijwel voortdurend de sterren van de hemel naar beneden. Daarbij wordt nogal opvallend gestreefd naar het ideale evenwicht tussen elementen uit bluegrass, honky-tonk, klassieke country en blues. Al ligt de klemtoon – dat spreekt voor zich – natuurlijk wel op het bluegrassaspect van hun muziek.

“One Dime At A Time” bevat naast negen originals – zeven van de hand van Sharpe, twee van Humphrey – ook drie covers. Het door Dottie Bruce en Jerry Chesnut gepende titelnummer leerden de vijf kennen in de uitvoering van Del Reeves. Ze gaven het bluesy honky-tonknummer een swingende bluegrass facelift. “Evangeline” ken je wellicht vooral in de uitvoering van Emmylou Harris en The Band op “The Last Waltz”. De Rangers vielen er echter voor in de versie die The Sullivan Family er tijdens een festival in North Carolina van ten beste gaven. Ze besloten meteen daarop het nummer in hun eigen repertoire op te nemen. Jason Carter van de Del McCoury Band tekent er samen met Nicky Sanders in voor een mooie twin fiddle-exercitie. De laatste vreemde eend in de bijt is een a capella-uitvoering van de door Wade Mainer geschreven spiritual “I Can’t Sit Down”. Fenomenaal mooi gedaan! Kippenvel gegarandeerd!

Van de eigen nummers blijven vooral de sprankelende lentefrisse bluegrass van opener “Waiting To Hear You Call My Name”, het zwaar richting traditionele country overhellende “Slow Burn”, de story song “The Ghost Of Norma Jean” - het door Charles R. Humphrey III aangedragen vervolgstuk op zijn eigen “Norma Jean” van een eerder album - en de vingervlugge instrumental “Big Cypoophus” bij.

Een zware aanrader voor de fans van acts als de Gibson Brothers, Blue Ridge en de Del McCoury Band.

Steep Canyon Rangers

Rebel Records

 

 

BETH GARNER

“Addictions”

(Armadillo Music / Pinnacle)

(3,5) J J J J

 

 

Bijzonder zelfverzekerd werpt de jonge Beth Garner ons vanop het hoesje van haar tweede CD “Addictions” een nauwelijks anders dan als wulps te omschrijven blik toe. Maar de Texaanse lijkt dan ook écht wel alles mee te hebben. De looks zijn er, ze heeft een zeer performante stem, schrijft goed in het gehoor liggende Americanaliedjes “Texas style” en speelt bovendien een meer dan aardig potje gitaar en banjo.

Op “Addictions” doet ze mooie dingen met enigszins aan elkaar verwante genres als Americana, (country)rock en blues. En het siert haar dat ze daarbij vooral op eigen pennenvruchten durft te vertrouwen. De enige uitzonderingen vormen wat dat betreft Bruce Robisons “Blame It On Me”, Shavers – gezien z’n titel en de nauwelijks 28 lentes van Garner wat ongelukkig gekozen – “I’m Just An Old Chunk Of Coal” en “Last Straw” van de ons volslagen onbekende Kirsty Kruger.

Voor de productie tekende Garner ook zelf, al kreeg ze daarbij wel de hulp van Pat Manske. Bijgestaan werd ze tijdens de opnamen door diezelfde Manske, de dezer dagen hyperactieve Chip Dolan, Jon Heagle, Charlie Richards, Jeff Botta en Lyndah Garner.

Onze luistertips: de pittig rockende opener “Too Many Cooks”, de met veel gevoel gebrachte Robison-cover “Blame It On Me” en het vaagweg een weinig aan Lucinda Williams herinnerende titelnummer.

Lijkt ons live niet te versmaden, dit knappe blonde opdondertje.

Beth Garner

Armadillo Music

 

 

RAY LAMONTAGNE

“Live From Bonnaroo 2005”

(RCA / BMG)

(3) J J J

 

 

Heeft hij zijn kersverse fans al willen plezieren met een tussendoortje in afwachting van echt nieuw werk of is dit toch eerder een verkrampte poging om het met zijn fenomenale debuut “Trouble” gecreëerde momentum nog even vast te houden, wij weten het niet, maar veel andere bestaansredenen kunnen we voor dit amper zes tellende live-EP’tje niet bedenken. “Live From Bonnaroo 2005” is de vereeuwiging van een zestal liedjes die singer-songwritertalent Ray LaMontagne op 10 juni van vorig jaar in het gezelschap van Chris Thomas (akoestische bas) en Larry Ciancia (drums) ten beste gaf op het gelijknamige festival. Met zijn rauw-hees-tedere stem ploegt hij zich passioneel doorheen een vijftal van de grootste klapstukken van zijn succesvol visitekaartje (“Burn”, “Trouble”, “Shelter”, “Jolene” en “Forever My Friend”). En met het nummer “Empty” serveert hij terloops ook één nieuw liedje. Heel erg goed gedaan allemaal, daar niet van, maar voor zijn kostprijs had het van ons toch net ietsje meer mogen zijn…

Ray LaMontagne

 

 

MARISA YEAMAN

“Pure Motive”

(Deep Pearl Records)

(3,5) J J J J

 

 

Het levensverhaal van Marisa Yeaman is er één out of the ordinary. Eén lange reis is het eigenlijk. Een reis die al begon op haar vierde, toen haar avontuurlijk ingestelde ouders het onwaarschijnlijke deden, met name hun huis verkopen om met een wat groter dan normaal uitgevallen caravan hun thuisland, het uitgestrekte Australië, uitgebreid te gaan verkennen. Een reis werd echter een heus leven en Yeaman leerde dus zowat alles wat ze weet daadwerkelijk “on the road”.

Toen op haar dertiende haar vader op tragische wijze om het leven kwam, zette ze het bij wijze van troost verwoed op een schrijven. Het begin van iets moois… Want schrijven, dat doet ze nog steeds, die Yeaman, en hoe! Heel wat van haar liedjes gaan over reizen. Nu eens letterlijk, dan weer op emotioneel vlak. Noem haar dus gerust een confessionele singer-songwriter, want het moge duidelijk zijn, dat ze in de creatieve aanloop naar haar debuut rijkelijk uit haar eigen levensloop heeft geput.

Dé grote troef van Yeaman is wat ons betreft echter haar heel erg sterk aan Sharleen Spiteri van Texas herinnerende stem. Met dat machtige, bijzonder soulvolle instrument serveert ze op “Pure Motive” dertien prachtige liedjes, daarbij voortdurend heen en weer stuiterend tussen genres als roots pop, folk, Americana, country en blues. Het resultaat is hoe dan ook een echt hebbedingetje voor elke liefhebber van akoestische muziek.

Marisa Yeaman

Plato

 

 

MICKY & THE MOTORCARS

“Ain’t In It For The Money”

(Smith Entertainment Group)

(3,5) J J J J

 

 

Micky & The Motorcars is de naam van het bandje van Micky Braun, het jongere broertje van Cody en Willy Braun van Reckless Kelly. Net als zijn veel bekendere oudere broer is ook die Braun gezegend met een aangenaam gruizige, hese stem. En net als diens groep bekwamen ook hij en zijn kompanen zich in het soort van lekker weghappende countryrock, waarin een net iets prominentere rol is weggelegd voor elektrische gitaren dan in de doorsnee Texaanse hap. Geschikte vergelijkingspunten vormen naast Reckless Kelly bijvoorbeeld ook nog Cross Canadian Ragweed, de Randy Rogers Band, Jason Boland & The Stragglers, ja zelfs Steve Earle ten tijde van “The Hard Way”.

“Ain’t In It For The Money”, de tweede van Micky & The Motorcars, is een erg sterke plaat geworden. De te verwachten mix van melodieuze countryrockertjes en power ballads wordt hier met zoveel brio gebracht, dat je ook deze Braun met een gerust gemoed een stralende toekomst in het Texaanse clubcircuit durft te voorspellen. Het zou ons zelfs hoegenaamd niet verbazen mocht hij het ook tot ver daarbuiten gaan maken. (Zeker als broers Cody en Willy – zoals hier in “Goodbye Lady”, “Baby Tonight” en “Miserable Year” – een handje willen blijven toesteken.)

Onze luistertip: het door energieke gitaaropstootjes van Gary Braun – Nog één! – aangejaagde “Million Miles”.

Micky & The Motorcars

Amazon

 

 

FROG HOLLER

“Haywire”

(ZoBird Records)

(5) J J J J J

(Releasedatum: 14 februari 2006)

 

 

Als er momenteel al één groep is die in staat moet worden geacht om op termijn een belangrijke rol te gaan spelen als een heus boegbeeld van het alt. countrygenre op een manier vergelijkbaar met acts als Uncle Tupelo, de Jayhawks, Wilco, Son Volt en Whiskeytown in het verleden, dan is het wel het uit Reading, Pennsylvania afkomstige Frog Holler. Voormalig quarterback Darren Schlappich (zang, akoestische gitaar, hand claps) en de zijnen koppelen ook op hun zesde CD “Haywire” weer een werkelijk feilloos Fingerspitzengefühl voor perfecte Americana- en rootsrockliedjes aan intelligente teksten. Hun voornaamste troef is evenwel hun warm, bijzonder natuurlijk overkomend geluid. Nergens ontkennen de zes op wat voor manier dan ook maar even hun bluegrassverleden. Het veelvuldig inzetten van instrumenten als de banjo, de mandoline en de viool vormt zo als het ware het perfecte tegengewicht voor al even frequent gebezigde elektrische gitaren en een sfeervol zoemend orgel. Voeg daar nog aan toe, dat de heren echte keien zijn in het harmoniëren en het plaatje is compleet. Op hun best klinken die van Frog Holler als een soort van Band-Wilco-Gourds-in-één. Wat je daaronder moet verstaan? Luister bij gelegenheid maar eens naar het relaxte, door Mike Lavdanski’s banjo gedragen “Terms And Conditions” of het ondanks zijn bezadigde ritme behoorlijk rusteloze “’74”, waarin Schlappich als 37-jarige zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst over één en dezelfde kam scheert. Het zal je snel gaan dagen!

Typisch zo’n geval van “All killer no filler!”

 

(Met “On Winter Blues” kan je hier alvast een voorsmaakje downloaden.)

 

Frog Holler

Miles Of Music

 

 

SID GRIFFIN

“As Certain As Sunrise

(Prima Records)

(4) J J J J

 

 

Sid Griffin mag je wat ons betreft rustig tot het selecte groepje der échte alt. country-pioniers rekenen. Al van in de jaren tachtig maakt hij bij acts als de Long Ryders, Danny & Dusty, de Coal Porters en Western Electric het mooie weer en hij verdient het eigenlijk alleen al op basis van die serieuze staat van dienst met het nodige respect te worden bejegend. Gelukkig maakt de beste man echter ook anno nu nog steeds heerlijke muziek. Getuige daarvan zijn nieuwe CD “As Certain As Sunrise”, een album boordevol fraaie, voornamelijk ingetogen Americanaliedjes. De enige uitzondering op die regel vormt eigenlijk de zwierige Tex-Mex van het aan wijlen Doug Sahm opgedragen “Just Let Her Go”, niet toevallig allicht één van de weinige covers hier. De andere twee, “You Tore Me Down” en “I Come And Stand At Every Door”, sluiten qua sfeer naadloos aan bij Griffins eigen materiaal, waarin mede door ’s mans nu eenmaal flink aan Roger McGuinn verwante nasale voordracht meer dan eens de geest van de Byrds rondwaart. Dat doet echter zeker niets af aan de verdiensten van Griffin zelf. Met veel gevoel voor nuance rijgt die hier immers het ene fraaie liedje aan het andere. “The Last Kentucky Waltz”, het al genoemde “You Tore Me Down” met z’n enig mooie accordeonbijdrage van Kate St. John, het mijmerende “Lost In This World Without You”, het op een wolk van meer gestreelde dan bespeelde gitaren drijvende en een aardig eindje richting de Everly Brothers overhellende “Alibi Bye”, het berustende “Wearing Out My Welcome With The Blues” of het overduidelijk aan de traditional “Wayfaring Stranger” refererende “Faithless Disciple” (inclusief de zingende zaag van Casper Cronk), hoogtepunten genoeg om van een zeer goede tot uitstekende plaat te gewagen. En dat is bij deze meteen ook gebeurd.

Sid Griffin

Glitterhouse

 

 

CHRIS THILE & MIKE MARSHALL

“Live Duets”

(Sugar Hill)

(2,5) J J J

 

 

Samen met de dobro en de banjo behoort de mandoline al sinds jaar en dag tot onze favoriete instrumenten. Op zo menig een album dat wij koesteren zijn het vaak de met die instrumenten aan het geheel toegevoegde nuances, die van iets moois iets heel moois maakten. Maar er zijn grenzen! En die overschrijden Chris Thile en Mike Marshall op hun tweede samenwerking “Live Duets” meer dan eens gevoelig. De twee zijn echte grootmeesters op hun instrument, laat daar vooral geen misverstand over ontstaan. Thile bewees de jongste jaren met het in de States razend populaire Nickel Creek al meer dan eens tot wat hij allemaal in staat is. En het muzikale c.v. van Mike Marshall hier weergeven zou ons wat al te ver voeren. Laat ons daarom maar volstaan met te verwijzen naar zijn recentste project, het onlangs verschenen “Now Hear This” van Psychograss, een groep gevormd door Marshall, David Grier, Tony Trischka en Todd Phillips. Daarop stond bij wijze van hint nog te lezen “File under Bluegrass / Americana”. Onder “Live Duets” past die omschrijving echter zeker niet. Daarop verkennen Thile en Marshall immers totaal andere gebieden. Van klassiek tot jazz tot Latin tot… Beperkingen leggen de twee zichzelf geenszins op. En de bij de voor dit album gebruikte optredens aanwezigen aten klaarblijkelijk uit hun hand. Wellicht zaten er veel muzikanten in de zaal… (Met de mond wagenwijd open kwijlend om zoveel instrumentale hoogstandjes.)

Als artiesten hun virtuositeit wat al té zeer willen beklemtonen, dan gaan ze daarin meestal te ver. Ook Thile en Marshall ontsnappen daar wat ons betreft niet aan. In der Beschränkung zeigt sich der Meister, zoiets… Alle muzikaal vernuft ten spijt kan ons dit dan ook maar matig bekoren. Uitzonderingen vormen “I’d Go Back If I Could” en “’Til Dawn”, niet toevallig twee van de weinige nummers waarin nog zoiets als een liedje te herkennen valt.

Chris Thile (Zie Nickel Creek!)

Mike Marshall

Sugar Hill Records

Munich Records

 

 

GRAHAM LINDSEY

“Hell Under The Skullbones”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Mocht Graham Lindsey zo’n dertig jaar eerder het levenslicht hebben gezien, dan zou men hem ongetwijfeld net als zoveel anderen als de nieuwe Dylan hebben proberen te slijten. En daar valt eigenlijk best wel iets voor te zeggen ook. Vooral zijn zwaar nasale stem en zijn houding nodigen uit tot dergelijke vergelijkingen. Anders dan zijn notoire voorganger profileert de jonge Lindsey zich echter veel meer als een roots singer-songwriter. In die mate zelfs dat het gerespecteerde muziekblad No Depression hem naar aanleiding van zijn eersteling “Famous Anonymous Wilderness” uit 2003 het “meest vermetele debuut” in die categorie “sinds “Revival” van Gillian Welch” toedichtte.

De nu 27-jarige Lindsey zette zijn eerste stappen in de muziekwereld toen hij amper een dozijn lentes achter de kiezen had. Dat gebeurde in ’s werelds jongste punk band Old Skull. Pas nadat hij zijn geboorteplaats Madison in Wisconsin had verlaten en via tussenstops in ondermeer New Orleans en Brooklyn in het rurale Nebraska neerstreek ging hij zich toeleggen op zijn huidige metier, te weten het schrijven van – weliswaar nog door punk beïnvloede – folk songs. Met het gekende gevolg.

Voor zijn tweede CD “Hell Under The Skullbones” nam Lindsey zich ruim de tijd. Mede onder invloed van een moordend tourschema met ondermeer Robbie Fulks, Iron & Wine, de Hackensaw Boys, Jesse Sykes & The Sweet Hereafter, Ben Weaver, Oh Susanna, Lou Barlow en Laurie Stirratt moest hij ook wel. Maar dat heeft natuurlijk ook zo zijn voordelen. De kwaliteit van zijn songs is er daardoor bijvoorbeeld zeker niet op achteruitgegaan. Wel integendeel! Onder de productionele hoede van Steve Deutsch (Linda Thompson, Lisa Loeb) verdeelt hij opnieuw tien trefzekere uppercuts aan de liefhebber van kwaliteitssinger-songwritermateriaal uit de folk- en rootshoek. Op de gastenlijst prijken ondermeer de namen van Van Dyke Parks, Greg Leisz, Larry Taylor (Tom Waits), Moris Tepper (Captain Beefheart) en Nick Vincent (Frank Black & The Catholics). En dat waren afgaande op het voorliggende resultaat precies de juiste metgezellen om mee gestalte te helpen geven aan Lindsey’s heerlijk rammelend overkomende en door de band genomen nogal somber aandoende roots songs.

Graham Lindsey

Sonic Rendezvous

 

 

WHITE HASSLE

“Your Language”

(Fargo Records / Munich Records)

(4) J J J J

 

 

Zal dit ‘m dan uiteindelijk gaan worden, de plaat die het uit New York afkomstige drietal – viertal als je draaitafelvirtuoos en regelmatige gast Atsushi Numata meerekent – White Hassle naar de hoogste divisie van het actuele (roots)popgebeuren catapulteert? Het zou alleszins oververdiend zijn. Wat Marcellus Hall (zang, harmonica, gitaar), Dave Varenka (drums, percussie, backing vocals) en Joachim Kearns (gitaren) op “Your Language” weer brengen is immers gewoonweg onweerstaanbaar. Voor het titelnummer van die plaat lijken G. Love, Jonathan Richman en die van Cake wel een geheim verbond te hebben aangegaan, het heerlijk lome, met een wulps mondharmonicaatje uitgedoste “Star Position” en “2 Fingers Cross’d” zijn in onze ogen schoolvoorbeelden van hoe zomerse (roots)pop hoort te klinken, “All The Night Long” en “Halfway Done” vallen dan weer onder modernistisch opgevatte countryblues, “It’s Your Turn” verdient het predikaat ingetogen Dylaneske Americana, “Garden (Shake It, Shake It)” moet het hebben van een funky ondertoontje, voor iets als “Sweet Eloise” werd de term skiffle punk uitgevonden, “Lazy Susan” heeft rockgewijs iets met de vroege Stones en “Vodka Talking” stuitert ongegeneerd over een Bo Diddley-ritme in het rond. Hoofdverantwoordelijke voor die stortvloed aan ongelooflijk catchy deuntjes is Marcellus Hall. Enkel het door de voltallige band in samenwerking met gastgitarist Chris Maxwell aangedragen “Star Position” en het bij Irving Berlin geleende en als duet met Ambrosia Parsley opgevoerde “You’d Be Surprised” komen niet op zijn palmares.

Zelfs in het hartje van de winter wordt het met albums als dit al heel even volop zomer!

White Hassle

Fargo Records

Munich Records

 

 

Darden Smith

“Field Of Crows”

(Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Voor het inblikken van zijn ondertussen toch ook alweer tiende album “Field Of Crows” koos de Texaanse songsmid Darden Smith voor een beduidend andere aanpak dan we van hem door de jaren heen gewoon waren geworden. Onder invloed geraakt van het bijzonder warme en relaxte geluid van een stel wat oudere platen die hem in de dagen voorafgaand aan de opnames van zijn nieuwste het nodige luisterplezier hadden verschaft (met name “Harvest” van Neil Young, “The Pretender” van Jackson Browne en “Five Leaves Left” van Nick Drake) besloot hij ook zelf voor een meer directe manier van opnemen te gaan. Door alle muzikanten samen in één en dezelfde ruimte onder te brengen en ook aan elk van hen inspraak te verlenen bij het uitwerken van de arrangementen kreeg hij niet alleen dát voor elkaar, maar wist hij tegelijkertijd ook één van de voornaamste ideeën achter heel wat van de songs op het album effectief in de praktijk om te zetten. Het merendeel van de in de nadagen van zulke ingrijpende gebeurtenissen als de voortdurende oorlog in Irak, de Amerikaanse verkiezingen van 2004 en de verwoestende tsunami in Zuid-Azië ontstane liedjes draait inhoudelijk immers om de thema’s samenleven en –werken en hoop.

Het resultaat van een wederom onder het toeziende oog van Stewart Lerman verspreid over vijf dagen in New York ingeblikte sessie zijn twaalf mooie ingetogen liedjes, die eigenlijk nog maar weinig gemeen hebben met de scene waarin Smith ooit zijn eerste stappen zette. Texas lijkt verder weg dan ooit. Op “Field Of Crows” mag je wat ons betreft zelfs zonder daarover al teveel na te denken het label (roots)pop aanbrengen. Enkel de occasionele inbreng van instrumenten als een pedal steel, een tamboerijn en een harmonica herinnert sporadisch nog een weinig aan zijn dagen van weleer. De gezongen bijdragen van gaste Eliza Gilkyson in “Fight For Love” en “Golden Age” gemakshalve even buiten beschouwing gelaten dan…

Darden Smith

Dualtone

Bertus

 

 

LAUREN HOFFMAN

“Choreography”

(Fargo Records / Munich Records)

(3,5) J J J J

 

 

In 1999, kort na het verschijnen van haar tweede CD “From The Blue House”, besloot Lauren Hoffman de riem even af te leggen en haar plannen voor een carrière als muzikante voor onbeperkte tijd weer op te bergen. De jonge Amerikaanse singer-songwriter hoopte op die manier weer een normaal bestaan te kunnen gaan leiden en in alle rust verder open te kunnen bloeien en zo de voor haar job zo broodnodige inspiratie op te doen. En dat was voorwaar geen ijdel voornemen, zo blijkt nu! Haar nieuwe album “Choreography” staat immers boordevol met prachtige, in zowat elk opzicht voldragen (roots- en folk)popliedjes. Meeslepende kleinoden als de aan een stijlvol nagalmend gitaartje en de breekbare stem van Hoffman zelf opgehangen ballade “As The Stars”, het qua aanpak vaagweg aan de folkpop van Suzanne Vega herinnerende “White Sheets”, het zweverige tweetal “Ghost You Know” en “Another Song About The Darkness” en het quasi als een walsje opgevatte “Out Of The Sky, Into The Sea” zijn stuk voor stuk songs waarbij het recentere materiaal van veel bekendere collega’s als een Edie Brickell, de al genoemde Suzanne Vega en een Sarah McLachlan bleek wegtrekt. Een aanrader derhalve dan ook voor al wie houdt van zich in dat hoekje situerende dames.

Lauren Hoffman

Fargo Records

Munich Records

 

 

EMILY LOIZEAU

“L’Autre Bout Du Monde”

(Fargo Records / Munich Records)

(3,5) J J J J

(Releasedatum: 28 februari 2006)

 

 

Al op haar zesde liet de bevallige Emily Loizeau haar vingers voor het eerst voorzichtig over het klavier van een piano glijden. Heel onschuldig nog allemaal, maar zonder het zelf goed te beseffen zette ze daarmee toen al wél een belangrijke stap richting haar toekomst. Die zou haar na tussenstops als klassiek geschoolde pianiste en enkele theaterjobs tot chansonnière zien open bloeien. Haar liefde voor het werk van zo uiteenlopende groten als een Brassens, een Dylan, de Beatles, een Bach, een Schubert, een Renaud, een Tom Waits, een Nina Simone en een Randy Newman zouden de Anglo-Française er immers toe aanzetten om ook zelf naar pen en microfoon te grijpen. Het eerste resultaat daarvan vormt de al in 2003 verschenen EP “La Folie En Tête”, een zes eigen liedjes omvattende collectie, waaronder ook het speelse “Jasseron”, een duet met Franck Monnet. Een nummer dat we nu ook aantreffen op haar eerste volwaardige langspeler “L’Autre Bout Du Monde”. Met die op het Franse Fargo Records verschijnende nieuwe plaat mikt Loizeau duidelijk op een wat ruimer publiek dan in het verleden. Naast aan nog volop als chansons te verslijten deunen als “Boby Cheri”, het cabareteske “Voila Pourquoi” (met Manu, Mali en Guizmo van Tryo) en de licht klassieke pianoballade “Je Ne Sais Pas Choisir” waagt de jonge Franse zich ook voorzichtig aan als alternatieve pop te bestempelen dingen als “Sur La Route”, “I’m Alive” en “London Town” (Een duet met Andrew Bird!), aan haar adoratie voor Tom Waits duidelijk reflecterend materiaal als “Jalouse” en een enkele keer zelfs aan iets waar je met wat goede wil de term Americana zou durven voor boven te halen. We hebben het dan over het bitterzoete titelnummer van de plaat, een liedje dat in al zijn bekoorlijke eenvoud gewoon schreeuwt om de nodige radioaandacht.

Emily Loizeau

Fargo Records

Munich Records

 

 

TH’ LEGENDARY SHACK*SHAKERS

“Pandelerium”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

(Releasedatum: 2 februari 2006)

 

 

Zo’n drie jaar lang nu al maait Col. J.D. Wilkes (zang, harmonica, accordeon, (speelgoed)piano, orgel, glockenspiel), het charismatische kopstuk van Th’ Legendary Shack*Shakers, als de magere Hein van de huidige Americana scene vervaarlijk met zijn zeis in het rond. Met zijn maats David Lee (gitaren, zang) en Mark Robertson (bassen, gitaar, zang) heeft hij in die toch wel relatief korte tijdsspanne een geheel nieuwe invulling gegeven aan het begrip American Gothic. Hun explosieve cocktail van elementen uit een veelheid aan genres waaronder punk, rock, blues, country en folk is er één van het type dat absoluut geen tegenstand duldt. Brisant mondharmonicawerk, messcherpe gitaarescapades, een voortdurend met ADHD flirtende bas en verbeten zangpartijen doen je als luisteraar bij het consumeren van “Pandelerium”, de opvolger van het nagenoeg onder lovende kritieken bedolven tweetal “Cockadoodledon’t” en “Believe”, weer voortdurend naar adem happen. (Licht) neurotische strepen punk roots rock als de op hol geslagen “surf mét zang” “Ichabod”, de compleet door het dak gejaagde harp instrumental “Thin The Herd” en het met hyperkinetische blazers opgewaardeerde “Iron Lung Oompah”, het even weirde als melodieuze, door Lee met Marc Ribot-achtige gitaarakkoorden gekruide “South Electric Eyes”, het uit een foute spaghetti western weggelopen countryrockertje “No Such Thing”, het bijna Waitsiaanse duo “Bottom Road” en “Monkey On The Doghouse”, het stomende bluesje “Somethin’ In The Water”, de absurde begrafenismars “Nellie Bell”, de polkahybride “Gipsy Valentine” en de al even misvormde bluegrass - mét piano en yodel - van “The Ballad Of Speedy Atkins”, ze maken het je stuk voor stuk onmogelijk om stil te blijven zitten. Th’ Legendary Shack*Shakers slagen zodoende met brio juist daar waar de meeste anderen tekortschieten. Ze weten de ongecontroleerde energie van hun live performances ook op plaat te vereeuwigen. En het hoeft dan ook geenszins te verwonderen dat óók daarvoor geprezen lieden Dead Kennedys-frontman Jello Biafra en The Reverend Horton Heat himself graag een handje kwamen toesteken.

Th’ Legendary Shack*Shakers

Yep Roc

Sonic Rendezvous

 

 

MYRDDIN

“Novar”

(Munich Records)

(3) J J J

 

 

Maar weinig andere muziekgenres kunnen bogen op eenzelfde emotionele diepgang als flamenco. Nu eens opgewekt en speels lichtvoetig, dan weer ongebreideld passioneel of juist door en door triest, een flamencogitarist weet te allen tijde op zijn instrument de meest uiteenlopende gevoelens perfect te verklanken. Zo ook Myrddin. Die Vlaamse youngster – de jongste zoon van Koen De Cauter van het Waso Quartet, die hem ook inwijdde alvorens hij naar Spanje vertrok om er master classes te volgen bij grootmeesters als Manolo Sanlucar, Gerardo Nuñez, Rafaël Riqueni en Enrique de Melchor – kiest daarbij bovendien voor een zeer eclectische benadering van het genre. In zijn muziek tast hij de grenzen ervan af. Zo schuwt hij bijvoorbeeld een gewaagde samenwerking met Vlaamse folklegende Wannes Van De Velde niet. Diens bijdrage aan een tangovertolking van Guido Gezelles “Dien Avond En Die Rooze” als “Esta Noche Y La Rosa” is verbluffend mooi. Iets wat zeker ook geldt voor het enige andere niet-instrumentale nummer hier, het in passie gedrenkte, door José Ligero in zijn eigen moedertaal gebrachte “Porque Lo Llevo En La Sangre”. Maar ook als er geen vocalen bij te pas komen weet Myrddin vrijwel voortdurend te boeien. Het jazzy “Flamencowboys” en de rumba waaraan het album zijn titel ontleende zijn maar enkele voorbeelden van momenten waarop hij je op zijn instrument als het ware uitnodigt om de ogen te sluiten en even mee af te dalen naar zijn gevoelswereld of op zijn minst die van jezelf eens te gaan verkennen.

Myrddin

Munich Records

 

 

DAYNA KURTZ

“Another Black Feather….”

(Munich Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Wie zich nog steeds mocht afvragen waarom de Amerikaanse liedjesschrijfster-chansonnière Dayna Kurtz doorheen zowat heel Europa aardige horden fans op de been brengt telkens ze er voor optredens passeert, moet hoogdringend haar nieuwe CD “Another Black Feather… For The Wings Of A Sinner” eens aan een grondige luisterbeurt onderwerpen. Voor de voorbereiding van het materiaal dat op dat album zou belanden trok Kurtz zich een maand lang terug in de woestijn. Weg van alles en iedereen vond ze daar de nodige rust en inspiratie voor haar zondermeer sterkste collectie liedjes tot op heden. Naar goede gewoonte balanceert ze daarin weer voortdurend op het slappe koord tussen rauw en intens enerzijds en broos en emotioneel geladen anderzijds. Terloops tackelt ze een aantal thema’s die ongetwijfeld velen nauw aan het hart zullen liggen. Furieus trekt ze bijvoorbeeld van leer tegen het legertje fanatici dat met z’n daden en (vooral ook) reacties daarop de wereld een blijvend 9-11-trauma heeft bezorgd in het met een klezmerbandje ingespeelde “It’s The Day Of Atonement, 2001”. Het meeslepende “Nola” is dan weer een prachtige melancholische ode aan het wellustige New Orleans van weleer, waarin Peter Vitalone erg mooie dingen doet op zijn accordeon. Überhaupt zijn het vooral die wat rustigere nummers waarmee Kurtz hier om de haverklap de gevoelige snaar wist te raken. Het Zuiders getinte “Venezuela” is er nog zo één, het bluesy titelnummer ook, evenals het in een old-time sfeertje badende “Banks Of The Edisto” en de fraaie Americana van “Right For Me”. De enige niet-Kurtz-nummers zijn eigenzinnige covers van Bill Withers’ “Hope She’ll Be Happier” en het tot een heuse jazz ballad herwerkte “All Over Again” van Johnny Cash.

“Another Black Feather…” dient zondermeer tot de eerste hoogtepunten van het muziekjaar 2006 te worden gerekend.

Dayna Kurtz

Munich Records

 

 

HAYWARD WILLIAMS

“Trench Foot”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Zelfde naam, compleet ander verhaal. Geen trad country à la good ol’ Hank hier, noch pop genre gladde Robbie, maar goudeerlijk singer-songwritermateriaal, waarbij je gedachten vrijwel meteen naar collegae als Kelly Joe Phelps, Greg Brown, Peter Mulvey of Jeffrey Foucault afdwalen. En dat hoeft bij nader inzicht ook helemaal niet te verwonderen. De vier songs op “Trench Foot”, de opvolger van zijn vorig jaar verschenen debuut-CD “Uphill / Downhill”, werden immers vereeuwigd onder de productionele hoede van precies die Peter Mulvey. Met een tot het strikte minimum beperkt instrumentarium bestaande uit een stel gitaren en wat percussie verrichten de twee hier enkele bescheiden wondertjes. De ook stemgewijs een beetje aan zijn buddy Mulvey herinnerende Williams pakt uit met vier ronduit sublieme eigen liedjes, twee met een behoorlijk confidente knipoog richting het bluesgenre (“Smoke And Mirrors” en “Toe To Toe”), twee die zich eerder als folky Americana laten omschrijven (“Ballad Of Benson Creek” en “Lazarus”). Alle vier even beklijvend en volop smakend naar meer. Het is dan ook nu al uitkijken naar een nieuwe volwaardige langspeler van deze – op z’n zachtst uitgedrukt – extreem veelbelovende nieuwkomer.

 

Luister hier naar het nummer “Lazarus”.

 

Hayward Williams

CD Baby

 

 

YGDRASSIL

“Easy Sunrise

(Real Harm / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Dat de geraffineerde lokroep van de Nederlandse folksirenes Linde Nijland en Annemarieke Coenders nog menig een schip van nietsvermoedende afficionados van pure muziek flinke averij zal laten oplopen, is iets wat je met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mag vooropstellen. Net als de dames van het onvolprezen Laïs hier te lande moeten die van Ygdrassil het vooral van hun unieke manier van harmoniëren hebben. En net als die drie Vlaamse zangvogeltjes zijn ook Nijland en Coenders daarbij bepaald niet vies van een eclectische aanpak. Ze houden nu eenmaal van veel muziekjes. Zonder daarbij de samenhang van het geheel uit het oog te verliezen zoekt en vindt Nijland met haar liedjes aansluiting bij zowel de Engelse als de Amerikaanse traditionele folk scene, terwijl Coenders met haar bijdragen regelmatig aardig in het vaarwater van de hier nog altijd op handen gedragen Will Oldham belandt. Covers van “The Garden of Jane Delawney” van Trees, Sandy Denny’s “The North Star Grassman And The Ravens”, Neil Youngs “Motorcycle Mama”, de traditional “Cruel Sister” en het stukje Bulgaars erfgoed “Nazad” completeren het plaatje.

Door het met bijzonder veel oog voor detail ingezette instrumentarium (ondermeer bestaande uit tal van gitaren, mandoline, banjo, bouzouki, fiddle, bas en accordeon) is deze vijfde van Ygdrassil een plaat die zelfs in kringen van verstokte Americana-adepten wel eens heel veel goede vrienden zou kunnen gaan maken. Werkelijk ijzig mooi is wat de dames hier doen alleszins.

Ygdrassil

Rounder Europe

Munich

 

 

MILOW

“The Bigger Picture”

(Homerun Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Zelden werden wij zo door een Belgische plaat van de sokken geblazen als door “The Bigger Picture” van de pas 24-jarige Leuvense singer-songwriter Jonathan Vandenbroeck. Hij deed onder zijn pseudoniem Milow voor het eerst van zich spreken, toen hij het in 2004 tot in de finale van Humo’s Rock Rally schopte. Door de jury van die prestigieuze wedstrijd werd hij vrijwel meteen in de armen gesloten. Zijn coverversie van Bruce Springsteens “Thunder Road” werd tot de beste van de jongste Rock Rally-aflevering uitgeroepen en het ook op zijn debuut terug te vinden “You Don’t Know” zelfs tot één van de sterkste drie van alle tijdens de gehele wedstrijd ten gehore gebrachte liedjes überhaupt. Het is een rapport waar je al mee thuis kan komen.

De verwachtingen met betrekking tot de eersteling van Milow waren dan ook behoorlijk hooggespannen. En Vandenbroeck weet ze verdorie nog helemaal in te lossen ook. Hij wist voor de productie van “The Bigger Picture” niemand minder dan Nigel Powell te strikken. Die maakte van 1997 tot 2000 deel uit van de Britse formatie The Unbelievable Truth, de groep rond Andy Yorke – de broer van Radioheads Thom inderdaad – die met haar debuut-CD “Almost Here” ooit één van Vandenbroecks favoriete platen aller tijden afleverde. Die Powell hield de inkleding van Vandenbroecks liedjes bewust behoorlijk sober. Het moet de beste man meteen zijn opgevallen, dat de warme stem en het akoestische gitaarspel van onze jonge landgenoot eigenlijk veruit de beste maatjes van diens liedjes waren. Enkel wat strijkers, een weinig percussie, piano, orgel, fluit en glockenspiel mogen her en der het gebezigde klankenpallet een weinig komen verrijken. En één à twee takes volstonden ruimschoots om van de tien liedjes op “The Bigger Picture” stuk voor stuk vrienden-voor-het-leven te maken.

Als een soort van lichthese, jonge James Taylor of Neil Finn nodigt Milow je in over het algemeen vrij klassiek opgebouwde pop- en folkliedjes uit in z’n eigen gedachten- en gevoelswereld. Enkel de je inmiddels allicht van de radio bekende single “One Of It”, het dromerige “Landslide” en “Excuse To Try” vallen tussen de aangeboden liedjes op door een wat losser zittend folkrockpak.

Fel gesmaakte gastbijdragen zijn er ondermeer van (Frederik) Sioen in “You Don’t Know”, Sergej Van Bouwel van Absynthe Minded in “Stepping Stone”, “Little More Time”, “Until The Morning Comes” en “One Of It” en Johannes Verschaeve van The Van Jets in “Excuse To Try”.

Sluit ‘m dus vooral collectief in de armen, deze knaap, hij verdient het ten volle! Wel opletten, dat je ‘m niet meteen dood knuffelt, hij moet immers nog lang meegaan…

Milow

Munich Records

 

 

COAL

“Let’s Build Us A Rocket”

(Columbia / Sony BMG Switzerland)

(4) J J J J

 

 

Wat gaan we hier in godsnaam nog allemaal mogen meemaken? Werden we meteen compleet van de sokken geblazen door de machtige, oer-Texaanse Earle meets Jennings country rock van “Let’s Build Us A Rocket”, het titelnummer van een nieuwe CD van de ons tot hiertoe volslagen onbekende Coal, blijkt die toch wel afkomstig uit “of all places” Zwitserland zeker. Er zijn geen zekerheden meer in het leven.

En dat zou lang niet de enige keer zijn, dat we met verstomming geslagen werden. Nader onderzoek leerde ons immers al snel, dat “Let’s Build Us A Rocket” niet ’s mans debuutplaat is, iets waarvan we in al onze onwetendheid van in den beginne overtuigd waren geweest. De nu 23-jarige Coal debuteerde al in 2003 met het album “Workin’ Man”. En geloof ons vrij, op basis van wat hij op “Let’s Build Us A Rocket” serveert, zullen we echt alles in het werk stellen om ook die eersteling zo snel mogelijk in handen te krijgen.

En dan is er de naam van de de co-producer van het album: Reto Burrell. Die blijkt ook niet zomaar in de buurt te hebben rondgehangen. Hij is namelijk de oudere broer van Coal. En dan gaat er natuurlijk wel zoiets als een belletje rinkelen… Was rootsrocker Burrell immers niet die in Zwitserland geboren zoon van een Zwitserse en een Engelsman, die al op vrij jonge leeftijd naar Australië verhuisde, waar hij een opvoeding in het Engels genoot? Juist, ja. Vandaar dus ook dat vlekkeloze Engels van Coal.

In tegenstelling tot zijn broer zoekt de jonge Coal echter zijn heil veel meer in een geslaagde kruisbestuiving van honky-tonk en rock & roll. Je hoort Hank Williams, Wayne Hancock, Waylon Jennings en Merle Haggard, maar evengoed Steve Earle, Robert Earl Keen, Ryan Adams en Dylan. En her en der zelfs ook even de Stones.

Met zijn vaste begeleiders Charlie Zimmerman (elektrische gitaar, zang), Michi Ehrismann (akoestische bas) en Arno Troxler (drums, percussie) en special guests Valeska Steiner (zang in “Heartache Town”) en broer Reto (akoestische gitaar, zang) legde onze man (zang, akoestische gitaar, mondharmonica) de basis voor zijn nieuwe CD in zijn thuishaven Luzern. Vervolgens toog hij naar Texas, waar hij in Cindy Cashdollar (steelgitaar, lap steel), Lloyd Maines (dobro, pedal steel), Joel Guzman (accordeon), Randy Elmore (fiddle, mandoline) en Jay Meyers (banjo) het ideale gezelschap vond om van “Let’s Build Us A Rocket” de authentiek klinkende klepper te maken die het geworden is.

Niets maar dan ook werkelijk niets doet achter de in een weldaad aan accordeon-, steel-, fiddle- en akoestische gitaarklanken badende countryballade “Signed: The Liar” iets anders vermoeden dan een echte Texaan. En voor lekker in het gehoor liggende countryrockertjes als het titelnummer, “I’ll Be Gone” en het met een kordate rock & roll-greep gevloerde “X-Girl’s Moonshine – met een fantastische Cashdollar performance – zou zo menig een gevestigde waarde uit de Lone Star State graag één of meerdere vingers geven… En dan hadden we het nog niet over al even geweldige deunen als de zwaar richting Shaver overhellende train song “Railroad Man”, het op sappig gitaarwerk steunende “Rain Keeps Falling Down”, het zijn titel alle eer aandoende slepertje “Heartache Town” en de heerlijk twangende cover van Billy Idols “Sweet Sixteen”.

Festivalorganisatoren in de lage landen op zoek naar wat verrassend bijkomend vuurwerk voor hun evenement moeten deze knaap dringend eens een luisterend oor gunnen. En jij als Americana-fan moest al in de winkel staan…

Coal

 

 

DANNY SCHMIDT

“Parables & Primes”

(Live Once Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Danny Schmidt werd geboren en getogen in Austin, Texas. Na drie – naar zijn eigen gevoel véél té lange – collegejaren ontvluchtte hij de Lone Star State evenwel en dook onder in communes in respectievelijk de Ozark en de Blue Ridge Mountains. Daar vond hij niet alleen liefde, maar kwam hij er ook achter dat hij wellicht in de wieg gelegd was voor een muzikantenbestaan. En dus begon hij liedjes te schrijven. Materiaal dat hij vanaf 1999 – kort nadat hij zich in Charlottesville, VA gevestigd had – ook “en plein public” begon te brengen. Een blijvende getuigenis daarvan vormt zijn in 1999 verschenen eerste CD “Live At The Prism Coffeehouse”, een collectie nog vrij onschuldige songs van een artiest-in-wording. Schmidts kunstjes zouden er door de jaren heen echter nog aardig op vooruitgaan. Met als voorlopige climax zijn – na het in 2001 uitgebrachte “Enjoying The Fall” en het nog eens twee jaar later geloste “Make Right The Time” – vierde CD “Parables & Primes”, een ronduit fabelachtige collectie songs, die de man in een wat rechtvaardigere wereld in één klap beroemd zouden maken. Beurtelings zuiver verhalend, een weinig belerend en filosoferend schudt Schmidt de ene na de andere ruwe diamant uit de mouw. Folk (“Riddles & Lies”, “Esmee By The River”), Americana (“Beggars & Mules”, “Neil Young”), pop (“Ghosts”), jazz (“Happy All The Time”), ze passeren daarbij allemaal de revue. Als sterkste momenten bleven ons “Neil Young”, “The Dark-Eyed Prince” en “Stained Glass” bij. Het eerste is een soort van gedeeld stream of consciousness-moment met Neil Young op de stereo en zijn geliefde in zijn armen, het tweede een bijzonder wrang modern sprookje en het laatste een werkelijk grootse traditionele folk story song. Meer een getoondichte novelle eigenlijk. Even fraai als bevreemdend.

“Parables & Primes” heeft als je het ons vraagt dan ook gewoon alles in huis om op termijn uit te groeien tot een heuse moderne folk singer-songwriterklassieker.

Danny Schmidt

CD Baby

 

 

KAREN SAVŌCA

“In The Dirt”

(Alcove Records)

(3,5) J J J J

 

 

Wij maakten voor het eerst kennis met de muziek van Karen Savōca en haar metgezel Pete Heitzman via een in 2003 verschenen live-CD, waaraan ook Greg Brown en Garnet Rogers een bijdrage leverden. En daarmee waren we ruim aan de late kant. Wat bleek immers? Dat album was reeds Savōca’s zesde. Een stevig inhaalmanoeuvre drong zich op. Waarom? Wel omdat wat Savōca en Heitzman brengen bijzonder intrigerend muziekgoed is. De twee distilleren uit genres als blues, jazz, folk, pop, country, soul en nog een handjevol andere een hoogsteigen stijl. Iets waar zich op de keper beschouwd maar moeilijk een naam laat op plakken overigens. Savōca (zang, percussie, mandoline, banjo, clavinet en piano) kronkelt met haar stem sensueel rond de paal van haar door Heitzman (akoestische en elektrische gitaren, orgel, mandoline en zang) en special guest T-Bone Wolk (bassen, akoestische gitaar, accordeon en zang) aangereikte melodietjes. De mooiste resultaten levert dat wat ons betreft op als ze in wat meer rootsy wateren verzeild raakt. Zoals in het ingetogen “The Year” bijvoorbeeld, dat volop profiteert van wat subtiel plukwerk op de banjo van Savōca zelf en werkelijk hemels gitaarwerk van Heitzman.

“In The Dirt” is als geheel een behoorlijk vette kluif voor muzikale fijnproevers.

Karen Savōca

CD Baby

 

 

VARIOUS ARTISTS

“13 Ways To Live”

(Red House / Music & Words)

(4) J J J J

 

 

“From Texas with compassion…,” vermeldt een klein stickertje op het hoesje van “13 Ways To Live”, een in de States al een poosje beschikbare en nu ook hier aangeboden verzamelaar verschenen bij huis van vertrouwen Red House Records. Met dat door Bukka Allen in goede banen geleide project hoopt men immers zoveel mogelijk geld in te zamelen om steun te kunnen bieden aan de vele Irakezen, die hun land door het aanhoudende oorlogsgeweld verwoest zagen. Een nobel gebaar.

Allen (piano, accordeon, harmonium, orgel) vormt met Brian Standefer (cello) en Robbie Gjersoe (akoestische en elektrische gitaren, pedal en lap steel, resonator en slide, enz.) het trio Screen Door Music. Dat drietal begeleidt op “13 Ways To Live” een reeks top-singer-songwriters in speciaal voor de gelegenheid ingespeeld materiaal. En zoals je dat van knapen van dit kaliber verwachten mag, stellen Allen en co zich telkens keurig in op de hoofdact van dienst. Dat levert een aantal werkelijk oorstrelend mooie resultaten op. We noemen in dat verband bijvoorbeeld het indringende “Notes On Air” van Alejandro Escovedo, het inmiddels al tot een bescheiden klassieker op haar repertoire uitgegroeide “Highway 9” van Eliza Gilkyson, het Dylaneske “The Damage Done” van Butch Hancock, “Brand New Day” van Bukka Allen zelf, “The Song Of The Low” van Richard Buckner en “Dear Old Friend” van Patty Griffin. Maar ook de andere bijdragen van Abra Moore, Jack Ingram, David Baerwald, Will Sexton, Ian Moore, Terry Allen en Screen Door Music (de instrumentale afsluiter “Cycles”) zijn van uitstekende kwaliteit. Absoluut niks op af te dingen dus op deze puike verzamelaar.

Red House Records

Music & Words

 

 

HAPPY TRAUM

“I Walk The Road Again”

(Roaring Stream Records)

(3,5) J J J J

 

 

Deze man is niets minder dan een levende folklegende. Sinds hij in 1963 voor het eerst serieus van zich deed spreken met de allereerste versie van Dylans “Blowin’ In The Wind” – met de New World Singers – en met een duet met diezelfde Dylan (“I Will Not Go Down Under The Ground”) op het legendarische, in de Folkways Records-studio ingeblikte album “Broadside, Vol. 1” heeft de ster van Happy Traum eigenlijk vrijwel onafgebroken gestraald. Vooral zijn werk samen met zijn broer Artie wordt door velen als het absolute einde beschouwd. Maar ook ’s mans soloplaten zijn absoluut niet te versmaden. Traum is een geweldige fingerpicker en weet zich als weinig anderen in vreemd songgoed in te leven. Iets wat hij ook op zijn nieuwe CD “I Walk The Road Again” weer royaal doet. Bekende en minder bekende traditionals en liedjes van Allan Taylor, Lee Hays, Pete Seeger, Brownie McGhee, Paul Siebel en Bob Dylan krijgen de Traum treatment. Wat concreet wil zeggen wat folk hier, een beetje blues daar en af en toe een voorzichtige snuif country of Americana. Schoon volk genoeg in de buurt trouwens ook om succes te garanderen. De meest in het oog springende namen? John Sebastian, Jay Ungar, Molly Mason, Larry Campbell, Amy Fradon, Leslie Ritter, Cindy Cashdollar en Mindy Jostyn. Met zijn allen maken ze van “I Walk The Road Again” één grote oase van goede smaak. De topmomenten dan maar? Een bijzonder knappe, door John Sebastian van een mooi streepje mondharmonica voorziene versie van de traditional “Betty & Dupree”, het door diezelfde Sebastian en Cindy Cashdollars dobro hogere regionen in getilde Americana-deuntje “Times A-Getting Hard”, een speelse benadering van Paul Siebels “Pinto Pony”, “Walk The Road Again”, de enige Traum-compositie hier, en Dylans “Tonight I’ll Be Staying Here With You”, waarin Larry Campbell op de pedal steel en de mandoline voor een zeer fraai decorum zorgt.

Happy Traum

CD Baby

Roaring Stream Records

 

 

ROBERT MCENTEE

“Looking For A Good Sign”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(2,5) J J J

 

 

In de late jaren zeventig deed Robert McEntee voor het eerst van zich spreken als lid van de groep Navarro, waarmee hij niet alleen twee albums opnam maar als support act voor Carole King ook uitgebreid toerde doorheen zowel de States als Europa. Jarenlang speelde de multi-instrumentalist McEntee vervolgens de figuurlijke tweede viool vóór of bij acts als Dan Fogelberg, Carole King, Eliza Gilkyson, Barbara K, Omar & The Howlers, Cindy Bullens, Iain Matthews, Tom Ovans, Eric Taylor, Jimmie LaFave, David Halley en Elizabeth Rice. Vooral een job als vaste gitarist voor Dan Fogelberg bezorgde hem daarbij veel publiciteit. Bovenop de faam die hij genoot voor zijn werk voor talloze video-, film- en TV-producties dan, waarmee hij al ruim twintig jaar een aardig belegde boterham verdient.

Pas in 2000 ging hij met “Preserving The Error” wat nadrukkelijker op zoek naar eigen roem. En nu is er dus de opvolger van die plaat, “Looking For A Good Sign”. Daarop brengt McEntee een soort van poppy Americana-variant, waarin hij voortdurend flirt met andere genres als reggae (“It Takes Me Back” en “This One’s For Real”), calypso (“On A Hill”), blues (“When The World Treats You Cold”) en border music (“Down A Side Road”). Enkel zijn wat aan Jackson Browne herinnerende stem en zijn gave gitaarspel tillen hem daarbij een weinig boven de grijze middelmaat uit. Zijn songs vermogen dat – met uitzondering van het mooie ingetogen popdeuntje “On A Hill” helaas niet echt. Daarvoor klinken ze als je ’t ons vraagt – ondanks die veelheid aan invloeden - al bij al toch net iets te braafjes, iets te gewoontjes.

Robert McEntee

CD Baby

 

 

LINDA MCLEAN

“No Language”

(Bongo Beat)

(4) J J J J

 

 

Met “No Language”, de opvolger van haar in deze kontreien al op het nodige gejubel getrakteerde CD “Betty’s Room”, haalde Linda McLean ons onlangs finaal onderuit. Welk een schat aan roots- en folkrockliedjes weer, waarmee de Canadese op dat tweede album van ‘r uitpakt. Prachtige, breekbare ballades genre “Lives Change” en “Burn The Boats”, vlotte countryrock à la “Love Nor Money”, expressieve rootsrockertjes als “How Strong Is Your Sorrow” en “All Around”, poppy en folky spul type “Almost Alien” en het titelnummer, het wordt allemaal met evenveel brio gebracht. Met een speciale vermelding voor gitarist Andy McLean, die met zijn even fraaie als gedoseerde spel voor een serieuze meerwaarde zorgt.

Het allermooiste nummer is daarbij zondermeer het met de dood van Johnny Cash nog vers in het geheugen gegrift geschreven “Amsterdam Canals”, waarin verdriet en hoop - met op de achtergrond een weldaad aan klaterende gitaren - een verzoenende wandeling langsheen de Amsterdamse grachten maken. Werkelijk bloedmooi!

“No Language” verdient wat ons betreft royaal aanbeveling aan liefhebbers van de muziek van dames als een Kathleen Edwards, een Sarah Harmer, een Mindy Smith en een Suzanne Vega.

Linda McLean

CD Baby

Bongo Beat

 

 

MIKE SILVER

“Heaven In Mind”

(Stockfisch Records / In-Akustik)

(3) J J J

 

 

Met een album waarop het logo van het Duitse Stockfisch Records prijkt, weet je altijd meteen waar je aan toe bent. Het label is gespecialiseerd in (folky) singer-songwriters en gaat er daarbij prat op steeds weer de best mogelijke geluidskwaliteit te leveren. Dat is ook ditmaal ontegensprekelijk weer het geval. Het eerste wat je opvalt bij het beluisteren van “Heaven In Mind” van Mike Silver is het ongelooflijk warme karakter van die plaat. Met name het akoestische gitaarwerk van de man zelf en van Chris Jones vallen daarbij in zeer gunstige zin op. En natuurlijk ook die gloedvolle stem van Silver. Een veel mooier instrument had die zich nauwelijks kunnen wensen om zijn poëtische overpeinzingen mee de wereld in te sturen. Met veel gevoel filosofeert hij over intermenselijke relaties en dergelijke en weet daarbij terloops ook muzikaal gezien vrijwel voortdurend te bekoren. Enige vreemde eenden in de bijt zijn een cover van het vooral in de uitvoering van de Clovers bekende “Love Potion No. 9” en een geslaagde medley van de evergreens “Fly Me To The Moon” en “Unchained Melody”. Beide liedjes worden door Silver op een zodanige manier ingekleed dat ze perfect in het geheel passen. Voor de productie van “Heaven In Mind” tekende Günter Pauler.

Mike Silver

Stockfisch Records

 

 

TIFT MERRITT

“Home Is Loud”

(RCAM Records)

(3,5) J J J J

 

 

“Home Is Loud” is een soortement bedankje van Tift Merritt aan het adres van haar toegewijde fans. Het niet langs de (meeste) reguliere kanalen verkrijgbare album bevat negen op 4 juni van vorig jaar in het North Carolina Museum of Art opgenomen liedjes. Allemaal materiaal van haar beide albums voor Lost Highway (“Bramble Rose” en “Tambourine”) overigens. Je kan je dan ook afvragen, wat precies het nut van dit tussendoortje is. Maar al na één enkele beluistering klaart de mist wat dat betreft meer dan zomaar een klein beetje op. Het lijkt erop alsof Merritt ons duidelijk wil maken, dat ze live niet bepaald hetzelfde klinkt als op haar studioplaten. Zo wordt er opvallend veel ruimte gelaten voor de elektrische gitaar van Brad Rice – die regelmatig lekker mag scheuren - en de keyboards van Danny Eisenberg, waardoor haar materiaal over het algemeen een flink stuk scherper klinkt. Ze rockt met andere woorden gewoon meer. Niks dan lof overigens ook voor de andere betrokkenen, te weten Greg Readling (pedal steel), Zeke Hutchins (drums) en Jay Brown (bas). Die laatste tekent trouwens duetgewijs samen met zijn bazin voor één van de absolute hoogtepunten van het album. “Laid A Highway” blijft ook live een beslist niet te versmaden Americana-delicatesse.

Merritts recentste CD “Tambourine” is met zes nummers logischerwijze het best vertegenwoordigd. Naast “Write My Ticket Home”, “Your Love Made A U-Turn”, “Ain’t Looking Closely”, het al genoemde “Laid A Highway”, “I Am Your Tambourine” en “Shadow In The Way” treffen we hier van haar debuut “Bramble Rose” ook nog de heerlijke sleper “Supposed To Make You Happy”, “Neighborhood” en “When I Cross Over” aan.

Een mooie plaat eigenlijk, waar zich op de keper beschouwd maar twee gerechtvaardigde bedenkingen bij laten maken. Eén: waarom worden ons máár negen liedjes gegund? Een gemiste kans toch, niet? En twee: waarom niet opteren voor een integraal optreden in plaats van voor een verknipt geheel als dit? Voor de rest vinden we het allemaal wel mooi meegenomen.

Tift Merritt

Miles Of Music

 

 

THE LOOSE ACOUSTIC TRIO

“Brand New Mind”

(Big Book Records)

(3,5) J J J J

 

 

Met een enigszins bizar aandoend basisinstrumentarium bestaande uit een guitjo, een mandoline, een accordeon en een akoestische bas, aangevuld met een cello en een tuba (Keith Cary), een fiddle (Andy Lentz) en een sopraansaxofoon (Dave Barrows) leverden Ken Cooper, Richie Lawrence en Ken Rabiroff oftewel het Loose Acoustic Trio onlangs één van de verrassendste Americana-platen van het voorbije jaar af. Met liedjes over zo wonderlijke onderwerpen als hoeden, kippen en het eigen verstand weten de drie je in no time een uitermate opgewekt humeur te bezorgen. Elementen uit zo diverse genres en stijlen als old-time country, folk, blues en cajun worden verwerkt in een uiterst aanstekelijke mix, die heerlijk authentiek aandoet.

De naam van het uit Sacramento, CA afkomstige collectief spreekt eigenlijk boekdelen. Hier wordt inderdaad nog heerlijk losjes uit de pols gemusiceerd. En volledig akoestisch uiteraard. Vooral de samenzang van de drie heren en de ijzersterke composities maken daarnaast van “Brand New Mind” een echt hebbedingetje. Heel wat van die nummers werden trouwens geschreven met Paul Lacques, hier ondermeer bekend door zijn werk bij het alom geprezen I See Hawks In L.A.

Noem dit derhalve maar een serieuze aanrader voor wie het allemaal graag eens totaal anders wil!

The Loose Acoustic Trio

CD Baby

 

 

DONAL HINELY

“Giants”

(Scuffletown Records)

(4) J J J J

 

 

Al met zijn vorige CD, het in 2003 verschenen “We Built A Fire”, wist de dezer dagen in Nashville residerende Texaanse singer-songwriter Donal Hinely ons een oplawaai van jewelste te verkopen en “ever since that day” mocht hij ons tot zijn vaste fans rekenen. Het is dan ook met bijzonder veel plezier dat we ons ook even over zijn nieuwe CD “Giants” buigen. Voor de productie van die plaat kon Hinely een beroep doen op de ondermeer voor zijn werk met de Cowboy Junkies, Josh Rouse en recent nog Vienna Teng bekende en geroemde David Henry. Die zorgde geluidsgewijs voor een sierlijke strik rond alweer een voortreffelijke collectie liedjes. Naast multi-instrumentalist Henry (elektrische gitaar, bassen, mandoline, cello, orgel, piano, trompet, bongo’s, percussie en zang) en Hinely zelf (zang, gitaren, bodhran, ukelele, piano, glazen en percussie) leveren daaraan ook Will Kimbrough (elektrische gitaar), Chris Carmichael (strijkers), Mark Rosenthal (Lowry orgel) en Park Ellis (drums) een substantiële bijdrage. In hun gezelschap werpt Hinely zich eens te meer op als een waardige opponent voor knapen als een Steve Earle, een Robert Earl Keen of een Todd Snider. Zalige rootsrockertjes als “You And Me” of het strijdvaardige “Before Music Was A Product” wisselt de met een heerlijke hese stem gezegende Texaan af met al even fraaie akoestische folk à la het titelnummer of wat meer popgericht spul als de met een weldaad aan strijkers opgeluisterde ballade “Bubble” en het door Henry’s bijdragen op de elektrische gitaar en de trompet gedragen “Louisville”. Opvallende liedjes zijn verder zeker ook “Talkin’ Cheap Trick Blues”, waarin Hinely sfeervol terugblikt op een jeugd met Cheap Trick op zijn 8-Track en enigszins voldaan vaststelt hoe wij onze platencollecties door de jaren heen allemaal stevige veranderingen zien ondergaan – Je bent die eerste AC/DC-plaat van je toch nog niet vergeten zeker…? - , en “The Shakes”, waarin hij in navolging van zijn overleden oudere broer glazen laat zingen, wat een heerlijk streepje ingetogen Americana oplevert. Een heel grote meneer als je het ons vraagt, deze Hinely!

Donal Hinely

Miles Of Music

 

 

JERRY HENSLEY

“Cool Breeze Blowin’”

(Dusty Records)

(3) J J J

 

 

Het muzikale c.v. van Jerry Hensley is er één van het aardig gevulde type. Als gitarist maakte deze verre verwante van A.P. Carter – zijn grootvader was diens broer – deel uit van zowel Tommy Cash’ Tomcats, de begeleidingsgroep van Johnny Cash als van de Statler Brothers. Maar de man heeft veel meer in huis dan een stel vaardige vingers alleen, dat bewijst hij ten voeten uit op “Cool Breeze Blowin’”. Op dat zopas op het Zweedse Dusty Records verschenen album manifesteert hij zich als een prima country singer-songwriter. Rootsy country, that is.

De aandacht wordt meteen getrokken door een paar duetten met klinkende namen. Met wijlen Johnny Cash deelde Hensley zo bijvoorbeeld het ingetogen “Flesh And Blood”, Anita Carter zingt een aardig mondje mee in mooie versies van Bob Dylans “It’s All Over Now, Baby Blue” en “Gold Watch And Chain” van de Carter Family en Jimmy Fortune van de Statler Brothers is prominent aanwezig in “Born To Run”.

Naast deze en andere covers bevat “Cool Breeze Blowin’” ook een vijftal eigen Hensley-composities. En ook die zijn verre van kwaad. Titelnummer “Cool Breeze Blowin’” – een remake van een al in 1974 verschenen single van de man - is zo een bedaard ouderwets bluegrassdeuntje, “Ain’t It Funny (What Money Can Do)” biedt meer van hetzelfde maar dan wel een paar versnellingen hoger, “I’m All Right Now” is licht bluesy country, “Hobo Soul” pure Americana en de verstilde afsluiter “Goodbye Old Friend” – “just” stem, gitaar, dobro, bas – is een beauty van een ballad.

Jerry Hensley

Dusty Records

 

 

BOBBY EARL SMITH

“Turn Row Blues”

(Muleshoe Records)

(4) J J J J

 

 

Bobby Earl Smith is een graag geziene gast in rootsgeoriënteerde radiomiddens. Dat bleek al in 2001 en 2002 naar aanleiding van het verschijnen van zijn vorige CD “Rear View Mirror” – ook door het gereputeerde Mojo tot “Americana album van de maand” gebombardeerd trouwens – en het “Freda And The Firedogs”-project waarbij hij betrokken was en dat blijkt ook nu weer. Een kleine maand na het verschijnen van “Turn Row Blues” prijkt het album alweer fier aan de top van de Freeform American Roots Chart. Smith is dan ook wat wij graag “’nen echte” noemen. De man is gezegend met een bijzonder warme nasale stem en weet daarmee van zowat alles wat hij in de schoot geworpen krijgt iets te maken. Veel Texaanser als “Turn Row Blues” kan een plaat wat ons betreft amper klinken. Verwacht overigens geen zuivere bluesplaat hier, Smith moet het immers voornamelijk hebben van country.

“Turn Row Blues” werd verspreid over twee sessies in februari en april van 2003 opgenomen in de Sunbird Studios in Spicewood, Texas. Op 6 van de dertien liedjes bespeelt Lloyd Maines de voor de klankkleur regelmatig een bepalende rol spelende dobro, op de 7 overige neemt James Burton dat instrument voor zijn rekening. Andere betrokkenen waren Gabe Rhodes (gitaar), John X. Reed (gitaar), Casper Rawls (gitaar), Freddy Krc (snare drum & brushes), Eric Smith (bas) en Warren Hood (fiddle).

Negen van de dertien gebrachte liedjes zijn nieuw materiaal van Smith zelf. Voor de overige vier ging hij in de leen bij gerespecteerde songwriters als Stonewall Jackson, Cindy Walker, Kimmie Rhodes en Sharon Shelley. Daaruit resulteert een album van het genre zoals Jimmie Dale Gilmore die ook wel eens durft af te leveren. Vol met country en Americana “the Texas way” en met af en toe eens een voorzichtig uitstapje richting blues. En lijzige “backporch country”-liedjes als “Easy As You Please”, “Fixin’ To”, “Straight Down In The Middle” en Kimmie Rhodes’ “Just One Love” zullen dus wellicht ook hier in Americana-kringen wel weer op behoorlijk wat bijval kunnen rekenen.

Bobby Earl Smith

Texas Music Round-Up

 

 

HANK WILLIAMS

“Live Fast – Die Young”

(Hank Williams, The King Of Hillbilly Music)

(4CD Box Set)

(Membran Music)

(4) J J J J

 

 

Precies drieënvijftig jaar geleden liet de voor velen absoluut allergrootste aller countryzangers op de achterbank van zijn eigen Cadillac het leven. Negenentwintig jaar oud was hij pas, maar de muzikale erfenis die Hank Williams naliet was ronduit indrukwekkend te noemen. Hits als “I Saw The Light”, “Honky Tonk Blues”, “Move It On Over”, “Honky Tonkin’”, “A Mansion On The Hill”, “Lovesick Blues”, “Mind Your Own Business”, “Lost Highway”, “I’m So Lonesome I Could Cry”, “Long Gone Lonesome Blues”, “Moanin’ The Blues”, “Cold Cold Heart”, “Settin’ The Woods On Fire”, “Take These Chains From My Heart”, “Kaw-Liga”, “Your Cheatin’ Heart”, “Hey Good Lookin’”, “Ramblin’ Man”, “Jambalaya”, “Why Don’t You Love Me”, “I Could Never Be Ashamed Of You” en het ironischerwijze precies op het ogenblik van zijn dood in de charts residerende “I’ll Never Get Out Of This World Alive” behoren zondermeer tot het allermooiste wat het grote countrygeschiedenisboek te bieden heeft. En ze staan dan ook allemaal keurig verzameld op de onlangs verschenen collectie “Live Fast – Die Young: Hank Williams, The King Of Hillbilly Music”. En dat is in heel wat opzichten een aanbevelenswaardige verzamelaar. Eerst en vooral is er de prijs: voor nauwelijks twintig euro worden je verspreid over vier CD’s ruim zevenennegentig songs aangeboden. En dan is er ook nog de in het oog springende vormgeving: het geheel zit namelijk verpakt in een keurige longbox in boekvorm voorzien van tekstmateriaal in vijf talen (Duits, Engels, Frans, Spaans, Italiaans) en geïllustreerd met tal van knappe foto’s en afbeeldingen van het originele artwork van Williams’ platen. Maar dé hoofdmoot is én blijft natuurlijk de fantastische muziek van de betreurde ster zelf. Naast de al opgesomde hits biedt deze verzamelaar ondermeer ook “When Hank Williams Met Jimmie Rodgers”, Riley Crabtree’s in 1953 verschenen eerbetoon aan de man, tal van minder bekende opnamen, flink wat live-materiaal, samenwerkingen mét en nummers ván zijn vrouw Audrey. Enfin, meer dan genoeg om te kunnen spreken van een uitstekende prijs-kwaliteit-verhouding. (Zelfs al is de geluidskwaliteit ondanks een 24 Bit / 96 KHz high-end mastering bij momenten toch nog eerder wisselvallig te noemen.)

Hank Williams

Grosser und Stein GmbH

Amazon

 

 

MICK MCAULEY & WINIFRED HORAN

“Serenade”

(Compass / Challenge)

(3,5) J J J J

 

 

Mick McAuley en Winifred Horan genieten vooral bekendheid als twee-vijfden van de Iers-Amerikaanse folk-supergroep Solas. Nochtans zijn de twee bij hun genrecollega’s ook erg in trek als studiokrachten. McAuley (zang, accordeon, fluit, bodhran, keyboards, percussie, gitaar) werkte zo bijvoorbeeld al samen met Ron Havana, Niamh Parsons en Karan Casey, Winifred Horan (fiddle) van haar kant met ondermeer Richard Shindell, Patty Larkin, Sharon Shannon en Eileen Ivers. Het binnenkort te verschijnen “Serenade” is hun eerste plaat als duo. De voor ons opvallendste nummers daarop zijn aparte covers van Neil Youngs “After The Goldrush” en Dylans “To Make You Feel My Love”. Vooral dat laatste is met een vocale topprestatie van McAuley van een bijna onaardse schoonheid. Voorts is er natuurlijk de te verwachten stortvloed aan reels en jigs, waarmee duidelijk op het betere voetenwerk gemikt wordt. Toch ook enkele verrassingen van formaat. “The Joyous Waltz” is er zo eentje, een klassieke “valse musette”, maar dan wel met een voorzichtige Keltische touch. En ook het romantisch-intimistische “Little Mona Lisa” en het sfeervolle instrumentale titelnummer van de plaat, waarin McAuley opnieuw de show steelt op zijn accordeon, gaan er hier in als zoete koek.

Naast McAuley en Horan horen we ook Donal Clancy (gitaar, bouzouki, mandoline), Chico Huff (akoestische bas) en Paul Gurney (elektrische bas) aan het werk. Voor de werkelijk glasheldere productie tekenden McAuley en Horan zelf.

Solas

Compass Records

 

 

TOM OVANS

“Honest Abe And The Assassins”

(Floating World / Evangeline Records)

(4) J J J J

 

 

“Honest Abe And The Assassins” is ontegensprekelijk het voorlopige opus magnum van één van de zwaarst onderschatte singer-songwriters van de jongste decennia. Op zijn tiende CD trekt Tom Ovans immers werkelijk alle registers open. De “Lone Star State Dylan” neemt je mee op een over twee CD’s uitgesmeerde en ruim eenendertig tracks in beslag nemende road trip doorheen de onderbuik van de Amerikaanse samenleving. De begeleidende bio spreekt van “a big, sprawling epic hewn from a life lived in the shadows and on the edge”. En dat is bepaald niet gelogen.

Ovans koos daarbij resoluut voor een DIY-aanpak. Zelf gedaan, goed gedaan, moet hij gedacht hebben. En hij blikte dus maar gewoon alles bij hem thuis in Austin, Texas in. De gekozen vier-sporen-benadering garandeert hem voortdurend een lekker ruw geluid, dat zijn zwaar verweerde, rasperige stem nog beter tot haar recht laat komen. De weinige instrumenten die terloops ter ondersteuning werden ingezet bespeelde Ovans ook allemaal zelf. En dat alle gepresenteerde nummers ook effectief uit de eigen koker stammen, behoeft allicht ook geen betoog.

Daarbij voortdurend heen en weer laverend tussen genres als folk, blues, country en pop serveert de man een machtige luisterervaring voor gevorderden. Eigenlijk zou gewoon elke zichzelf respecterende liefhebber van klassiek singer-songwritermateriaal hier verplicht aan moeten! Onze luistertip: de behoorlijk desperate country folk van “Code Of The West”. Het is slechts één illustratie van Ovans’ vakmanschap, maar wat voor één!

Tom Ovans

Evangeline Records

Glitterhouse

 

 

NANCY APPLE & ROB MCNURLIN

River Road Or Rail”

(Ringo Records)

(4) J J J J

 

 

Van een unieke samenwerking gesproken! Twee favorieten des huizes treden op “River Road Or Rail” met veel brio in de gigantische voetsporen achtergelaten door klassieke man-vrouw-combinaties als Johnny Cash en zijn wederhelft June, Conway Twitty en Loretta Lynn en Lee Hazlewood en Nancy Sinatra. Zalig gewoon hoe de licht onderkoeld zingende Rob McNurlin en de juist o zo warmbloedige “Princess Of Twang” Nancy Apple elkaar daarop twaalf nummers lang fraai complementeren en met enige regelmaat zelfs naar regelrecht ontzagwekkende hoogten stuwen. Hartverwarmend is het bijvoorbeeld om te horen hoe de twee zich op bijna gospeleske wijze Leon Payne z’n “Lost Highway” – bekend vooral in de uitvoering van Hank Williams natuurlijk – eigen maken. En al evenzeer tot de verbeelding spreken de overige elf songs, met uitzondering van de bij hun maatjes Jeff Walburn en John Flavell geleende moordballade “Lucille” en de door McNurlin van een heerlijke mondharmonicabijdrage voorziene C&W-story song “Drover” uitsluitend eigen composities van de twee. Daarbij eerder spaarzaam begeleid op instrumenten als de akoestische gitaar, de harmonica, het accordeon, de gitjo, de bas, de fiddle, de mandoline en de slide roepen Apple en McNurlin hier voortdurend de hoogdagen van het Country & Western-genre in herinnering. En ingetogen twangende liedjes als “Angel Cried” en het behoorlijk emotioneel geladen Johnny Cash-eerbetoon “Sun Will Always Shine” doorstaan daarbij met glans elke vergelijking met door de jaren heen tot echte klassiekers uitgegroeide nummers. Ze zijn echt groots in al hun eenvoud.

Warm aanbevolen! (Een gegeven waaraan zelfs de twee kerstliedjes waarmee het album wordt besloten niets kunnen veranderen…)

Nancy Apple

Rob McNurlin

Ringo Records

CD Baby

 

 

COLIN BROOKS

“Blood And Water”

(Skywater Records)

(3,5) J J J J

 

 

In 2002, kort nadat hij er zijn eerste CD “Chippin’ Away At The Promised Land” had afgewerkt, besloot Colin Brooks te verkassen van New York naar Austin. Een niet zo onverstandige zet als je weet dat de man een meester is op instrumenten als de dobro, de lap steel en de elektrische gitaar. Op die manier verzekerde hij zich niet alleen van een goed belegde boterham als sideman – voor ondermeer Ruthie Foster, Toni Price en Hal Ketchum – maar belandde hij tezelfdertijd ook in een muzikaal klimaat waar hij ook zelf veel beter zou kunnen gedijen. Dat hij kort daarop op het gerenommeerde Kerrville Folk Festival met zijn muziek in de prijzen viel, was natuurlijk ook mooi meegenomen. Zo ging zijn ster beetje bij beetje aan het rijzen. En dus was de tijd stilaan rijp voor een tweede CD. En dat werd – mede onder impuls van zijn al een poosje daarom verzoekende fans – een compleet akoestische plaat. Werkelijk spiernaakt en heerlijk ongepolijst. The way it should be! Meer dan een stel microfoons, enkele gitaren en zijn eigen songs had “slinger-songwriter” Brooks amper nodig om “Blood And Water” te vereeuwigen. En als hij sporadisch toch al eens wat hulp van buiten af inriep, zoals van de onvolprezen Anais Mitchell (zang) in het atmosferische, van beklijvend snarenwerk voorziene rootsliedje “Water In The Sky” of van Jonathan Byrd (zang en gitaar) en Tim Beattie (zang en harmonica) in het bluesy tweetal “Cornbread” en “Jenny Was A Keeper”, dan stellen de betrokkenen zich graag volledig ten dienste van het liedje.

Heel wat van de nummers op “Blood And Water” werden nog in dezelfde week – sommige zelfs nog op dezelfde dag – dat ze werden geschreven ingeblikt. En ook dat draagt natuurlijk in ruime mate bij tot het gevoel van spontaniteit dat ze vrijwel zonder uitzondering voortdurend uitstralen. Het maakt van Brooks’ tweede als geheel een prachtige Americana-luisterplaat, die ons nu alweer reikhalzend doet uitkijken naar eventuele toekomstige projecten van de man.

Colin Brooks

CD Baby

 

 

BILL ISBELL

“The Good Woman Waltz”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

“The Good Woman Waltz” is het opmerkelijke plaatdebuut van de jonge, uit Dallas afkomstige singer-songwriter Bill Isbell. In een met Matt Wilder gedeelde productie zoekt de youngster daarop zijn weg in de huidige Americana/folk-jungle. En daarbij kan hij rekenen op de hulp van aardig wat gereputeerde sessiekrachten uit Nashville en verre omstreken. De meest in het oog springende daarvan zijn allicht pedal steel ace Russ Pahl, fiddler Jenee Keener, gitarist Jerry Kimbrough en drummer-percussionist Steve Brewster.

Het pleit echter bepaald in het voordeel van Isbell, dat het tussen al dat studiogeweld toch vooral zijn eigen stem is die echt brokken maakt. Al van bij de sfeervolle, zijn titel alle eer aandoende opener “Serenity” trekt hij daarmee meteen de aandacht. Wat ons betreft valt Isbell vocaal gezien te situeren ergens halverwege tussen Elliott Murphy en Greg Brown. En ook wat zijn muziek betreft lijkt vooral de eerste van die twee geregeld een aardige referentie te vormen, we denken dan in eerste instantie bijvoorbeeld aan het door zijn mooie pianobegeleiding opvallende “Mama Said” en het bijna parlando gebrachte “Home”. Isbell schuwt echter ook een wat krachtigere aanpak duidelijk niet. Dat blijkt ondermeer uit de door lekker vette gitaren gedragen countryrocker “Train Song” en het vaagweg een weinig aan Dylan herinnerende “Watch Over Me”. Hét absolute prijsbeest van de tien hier door Isbell opgehoeste liedjes is echter ontegensprekelijk het titelnummer van de plaat. In dat hilarische, met de tong wel erg diep in de wang geplant gebrachte countrydeuntje over zijn eigen malchance in de liefde toont de man zich echt van zijn allerbeste kant. Oordeel zelf maar:

“A good woman can take away sorrow,

A good woman can take away pain,

But my woman,… she done stole my dog Lefty, …had

an affair with that barkeep named Paul,

… shot my house plum full of lead, …and then, …had

the audacity and indecency to have an affair

with another woman, … and didn’t even have the courtesy

to ask me to participate,

… can you believe that shit, … Damn, … Bitch,

… and I hope she gets hit by a train,

(yeah), I sure hope she gets hit by a train.”

Bill Isbell

CD Baby

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

 

Klik hier voor de recensies van de maand december.

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums van:

 

Bastard Sons Of Johnny Cash “Mile Markers”Lauren Sheehan “Two Wings”The Round Up Boys “Good Lookin’ Daddy!” - Tandy “Did You Think I Was Gone?”David Childers & The Modern Don Juans “Jailhouse Religion”Clare Burson “Idaho”Jefferson Pepper “Christmas In Fallujah”The Gibson Brothers “Red Letter Day”Wailin’ Elroys “Route 33”Michael Hill “The Vanishing Season”Barbara Kooyman “Undercover (The Songs Of Timbuk3)”TJ McFarland “Rosenbum’s Gin” - Ruth Minnikin “Marooned And Blue”Christina Kulukundis “Christina Kulukundis” - Ryan Adams “29”Korby Lenker “King Of Hearts”Kevin Pakulis “Yeah Yeah Yeah”Gas Money “22 Dollars”Enya “Amarantine” - Arty Hill & The Long Gone Daddys “Back On The Rail”Smokestack Lightnin’ “Home Cooking”Neil Diamond “12 Songs”Various Artists “Four Dead Batteries” (soundtrack) - Gary U.S. Bonds “In Concert”Bill Kirchen “King Of Dieselbilly” - Various Artists “Rockabilly Lives”The Orange Humble Band “Humblin’ (Across America)”Mississippi Queen “Did You Say Love?” - Dan Israel “Dan Israel”Various Artists “Hands Across The Water – A Benefit For The Children Of The Tsunami”Wrinkle Neck Mules “Liza EP” - Mark David Manders “Cannonball”The Kieran Ridge Band “Nothing Left To Lose” - Stillhouse “Through The Winter”The Mother Hips “Red Tandy EP”Brock Zeman “Songs From The Mud”Leslie Satcher “Creation”Will Webb “Room To Room” - Karyn Ellis “Hearts Fall”Daddy “At The Women’s Club”Spo-Dee-O-Dee “The Many Sides Of Spo-Dee-O-Dee”The Possum Trot Orchestra “The Possum Trot Orchestra” - Los Lobos “Acoustic En Vivo”