CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SLAM & HOWIE AND THE RESERVE MEN “Live All Over Europe” - REED TURNER “Ghosts In The Attic” - JEFF LARSON “Close Circle” - THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” - BUFORD POPE “Sticks In The Throat” - AUBURN “Nashville” - PAUL J. PHILLIPS “Magic” - BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” - TRUE NORTH “True North” - ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” - DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - LONESOME SHACK “More Primitive” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” - EILEEN ROSE “Be Many Gone” - HEGE BRYNILDSEN “Till Harry” - CURTIS HARDING “Soul Power” - JIM STAPLEY “Long Time Coming”

                                                                                                                                                                                                                                                        

 

SLAM & HOWIE AND THE RESERVE MEN “Live All Over Europe” (Wanted Men Recordings / Membran)

(4****)

De titel spreekt met betrekking tot de nieuwe van Slam & Howie And The Reserve Men echt wel boekdelen. Het betreft hier immers daadwerkelijk de eerste, in diverse Europese landen ingeblikte live-cd van de Zwitsers. Twintig nummers staan erop, vereeuwigd tijdens zeventien verschillende gigs in zeven verschillende landen. Zo’n beetje “all over the map” dus inderdaad…

Afgetrapt wordt er met het veelzeggende “Wanna Be On The Road Again”. Dat in een club in het Tsjechische Sušice ten gehore gebrachte stampertje kruist op hoogst aanstekelijke wijze bluegrass met recht-toe-recht-aan rock. Vervolgens belanden we met het stilistisch uit ongeveer hetzelfde vaatje tappende “Johnny” in Le Tigre in het Franse plaatsje Séléstat. En ook ons land wordt aangedaan. Het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in Herselt meer bepaald. Liefst twee bijdragen werden aan hun doortocht aldaar vorig jaar ontleend. Het supersonische, zo’n beetje als hun lijflied fungerende “Bastard Speed Country Boys” en een gesmaakte cover van Steve Earle’s “Johnny Come Lately”. Samen met een okselfrisse benadering van de traditional “Old Dan Tucker” meteen ook de enige vreemde eend in de bijt hier, dat nummer. Voorts uitsluitend eigen songs, zoals het beatgewijs voorzichtig even met rockabilly flirtende “Wakin’ Up”, (countryrock)rustpuntje “Walk Away”, meezinger “Crossfire”, de folkpunker “Ronnie Free”, de deluxe-rocker “Berlin”, het al even zwierige “Drinkin’ &Ramblin’” – Die andere “signature song” van de heren! – en het buitengewoon sfeervolle “Desert Train”. Concertgangers in Tsjechië, Frankrijk, Spanje, Italië, Zwitserland, Duitsland en ons land genoten er echt met volle teugen van.

En dat hoeft eigenlijk allerminst te verbazen, aangezien de eigenzinnige mix van elementen uit country, bluegrass, folk, rock en punk die Lt. Slam en de zijnen serveren vrijwel ogenblikkelijk ongelooflijk aanstekelijk werkt. Hierbij stil blijven zitten is echt zo goed als uitgesloten! Mocht het je toch lukken, dan ben je wellicht dringend aan een bezoekje aan je huisarts toe…

Slam & Howie And The Reserve Men

 

REED TURNER “Ghosts In The Attic” (Reed Turner)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met deze buitengewoon getalenteerde knaap moeten we ondertussen ook alweer vijf jaar terug in de tijd. Meer bepaald naar 2009 dus, toen hij ons verraste met zijn onder de hoede van Clay Cook ingeblikte debuut “All My Running”. Toen al was duidelijk, dat Reed Turner geen gewone was. Zijn capaciteiten als storyteller sprongen meteen volop in het oog. Een gegeven, dat goed en wel twee jaar later overigens ook al bevestiging vond op ’s mans tweede, de als één kant van een ouderwetse LP opgevatte en van een veelzeggende titel voorziene EP “Side One: See How Far I Can Get”.

Nu, wederom drie jaar later, vloert Turner ons echter pas helemaal. Met “Ghosts In The Attic”, z’n door veel van onze Amerikaanse collega’s eigenlijk onterecht als z’n “sophomore effort” bestempelde nieuwe langspeler. Z’n eerste plaat, die hij in z’n eigenlijke thuishaven Austin opnam overigens. Onder het productionele toezicht van Matt Noveskey en met de nodige studiohulp van bekend en minder bekend volk als Pat Harris (bas), Brian Broderick (gitaren), David Sierra (drums en percussie), Phoebe Hunt (fiddle en zang), John Arndt (piano), Kim Deschamps (pedal steel) en Ellie Carroll (zang) vereeuwigde Turner (zang, gitaren en mondharmonica) er in een studio van Test Tube Audio tien nieuwe liedjes. Uitsluitend eigen materiaal, waaronder één enkele co-write met het al genoemde duo Harris en Hunt (“Long Gone”).

En in die liedjes gaat Turner, daarbij weliswaar vrijwel voortdurend netjes binnen de grenzen van het americanagenre blijvend, stilistisch gezien behoorlijk ruim. Gelijk van bij het eerste nummer grijpt hij je als luisteraar stevig bij je nekvel om je pas ruim drie kwartier later weer terug los te laten. Dat eerste liedje, de bedrieglijk lieflijke folkrocktrage “Modern Man”, leeft volop van de in de tekst ervan opgebouwde spanning. Van woorden als “Time is the devil’s throne. It’ll drag you down and just keep kicking.” bijvoorbeeld word je – Hoe waar ze ook zijn! – als luisteraar nu niet meteen vrolijk… En met dat eerste deuntje is de toon meteen ook gezet, zo blijkt al snel. Het er direct op volgende tweetal “Ghost In The Attic” en “Killed That Girl (‘Cause She Was Killin’ Me)” – Alleen die titel al! – gaat zelfs nog een eindje verder. Je denkt bij het “creepy” blueskarakter ervan vrijwel meteen terug aan het materiaal van zulke acts als Sixteen Horsepower, Wovenhand, Hyacinth House en Grant Lee Buffalo. En dat is wat ons betreft best wel goed gezelschap.

“Room For Doubt” is vervolgens weer een pak rustiger. Twijfel regeert daadwerkelijk volop in dat als sfeervolle americanaballade te bestempelen kleinood. Met een speciale vermelding voor Kim Deschamps’ werkelijk sublieme bijdrage op de pedal steel erin. Via het loodzware, zo op het eerste gehoor uit gelijke delen folk, blues, jazz en rock bestaande “Long Gone”, de voor Turners doen best wel behoorlijk glad aandoende countryrocker “Locking Doors” en het op eenzaam snarengetokkel geënte “Familiar Sound” belanden we bij “The Fire”, naar ons gevoel één van dé absolute hoogtepunten van “Ghosts In The Attic”. De beste Neil Young is in die trage rocksong even niet veraf. Resten dan nog: de knappe rootspopballade “Long Way To Go” en het ons in al zijn vocale grandeur voorwaar heel even aan Jeff Buckley zaliger herinnerende “The Sculptor & The Stone”.

Gaan we nog héél veel van horen, van deze knaap! Jonge storytellers van dit kaliber kom je immers lang niet alle dagen tegen…

Reed Turner

 

JEFF LARSON “Close Circle” (NCompass Music)

(4****)

Net als z’n voorganger “Left Of A Dream” is ook Jeff Larsons nieuwe worp “Close Circle” weer een hoogst aangename “trip down memory lane” geworden. Al na enkele tellen waan je je als luisteraar andermaal ergens in de vroege seventies. En dat in Californië meer bepaald. Daar waar melodieuze soft rock steeds weer beter bleek te klinken dan waar dan ook ter wereld.

Naar aanleiding van zijn vorige platen doken met betrekking tot Larson her en der al de nodige vergelijkingen op met onder meer America en Crosby, Stills, Nash & Young. En daar zouden wij er hier en nu graag nog een paar aan toevoegen door het noemen van de namen van Jackson Browne en Randy VanWarmer. En van de Eagles bij momenten ook wel. Een fluwelen stem, memorabele melodieën, mooie teksten, instrumentaal vakmanschap, kortom hier vind je net als bij de genoemde acts zo ongeveer alles wat je je als luisteraar maar wensen kan. En dus zou je denken, dat Larsons muziek ook uitermate geschikt is voor gebruik op grote schaal. In een wat rechtvaardigere wereld zouden dingen als de zich meteen knus tussen je oren nestelende ballade “Rescue”, het bedaard rockende “Following The Echoes”, de op wel bijzonder subtiele wijze met wat mandolineklanken besprenkelde trage “Even When The Rain Comes”, het als een zacht zomerbriesje aan je voorbij waaiende perfecte popdeuntje “Goodbye Ocean Street Beaches”, het voorzichtig wat meer richting Americana anno nu overhellende “Always The Mystery” en andere ons inziens vrijwel continu de ether vullen.

Voor de productie van dit pareltje tekenden naast Larson zelf ook Jeff Pevar en Hank Linderman. En buiten die twee verleenden verder onder anderen ook Dewey Bunnell en Gerry Beckley van America, de je misschien ook wel uit de entourage van Brian Wilson bekende Jeffrey Foskett, Jeddrah, Randell Kirsch, Jim McCarty, Jeff Jarboe en Dave Nachmanoff de nodige muzikale hand-en-spandiensten.

Très sympa allemaal!

Jeff Larson, CD Baby

 

THE OLDTIME STRINGBAND “Chicken Crows For Day” (The Oldtime Stringband / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van de band zegt in dit geval hoegenaamd alles. Old-time stringband music is immers daadwerkelijk wat er op het programma staat. Deels traditioneel spul, deels covers. Enkel het door respectievelijk Shelly O’Day en Nout Grupstra geschreven drietal “Little Liza Jane”, “High Sierra” en “Fare You Well My Bonny” vormt wat dat betreft een uitzondering. Maar ook die drie liedjes sluiten muzikaal gezien perfect aan bij de rest hier.

The Oldtime Stringband is overigens een Nederlands gezelschap. De groep bestaat uit Nico Keereweer (fiddle en zang), Ton Knol (gitaar en zang), Ruud Spil (banjo en zang), Shelly O’Day (gitaar, autoharp en zang), Nico Druijf (double bass en zang) en Nout Grupstra (fiddle, cajunaccordeon en zang). En met “Chicken Crows For Day” is men ondertussen al aan zijn tweede cd toe. Eerder verscheen immers ook reeds “Gotta Quit Kickin’ My Dog Around”.

Wat ons vooral aanspreekt in de muziek van The Oldtime Stringband, is de ongebreidelde spelvreugde die er van af spat. Vrijwel te allen tijde hoor je, dat alle betrokkenen zich tijdens het opnemen van “Chicken Crows For Day” kostelijk geamuseerd moeten hebben. En dat werkt hoogst aanstekelijk! Zo is het bijvoorbeeld zo goed als onmogelijk om stil te blijven zitten bij de door Nico Druijf gezongen versie van “good old” Jimmie Rodgers’ “Waiting For A Train”, bij de door de banjo van Spil aangejaagde lezing van de traditional “Bowling Green” en het zwierige, hier hoger al even genoemde “Fare You Well My Bonny”. Samen met erg mooie versies van Holly Tashians “Home” en Neil Youngs “Dance Dance Dance”, het cajunwalsje “La Valse de La Belle” – Met een vocale glansrol voor O’Day! – en het op ongemeen sfeervolle wijze de feestelijkheden aflsuitende “Pretty Saro” zijn dat onze muzikale “plats préférés” hier.

Vermelden we tot slot ook nog even, dat The Oldtime Stringband binnenkort zal aantreden op de tweede editie van het COUNTRYfestival in Groot-Gelmen bij Sint-Truiden. Op dag twee van het gebeuren meer bepaald. Op zaterdag 13 september dus, als Château de la Motte verder onder meer ook nog Irene Kelley, Eriksson Delcroix, The Whiskey Gentry en Los Pacaminos (mét voormalig popidool Paul Young) begroeten zal.

The Oldtime Stringband, Sonic Rendezvous

 

BUFORD POPE “Sticks In The Throat” (Unchained)

(4****)

Voor deze man braken we hier al eens eerder een lans. Remember zijn “Matching Numbers” van zo’n jaar of twee geleden? Wij alleszins nog wél, want dat was typisch zo’n plaat, die je graag binnen handbereik hebt tijdens lange ritten met de wagen. En zo maken wij er nogal wat, vandaar…

Hebben we de voorbije twee jaar dus ook heel veel gedraaid, dat “Matching Numbers”. En iets ergens diep hier vanbinnen suggereert nu al volmondig, dat zulks ook wel zal gaan gebeuren met Buford Pope’s nieuwe, z’n vijfde al, “Sticks In The Throat” heet die. Want ook dat is weer een dijk van een melodieuze rockplaat geworden, met her en der – Zij het ditmaal ook maar met mondjesmaat! – van die door ons zó gesmaakte rootskantjes.

Onder de productionele hoede van groepslid Amir Aly (piano, Hammond, Wurlitzer en harmony vocals) blikten Buford Pope (zang, akoestische gitaar, banjo en harmonica) en z’n maats Pelle Jernryd (elektrische gitaar, slide, lap steel en harmony vocals), Jörgen Lindström (bas en harmony vocals) en Mattias Pedersen (drums, percussie en harmony vocals) elf nieuwe liedjes in. Elf eigen composities van Buford Pope. Elf nummers, uitermate geknipt voor die heerlijke schuurpapieren strot van ‘m. Een stem die je doet terugdenken aan die van Rod Stewart in z’n hoogdagen, maar die hier en daar ook wel wat met die van Bryan Adams gemeen heeft. En dus komt het eigenlijk best wel goed uit, dat het materiaal op “Sticks In The Throat” beduidend meer richting rock overhelt als dat op z’n voorganger. Dat valt op. Gelijk van bij het onder stevig gitaarwerk kreunende openingsnummer “Don’t Take It Out On Me” al. Fans van de net al even genoemde Adams hebben daar ons inziens echt wel een flinke kluif aan. Via het melodieuze, mede door Aly’s toetsenwerk enigszins Springsteeniaans aandoende “She’s Gotta Country Mouth” belanden we vervolgens bij “Stand Up For Your Man”, opnieuw zo’n meedogenloze rockstreep. In “valse trage” “Love Affair” doet Pope het dan bijna op z’n Tom Petty’s even wat rustiger aan. Maar da’s maar voor even, wat in het daaropvolgende titelnummer gaat hij gewoon weer recht-toe-recht-aan. Zou wel eens een hitje kunnen worden, dat nummer! Hebben we dan nog te goed: de melodieuze rockers “Go Your Own Way”, “Highway”, “Give It Up”, “I’ll Get Over That” en “What Will Your Mama Say” en de mooie (rootsy) trage “You’re The Drug I Like To Use”.

Geen Zlatan hier, maar wel een verdomd sterk Zweeds elftal! Songelftal welteverstaan!

Buford Pope

 

AUBURN “Nashville” (Scarlet Records)

(3,5****)

Na een scheiding van meer dan een decennium vielen de leden van Auburn elkaar ergens in 2011 gewoon terug in de armen. En het eerste tastbare resultaat van die reünie was het een jaar later op de wereld losgelaten en al bij al behoorlijk lovend onthaalde “Indian Summer”. Daarop wisten zangeres Liz Lenten en haar cohorten op aanstekelijke wijze een brug te slaan tussen verleden en heden, tussen akoestisch en elektrisch, tussen pop, rock, folk, country en blues. “Insgesamt” een weinig retro aandoend, maar ook weer net niet teveel!

En met die omschrijving zitten we op de keper beschouwd ook voor opvolger “Nashville” weer helemaal juist. Stralend middelpunt van de belangstelling is andermaal Lenten. Met haar honingzoete (“So sweet it’ll make your hair curl!”) stem trekt ze quasi onopvallend alle liedjes naar zich toe. Een gegeven, waaraan ook de inbreng van echte toptalenten als Thomm Jutz (gitaren) en Mark Fain (bas) “überhaupt” niets veranderen kan. Die Jutz was het trouwens ook die tekende voor de bijzonder warmbloedige productie van “Nashville”.

En hij was op die manier dus ook medeverantwoordelijk voor een “an sich” erg Europees aandoend potje Americana. Meer “rootsy” dan “roots”, maar wel erg mooi!

Auburn

 

PAUL J. PHILLIPS “Magic” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Met de EP “Magic” is de dezer dagen vanuit New York City actieve Paul J. Phillips inmiddels al aan zijn derde soloplaat toe. En ook daarop stoeit hij, net als op voorgangers “Shooting Cars, Building Stars” en “Every Time I Leave”, weer uitgebreid met elementen uit genres als pop, rock, folk, blues en soul.

Geopend wordt er in stijl met eerste single “Time, Time”, een streep heerlijk rammelende ingehouden bluesy roots rock. Vervolgens gaat het richting single nummer twee, het ons van opzet op de één of andere manier aan iets van T. Rex herinnerende “Magic”. Poppy van uiterlijk, maar dan wel met een dikke laag soul en R&B daaronder! Het derde van de amper vijf liedjes op “Magic” is “Fly Boy”. En ook dat koppelt weer veel soulgevoel aan een an sich best wel radiovriendelijke popdeun. Resten dan nog: het zijn titel de nodige eer aandoende “Da Blues” en “Till It’s Gone”, een hoogst catchy, bepaald lekker voor zich uit jengelende rootspopdeun.

Verre van kwaad allemaal! En bij een volgende gelegenheid mag het van ons dan ook graag (weer) wat meer zijn…

Paul J. Phillips

 

BARRY OLLMAN “What’ll It Be?” (Blue Colorado Music)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n album “What’ll It Be?” me onverwacht in de schoot werd geworpen nog nooit van Barry Ollman gehoord had. En dat hoeft eigenlijk niet eens te verwonderen ook, aangezien het daarbij nog maar om ’s mans eerste album blijkt te gaan. En dat ondanks een – Afgaande op de foto op de eromheenzittende digipak! – al redelijk gezegende leeftijd.

Met “What’ll It Be?” verrast Ollman alleszins in hoogst aangename zin. Gelijk van bij het openingsnummer, het me een weinig aan James Taylor herinnerende en met Graham Nash gebrachte “Imogen’s Lament”, had hij meteen mijn volle aandacht. Hoe hij daarin bij monde van een stilaan een dag ouder wordende fotografe al mijmerend de angst voor wat nog komen zal verwoordt, zet aan tot nadenken. “With no fear of dying, that never seemed hard. She’s much more afraid of losing her sight…” Zo had ik het allemaal nog niet bekeken… Maar ik mag er bijvoorbeeld ook niet aan denken, zelf ooit doof te eindigen. Dat zou zo’n beetje op hetzelfde neerkomen, denk ik…

Enfin, de toon is daarmee gezet. Bijzonder bedachtzaam schildert Ollman op “What’ll It Be?” tien erg mooie, in het leven van alledag hun bestaansreden vindende songportretten. Naar eigen zeggen allemaal met een welbepaalde reden. En wellicht is het precies dat gegeven, dat er een hoge mate aan authenticiteit aan verleent. Veel van het door de beste man gebrachte materiaal is van het eerder rustige type. Zoals het luisterliedjes naar mijn bescheiden mening eigenlijk gewoon betaamt ook. Maar er zijn ook wel wat uitzonderingen op die regel. “Banker’s Holiday” rockt mede dankzij een gesmaakte elektrische gitaarbijdrage van de je van Springsteens E Street Band bekende Garry Tallent bijvoorbeeld een aardig eindje weg. En ook het zomers geklede “popdondertje” “Almost Time” heeft een dergelijk licht opgewonden karakter. Maar het merendeel van het materiaal valt dus onder de noemer ballades. En – Eerlijk is eerlijk! – daarin is Ollman ook gewoon op z’n best. Die honingzoete, zoals eerder al even aangegeven, wat aan James Taylor refererende stem van ‘m doet het ‘m daarin keer op keer opnieuw! Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als “Lean In Close”, “Blue Colorado”, “The Old Country” of het afsluitende “Almost Time” en je zal me daarin allicht maar wat graag bijtreden.

Een mooie stem, erg mooie liedjes, die dan ook nog eens worden gebracht door louter topmuzikanten, wat wil een mens eigenlijk nog meer?

Barry Ollman, CD Baby

 

TRUE NORTH “True North” (True North)

(3,5****)

Het feit dat ze op verschillende continenten wonen weerhield er singer-songwriters Eva Hillered, Patrick Rydman en Janni Littlepage absoluut niet van om een mooie vriendschapsband te smeden en samen te gaan werken. En zo ontstond uiteindelijk ook True North. Een trio dat in eerste instantie opvalt door z’n werkelijk puntgave harmonieerwerk. Als Hillered, Rydman en Littlepage samen gaan zingen, dan hangt er geregeld even wat magie in de lucht.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de door Littlepage gepende, aan de groep ook haar naam verlenende ballade “True North”. Prachtig, hoe de stemmen van de drie elkaar daarin aanvullen! Dat heerlijke rootspopdeuntje is wat ons betreft meteen ook het absolute hoogtepunt van de voorliggende EP. Daarop verder ook nog: het ingehouden rootsrockende “New Way ‘Round”, het wat meer naar folkpop overhellende “Back To The Mother”, het op buitengewoon boeiende wijze met een americanagegeven omspringende “The Death Of Mr. Jones” en de warmbloedige, al na één enkele beluistering tot luidkeels meezingen uitnodigende eigentijdse countryriedel “Floats On Water”.

Vijf liedjes, die wat ons betreft nu al doen uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van dit Zweeds-Amerikaanse drietal!

True North

 

ULTAN CONLON “Songs Of Love So Cruel” (DarkSideOut Records)

(4,5*****)

Voor onze eerste kennismaking met de Ier Ultan Conlon moeten we al terug naar 2011. Op het knappe John Martyn-eerbetoon “Johnny Boy Would Love This” stootten we toen immers niet enkel op bijdragen van onder anderen Beck, David Gray, Paolo Nutini, Beth Orton en Lisa Hannigan, maar ook op ‘s mans uitvoering van “Back To Stay”. Wat googelen leerde ons aansluitend, dat Conlon met dat nummer al bepaald niet meer aan zijn proefstuk toe was.

De beste man debuteerde al in 2004 met een naar zichzelf vernoemde EP. Twee jaar later nam hij vervolgens samen met de eveneens uit Galway afkomstige John Conneely onder de vlag UltanJohn de langspeler “Really Gone” op. En in 2009 volgde ook nog zijn eerste solo-lp “Bless Your Heart”, een plaat die door lokale krant The Evening Herald prompt werd bestempeld als “The most impressive Irish debut since Damien Rice’s ‘O’”. Een erg mooie geloofsbrief…

Benieuwd, wat ze ginder denken van Conlons nieuwste worp. Dat schijfje, het onlangs verschenen “Songs Of Love So Cruel”, vinden wij immers op onze beurt bepaald indrukwekkend. Gelijk van bij onze eerste beluistering van het aan het geheel zijn titel verlenende openingsnummer “In The Mad” waren wij compleet verkocht. Wat een heerlijke rootspopdeun was dat! Herinnerde ons tegelijk aan Ron Sexsmith, aan Roy Orbison en aan Bruce Springsteen. Huiveringwekkend mooi gewoon! En, zoals later zou blijken, de inzet van net geen achtendertig minuten topamusement. Van een album boordevol prachtige verhalen, veelal gevuld met hartzeer, muzikaal te situeren ergens tussen pop, rock, folk en country. Doorgaans van het wat rustigere soort, al zorgen songs als het al genoemde “In The Mad”, “Lonely Avenues” en “The Golden Sands” bij tijd en wijle wel voor wat tegengewicht.

Had op ons quasi dezelfde impact als het debuut van de eerder al genoemde Ron Sexsmith en Richard Hawley’s magistrale tweeluik “Lady’s Bridge” en “Truelove’s Gutter”. En laat dat nu net enkele van onze lievelingsplaten aller tijden zijn…

Ultan Conlon

 

DUDLEY TAFT “Screaming In The Wind” (American Blues Label Group / Import)

(4****)

“Screaming In The Wind” is de door de onder meer om zijn werk met Buddy Guy, George Thorogood, Johnny Winter en Susan Tedeschi alom geprezen Tom Hambridge geproduceerde derde van bluesrocker Dudley Taft. Na “Left For Dead” uit 2011 en “Deep Deep Blue” van vorig jaar een derde staaltje van ’s mans aanzienlijke talenten als zanger en gitaarbeul.

Die nieuwe cd bevat een dozijn nieuwe liedjes, waarvan Taft het leeuwendeel ook zelf schreef. Sommige met Hambridge en Richard Fleming, het gros echter gewoon in z’n eentje. En natuurlijk stootten we hier ook op enkele covers. Gelijk bij het begin al. Tafts cover van Skip James’ “Hard Time Killing Floor Blues” deed ons spontaan op zoek gaan naar onze oude Led Zep- en Cream-platen. Zo goed? Zo goed! En ook zijn meteen daaropvolgende uitvoering van Freddie Kings “Pack It Up” mocht er wat ons betreft absoluut zijn. Heerlijk soulvol gebracht, dat nummer! En vanaf dan ging het aan een echte rotvaart verder doorheen eigen materiaal: via de met z’n hoofd nog volop in de seventies levende bluesy hardrocker “Red Line” over het zich op bezwerende wijze voortslepende titelnummer en het zalig vonkende “3DHD” tot het heerlijk funky neergelegde “I Keep My Eyes On You”, de wederom van de soul bulkende trage “The Reason Why”, het ons op de één of andere manier aan ZZ Top herinnerende “Rise Above It”, vreemde eend in de bijt “Barrio”, de eigenzinnige, beenharde Delta-blueshybride “Sleeping In The Sunlight”, het behoorlijk psychedelisch uit de hoek komende “Tears In The Rain” en het afsluitende bluesrockmonster “Say You Will”.

Roodheet van de eerste noot tot de laatste! Ruim eenenvijftig minuten lang! En met gesmaakte gastbijdragen van onder anderen toetsenist Reese Wynans, de Muscle Shoals Horn Section en de onnavolgbare McCrary-zussen.

Dudley Taft

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

LONESOME SHACK “More Primitive” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Lonesome Shack is de naam van een uit zanger-gitarist Ben Todd, bassist Luke Bergman en drummer Kristian Garrard bestaand trio uit Seattle dat dezer dagen behoorlijk van zich doet spreken. En de tien voornaamste redenen voor die “buzz” zijn allicht terug te vinden op “More Primitive”, het onlangs verschenen nieuwe album van de groep.

Ruim tweeënveertig minuten lang serveren Todd en co daarop effectief behoorlijk primitief aandoende blues- en boogiehybriden, die je anno 2014 nu niet meteen van een stel jonge “bleekgezichten” als hen zou verwachten. Je denkt aan een John Lee Hooker, aan een RL Burnside, aan Canned Heat, aan Little Feat ook. Ritmisch totaal ongekunsteld, op het randje van het bezwerende af, lekker rauw ook. En bovenal: ongemeen authentiek!

Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de nadrukkelijk aan de oude Hooker herinnerende boogie “Wrecks”, het wild “hipshakend” op dansgrage benen mikkende “Head Holes”, het op de keper beschouwd bepaald hypnotisch werkende “Old Dream” of het over een echte “killer bassline” heen gedrapeerde titelnummer en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen! ’t Is dat we hier vooraf al afdoende ingelicht waren over de afkomst van dit schijfje of we waren de oorsprong ervan gegarandeerd ergens helemaal anders – In een totaal verkeerde buurt! – gaan zoeken.

Dit één keer horen is het ook kopen!

Lonesome Shack, Alive Naturalsound Records, Sonic Rendezvous

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics” (Proper Records / Rough Trade)

(4****)

Folklegende Richard Thompson trekt dit jaar zowat de hele zomer lang solo doorheen de UK. En om ook wat (actueel) plaatmateriaal beschikbaar te hebben, dat aan het toch wel wat aparte karakter van die live shows beantwoordt, dook hij nog snel even de studio in en blikte er nieuwe versies van zo menig een klassieker op het eigen repertoire in.

“Acoustic Classics” lost de belofte van z’n titel met andere woorden helemaal in. Het album bevat immers louter akoestische versies van veertien liedjes, die Thompson zelf selecteerde uit de overvloed aan materiaal uit z’n ondertussen ruim veertig jaar overspannende loopbaan als singer-songwriter. Eén groot feest der herkenning dus! Of wat dacht u van van alle (overbodige) franje ontdane uitvoeringen van klassiekers als “I Want To See The Bright Lights Tonight”, “Walking On A Wire”, “Down Where The Drunkards Roll”, “Persuasion”, “1952 Vincent Black Lightning”, “I Misunderstood”, “From Galway To Graceland”, “Valerie”, “Shoot Out The Lights”, “Beeswing”, “Dimming Of The Day” en vele andere?

Thompson straalt hier zowel als zanger, als op de akoestische. En eerlijk? Zó horen we hem eigenlijk nog het liefst van al.

Richard Thompson, Proper Records

 

EILEEN ROSE “Be Many Gone” (Holy Wreckords / Bertus)

(4****)

In Engeland was “Be Many Gone”, het nieuwe album van de bloedmooie Eileen Rose, al een poosje uit. Van begin dit jaar om precies te zijn. En we lazen er dan ook al een heleboel recensies over. De ene al lovender dan de andere. Volgens heel wat critici is het ontegensprekelijk de beste Rose-cd tot op heden. En dat is een stelling, die we hier graag bij willen treden.

Met voor de gelegenheid de nodige productionele bijstand van de je onder meer uit Frank Blacks Catholics bekende Rich Gilbert en met verder ook nog wat studiohulp van een handvol gerenommeerde namen uit Nashville als daar zijn een Buddy Spicher (fiddle), een Johnnie Barber (drums) en een Brad Albin (bas) serveert Rose op haar jongste een buitengewoon smakelijk negengangenliedjesmenu. Als entreetje is er de melodieuze, nadrukkelijk naar lang vervlogen tijden hunkerende alternatieve country van het met een veelzeggende titel gezegende “Queen Of The Fake Smile”. Via een bordje door Spichers fiddle op onnavolgbare wijze ingeleid “één-tegel-materiaal” gaat het vervolgens naar het eigenlijke hoofdgerecht. Stijlvolle, bedaard twangende country soul (“Prove Me Wrong”), catchy border music (het in duet met Frank Black gebrachte “Each Passing Hour”), rammelende country rock met een niet bepaald subtiele knipoog richting R&B (“Just Ain’t So”) en een stel broeierige alt-countrytragen (“Wake Up Silly Girl”, “Comfort Me” en “There Will Be Many Gone”) blijken daarvan tot ons groot jolijt de nogal uiteenlopende bestanddelen te zijn. En een nagerechtje wacht er ons natuurlijk ook nog. “Space You Needed” meer bepaald, een streepje ongemeen lekkere, al bij al behoorlijk atmosferisch aandoende country soul.

Heerlijke plaat! Moet je eigenlijk gewoon hebben…

Eileen Rose

 

HEGE BRYNILDSEN “Till Harry” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

“Hege”, de van begin vorig jaar daterende, door Fats Kaplin geproduceerde eerste cd van Hege Brynildsen, viel hier echt zeer goed in de smaak. Ik werd toen in hoge mate gecharmeerd door de zingende Noorse liedjesschrijfster. Haar me best wel wat aan de muziek van dames als een Iris DeMent en een Gillian Welch herinnerende escapades richting Americana, country en folk waren nu niet meteen wat je vanuit Noorwegen verwachtte, maar ze klonken zó authentiek en waren zó verdomd goed, dat je er als luisteraar graag naar teruggreep.

Ik vrees er echter voor, dat haar nieuwe, het volledig in haar eigen landstaal gebrachte “Till Harry”, op termijn niet diezelfde werking op me zal gaan hebben. Daarop staan overwegend (wat) rustige(re) liedjes. Ik denk dan in eerste instantie aan tussen pop en folk strandende pianoballades als “Mitt Hjärta Itu”, “Sommarsång” en “När Jag Blickar Ut I Världen” of op het snijvlak tussen country en pop neergelegde tragen als “Lilla Ängel” en “Tindrande Stjärnor”. Voorts – Gelukkig! – ook enkele als (broodnodig) tegengewicht voor zoveel ingetogens fungerende dingen als de bedaarde countryrocker “Två Fåglar” en het “bluegrassy” “Den Enda Han Ville Ha”.

Geen onaardige liedjes allemaal, maar ook niet meer dan dat. En dan is er natuurlijk ook nog de voor de meeste niet-Noren vervelende factor van het niet-begrijpen… Volgende keer dus toch maar gewoon weer in het Engels, Hege?

Hege Brynildsen, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

CURTIS HARDING “Soul Power” (Burger Records / Import)

(4****)

De ergens aan de vooravond van de eighties in “Motor City” Detroit geboren, maar ondertussen wel al een poosje in “Hot” Atlanta residerende Curtis Harding dient zich met “Soul Power” aan als één van de interessantere nieuwe acts actief op de scheidingslijn tussen rock en soul.

Harding is een zanger-gitarist-songsmid, wiens liedjes op wonderbaarlijke wijze een brug weten te slaan tussen soul zoals die in de jaren zestig welig tierde en het hier en nu. Geïnspireerd voornamelijk door groten der aarde als een Otis Redding, een Sam Cooke, een Bo Diddley en een B.B. King zoekt hij in zijn muziek evengoed aansluiting bij wat dezer dagen zoal allemaal voor garage rock doorgaat. En als je houdt van het werk van qua uitgangspunt enigszins vergelijkbare acts als Black Joe Lewis & The Honeybears en The Bellrays, dan zal dit ook wel aan jou besteed zijn.

Onze luistertips: het zomers groovy, deels falsetto gebrachte “Freedom”, het al rockend heerlijk aan zijn kettingen snokkende “Surf” en het zich schokschouderend een weg doorheen een hard R&B-fundament drillende “I Don’t Wanna Go Home”.

Héél erg goed allemaal…

Burger Records

 

JIM STAPLEY “Long Time Coming” (Mita Records / Universal)

(4****)

Met “Long Time Coming”, zijn door de gerenommeerde Tony Visconti geproduceerde nieuwe album, presenteert youngster Jim Stapley zich zo ongeveer als een certitude voor de toekomst. De jonge Brit toont zich daarop immers een onwaarschijnlijk goede rockzanger. Een shouter van het werkelijk allerbeste soort. Om even aan te geven hoe goed we hem wel vinden: de namen van knapen als een John Farnham, een Paul Rodgers (Bad Company) en een Lou Gramm (Foreigner) kwamen ons tijdens onze eerste beluistering van “Long Time Coming” spontaan voor de geest.

Gelijk van bij het er behoorlijk stevig inhakkende openingsnummer “No Good Reason” wekte Stapley onze interesse. Wat was dat, man? Wat een schreeuwertje! En welk een lekkere seventies aandoende heavy rock sound ook! Na ruim zevenenveertig minuten wisten we het al zeker: dit wordt op korte termijn een hele grote!

Stapley wisselt op dat “Long Time Running” stevige, bij momenten ook andere roots als blues, soul en country verradende rockuithalen af met tal van power ballads. En vooral met een aantal van de nummers uit die laatste categorie zou hij het wel eens heel goed kunnen gaan doen op radio en televisie. Wij denken dan met name aan melodieuze dingen als een “Heartstrings” of een “New Religion”. Dat laatste zou mits de nodige airplay wel eens zomaar een knoeperd van een zomerhit kunnen worden!

Als de Engelsen op het jongste WK voetbal even performant uit de hoek waren gekomen als hun jonge landgenoot hier, zouden ze met de vingers in de neus wereldkampioen zijn geworden…

Jim Stapley, Mita Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home