CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

ROB MCNURLIN “Blue Nashville Guitar” - TAYLOR LOCKE “Time Stands Still” - JILL BARBER “Fool’s Gold” - BELLA HARDY “With The Dawn” - BRANT CROUCHER “Blanco County Lights” - WHITEHORSE “Leave No Bridge Unburned” - MOORS & MCCUMBER “Pandemonium” - KYLE CAREY “North Star” - LYNN JACKSON & CHRIS BOYNE “The Acoustic Sessions” - RYAN BOLDT “Broadside Ballads” - DENNIS GREAVES & MARK PELTHAM “Duo” - PATRICK COMAN “Reds & Blues” - BRANDON SANTINI “Live & Extended!” - BUTCH WALKER “Afraid Of Ghosts” - TINSLEY ELLIS “Tough Love” - WILDIE “Lost & Gone” - DOUG MACLEOD “Exactly Like This” - ELLEN SUNDBERG “White Smoke And Pines” - BJÖRN VAN DER DOELEN & ALLEZ SOLDAAT “Caballero Zonder Filter” - SEAN COSTELLO “In The Magic Shop” - LOES SWINKELS “Nothing As I Know” - GOES EN DE GASTEN “OnsKentOns” - SUSIE FITZGERALD “Restless” - JAMES MCMURTRY “Complicated Game” - MATTHEW BARBER “Big Romance”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

ROB MCNURLIN “Blue Nashville Guitar” (Buffalo Skinner Recordings)

(5*****)

Voor een potje heerlijk authentiek aandoende verhalende country is er dezer dagen amper een beter adres dan dat van Rob McNurlin. Zo goed als op ’s mans nieuwe cd “Blue Nashville Guitar” hoor je ze immers niet al te vaak meer! Elf nummers lang neemt hij je daarop mee naar betere tijden. Naar tijden toen country nog geen vies woord was. Nog geen ten onrechte op confectiemateriaal geplakte term. Naar tijden toen knapen als Hank, Lefty, Webb, Johnny, Merle en anderen nog volop regeerden.

De liedjes op “Blue Nashville Guitar” schreef McNurlin allemaal na zijn recente verhuis naar Nashville. Met uitzondering dan van pièce de résistance “That Old Guitar”, maar daarop komen we hier later nog even terug. Zelf heeft McNurlin het in de liner notes in verband met “Blue Nashville Guitar” over “een album speciaal voor Nashville”. Het Nashville, dat een zesjarige knaap ooit aan het dromen zette.

Hét absolute klapstuk op “Blue Nashville Guitar” is ontegensprekelijk het aan het album z’n titel verlenende “That Old Guitar”. Dat nummer schreef McNurlin nadat hij van Marty Stuart tijdens een optreden gebruik had mogen maken van een gitaar die ooit nog aan de grote Hank Williams toebehoord zou hebben. Stuart had ze gekregen van z’n schoonpa Johnny Cash, die ze op zijn beurt van Hank Williams Jr. had ontvangen. En als we de legende geloven mogen, had die ze van Hank Sr. himself. Dat in zoiets voor een uitstekende songsmid als McNurlin een prachtdeuntje schuilt, spreekt bijna voor zich.

En ook voor de thema’s van de overige liedjes op “Blue Nashville Guitar” plukt McNurlin er lustig op los uit het leven zelve. Uiteraard is de liefde daarbij ook weer van de partij. Zoals in het rustig voorbij kabbelende openingsnummer “My Love Will Be There” bijvoorbeeld al en in het in onvervalste C&W style neergelegde “Western Sky”. En die andere countryklassieker, eenzaamheid, ontbreekt natuurlijk ook niet op het appel. Luister daarvoor bijvoorbeeld maar eens naar het zacht swingende “Blue Guitar” en het afsluitende “Who’ll Miss Me”.

Enkele verder eveneens nog aangekaarte onderwerpen: “the road” (in het louter muzikaal gezien best wel wat aan de jonge Cash schatplichtige “Take It On The Road”), treinen (in “Blow Whistle Blow”), de dood (in afsluiter “Who’ll Miss Me”) en Nashville (in de liefdevolle korte hidden bonus track).

Voor de productie van “Blue Nashville Guitar” tekende mcNurlin zelf. Studiohulp kreeg hij onder meer van de je misschien nog wel van Hank Snows Rainbow Ranch Boys bekende steelgitarist Kayton Roberts, snarenwonder Kenny Vaughan, drummer Jimmie Fadden (van de Nitty Gritty Dirt Band), bassist J.T. Cure en toetsenist Delmas Preston.

Dit zou straks wel eens dé countryplaat van 2015 kunnen blijken te zijn! Wij zijn er alvast helemaal ondersteboven van…

Rob McNurlin, CD Baby

 

TAYLOR LOCKE “Time Stands Still” (Lojinx)

(3,5****)

“Time Stands Still” is de eerste soloplaat van Taylor Locke. En die kende u allicht ook al wel als het zingende en de gitaarsnaren beroerende kopstuk van het populaire Britse popcollectiefje Rooney. Met die groep leverde hij tussen 2003 en 2010 een drietal redelijk succesvolle langspelers af.

Solo tracht hij naar eigen zeggen vooral handig alle valkuilen van het singer-songwritergenre te ontwijken. Geen louter aan één enkele akoestische gitaar opgehangen liedjes voor hem, neen, dank u. Hij mag het nu eenmaal graag wat meer aangekleed hebben. En dus klinkt “Time Stands Still” ook gewoon “like a band record”. “The band just takes occasional smoke breaks,” aldus Locke zelf daarover.

De liefde, het verlies daarvan, nostalgie en als mens rijper worden zijn slechts enkele van de vele door de beste man op z’n eersteling aangesneden onderwerpen. En voor het communiceren daarover bedient hij zich vrijwel doorlopend van catchy pop- en rockliedjes, waarin het bij momenten al even mag zomeren. Spul met andere woorden, dat in een rechtvaardige wereld probleemloos z’n weg richting de charts zal weten te weten. En al zeker de Britse dan!

Taylor Locke – Lojinx

 

JILL BARBER “Fool’s Gold” (V2 / Bertus)

(4,5*****)

“Fool’s Gold”, de ondertussen zesde van de Canadese liedjesschrijster Jill Barber, is wat ze in Engelstalige landen een echte must-have plegen te noemen. Een album, dat eigenlijk absoluut niet in je collectie mag ontbreken. Een tijdloos geheel, dat je keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Een weldadig zacht aandoende voorjaarsliedjesbui. Balsem voor door de vaak genadeloze jachtigheid van het leven anno nu stilaan barstjes vertonende zielen. Liedjes, die je als oude bekenden al van op een afstand staan toe te zwaaien. En da’s nu net het mooie, aangezien het hier op de keper beschouwd uitsluitend om nieuw materiaal uit de koker van Barber blijkt te gaan.

Tien nieuwe liedjes, die ze schreef samen met Steve Dawson, Les Cooper en Drew Jurecka, kort nadat ze haar zoontje op de wereld had gezet. Tussen de bedrijven van het jonge moeder zijn door als het ware. In een omgeving vervuld van liefde. En dat hoor je eraan ook.

Gelijk van bij het naar onze bescheiden mening beslist hitgevoelige openingsnummer “Broken For Good” is het al prijs! Dat streepje bedaarde, maar tegelijk ook ongemeen soulvolle R&B mag wat ons betreft elk uur opnieuw op de radio. En dat geldt voor wel meer dingen hier! Van de zo menig een grote jazzchanteuse in herinnering roepende sleper “The Least That She Deserves” tot de ons louter gevoelsmatig een beetje aan “Say What You Want van het Schotse hitgroepje Texas herinnerende lome popparel “Let’s Call It Love”, van het ook al richting de sterren gecroonde “The Careless One” tot het je lichtvoetig over de hardhouten dansvloer van betere tijden leidende “If Only In My Mind”, van de broeierige trage “To The Last” tot het de gelukzalige gevoelens uit z’n titel werkelijk perfect verklankende “Lucky In Love”, van het speelse bluesy niemendalletje “Darlin’ It Was You” tot het ongegeneerd zomaar een stekje voor zichzelf in het “Great American Songbook” claimende “Only You” of het afsluitende “If You’re Going To Break My Heart”, het zijn echt stuk voor stuk parels van liedjes!

Liefhebbers van gloedvolle stemmen en liedjes die op ongedwongen wijze herinneringen oproepen aan tijden die lang achter ons liggen zouden daarmee genoeg moeten weten…

Jill Barber

 

BELLA HARDY “With The Dawn” (Noe Records)

(4****)

“With The Dawn” is al Bella Hardy’s zevende soloplaat. Maar wel haar eerste sinds ze in 2014 werd uitgeroepen tot BBC Radio 2 Folk Singer Of The Year. En da’s een belangrijk gegeven, als je weet dat de liedjes erop werden opgehangen aan haar eigen ervaringen tijdens het meteen daaropvolgende jaar. Aan de aangename, maar vooral ook aan de minder aangename. Titels als “The Darkening Of The Day”, “You Don’t Have To Change (But You Have To Chose)”, “Another Whisky Song”, “Oh! My God! I Miss You” en andere spreken wat dat laatste betreft boekdelen.

In een productie van Ben Seal levert dat elf veritabele heerlijkheden van liedjes op. Liedjes, die op uitzonderlijk mooie wijze ergens ver boven de begane grond onvervaard over het slappe koord tussen folk, Americana, pop en rock glijden. Liedjes, die Hardy probleemloos richting wat meer erkenning bij een veel ruimer publiek zouden moeten kunnen catapulteren. Liedjes, waarin traditionele instrumenten als fiddle, banjo en piano ondersteuning vinden bij moderne elektronica zonder dat die storend gaat werken. En dan vergaten we bijna nog de steeds opnieuw op subtiele wijze de neus aan het venster stekende blazers.

Het liefst van al zouden wij hier gewoon geen eigen songfavorieten naar voren schuiven. “With The Dawn” is immers typisch zo’n plaat die je het best in haar geheel kan genieten. Maar als u toch zou aandringen, dan zouden wij met als kandidaten voor de titel van primus inter pares wellicht op de proppen komen met het samen met collega Cara Luft gepende “Time Wanders On”, met de zelfs in al zijn eenvoud groots uitvallende oorwurm “The Only Thing To Do” en het sombere, op een banjobijdrage van producer Seal leunende “First Light Of The Morning”.

Wat ons betreft echt een aanrader van formaat, dit “With The Dawn”!

Bella Hardy

 

BRANT CROUCHER “Blanco County Lights” (White Cat)

(3,5****)

Je kan van de nog jonge Texaan Brant Croucher veel zeggen, maar dat hij een zittende kont zou hebben, neen, dat zeker niet. Sinds 1999 woonde de beste man op maar liefst eenendertig verschillende locaties. Dat leest u goed, ja: eenendertig!

Geen wonder dan ook, dat nogal wat van de liedjes op z’n debuut “Blanco County Lights” op de één of andere manier iets met rondzwerven te maken hebben. Met moving around en moving on, zoals hij het zelf noemt. Met rondtrekken en tegelijk in het leven vooruit geraken. En dat als beginnende troubadour.

Dat Croucher op de keper beschouwd eigenlijk pas aan de vooravond van een carrière als singer-songwriter staat, hoor je hier echter nergens aan. “Blanco County Lights” is een in alle opzichten voldragen worp. Een plaat zoals velen die pas maken na jaren van hard labeur en met de nodige kilometers op de teller. Elf nummers lang weet de Texaan te overtuigen. Het ene moment met nadrukkelijk folk- of countrygeoriënteerd spul, het andere met een (hit)gevoelige pianoballade of als behoorlijk swampy te bestempelen stuff. Te allen tijde doorleefd en goudeerlijk. Met een prachtige goudbruine stem als een bepaald niet te onderschatten bondgenoot. En met nogal wat bekende vrienden in de buurt. We noemen in dat verband onder meer producer Jack Saunders, drummer Rick Richards, violiste Eleanor Whitmore, toetsenman Riley Osbourn, dobrokanjer Lloyd Maines en collega’s singer-songwriters Libby Koch en Matt Harlan. En dan vergeten we er nog een paar, hoor…

Al bij al een prima plaatje met voor ons als leukste momenten de gevoelige Americana-ballade “When You Come To Me”, het voorzichtig op z’n Texaans countryrockende “Doing Well”, het door Lloyd Maines van wat fraai dobrowerk voorziene luisterliedje “Drink”, het titelnummer, het lekker zwierige “Still The One” en het werkelijk van het gevoel uit z’n titel barstende “Joie De Vivre”.

Brant Croucher, CD Baby

 

WHITEHORSE “Leave No Bridge Unburned” (Six Shooter Records)

(4****)

Bij het verschijnen van nieuwe platen van het uit Luke Doucet en Melissa McClelland bestaande Canadese duo Whitehorse zitten wij altijd wel ergens op de eerste rij. Die twee staan immers zowat garant voor kwaliteit. Zowel hun soloplaten als hun samenwerkingen als duo verdienen wat ons betreft zonder uitzondering elke mogelijke vorm van aanbeveling. Dat was al zo voor elk van de vier aan “Leave No Bridge Unburned” voorafgaande coöperaties en dat is ook voor die nieuwe weer zo.

Ook op die tweede echte volwaardige langspeler weer kent de creativiteit van Doucet en McClelland geen grenzen. In een productie van hun landgenoten Gus Van Go en Werner F lijken ze zelfs alleen nog maar meer muzikaal terrein te willen bestrijken dan voorheen. Gelijk vanaf openingsnummer “Baby What’s Wrong?” is het al goed prijs. Heerlijke roots pop, afkomstig uit dezelfde achterbuurten die Tom Waits en z’n secondant Marc Ribot ooit ook wel eens durfden te frequenteren, is dat. Vervolgens is er het atmosferische “Tame As The Wild Ones”, gecontroleerde gitaarrock met een bepaald niet geringe soundtrackpotentie. “Downtown”stoeit op zijn beurt dan weer met elementen uit pop, rock, surf en R&B. Een hoogst interessante en super catchy muzikale hybride is het resultaat.

“Sweet Disaster” begint als iets van de Zombies en twangt vervolgens ingehouden een aardig eindje door, “You Get Older” trekt al even aanstekelijk door richting alternatieve country en “Evangelina” klinkt als de Jesus & Mary Chain op de rootstoer. “The One I Hurt” sluipt daarna over iets van een Canned Heat groove richting elektrische folkrock, “Dear Irony” is een pracht van een onderkoeld gebrachte trage en het duetje “Fake Your Death (And I’ll Fake Mine)” is al bij al als eerder klassiek te bestempelen roots pop.

Voor “Oh Dolores” halen we in het kielzog daarvan graag weer eens even de term country rock uit de kast en voor het afsluitende “The Walls Have Drunken Ears” vervangen we in die omschrijving gewoon het woordje country door roots. Al rammelt dat nummer lang niet over z’n gehele lengte. Enigszins psychedelisch aandoende elementen bepalen bij nader inzicht zelfs de klankkleur van grote delen ervan.

Het moge ondertussen al wel even duidelijk zijn: muzikale avonturiers en omnivoren worden hiermee weer uitgebreid op hun wenken bediend!

Whitehorse, Six Shooter Records

 

MOORS & MCCUMBER “Pandemonium” (Moors & McCumber)

(4****)

Voor mij persoonlijk één van dé aangenaamste verrassingen van de voorbije weken is het Amerikaanse duo Moors & McCumber. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik voordat hun nieuwe cd “Pandemonium” onverwachts op mijn schrijftafel belandde nog nooit van die twee heren gehoord had. En da’s eigenlijk best wel vreemd te noemen, aangezien het daarbij toch al om hun vierde album blijkt te gaan. Raar, dat ik een dergelijke kwaliteitsact zo lang over het hoofd kon zien! Maar goed, dat wordt bij dezen dus even rechtgezet…

Waarom deze twee knapen uw en mijn aandacht dan wel verdienen, vraagt u? Wel, daarvoor laten zich nogal wat redenen opsommen. Eerst en vooral zijn er hun liedjes. Prachtige muzikale miniatuurtjes, zijn dat, veelal het midden houdend tussen roots pop, folk (rock) en alternatieve country. Briljant in al hun eenvoud! En gedragen door twee elkaar op werkelijk verbluffend mooie wijze aanvullende stemmen. Het doet je als luisteraar onwillekeurig terugdenken aan de hoogdagen van acts als Simon & Garfunkel en Crosby, Stills, Nash & Young. Al stranden James Moors en Kort McCumber hier louter muzikaal gezien allicht vaak dichter in het kielzog van groepen als Crowded House, The Thorns en de Jayhawks.

En vooral de naam van die laatste act hoeft hier niet echt te verwonderen. Het was immers “Hawk” Gary Louris die tekende voor de productie van “Pandemonium”. En meespelen en -zingen erop deed hij ook. Net als drummer Peter Anderson en bassist Craig Akin. Voor de rest van het gebezigde instrumentarium tekenden ofwel Moors ofwel McCumber zelf. De eerste betokkelde gitaren, een ukelele, een mandoline en een Ierse bouzouki. De tweede deed het op keyboards, cello, gitaren, Ierse tenorbanjo en bouzouki, fiddle, mandoline, accordeon, harmonica en diverse bassen.

Très sympa!

Moors& McCumber

 

KYLE CAREY “North Star” (Americelta Records)

(4,5*****)

In de States was dit album al ruim een half jaar uit, maar nu is het eindelijk ook hier officieel commercieel verkrijgbaar. En daar mogen we met z’n allen best wel blij om zijn, want wat Kyle Carey op haar tweede volwaardige langspeler brengt is werkelijk van een oorstrelende schoonheid. Twaalf liedjes serveert ze ons op de opvolger van haar ook al zeer mooie debuutplaat “Monongah” uit 2011 en de twee jaar geleden verschenen EP “One Morning In May” en die zijn werkelijk zonder uitzondering bloedmooi.

In een productie van Seamus Egan van het onvolprezen Iers-Amerikaanse folkcollectief Solas en met de nodige studiohulp van onder meer het duo Josienne Clarke (harmony vocals) en Ben Walker (akoestische en elektrische gitaren), fiddlers Chris Stout en Katie McNally, roots-snarenvirtuoos Dirk Powell (banjo, mandoline, piano), bassist Chico Huff, celliste Natalie Haas, Catriona McKay (harmonium), Craig Werth (Appalachian mountain dulcimer) James MacKintosh (percussie) en vocalisten Pauline Scanlon, Eamon McElholm en Gillebride MacIlleMhaoil weet Kyle Carey op haar nieuwe plaat het beste van drie werelden onder één hoed te vangen. Zelf spreekt ze in verband met het resultaat over Americelta of Gaelic Americana. En elk van die twee omschrijvingen geeft inderdaad perfect aan waar het hier allemaal om draait. Te weten een bijzonder geslaagde symbiose van Americana, traditionele Ierse folk en Schotse Gaelic-poëzie.

Met uitzondering van drie nummers blijkt het daarbij uitsluitend om eigen liedjes van Carey te gaan. Enkel het in het Gaelic gebrachte tweetal “Cairistiona” en “Sios Dhan An Abhainn”, je zeker ook bekend als “Down To The River” uit de succesprent “O Brother, Where Art Thou?”, en het afsluitende “Across The Great Divide”, een verbluffend mooie cover van dat nummer van één van haar eigen idolen, wijlen Kate Wolf, schreef Carey niet zelf.

Naast van die drie vreemde eenden in de bijt raakten wij op “North Star” vooral onder de indruk van de nummers “June Day”, “Casey Jones Whistle Blow”, “Nora O’Kane” en “Stone Creek”. Het eerste een zomers-speelse terugblik op het warme weer in haar tijdelijke thuishaven van een poosje geleden Australië, het tweede een hoogstpersoonlijke, enigszins old-timey aangeklede kijk op de legende van de al wel eens vaker bezongen treinconducteur Casey Jones. Voor prijsnummer “Nora O’Kane” liet Carey zich dan weer inspireren door een gedicht van Appalachen-dichteres Louise McNeill en “Stone Creek” ten slotte is gewoon een wolk van een folkballade. Zouden we alleen al durven te noemen omdat Carey’s stem er zo onwaarschijnlijk mooi in tot uiting komt, dat laatste liedje.

Een echte aanrader voor liefhebbers van het materiaal van dames als een Nanci Griffith, een Laurie McClain en een Diana Jones, als u het ons vraagt.

Kyle Carey, CD Baby

 

LYNN JACKSON & CHRIS BOYNE “The Acoustic Sessions” (Busted Flat Records)

(3,5****)

Haar hele carrière lang al draait het bij de Canadese Lynn Jackson enkel en alleen om de songs. En da’s ook op haar nieuwe worp, haar zevende ondertussen al, het met Chris Boyne van Sexdwarf gedeelde “The Acoustic Sessions”, weer niet anders. Op dat haar bij nader inzicht tienjarig jubileum als recording artist vierende album grijpt ze immers terug naar dertien van haar eerdere albums bekende liedjes. Die werden grotendeels live off the floor ingeblikt in de thuisstudio van Teenage Fanclub-kopstuk Norman Blake. En dat in een tot de absolute essentie herleide akoestische setting.

Naast de stemmen en akoestische gitaren van Jackson en Boyne onderscheidden we verder onder meer ook nog bijdragen op harmonium, melodica, piano, national steel, mandoline, pedal steel, staande bas, elektrische gitaar, viool, cello en shakers van onder meer Joe Dunn, Scott Fitzpatrick, Nick Storring, Steve Wood, Wendy Wright en “huisbaas” Norman Blake.

Maar als puntje bij paaltje komt, dan draait het hier natuurlijk alleen maar om de stem en de liedjes van Jackson zelve. Alle hulp ten spijt zijn het haar enigszins aparte voordracht en verhalen die quasi voortdurend de show stelen. En dat zelfs op de momenten wanneer Boyne haar zanggewijs een weinig bijstaat. Het versterkte alleen nog maar meer de sowieso al hoge dunk die we hier over de narratieve kwaliteiten van Jackson al langer hadden.

Ergens tussen folk en Americana hun eigen niche vindende songschoonheden als “Coming Down”, “Paper Airplanes”, “Running”, “When You Were Mine”, “Wintersong”, “Maria”, “Mark The Spot”, “Sweet Relief”, “Scarecrow”, “Soft Stars”, “Yellow Moon” en andere verdienen zonder meer elk beetje aandacht dat u eraan kwijt zou willen. Maar beware: you’re in for a real treat!

Lynn Jackson, Busted Flat Records

 

RYAN BOLDT “Broadside Ballads” (Dahl Street Records)

(4****)

Bij wijze van geslaagd intermezzo tussen twee albums van z’n groep Deep Dark Woods trakteert Ryan Boldt ons dezer dagen op de cd “Broadside Ballads”. Een soloplaat die heel mooi illustreert, waarmee de singer-songwriter tussen alle bandbedrijvigheden door zoal bezig is. En die eigenlijk ook wel een beetje teruggrijpt naar z’n dagen van vóór die ondertussen redelijk succesvol geworden groep.

“Broadside Ballads” blijkt op de keper beschouwd een verzameling hoogst eigenzinnige interpretaties van traditionals. Met uitzondering van het nummer “Lazy John”, waarvoor Boldt zelf de muziek schreef, vinden werkelijk alle liedjes erop dekking onder die vlag. Samen met Clayton Linthicum (akoestische en elektrische gitaren, pedal steel, banjo en Fender Rhodes), Jody Weger (mandoline), Sara Froese (viool), Kelly Walraff (cello) en Kacy Anderson (zang) blikte onze man (zang, akoestische en elektrische gitaren, bas en drums) ze ondertussen zo’n twee jaar geleden in op diverse locaties, waaronder een oude kerk en de veranda van een vriend. Zich best wel nadrukkelijk manifesterende vogels en een zich in de verte aankondigend onweer zijn daarvan “stille” getuigen.

Nogal wat van de liedjes op “Broadside Ballads” blijken van het eerder ijle soort. Met Boldt als het ware in de rol van mannelijke sirene. Vol passie laat hij je ruim een half uur lang op de klippen van zijn eigen muzikale voorgeschiedenis lopen, daarbij voornamelijk terugvallend op een hem plaatgewijs door Shirley Collins aangereikte modus operandi en materiaal. Haar albums “Folk Routes, New Routes” (Mét Davy Graham!) en “No Roses” noemde Boldt zelf onlangs als zijn voornaamste inspiratiebronnen bij het uitwerken van “Broadside Ballads”. Aan het eerste ontleende hij openingsnummer “Love Is Pleasin’”, aan het tweede met “Just As The Tide Was Flowin’” en “Poor Murdered Woman” zelfs twee stuks.

Verder zorgden ook de gospelliederen die z’n eigen grootmoeder in z’n jeugd pleegde te zingen en een door Smithsonian Folkways aan het Canadese folkgebeuren gewijde compilatie nog voor wat goede ideeën. De hymne “Leaning On The Everlasting Arms” lijkt ons een voorbeeld van het eerste, “Welcome Table” van het tweede.

In al haar eenvoud is “Broadside Ballads” een plaat waarmee je zowel in kringen van muzikale alternativo’s als in deze van graag met traditionelere muziekvormen flirtende connoisseurs zou moeten kunnen scoren. Gaan we de komende weken zeker eens uitproberen…

Ryan Boldt

 

DENNIS GREAVES & MARK PELTHAM “Duo” (Zed Records)

(3,5****)

Artiesten die al wat langer in het vak zitten nemen na verloop van tijd regelmatig niet langer genoegen met alleen maar hun dagdagelijkse muzikale bezigheden. Ze gaan op zoek naar bijkomende muzikale uitdagingen. Extraatjes, die hun muzikantenbestaan spannend houden, die de sleur doorbreken.

Zo ook Dennis Greaves en Mark Feltham. Heren, die u ongetwijfeld ook kent als stichtende leden van de legendarische Britse blues(rock)groep Nine Below Zero. Die twee besloten onlangs om naast hun live gigs met de band ook akoestische optredens als duo te gaan inlassen. Lekker intimistische “old style” blues shows, opgebouwd rond unplugged gebrachte Nine Below Zero-klassiekers en covers van materiaal van eigen helden als Sonny Terry en Brownie McGhee, Jimmy Reed, Slim Harpo en Leadbelly. En als voorsmaakje op die concerten is er nu alvast het toepasselijk getitelde album “Duo”.

En da’s een verdomd sympathiek geheel geworden. Met nogal wat Terry-McGhee-spul erop. Geopend wordt er zo bijvoorbeeld al met het tweetal “Walk On” en “Cornbread, Peas And Black Molasses” en verderop stoten we ook nog op het door Brownie McGhee met de legendarische Bessie Smith gepende “Backwater Blues”, “Born And Living With The Blues” en “I Love You Baby”. De reden voor die opvallend royale aanwezigheid is voor de hand liggend. Het waren immers Terry en McGhee, die Greaves en Feltham tot dit album inspireerden.

Eén van dé leukste momenten van “Duo” werd gevonden in eerder onverwachte hoek. Een akoestische bluesversie van de Perez Prado classic “Cherry Pink And Apple Blossom White”? Klinkt zo op het eerste gezicht onwaarschijnlijk, maar werkt wonderwel. Met Felthams mondharmonica in een wel heel erg opvallende hoofdrol. Nog zo’n toppertje is naar onze bescheiden mening een bluesy lezing van Warren Zevons “Carmelita”. Een echt kippenvelmomentje, vonden wij!

“Egg On My Face” en de sfeervolle folky instrumental “Ballad Of Dombovar” blijken verrassend genoeg de enige twee uit het eigen songbook gescheurde blaadjes. Voorts op “Duo” onder meer ook nog een interpretatie van Clarence Williams’ evergreen “My Bucket’s Got A Hole In It”, een uitvoering in jump blues style van het ons vooral in de versies van John Lee Hooker en George Thorogood en z’n Destroyers bekende “One Scotch, One Bourbon, One Beer” en covers van Randy Newmans “Sail Away”, het bij Area Code 615 geleende en vooral als thema van het populaire BBC-programma “The Old Grey Whistle Test” richting collectief geheugen gecatapulteerde “Stone Fox Chase”, Jethro Tulls “Someday The Sun Won’t Shine For You” en het onlangs door het duo nog op de begrafenis van een goede vriend ten gehore gebrachte “Amazing Grace”.

Op basis van dit alles kan je nu al stellen, dat die duo gigs van Greaves en Feltham echte aanraders zullen gaan zijn. En mocht je er onverwachterwijze ergens eentje kunnen meepikken, dan moet je dat ons inziens dan ook zeker niet laten.

Nine Below Zero

 

PATRICK COMAN “Reds & Blues” (Patrick Coman)

(3,5****)

“Reds & Blues” is het in eigen beheer uitgebrachte nieuwe album van Patrick Coman, een vanuit Boston aan de weg timmerende Amerikaanse zingende songsmid, die daarnaast ook actief is als gastheer van de populaire concertreeks “For The Sake Of The Song”. Daarin laat hij op regelmatige basis de beste songwriters aantreden met eigen liedjes en materiaal van hun voornaamste invloeden.

En precies dat principe ligt ook aan de basis van z’n eigen nieuwe schijf, de conceptplaat “Reds & Blues”. ’t Is te zeggen, zo ongeveer toch. Dat geheel bevat immers zeven liedjes door Coman geschreven als “missing tracks” voor enkele van z’n eigen lievelingsplaten aller tijden. En het minste wat je erover kwijt kan, is dat het hoogst interessante resultaten heeft opgeleverd. En een plaat die allesbehalve gekunsteld overkomt.

Van het sympathiek rammelende “Red Diamond Blues”, geïnspireerd door “The Basement Tapes” van Dylan & The Band, tot de met een rol op Tom Petty’s “Wildflower” voor ogen gepende ballade “Foreign Tongue”, van het zogezegd van Big Stars “#1 Record” gevallen “Your Place” tot het voorzichtig naar iets van Jerry Lee Lewis ten tijde van diens “Live At The Star Club Hamburg” gemodelleerde “Trouble”, van het absolute hoogtepunt van de plaat, de voor “Stranger’s Almanac” van Whiskeytown bestemde en deze jongen hier geheel en al op het lijf geschreven alternatieve countrydeun “I Gotta Get Drunk To Dance”, tot het afsluitende duo, de een stekje op Leon Russells “Carney” nastrevende trage “Carry On” en de gevoelsmatig perfect bij de Rolling Stones classic “Exile On Main Street” aansluitende rammelaar “My Baby’s Been Good To Me”, ik daag u uit om hier ook maar één enkel minder moment tussen aan te treffen. Maar ik waarschuw u wel op voorhand: als u daar toch in zou slagen, dan zegt dat wat mij betreft veel meer over uw smaak dan over de kwaliteit van deze plaat!

Interessant concept, zeer geslaagd resultaat! Graag meer van dattum!

Patrick Coman

 

BRANDON SANTINI “Live & Extended!” (Vizztone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Mijn eerste reactie na het beluisteren van de laatste van de Amerikaan Brandon Santini: “Wow, die moet ik zeker ook eens live gezien hebben!” Met het op 13 juli van vorig jaar tijdens het Festival D’été de Quebec in Le Petit Impérial aldaar ingeblikte “Live & Extended!” blies hij me echt compleet van m’n sokken. Vrij letterlijk dan. Santini staat immers voor harmonica blues van het gespierdere soort. Het soort dat hoegenaamd geen weerstand duldt.

Samen met Timo Arthur (gitaar en backing vocals), Nick Hern (bas en backing vocals) en Chad Wirl (drums) knalt hij hier doorheen een achttal eigen nummers en covers van “One More Mile” van Muddy Waters, “Elevate Me Mama” van Sonny Boy Williamson, “Got Love If You Want It” van James Moore en “My Backscratcher” van het duo Frank Frost en Chip Young. Voor mij een eerste kennismaking met de man en wat voor één! Eentje die beslist naar meer smaakt! Véél meer zelfs! Zijn twee vorige platen “Songs Of Love, Money, And Misery” en “This Time Another Year” stootten eensklaps met stip door naar de bovenste regionen van mijn immer goed gevulde wishlist.

Deze Beale Street-favoriet en z’n secondanten laten hun publiek werkelijk badend in het zweet achter. De rauwheid waarmee hij z’n songs vrijwel voortdurend geselt herinnerde me vaagweg aan de escapades van de onverbeterlijke Paul Butterfield aan het begin van de jaren zeventig. En dat mag u uit mijn mond als een serieus compliment beschouwen. Ik ben immers ook na al die jaren nog altijd zwaar verslingerd aan de muziek van Butterfield en de zijnen. “Brandon Santini and his great band rip it up… LIVE!”, waarschuwt het begeleidende schrijven. En zo is het maar net! Santini en co steken het kot helemaal in de fik. Santini zelf manifesteert zich daarbij voortdurend als een geweldige zanger en een ace op de mondharmonica, z’n rechterhand Timo Arthur verbaast bij momenten dan weer serieus op de gitaar.

Mijn favorieten: het niets minder dan wervelende “Help Me With The Blues”, de onder machtig smoelwerk kreunende valse trage “No Matter What I Do” en de van hier uit maar wat graag met een volmondig ja beantwoorde vraag “I Wanna Boogie With You”.

Brandon Santini, VizzTone Label Group

 

BUTCH WALKER “Afraid Of Ghosts” (Lojinx)

(4****)

Met “Afraid Of Ghosts”, z’n ondertussen toch ook alweer zevende album onder eigen naam, zet Butch Walker z’n fans van het eerste uur aardig op het verkeerde been. In een productie van Ryan Adams himself komt hij op die nieuwe immers op de proppen met tien fraaie lappen uiterst spaarzaam georkestreerde rustige Americana. Heerlijke luisterliedjes, op de keper beschouwd uitermate geschikt om met zichzelf in het reine te komen. Want dat blijkt hier afgaande op het titelnummer toch wel zo’n beetje de onderliggende bedoeling.

Heerlijk laidback gaat het er zowat de gehele rit lang aan toe. Met Walkers breekbare stem voortdurend als stralend middelpunt van de belangstelling. Te midden van wolkjes voornamelijk akoestische (en elektrische) gitaar, piano en occasioneel ook accordeon en pedal steel streelt zij de zinnen. Luister bij gelegenheid maar eens naar pareltjes als het al genoemde titelnummer, de naar één van ’s mans eigen heldinnen verwijzende eerste single van het geheel “Chrissie Hynde” of het op een qua sfeer en gitaarwerk bij iets van Santo & Johnny aansluitende “How Are Things, Love?” en je zal meteen perfect begrijpen, wat we daarmee precies bedoelen. Samen met het trio “21+”, “Autumn Leaves” en “Bed On Fire” zijn dat onze “plats préférés” op een album dat bij nader inzicht eigenlijk gewoon geen momenten van zwakte kent.

Hoe dan ook een singer-songwriter-verrassing van formaat, dat mag je wel stellen, denken we. En dat onder meer dankzij de bijdragen van gasten als een Johnny Depp, een Bob Mould (Hüsker Dü, Sugar) en uiteraard ook producer Ryan Adams.

Warm aanbevolen alleszins, dit schijfje!

Butch Walker, Lojinx

 

TINSLEY ELLIS “Tough Love” (Heartfixer Music / Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De Amerikaan Tinsley Ellis geniet binnen het bluescircuit al jarenlang een uistekende reputatie. En mocht u – Om de één of andere onverklaarbare reden! – nog een motivatie daarvoor nodig hebben, dan krijgt u er met z’n inmiddels toch ook alweer achttiende album “Tough Love” andermaal eentje. Eentje met tien werkelijk uitstekende songs erop, waarin Ellis zijn roep van “triple threat” weer alle eer aandoet. De man beschikt nu eenmaal over een ontzettend soulvol stel “pipes”, hij is een geweldige gitarist en een al even bekwame songsmid. En alle liedjes op “Tough Love” komen dan ook weer uit de eigen koker.

Ellis blikte ze in samen met een stel muzikanten je allicht ook wel bekend uit de entourages van Delbert McClinton en John Hiatt. Zo tekende Kevin McKendree voor een brede waaier aan toetsenwerk, beroerde Steve Mackey de snaren van de bas, gaf Lynn Williams ‘m bij momenten flink van jetje op de drums en completeerden Jim Hoke en Steve Herman op respectievelijk sax en trompet het plaatje. Voor de productie tekende Ellis zelf.

Het resultaat is een aangenaam gevarieerd eigentijds bluesgeheel. Catchy opener “Seven Years” frequenteert zo bijvoorbeeld dezelfde wateren, waarin we ook Robert Cray wel eens durven aan te treffen, “Midnight Ride” blijkt een z’n titel werkelijk alle eer aandoende shuffle, “Give It Away” en “Should I Have Lied” zijn prachtige, echt van de soul bulkende ballades en het ritmisch sterke “Hard Work” heeft voorwaar zelfs even iets Dylan-esks over zich. Het ongemeen groovy uit de hoek komende “All In The Name Of Love” deed ons op zijn beurt dan weer denken aan groten der aarde als een Bobby Womack en een Al Green, “Leave Me” is zeker gitaargewijs nogal opzichtig richting Memphis lonkend spul, “The King Must Die” een streep zich loom voortslepende rootsy bluesrock, “Everything” een bijzonder appetijtelijk hapje harmonicablues en afsluiter “In From The Cold” een echte zaligheid van een “slow groover”, waarmee als u het ons vraagt ook wijlen Joe Cocker z’n weg wel geweten zou hebben. Wat ons betreft gelijk ook het allermooiste nummer van allemaal, dat laatste.

Ellis’ ticket voor zo menig een zomerfestival lijkt hiermee reeds klaar te liggen!

Tinsley Ellis, Landslide Records

 

WILDIE “Lost & Gone” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)                

Als het koud is, dan is het ook écht wel koud daar op de verre Zweedse buiten. En wat moet een mens dan zoal doen tijdens die o zo lange najaarsavonden, he…? In het geval van singer-songwriter Anders Thorén laat zich die vraag eenvoudig beantwoorden. Hij ging als een bezetene aan het schrijven. Het plotse complete gebrek aan de gebruikelijke vormen van afleiding werkte op hem als een rode lap op een stier. Zijn creativiteit werd er enorm door aangewakkerd. En dat resulteerde al snel in een flinke dosis ruw materiaal, waarmee hij vervolgens richting z’n maatje Rasmus Svensson trok.

Svensson, een multi-instrumentalist in de waarste zin van het woord en vooral ook bezitter van een eigen studio, tekende voor de productie van het af te werken geheel. Samen met Thorén zelf (zang en gitaar) en muzikanten Marcus Rostedt (drums) en Peter Antonsson (bas) blikte hij (onder meer tal van gitaren) de tien liedjes van “Lost & Gone” in. Liedjes, die op de één of andere vreemde manier voortdurend mooi het midden weten te houden tussen pop en rock enerzijds en meer rootsgeoriënteerde genres als folk en Americana anderzijds. Apart, maar mooi. Met dat zekere “je ne sais quoi” dat in het verleden al wel meer uit het Hoge Noorden afkomstige platen deed opvallen en aanspreken.

Is het de fluwelen stem van Thorén zelf? Zijn het z’n echt zonder uitzondering prima songs? Is het het bevreemdende sfeertje, dat nogal wat van die liedjes kenmerkt? Ik zou het “begot” niet weten, maar raken doet het me allemaal wel. En tussen opener “Making Days Meet” en het afsluitende “Brother” houden Thorén en de zijnen me dan ook moeiteloos zo’n zesendertig minuten lang bij de les. Met het gaandeweg op fraaie wijze van folkdeuntje tot ware roots pop beauty openbloeiende “Making Days Meet”, met het ijle alternatieve countrywalsje “Take Me Out”, met het werkelijk verkillend mooie titelnummer, met de heerlijke melancholieke Americana van “Chopped & Stacked”, met het wat mij betreft echt wel hitgevoelige “Missy”, met het mild swingende “peggy Lou”, ach eigenlijk met gewoon alles hier.

Geen wonder dus, dat alle bij dit project betrokken muzikanten zó verliefd werden op de liedjes van Thorén, dat ze uiteindelijk zelfs besloten om samen met hem als een groep verder te gaan. Zo goed? Zo goed ”indeed”! Dringend te ontdekken als u het mij vraagt, dit “groeiertje”! U zal het zich allicht absoluut niet beklagen!

Wildie, Rootsy

 

DOUG MACLEOD “Exactly Like This” (Reference Recordings / Music & Words)

(4****)     

Het verhaal van “good old” Doug MacLeod leest zich weg als dat van heel wat van de betere wijnen. Hoe meer jaren er op de teller komen te prijken, hoe beter het allemaal wordt. Dat blijkt ook naar aanleiding van “Exactly Like This” maar weer eens. “This is genuine original acoustic music at its very best,” lazen we ergens en zo is het maar net. Veel beter dan het hier gebeurt kan je dit inderdaad niet brengen…

Heerlijk relaxed, doorleefd soulvol van voordracht, eloquent, wereldwijs en vooral ook terughoudend virtuoos. Zo zou je het kunnen samenvatten. Alles in functie van het liedje. Zoals het hoort. Akoestische blues “the way it was always meant to be”. Met het eigen leven, de eigen ervaringen vrijwel doorlopend als uitgangspunt. Moest ook wel. Iets anders kan je immers niet echt geloofwaardig brengen, aldus MacLeod zelve.

“Exactly Like This” noemt hij overigens een soort van eerbetoon aan tal van z’n eigen muzikale helden. Mensen, die hem “somewhere along the way” op de één of andere manier beïnvloed hebben als een Louis Jordan, een Wes Montgomery, een Jerry Reed, een Tony Joe White, een John Lee Hooker en een Duke Ellington. De elf – Uitsluitend eigen! – songs op “Exactly Like This” zijn bestemd voor hen. En voor ons allemaal natuurlijk.

Hulp bij de opnames ervan was er van “usual suspects” Denny Croy (bas en backing vocals) en Jimi Bott (drums, percussie en backing vocals) en toetsenist Mike Thompson (piano). Voor de productie tekende MacLeod zelf samen met Janice Mancuso.

Ons speciaal voor u op maat geknipt lijstje met luistertips: het sterk ritmische, naar het werk van countryicoon Jerry Reed gemodelleerde “Ain’t It Rough”, het overduidelijk naar iets van John Lee Hooker teruggrijpende “Vanetta”, het op z’n Louis Jordans net niet de bocht uit swingende “Rock It Till The Cows Come Home” en het swampy, met een bedankje aan het adres van Tony Joe White op de wereld losgelaten “Serious Doin’ Woman”.

Doug MacLeod, Reference Recordings

 

ELLEN SUNDBERG “White Smoke And Pines” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Van de jonge Zweedse Ellen Sundberg bespraken we hier eerder ook al de debuutplaat “Black Raven”. In het najaar van 2013 was dat. Vlak voor ze in het voorprogramma van Israel Nash – Toen nog Gripka! – doorheen Europa zou gaan trekken. Iets wat aan ons toen volgende profetische woorden ontlokte: “En dat zal haar, als je het ons vraagt, vast met hele bosjes tegelijk nieuwe bewonderaars gaan opleveren. Ze verdient het alleszins…” En of we ons gelijk haalden!

Zelfs Nash zelf raakte zodanig onder de indruk van Sundberg, dat hij haar voorstelde om samen een plaat te gaan maken. En daarvoor vloog ze in het voorjaar van 2014 naar Texas. De ranch van Nash in Dripping Springs, net even buiten Austin, was “the place to be”. Zijzelf zorgde voor een reeks ijzersterke nieuwe liedjes, Nash van zijn kant nam het materiële aspect van de zaak voor zijn rekening. Hij zorgde voor opnameapparatuur en instrumenten. En voor de muzikanten. Aaron McLellan (bas en synth), Eric Swanson (pedal steel, elektrische en akoestische gitaren, mandoline en backing vocals), Steve Hill (drums en percussie) en Nik Lee (“noise”) gaven op eenvoudig verzoek graag acte de présence. Zelf tekende Nash voor de productie, wat backing vocals en wat bijdragen op de akoestische gitaar.

Het resultaat? Een tien songeenheden tellende alternatieve countrytrip van formaat. Bij momenten aardig hypnotisch van aard! Vaardig heen weer laverend tussen gevoelens van melancholie en loutere suggestie. Spelend met taal en melodie. Gemakkelijk? Zeer zeker niet. Het voormalige “kruideniershulpje van om de hoek” “has got a way with words”. En al evenzeer met het muzikale verpakkingsmateriaal ervan. Haar songs blijken op een vreemde manier catchy, iets wat ze in al hun herfstige grandeur weliswaar niet meteen outen. Maar na enkele draaibeurten is het dan plots wel prijs. Dan voel je het als luisteraar immers ineens allemaal een stuk beter aan. Dan ga je openstaan voor de zonderlinge zwerftochten doorheen het innerlijke universum van Sundberg. Dan gaan dingen als het verkillende “What Is Life”, het hoogst eigenzinnige “Hollow”, titelnummer “White Smokes And Pines” en het deels in haar eigen landstaal en deels in het Engels gebrachte “Vägen är Lång (The Road Is Long)” plots wel ten volle aanspreken.

Op haar nog altijd maar eenentwintigste mag je deze Sundberg op basis hiervan wat ons betreft gerust een stralende toekomst voorspellen.

Ellen Sundberg, Rootsy

 

BJÖRN VAN DER DOELEN & ALLEZ SOLDAAT “Caballero Zonder Filter” (Bastaard Platen / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ik hoop, dat hij mij de op zijn verleden als voetbalprof bij onder meer PSV Eindhoven en Standard zinspelende omschrijving niet kwalijk neemt, maar wat mij betreft vervolledigt Björn van der Doelen met “Caballero Zonder Filter” een loepzuivere hattrick. Na het nog min of meer anoniem onder de vlag Allez Soldaat gepresenteerde tweetal “D’n Duvel Die Slaapt Nooit” en “Als De Wolven Janken” is het immers al z’n derde geweldige plaat op een rij. Dialectliedjeskunst van het zuiverste kaliber, zeg maar. Met het leven van alledag als hofleverancier, als schier onuitputtelijke bron van inspiratie.

Diepgewortelde gevoelens van nostalgie staan op “Caballero Zonder Filter” aan de wieg van zo menig een prachtliedje. Met eenvoud zowat voortdurend als z’n voornaamste bondgenoot blikt “karaktermens” van der Doelen in heel wat van z’n songs terug op z’n eigen verleden. Als losse blaadjes van de scheurkalender van z’n eigen leven laat hij ze quasi achteloos, meer met ons pratend dan voor ons zingend achter. En dat heeft iets. Het spreekt vrijwel ogenblikkelijk aan. Hoe hij in het titelnummer grote delen van z’n jeugd weet in te lijsten in een frame van door de jaren heen gedeelde sigarettenrook: groots gewoon! En ten dele heel erg herkenbaar ook. Net als het uit het meteen daaropvolgende en al even pakkende “Moederke” sprekende gevoel trouwens. Het willen goedmaken van gemiste kansen, verloren gegane tijd, we kennen het allemaal wel…

Twee echte toppertjes als inzet van een plaat vol daarmee, zoals later blijken zal. Ruim eenenveertig minuten lang weten van der Doelen en kompanen te boeien. Meer nog: te raken. Met liedjes uit het hart voor het hart. Liedjes, waarin de erin verklankte gevoelens steeds weer de hoofdrol blijken te vertolken. Sepiakleurige streepjes songgeworden lotgevallen van een “schone mens”. Want dat is van der Doelen. Een schone mens. Dat spreekt uit zo ongeveer elk van de op “Caballero Zonder Filter” gebrachte verhalen. Verhalen, die duidelijk maken, dat hij uit een lang niet altijd even gemakkelijk leven de juiste lessen heeft weten te trekken. Lessen, waarvan met name z’n onmiddellijke naasten nu de liefdevolle vruchten mogen plukken.

Onze onverbintelijke luistertips: het hoger al aangekaarte duo “Caballero Zonder Filter” en “Moederke”, het ongemeen soulvolle “M’n Lief”, het over een soort van relaxte JJ Cale groove neergelegde “De Liefde wordt Overschat”, het messcherpe, louter gevoelsmatig wat met de rest hier brekende “Zeven Zonden” en het afsluitende “Och War Ik Mar Bruce Springsteen”, waarin van der Doelen berust in het feit dat hij The Boss niet is, niet kan zijn. “Maar ik doe mijn best vanaf de kant,” luidt het vastberaden. Iets wat we van hier uit alleen maar kunnen beamen. En het mag hem dan vooralsnog misschien nog geen optredens in megapoptempels, voetbalstadions en dergelijke hebben opgeleverd, op de hem geheel eigen manier weet van der Doelen eigenlijk net hetzelfde te doen als de door hem bewonderde Springsteen. In eenvoudige bewoordingen schildert hij in z’n liedjes het leven zoals het is. Niks grote gebaren hier, gewoon het leven en de daarmee gepaard gaande gevoelens van alledag.

Björn van der Doelen & Allez Soldaat, Bastaard Platen

 

SEAN COSTELLO “In The Magic Shop” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Toen wij op 16 april 2008 vernamen, dat Sean Costello één dag eerder, aan de vooravond van z’n negenentwintigste verjaardag, in een hotelkamer in Atlanta aan de gevolgen van een overdosis was komen te overlijden, toen kwam dat hier aan als een geweldige mokerslag. Zoals zovelen hadden we de jonge Amerikaanse bluesgod immers echt op handen gedragen. Zoals zovelen hadden we hem gezien als één van dé allergrootste blanke bluestalenten van de laatste jaren. En zoals zovelen hadden ook wij niet geweten, dat Costello ernstig ziek was geweest. Dat de met een bipolaire stoornis samengaande extreme stemmingswisselingen zijn leven bij momenten tot een ware hel gemaakt hadden.

Wie dat uiteraard wel wist, was Seans moeder Debbie Costello Smith. En zij heeft er na de onfortuinlijke dood van haar zoon als het ware haar levenswerk van gemaakt om in de buitenwereld een luisterend oor te vinden voor allen die lijden aan dezelfde ziekte. En daartoe richtte ze onder meer The Sean Costello Memorial Fund for Bipolar Research op. En naar die organisatie zullen ook alle opbrengsten gaan, gegenereerd met het onlangs, net geen zeven jaar na Seans dood, verschenen en onder de productionele auspiciën Steve Rosenthal van opnamestudio The Magic Shop in New York postuum afgewerkte laatste studioalbum van onze held. Dat het zo lang op de plank is blijven liggen, had alles te maken met het feit, dat alle bij het project betrokkenen compleet kapot waren geweest door Costello’s dood.

Aan de kwaliteit van het materiaal heeft het alleszins zeker niet gelegen. Want Sean Costello lijkt op “In The Magic Shop” zo’n beetje op de top van z’n kunnen te zijn aanbeland. Zo veelzijdig als hier hoorde u de beste man nog nooit. Zowel als zanger, als gitarist, als als songwriter bewijst hij hier twaalf nummers lang, dat de toekomst de zijne was. De helft daarvan blijken eigen composities. Een aantal daarvan gepend samen met z’n toetsenist Paul Linden. De rest zijn covers.

En daar zitten een paar echte pareltjes tussen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar Costello’s vertolking van Bobby Womacks “Check It Out”. Dat is zomerse soul van de werkelijk bovenste plank. Met Costello vocaal in heel grote doen. Of naar zijn lezing van Rod Stewarts hit “You Wear It Well” ook. Nog zo’n kippenvelmomentje. En Fenton Robinsons “You Don’t Know What Love Is”… Nog zo’n zalige “slow groover” op de grens tussen blues en soul. Machtig!

Maar ook Costello’s eigen materiaal weerstaat moeiteloos aan de tand des tijds, hoor! Van het zich voorzichtig funky aandienende “Can’t Let Go” tot het moddervette “Hard Luck Woman”, van het een alleraardigst potje (blues)rockende “Feel Like I Ain’t Got A Home” tot het veelzeggend getitelde en duidelijk met de blik op Memphis gericht geconcipieerde “I Went Wrong”, van de soulvolle trage “Told Me A Lie” tot het met iets van een reggaeritme flirtende “Make A Move”, van ons geen slecht woord over die nieuwe dingen.

Maar hét absolute klapstuk is wat ons betreft toch de werkelijk bloedmooie ballade “Trust In Me”. Da’s materiaal van het kaliber van John Hiatts “Have A Little Faith In Me”. Je vraagt je af, of Costello daarmee zelfs geen doorbraak op heel grote schaal zou hebben kunnen bewerkstelligen. We zullen het helaas nooit meer te weten komen…

U heeft het goed begrepen: “In The Magic Shop” is een waardig afscheid van een hele grote!

The Sean Costello Memorial Fund for Bipolar Research, VizzTone

 

LOES SWINKELS “Nothing As I Know” (Loes Swinkels / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dit is weer eens zo’n typisch gevalletje van liefde op het eerste gehoor! Veel meer dan één liedje had de ons vanuit Nederlands Limburg bereikende Loes Swinkels niet nodig om ons van haar kunnen te overtuigen. “Nothing As I Know”, het titelnummer van haar tweede album, volstond daartoe ruimschoots. Met haar gloedvolle, best wel wat sensuele stem eist ze daarin een plaatsje op in het kielzog van gerespecteerde Amerikaanse collega’s als een Bonnie Raitt, een Susan Tedeschi en een Brigitte DeMeyer. Namen die hier op de keper beschouwd ook als muzikale referentiepunten wel zo hun waarde zouden kunnen hebben.

Ook Swinkels’ habitat blijkt immers het grensgebied tussen genres als Americana, blues en soul. En onder de beziel(en)de productionele leiding van de tijdens de opnames van “Nothing As I Know” voortdurend een oogje in het zeil houdende Gabriël Peeters wist ze daar liefst dertien prachtdeunen te vinden. Liedjes, die ze met heel veel natuurlijke flair samen met klasbakken als diezelfde Peeters (drums, bas, Wurlitzer, piano en percussie), Rob Geboers (Hammond), Richard van Bergen (elektrische gitaar en slide) en BJ Baartmans (eveneens elektrische) vereeuwigde.

Haar muzikale doel naar eigen zeggen: “Licht en liefde brengen in de wereld, mensen raken op een positieve manier en genieten van muziek maken.” En daarin slaagt ze wat ons betreft met brio, want dit is een plaat om fier op te zijn. Dingen als het hoger al even genoemde titelnummer, het funky “Love All Around”, de gloedvolle tragen “Sending Love & Hope To You”, “This Love” en “Foolish Man”, het ongemeen “groovy” rootspopdeuntje “December” en andere verdienen erkenning op grote schaal. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Loes Swinkels

 

GOES EN DE GASTEN “OnsKentOns” (Goes En De Gasten)

(4,5*****)

Gelijk vanaf het eerste nummer van “OnsKentOns”, het heerlijk jazzy gebrachte “Gangbang in Destelbergen”, weet je als luisteraar al, dat het weer goed zit op de nieuwe van Michel “Goes” Goessens en z’n Gasten. Als je op samenzweerderige toon wordt meegedeeld waar plaatselijke hengsten zoals de notaris, de pastoor en de boer nogal uitgebreid aan hun trekken komen, verschijnt meteen al een eerste brede glimlach om je mondhoeken. En waaraan de plaat haar titel ontleende is gelijk ook duidelijk: “ons kent ons en we zwijge vur mekoar” luidt immers het devies bij Tony en Mariette. Een eerste beklijvend momentje op een album tot de nok toe gevuld daarmee.

In het moody “Zeg het mij” is het vervolgens op eerder pessimistische wijze uitkijken naar een (uitgesteld) pensioen en “Lang in Landegem”, een Americana shuffle op z’n Sleins, blijkt het relaas van een toevallige caféontmoeting met een vrouw met karakter. Bedaard (blues)rockend krijgen in “Om ter eerst” dan de strebers der aarde een serieuze draai om de oren mee, alvorens het op z’n Cash ingezette, maar al snel tot een mooi popliedje open bloeiende “Zot van Zappa” met de tong diep in de wang geplant een gelijk vanaf het begin tot mislukken gedoemde liefdesrelatie met een schone uit Liverpool bezingt.

Jazzy swingend worden we vervolgens geconfronteerd met een aantal van de frustraties van de echte muzikant van vandaag de dag in “America here we come”. En dan is het tijd voor wat ons betreft de eerste primus inter pares. Dat is de wat macaber aandoende klassieke pianoballade “Jef Vermassen”. De onder invloed van teveel drank z’n vrouw molesterende Sjarel krijgt daarin z’n verdiende loon. En voor z’n vrouw Rozanne doet Jef Vermassen de rest…

Nog zo’n veritabele schoonheid van een liedje is het verstilde “Potlood in een blaadsken”. Als het daarin verklankte beeld van een aan z’n bed gekluisterde oorlogsveteraan gelaten wachtend op z’n dood je niet ogenblikkelijk midscheeps weet te raken, dan scheelt er iets met je…

En resten er ons dan nog: het met een groovy orgeltje onderbouwde rustige luisterpopdeuntje “Sole Mio”, het akoestische bluesje “Jezus gezien”, het behoorlijk nadrukkelijk op de vertrouwde sixties-leest geschoeide protestliedje “Kapte mij open”, het dronken pianobluesje “Sonny Boy” en het swampy “In ’t weekend en ’t verlof”. Beurtelings goed voor een lach en een traan. En met dat laatste als hét absolute topmoment van het geheel. Opnieuw een dijk van een verhaal, waarin de vrouw des huizes zich durft te verzetten tegen haar man en als een gevolg daarvan in “zakjes van ‘nen kilo” tussen de kroketten en de boontjes in de diepvrieskist belandt. Goessens als het ware heel even als het Vlaamse antwoord op Cormac McCarthy. En je gaat je als luisteraar dan onwillekeurig afvragen, of hij misschien iets even monumentaals als “No Country For Old Men” of “The Road” in de vingers zou hebben… Moest hijzelf ook maar eens over gaan nadenken…

Goes En De Gasten

 

SUSIE FITZGERALD “Restless” (Big Purr Music)

(3,5****)

Van een aangename verrassing gesproken… “Restless”, de tweede van de dezer dagen vanuit de States op zich attent makende zingende liedjesschrijfster Susie Fitzgerald, kwam hier zo’n beetje “out of the blue” aanwaaien. Want, eerlijk is eerlijk: wij hadden nog nooit van haar gehoord. En dat ondanks het feit, dat ze met voorganger “Plenty” goed en wel een jaar of twee geleden toch al een in haar thuisland best wel aardig onthaalde plaat bleek te hebben afgeleverd.

Maar voor ons gold het hier dus een hoogst aangename kennismaking. Wij raakten al snel in de ban van de liedjes en verhalen van de bebrilde Amerikaanse. Ruim twaalf nummers lang toont ze zich daarin gefascineerd door relaties allerhande, zoals deze tussen geliefden, vrienden, vijanden en “vrijanden” – vrij vertaald naar het door Fitzgerald zelf aangedragen neologisme “frienemies”. Maar ook die met zichzelf. Best wel boeiend!

De muzikale omgeving die ze voor deze gedachtenkronkels voor ogen blijkt te hebben gehad situeert zich ergens tussen folk, Americana en roots(y) rock. Met af en toe bij wijze van goed kruiden een bescheiden prise jazz en soul als extraatje. En met wat ons betreft zeker een speciale vermelding voor gitarist Kyle Zender, die met z’n kunstjes op de elektrische zo menig een nummer mee naar een hoger “level” helpt te tillen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de lome rocker “Keep On Driving”! Het zal heus niet lang duren alvorens je ons overschot van gelijk geeft met betrekking tot die vaststelling.

Naar ons gevoel meteen ook één van de allersterkste liedjes van het geheel, dat “Keep On Driving”. Al vinden we ook dingen als het bijzonder sfeervolle, zich in al bij al eerder sombere gedachten hullende “The Hardest March”, het sympathiek swingende “Devil Dog”, de prachtcountrydeun “Everywhere & Nowhere”, het een potje snedig rockende “Rattlesnake”, het soulvol gecroonde “Restless” en andere zeker niet te versmaden.

Zoals hoger reeds gesteld: het was wat ons betreft bijzonder aangenaam kennismaken met deze Susie Fitzgerald. En we hopen voor u binnenkort van hetzelfde…

Susie Fitzgerald, CD Baby

 

JAMES MCMURTRY “Complicated Game” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)       

Ruim zes jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat James McMurtry ons nog eens vergastte op een nieuwe studioplaat. In 2008 was dat, met het voor zijn doen behoorlijk stevig uitgevallen “Just Us Kids”. Daarna was er enkel nog de concertregistratie “Live In Europe”. Veel té lang eigenlijk…

Maar goed, aan het lange wachten op nieuw materiaal van ‘m komt nu dus eindelijk een einde. En wat voor één! Z’n nieuwe, “Complicated Game”, is echt een dijk van een album geworden. Twaalf nummers lang is het weer smullen geblazen voor allen die houden van songteksten met een literair randje, van verhalen gebed in het leven van alledag, ontleend vooral aan het bestaan van de kleine man.  Hij is het, die in de liedjes van McMurtry altijd weer de hoofdrol voor zich opeist. Zijn zorgen zijn enkele minuten lang ook die van McMurtry. En die van ons als luisteraars natuurlijk.

Heerlijk gewoon, hoe de scherpzinnige McMurtry aan dingen waaraan anderen gewoon achteloos voorbijgaan steeds weer de fascinerendste kortverhalen weet te ontlokken. En zijn eloquentie, tja, die heeft hij natuurlijk niet van vreemden. Zijn vader Larry kent u ongetwijfeld ook. Die won in 1985 immers nog de vermaarde Pullitzer Prize voor zijn roman “Lonesome Dove”. En ook enkele andere van zijn schrijfsels, zoals bijvoorbeeld de roman “Terms Of Endearment” en het draaiboek voor de film “Brokeback Mountain” zullen u wellicht wel niet helemaal vreemd zijn.

En die zelfs zonder muzikale ondersteuning zeer de moeite waard zijnde pennenvruchten krijgen we op “Complicated Game” aangeboden als zonder uitzondering prachtige Americana-deunen. Compacte, werkelijk tot in de puntjes verzorgde liedjes, waarin in tegenstelling tot in die van “Just Us Kids” de akoestische instrumenten weer volop mogen regeren. En da’s maar goed ook. Want dit is de McMurtry zoals wij hem het liefst horen. De McMurtry, die tussen country, folk en rock de teugels te allen tijde stevig in handen houdt. De McMurtry, die in de voetsporen van Texaanse genregrootheden als een Townes Van Zandt en een Guy Clark voornamelijk met ballades en midtempo songs uitpakt. Enkel het snedige “How’m I Gonna Find You Now” en het dartel voorbij galopperende “Forgotten Coast” vormen wat dat betreft de spreekwoordelijke uitzonderingen op de regel.

CC Adcock en Mike Napolitano tekenden voor de productie van “Complicated Game” en McMurtry zelve, Daren Hess, Tim Holt en Cornbread – oftewel de James McMurtry Band – namen het merendeel van de instrumentale bijdragen voor hun rekening. Ondersteunende gastrollen zijn er verder onder meer voor zoon Curtis McMurtry, Rick Nelson, Sam Broussard, Benmont Tench, Ivan Neville, Dustin Welch, Dirk Powell, Danny Barnes, Trina Shoemaker, Doyle Bramhall II en Derek Trucks, om alleen nog maar de voornaamste te noemen.

En als we hier nog snel even enkele luistertips zouden mogen suggereren, dan wel deze: het bijzonder fraaie openingsnummer “Copper Canteen”, waarin een stilaan het einde van z’n leven in zicht krijgende ouderling zich met gemengde gevoelens even tot z’n vrouw richt, het al even prachtige “She Loves Me” en het met wat Iers folkgevoel opgewaardeerde “Long Island Soul”, het misschien wel allermooiste nummer van allemaal hier.

James McMurtry, Blue Rose Records

 

MATTHEW BARBER “Big Romance” (Outside Music)

(4****)

“Big Romance” is na de naar zichzelf vernoemde voorganger ervan uit 2012 al het achtste studioalbum van de Canadese singer-songwriter Matthew Barber. En in een vastberaden poging om het daarop over een ietwat andere muzikale boeg te gooien dan op z’n twee laatste door hemzelf geproduceerde platen strikte hij Jayhawks-kopstuk Gary Louris als “partner in crime”. Niet enkel één van ‘s mans eigen grote helden, maar bovenal ook een uitstekende producer. En dat laat zich hier horen ook.

“Big Romance” blijkt op de keper beschouwd immers een puntgaaf geheel. Louter muzikaal gezien heerlijk gevarieerd en ook wat betreft de tekstuele benadering van het centrale thema uit de titel ervan behoorlijk creatief. Verwacht hier dus zeker geen kleffe bedoening. Laat je integendeel verrassen met een tiental topdeunen, variërend van tot diep onder de huid gaande tragen tot sfeervol mid-tempospul en enkele best wel pittige rockers.

Tot die laatste categorie behoren wat ons betreft onder meer het na een trage start tot een potentiële radiohit ontbolsterende “Lose Your Love” en het zich loom doorheen rootsy rockwateren voortslepende “Dance Of The Honey Bee”.

Nadrukkelijk in de meerderheid zijn op “Big Romance” niet geheel onverwacht echter de ballades. En daartussen schuilen nogal wat pareltjes. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het werkelijk bloedmooie, door Barbers zus Jill met een gastoptreden opgewaardeerde “Hold Me”, het via een bijzonder aangenaam wegluisterend inleidend streepje mondharmonica nadrukkelijk richting alternatieve country geloodste “Magnet Eyes”, het ongemeen soulvolle “When She Comes Over Me” en de fraaie pianopallade “Magic Greg”, een ode aan een onlangs overleden vriend.

Titelnummer “Big Romance” en het zich ondanks een redelijk zware inhoud eerder bedaard aan ons voorbij slepende “On The 505” horen op hun beurt dan weer eerder thuis onder de noemer groovy mid-tempo materiaal.

Zouden we zomaar durven aan te bevelen aan liefhebbers van de muziek van knapen als een Rocky Votolato, een Jason Collett, een Ron Sexsmith of een Ryan Adams, deze schijf. Prima plaatje alleszins!

Matthew Barber, Outside Music

  

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home