
ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2009
* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!
Op deze pagina vind je recensies van de volgende
albums:
MICHAEL
WESTON KING “Crawling Through The USA” - ANGIE STEVENS “Queen Of This Mess” - J.B. BEVERLEY & THE
WAYWARD DRIFTERS “Watch America Roll By” - STEPHEN HEDLEY “Scenes” - CHARLEY CRUZ
& THE LOST SOULS “The Last Warrior” - TIM EASTON “Porcupine” - STEVE EARLE “Townes”
- WYATT
EASTERLING “Where This River Goes” - CRACKER “Sunrise In The Land Of Milk And Honey”
- SCOTT H. BIRAM
“Something’s Wrong / Lost Forever” - CRAIG BICKHARDT “Brother To The Wind” - LI’L MO AND THE
MONICATS “On The Moon” - AUSTIN LUCAS “Somebody Loves You” - NAOMI SOMMERS “Gentle As
The Sun” - KELLY
CARMICHAEL “Queen Fareena” - DAVID GRISSOM “10,000 Feet” - THE OLYMPIC ASS-KICKIN
TEAM “National Champions” - NICK MOSS & THE FLIP TOPS “Live At Chan’s – Vol.
2” - RUTHIE & THE WRANGLERS “Americana Express” - LEEROY STAGGER “Everything
Is Real” - JOHAN
ÖRJANSSON “Gone” - VARIOUS ARTISTS “Dancing Alone – Songs Of William
Hawkins” - ARTY HILL & THE LONG GONE DADDYS “Back On The
Rail” - TED
RUSSELL KAMP “Poor Man’s Paradise” (Dualtone / Bertus)
MICHAEL WESTON KING “Crawling Through The USA” (Valve)
(3,5****)
Sympathiek tussendoortje van de voormalige voorman van
de Good Sons, waarop die een dozijn in de States gemaakte live-opnames daterend
uit de periode 2006-2008 voor ons verzamelt. Het betreft daarbij vaak flink van
hun originele uitvoeringen afwijkende liedjes als “A Decent Man”, “I Fall
Behind”, “From Out Of The Blue”, “She Is Still My Weakness”, “The Brightest
Spark, “Lost”, “My Heart Stopped Today”, “Let The Waves Break”, “It Will End In
Tears” en “No More Songs” (Phil Ochs). Die krijgen we hier in van alle overbodige
franje ontdane versies, veelal “just a man, his guitar and a harmonica”. Als
speciale attractie fungeren het niet eerder verschenen tweetal “The Dancing
Around” en “Marie” (Townes Van Zandt) en het als bonus track aan het geheel
toegevoegde “Cosmic Fireworks” door maatje Lou Dalgleish. In al zijn naakte
eenvoud doet dit in zijn titel naar Elvis Costello’s “Crawling To The USA”
refererende album een beetje denken aan het soort van CD, dat je ook zelf wel
eens in elkaar knutselt met door artiesten online te grabbel gegooide opnames.
Weston King waarschuwt er ons overigens in de liner notes ervan voor, dat dit
wel eens zijn laatste live-CD überhaupt zou kunnen zijn. Het leven “on the
road” trekt hem recentelijk immers niet meer zo erg aan.
ANGIE STEVENS
“Queen Of This Mess” (Boss Koala Records)
(3,5****)
Hoe belangrijk voor het tot stand komen van een plaat het
vinden van de juiste muzikale bondgenoten vaak wel is, wordt nog maar eens
duidelijk naar aanleiding van “Queen Of This Mess”, de nieuwe van Angie
Stevens. Voor haar derde wist die vanuit Denver actieve zingende
liedjesschrijfster niemand minder dan Malcolm Burn als producer te strikken. En
dat vertaalde zich bijna vanzelfsprekend naar een haar geweldige stem eindelijk
alle eer aandoend geluid. Burn opteerde naar goede gewoonte voor een eerder
eenvoudige, behoorlijk rauwe aanpak. Hij laat Stevens op “Queen Of This Mess”
bij momenten klinken alsof ze werd ingeblikt tijdens een informele
verandasessie. Met helemaal in het middelpunt van de belangstelling die
geweldige stem van haar – Denk richting Shawn Colvin, Patty Griffin en
aanverwanten! – en niet allemaal even alledaagse instrumenten om het geheel in
te kleuren. Het gebruik van een (kerk)orgel, accordeons, violen en een
“grommende” gitaar verlenen aan Stevens’ tussen Americana, eigentijdse folk en
(roots)pop vallende composities een wat apart cachet. Zondermeer de moeite van
het ontdekken waard, vinden wij.
J.B. BEVERLEY
& THE WAYWARD DRIFTERS “Watch America Roll By” (Helltrain Records)
(4****)
Wie hun in 2005 verschenen vorige “Dark Bar & A
Jukebox” in huis heeft, stopte wellicht al met lezen na de vier sterren
hierboven en zocht ogenblikkelijk de link hieronder op om ook tot het bestellen
van “Watch America Roll By” over te gaan. En misschien moesten jullie dat wel
gewoon allemaal doen! Tenminste, als “real country anno nu” genre een Wayne
Hancock, een Hank III, een Dale Watson, een Brent Amaker en konsoorten jullie
ding is toch. Want daarin kunnen J.B. Beverley en de zijnen mee met de
allerbesten. Meer nog, ze behoren eigenlijk gewoon zelf tot dat vooralsnog
eerder select gebleven clubje! Beverleys liedjes staan immers net als die van
klassieke voorbeelden als Hank Williams, Jimmie Rodgers en Johnny Cash nog met
hun twee voeten in het leven van alledag. Hier draait alles nog gewoon om échte
mensen, met échte gevoelens. En die bezingt hij met een echte dijk van een
“high lonesome”-stem tegen een achtergrond van fanatiek bepotelde akoestische
slaggitaar, “geslapte” staande bas, olijk gehanteerde banjo en meer zulk
fraais. Het resultaat is een plaat, die je als de natte droom van zo ongeveer
elke liefhebber van traditionele country pur sang zou kunnen bestempelen.
Heerlijk authentiek gewoon! En als je ’t ons vraagt zelfs gewoon beter dan de
laatste van buddy Hank III of de hier wat hoger ook al genoemde Wayne Hancock.
Niet teveel over nadenken dus, gewoon blind aanschaffen die handel! Voor één
keer eens een écht dwingend advies van onzentwege. Maar je zal het je dan ook
absoluut niet beklagen!
J.B. Beverley & The Wayward Drifters
STEPHEN HEDLEY
“Scenes” (Wundertone / Sonic Rendzvous)
(3,5****)
De jonge Canadese songsmid Stephen Hedley groeide op in
Windsor, Ontario. Op een goede steenworp van de grens van zijn land met de
States zeg maar. En dat hoor je ook wel terug in zijn muziek. Op zijn debuut
“Scenes” knijpt hij als het ware de ondertussen ruimschoots verzadigde spons
uit, waarin hij door de jaren heen tal van muzikale invloeden opzoog. Het
resultaat is een aangenaam wegluisterende plaat, die werkelijk bol staat van de
radiovriendelijke songs. Mede door zijn wat aparte (hoge) stem ben je
aanvankelijk al snel geneigd Hedley te linken aan knapen als een Jeff Buckley
of een Nick Drake. Maar muzikaal gezien gaat die vergelijking toch niet
helemaal op. Ergens tussen pop en rock doet Hedley immers voortdurend lekker
zijn eigen ding. Voorzichtig alternatieve, melancholisch-melodieuze kleinoden à
volonté daardoor op “Scenes”. Een plaat die we vooral zouden durven aanbevelen
aan liefhebbers van enigszins verwante geesten als een Josh Ritter of een
Damien Rice is het resultaat.
CHARLEY CRUZ & THE LOST SOULS “The Last Warrior” (White Indian / Sonic
Rendezvous)
(4****)
Wat een knaap als ondergetekende zo al nodig heeft om
zijn “godverdomse dagen op een godverdomse bol” als deze wat aangenamer in te
kleuren? Het antwoord op die vraag is simpel! Platen als “The Last Warrior”, de
tweede van Charley Cruz & The Lost Souls. On-Nederlands goed gewoon, dat
viermanschap uit Dordrecht. We bejubelden hen hier al eens naar aanleiding van
hun debuut “Life On The Edge” uit 2005 en dat doen we bij dezen graag nog eens
opnieuw. “The Last Warrior” is immers veertien eigen nummers lang een feest
voor aan Americana en roots rock verslingerde oren. Cruz geeft met zijn stem
uit de duizenden heel wat concurrenten onverbiddelijk het nakijken en gitarist
Jerry Browns spel moet daarvoor amper onderdoen. Bijzonder bezield klinkt dit
allemaal! En of de songs nu onder de noemers roots rock, alt. country,
Americana dan wel country rock dienen te worden gezocht, doet eigenlijk amper
terzake. Cruz en kompanen spelen immers zo ongeveer alles met evenveel
bezieling. Maar als we toch al even één favorietje uit een set vol daarvan
zouden moeten lichten, doe dan maar de ronduit heerlijke trage “Blue”.
Soulvolle zang, een fijn akoestisch gitaartje en gast Roel Spanjers als vanouds
in zeer goede doen op z’n Wurlitzer. Kippenvel gegarandeerd! Al bij al een plaat
om te hebben en ongegeneerd véél van te houden!
TIM EASTON
“Porcupine” (New West / Sonic Rendezvous)
(4,5*****)
Niet enkel een bij momenten behoorlijk verrassende,
maar bovenal ook erg goede plaat, deze nieuwe van Tim Easton. De beste man
zoekt daarop bij tijd en wijle aansluiting bij zijn verleden. Dat wil zeggen,
dat ook het rockbeest in hem weer eens af en toe van de ketting mag. En dat
heeft dan weer tot resultaat, dat “Porcupine” een prettig gevarieerd geheel is
geworden. Enerzijds zijn er een flink stel wat wat hardere, naar zijn verleden
bij de Haynes Boys verwijzende liedjes, anderzijds ook een hele trits zachtere,
die precies daardoor beter aansluiten bij zijn recentere werk. Ideale opwarmer
is “Burgundy Red”. Dat bluesy stampertje is immers meteen roots & roll van
het allerbeste soort. Vervolgens is er “Broke My Heart”, een knappe rootsrocker
van het genre waarin ook Rodney Crowell dezer dagen lijkt te grossieren. Iets
wat eigenlijk ook wel geldt voor titelnummer “Porcupine”. “The Young Girls” is
vervolgens een eerste rustpuntje. Easton schreef het na het lezen van een
gedicht van Raymond Carver en reed speciaal naar Memphis om er een Staple
Singers feel aan te kunnen geven. Verantwoordelijk daarvoor is voor een groot
stuk Susan Marshall. Haar backing vocals blijken immers nergens minder dan
balsem voor de ziel. “Stormy” is dan weer een hypernerveus rootsrockertje,
waarvoor Easton inspiratie zocht én vond bij bluesgroten Sonny Terry en Brownie
McGhee. En dan is het tijd voor enkele van de absolute hoogtepunten hier. Het
in Rotterdam geconcipieerde slepertje “A Stone’s Throw Away” is er bijvoorbeeld
zo eentje of ook de heerlijke folky jengelpop van “7th Wheel”. “Get What You
Got” leeft vervolgens weer van een groot rockhart en “Baltimore” is gewoon een
alleraardigst lijntje Americana. En wat te denken van “Northbound”? Dat moet
zowat één van de beste lappen swamp pop zijn, die niet op het repertoire van
Tony Joe White terechtkwamen. Heerlijk liedje gewoon! “Long Cold Night In Bed”
en “Goodbye Amsterdam” tenslotte, zijn twee verdere introverte schoonheden.
Vooral dat laatste, een knappe, hier en daar met de nodige strijkers afgewerkte
pianoballade, droeg al vrij snel onze volledige goedkeuring weg.
STEVE EARLE
“Townes” (New West Records / Sonic Rendezvous)
(4****)
Een plaat waar mét ons wellicht ook velen van jullie
met argusogen hebben naar uitgekeken, deze nieuwe van Steve Earle. Het is
absoluut niet het eerste eerbetoon voor wijlen Townes Van Zandt en vast ook
niet het laatste, maar als er al iemand was, die aanspraak mocht maken op een
dergelijk project, dan wél Steve Earle. De betreurde songsmid was immers niet
enkel zijn held en mentor, maar bovenal ook een persoonlijke vriend. En op een
gebrek aan eerbied voor het materiaal van zijn overleden compadre laat hij zich
dan ook nergens betrappen. Wat dan weer niet betekent, dat hij de originelen
gewoon even slaafs kopieert. Daar had allicht niemand echt behoefte aan en dat
wist Earle ook wel, toen hij aan “Townes” begon. Naast een aantal eerder voor
de hand liggende songs als “Pancho & Lefty”, “White Freight Liner Blues”,
“No Place To Fall”, “Loretta”, “Delta Momma Blues”, “Marie”, “Mr. Mudd And Mr.
Gold” en “To Live Is To Fly” koos hij dan ook voor flink wat minder bekende
nummers. En ook wat betreft de invulling van de liedjes van zijn grote
voorbeeld gunde hij zich nogal wat vrijheden: van akoestisch en daardoor niet
al te veel van de originelen afwijkend zoals in “Pancho & Lefty” tot van
een scherp rock- of bluesrandje voorzien zoals in “Lungs” en “Where I Lead Me”
en tussen die twee extremen in nog aardig wat andere haltes aandoend. “White
Freight Liner Blues” flirt zo nogal opzichtig met bluegrass, “Colorado Girl” is
van het betere stem-en-gitaar-kampvuurwerk, “No Place To Fall” groeit uit tot
ongemeen intense rootspop, “Loretta”, gebracht met wederhelft Allison Moorer,
herinnert aan de folky Earle van ten tijde van “Galway Girl” en “Don’t Take It
Too Bad” valt dan weer onder de noemer country. Van Zandt lacht ergens daar
boven van achter een nog maar voor de helft gevulde fles Jack Daniels wellicht
al zijn nog resterende tanden bloot. Zijn leerling is duidelijk bij de les
geweest!
WYATT
EASTERLING “Where This River Goes” (High Horse Records)
(4****)
Net als het hier enkele dagen geleden besproken
“Brother To The Wind” van Craig Bickhardt is ook “Where This River Goes” van
Wyatt Easterling een plaat van een man wiens reputatie als songsmid die van
deze als zanger ruimschoots overtreft. Easterling schreef in het verleden
ondermeer liedjes voor Joe Diffie, Billy Joe Royal, Neal McCoy, de Sons Of The
Desert en recent nog Dierks Bentley. Daarenboven werkte hij begin jaren
negentig ook nog als hoofd A&R voor Atlantic. Om maar te zeggen, dat
Easterling bepaald geen nieuwkomer in het vak is. Hij debuteerde al in 1981 met
“Both Sides Of The Shore”. Omstandigheden van uiteenlopende aard hielden hem
daarna echter vrij lang van het voorplan. Dat is tot nu! Met “Where This River
Goes” maakt hij een erg geslaagde comeback als vertolker van zijn eigen
materiaal. Niet enkel met een fraaie, van alle overbodige franje ontdane
persoonlijke versie van het door Dierks Bentley bekendgemaakte “Modern Day
Drifter” en “Sounds Like Life To Me”, een relaxt duetje met Jessi Colter
Jennings, maar met in totaal een tiental erg warm aandoende liedjes, die aan
simpele waarheden en het leven van alledag meer dan voldoende hebben om tot
echte schoonheden uit te groeien. “I’m a songwriter with deep country and folk
ties,” aldus Easterling daarover zelf, “I like to write story songs, little
vignettes about everyday life, I confess to loving heartbreaking ballads.” En
daar staat “Where This River Goes” dan ook vol mee. Ingetogen luisterliedjes,
gedragen door een delicieuze, door het leven aangenaam verweerde stem en een
stel vaardige vingers, die hun weg wel weten op een akoestische. Héél erg mooi
allemaal! En een stevige aanrader derhalve ook.
CRACKER
“Sunrise In The Land Of Milk And Honey” (Freeworld / Bertus)
(3,5****)
Deze vier knapen lijken er met het verstrijken der
jaren alleen maar beter op te worden. Hun “hitdagen” mogen dan ook alweer ver
in het verleden liggen en zo groot worden als pakweg The Clash of The Jam zit
er voor David Lowery, Johnny Hickman en co allicht niet meer in, maar dat neemt
niet weg, dat ze op hun nieuwste weer volop de “Spirit of ‘77” evoceren. Met
hun extreem melodieuze rootsy punkrock – Of was het toch eerder punky
rootsrock? – presenteren ze de zo ongeveer ideale soundtrack voor de stilaan
nakende zomer. Songs als “Turn On, Tune In, Drop Out With Me”, “We All Shine A
Light”, het titelnummer en het jachtige gitaarrockertje “Time Machine” nestelen
zich vrijwel meteen comfortabel tussen je oren en zijn wat je noemt
instant-meeneuriebaar. Elders, zoals in de knappe lijzige country(rock)trage
“Friends”, is het rootsgehalte dan weer nadrukkelijker aanwezig. Straffe
prestatie tout court! En met bovendien ook flink wat bekende gasten in de
buurt, waarvan de namen van John Doe, Counting Crows’ Adam Duritz, Patterson
Hood (Drive-By Truckers) en Kevn Kinney allicht het meest in het oog zullen
springen.
SCOTT H. BIRAM
“Something’s Wrong / Lost Forever” (Bloodshot / Bertus)
(3,5****)
Scott H. “The Dirty Old One Man Band” Biram strikes again!
Zijn zevende is net als “Graveyard Shift” en andere voorgangers weer een
heerlijk ruw, geen grenzen kennend samenraapsel van ondermeer blues, country,
folk, roots- en garagerock, psychobilly, gospel en punk. En dat maakt voor ons
van de beste man een stuk interessantere verschijning dan de in onze kontreien
ondertussen suf gehypete Seasick Steve. Ook Biram doet hier net als die laatste
zo goed als alles in z’n eentje. Naast alle zangpartijen betekende dat
ondermeer ook alle gitaren, een harmonica , een tamboerijn en een Hammond B-3
voor zijn rekening nemen. (Occasionele gastbijdragen zijn er enkel van
toetsenist John Wesley Meyers en drummer Van Campbell.) En voor negen van de
twaalf tracks hier tekende hij bovendien ook nog eens zelf. Enkel voor “Ain’t
That A Shame”, “I Feel So Good” en “Go Down Ol’ Hannah” ging hij even vreemd.
Topmomenten: de tot diep onder de huid gaande country soul van “Still Drunk,
Still Crazy, Still Blue”, de al stampend en zuigend op een harmonica tot “top
notch” akoestische blues opgewaardeerde cover van “Ain’t It A Shame”, het van
opzet een weinig aan Dave Edmunds refererende countryrockertje “Draggin’ Down
The Line” en een als bezeten groovend “I Feel So Good”. Om het met de titel van
één van de stukken op één van zijn vorige platen te zeggen: Scott H. Biram is
really “Raisin’ Hell Again”!
CRAIG BICKHARDT
“Brother To The Wind” (Stone Barn Records)
(3,5****)
Craig Bickhardt geniet vooral bekendheid als
songleverancier voor anderen. Op zijn actief staan ondermeer liedjes voor
Willie Nelson, Johnny Cash, Charlie Louvin en Ray Charles. Wat dat betreft duidelijk
uit het juiste hout gesneden dus, de man. En het hoeft dan ook helemaal niet te
verbazen dat, wanneer hij zelf besluit om weer eens plaat op te nemen, heel wat
van zijn bewonderaars komen aanschuiven om een duit in het zakje te mogen doen.
Op zijn derde duiken zo bijvoorbeeld de namen van Terri Hendrix, Darrell Scott,
Tim O’Brien, Jack Sundrud, Maura O’Connell en Beth Nielsen Chapman op. En ook
om goede muzikanten daarvoor zat hij absoluut niet verlegen. Lloyd Maines,
Byron House, Andy Leftwich, Kenny Vaughn, Kirk “Jellyroll” Johnson, Rusty
Young, het zijn slechts enkelen van de velen die van “Brother To The Wind” een
erg geslaagde luistertrip helpen te maken. Bickhardt dook daarvoor in de eigen,
meer dan 800 liedjes omvattende catalogus en hield er een elftal over, die
uiteindelijk ook effectief op zijn nieuwe plaat zouden belanden. Het dozijn
maakte hij rond met een cover van het aan het oeuvre van John Renborn ontleende
“Lord Franklin”. Het resultaat is een geheel, dat herinneringen oproept aan voor
zingende liedjesschrijvers nog veel vriendelijkere tijden ergens aan het eind
van de jaren zestig, begin jaren zeventig. Onze gedachten dwaalden bij het
beluisteren ervan met name herhaaldelijk richting Gordon Lightfoot af. Veelal
rustige, op het kruispunt tussen Americana, folk en singer-songwriter pop
residerende luisterliedjes brengt hij, onze vriend Bickhardt, die zich naar
onze bescheiden mening bij voorkeur met de koptelefoon op laten genieten.
LI’L MO AND THE MONICATS “On The Moon” (Cow Island Music)
(4****)
Uitstekende derde CD voor Monica “Li’l Mo” Passin en
haar Monicats! Ruim tien jaar lang hebben ze ons op onze honger naar een
opvolger voor het ook al prima “Hearts In My Dream” laten zitten, maar wees
gerust, het lange wachten is uiteindelijk zeer de moeite waard geweest. Het
heerlijk gevarieerde “On The Moon” valt immers nadrukkelijk onder de noemer
“All killer, no filler!” In de voetsporen tredend van grote madammen als een
Patsy Cline en een Loretta Lynn in de knappe country shuffle “I Could Get Used
To This”, lonkend naar rockabilly Queen Wanda Jackson in het schokschouderende
“Rockin’ Chair On The Moon”, walsend, quasi in gedachten verzonken, doorheen
het met een bescheiden snuifje bluegrass gekruide “The Boy Who Loves The
Blues”, stoeiend met cajun en zydeco in het met Steve Riley (accordeon, fiddle)
ingeblikte “Dance Crazed” of toegevend aan een ouderwets akoestisch bluesje in
“Why Don’t You Live With Me?”, soul in “Baby Be Good”, roots pop in “I Really
Love (To Really Love You)”, broeierige R&B in de sleper “I’m Here Today” of
late night jazz in het toepasselijk getitelde en met veel gevoel gecroonde
“Dreamy”, Passin deinst hier hoegenaamd zo goed als nergens voor terug. Onze
favorieten? Het ogenschijnlijk door zowel Bill Haley en zijn Comets als door
Gene Vincent beïnvloede “He’s A Handful” en de knappe traditionele countrytrage
“I’ve Got A New Heartache”.
Li’l Mo &
The Monicats op MySpace
AUSTIN LUCAS
“Somebody Loves You” (Suburban Home / Sonic Rendezvous)
(4****)
Van zijn punkverleden zijn op “Somebody Loves You”, de
nieuwe soloplaat van Austin Lucas, amper nog sporen aan te treffen. De jonge
Amerikaan komt daarop hoogst apart uit de hoek. Wat hij doet mag dan al onder
de brede noemer Americana vallen, het heeft allemaal iets volstrekt unieks over
zich. In een met zijn vader Bob gedeelde productie vertaalt Lucas
Appalachenfolk en bluegrass naar een geluid, dat tegelijk eigentijds en toch behoorlijk
tijdloos klinkt. Iets wat hem in één adem doet vernoemen met Gillian Welch en
haar partner in crime David Rawlings. Met hen deelt hij alvast een zeker
alternatief karakter. En zijn veelal eerder naar het verstilde neigende liedjes
zullen als je ’t ons vraagt dan ook zeker niet uitsluitend in Americana-kringen
aftrek gaan vinden. Misschien wacht hem zelfs wel een onverwachte carrière à la
een Ray LaMontagne. Net als deze laatste beschikt ook Lucas immers over een op
een vreemde manier soulvol aandoende stem. Daarin lijken Antony Hegarty (van de
Johnsons), bluegrassmaestro Ralph Stanley en Nick Drake wel samen te komen. En
dit verdient daarom wat ons betreft vooral aanbeveling aan fans van
alterno-acts als de al genoemde Gillian Welch, Bright Eyes en Iron + Wine.
NAOMI SOMMERS
“Gentle As The Sun” (American Melody)
(5****)
Van platen als deze gaat mijn hart spontaan enkele
tellen overslaan. Als het mijn Americana betreft ben ik immers een echte ladies
man. Een echte sucker ben ik voor blinkende schijfjes gevuld met honingzoete
stemmen, poëtische eloquentie en een akoestisch gehouden setting. Dat is mijn
ding! En precies dát is het ook wat Naomi Sommers op “Gentle As The Sun”, de
opvolger van haar in 2004 verschenen tweede “Hypnotize”, te bieden heeft. In
een productie van de ondermeer van zijn werk met Nanci Griffith en Iris DeMent
bekende Jim Rooney en in het gezelschap van haar Gray Sky Girls-maatje Lisa
Bastoni en ander schoon volk als Tim Crouch (mandoline, fiddle), Al Perkins
(dobro), Richard Bailey (banjo), Kirk “Jellyroll” Johnson (harmonica), Mark
Howard (akoestische gitaar), Dave Pomeroy (staande bas), Pat McInerney (drums,
percussie), Daniel Rosenthal (trompet) en Pete Wasner (piano, Hammond B-3) pakt
ze uit met dertien tussen Americana, country, bluegrass en folk te situeren
eigen deuntjes en een erg geslaagde ingetogen cover van de klassieker “Sea Of
Heartbreak”. Vooral haar “love gone wrong songs” raakten ons héél erg diep.
Dingen als het titelnummer bijvoorbeeld, dat ze na een verrassend afscheid laat
uitmonden in woorden geschreven tussen vertwijfeling en hoop: “Until we meet
again, our path lies around the bend.” Prachtig gewoon! En derhalve ook van
ganser harte aan te bevelen aan liefhebbers van het werk van dames als Caroline
Herring, Diana Jones, Kris Delmhorst, Nanci Griffith, Tracy Grammer, Lynne
Hanson, Patty Griffin en anderen.
KELLY CARMICHAEL
“Queen Fareena” (Dogstreet Records / Sonic Rendezvous)
(3,5****)
Dit vinden wij nu nog eens een lekker plaatje, zie. Zo
eentje van het type, dat je al na goed en wel drie tellen in een opperbest humeur
heeft. Nochtans is het door Kelly Carmichael hier geserveerde op de keper
beschouwd allesbehalve nieuw. Op “Queen Fareena” tackelen hij en zijn kompanen
op enthousiaste wijze gewoon wat stokoude originelen van Mississippi John Hurt,
Reverend Gary Davis, Robert Johnson en anderen en vullen die vervolgens aan met
wat eigen materiaal, dat een al even verkwikkende indruk achterlaat. De aparte
mix van country, folk, akoestische blues, ragtime en Dixieland jazz die daarbij
uit de bus komt, herinnert vanop een afstand enigszins aan Springsteens “We
Shall Overcome – The Seeger Sessions”. En dat is wat ons betreft zeer goed
nieuws. Très sympa allemaal!
DAVID GRISSOM
“10,000 Feet” (Wide Lode Records / Sonic Rendezvous)
(3***)
David Grissom is in de eerste plaats toch vooral een
gitarist. Dat was zowat de voornaamste bedenking, waarmee wij na het
beluisteren van “10,000 Feet”, de nieuwe CD van de Texaan, achterbleven. Wij
konden ons bij momenten absoluut niet van de indruk ontdoen, dat de beste man
minstens evenveel belang hecht aan het te pas en te onpas etaleren van zijn
kunstjes op zes snaren als aan de eigenlijke essentie, te weten de door hem
gebrachte liedjes. En dat verbaasde ons toch wel een beetje. Je verwacht het
gewoon niet van iemand, wiens brood op de plank komt door het leveren van songs
aan collega’s, als daar zijn een Trisha Yearwood, een Webb Wilder, een John
Mayall, die van Montgomery Gentry en anderen. Maar goed, dat gezegd zijnde
bevat “10,000 Feet” een twaalftal best wel aardige liedjes, waarin vrijwel
voortdurend een flink potje gerockt wordt. Grissom maakt het soort van
deuntjes, die het vooral goed zullen doen tijdens lange ritten met de wagen, zo
lijkt ons. ’n Beetje blues, een snuif country en vooral ook veel gitaargeoriënteerde
(roots)rock vormen op zo’n momenten zo ongeveer de ideale soundtrack. Vinden
wij althans…
THE OLYMPIC ASS-KICKIN TEAM “National Champions” (Doublenaught / Sonic
Rendezvous)
(5*****)
Terry Andersons naam op een plaat aantreffen is an
sich al bijna zoveel als een heuse kwaliteitsgarantie. De hier ondermeer van
zijn werk met de Georgia Satellites, Dan Baird en de Yayhoos bekende Amerikaan
belichaamt als het ware de kwintessens van smeuïge rock & roll anno hier en
nu. En op “National Champions”, zijn derde ondertussen al met The Olympic
Ass-Kickin Team, bereikt hij wat ons betreft zondermeer een voorlopig
hoogtepunt. Dat album kan je ’t ons vraagt zó naast klassieke schijven als
“Exile On Main Street” van de Stones en de geweldige eerste twee van de Black
Crowes. Eén langgerokken trip is het, die hoegenaamd geen verzet duldt. Sexy
rock & roll, gebracht in de werkelijk allerbeste barband-traditie, wellicht
voorafgegaan door een pact met de duivel hemzelve. Andersons ziel in ruil voor
die ene, absoluut tijdloze plaat, zoiets… En wij kunnen daar eigenlijk alleen
maar wel bij varen! Deze olympische trap onder onze collectieve kont smaakt
immers naar véél en véél meer.
NICK MOSS & THE FLIP TOPS “Live At Chan’s – Vol. 2” (Blue Bella / Sonic
Rendezvous)
(4****)
Afgelopen juli deden Nick Moss en zijn Flip Tops
andermaal het vermaarde Chinese restaurant in Rhode Island aan om er met wat
extra back-up van Lurrie Bell een vervolg op hun in 2006 verschenen “Live At
Chan’s” in te blikken. Het resultaat is een ruim 79 minuten durend feest, dat
liefhebbers van een lekker vette pot Chicago blues op z’n tijd absoluut niet
aan zich voorbij zullen willen laten gaan. Moss en zijn eregast Bell spelen
vrijwel voortdurend de sterren van het firmament naar beneden en ook het
harmonica- en pianowerk van respectievelijk de man zelve en zijn secondant
Gerry Hundt en Willi Oshawny zijn nergens minder dan delicieus. Het afgewerkte
repertoire bestaat daarbij grotendeels uit eigen materiaal. Enige
uitzonderingen zijn wat dat betreft fraaie covers van “Lonesome Bedroom Blues”,
“Don’t You Lie To Me”, “Five Long Years” en “I’m Ready”. Daarin gaat het dak er
bij momenten pas echt goed af! “A tall order of Chicago blues indeed!”
RUTHIE & THE WRANGLERS “Americana Express” (Azalea City Recordings)
(3,5****)
Ruth “Ruthie” Logsdon en haar Wranglers worden gezien
als één van de interessantste Americana acts van Washington DC en wijde
omstreken. Mocht je je nog afvragen waarom, dan moet je dringend hun vijfde CD
“Americana Express” eens een luisterbeurt gunnen. Als een hogesnelheidstrein
dendert het ondertussen tot een vijftal aangegroeide gezelschap daarop doorheen
een veelheid aan stijlen. Openingsnummer “In The Tank” is zo bijvoorbeeld een
uit min of meer gelijke delen country, R&B en rock & roll bestaande
aanstekelijke sing-along song, “Life And Death And Hope And Dreams” wordt
accordeongewijs kruisbestoven met Tex-Mex, “The Last Word In Love” zoekt
toenadering tot bluegrass, “Ka-Ching” balanceert op het slappe koord tussen
rock & roll en swing en “SurfTango” is exact dát. Als toemaatje krijgen we
bovendien ook nog covers van Loretta Lynns “You Wanna Give Me A Lift” en Jimmie
Logsdons “I Got A Rocket In My Pocket”.
LEEROY STAGGER
“Everything Is Real” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)
(4,5*****)
Heel wat Europese liefhebbers van Americana maakten
pas kennis met de jonge Canadees Leeroy Stagger naar aanleiding van diens
bijdrage aan het ESP-project “One For The Ditch”, dat hij tijdens het voorbije
jaar samen met gevestigde waarde Tim Easton en Whipsaws-kopstuk Evan Phillips
inblikte. Meteen een open invitatie voor velen van hen om zich op de drie al
eerder van de man verschenen platen te storten. We hebben het dan over zijn
debuut “Dear Love”, de opvolger daarvan, het erg knappe “Beautiful House”, en
het van twee jaar geleden daterende “Depression River”. En misschien tikten ze
ook wel de ergens tussen die twee laatste albums door in gelimiteerde oplage
uitgebrachte EP “Tales From The Back Porch” op de kop. Ons zou het alvast niet
verbazen, want je één plaat van Stagger aanschaffen betekent ogenblikkelijk ook
al de rest kopen. Zó goed is hij inderdaad. Staggers universum begint precies
dáár waar die van Whiskeytown, Ryan Adams en Wilco ooit ophielden te bestaan.
In de schemerzone tussen alternatieve country en roots rock laat hij songgewijs
een kruimelspoor achter. Hij durft zich met andere woorden wel eens richting
ander vaarwater te begeven, maar verliest daarbij zijn roots nooit echt uit het
oog. Gewapend met een heerlijke rauw-hees-tedere stem, een machtig gitaarhandje
en een elftal voortreffelijke eigen songs presenteert hij zich op zijn door
John MacArthur Ellis geproduceerde nieuwste in eindejaarslijstjes-vorm. Met de
hulp van onder anderen Neal Casal, Tim Easton, Evan Phillips, Roddy Hart, Steve
Bays, Leslie Alexander en Bobby Furgo werkt hij zich doorheen een lekker
afwisselende set, waarin melodieuze country en roots rock en fraaie ballades
elkaar mooi in evenwicht houden. Tot de eerste categorie behoren ondermeer het
voorzichtig richting punk glurende openingsnummer “Petrified World”, het over
een lekker vette pianolijn van John Ellis uitgerolde “Hell Of A Life” en het
tegen een stevige gitaarmuur gebrachte “Higher Than Heaven”, tot de tweede het
Adamsiaanse “Brothers” en het melancholische tweetal “Red Bandana” en “Too Many
Rainy Days”. Dé absolute topper hier is wat ons betreft echter de met bewust
regelmatig even overslaande stem gebrachte trage “Snowing In Nashville”, één
van de beste songs die Ryan Adams nooit schreef. Bijzonder straf spul!
JOHAN ÖRJANSSON
“Gone” (Super Puma Records / Sonic Rendezvous)
(4****)
Eerlijk is eerlijk, de naam Johan Örjansson deed bij
ons ondanks het eerder van hem al verschenen “Empty Road” niet meteen een
belletje rinkelen. En dat, beste vrienden, betreuren we na het genieten van ’s
mans nieuwe album “Gone” ten zeerste. Deze 27-jarige singer-songwriter uit het
Zweedse Falkenberg is immers nog eens wat je noemt een echt fenomeen. Örjansson
is een veritabele kanjer van een storyteller en ook zijn songs zijn
buitengewoon sterk. Op “Gone” zweert hij vrijwel voortdurend trouw bij een
uitermate geslaagde kruisbestuiving tussen genres als country, pop en
(roots)rock en herinnert op die manier beurtelings aan groten der aarde als een
Bruce Springsteen, een Neil Young en een Ryan Adams. Luister bij gelegenheid
bijvoorbeeld maar eens naar het mondharmonica- en gitaargewijs
rootsrockhemelwaarts gecatapulteerde “Everything”, naar de Ryan Adams naar de
kroon stekende melancholische “valse trage” “The Morning Sun Will Take The Pain
Away”, naar de door merg en been gaande ballades “Grey Skyes”, “Gone” en “Where
Did Your Heart Go” of naar het met de nodige muzikale toeters en bellen
opgewaardeerde bevreemdende swingertje “Italy” en je zal deze Noord-Europeaan net
als ons ongetwijfeld ook snel stevig in de armen sluiten.
VARIOUS ARTISTS “Dancing Alone – Songs Of William Hawkins” (True North)
(3,5****)
Bruce Cockburn liet ooit optekenen, “When I started
writing songs, it was put to music to Bill Hawkins’ lyrics.” Het minste wat je
van die Canadese poëet dus wel kan zeggen, is dan ook, dat hij behoorlijk
invloedrijk geweest is. En dat heus niet alleen met betrekking tot Cockburn.
Ook anderen als een Amos Garrett, een Sandy Crawley en een Richard Patterson
noemen hem graag als inspirator. En van zoiets komt dan vroeg of laat
gewoonlijk een eerbetoon. Zo ook nu weer. “Dancing Alone – Songs Of William
Hawkins” omvat een vijfentwintigtal tracks, waarmee een hele trits bekende en –
Voor ons alvast! - minder bekende Canadese folk-, blues-, jazz- en
countryartiesten hun literaire landgenoot even in de bloemetjes zetten. Tot de
gerenommeerderen behoren onder anderen Lynn Miles, de al genoemde Bruce
Cockburn, Sandy Crawley, Murray McLauchlan en Ian Tamblyn. Maar het zijn vooral
een aantal van de andere, nog niet echt “naambekende” aan het project
deelhebbenden, die hier wat ons betreft hoge ogen gooien. Zo werden wij
bijvoorbeeld heel erg gecharmeerd door het een weinig aan John Hiatt
herinnerende “Louis Riel” van Sneezy Waters, het jazzy, ergens in de buurt van
Dr. John strandende “Long Lean Lonely Angel” van Bill Stevenson, het soulvol
gecroonde “Frankly Stoned” door Suzie Vinnick, de door Neville Wells met veel
gevoel gebrachte countrysleper “Alison” en de fraaie rootspop van “Stone Solid
Blue” door de ons voorheen echt volslagen onbekende Ana Miura. Op die manier
biedt de dubbelaar “Dancing Alone” absoluut waar voor zijn geld. Enerzijds maak
je kennis met de poëzie van Hawkins, anderzijds met een heleboel interessante
Canadese artiesten, die je anders misschien compleet zouden ontgaan. We zouden
zeggen, doe er vooral je voordeel mee!
ARTY HILL & THE LONG GONE DADDYS “Back On The Rail” (Cow Island)
(3,5****)
Dit album verscheen zo’n 4 jaar geleden al eens in
eigen beheer. Omdat opvolger “Bar Of Gold” het zo uitstekend deed in de
Freeform American Roots Chart krijgt het nu via Cow Island Music een tweede
kans. Hieronder alvast nog eens, wat wij er al in 2005 over te melden hadden.
Als een zekere hang naar de onversneden country van
weleer je niet geheel vreemd is, dan ben je bij dit driemanschap uit Baltimore
aan het juiste adres. Zanger-gitarist Arty Hill beleefde zijn jeugd als het
ware op een dieet van Ol’ Hank, The Possum, The Hag, The Doc en The Killer. En
vertrekkend vanuit die optiek hoeft het dan ook helemaal niet te verwonderen,
dat de man, toen hij in zee ging met Telecaster-virtuoos Dave Chappell – op
wiens c.v. ondermeer jobs voor Jerry Lee Lewis, Sam Moore (Sam & Dave),
Percy Sledge en Johnny Johnson staan te pronken - en drummer Craig Stevens,
resoluut voor hard country, hier en daar overgoten met een scheut rockabilly,
koos.
De drie trokken jaren met elkaar op alvorens met een
langspeeldebuut uit te pakken. (Eerder verscheen onder de naam Arty Hill al wél
het album “Baltimore Reasons”.) En wellicht schuilt daarin voor een groot stuk
de oorzaak voor het feit dat die CD, “Back On The Rail”, zo ontzettend af
klinkt. Heerlijk swingende shuffles (“Me & My Glass Jaw”, “Drifting In”),
klassieke ballades van het “tear in my beer”-type (“Based On Real Life”, “Back
On The Rail”), ingetogen Americana (“I Left Highlandtown”), lekkere
countryrockertjes (“Jackson Shake”) en wat meer rockabilly-getint spul (“It
ain’t Working”), Hill en co brengen het allemaal met eenzelfde overtuiging.
Geen wonder dat Jason Ringenberg – met wie Hill overigens bij gelegenheid wel
eens samenwerkt – zich in de liner notes bijzonder lovend over deze eersteling
uitlaat. Dat hij daarbij zelfs zo ver durft te gaan om het album “a
masterpiece” te noemen, zegt eigenlijk wel veel erover.
Arty Hill & The Long Gone Daddys
TED RUSSELL
KAMP “Poor Man’s Paradise” (Dualtone / Bertus)
(4****)
Ted Russell Kamp geniet vooralsnog vooral naambekendheid
als bassist van Shooter Jennings. En dat is eigenlijk volkomen onbegrijpelijk.
Met name met zijn twee vorige platen, “Nashville Fineline” en “Divisadero”,
bewees de man immers al uitgebreid, dat hij ook zelf uit het allerbeste
singer-songwriterhout gesneden is. In feite is hij zelfs gewoon véél en véél
beter dan zijn broodheer. En dat illustreert hij ook op “Poor Man’s Paradise”
weer. Op die gewoon thuis, in hotelkamers en op de tourbus van Jennings
opgenomen derde van ‘m staan elf plakken overheerlijke Southern-fried country
soul, waarin Kamp hoegenaamd geen moment probeert om zijn grote bewondering
voor acts als Gram Parsons, The Band, Steve Earle, Rodney Crowell, Kris
Kristofferson en wijlen de oude Jennings onder stoelen of banken te steken.
Maar maakt dat nu een epigoon van ‘m? In de verste niet! Hij schrijft absoluut
z’n eigen nummers en vertelt daarover originele verhalen. Uitzonderlijk laat
hij zich voor het schrijven van zijn liedjes bijstaan door anderen. In dat
verband noteren we hier de namen van Robin Wiley, David Serby en Chris
Tompkins.
Maar wat maakt van “Poor Man’s Paradise” in onze ogen
nu precies zo’n uitzonderlijk lekkere plaat? Wel, in de eerste plaats is er de
warme, enigszins lijzige stem van Kamp. De man heeft gewoon soul te koop! En
dat wordt nog eens extra geaccentueerd door veelvuldig opduikende gloedvolle
toetsenbijdragen en uitermate verfijnd snarenwerk. “Poor Man’s Paradise” kreeg
daardoor als geheel zo’n warm karakter mee, dat het verdomd moeilijk blijkt om
er van af te blijven…
Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar
ons archief!!!!!