ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2008

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JESSE MALIN “Mercury Retrograde” - PIETA BROWN “Flight Time” - LUKE OLSON “Red River Blue” - ROSALIE SORRELS “Strangers In Another Country – The Songs Of Bruce “Utah” Phillips” - ROBIN & LINDA WILLIAMS “Buena Vista” - Ma Rain “Paper Wall” - CLIFF WAGNER & THE OLD #7 “Hobo’s Lullaby” - KARLI FAIRBANKS “Bitter Blue” - REDD VOLKAERT “Reddhead” - SIMON MCBRIDE “Rich Man Falling” - WHITEY MORGAN & THE 78’S “Honky Tonks & Cheap Motels” - JERRY DOUGLAS “Glide” - CHARLIE PICKETT “Bar Band Americanus: The Best Of Charlie Pickett And” - MATT BAUER “The Island Moved In The Storm” - MATT ANDERSEN “Something In Between” - DEAD MEN’S HOLLOW “Death Must Be A Woman” - TONY PENN “The Quicken” - JAMES DUNN “The Long Ride Home” - DAN BAIRD & HOMEMADE SIN “Dan Baird & Homemade Sin” - JIM WHITE “A Funny Little Cross To Bear” - CARRIE CLARK & THE LONESOME LOVERS “Seems So Civilized” en CAMILLE BLOOM “Say Goodbye To Pretty” - KATE CAMPBELL “Save The Day” - MAD BUFFALO “Wilderness” - JAMES TAYLOR “Covers” - ROD PICOTT & AMANDA SHIRES “Sew Your Heart With Wires” - JW ROY “JW Roy leeft.” - DIVERSE ARTIESTEN “The Imus Ranch Record” - MJ BISHOP “Pull Of The Moon”

 

JESSE MALIN “Mercury Retrograde” (One Little Indian / Bertus)

(4****)

 

“For my first ever-live album, I wanted to record the songs differently by going back to the original essence of how they were written, on an acoustic guitar,” aldus Jesse Malin. En dat is dus ook exact wat gebeurd is. “Mercury Retrograde – Live In New York City” werd ingeblikt een kleine week voor Kerstmis van vorig jaar in de Mercury Lounge in New York City. Daar ging Malin twee avonden lang op zoek naar de essentie van een aantal van zijn eigen en andermans  liedjes. Eigen songs en covers als “High Lonesome”, “Wendy”, “Hotel Columbia”, “Lucinda”, “Subway”, “Cigarettes & Violets”, “Since You’re In Love”, “Helpless”, “Aftermath”, “Broken Radio” en andere kregen er een soort van “unplugged treatment”. Veel akoestische gitaar en piano dus en voor het overige eigenlijk enkel andere instrumenten als een nummer daar nadrukkelijk om leek te vragen. Met veel bravoure kwijt Malin zich daarbij van de zichzelf opgelegde taak. Met zijn scherphoge klaagstem grossiert hij vrijwel voortdurend in tastbare passie. En dat valt bij het aanwezige publiek duidelijk in goede aarde. Net als zijn bindteksten overigens. Met de verhaaltjes tussen zijn songs door doet Malin hier véél meer dan wat tijd winnen om zijn gitaar te kunnen stemmen. Al liggen die verplichte pauzes naar eigen zeggen wel aan de basis van zijn talenten als verteller. Afgerond wordt “Mercury Retrograde” met een vijftal studio-opnames. Het betreft daarbij onuitgegeven tracks en B-kantjes van “Glitter In The Gutter”. Materiaal, dat wat ons betreft overigens volkomen terecht vooralsnog op CD belandt. Van het relaxt groovende “Leaving Babylon” tot het fulminant rockende “Megan Don’t Know”, van de pakkende trage “It’s Not Enough” tot het verstilde “Lady From Baltimore” en een eigenzinnige versie van de Pogues-klassieker “Fairytale Of New York”, een echte misser zit er absoluut niet tussen!

(Wij vragen ons overigens wel nog steeds af, waarom Malin dit zijn eerste live-plaat noemt. En wat dan met “Love It To Life”, beste Jesse?)

Jesse Malin

One Little Indian

Bertus

 

PIETA BROWN “Flight Time” (Pieta Brown)

(4****)

Van de lieftallige Pieta Brown verscheen zopas vrij kort na haar laatste CD “Remember The Sun” de in eigen beheer uitgebrachte EP “Flight Time”. Het betreft daarbij een zeven eenheden tellend geheel, dat de dochter van Greg samen met een stel lokale muzikanten opnam in haar thuishaven Iowa. Van de partij is zo ondermeer ook ditmaal weer stergitarist Bo Ramsey, met wie Brown het schijfje ook produceerde. Marty Christensen (bas), Steve Hayes (drums) en Bob Black (banjo) zijn slechts enkele van de meest in het oog springende andere betrokkenen. “Flight Time” straalt als geheel een soort van ambiënte sfeer uit. De songs erop zijn vrijwel zonder uitzondering als extreem rustig te bestempelen. Openingsnummer “Sunrise, Highway 44” is zo bluesy desert americana, het iets opgewektere “Still Runnin’” doet iets moois met alt. country en folk, het bedachtzaam aan je voorbij trekkende duo “Just” en “The Lion’s Dream” (Met een absolute hoofdrol voor de beklijvend twangende gitaar van Ramsey!) zal ongetwijfeld weer de nodige vergelijkingen met Lucinda Williams gaan voeden, “Bad News” kruist op een hikkend ritme Neko Case en Johnny Cash, “I Thought I Heard You Call My Name” is een heuse instrumental voor piano en gitaar en het afsluitende “Even When” lijkt zó te zijn weggelopen uit het grote songbook van Daniel Lanois. Kortom: een weliswaar niet erg lang uitvallend, maar best wel leuk plaatje!

Pieta Brown

 

LUKE OLSON “Red River Blue” (Sustain / Universal)

(3,5****)

Ook in Texas wordt heden ten dage aan de lopende band commerciële country geproduceerd, maar die heeft vaak toch net dat ietsje meer appeal dan zijn spitsbroeder uit Nashville en omstreken. Veel uit de Lone Star State afkomstige C&W-artiesten blijken immers in de eerste plaats singer-songwriters en dat helpt een aardig eindje vooruit natuurlijk. Neem nu bijvoorbeeld zo’n Luke Olson. De beste man maakt muziek, die absoluut niet zou misstaan in de commerciële country charts van zijn land, maar graaft in zijn teksten door de band genomen flink wat dieper dan veel van zijn enkel op hun eigen “five minutes of fame” beluste collega’s. En bovendien demonstreert hij ook bij het kiezen van zijn covers steeds weer een uitstekende smaak. Op zijn nieuwe CD “Red River Blue” waagt hij zich zo bijvoorbeeld met succes aan “Me And This Road” van Chris Knight, aan “Tryin’ To Make The Yellow Lights” van Mac McAnally, aan “Searching For A Heart” van wijlen Warren Zevon en aan het door Rodney Crowell en Richard Dobson gepende “Uncertain Texas”. Die voortreffelijke songkeuze gekoppeld aan een aangename, enigszins weemoedig aandoende stem en een lekker gevarieerd instrumentarium, waarin nog rijkelijk plaats blijkt voor traditionele instrumenten als fiddle, banjo, mandoline en pedal en lap steel, maken van “Red River Blue” een al bij al erg aangenaam wegluisterend geheel. Het is het soort van plaat, dat in the long run zowel bij afficionados van de commerciëlere countryhap als bij die van puurdere americana in de smaak zou moeten kunnen vallen. En dat is an sich ook al een verdienste, niet toch?

Luke Olson

Sustain Records

 

ROSALIE SORRELS “Strangers In Another Country – The Songs Of Bruce “Utah” Phillips” (Red House Records / Music & Words)

(4****)

 

Wat een heerlijke plaat! Door grijze eminentie Rosalie Sorrels aangevat ergens vroeg in 2007 en vooral bedoeld als een financieel ruggensteuntje voor haar door ernstige hartproblemen geplaagde goede vriend Bruce “Utah” Phillips, maar door diens dood in mei van dit jaar verworden tot het zo ongeveer mooiste eerbetoon, wat het door velen geadoreerde Amerikaanse folkicoon zich ooit had kunnen dromen. “Strangers In Another Country” is immers een album, dat enkel en alleen uit warme gevoelens voor de overleden folkgrootheid en uit een bijzonder diepgeworteld respect voor diens songs en verhalen had kunnen ontstaan. Vergezeld door een oogverblindende cast aan gastmuzikanten, waarin met name de zussen Kate & Anna McGarrigle, Peggy Seeger, Bryan Bowers, Willie Murphy, Jay Ungar, Molly Mason en Dakota Dave Hull opvallen, stort Sorrels zich met haar hele ziel en zaligheid op het oeuvre van haar buddy. Met haar broze, door het leven zwaar getekende stem als haar voornaamste bondgenoot maakt ze van prachtsongs als “Starlight On The Rails”, “Mountain Valley Home”, “Green Rolling Hills Of West Virginia”, “He Comes Like Rain”, “Old Buddy Goodnight”, “Schofield Mine Disaster” en “Ashes On The Sea” vrienden voor het leven. En door niet enkel te focussen op de liedjes van Phillips, maar ook gesproken stukjes in het geheel in te lassen, zorgt ze er terloops bovendien ook nog eens voor, dat we haar overleden maatje een stuk beter gaan leren kennen als mens. Warm aanbevolen dan ook!

Rosalie Sorrels

Red House Records

Music & Words

 

ROBIN & LINDA WILLIAMS “Buena Vista” (Red House / Music & Words)

(4****)

Robin & Linda Williams waren americana avant la lettre. Lang voordat die term gemeengoed werd, veroverden zij reeds de harten van veel liefhebbers van pure muziek met wat later gerust als een blauwdruk voor dat genre kon doorgaan. En met hun altijd weer hartverwarmende mélange van bluegrass, folk, gospel, old-time en akoestische country, geënt op teksten met een open oog voor zowat alles wat er in de wereld rondom hen gebeurde en in al hun eenvoud vaak briljante melodieën, groeiden ze de voorbije drie decennia dan ook uit tot echte vaste waarden binnen het door ons zo graag gefrequenteerde territorium. Iets waarin ook hun nieuwe CD “Buena Vista” absoluut geen verandering zal brengen. Dat naar een klein stadje in Virginia vernoemde album bevestigt immers alleen maar al het goede, wat we hier eerder al over de Williamsen schreven. De elf nieuwe eigen liedjes daarop behoren zelfs zondermeer tot hun beste tot op heden. In een productie van Tim O’Brien bekoren andermaal zowel de teksten van het duo als de muzikale omlijsting daarvan. Een bijzonder kleurrijke stoet aan aparte persoonlijkheden trekt ook ditmaal weer in hun songs voorbij. Het ingetogen “I’m Invisible Man” is zo bijvoorbeeld het pakkende verhaal van een tot dakloosheid verdoemde, het een stuk speelsere “When A Thread Gets Caught” showcaset een corrupte zakenman en in het ronduit beeldige titelnummer verliest de onfortuinlijke verteller zo ongeveer alles wat hij heeft. Dat laatste nummer, een werkelijk zalige cover van Lefty Frizzells “That’s The Way Love Goes” en het aan de levens van Maybelle Carter en Bill Monroe opgehangen “Maybelle’s Guitar And Monroe’s Mandolin” behoren zondermeer tot de allermooiste liedjes, die wij dit jaar al te horen kregen. En geloof ons vrij, dat zijn er héél erg veel…

Voor de volledigheid vermelden we hier ook nog even, dat naast Tim O’Brien (fiddle, mandoline, gitaren) voor de gelegenheid verder ondermeer ook nog Jerry Douglas (dobro, lap steel), Ray Bonneville (harmonica), Dennis Crouch (bas) en Kenny Malone (percussie) de Williams-rangen kwamen versterken.

Robin & Linda Williams

Red House Records

Music & Words

 

Ma Rain “Paper Wall” (Ma Rain / Bertus)

(3,5****)

Met hun vorige CD pakten ze ons gewoon nog koud! Van een groepje waarin Wouter Planteijdt de gitaar hanteerde, verwachtten wij immers zo ongeveer alles behalve americana. En ware het niet, dat een trouwe lezer ons uiteindelijk volkomen terecht nog op onze onachtzaamheid en derhalve ook op “Harbour” attendeerde, we zouden ons dat – Erg knappe! - kleinood zelfs niet eens hebben aangeschaft. Maar, that was then and this is now! Tweemaal dezelfde fout maken, dat zat er uiteraard niet in. En voor “Paper Wall”, de nieuwe van Marijn Wijnands en kompanen, zitten we dus wél op de eerste rij. En wéér worden we verrast! Openingsnummer “Perfume” blijkt immers bijzonder poppy spul. En dat geldt ook voor veel wat volgt: van het ingehouden “All Your Love” tot het voorzichtig soulvolle “Blue River”, van het op z’n Tom Waits van enige experimenteerdrift getuigende “My Man” tot het relaxte, very seventies aandoende popjuweeltje “Comfort”. Pas goed halverwege komen we even terug op vertrouwd terrein terecht. Voor de prachtballade “Coffee Stains” en het een groot countryhart etalerende en terloops zijn titel alle eer aandoende “Lust Waltz” mag plots immers het americana-label weer wél uit de kast. En dat geldt ook nog wel voor het vervolgens aan een aardige vaart voorbij denderende countryrockertje “The Edge”. Maar “Paraffine Heart” is aansluitend weer gewoon jazzy pop en ook “Without”, “Masterpiece”, het funky “Bad Habit” (Een heel klein beetje New Orleans!), het verstilde “Prima Ballerina”, het zomers-lome “So Glad” en afsluiter “Harbour” horen wat ons betreft weer eerder in het pop- dan in het americanabakje thuis. Al bij al opnieuw een erg mooie singer-songwriterplaat, maar dan wel véél minder americana dan voorheen.

Ma Rain

Bertus

 

CLIFF WAGNER & THE OLD #7 “Hobo’s Lullaby” (Wagco Records / CD Baby)

(3,5****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten al wel langer dan vandaag, dat we Cliff Wagner en de zijnen hier een bijzonder warm hart toedragen. Met name met de albums “Take Me Back To The Delta” en “My Native Land” wierpen die van The Old #7 zich in onze ogen de voorbije jaren als één van de belangrijkste nieuwkomers binnen het bluegrassgenre op. Net als verwante geesten als die van de Hackensaw Boys en de Old Crow Medicine Show beperkten Wagner en co zich op die platen evenmin allesbehalve tot dat genre. Wat americana hier, wat blues daar, een snuif honky-tonk of rock & roll ginder, werkelijk alles was voor het vanuit Californië opererende vijftal goed om het erfgoed van Bill Monroe en co wat nieuw leven helpen in te blazen. En dat is ook op hun nieuwste, het onder de productionele auspiciën van Michael Vail Blum opgenomen “Hobo’s Lullaby”, weer het geval. Daarop staan naast acht nieuwe Wagner-originelen ook covers van “Honky Cat” van Elton John, “Don’t Think Twice, It’s All Right” van Bob Dylan, “Hobo’s Lullaby” van Goebel Reeves, “Rollin’ & Tumblin’” van Muddy Waters (Bluesgrass!), “Poison Ivy” van het duo Leiber en Stoller, “You May Be Right” van Billy Joel en de traditional “Carroll County Blues”. “Als Bill Monroe in een bandje zou stappen met Muddy Waters en Levon Helm, dan zou het wellicht zó klinken,” schreef de recensent van dienst van het onvolprezen CD Baby naar aanleiding van het verschijnen van dit schijfje en daarmee sloeg hij wat ons betreft spijkers met koppen. Warm aanbevolen!

Cliff Wagner & The Old #7

CD Baby

 

KARLI FAIRBANKS “Bitter Blue” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

 

Wie in het verleden in zijn collectie een prominent plaatsje veil had voor acts als Jesse Sykes, Jolie Holland, de Be Good Tanyas en de Cowboy Junkies zal wellicht ook volop aan zijn trekken komen bij Karli Fairbanks. De twaalf eigen songs op haar “Bitter Blue” situeren zich sfeergewijs alvast erg nadrukkelijk in dezelfde vaarwateren. Als een volleerde sirene gebruikt de eigenzinnige Amerikaanse haar tegelijk ontzettend broos en ongemeen performant aandoende ijl-hoge stem om je niets vermoedend op haar klippen te laten lopen. Gewoon geen ontkomen aan! Tegen een sprookjesachtige achtergrond ingekleurd met uiterst subtiele gitaarakkoorden, dito banjogetokkel, pedal-steelgehuil en wat glockenspiel schudt Fairbanks de ene melancholische beauty na de andere uit de mouw. Onnodig dan ook, om hier te gaan zoeken naar de krenten in de pap. Deze plaat moet je gewoon in haar geheel genieten! Voor ons één van dé ontdekkingen van 2008 so far!

Karli Fairbanks

CD Baby

 

REDD VOLKAERT “Reddhead” (Telehog / Sonic Rendezvous)

(3***)

Redd Volkaert zal in eerste instantie wellicht altijd wel een team player blijven. Groot zijn vooral ’s mans daden als gitarist. Men denke in dat verband bijvoorbeeld alleen al maar aan zijn werk als sidekick van Merle Haggard. Zou ruimschoots moeten volstaan om zijn belang te erkennen. Maar “every once in a while” plegen ook dienende acteurs hun eigen ei kwijt te willen. En wat dat betreft onderscheidt ook Volkaert zich absoluut niet van veel van z’n collega’s. Met “Reddhead” is hij inmiddels zelfs al aan z’n derde solo-CD toe. En daarop bevestigt hij eigenlijk alleen maar wat we al wel langer wisten, met name dat hij een veel betere gitarist dan zanger is. Met een repertoire dat beurtelings put uit country, R&B, (roots en swamp) rock en swing houdt hij het op “Reddhead” weliswaar allemaal lekker gevarieerd, maar daarmee is wat ons betreft ook zo ongeveer alles gezegd. Dan horen we Volkaert véél en véél liever in groepsverband, zoals bijvoorbeeld binnen de Twangbangers of onlangs nog op de wél voortreffelijke nieuwe van Heybale. Het pure countrywerk ligt Volkaert trouwens sowieso het best. Dat bewijst hij ook hier weer met een geslaagde cover van het overbekende “Only Daddy That’ll Walk The Line” en vooral ook met de oertraditionele afsluiter van de feestelijkheden “I’ll Break Out Tonight”. Met meer materiaal van dat kaliber had hij ons wellicht wél probleemloos een hele plaat lang bij de les kunnen houden…

Redd Volkaert

Sonic Rendezvous

 

SIMON MCBRIDE “Rich Man Falling” (Nugene / Bertus)

(3***)

“Rich Man Falling”, het solodebuut van de nog relatief jonge Ierse zanger-gitarist Simon McBride, staat boordevol met van de energie bulkende bluesrocksongs van het genre zoals ooit ondermeer ook de Free, Led Zeppelin, Jimi Hendrix of wat recenter nog Jeff Healey die maakten. Feel good-spul met andere woorden, geënt op soulvolle pipes en vooral ook op vingervlugge gitaarattenties. McBride is met “Rich Man Falling” overigens niet helemaal aan zijn proefstuk toe. Met Sweet Savage nam hij in het verleden immers al een tweetal platen op. Maar dat “Rich Man Falling” is dus wel zijn eerste voor eigen rekening. Het album werd opgenomen in een klassieke driemansbezetting met naast McBride zelf ook nog ritmetandem Gareth Hughes en Paul Hamilton op respectievelijk bas en drums. McBride produceerde zelf en droeg ook elf van de dertien songs aan. Enkel voor “Be My Friend” en “Power Of Soul” zocht hij zijn heil elders. En dat gebeurde wellicht niet geheel en al toevallig bij de Free en bij Jimi Hendrix. Cirkeltje rond!

Simon McBride

Nugene Records

Bertus

 

WHITEY MORGAN & THE 78’S “Honky Tonks & Cheap Motels” (Small Stone / Bertus)

(4****)

Zo retro als het maar kan en wellicht juist daarom ook zó ontzettend lekker, deze “Honky Tonks & Cheap Motels”. De vanuit Detroit actieve Whitey Morgan en zijn 78’s nemen je hier ruim drie kwartier lang mee op een trip doorheen lang vervlogen tijden, doorheen de hoogdagen van de outlaw country scene meer bepaald. Met als zijn voornaamste bondgenoten een stem die in menig een opzicht herinnert aan die van wijlen Waylon Jennings en een pen gedoopt in dezelfde inktpot, waarin ook diezelfde Jennings en andere groten als een Willie Nelson en een Billy Joe Shaver hun schrijfstok graag mochten bevochtigen, graait Morgan twaalf nummers lang zonder gêne rond in het vat met klassieke countrythema’s. De bajes, drank, l’amour, overspel en andere door hun grote voorbeelden veel gebezigde onderwerpen vormen ook voor Morgan en zijn kompanen een dankbare bron voor songs, die in de vroege jaren zeventig probleemloos met het allerbeste uit het genre hadden meegekund. En dat bedoelen we dan niet alleen als een groot compliment, maar tegelijk ook als een waarschuwing voor iedereen die zijn gading nog wél weet te vinden in het Nashville van vandaag. “Honky Tonks & Cheap Motels” bevat immers uitsluitend country van het genre dat daar al sinds jaar en dag niet meer kan, country voor traditionalistisch ingestelde geesten met andere woorden. Een kader, dat zelfs voor onverwacht opduikende gasten als Springsteens “I’m On Fire” een bijzonder knusse thuishaven blijkt.

Whitey Morgan & The 78’s

Small Stone Records

Bertus

 

JERRY DOUGLAS “Glide” (Koch / Bertus)

(3,5****)

Wie als virtuoos jaar in jaar uit zijn talent ten dienste van anderen stelt, mag zo nu en dan ook zijn eigen ei wel eens even kwijt willen. En dat is exact, wat dobrogrootmeester Jerry Douglas met “Glide” voor het eerst sinds lang weer eens doet. De voorbije jaren was de beste man voornamelijk actief binnen het gerenommeerde Union Station achter nachtegaaltje Alison Krauss. Iets wat hem ook absoluut geen windeieren gelegd heeft, als we ons voor zo’n uitspraak tenminste mogen baseren op het grote aantal Grammy’s en IBMA-awards achter zijn naam.

Op “Glide” tapt Douglas uit een totaal ander vaatje. Daarop staan hij en zijn instrument zondermeer centraal. De elf songs erop luisteren weg als een soort van muzikale road trip. Het voornamelijk instrumentale materiaal bedient zich van elementen uit zo uiteenlopende genres als americana, country, bluegrass, folk, Dixieland, pop en rock. Enkel “Marriage In Hollywood” en “Long Hard Road (The Sharecropper’s Dream)” – Hét absolute hoogtepunt hier! – vormen uitzonderingen op de regel. Daarin verzorgen countryrocker Travis Tritt en Rodney Crowell immers zangpartijen.

“Glide” bekoort vrijwel in z’n geheel door het sterk filmische karakter van veel van z’n songs. Gasten erop zijn naast het al genoemde tweetal Tritt en Crowell ondermeer ook nog Sam Bush, Edgar Meyer, Tony Rice en Earl Scruggs.

Jerry Douglas

Koch Records

Bertus

 

CHARLIE PICKETT “Bar Band Americanus: The Best Of Charlie Pickett And” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

De titel van deze ons door Bloodshot Records in de maag gesplitste bloemlezing mag dan al een weinig misleidend zijn, het erop gebodene zal wellicht niemand teleurstellen. Integendeel zelfs! Met tracks van de EP “Cowboy Junkie Au Go Go” en de langspelers “Route 33”, het nog door R.E.M.’s Peter Buck geproduceerde “The Wilderness” en de live-collectie “Live At The Button”, enkele ondertussen erg zeldzaam geworden singles en een tweetal niet eerder verschenen songs (“Get Off On Your Porch” en “Penny Instead”) bewijst compilator van dienst Jeff Schwier, dat Charlie Pickett en de zijnen (The Eggs, MC3) ondanks hun hier eerder geringe naambekendheid eigenlijk gewoon tot het allerbeste behoorden wat de jaren tachtig op het gebied van rauwe rock & roll te bieden hadden. (Roots)rock, blues, country en punk gaan hier negentien tracks lang erg heftig met elkaar in de clinch en de daarbij tot leven gewekte hybride is van een ongemeen ruwe intensiteit - een wellicht in grote mate aan het geweldige snarenwerk van supergitarist Johnny Salton toe te schrijven gegeven. Het klinkt zo ongeveer als een kruising tussen vroege seventies-Stones, de Velvet Underground, Dream Syndicate, Jason & The Scorchers, de Yardbirds en een handjevol blueslegendes als Howlin’ Wolf en Son House. Opwinding gegarandeerd met andere woorden!

Bloodshot Records

Bertus

 

MATT BAUER “The Island Moved In The Storm” (La Société Expéditionnaire)

(4,5*****)

In 1968 werd langs een verlaten landweg in de buurt van Eagle Creek, ten noorden van Georgetown, Kentucky, het levenloze lichaam van een onbekende jonge vrouw aangetroffen. In de daaropvolgende decennia zou ze met enige regelmaat over plaatselijke lippen blijven gaan als de “Tent Girl”. En ook voor de nieuwste van excentriekeling Matt Bauer vormde haar mysterieuze verhaal in zekere zin het uitgangspunt. Aangevuld met anecdotes en wijsheden geïnspireerd door zijn eigen jeugd in Kentucky levert dat andermaal een geweldige luistertrip op. Net als op “Nandina” en de mini “Wasps And White Roses” zweert Bauer ook op “The Island Moved In The Storm” trouw aan het principe, dat minder vaak juist veel meer is. Op bijna profetische wijze verkent hij tegen een vooral door zijn spaarzame invulling opvallende muzikale achtergrond enigszins duistere thema’s als de overgang van leven naar dood. (Alt.) country en bluegrass vormen daarbij nog wél het uitgangspunt, maar ook niet meer dan dat. Wat Bauer hier doet in het gezelschap van ondermeer Alela Diane, Mariee Sioux en Frank Floyd overstijgt bij momenten gewoon elke categorisering. Zoals bijvoorbeeld ook het werk van een Richard Buckner dat doet. Of dat van een Jolie Holland ook wel. Met de eerste van die twee deelt Bauer overigens ook een vergelijkbare hese rasp van een stem. Met de tweede zijn voorliefde voor het minimalistische gebruik van de banjo. Meer betokkeld dan echt bespeeld helpt dat instrument veel van zijn liedjes aan hun karakteristiek bevreemdend-melancholisch geluid. Liedjes, die zonder uitzondering het predikaat tijdloos verdienen. Liedjes, die zonder uitzondering van een zelden gehoorde beklijvende schoonheid zijn. Zelfs het vooruitzicht van een kille en bijzonder natte herfst wordt er plots een stuk minder onprettig door.

Matt Bauer

La Société Expéditionnaire

 

MATT ANDERSEN “Something In Between” (Matt Andersen / Bertus)

(4****)

Wat een ongelooflijk talent! Onvoorstelbaar eigenlijk, dat we daar al zo’n drie albums lang aan voorbij hebben kunnen kijken! Shame on us… Maar goed, je kan nu eenmaal nooit écht alles weten, he… En aangezien wij sinds jaar en dag al het gezonde principe heiligen, dat je nooit te oud bent om te leren, delen we bij dezen ook graag dit voor ons nog nieuwe talent met je. Matt Andersen is een op het eerste gezicht nogal ruig ogende Canadees, die zowel als zanger als als gitarist vrijwel ogenblikkelijk weet te bekoren, neen, beter nog, te imponeren. In dertien voornamelijk eigen songs versmelt hij in een productie van de ondermeer voor zijn werk met Keith Richards geroemde Paul Milner en met de nodige back-up van muzikanten uit de entourages van Eric Clapton, George Harrison en Joe Cocker het beste van genres als (roots)rock, pop, R&B, soul, blues, country en gospel. De daarbij tot stand komende muzikale hybride puilt uit van de instant-klassiekertjes. Dingen als de soulvolle trage “So Gone Now”, het op heerlijk lichtvoetige wijze tussen rootsrock en R&B twijfelende “Stay With Me”, de Fogerty-cover “Wrote A Song For Everyone” en vooral ook de in weelderige strijkers badende afsluiter “Bold And Beaten”, een hemelse deun genre John Hiatts “Have A Little Faith In Me”, verdienen bijvoorbeeld wat ons betreft zondermeer een lang leven op elk zichzelf ook maar een heel klein beetje respecterend radiostation. En het zou ons dan ook helemaal niet verbazen, mocht deze knaap het binnen afzienbare tijd erg ver schoppen. Verdienen doet hij het alleszins.

Matt Andersen

Bertus

 

DEAD MEN’S HOLLOW “Death Must Be A Woman” (Acoustic Americana)

(3,5****)

Op “Death Must Be A Woman”, hun ondertussen toch ook alweer derde CD, vertellen die van Dead Men’s Hollow naar eigen zeggen aan de hand van het verhaal van hun thuishaven onrechtstreeks ook een beetje het verhaal van heel Amerika. Het vanuit Washington actieve zestal verdiepte zich bij het uitwerken van dat geheel niet alleen in de geschiedenis van z’n thuisland, maar en passant ook in het muzikale verleden ervan. Folk, old-time string (band) music, bluegrass, gospel en (country) blues gingen zo als het ware de ideale voedingsbodem voor hun niet zelden van een behoorlijk donker randje voorziene verhalen vormen. Met als sterkste troef naast ongemeen authentiek aandoende songs vooral ook hun bij momenten echt fabelachtige driestemmige samenzang. Deze laatste en een werkelijk feilloze instrumentbeheersing maken dat de liedjes van Dead Men’s Hollow veelal een stuk ouder klinken dan ze daadwerkelijk zijn. Enkel het gebruik van moderne opnameapparatuur verraadt hen wat dat betreft een beetje.

Dead Men’s Hollow

CD Baby

 

TONY PENN “The Quicken” (Big Cow Records)

(4****)

Het mooie aan schrijven over muziek is, dat je met enige regelmaat op ruwe diamanten blijft stoten, op artiesten, waar je anders wellicht nooit aan toe zou zijn gekomen, op platen, die véél en véél té goed zijn om in het huidige overaanbod aan nieuw materiaal in totale obscuriteit te verzanden. Het soort van albums, dat je gewoon overvalt… Waar je zonder enige voorkennis over de betrokken artiest meteen compleet door van je sokken wordt geblazen…

Neem nu bijvoorbeeld “The Quicken” van Tony Penn. Wat wisten we over die man voor we aan het beluisteren van zijn eersteling toekwamen? Zo goed als niets eigenlijk. Via zijn MySpace-pagina kwamen we te weten, dat hij Americana, folk rock en country maakte en dat hij vanuit New Hampton, NY actief was. Maar dat was het dan ook wel zo’n beetje. Compleet van enige vooringenomenheid gespaard gebleven gleed “The Quicken” hier dan ook in de CD-speler. En van dan af was het meteen raak! Twaalf nummers lang kippenvel! Wat een mooie stem! Wat een prachtige teksten! En wat een knappe liedjes ook! Een beetje Joe Henry in z’n Americana-fase, een weinig Ryan Adams in zijn meer bezadigde momenten, een toefje jaren zeventig-Dylan, zoiets… Volstrekt tijdloos spul gewoon! In grotendeels akoestisch gehouden moordsongs verpakte verhalen opgehangen aan universele thema’s als liefde, het verlies daarvan, hartzeer en zonde, in al hun intimiteit luid schreeuwend om erkenning. Louter bij wijze van indicatie warm aanbevolen van hieruit aan fans van collega’s als de al genoemde Joe Henry, Ray LaMontagne, John Gorka, John Prine en Jeff Talmadge. Zij zullen deze Penn wellicht net als ons zonder dralen stevig aan de borst drukken.

Tony Penn - MySpace

CD Baby

 

JAMES DUNN “The Long Ride Home” (James Dunn / Shut Eye)

(3,5****)

Voor de opvolger van zijn in 2006 verschenen debuutplaat “Lonely American Dream” toog singer-songwriter James Dunn onlangs naar Nashville. Onder de vleugels van het uit de entourage van Will Hoge bekende duo Brian Layson en Tres Sasser blikte hij daar tien eigen songs in, die zich vooral onderscheiden door hun geweldig aanstekelijke melodieën. En of je het nu rootsrock noemt dan wel americana, feit is, dat wat Dunn brengt zelden meer dan één enkele luisterbeurt nodig heeft om te overtuigen, om te blijven hangen. En dat heeft wellicht alles te maken met de grote mate van herkenbaarheid van zijn materiaal. Zo dwaalden onze gedachten bij het beluisteren van “The Long Ride Home” geregeld af tot bij knapen als een Bruce Springsteen, een Tom Petty, een John Mellencamp, een Todd Thibaud en een Joseph Parsons. Ergens op het kruispunt van hun oeuvres situeert zich ook de muzikale woonst van James Dunn. En een doorbraak op grote schaal lijkt ons in zijn geval dan ook enkel nog een kwestie van tijd.

James Dunn

Shut Eye Records

 

DAN BAIRD & HOMEMADE SIN “Dan Baird & Homemade Sin” (Jerkin’ Crocus)

(4****)

Dan Baird maakt al sinds jaar en dag het soort van platen dat het best tot zijn recht komt in berookte, naar zweet en alcohol geurende donkere holen, waar nine to five jobs even aan de kant kunnen en waar volslagen zorgeloze fun nog volop regeert. Ondermeer met de Georgia Satellites, met een stel soloplaten (Denk met plezier nog eens terug aan het volstrekt onweerstaanbare “I Love You Period”!) en met roots supergroep The Yayhoos wist hij er de voorbije vijfentwintig jaar telkens weer fameus het dak van af te blazen. En dat is exact wat hij ook nu weer doet. Samen met Homemade Sin, zijn uit ex-Scorchers-gitarist Warner E. Hodges en oudgedienden Keith Christopher (bas) en Mauro Magellan (drums) bestaande nieuwe groep, grossiert hij op zijn jongste plaat weer veertien nummers lang in onvervalste “American Music”, om maar eens even Dave Alvins omschrijving voor sympathieke herrie als deze te lenen. Rock & roll geënt op lekkere gitaarriffs en gebracht met die immer herkenbare hees-gruizige scheur van een stem van ‘m. Volkomen pretentieloos van aard en misschien wel juist daarom totaal onweerstaanbaar! Als je van zijn eerdere platen hield, zal je ongetwijfeld ook hiervoor weer snel door de knieën gaan. Wij vinden het alvast één van zijn beste so far.

Dan Baird & Homemade Sin

Jerkin’ Crocus

 

JIM WHITE “A Funny Little Cross To Bear” (Luaka Bop / Bertus)

(3,5****)

De nieuwe van Jim White doet zijnn titel werkelijk alle eer aan. De opvolger van het redelijk succesvolle “Transnormal Skiperoo” is inderdaad een hoogst apart gevalletje. In eerste instantie omdat het daarbij gaat om een mini-album, maar vooral toch óók omdat hier een totaal andere kant van de singer-songwriter belicht wordt dan normaal. De zeven tracks op “A Funny Little Cross To Bear” focussen in al hun naaktheid duidelijk op de liedjesschrijver White. Het live ingeblikte geheel maakt veel meer nog dan zijn vorige platen duidelijk, dat de beste man wel degelijk zijn weg weet met een goed verhaal. Niet enkel de songs erop, maar zeker ook enkele van de bindteksten geven aan, dat Jim White absoluut geen normale is. Boeiend wordt het daardoor echter juist allemaal des te meer.

Jim White

Bertus

 

CARRIE CLARK & THE LONESOME LOVERS “Seems So Civilized” (Red Bug Records)

(3,5****)

CAMILLE BLOOM “Say Goodbye To Pretty” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3***)

  

Carrie Clark en Camille Bloom zijn twee nog relatief jonge singer-songwritertalenten afkomstig uit Seattle. En al ligt wat ze doen op het eerste gehoor een aardig eindje uit elkaar, toch verbonden de beide dames hun lot onlangs aan elkaar voor “een rondje Europa”. En daarbij doen ze ook ons land aan. Op woensdag 22 en donderdag 23 oktober meer bepaald zullen ze beurtelings de Jezuïet en de Crossroads in Antwerpen met een bezoekje vereren. Wat je daarbij van hen verwachten mag, vroeg je? Wel, in het geval van Clark is dat enigszins bevreemdende alt. country van het type waarin bijvoorbeeld ook Neko Case, Margo Timmins en haar Cowboy Junkies en Jesse Sykes plegen uit te blinken, zij het dan wel gekruid met een occasionele snuif cabaret. Bloom van haar kant zouden we eerder durven onder te verdelen in hetzelfde hokje als de jonge Melissa Etheridge. Haar album “Say Goodbye To Pretty” staat alvast vol met pittige rockertjes en aardige ballads, die duidelijk werden geschreven met een akoestische gitaar binnen handbereik. Waar de songs om wat meer aankleding vroegen, kregen ze die echter ook zonder tegensputteren. Ondermeer van de van zijn werk met onder anderen Radiohead bekende Paul Kimble.

(Voor een gedetailleerde lijst met exacte data en locaties van de optredens van de dames verwijzen we hier om louter praktische redenen graag verder naar hun eigen websites. Klik daarvoor hier!)

Carrie ClarkCD Baby

Camille BloomCD Baby

 

KATE CAMPBELL “Save The Day” (Large River Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat ons betreft behoort Kate Campbell al jarenlang tot de absolute top van het americanagebeuren. Helaas voor haar heeft zich dat tot op heden nog steeds niet echt vertaald in een verkoop haar talent waardig. Campbell is nochtans één van de allerbeste songwriters van het genre überhaupt. Haar teksten hebben literaire kwaliteiten, waar zelfs heel wat broodschrijvers haar alleen maar om kunnen benijden. Iets wat gerespecteerde collega’s als een John Prine en een Nanci Griffith alvast ook niet ontgaan is. En beiden maken ze hier dan ook hun opwachting. Net als bijvoorbeeld ook Randy Kohrs, Pierce Pettis, Tom Kimmel en Spooner Oldham overigens. Alle beetjes helpen…

Met Griffith deelt Campbell het lieflijke “Fordlandia”, een aan Henry Fords mislukte poging om in Amazonegebied een bandenfabriek uit de grond te stampen gewijde ballade. Met Prine brengt ze het al even fraaie duet “Looking For Jesus”, haar eigen unieke kijk op bedevaarten anno nu. Pettis en Kimmel duiken dan weer op in het gospelesk ingekleurde “Everybody Knows Elvis”, waarin het sociale isolement van zowel wijlen The King als dat van Jezus Christus verklankt worden. Het zijn slechts drie van de vele hoogtepunten op een plaat vol daarmee. Een plaat, die zo ongeveer elk facet van Campbells rijke oeuvre even opnieuw belicht. Folk, country, pop, (roots)rock, R&B en gospel, ze komen hier op die manier allemaal weer even aan bod en maken van “Save The Day” Campbells zondermeer compleetste plaat tot op heden.

Kate Campbell

Sonic Rendezvous

 

MAD BUFFALO “Wilderness” (Mad Buffalo / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Een naam als Mad Buffalo doet er je bijna vanzelfsprekend niets vermoedend van uitgaan, dat je met een groep te maken hebt. Niets blijkt echter minder waar! Mad Buffalo is eigenlijk gewoon niets anders dan een alias voor singer-songwriter Randy Riviere. En die door onder andere The Band, Lynyrd Skynyrd, Neil Young en The Beatles beïnvloede knaap pakte zopas al met een derde CD uit. Op dat album, “Wilderness”, weet hij zich geruggensteund door een ronduit geweldige cast aan muzikanten. Namen als die van James Burton, Mickey Raphael, Marty Grebb, Michael Ward, James Pennebaker, Bob Glaub, Dave Roe, Jim Christie en Gary Mallaber willen we je hier bijvoorbeeld zeker niet onthouden. Die krachtpatsers en anderen helpen de van stem een beetje met James McMurtry verwante Riviere bij het voltrekken van een even eigenzinnig als geslaagd huwelijk tussen genres als americana, country, bluegrass, roots rock, blues, folk en rockabilly. Een huwelijk, dat behoorlijk wat memorabele momenten oplevert. Wij denken dan in eerste instantie aan het door Marty Grebb met een erg mooie accordeonbijdrage bediende en flink aan The Band herinnerende americanapareltje “Old Kentucky”, aan de knappe, volop op de pedal steel van James Pennebaker leunende rootsrocktrage “Alkali / Cold Harbor”, aan het behoorlijk bluesy “Let’s Get On With It” of aan “Angry Town”, een tussen bluegrass, country en americana gestrand verhaal, waarin opnieuw Pennebaker en Grebb met contributies op respectievelijk pedal steel, viool, mandoline en harmonica het geleden leed als het ware tastbaar maken. Mooie plaat!

Mad Buffalo

Sonic Rendezvous

 

JAMES TAYLOR “Covers” (Hear Music)

(3,5****)

James Taylor bedient zich op zijn nieuwe CD weer uitgebreid van het materiaal van anderen. Da’s an sich geen spectaculair nieuws, aangezien de beste man dat eigenlijk al zijn hele carrière lang doet. Heel wat van zijn grootste hits waren zelfs net interpretaties van liedjes van collega’s. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “You’ve Got A Friend”, “How Sweet It Is” en “Handyman”. Wat van “Covers” echter wél een speciaal album maakt, is het feit dat Taylor er zich de voorbije winter samen met een uitgelezen groep aan muzikanten tien dagen lang voor terugtrok in een tot studio omgetoverde schuur in Massachusetts. Daar nam hij volledig live een twaalftal liedjes op, die al jarenlang hun weg naar zijn concertprogramma wisten te vinden, maar die hij om uiteenlopende redenen nooit eerder inblikte. Overbekende songs als “Suzanne”, “Wichita Lineman”, “Hound Dog”, “On Broadway”, “Summertime Blues”, “Not Fade Away” en “Why Baby Why” ondergingen daarbij een typische Taylor-behandeling. Wat de Amerikaan hier ook aanraakt, hij eigent het zich ontegensprekelijk toe. Met zijn stilaan tot een fameus handelsmerk uitgegroeide fluwelen stem waadt hij weer bijzonder elegant doorheen beurtelings voorzichtig soulvolle, eerder poppy dan wel Americana- of folkgetinte herinterpretaties van de grote hits van anderen. Spectaculair is het allemaal niet, maar het luistert wel weer bijzonder aangenaam weg, zoals zo ongeveer alles van Taylor.

James Taylor

 

ROD PICOTT & AMANDA SHIRES “Sew Your Heart With Wires” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4*****)

 

De hier dankzij ronduit voortreffelijke platen als “Tiger Tom Dixon’s Blues”, “Stray Dogs”, “Girl From Arkansas” en “Summerbirds” al een tijdje erg hoog aangeschreven staande Rod Picott doet het op zijn nieuwe CD “Sew Your Love With Wires” met zijn al bij al nog net iets minder bekende vrouwelijke collega Amanda Shires. In tien duetten dienen de twee zich aan als dé geknipte kandidaten om de door Chip Taylor en Carrie Rodriguez na hun artistieke scheiding nagelaten leemte in te vullen. Ook Shires is immers net als de dezer dagen een carrière onder eigen vlag najagende Rodriguez een echte kanjer op de fiddle en een fantastische vocaliste. Haar hoge noten vormen als het ware het ideale tegengewicht voor de gecontroleerde gruizige uithalen van Picott. En dat prachtige contrast zorgt hier vrijwel voortdurend voor muzikaal vuurwerk. Bij wijze van spreken dan, want intimiteit is zondermeer hét sleutelwoord op “Sew Your Love With Wires”. Picott en Shires gaan hier zo subtiel te werk, dat het bij momenten wel lijkt, of ze ergens in een hoekje van je living speciaal voor jou zitten te spelen. Het resultaat is Americana op z’n allermooist. Echt helemaal niks op aan te merken, of het zou moeten zijn, dat het album met z’n drieëndertig minuten wat aan de korte kant uitvalt. Dit smaakt in al zijn perfecte eenvoud immers al gelijk naar véél, véél meer…

Rod Picott & Amanda Shires

 

JW ROY “JW Roy leeft.” (Munich)

(4****)

 

Niet iedereen scheen even gelukkig te zijn met de JW Roy van zijn jongste twee platen. En daar konden wij dus absoluut niet bij, he. Als je ook maar een heel klein beetje gezond verstand gebruikt, dan kan je er toch absoluut niet omheen, dat de beste man in zijn eigen dialect of gewoon in het standaard-Nederlands véél en véél meer vertellen kan dan in het Engels. Je woordenschat is nu eenmaal veel rijker in je moedertaal… En wij vonden het dan ook bijzonder prettig om vast te mogen stellen, dat Roy ondanks die her en der geformuleerde kritische noot plots aardig wat meer succes ging oogsten. Met name zijn laatste studioplaat zorgde daarvoor. Nederlands mooiste stem überhaupt kreeg zo wat ons betreft eindelijk waar ze recht op had…

Logische volgende stap: een live-plaat. En die bevat begin dit jaar tijdens zijn theatertournee “Geen Wereldtitel” in de Kleine Komedie in Amsterdam en in De Schalm in Veldhoven gemaakte opnames. In het gezelschap van zijn uit Gabriël Peeters (piano, gitaar, bijzang), BJ Baartmans (akoestische en elektrische, mondharmonica, bijzang), Gerald van Beuningen (bas, bijzang) en JJ Goossens (drums, bijzang) bestaande Hartenjagers en met speciale gasten als Rick de Leeuw (parlando), Guus Meeuwis (zang, gitaar) en Gerard van Maasakkers (zang) brengt Roy op “JW Roy leeft.” een knappe bloemlezing uit het materiaal op “Laagstraat 443” en “JW Roy”. De nadruk ligt daarbij bijna als vanzelfsprekend op wat meer ingetogen materiaal. In de songs waarin Koning Emotie regeert is Roy nu eenmaal gewoon het sterkst. Naast knappe lezingen van ondermeer “Niemend In De Stad”, “Ik Blijf Bij Jou” en “Nie Meer Goed” biedt “JW Roy leeft.” echter ook nog heel wat andere redenen om je het album onverwijld aan te schaffen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld een heel erg mooie versie van het van dialectband Skik bekende “Op Fietse”, hier herdoopt tot “Mi De Fiets”, het met een parlando van Rick de Leeuw ingeleide “Mijn Vriend”, een met Guus “Het Is Een Nacht” Meeuwis gedeelde “Tranen Gelachen” en de spiernaakte, maar werkelijk huiveringwekkend mooie “kleedkamerversie” van “As Ge Ooit” met Gerard van Maasakkers.

Al bij al is dit voor ’s mans vele fans gewoon zo ongeveer de mooist denkbare afsluiter van “Het Jaar van JW Roy”.

JW Roy

Munich Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “The Imus Ranch Record” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het Amerikaanse echtpaar Don en Deirdre Imus heeft zijn leven grotendeels in het teken gesteld van liefdadigheidswerk. Op hun Imus Ranch, een van de activiteit bruisende veeboerderij, ontvangen ze jaar in jaar uit kinderen met kanker of andere ernstige bloedaandoeningen. Een nobel bestaan, dat al voor zo menig een dag van intens geluk in anders voornamelijk door pijn getekende leventjes heeft gezorgd. En zoiets spreekt zich rond natuurlijk. Toen de verder ondermeer ook van een eigen talk show bekende Don Imus dus het idee opvatte om middels een compilatiealbum fondsen voor zijn ranch in te zamelen, vond hij heel wat bekende namen bereid om een duit in het zakje te komen doen. Imus koos zelf de liedjes op die plaat uit en plakte ze vervolgens op de volgens hem meest geschikte artiest. En het moet gezegd, hij heeft daarbij een prima job gedaan. Lucinda Williams hier bijvoorbeeld “Mamas Don’t Let Your Babies Grow Up To Be Cowboys” horen brengen is een waar genoegen. En ook Delbert McClintons lezing van Claptons “Lay Down Sally”, Patty Loveless’ kijk op Stevie Nicks’ “Silver Springs”, Levon Helms benadering van Arthur Alexanders “You Better Move On”, Raul Malo’s soulvolle versie van het van Charlie Rich bekende “Life Has Its Little Ups And Downs”, Little Richards uitermate swingende schop onder de kont van het door Webb Pierce en Mel Tillis gepende “I Ain’t Never” en Willie Nelson gecroon in “What A Difference A Day Makes”, ze mogen er zonder uitzondering allemaal wezen. Net als Dwight Yoakams knap honkytonkende rush doorheen wijlen Doug Sahms “Give Back The Key To My Heart”, Bekka Bramletts werkelijk van de soul overlopende, door haar zelf geschreven, maar door Gretchen Wilson populair gemaakte “What Happened”, John Hiatts perfect bij zijn recentere materiaal aansluitende voordracht van “Welfare Music” van de Bottle Rockets en Vince Gills met Patty Loveless ingeblikte versie van Porter Wagoners klassieker “A Satisfied Mind” trouwens. Zelfs een door Randy Travis naar ons gevoel net iets té melig gecroonde interpretatie van “I Don’t See Me In Your Eyes Anymore”  van opnieuw Charlie Rich en een schaamteloze Big & Rich-aanslag op de Beastie Boys-fuifkraker “You’ve Got To Fight For Your Right To Party” vermochten er ons uiteindelijk absoluut niet van te overtuigen om aan deze schijf minder dan vier sterren toe te kennen.

Imus Ranch

New West Records

Sonic Rendezvous

 

MJ BISHOP “Pull Of The Moon” (I.E.B.U.)

(4****)

 

Ik moet eerlijk bekennen, dat haar naam me voor ontvangst van haar jongste CD totaal vreemd was. MJ Bishop? Hoegenaamd nog nooit van gehoord! Blijkt nu dat “Pull Of The Moon”, het album in kwestie, reeds haar derde is. En wat meer is, het is het type van plaat waarvoor je me altijd mag wakker maken. Bishop is immers gezegend met een dijk van een stem en dealt in het soort van pure Americana, waarvoor je met plezier weer eens een vers blikje superlatieven opentrekt. De Canadese houdt zich daarin op in dezelfde muzikale wateren, die ook collegae als een Neko Case, een Gillian Welch, een Jesse Sykes en de Cowboy Junkies graag mogen frequenteren. Country? Ja, maar dan wel met een flinke twist. Meer alt. of Americana eigenlijk, akoestisch van opzet en veelal eerder aan de introspectieve kant. En bovendien ook tekstueel heel erg sterk. Bishop heeft echt niet veel nodig om met een goed verhaal op de proppen te komen. Het wel strafste voorbeeld bij die stelling is “Ode To Big Blue”. In dat door en door melancholisch juweeltje brengt ze met het accordeon in aanslag en met zo’n heerlijk ouderwetse snik in de stem een hulde aan haar eigen gitaar. Prachtig gewoon! Elders weeft ze haar stories met zorg rond thema’s als hartzeer, verlossing van een nine-to-five job, de liefde of gewoon het leven van alledag in zijn niet altijd even fraaie totaliteit. En daarbij weet ze zich vakbekwaam geruggensteund door ondermeer Nancy K. Dillon en Thornton Bowman (backing vocals), Bob Knetzger (pedal steel, dobro en banjo), Paul Elliott (fiddle), Chris Spencer (elektrische), Paula Walters en Doug Miller (staande bas), Traci Hoveskeland (cello) en Aimee Zoe Tubbs (drums en percussie). Voor mij een echte openbaring!

MJ Bishop

CD Baby

 

Home