CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JUBAL LEE YOUNG “On A Dark Highway” - TRAILERPARK IDLERS “Fifty Gallons Of Lightning” - MAGGIE BJORKLUND “Shaken” - JOSEPH LEMAY “Seventeen Acres” - KENNY BUTTERILL “Troubadour Tales” - ROXANNE DE BASTION “Seeing You EP” - HANNAH ALDRIDGE “Razor Wire” - CAHALEN MORRISON & COUNTRY HAMMER “The Flower Of Muscle Shoals” - THE ROYS “The View” - TOM FREUND “Two Moons” - ROB MCHALE “Fields” - THE SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Burn & Shine” - NELSON WRIGHT “Orphans & Relics” - SID GRIFFIN “The Trick Is To Breathe” - WALTER SALAS-HUMARA “Curve And Shake” - JESSE BREWSTER “March Of Tracks” - JIM KEAVENY “Out Of Time” - CINA SAMUELSON “Roots & Memories” - ERNEST TROOST “O Love” - JAMES KEELAGHAN “History, The First 25 Years” - SPIKE FLYNN “Rough Landing” - CRIS CUDDY “The Best Kept Secret” - HARDIN BURNS “Down The Deep Well” - BOB CHEEVERS “On Earth As It Is In Texas” - KELLEY MICKWEE “You Used To Live Here” - PAUL COLLINS “Feel The Noise” - TOM GILLAM “Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” - MICKY & THE MOTORCARS “Hearts From Above” - LOS LONELY BOYS “Revelation” - DR. JOHN “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

 

JUBAL LEE YOUNG “On A Dark Highway” (Reconstruction Records)

(3,5****)

Is het überhaupt nog wel nodig om hier te vermelden dat Jubal Lee Young de zoon is van songwiters Steve Young en Terrye Newkirk? Wellicht niet. Waarom het dan toch doen, zal u zich afvragen. Wel, we hebben er een goede reden voor. Op z’n nieuwe cd “On A Dark Highway” waagt de jonge Young zich immers aan twee covers. Van… pa Steve en ma Terrye inderdaad. Vandaar dus…

Van z’n vader leent hij het ruim drie minuten lang als een heuse countrywervelwind doorheen je bestaan razende “The White Trash Song”, van zijn moeder het zich walsgewijs fraai voor de Sooner State verbuigende “My Oklahoma”. Vreemd genoeg klinkt hij in dat laatste juist meer dan zijn vader…

Dat hij zich precies aan dat liedje over Oklahoma boog was overigens ook helemaal geen toeval. De grote meerderheid van de nummers op “On A Dark Highway” blijken iets te maken te hebben met één der vele Amerikaanse staten. Voor Young dé gelegenheid om zijn eigen “road miles” te vertalen, te verklanken naar songgoed. Met een voor de gelegenheid doorgaans veel nadrukkelijker rockgetint geluid als voorheen. Met veel ruimte voor de elektrische gitaar alleszins. En die bespeelt “this time around” niet producer Thomm Jutz maar Young zelve.

Een potje bij momenten lekker wild om zich heen schoppende country rock is het resultaat. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het aan de vele nog volop hun zin doende vrije (country)radiostations in de Lone Star State opgedragen “Texas Pirate Radio”, de wel erg stevige groet aan het adres van z’n “Sweet Home Tennessee”, de door Michael Webb van buitengewoon sfeervol toetsenwerk voorziene Heartland rocker “My Kind Of Crazy” en het snedige duo “Under A Rock In Arkansas” en “Texas Girls”.

De volle vierenveertig minuten gaat het er gelukkig niet even stevig aan toe. Naast het al genoemde “My Oklahoma” zijn er voorts ook nog de fragiele trage “Careful With Your Heart”, het op zijn eigen manier soulvolle “Fearlessly” en de knappe rootspopdeun “She” als rustpuntjes. En dan vergaten we bijna nog het titelnummer. Want ook daarvoor ging de voet immers tijdelijk van het gaspedaal.

Al bij al gewoon weer een prima plaatje! En – Eerlijk is eerlijk! – we hadden van Jubal Lee Young eigenlijk gewoon ook niks anders verwacht…

Jubal Lee Young, CD Baby

 

TRAILERPARK IDLERS “Fifty Gallons Of Lightning” (Fortune Records)

(3,5****)

De Trailerpark Idlers – Vrij vertaald: de leeglopers uit het woonwagenpark! – zijn een hoogst interessant alternatief countrybandje uit “of all places” Norrkoping in Zweden. De groep werd al in 2006 boven de doopvont gehouden door zanger-gitarist Morgan Hellmann en bassist JK Anderson. En de huidige line-up ervan is al sinds 2008 samen. Toen vervoegden zangeres Miss LisaLee en tweede gitarist Ben Dee Salmeranta immers de rangen. Met verder overigens ook nog Gustav Berry als fiddler.

“Fifty Gallons Of Lightning” bleek tot onze grote verbazing al het twaalfde album van de groep. En het deed hier alvast spontaan de drang naar een serieus inhaalmanoeuvre ontstaan. Want de “Idlers” benaderen het door ons zo gesmaakte alt-countrygegeven op wel zeer interessante wijze. Eigenzinnigheid “rules” hier! Invloeden als de Carter Family, de Louvin Brothers, Hank Williams, de Stones, Johnny Cash, Nick Cave en de Ramones gaan als het ware samen in een grote betonmolen. En afhankelijk van de precisie waarmee die bestanddelen samengemikt en aan het draaien worden gebracht, komen er telkens weer andere resultaten vrij.

Openingsnummer “Bend& Obey” vormt zo bijvoorbeeld de wat ons betreft ideale introductie tot Miss LisaLee en haar maats. Old-timey stringband music misschien, maar dan wel met weerhaakjes stevig in het vlees van het hier en nu verankerd. Meteen daarna lijkt het wel alsof Nick Cave en Kylie Minogue de handen weer eens in elkaar hebben geslaan. Met als resultaat het sfeervolle streepje schuifelcountry “Goodbye Baby”. “Moonshinin’ Man” is aansluitend daarop één van dé absolute prijsbeesten van “Fifty Gallons Of Lightning”. Rammelcountry met een bluesy biesje van de allerbovenste plank gewoon, dat liedje! “Where Did You Go, Mary-Anne?” blijkt vervolgens een heerlijke epische folktrage, “Seven Horses” opnieuw zo’n sympathiek alternatief countryrammelaartje en “Sing With The Bird, Talk To The Cat” een maar moeilijk onder woorden te brengen beurt voor het bluegrassgenre.

In de prachtballade “God Damn You” wijst zo ongeveer alle bewijsmateriaal overduidelijk richting de Carters, het hypernerveuze “I Fell Again” klinkt bij momenten als het ware als “Lou Reed gone Americana” en “So Long Little Darlin’” is gewoon een hele lekkere bruisende old-timey countrydeun met een wat scherper randje tout court. “Losing Myself” strandt in al zijn aangename klaaglijkheid muzikaal gezien ergens in de buurt van ons aller Lucinda en “Get Down On Your Knees, Sinner” kruidt z’n sowieso al aardig catchy uit de hoek komende countrygumbo ook nog eens met een royale prise rete-aanstekelijke rockabilly. Met het verhalende “Willy Went Wild” belanden we vervolgens in Cash-Boom-Chicka-Boom-territorium en het afsluitende “My Woman Sings Hallelujah All Night Long” verraadt nadrukkelijker dan wat dan ook hier een zekere voorliefde voor Nick Cave en zijn Bad Seeds.

Trailerpark Idlers

 

MAGGIE BJORKLUND “Shaken” (Bloodshot Records / Bertus)

(4****)

Haar roots mogen we dan al in Deense bodem moeten gaan zoeken, louter muzikaal gezien schuilt er naar onze als steeds bescheiden mening in Maggie Bjorklund toch meer van een Amerikaanse. De voorbije jaren wierp ze zich zo bijvoorbeeld steeds vaker op als een begenadigd talent op de pedal steel. En ook haar solodebuut “Coming Home”, in 2011 opgenomen met schoon volk als die van Calexico, Jon Auer en Mark Lanegan, verraadde überhaupt veel meer affiniteit met de States dan met Europa. Elementen uit (alternatieve) country, pop en rock vielen elkaar daarop als oude bekenden bij een blij weerzien in de armen. Niet zelden gebracht met een psychedelisch randje of gekenmerkt door een zwaar filmisch karakter.

En in dat opzicht is er op “Shaken” maar weinig nieuws onder de zon te bekennen. Bjorklund zweert duidelijk trouw bij haar succesformule. Behoorlijk turbulente tijden in haar eigen leven zingt en speelt ze van zich af in de nabijheid van kanjers als de je onder meer van zijn samenwerkingen met PJ Harvey bekende producer-gitarist John Parish, bassist Jim Barr uit de entourage van Portishead, drummer John Covertino van Calexico en celliste Barb Hunter. En verder is er ook nog een opgemerkte cameo van Lambchop-kopstuk Kurt Wagner. Met hem deelt Bjorklund de quasi onaards schone sleper “Fro Fro Heart”.

En op de keper beschouwd sleept “Shaken” zich eigenlijk gewoon in z’n geheel statig voort. De plaat heeft iets nadrukkelijk herfstigs over zich. Met daarbij voortdurende hoofdrollen voor Bjorklund als een openlijk met haar gevoelens worstelende sirene en haar pedal steel als ideaal uitdrukkingsmiddel voor zoveel emotionaliteit.

Gaan we naar ons gevoel, als binnenkort de bladeren weer in alle hevigheid beginnen vallen, dan ook nog heel wat plezier aan beleven, aan dit schijfje!

Maggie Bjorklund, Bloodshot Records

 

JOSEPH LEMAY “Seventeen Acres” (Joseph LeMay Music)

(5*****)

Een eerste keer luisteren naar “Seventeen Acres”, de onlangs verschenen debuutplaat van de jonge Amerikaanse singer-songwriter Joseph LeMay, heeft zo ongeveer hetzelfde effect op een mens als in een moment van onoplettendheid in een achteloos ergens op een stoep achtergelaten bolletje gebruikte kauwgom trappen. Je kan daarna nog doen wat je wil, er vanaf geraken is bepaald niet vanzelfsprekend… Daar waar het op je schoenen achtergebleven “sticky” goedje echter al snel een bron van ergernis gaat vormen, blijken LeMays een enigszins vergelijkbare uitwerking hebbende muziekjes al even ras metgezellen waar je eigenlijk absoluut niet meer zonder wil. De elf songs op ’s mans debuut werkten op ons alvast hoogst verslavend. Wij zouden zelfs zó ver durven te gaan, om “Seventeen Acres” tot het selecte kransje der allerbeste Americana-cd’s van 2014 tot op heden te rekenen.

Maar het is dan ook een geheel met een wat apart ontstaansverhaal. Eigenlijk werd het zaad ervoor geplant, toen LeMay en zijn op dat moment nog kersverse bruid Molly besloten om hun drukke leventje in Nashville te verruilen voor een bestaan ver weg van alles en iedereen in West Tennessee. In een aftandse, nog helemaal leefbaar te maken “singlewide trailer” vond onze man niet enkel de door hem zo begeerde rust, maar ook tonnen aan inspiratie voor het materiaal dat uiteindelijk op zijn eersteling belanden zou. (En voor later nog te volgen platen!)

Voor elf lappen Americana en rootsy pop, die ons vooral in rustigere momenten wel eens deden denken aan het materiaal van de door ons ook heel erg gewaardeerde zingende songsmid Clarence Bucaro. Ook stemgewijs bewandelt LeMay trouwens enigszins vergelijkbare paden als deze laatste. Ook hij heeft aan z’n gloedvolle falset een bepaald niet te onderschatten bondgenoot. Zeker in de al even aangesproken introvertere nummers. Die krijgen zowel door hun precieuze, eerder sobere muzikale invulling, als door LeMays buitengewoon warmbloedige benadering van zijn eigen teksten een zeker aura van tijdloosheid om zich heen. De rust die van veel van LeMays liedjes uitgaat reflecteert als het ware perfect hun “roots” in het ongerepte. En hunkeren we daar ergens diep vanbinnen niet allemaal een beetje naar?

Van het autobiografische, in z’n titel naar de omvang van de streep van Molly’s grootvader verworven land waarop hun huidige onderkomen zich bevindt verwijzende titelnummer tot het ook al volop in gevoelens van oprechte liefde badende “You Still Do It” of het schokschouderende streepje country soul “Crazy Woman”, van de intimistische parel “Fruit On The Vine” tot het volledig a capella gedeclameerde “Warrant For My Worry” of het op de keper beschouwd eerder herfstig aandoende “Call It Quits”, van de knappe ingehouden rootsrocker “Nothing You Can Do” tot het aan de naam van een lokaal plantje opgehangen “Possumhaw”, het op bijzonder lentefrisse wijze zijn wederhelft bejubelende swingertje “Molly My Girl” en de werkelijk bloedmooie ballades “Redwing” en “Just So”, dit is allemaal zó ontzettend mooi… Eigenlijk schieten woorden ons gewoon tekort voor een passende beschrijving….

Wat ons betreft heeft Joseph LeMay met “Seventeen Acres” de eerste regels van een langlopend succesverhaal geschreven. Hopelijk volgt u ons in die opvatting en kunnen we de beste man eerlang ook op podia hier te lande bewonderen.

Joseph LeMay

 

KENNY BUTTERILL “Troubadour Tales” (NoBullSongs.com Records)

(4****)

Met de Canadees Kenny Butterill zullen wij hier altijd wel iets van een speciale band blijven hebben. Zijn vorige cd, het knappe “Just A Songwriter”, was immers één van de allereerste albums, die we voor Ctrl. Alt. Country bespraken. In april van 2003 was dat. Ruim elf jaar geleden al dus. Véél te lang eigenlijk…

Maar goed, nu is er dus weer eens nieuws van de beste man. En hoe! “Troubadour Tales” is niets minder dan een superieure Americana-cd. Beklijvend van minuut één tot en met minuut negenenveertig. Echt tot de nok toe gevuld met pareltjes. We overlopen ze hier alvast even met je! Om te beginnen is er het heerlijk satirische, in onvervalste JJ Cale-schuifelstijl afgeleverde “Good Thing That Couldn’t Happen Here”. Wat een entrée! En enkel nog maar het topje van de ijsberg, zo zal al snel blijken… Aan een behoorlijk stevig tempo volgen de hoogtepunten elkaar daarna op.

Via het zomers lome, in eerste instantie vooral door de aanwezigheid van good old Donovan op de mondharmonica erin opvallende “Gaia Blues” over de bedaarde countryrocker “Old Man And The Kid” tot “Flying With Buddha”, een niet enkel heel erg spiritueel, maar ook heel erg bluesy aandoend intermezzo. Van het romantische, maar bepaald niet melig werkende “Cyrano’s Song” over het schitterende JJ Cale-eerbetoon “Hocus Pocus” tot het sfeergewijs ergens in de buurt van Jimmy Buffett strandende “Pajaro Dunes”. Van de met Audrey Auld gedeelde ode aan een simpel leven “Dead End Of The Dirt Road” over de door Sarah Elizabeth Campbell – Hier voor het laatst aan het werk vlak voor haar dood! – mee naar eenzame hoogten getilde ballade “The Greatest Love Story Never Told” tot het ons van opzet weer aan JJ Cale herinnerende “True North”. Van “Willie We Miss Ya”, een tweede eerbetoon, ditmaal aan het adres van de legendarische Willie P. Bennett, over het dromerige “Woman In A Canoe” tot de afsluitende bonus track, een reprise van openingsnummer “Good Thing That Couldn’t Happen Here”. Wat ons betreft niet één enkel “accident de parcours”! Precies zoals het hoort na zulk een lang uitgevallen afwezigheid dus…

Produceren deed Butterill dit uit louter eigen liedjes opgetrokken muzikale bouwwerk overigens ook zelf. Muzikale hand-en-spandiensten waren er daarbij niet enkel van het al genoemde trio Donovan Leitch, Audrey Auld en Sarah Elizabeth Campbell, maar ook van tal van anderen, waaronder Ray Bonneville, Zoe Muth, Redd Volkaert, Cindy Cashdollar, David Grier, Washboard Hank, Rob Ickes, John Reischman en Linda McRae ons opvielen als de bekendsten.

Kenny Butterill, CD Baby

 

ROXANNE DE BASTION “Seeing You EP” (Hidden Trail Records)

(4****)

U houdt van wel van artiestes als een Suzanne Vega, een Joni Mitchell, een Judy Collins, een Martha Wainwright of een Laura Marling? Dan is de kans vrij groot, dat u ook aan deze in Duitsland geboren, maar ondertussen wel in Engeland, in Londen meer bepaald, verzeild geraakte jonge chanteuse een flink kluif zal hebben. Met haar kristalheldere stem zal ze u ogenblikkelijk in vervoering brengen, met haar even mooie, als eenvoudige liedjes volledig vloeren. Alsof er een engeltje op uw tong piest, zo lekker!

Veritabele songschoonheden als het breekbare “Wasteland”, waarin ze het onder meer heeft over het wellicht bekendste stukje Berlijnse Muur, de vermaarde East Side Gallery, en de atmosferische pianoballade “Rerun” zullen u ogenblikkelijk doen hunkeren naar meer. Meer, zoals hier ook al geboden in het titelnummer en het afsluitende “Same Moon”, twee al even prachtige introspectieve deuntjes.

Om er romanticus John Keats nog maar eens bij te sleuren: “a joy forever”, want ontegensprekelijk “a thing of beauty”!

Roxanne de Bastion

 

HANNAH ALDRIDGE “Razor Wire” (TroddenBlack Entertainment)

(4****)

Schone Hannah Aldridge heeft het duidelijk van geen vreemden. De nu zesentwintigjarige Amerikaanse uit Muscle Shoals is immers een dochter van plaatselijk icoon Walt Aldridge, een man met een curriculum zó lang dat je er moeiteloos de afstand tussen datzelfde Shoals en Nashville mee overbrugt. Het klassieke verhaal van de appel die nooit echt ver van de boom valt dus…

En van die Hannah Aldridge is er nu “Razor Wire”, een met producer Chris Mara in Nashville ingeblikte collectie liedjes, waarvoor wat ons betreft regelmatig de omschrijving ronduit verbluffend uit de kast mag. Negen van de tien daarvan zijn eigen originelen, het tiende is een passenderwijze ook met diens groep The 400 Unit gebrachte cover van streekgenoot Jason Isbells “Try”. Verdere studio-hand-en-spandiensten werden Aldridge onder meer verleend door Andrew Sovine (elektrische en akoestische gitaren en lap steel), Brad Pemberton (drums en percussie), Lane Baker (bas en backing vocals), Andrew Higley (keyboards en zaag) en James en Dylan LeBlanc (backing vocals en leadgitaar in de soulvolle rootssleper “Lie Like You Love Me”).

Dat laatste is wat mij betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten op “Razor Wire”, al moet me zo ongeveer in één en dezelfde adem dan wel van het hart dat er daarvan op het album nogal wat te rapen vallen. Ik noem in die context bijvoorbeeld graag ook al openingsnummer “You Ain’t Worth The Fight”, een me in al z’n rockende verbetenheid zowel aan Maria McKee als aan Tom Petty herinnerende afscheidssong. Of “Old Ghost” ook, een op lijzig twangend gitaarwerk van Andrew Sovine als een fluitje van een cent diepe voren doorheen het luisteraarsbewustzijn trekkend rootsrockertje. Om nog maar te zwijgen van het “moody”, door de op bezwerende wijze “zingende” zaag van Andrew Higley mee naar eenzame hoogten getilde sfeerstukje “Strand Of Pearls”, het samen met Dylan LeBlanc gebrachte titelnummer, de “schijnpianoballade” “Parchman” en “Howlin’ Bones”, een nog a capella ingezette, maar al snel naar alle mogelijke in de buurt opduikende instrumenten grijpende en van pure woede levende onafhankelijkheidsverklaring. En dan zijn er ook nog de door haar zesjarige, naar Jackson Browne vernoemde zoon geïnspireerde trage “Black And White”, het hoger al even ter sprake gekomen “Lie Like You Love Me”, een de scheidingslijn tussen louter lust en de verslaving aan daarmee gepaard gaande gevoelens zo goed als volledig uitvlakkende sleper, en het meteen daaropvolgende “Lonesome”, waarin Aldridge zich in een wel heel erg melancholische bui over de ogenschijnlijk nog steeds flink aan haar knagende scheiding van haar eigen ouders buigt. “I can’t put my finger on it,” fluisterzingt ze daarin, “I don’t know who’s to blame, but the one thing that I’m sure of is lonesome goes both ways.” Laat aan duidelijkheid maar bitter weinig te wensen over… Afgesloten wordt er met een volledig akoestisch gehouden reprise van het titelnummer.

“Dark Americana” is de omschrijving die Aldridge naar verluidt zelf graag op haar materiaal plakken mag. En die benaming heeft ook best wel iets. Met name het scherpe randje, dat aan veel van haar teksten zit, rechtvaardigt wat ons betreft het adjectief “dark” volkomen.

Hannah Aldridge

 

CAHALEN MORRISON & COUNTRY HAMMER “The Flower Of Muscle Shoals” (Free Dirt Records / Music & Words)

(5*****)

Een beetje rootsmuziekliefhebber kent deze knaap natuurlijk al een poosje als één helft van het onvolprezen old-time duo Cahalen Morrison & Eli West. Met die West leverde Morrison de voorbije jaren achtereenvolgens de prachtalbums “The Holy Coming Of The Storm” (2010), “Our Lady Of The Tall Trees” (2012) en “I’ll Swing My Hammer With Both My Hands” (2014) af. Stuk voor stuk echte toppers in hun genre. En dat kan zeker ook weer gezegd worden van ‘s mans nieuwste.

“The Flower Of Muscle Shoals”, z’n zelfs met een meteen aansprekende titel gezegende debuut met z’n nieuwe groep Country Hammer, is één groot feest voor getrainde countryoren. Veel meer dan voorheen durft Morrison op dat nieuwe album bij tijd en wijle z’n old-time roots ten dele te verloochenen. Met Jim Miller (leadzang, harmony vocals, akoestische gitaar en Telecaster), Robert Adesso (harmony vocals en akoestische gitaar), Mary Maass (fiddle), Dave Harmonson (pedal steel) en Michael Thomas Connolly (elektrische en akoestische bassen en accordeon) waadt de beste man hier twaalf nummers lang doorheen een stroom aan country van het werkelijk allerbeste soort. Tekstueel verrassend sterk, muzikaal verbluffend goed! Enerzijds de invloed van literaire voorgangers als een Gabriél Garcia Marquez, een Tomas Tranströmer, een Waddie Mitchell en vooral ook een Cormac McCarthy nergens ontkennend, anderzijds muzikaal zó breed gaand, dat “The Flower Of Muscle Shoals” iets krijgt van een geslaagde spagaat tussen de grote Hank Williams zaliger en Dwight Yoakam in z’n beste momenten.

Gelijk van bij het door Country Dave op z’n pedal steel onderbouwde en door Morrison klaaglijk de avond in gecroonde “Nighttime Is Here On The Valley” weet je als luisteraar instinctief pertinent zeker dat er je mooie dingen te wachten staan. Moois als het zacht swingende titelnummer “The Flower Of Muscle Shoals”, het ons op de één of andere manier wel wat aan Porter Wagoner herinnerende “Cascabel Valley”, het als een volleerde two-stepper over een hardhouten honky-tonk dansvloer zwevende “Sorrow Lines The Highway Of Regret”, het op wel heel erg aansprekende wijze “gepickte” countrybluesje “The Delta Divine”, de ook al ronduit sublieme “tegeltrekker” “Over And Over And Over Again”, de zich in een diepe poel van berouw wentelende ballade “I’ve Won Every Battle, But I’ve Lost Every War”, het vrijwel van z’n eerste tot z’n laatste noot tussen Western swing en bluegrass twijfelende “Our Love Is Like A Hurricane” en het op vergelijkbare wijze het muzikale erfgoed van Doug Sahm aan een eerder onopvallende cajun feel helpende “San Luis”. En dan vergaten we hier bijna nog de tranen met tuiten richting je biertje huilende sleper “Through Your Window”, het ook al met een catchy cajun-motiefje stoeiende, zomerse Americana-deuntje “Hobbled And Grazing” en het afsluitende, quasi op z’n Dwight Yoakams wat rock & roll z’n country binnensmokkelende “A Daisy In Tennessee”.

Ergens hoog daarboven onderbreken Hank, Buck, Johnny, Porter en wat van hun vaste kaartmaats momenteel naar alle waarschijnlijkheid even hun wekelijkse potje. Goedkeurend leunen ze voorzichtig over hun wolk om een glimp van die knaap daar beneden op te kunnen vangen. Met een brede grijns om de mond weten ze zich alvast weer voor een poosje verzekerd van gepaste navolging…

Cahalen Morrison & Country Hammer, Music & Words

 

THE ROYS “The View” (Rural Rhythm)

(4****)

Toch wel één van dé bluegrass-succesverhalen van de voorbije jaren, dat van The Roys. En het ziet er ook niet meteen naar uit, dat broer en zus Lee en Elaine Roy zich in hun drang naar voren nog makkelijk zullen laten afstoppen. Met elke nieuwe plaat weer tonen ze zich wat zelfverzekerder. En dat leidde in het geval van hun vierde, het onlangs verschenen “The View”, tot het terugvallen op hun eigen touring band voor het inblikken ervan. In hun eigen studio moesten elf nieuwe liedjes eraan geloven. Onder alle elf prijkte mee de naam van Lee, onder een vijftal ook die van Elaine.

“The View” staat op de keper beschouwd voor louter ouderwets geschoold bluegrassvertier. Daarmee bedoelen we dat het album werd ingespeeld door een zich van respectievelijk een akoestische gitaar, een fiddle, een mandoline, een banjo, een dobro en een staande bas bedienend collectiefje, dat doorgaans braafjes naar de wetten van het genre luistert. Alles lijkt daarbij voortdurend te draaien rond de elkaar zeer mooi aanvullende stemmen van de beide Roys en hun ook al eerder traditioneel opgevatte teksten. Familie, God en vaderland vormen daarin zo’n beetje de hoekstenen.

Met als uitschieters wat ons betreft het uitermate lentefrisse liefdesliedje “No More Lonely”, de op subtiele wijze de ziekte van Alzheimer aankaartende ballade “Sometimes”, het vingervlug ja tegen het leven zeggende “Live The Life You Love”, titelnummer “The View”, het met mandoline-maestro Doyle Lawson in de buurt neergelegde eerbetoon aan de doopvader van het bluegrassgenre Bill Monroe “Mandolin Man” en “Northern Skies”, een met name van de fantastische wisselwerking tussen banjo en mandoline erin levende instrumental.

The Roys

 

TOM FREUND “Two Moons” (Surf Road Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Noteert u even mee in uw agenda? Van 15 tot en met 22 november aanstaande trekt de Amerikaanse songsmid Tom Freund doorheen de Lage Landen. En op donderdag 30 november doet hij daarbij ook het onvolprezen CC De Breughel in het Limburgse Bree voor een optreden aan. Iets om naar uit te kijken, gelooft u ons vrij!

In ons boek heeft Freund al lang niets meer te bewijzen. Ben Harpers maatje is gewoon een geweldige singer-songwriter, punt! Een meester-troubadour met een aangenaam melancholisch aandoende stem en een handje voor het pennen van echte wolken van liedjes. Beluister bij gelegenheid maar eens het drietal “Angel Eyes”, “Same Old Shit Different Day” en “Me And Bernice” van zijn nieuwe cd “Two Moons” en je zal ons allicht meteen bijtreden in die stelling. Het eerste is als het ware een antwoord op Randy Newmans hitje “I Love L.A.”. In dat overigens ook louter muzikaal gezien best wel wat aan Newman herinnerende liedje drukt Freund op bijzonder sfeervolle wijze zijn dankbaarheid aan het adres van zijn vrienden in de “City of Angels” uit. Het tweede is totaal andere koek. De titel doet je aanvankelijk even het allerergste verwachten, maar het blijkt achteraf al bij al nogal mee te vallen. Diep vanbinnen is Tom Freund nu eenmaal een onverbeterlijke positivo. “Too much craziness in my world,” stelt hij het ene moment vast om er het volgende zowat in één en dezelfde adem nog aan toe te voegen “I hope that craziness never goes away!” “Me And Bernice” tenslotte is eigenlijk al een wat ouder liedje, dat Freund speciaal voor de gelegenheid opnieuw opnam.

Voorts van die weer volop in melancholie en nostalgie badende nieuwe plaat zeer zeker ook nog het vermelden waard: de nummers “Next Time Around” en “Weekend Guy”, al was het alleen al maar omdat daarin respectievelijk Serena Ryder en Brett Dennen even hun opwachting komen maken. Zij zijn samen met de al even genoemde Ben Harper (in “Angel Eyes”), de je wellicht van zijn bijdragen aan Counting Crows bekende snarentovenaar David Immerglück en drummer Michael Jerome zowat de bekendste namen op de gastenlijst voor “Two Moons”.

Tom Freund, Lucky Dice Music

 

ROB MCHALE “Fields” (Wooden Door Records)

(3,5****)

Eens om de zoveel tijd komt er hier wel weer eens een nieuwe zingende songsmid voorbij, die ik als liefhebber van het Americana-genre pur sang zonder enige aarzeling stevig aan de borst kan drukken. Dat gebeurt bij nader inzicht zelfs meerdere keren per jaar. Het overkwam me bijvoorbeeld ook in 2010, toen ik zomaar “out of the blue” “Company Town”, het debuut van de vanuit North Carolina actieve Rob McHale, voorgeschoteld kreeg. Een erg mooie plaat was dat, waarin ik me echt ogenblikkelijk helemaal kon vinden.

En van die Rob McHale is er nu, goed en wel vier jaar later, eindelijk een nieuwe. En ook dat is weer een uitstekende plaat geworden. Tot de nok toe gevuld met liedjes met één oog op wat is en nog komen moet, het andere op wat al (een poosje) voorbij is. Het hier en nu, gezien door een niet zelden (maatschappij)kritische bril, hand in hand met verleden en toekomst. Met oog daarbij ook voor de eigen heimat en familie. En dat in een productie van Chris Rosser.

Bijzonder warmbloedige songs, gebracht met een al even warmbloedige stem. En precies dat is wat mij betreft McHale’s voornaamste troefkaart. Want hoe knap ook zijn liedjes en teksten, zonder die fraaie gebronsde stem van ‘m zou het toch allemaal niet hetzelfde geweest zijn.

Enkele luistertips: het duidelijk recht vanuit het hart komende “Back Home”, het ook al uitstekende, enige tellen lang richting Ierland lonkende “The Castlebar Races”, het gevoelige “Mother’s Love” en titelnummer “Fields”. Stuk voor stuk erg fraaie lappen (folky) Americana. ’t Is moeilijk om er niet van te houden…

Rob McHale, CD Baby

 

THE SOUTH AUSTIN MOONLIGHTERS “Burn & Shine” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Phil Bass (drums, percussie, backing en lead vocals), “Gentleman” Phil Hurley (gitaar, resonator, lap steel, backing en lead vocals), Josh Zee (tal van gitaren, backing en lead vocals) en Lonnie Trevino (diverse bassen, ukelele, percussie, glockenspiel, backing en lead vocals), je kan er na het bestuderen van de line-up amper om heen… The South Austin Moonlighters tellen inderdaad vier leadzangers in hun rangen. Hoogst opmerkelijk toch!

En dat blijkt bij nader inzicht ook hun muziek. Dit is “not your typical Lone Star State stuff”. Dit is gewoon Americana op z’n gevarieerdst. Voor inspiratie bij momenten behoorlijk nadrukkelijk terugharkend naar het verleden, puttend uit ruim dertig jaar aan rijkgevulde muziekgeschiedenis, te weten de sixties, de seventies en de eighties. Maar dan wel op hoogst eigenzinnige wijze. Dat wordt al vrij snel duidelijk…

Ik moet toegeven, dat het voor mij best wel even wennen was aan openingssalvo “IED” en “Land Mines”. Het ene een soort van “groovy” intro, het andere een streep (met elke nieuwe beluistering weer wat aan kracht bij winnende) power pop. En ook het daaropvolgende “Found My Way Back” vloerde mij niet direct. Hoe funky van opzet dan ook…

Maar nummer vier (“Old Engine”) bleek plots wél de perfecte tackle. Die uit quasi gelijke delen country, soul en (Southern) rock opgetrokken sleper had me meteen stevig bij m’n nekvel. En van dan af ging het plots snel. Wedden, dat na het ouderwets lekker rammelende, op “vettige achterbuurtengitaarwerk” geënte “Down To Hell”, het werkelijk als een sneltrein aan je voorbij knallende countryrockertje “King Of Friday Night”, het behoorlijk nadrukkelijk richting Motown – En meer bepaald de Four Tops dan! – lonkende “Can’t Live Without You”, het extreem catchy, elke hoek van de bar verkennende rockertje “One More Time”, het ritmegewijs de karakteristieke “chain gangs” van weleer imiterende bluesje “29 Miles”, het rootsfunkopstootje “Moonlight Ride”, de broeierige soulballade “Falling Out Of Love”, de reprise van een stukje “Moonlight Ride”, het al bij al behoorlijk sixties aandoende “Once I Saw A UFO”, het op voorbeeldige wijze blues en rock in zich verenigende “Burn & Shine” en “schuifelaar” “I’ll Be Around” ook jouw wijsvinger in geen tijd op de repeat-toets van je cd-speler zal belanden?

Markeer dus maar met een opvallend kleurtje: “De South Austin Moonlighters zijn geweldig!” Dat is ondertussen wat mij betreft namelijk verplichte leerstof…

The South Austin Moonlighters, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

NELSON WRIGHT “Orphans & Relics” (Nelson Wright)

(3,5****)

Begin 2013 lieten we ons hier al eens aardig lovend uit over de muziek van Nelson Wright. Naar aanleiding van ’s mans eerste cd “Still Burning” was dat. En al het goede wat we over die plaat al te vertellen hadden zouden we hier en nu eigenlijk zomaar kunnen herhalen met betrekking tot Wrights nieuwe worp “Orphans & Relics”. Ook daarop toont de beste man zich immers weer een meester in het naar aanstekelijke deunen vertalen van levendige verhalen. Negen stuks ditmaal.

En met die liedjes bestrijkt hij nogal wat muzikaal terrein. Openingsnummer “Miller’s Wheel” zou je zo met wat goede wil bijvoorbeeld kunnen bestempelen als Dylaneske Americana, het meteen daaropvolgende “Orphans Of The Past” als rootsy singer-songwriter rock en “Mama It Will Surely Do” als een akoestisch bluesje. “Who’s Fooling Who” stoeit vervolgens op aanstekelijke wijze met een speels jazzmotiefje, “Falling Out Of Something” doet iets vergelijkbaars met duidelijk aan rockabilly ontleende elementen en “Ten O’Clock Blues” is qua klankkleur z’n titel helemaal getrouw een sleper van het allerzuiverste soort. Door de aderen van “In Another Lifetime” vloeien aansluitend zowel wat jazz als folk, “Once I Was Loved By You” neigt naar croonen met een rootsy randje en het afsluitende “The Last Call Blues” is “just that”. Iets voor fans van knapen als een Tom Waits en een Dr. John, dat laatste liedje. En voor ons meteen ook de “primus inter pares”.

Wright blikte “Orphans& Relics” onder de productionele hoede van Michael Thomas Connolly op volledig analoge wijze in. Het resultaat van hun samenwerking is daardoor al bij al behoorlijk “vintage” gaan klinken. En precies dat was eigenlijk een beetje Wrights bedoeling, zo blijkt. Kwestie van de muziek die hem ooit zelf inspireerde gevoelsmatig zo dicht mogelijk te benaderen. Het ontlokte aan z’n maatje Connolly in een bevlogen moment alvast de veelzeggende omschrijving “dirty Americana”. Wij van onze kant houden het op “rootsy singer-songwriter stuff voor fijnproevers”.

Nelson Wright, CD Baby

 

SID GRIFFIN “The Trick Is To Breathe” (Prima Records)

(4****)

Was het echt alweer bijna tien jaar geleden, dat ex-Long Ryders-kopstuk Sid Griffin nog eens een soloplaat had afgeleverd? Niet te geloven eigenlijk! ’t Is aan dingen als deze, dat je merkt dat de tijd bepaald niet stilstaat. Je wordt ouder, papa…

Voor dat nieuwe album van ‘m, de opvolger van “As Certain As Sunrise” uit 2005, opteerde Griffin voor een totaal andere aanpak dan we de voorbije jaren van ‘m gewoon waren geraakt. Hij besloot nu eens geen beroep te doen op de muzikale kunstjes van z’n vaste maats, de Coal Porters, en trok voor de opnames van “The Trick Is To Breathe” richting de States. Naar Nashville meer bepaald, waar hij in het gezelschap van een groepje muzikanten, waarvan hij de meesten nooit eerder ontmoet had, elf eigen nieuwe liedjes en een cover van “Get Together” van de Youngbloods vereeuwigde. Samen met Thomm Jutz tekende hij zelf voor de productie. Muzikale hand-en-spandiensten verrichten Sierra Hull (mandoline), Justin Moses (banjo, fiddle en dobro), Mark Fain (staande bas), Paul Griffith (drums en percussie), diezelfde Jutz (akoestische gitaar), James T. Brown (backing vocals) en David Henry (strings).

Samen werkten zij een bij nader inzicht aardig varieerd geheel uit. Openingsnummer “Ode To Bobbie Gentry” herinnert zo bijvoorbeeld sfeergewijs met name door het gitaarwerk erin een weinig aan de vroege Dire Straits en aan JJ Cale. Vervolgens gaat het met “Blue Yodel No. 12 & 35” richting onvervalste old-time bluegrass. En met het ingetogen tweetal “Circle Bar” en “Between The General & The Grave” verdient Griffin zich wat ons betreft heel even een plaatsje naast groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Guy Clark. Dan is er het tegelijk een glimlach en een gevoel van vertedering oproepende “Elvis Presley Calls His Mother After The Ed Sullivan Show”. Een sterk staaltje “vintage Griffin”! En eigenlijk ideaal als overgang naar het met collega Greg Trooper geschreven “Everywhere”. Opnieuw een mooi staaltje van zachtjes aan je voorbijkabbelende singer-songwriter Americana. En dan is er die ene cover! En wat voor één! Wie had er achter “Get Together” van de Youngbloods een van de vitaliteit bijna uit z’n voegen barstende bluegrassdeun vermoed? Ik alvast niet!

Net voorbij halverwege belandden we daarmee. Wat ons dan nog rest zijn een wervelend instrumentaal intermezzo (“Front Porch Fandango”), een door acht van de bij de opnamen van “The Trick Is To Breathe” betrokkenen voorgedragen gedicht (“Punk Rock Club”), een streepje folk (“Who’s Got A Broken Heart”), een streepje ingetogen verhalende country (“We’ve Run Out Of Road”) en een streepje “grass” (het buitengewoon energieke “I’ll Forget You Very Well”).

Prima plaat!

Sid Griffin

 

WALTER SALAS-HUMARA “Curve And Shake” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ten huize Ctrl. Alt. Country eigenlijk altijd al een graaggeziene gast geweest, deze Walter Salas-Humara, en daarin zal ook met “Curve & Shake” weer geen verandering gaan komen. Met z’n eerste soloplaat sinds “Radar” uit 1995 meldt het Silos-kopstuk zich wat ons betreft zelfs behoorlijk indrukwekkend terug. Ruim tien nummers lang herinnert hij er ons op dat album weer aan, waarom we hem ooit net als zoveel anderen onvoorwaardelijke trouw zwoeren.

Gelijk van bij het openingsnummer, het aan ’s mans hese voordracht een zekere kwetsbaarheid ontlenende “Counting On You” zit het goed. Een bijzonder mooi liedje is dat! En ook het meteen daaropvolgende, samen met Jerry Joseph gepende en zich in een behoorlijk psychedelisch aandoend rockgewaad vertonende “The Craziest Feeling” scoorde direct hoog op onze “enthousiasmemeter”. Al bij onze eerste beluistering van “Curve And Shake” wisten we na die twee nummers al, dat “onze Walter” ons ook nu weer niet ontgoochelen zou. Een gevoel, dat zich al snel volledig bewaarheiden zou.

Onder meer het uitermate sfeervolle titelnummer, de naar onze normen echt wel extreem catchy folkpopdeun “Satellite”, de verbluffend knappe rockballade “What We Can Bring”, het al van I’m Not Jim, Salas-Humara’s project met schrijver Jonathan Lethem, bekende, maar hier wat meer richting een Silos-geluid gestuwde duo “Hoping For A Comeback” en “Uncomplicated” – Zie de cd “You’re All My People” uit 2008! – en de trage “I Love That Girl” waren daarvoor verantwoordelijk.

Al bij al een erg overtuigend album van een man waarvan we eigenlijk gewoon ook niks anders verwacht hadden. Met de medewerking van onder anderen de groep GrooveSession, Jerry Joseph & The Jackmormons, gitarist Jason Victor van Steve Wynns Miracle 3, top-percussionist Wally Ingram en vriendinnetje Amy Bagget. Produceren deed Salas-Humara “Curve And Shake” zelf.

Walter Salas-Humara, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

JESSE BREWSTER “March Of Tracks” (Crooked Prairie Records)

(3,5****)                         

“March Of Tracks”, een op het eerste gezicht misschien wat vreemd aandoende titel voor een plaat, maar bij nader inzicht toch ook weer niet zó raar. Een jaar lang werkte de jonge Amerikaan Jesse Brewster immers aan z’n derde. Twaalf maanden lang, aan het zichzelf opgelegde tempo van één track per maand. En die werd dan gelijk ook digitaal beschikbaar gesteld aan zijn fans. Een soort van defilé aan nieuwe liedjes dus. Een “march of tracks”!

En die twaalf liedjes, aangevuld met nog twee verdere nieuwe nummers, belandden onlangs dus ook effectief op een cd. Een album, waarop Brewster zich aandient als een met het oog op de toekomst zeker in het oog te houden talent. De man verstaat immers als geen ander de kunst om aan genres als country, folk, Southern rock en soul elementen voor extreem catchy, ogenblikkelijk toegankelijke te deunen te ontlenen. Nummers, waaraan je (in een wat rechtvaardigere wereld) als recensent voorwaar zomaar hitpotentie zou durven toe te dichten. En dat zowel aan tal van de op “March Of Tracks” in ruime mate aanwezige, al dan niet met country besprenkelde rockertjes, als aan de op dit soort van plaat haast verplicht ook van de partij zijnde ballads.

Van het heerlijk gruizig van leer trekkende “Make Or Break” tot het wat melancholischer rockende “Circles”, van de aan een onafwendbaar afscheid opgehangen trage “Left To Lose” tot de fraaie roots pop van “Rest Of My Life”, van het van tal van muzikale walletjes, waaronder Americana en gypsy jazz, tegelijk etende “World Closing In” tot het heerlijk funky uit de luidsprekers knallende “Can’t Keep A Good Man Down”, van de ongemeen sfeervolle instrumental “Far Cry From Home” tot de bij momenten op knap vierstemmig harmonieerwerk terende radiohit-in-wording “Innocent Sinners” en andere, “Jesse Brewster delivers”! En dat eigenlijk gewoon continu! Ik zou alvast geen nummer op “March Of Tracks” durven aan te duiden, dat ik echt slecht vind. Wel integendeel zelfs!

Als ik zou moeten kiezen tussen de nieuwe Ryan Adams en deze hier, dan zou mijn keuze zeer snel gemaakt zijn! In tegenstelling tot die plaat heeft Brewsters derde mij namelijk wél heel wat te bieden!

Jesse Brewster

 

JIM KEAVENY “Out Of Time” (Jim Keaveny)

(3,5****)

Nog niet eens zo heel erg lang geleden volstond het als het ware om een akoestische gitaar om te gorden en een wat rauwere keel open te zetten om prompt tot de zoveelste nieuwe Dylan te worden gebombardeerd. Niet dat iemand daar ook echt naar op zoek was, maar soit, dat speelde voor de handige zakenjongens die er zich zo fanatiek mee bezighielden natuurlijk geen enkele rol. Zij zochten zelfs met die wetenschap ergens in het achterhoofd gewoon driftig verder naar een volgend goudhaantje. En ze zouden zich wellicht de koning te rijk hebben gevoeld, mocht er in die dagen plots iemand als deze Jim Keaveny zijn komen aanwaaien.

Niet dat de in Bismarck, Dakota geboren en na heel wat omzwervingen uiteindelijk via Austin in Terlingua belande Keaveny niet z’n eigen merites zou hebben of zo, maar hij herinnert nu eenmaal in zo menig een opzicht wat aan “Ol’ Bawb”. Vooral door zijn stem en zijn manier van zingen dan. Datzelfde nasale geschuur, diezelfde wat lome voordracht. Maar dan wel in een door Dylan niet zo vaak aangedane context. Eentje van “Dust bowl Americana, sprinkled with a hint of 60s garage rock, Tex-Mex and a sense of humour,” aldus het begeleidende schrijven. Wat Dylan, wat Woody, wat Townes, zoiets.

Veertien knappe songs in totaal telt zijn vijfde soloplaat “Out Of Time”. En de titel daarvan blijkt ook geenszins misplaatst. Prachtdeuntjes als het de feestelijkheden openende Americana-tweetal “Eugene To Yuma” en “From The Black” lijken immers daadwerkelijk stevig geworteld te zitten in lang vervlogen songtradities. Zonder daardoor ook maar even gedateerd te gaan klinken lijkt Keaveny graag terug te grijpen naar “het muzikale land van ooit”. Met als z’n voornaamste bondgenoten die geweldige rasperige stem van ‘m, de eigen akoestische en een mondharmonica fladdert hij daarbij vaardig heen en weer tussen genres als Americana, folk, blues en andere.

Onze luistertips: het hoger al genoemde duo “Eugene To Yuma” en “From The Black”, de echt wel prachtige trage “I Found A Girl”, de uitermate aanstekelijke, door wijlen Doug Sahm ergens daarboven ongetwijfeld op een goedkeurend knikje onthaalde Tex-Mex-rockescapade “Parkin’ Meter” en het ronduit bezwerend werkende bluesje “Someone To Talk The Blues”.

Jim Keaveny

 

CINA SAMUELSON “Roots & Memories” (Cool Country Music)

(4****)

Met “Roots & Memories” is de Zweedse Cina Samuelson al aan haar vierde cd toe. Na drie eerdere albums gevuld met eigen nummers opteerde ze ditmaal voor een collectie songs van anderen. Deuntjes, waar ze onder invloed van een tante al als klein meisje leerde naar luisteren. Liedjes, die er haar later toe aanzetten om ook zelf country te gaan zingen.

Liedjes van onder anderen Dallas Frazier, Merle Haggard, George Jones, Buck Owens, Justin Tubb, Conway Twitty, Willie Nelson en Harlan Howard passeren zo de revue. Liedjes als “Ain’t Had No Living”, “Everybody’s Had The Blues”, “I’ll Give You My Heart”, “There’s More To Leaving Than Just Saying Goodbye”, “Honky Tonk Merry Go Round”, “Please Help Me I’m Falling”, “Mommy, Can I Still Call Him Daddy”, “Treat Me Mean Treat Me Cruel”, “What A Man My Man Is” en “You Took Him Off My Hands”. Met als opvallendste verschijningen: “Take Me”, gepend door wijlen George Jones en Leon Payne en hier gebracht in duet met publiekslieveling Dale Watson, “Love Is No Excuse”, ván Justin Tubb en hier mét Justin Trevino, en “Are You Sure”, ooit nog aan papier toevertrouwd door good old Willie Nelson en hier mee bevleugeld door Bobby Flores.

Opgenomen zoals dat vroeger ook steevast gebeurde, met z’n allen lekker samen in de studio, “live off the floor”. En dus klinkt “Roots & Memories” ook gewoon als een klassieke countryplaat. Met een geweldige zangeres als het stralende middelpunt van de belangstelling. Want dat is ze dus wel degelijk, he, deze Samuelson. Er vloeit een beetje Patsy Cline door haar aderen!

“I truly hope that these songs will catch your heart as they once caught mine!” Met die woorden hengelde Samuelson vooraf eerder bescheiden naar onze aandacht. Maar die bescheidenheid mag ze achteraf bekeken rustig opbergen, hoor! Dit is immers een prachtig staaltje van pure “old school country”.

Cina Samuelson

 

ERNEST TROOST “O Love” (Travelin’ Shoes Records)

(3,5****)

Bijzonder fijn schijfje weer, hoor, deze nieuwe van de Amerikaanse volbloed-songsmid Ernest Troost. Op de opvolger van het ook al erg toffe “Ernest Troost Live At McCabe’s” uit 2011 experimenteren de beste man en z’n gelegenheidsbegeleiders er bij momenten op los met elektrische gitaren en drums en dergelijke, wat behoorlijk nadrukkelijk resulteert in een veel voller geluid dan voorheen. En dat nieuwe pak zit Troost echt als gegoten!

Voor de productie liet hij zich ditmaal bijstaan door Dennis Reed en Louise Hatem. En in de studio mochten nogal wat in en om L.A. bekende muzikanten een handje toesteken. We noemen hier in dat verband graag even de namen van nachtegaaltje Nicole Gordon, bassisten Dave Stone en Mark “Pocket” Goldberg, drummers Ralph Humphrey en Steve Mugalian, percussioniste Debra Dobkin en fiddler Charlie Bisharat, muzikanten waarvan u vast al wel eens hoorde spreken in verband met acts als Richard Thompson, Bonnie Raitt, Dave Alvin, Chuck Prophet, Leon Redbone, Frank Zappa, Brian Wilson, Canned Heat en andere. Best wel schoon volk dus!

Dertien liedjes brengt Troost ditmaal in totaal. En die bestrijken puur stilistisch gezien nogal wat terrein. Nerveus boogiënd knallen we er al gelijk flink tegenaan met “Old Screen Door”. Daarna zijn er achtereenvolgens het vakkundig “gepickte” bluesje “Pray Real Hard”, het rootsy rockende titelnummer en het verstilde “Close”, een mooie, ons inziens volop onder de noemers folk en Americana vallende ballade. Met het bedaarde “Harlan County Boys” belanden we vervolgens even in bluegrassterritorium, om gelijk daarop met het intimistische “The Last To Leave” voorwaar even aan het walsen te slaan, in “Weary Traveler” een cursus “Hoe andere genres kruisbestuiven met rock & roll?” te krijgen en met “I’ll Be Home Soon” en “Storm Comin’” terug een eindje richting respectievelijk klassiek country singer-songwriterspul en akoestische blues op te schuiven. En uitgeluid worden we met een al even divers viertal. Met voorop de lieflijke folkdeun “Bitter Wind” en het opnieuw akoestisch bluesgetinte “When It’s Gone” en meteen in het kielzog daarvan de heerlijk warmbloedige, bij nader inzicht best wel wat Youngiaans aandoende Americana van “All I Ever Wanted” – Ontegensprekelijk het allermooiste nummer op “O Love”! – en het z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “The Last Lullaby”.

Onze coach zou zeggen: “Van afval in het spel überhaupt geen sprake!”

Ernest Troost, CD Baby

 

JAMES KEELAGHAN “History, The First 25 Years” (Borealis Records)

(5*****)

Waarom deze songsmid vooralsnog niet uitgroeide tot een echte wereldster is voor mij één groot raadsel. Veel beter dan de Canadees James Keelaghan worden ze immers niet gemaakt. Album na album opnieuw bewijst de beste man, waarom hij door velen van hen die hem wel kennen als de allerbeste liedjesschrijver van zijn land wordt beschouwd. En dat wil in de thuishaven van coryfeeën als een Leonard Cohen, een Gordon Lightfoot en een Neil Young toch al wat zeggen, niet?

Enfin, van die James Keelaghan is er nu, ruim vijfentwintig jaar ver in zijn carrière, de retrospectieve “History, The First 25 Years”. En die mag wat mij betreft gerust als voorbeeld voor nog te volgen vergelijkbare items worden gebruikt. “History” is gewoon prachtig van vormgeving en zo mogelijk nog mooier van inhoud! Het geheel ziet er op het eerste gezicht uit als een boek en bevat naast een achttien songs tellende en de loopbaan van onze man op treffende wijze illustrerende cd ook nog een dvd met een de verhalen achter z’n liedjes vertellende Keelaghan en een zeer verhelderend, 28 pagina’s dik en zijn hele levensgeschiedenis ook effectief samenvattend booklet. What more can you want?

Wat de muziek betreft worden we vergast op net geen tachtig minuten pure schoonheid. Folk- en rootsmuziek van één van haar allerbeste praktikanten überhaupt. Liedjes met een verleden op albums als “My Skies”, “A Recent Future”, “House Of Cards”, “Compadres”, “Timelines”, “Then Again”, “Small Rebellions”, “Road” en “Buddy Where You Been”. Voor het merendeel door Keelaghan zelf gepende prachtdeuntjes als “Abraham”, “Glory Bound”, “Lazarus”, “Sweetgrass Moon”, “Boom Gone To Bust”, “Fire Of Calais”, “Somewhere Ahead”, “Red River Rising”, “Rebecca’s Lament”, “Kiri’s Piano”, “Cold Missouri Waters”, “My Skies” en andere. “Medusa” schreef hij samen met Karine Polwart, “Mi Vida” samen met Oscar Lopez. Enkel het immer groene “Spanish Is The Loving Tongue” is een echte vreemde eend in de bijt.

Kan als kennismaking met één van de beste songwriters van de voorbije drie decennia überhaupt tellen. En als u mij niet op mijn woord zou willen geloven, dan is dit wat ’s mans gerespecteerde collega David Francey over hem liet optekenen: “James Keelaghan is a voice in contemporary Canadian songwriting that has helped us define who we are as a people. He writes with great humanity and honesty, with an eye to the past and a vision of the future. He has chronicled his times with powerful and abiding songs, with heart and eyes open.” Bijzonder mooie woorden en geloof me vrij, ze kloppen echt als een bus!

James Keelaghan, Borealis Records

 

SPIKE FLYNN “Rough Landing” (Spike Flynn)

(4****)

Mijn bespreking van Spike Flynns eerste cd “It’s Alright” in september van 2010 was bij nader inzicht al een liefdesbetuiging van het allerzuiverste soort. Met zijn teksten, “hem door eigen ervaringen ingegeven lappen poëzie, waaruit een grote bereidheid blijkt om het leven te accepteren zoals het is”, wist hij me toen al tot diep in m’n binnenste te beroeren. En dat is met het op “Rough Landing”, zijn “moeilijke tweede”, gebodene absoluut niet anders. Integendeel zelfs! De dertien liedjes daarop zijn in veel gevallen gewoon nog mooier dan die op die al zo gesmaakte voorganger. Aan te bevelen met name aan liefhebbers van het materiaal van klassieke singer-songwriters als Guy Clark, Townes Van Zandt en John Prine.

Laat je net als mij verleiden door veritabele songschoonheden als een “Fate And Freedom”, een “All You Lonesome Hobos” of een “Frozen Words (Neon Lit Cafe No. 2)”. In de eerste van dat drietal treffen we Flynn op zoek naar vrijheid en vrede in een enigszins zonderling café aan. Hij ontmoet er onder meer Fate, Death en Despair. Maar hun fatalisme haalt het uiteindelijk niet van de visie van Love. Op bezwerende wijze schrijft zij het positieve slot aan een tot dan toe eerder grimmig verhaal. Met de liefde als de sleutel voor een verder volledig zelf uit te stippelen levensweg. Echt een dot van een story song, dat liedje!

En ook in nummer twee van ons lijstje slaat Flynn volop aan het filosoferen. Tegen een mooie singer-songwriter country-achtergrond steekt hij daarin een hart onder de riem van alle zich in eenzaamheid en eindeloze twijfel wentelende zwervers. En dan is er nog nummer drie! En da’s op de keper beschouwd zo’n beetje mijn persoonlijke favoriet op “Rough Landing”. Flynn schreef het nummer vanuit het behoorlijk wanhopige standpunt van een door haar man met een kind achtergelaten vrouw. Zó en niet anders hoort naar mijn bescheiden mening een gebroken hart dus te klinken!

Heel wat vrolijker gaat het er dan weer aan toe in “Re-incarnation Train Whistle Blues”. Quasi terloops zijn titel alle eer aandoend verpakt dat nummer een vurige liefdesboodschap in pure kolder. Flynn, zelf duidelijk een non-believer als het gaat over reïncarneren, gunt een Boeddhistische waarheden verkondigende gesprekspartner met de tong aardig diep in de wang geplant heel even “het voordeel van de twijfel”. Hij richt zich tot z’n geliefde en spreekt de gevleugelde woorden: “Yes if it’s true and I feel that it may be, that’s cause for celebration. ‘Cause I’m coming back as a big steel train and you’re goin’ to be my railway station!” Een heel erg brede glimlach is dan op z’n plaats, niet?

Opnieuw vier sterren dus maar voor deze buitengewoon sympathieke zingende songsmid uit New South Wales, Australië!

Spike Flynn

 

CRIS CUDDY “The Best Kept Secret” (Cris Cuddy Music)

(3,5****)

Cris Cuddy is wat je noemt een “artist’s artist”. Terwijl zijn eigen carrière de voorbije jaren niet echt helemaal van de grond leek te willen komen, werden heel wat van zijn liedjes ondertussen wel door tal van andere artiesten met het nodige succes opgenomen. Van het in eigen land erg populaire Prairie Oyster (“Long & Lonesome Old Freight Train”) tot de Spinney Brothers (“Sally’s Waltz”), Jim Hurst (“Long& Lonesome”) en zelfs Mickey Newbury (“What If Frankie Doesn’t Like It”), stuk voor stuk deden ze maar wat graag een beroep op de songs van Cuddy. En het selecte clubje daarvan op ’s mans onlangs verschenen tiende “The Best Kept Secret” maakt al snel duidelijk waarom. Cuddy’s songs zijn inderdaad echte snoepjes van liedjes.

Van de mooie zomerse ballade “The Honey Tree” tot “Amy”, een jazzy eerbetoon aan de veel te vroeg overleden Amy Winehouse, het op bedaarde wijze het laatste stuk van z’n titel alle eer aandoende “The IBMA Blues”, het ingetogen, met z’n maat Jim Hurst gebrachte “Passing Through” of het speelse, aan een ingehouden rockabilly-motiefje opgehangen titelnummer, van het reflectieve dronkemanslied “Whisky Train” tot het door Emory Lester fiddlegewijs met wat klassieke countryflair opgewaardeerde “(Got A) Brand New Heartache”, de prachtige, bijna Springsteen-eske Americana-trage “Drive-Thru Daiquiri Bar”, de songgeworden reeks levenslessen “Ask The Flask”, de met een vleugje Mexicaanse romantiek overgoten love song “She Reminded Me Of You” en nog een handvol anderen, het zal je als liefhebber van het betere (Americana-)liedje echt heel erg moeilijk vallen om hier niet ogenblikkelijk ongeremd van gaan te houden.

Dit mooie album links laten liggen betekent ons inziens niet enkel Cris Cuddy maar vooral ook jezelf flink tekort doen!

Cris Cuddy, CD Baby

 

HARDIN BURNS “Down The Deep Well” (Ithaca Records)

(3,5****)

Het duo Hardin Burns debuteerde al in 2012 met het album “Lounge”. Nu, goed en wel twee jaar later, is er hun tweede worp “Down The Deep Well”. En net als z’n voorganger is ook dat weer een knappe Americana-plaat geworden. Geproduceerd door Andrew Hardin zelf samen met Gabriel “Gabe” Rhodes en gevuld met bijna louter eigen songs van het tweetal. Enkel een zeer mooie lezing van Richard Thompsons “Walkin’ On A Wire” vormt wat dat betreft een uitzondering.

Maar voorts dus een heerlijke “roots gumbo” met uitsluitend nog eigen ingrediënten. Met daarbij uiteraard veel ruimte voor de respectievelijke “fortes” van beide protagonisten. In het geval van Jeannie Burns – je nog bekend van haar rol binnen The Burns Sisters – is dat haar buitengewoon lenige, soulvolle stem, in het geval van Andrew Hardin – die velen allicht vooral zullen associëren met z’n verleden langs songsmid Tom Russell – uiteraard zijn expressieve gitaarspel. De nodige studio-ondersteuning vonden de twee bij Dony Wynn (drums en percussie), David Carroll (staande bas), Gabe Rhodes (keyboards, accordeon en een enkele keer gitaar) en Terry Burns (harmony vocals).

Geopend worden de feestelijkheden met het titelnummer. En dat strandt mede onder impuls van een aardig hypnotische groove ergens tussen country, folk en blues. Vervolgens is er meteen al het misschien wel allermooiste nummer van de plaat, “Back Porch”. Burns zingt daarin echt de sterren van de hemel naar beneden, Hardin bedrijft als het ware de liefde met z’n akoestische en Wynn zorgt voor wat vederlichte percussie. Het resultaat is zo’n typische laid-back beauty van een song zoals die inderdaad alleen ergens op een “back porch” in het diepe Zuiden van de States lijken te (kunnen) worden gemaakt. Bij “Blooming” dachten we hier vervolgens dan weer meteen aan acts als Bobbie Gentry en Tony Joe White. Nummers van elk van beiden zouden naar ons gevoel alvast perfect voor en achter dat liedje passen. Iets wat in het geval van de atmosferische Americana-sleper “Gentle Rain” overigens met evenveel waarheidsgehalte voor nogal wat van het materiaal van Lucinda Williams zou kunnen gelden.

Het enigszins aparte “The Call” komt vervolgens in al z’n lijzigheid voorzichtig even in de buurt van het universum van wijlen J.J. Cale, in het daaropvolgende “Ache” lijkt het wel of Chrissie Hynde van de Pretenders een eenmalig uitstapje richting bluesy wateren ondernomen heeft en “Get Back Home” is gewoon lekkere, quasi onopvallend aan je voorbij schuifelende singer-songwriter country. In “Run” slaan Jeannie en zus Terry dan samen met Andrew tegen een opvallend twangy gekleurde achtergrond aan het harmoniëren, alvorens met het al genoemde “Walkin’ On A Wire” de enige coverhalte wordt aangedaan en met het afsluitende “Wave Of Your Hand” de tenten weer dicht in de buurt van J.J. Cale worden opgeslagen. Met name Hardins gitaarspel noopt herhaaldelijk tot die laatste vergelijking. Maar dat mag u wat ons betreft eerder als een compliment dan als een minpunt beschouwen!

Hardin Burns

 

BOB CHEEVERS “On Earth As It Is In Texas” (Private Angel Records)

(4****)

“On Earth As It Is In Texas”, of hoe een op een onbewaakt moment op een Britse gitaarkoffer verzeild geraakte Amerikaanse bumper sticker aanleiding kan geven tot een liedje. Het overkwam Bob Cheevers toen hij in 2012 doorheen Europa trok. Meer nog, één liedje werden er snel vijftien. En een volledig nieuw album was op die manier meteen ook geboren.

Een conceptalbum eigenlijk. Voor elk van de vijftien liedjes erop nodigde Cheevers immers een andere muzikale vriend uit. Het “centerpiece”, het al genoemde “On Earth As It Is In Texas”, blikte hij zo bijvoorbeeld samen met Bradley Kopp in. Verder eveneens van de partij: Walt Wilkins voor “The Sound Of A Door”, Van Wilks voor het aardig bluesy aandoende “One More Nail”, Stephen Doster voor het prachtige “My Guitar, The Man In The Moon And My Heart”, Slim Bawb en z’n pedal steel voor het gevoelige “My First Rodeo”, Will Sexton en z’n akoestische voor het beklijvende “Made In Mississippi”, Chis Gage voor het z’n eigen dagdagelijkse (nasale) lotgevallen mooi samenvattende “You Sound Just Like Willie”, Dustin Welch en z’n banjo voor het enigszins beklemmend werkende “Snake Oil Man”, Andre Moran voor “Falling Hard On Easy Street”, multi-instrumentalist Chip Dolan en z’n accordeon voor het op die manier met een bescheiden prise Tex-Mex-gevoel gekruide “Creaky Old Bones”, Warren Hood en z’n immer vibrante fiddle voor “Hey Hey Billy”, Jeff Tveraas en z’n akoestische voor de machtige ballade “West Texas Sundown”, Greg Whitfield eveneens op de akoestische voor het lang niet enkel titelgewijs Willie-esk werkende “Blue Eyes Always On My Mind”, de onvolprezen Marvin Dykhuis ook al op de akoestische voor “I Don’t Need A Thing” en Charlie White op de elektrische voor het afsluitende “Paradise Lost”.

Weer vijftien verhalen van het soort waarvan Cheevers zelf zo graag mag zeggen “I don’t know if these stories are true, but they happened to me”. En wie zijn wij dan, om zelfs maar te proberen om daar iets tegen in te brengen? Het enige wat ons dan nog rest, is je hier nog snel even mee te geven, dat “On Earth As It Is In Texas” andermaal een prima Bob Cheevers-plaat geworden is. Z’n tiende commercieel verkrijgbare ondertussen al. Doe er vooral je voordeel mee!

Bob Cheevers

 

KELLEY MICKWEE “You Used To Live Here” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Tussen 2005 en 2012 verschenen van Kelley Mickwee al een handvol platen. ’t Is te zeggen, platen waarbij ze redelijk prominent betrokken was toch. Met Jed Zimmerman leverde ze als het duo Jed And Kelley in 2005 “Lose To Win” en in 2007 “Songs To Take Home” af. Twee leuke albums, die het tweetal onder meer vergelijkingen met andere Americana-paren als Gram & Emmylou en Buddy & Julie opleverden. Met de all-girl Americana act The Trishas deed ze daar vervolgens tussen 2010 en 2012 nog eens twee eenheden bij. Met name hun debuut-EP “They Call Us The Trishas” en het knappe “High, Wide And Handsome”.

Een nobele onbekende kunnen we Mickwee dus niet echt meer noemen. Maar toch… Ik moet eerlijk bekennen, dat het toch even geduurd heeft voor er hier een belletje ging rinkelen, toen ik onlangs voor het eerst met haar solodebuut “You Used To Live Here” geconfronteerd werd. Ik kende dat gezicht wel, maar vanwaar ook al weer… Op zo’n momenten is er dan gelukkig het internet! In no time ben je weer bij en kan je met de muziek aan de slag!

En die is ronduit F-E-N-O-M-E-N-A-A-L! Hierbij verwordt alles wat Mickwee tot op heden gedaan had tot louter een voorspel. Dit is een muzikale “grand cru”, een hemels half uurtje, zeven nummers lang vingers en duimen aflikken. Vijf eigen nummers en covers van John Fullbrights “Blameless” en Eliza Gilkysons “Dark Side Of Town” serveert Mickwee ons. Een zevental, waarvoor ze met voorbedachten rade haar huidige thuishaven Austin heel even weer ruilde voor haar vroegere, te weten Memphis. Daar liet ze zich bijstaan door een select groepje lokale muzikanten bestaande uit haar wederhelft Tim Regan (Wurlitzer, piano, B3, elektrische gitaar), Eric Lewis (pedal steel), Paul Taylor (drums) en Mark Edgar Stuart (bas). En dan waren er ook nog wat opgemerkte gasten. Met name Kevin Welch, met wie ze de country soul beauty “River Girl” pende, Owen Temple, met wie ze de ballade “Beautiful Accidents” uitwerkte, en Brandy Zdan, u wellicht ook bekend van het lichtjes fantastische Twilight Hotel.

De grote Aretha Franklin zo dicht mogelijk benaderen, dat was Mickwee’s uitgangspunt. Aan ons nu om uit te maken, of haar dat ook daadwerkelijk gelukt is. En ik ben eerlijk gezegd geneigd om hier te verdedigen, dat ze op z’n minst sfeergewijs bij momenten al aardig dicht in de buurt komt. Om nu te zeggen, dat ze al een Aretha zou zijn… Dat nu ook weer niet, maar Mickwee kan wel terugvallen op een ongelooflijk soulvolle stem, op fantastische begeleiders en op geweldig songmateriaal. En dat maakt van dit solodebuut een echte heerlijkheid van een plaat.

Openingsnummer “River Girl” is meteen een echte moordsong. Meer Memphis soul dan Americana, een wolk van een trage, te situeren ergens in de buurt van het allerbeste van Bonnie Raitt. Met subliem gitaarwerk van co-auteur Kevin Welch en een al even machtige toetsenbijdrage van Tim Regan. Vervolgens is er het met Phoebe Hunt gepende “Take Me Home”. Dat blijkt een ingetogen countryballade, die mede dankzij de zachtjes jammerende pedal steel van Eric Lewis bij momenten aardig richting het oeuvre van de Cowboy Junkies overhelt. “Beautiful Accidents” dan maar. Geschreven met collega Owen Temple en ook in duet met deze laatste gebracht. Opnieuw een heel erg mooie Americana-trage. Titelnummer “You Used To Live Here”, geboren uit een korte “werkflirt” met Jimmy “Daddy” Davis van Walt Wilkins’ Mystiqueros, koppelt aansluitend daarop hemelse Memphis soul aan een swampy groove. En ook John Fullbrights “Blameless” had zich amper een betere vertolking dan die van Mickwee hier kunnen wensen. Blijven dan nog achter: het met Jonny Burke uitgewerkte en zich onderkoeld twangend volop in lust wentelende “Hotel Jackson” en een eveneens briljante cover van Eliza Gilkysons “Dark Side Of Town”, met Brandy Zdan zowel vocaal als op de lap steel behoorlijk nadrukkelijk aanwezig.

Bull’s eye, Ms. Mickwee! U heeft ons hiermee echt recht in het hart getroffen!

Kelley Mickwee, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PAUL COLLINS “Feel The Noise” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

Deze man was ooit één van mijn jeugdhelden. Aan het eind van de jaren zeventig viel ik immers als een blok voor “Different Kind Of Girl” en “Rock N Roll Girl”, twee nummers van het debuut van zijn groep The Beat, later noodgedwongen herdoopt tot Paul Collins’ Beat omwille van mogelijke naamverwarring met het in dezelfde periode actieve Britse skagroepje, dat toen hitgewijs net volop aan de bak was dankzij nummers als “Best Friend”, “Hands Off She’s Mine” en “Mirror In The Bathroom”.

Maar onze Paul Collins, die had dus niets met ska, die stond voor rock & roll pur sang van het type powerpop, een muziekgenre dat net op hetzelfde moment ook “boomde”. Men denke bijvoorbeeld maar even weemoedig terug aan lekkere dingen als “My Sharona” van The Knack, “My Best Friend’s Girl” van The Cars, “Back Of My Hand” van The Jags, “I Want You To Want Me” van Cheap Trick, “Hard To Get” van The Rubinoos, “What I Like About You” van The Romantics en andere. Dat waren nog eens tijden!

En precies naar die tijden neemt Collins ons op zijn nieuwe plaat mee terug. Alsof zijn klok ruim dertig jaar heeft stilgestaan! “Feel The Noise” maant hij ons gelijk in het openingsnummer aan, het inleidende salvo tot ruim vierendertig minuten ouderwets lekker, niet bepaald zuinig naar de betere pop- en rockmuziek van de (late) sixties terugharkend muzikaal vertier, opgenomen in klassieke driemansbezetting. Een elektrische gitaar, een bas en drums, meer is er doorgaans niet nodig om ’s mans op rete-aanstekelijke melodieën geënte liedjes te laten slagen.

Bij catchy songs als de echt volop van sprankelend gitaarwerk van producer Jim Diamond profiterende oorwurm “Only Girl”, het springerige “Baby I Want You”, het bij nader inzicht zo’n beetje als geloofsbelijdenis fungerende “I Need My Rock N’ Roll”, het met enkele lekker luid mee te brallen regels gezegende “Don’t Know How To Treat A Lady” en de mooie, helemaal niets met de gelijknamige Troggs-hit uit ’66 te maken hebbende trage “With A Girl Like You” en andere waanden wij ons zo weer volle drie decennia jonger. Met het door het trio Holland-Dozier-Holland gepende “Reach Out I’ll Be There” prijkt er overigens wel één cover op “Feel The Noise”. Die Motown classic krijgt hier een muzikale makeover mee, die mij voorwaar heel even aan Joe Strummer en z’n Clash in hun hoogdagen deed terugdenken.

Na zoveel fraais is er eigenlijk maar één enkele conclusie mogelijk! Om het met de woorden van Collins zelf te zeggen: “Keep on rocking!” Gaan we zeker doen, Paul…

Paul Collins, Alive Naturalsound, Sonic Rendezvous

 

TOM GILLAM “Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Last Night On Earth, Tom Gillam Live, Acoustic & Relaxed” is na “Play Loud, Dig Deep” van een jaar of vijf geleden al Tom Gillams tweede live-cd. En net als de titel van die plaat verraadt ook die van ’s mans nieuwe eigenlijk gewoon weer alles wat er ons te wachten staat. Was “Play Loud, Dig Deep” inderdaad nog aan de luide (rockende) kant, dan werd tijdens de opnames van “Last Night On Earth” alles akoestisch gehouden, wat ook effectief resulteerde in een erg relaxed geheel.

Het naar de titel van één van de liedjes op z’n voorganger “Good For You” uit 2012 vernoemde nieuwe album van Gillam ontstond eigenlijk als bij toeval. Het was z’n US Rails-collega Matt Muir die de tegenwoordigheid van geest had om het eenmalige, in december 2013 in het Barrington Coffee House in ’s mans thuishaven New Jersey afgewerkte akoestische optreden te vereeuwigen. Muir, die trouwens net als Ben Arnold hier en daar ook wat muzikale hand- en spandiensten mocht verlenen. Allebei zongen ze occasioneel een mondje mee, Muir verzorgde wat percussie en Arnold kroop zo nu en dan achter de piano.

Doorgaans horen we echter enkel Gillam op z’n akoestische gitaar of diezelfde piano. In, gezien het tijdstip van opnemen niet meer dan logisch ook, nogal wat materiaal van “Good For You”. We mogen hier in dat verband zowel titelnummer “Last Night On Earth” als “Goodbye Goodtime”, “Right Here, Right Now” en “A Train, The Rain & Other Things” vernoemen. Voorts uiteraard ook van de partij enkele klassiekers op het repertoire van Gillam zoals een “Outside The Lines”, een “Rainbow Girl” en een “Where Is Bobby Gentry”. En gelukkig ook de prachtige Terri Hendrix-cover “Hand Me Down Blues”, misschien wel het allermooiste moment überhaupt hier.

Tom Gillam, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MICKY & THE MOTORCARS “Hearts From Above” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Drie lange jaren hebben ze ons laten wachten op een nieuwe cd, de broertjes Braun, en da’s op de keper beschouwd veel te lang voor een succesvolle act als Micky & The Motorcars. Maar goed, ze hadden er dan ook hun redenen voor. Er was vooreerst natuurlijk de compleet onverwachte dood van bassist Mark McCoy, die bij een ongeval om het leven kwam. En er was, mede als een gevolg daarvan, de dringende nood aan geheel en al nieuw personeel.

De Motorcars anno 2014 zijn dan ook niet langer deze van ten tijde van “Raise My Glass” en de voorgangers daarvan. Als nieuwelingen in de groep mogen we begroeten gitarist Dustin Shaefer, bassist Joe Fladger en drummer Paugh. En zij zorgen in een coproductie met Reckless Kelly-baas Willy Braun en “schone gasten” als diezelfde Braun en andere broer Cody, Jon Dee Graham, Bukka Allen, Marty Muse en Brian Standefer voor een album dat in z’n geheel een pak zonniger overkomt dan “Raise My Glass”. Doorgaans een aardig eindje wegrockend ook!

Frontman Micky Braun schoof bij het schrijven van zijn deel van het materiaal voor de plaat naar goede gewoonte aan tafel bij tal van getalenteerde collega’s. Met Ted Russell Kamp en z’n broer Willy schreef hij zo bijvoorbeeld het zomers-speelse “My Girl Now”, met Brian Keane tekende hij voor de knappe Red Dirt-rocker pur sang “Fall Apart”, voor het echt rete-aanstekelijke “Southbound Street” en het afsluitende “Tonight We Ride”, met Jason Eady voor het al even pakkende, op een enigszins bluesy aandoende vibe terende “Hurt Again” en met Dustin Welch en opnieuw Willy Braun voor de met een vleugje weemoed besprenkelde Americana-oorwurm “Destined To Fall”. Überhaupt opvallend aanwezig “this time around”, die Willy Braun. Zijn naam prijkt (mee) onder maar liefst zes van de twaalf gebrachte nummers.

Eén cover ook op “Hearts From Above” en dat is het je misschien al wel van Alejandro Escovedo’s “Real Animal” bekende en door diezelfde Escovedo samen met Chuck Prophet gepende “Sister Lost Soul”. Dat liedje wordt hier onder meer door een bepaald niet onaanzienlijke fiddle-bijdrage van Cody Braun in een eigentijds honky-tonk-keurslijf met bescheiden Spector-trekjes gewrongen. Héél knap!

Zoals bij nader inzicht heel “Hearts From Above” eigenlijk. Wij zouden in verband met deze nieuwe zelfs voorzichtig durven te gewagen van de allerbeste Micky & The Motorcars tot op heden!

Micky & The Motorcars, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

LOS LONELY BOYS “Revelation” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Prachtige nieuwe plaat alweer van een groep die me door de jaren heen eigenlijk nog nooit echt ontgoocheld heeft. Maar ditmaal zijn het dan ook niet de minsten, die de opnames in goede banen hebben geleid. De onder meer om zijn werk met John Mellencamp, R.E.M. en de Blasters geprezen Don Gehman en Emmy-winnaar Matthew Gerrard tekenden voor de job van producer. Gehman nam acht van de gebrachte nummers voor zijn rekening, Gerrard de resterende vier.

Afgetrapt wordt er met het met name accordeongewijs zeer nadrukkelijk naar de Mexicaanse roots van Garza-broertjes terugharkende “Blame It On Love”. Een hitgevoelige deun zoals je die ooit eigenlijk eerder van Los Lobos verwacht zou hebben. Vervolgens gaat het via de beklijvende latino funk van “Give A Little More” richting de catchy zomerse rootspopdeun “It’s Just My Heart Talkin’”, het voorwaar even voorzichtig richting de sixties lonkende “There’s Always Tomorrow”, het soulvolle en inderdaad erg sensuele “So Sensual” en het nu al tot een toekomst als “signature song” van de band gedoemde “Familia”. “Don’t Walk Away” belandt op zijn beurt dan weer ergens heel dicht in de buurt van groot groepsvoorbeeld Carlos Santana, “Can’t Slow Down” blijkt een killer rock song, “Dream Away” een ingehouden, me intro-gewijs even aan Ritchie Valens’ “La Bamba” herinnerende streep adembenemende etno-roots pop en “The Greatest Ever” een wolk van een ballade. Resten dan nog: de venijnige, meer dan zomaar een klein beetje richting hard rock neigende bluesrockescapade “Rule The World” en “Everything About You”, een verdere, het immer prachtige harmonieerwerk van de broertjes Garza etalerende trage.

Benieuwd, of die Garza’s hiermee eindelijk ook in onze contreien wat meer voet aan de grond gaan krijgen.

Los Lonely Boys, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DR. JOHN “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” (Concord Records / Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

De ene muzieklegende uit New Orleans met een eerbetoon aan de andere. En wie beter om de legendarische Louis “Satchmo” Armstrong te eren dan Dr. John? Inderdaad ja… Net als wijlen “Satch” indertijd zelf belichaamt ook Mac Rebennack immers zo ongeveer alles wat er anno nu leeft op rootsmuziekvlak in de “Crescent City”. Blues, jazz, R&B, funk, rock & roll, je zegt het maar! In zijn eigen onnavolgbare stijl tackelt de “Dokter” echt alles wat hem op z’n weg voor de voeten komt. Ook hier weer!

En aangezien Armstrong wordt gezien als één van dé meest invloedrijke trompettisten aller tijden is het eigenlijk niet meer dan vanzelfsprekend, dat Dr. John er daarvan een heel bataljon uitnodigde om hem tijdens de opnames van “Ske-Dat-De-Dat, The Spirit Of Satch” bij te staan. Met name Nicholas Payton (“What A Wonderful World” en “Gut Bucket Blues”), Terence Blanchard (“Mack The Knife” en “Wrap Your Troubles In Dreams”), Arturo Sandoval (“Tight Like This” en “Memories Of You”), Wendell Brunious (“That’s My Home”), James “12” Andrews (“Dippermouth Blues”) en NOLA-legende The Dirty Dozen Brass Band (“When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)”) kwijten zich met brio van hun taak. Samen met Rebennack zelve en een echt de ogen uitstekende keurtroep aan andere muzikale gasten maken zij van dit eerbetoon een schoolvoorbeeld van hoe het eigenlijk zou moeten. Geen slaafs de originelen volgende nieuwe vertolkingen van Satch-hits hier, maar speels-respectvolle vertalingen daarvan naar het hier en nu.

De fantastische Blind Boys Of Alabama en de hoger al even genoemde Nicholas Payton helpen Dr. John zo bijvoorbeeld om uit het ondertussen zo ongeveer door de halve muziekwereld gecoverde “What A Wonderful World” toch nog een terzake doende, heerlijk swingende streep New Orleans R&B te puren. En ook die andere onomkomelijke Satchmo-klassieker, de evergreen “Mack The Knife”, bruist hier mede dankzij Mike Ladd en Terence Blanchard weer echt van het leven. Zo funky als hier hoorde je die classic allicht nog nooit! En het kan zelfs allemaal nóg leuker! Getuige daarvan het door de Cubaanse rapper Telmary (Diaz) en de onvolprezen Arturo Sandoval van een heuse Latin touch voorziene “Tight Like This”, voor ons meteen één van dé absolute hoogepunten van “Ske-Dat-De-Dat”.

Verder zeker ook niet te versmaden: het samen met Bonnie Raitt zwierig richtig het collectieve onderbewustzijn gecroonde “I’ve Got The World On A String”, een heerlijk funky uitgevallen lezing van “Gutbucket Blues”, de met de dezer dagen zo’n beetje alomtegenwoordige McCrary Sisters gebrachte passionele songtweeling “That’s My Home” en “Nobody Knows The Trouble I’ve Seen”, het net als “What A Wonderful World” eveneens met The Blind Boys Of Alabama gedeelde en mede daardoor nadrukkelijk naar een eigen plaatsje in de soulhemel dingende “Wrap Your Troubles In Dreams”, het door Shemekia Copeland van een gezonde dosis sexappeal voorziene “Sweet Hunk O’Trash” en het afsluitende “When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)”, hier door de buitengewoon lentefrisse blazersbijdragen van de Dirty Dozen Brass Band en het karakteristieke gelal van de “Night Tripper” himself weer als vanouds barstend van de “joie de vivre”.

Als je het ons vraagt: een echt feest van een plaat!

Dr. John, Proper Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home